Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gestraft. De eigenaar ziet spoedig, dat er iets aan zijn hond mankeert, maar hij hoopt' altijd, dat het beest nog beter zal worden. Meermalen is het ons gebeurd, dat men ons waarschuwde hier of daar niet te loopen, omdat daar een dolle hond was. En wanneer wij dan vroegen: waarom maakt gij het beest niet dood? luidde het antwoord altijd: het dier kan nog beter worden. Maar aangezien de gebeten menschen veelal familieleden van den eigenaar van den hond zijn, wordt gewoonlijk geen aangifte van het geval gedaan, en de maatregel treft dus geen doel.

Zoo gaat het ook met het bevel, dat de honden vastgebonden moeten zijn. Dit bevel is niet op te volgen, en de Toradja weet zich te helpen. Al zijne honden bindt hij een rotan of een touw om den nek, en laat ze daarna weer loopen. Komt een patrouille of een ambtenaar in het dorp, en ziet deze een losloopenden hond, dan wordt de eigenaar van het beest gezocht; hem wordt gevraagd: waarom loopt je hond los? en het antwoord is altijd: zooeven was het dier nog vastgebonden, het moet pas zijn losgebroken.

In den loop van dit jaar hebben wij er eene nieuwe school bijgekregen en wel te Barati (op de kaart Toba). Dit dorp ligt dicht bij de Morische grens. Het heeft er dan ook een dorp uit de onderafdeeling Mori als filiaal bijgekregen, namelijk Lee (op het kaartje: Tondoe malolo). Toen de onderwijzer van Barati voor de eerste maal naar Lee ging, durfde men hem daar niet te ontvangen. Men was bang, dat de Civiel-Gezaghebber te Kolono Dale, onder wie deze menschen staan, het kwalijk zou nemen, dat zij menschen uit het Possosche hadden ontvangen, die hun „bevelen" kwamen brengen, terwijl zij die alleen hadden af te wachten van den heer te Dale. Dit misverstand was echter spoedig uit den weg geruimd, en nu wordt daar geregeld geevangeliseerd.

De onderwijzer van Barati is zeer muzikaal ontwikkeld, en in enkele maanden heeft hij de kinderen fraai leeren zingen. Wanneer de kinderen zingen, komt gewoonlijk een groot aantal menschen er naar luisteren, zoodat het gezang hier een middel tot evangelisatie is. Toen ik eens de school bezocht, kwam daar ook een oud moedertje binnen. Deze vertelde mij: „de menschen van Singkona benijden ons onzen goeroe, omdat hij zoo mooi zingt". Ik vroeg haar, of zij ook graag hoorde zingen. „O zoo graag, antwoordde zij, soms huil ik er bij".

Nu rest mij nog te spreken over Onda'e, maar ik zal daarover kort zijn. In mijn verslag over het vorige jaar heb ik

Sluiten