Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Majoa is een aardig plaatsje met aardige menschen. Wanneer ik dit dorp binnenkom, word ik gewoonlijk van alle kanten begroet met: „Zijt gij daar weer, grootvader!" De menschen komen geregeld in de bijeenkomsten, maar van de werking van het Evangelie is nog niet veel te bespeuren. Deze lieden zijn zeer nauw verwant aan de Toradja's, die aan den overkant van het scheidingsgebergte wonen in de afdeeling Loewoe. Deze familieleden, aan wie het Evangelie nog niet wordt gebracht, kunnen de menschen van Majoa wel tegenhouden; maar van den anderen kant, wanneer dezen Christen zijn geworden, kan deze omstandigheid eene eventueele zending aan den Zuidkant van het scheidingsgebergte gemakkelijker maken.

Het hoofd van deze plaats is van gemengde afkomst, daar zijn vader een To Onda'e was. Zijne betrekkingen met het Noorden zijn dus sterker dan met het Zuiden. Hij is het Christendom niet ongenegen. Eens vertelde hij aan den onderwijzer: „Wat mijzelf betreft zou ik wel Christen willen worden; maar mijne schoonmoeder verzet er zich tegen". Nu is de eerbied van den Toradja voor zijne schoonouders zeer groot; deze staat in verband met de wijze van huwelijkssluiting bij de Possoërs, die bij hunne vrouwen (dus bij hunne schoouonders) gaan inwonen, instede dat de vrouw bij haar man intrekt. Wanneer de man tegen den wil zijner schoonouders Christen werd, zou dit wel eens ten gevolge kunnen hebben, dat hij gedwongen werd van zijne vrouw te scheiden. Het hoofd van Majoa voegde echter aan de medegedeelde woorden toe: „Maar mijne schoonmoeder blijft niet altijd leven"; met andere woorden: als zij gestorven is, kan ik doen wat ik wil.

Eens kwam het hoofd mij vragen, of een schoolmeisje van hoogstens 13 jaar mocht trouwen. Ik antwoordde, dat zij nog veel te jong was. Men bleef echter aandringen; men stelde zelfs voor om het meisje te doen trouwen, maar dat zij daarna toch nog een jaar op school zou gaan. Deze zaak kwam mij vreemd voor, want de Toradja's zijn niet gewend hunne dochters zóó vroeg te laten trouwen. Ik onderzocht de zaak nader, en toen kwam ik het volgende te weten: Het bedoelde schoolmeisje is van afkomst een slavinnetje, en de man, dien zij zou trouwen, is een slaaf. Nu woont een broer van den heer van dezen slaaf in het dorp Tindoli, en deze broer was van plan dien slaaf voor zich op te eischen. Nu wilde men dezen zoo spoedig mogelijk laten trouwen om dan te kunnen zeggen: hij kan niet verhuizen, want hij is hier getrouwd; en zijne vrouw kan hij volgens de adat

Sluiten