Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoeften. En waar die op andere arbeidsvelden zoo dringend zijn, rijst de vraag of een zoo hoog bedrag geoorloofd is voor een reeds gekerstend land.

Maar hoe ernstig ook dit financiëele argument is, toch moet het belang van de Minahassa zelf op den voorgrond staan. En dan moet met allerlei factoren gerekend worden. De bevolking van de Minahassa vormt nu eenmaal geen eenheid; ze bestaat uit zeer uiteenloopende, van verschillende zijden geïmmigreerde stammen, wier talen ver uit elkaar loopen, en die allerminst door het bewustzijn van gemeenschappelijke afkomst of door de herinnering aan een gemeenschappelijke geschiedenis saamverbonden worden. Er is hier dus geen nationaal bewustzijn, waardoor het ontstaan van een nationale kerk zoo vaak krachtig wordt bevorderd. En de Regeering heeft nooit systematisch aangestuurd op het tot elkander brengen van deze zoozeer uiteenloopende bestanddeelen der bevolking. Daarentegen heeft zij wel herhaaldelijk maatregelen genomen, die ontwikkeling van het particulier initiatief hebben belemmerd. Wij noemen de koffiecultuur, die in den aanvang der 19de eeuw geheel vrij was en zich snel ontwikkelde en een belangrijke bron van inkomsten beloofde te worden; maar de Regeering legde er de hand op, dwong de bevolking haar product aan de Gouvernementskoffiepakhuizen af te leveren voor een som, die ver beneden de waarde was; en toen daardoor de liefhebberij om koffie te planten (wat waarlijk geen wonder is!) in sterke mate verminderde, heeft men de bevolking daartoe gedwongen, soms door middel van wreede lijfstraffen. En alsof dit nog niet genoeg ware, heeft men haar telkens tot andere methoden gedwongen ten gevolge van de verschillende inzichten der elkander opvolgende ambtenaren, en haar ten opzichte van de koffiecultuur geringeloord op een wijze, die zeer zeker in flagranten strijd is met alle beginselen van verstandige paedagogiek. Bovendien heeft men (wij wezen er reeds op in ons vorig Jaarverslag) in het jaar 1858 de bevolking verboden giften op te brengen voor het onderhoud der scholen, ook al had zij zich geheel vrijwillig daartoe verbonden, en zoodoende voor geruimen tijd alle zelfonderhoud der gemeenten onmogelijk gemaakt. Wel is waar vraagt de Regeering thans daar, waar de bevolking niet zelf het gebouw voor de Gouvernementsschool opricht, een klein schoolgeld, maar door de opbrengst daarvan worden slechts voor een zeer klein gedeelte de kosten van het onderwijs gedekt. En alsof dit alles nog niet genoeg ware, heeft de Regeering het tot den Minister Fransen van de Putte gerichte verzoek om subsidie voor de