Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lezen van het met een boot de rivier afdrijven,, stroomversnellingen, maar — lezen is nog heel iets anders dan zelf zien en zelf ondervinden. In den beginne ben je wat huiverig; het zijn zulke ranke dingen, die bootjes, en ze liggen een paar vingers maar boven het water. Wij namen onze plaatsen in op den bodem van het vaartuig, gerugsteund door onze bagage; tusschen ons in een jongen, die niets anders te doen had, dan het instroomende water te hoozen; ook al niet tot gerustelling meewerkend. Op de voorplecht van de boot een oude man, die vertrouwd scheen met het water van de Laoe Wampoe, maar die dezen dag wat slecht gestemd was, omdat „hij nog niet gegeten had dien morgen". Dat hebben wij vaak moeten hooren, totdat wij hem van een paar pisangs hadden voorzien. Eerst merkten wij zijn klachten niet op, want schip en water vroegen al onze aandacht; wij waren nog niet op ons gemak. Eerst voorzichtig voeren wij af naar het midden van den stroom en toen met een kolossale vaart naar beneden. Wij zagen niets van de oevers, maar hoorden het bevel van den stuurman achter ons aan den waterhoozer: „Denk er aan, je hebt niets anders te doen, dan het water uit de boot te scheppen; dat is je werk, kijk nergens anders naar!" De eerste stroomversnelling — je hoorde het al in de verte, je zag een helling in het water, woeste golven, haastig roeien van den voorman en van den bestuurder veel geschreeuw om den ander op steenen en golven opmerkzaam te maken. En eer je het wist, was je er overheen. De voorman kijkt eens even om, glimlacht tegen den stuurman, zegt iets van water en steenen en laat dat volgen door zijn klacht: „maar ik heb ook nog niet gegeten !" .

Ook wij keken elkaar eens aan; wij hadden nog niets gezegd, maar — wat wij straks in de bootconstructie laakten, die plank als bodem en daarop rotan-wanden, prezen wij nu, want het kon een duwtje velen; die stuurman, die in den beginne wat onhandig deed, was toch wel een kranige baas, en — wat zat je toch eigenlijk op je gemak in zoo'n boot. De rust was weergekeerd; elke stroomversnelling werd het nog beter en toen begonnen wij op onze omgeving te letten.

Welk een heerlijke rivierbochten, hooge oevers, dichtbegroeid, en daarvoor rustig diep water. En telkens verandering van tooneel. Het was in één woord verrukkelijk. Onze jongens, waarbij er een paar waren van de Hoogvlakte, die dus nooit veel water hebben gezien, nog minder in een boot zaten, waren ook eerst erg stil; ze zaten in een boot, die voor ons uitging. Toch voelden ze zich weldra weer gerust en hun praten en lachen klonk over het water. Wij

Sluiten