Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar enkele voorbeelden noemen, die anderen tot nadenken en tot navolgen mogen prikkelen.

Groote giften. Er zijn enkele meer gegoede zendingsvrienden, die ons met aanzienlijke bijdragen verrassen. Dat is in dezen tijd een daad des geloofs. Nu het oeconomische leven ontwricht is en de fondsen dalen, weet niemand vooruit te bepalen hoeveel verlies hij zal hebben geleden. Als men dan toch den moed heeft een deel van zijn geld af te zonderen voor de zaak van Gods Koningrijk is dat voorzeker een daad des geloofs.

Kleine giften. De Zending is niet minder dankbaar voor kleine giften. Zij vertegenwoordigen dikwijls een schat van toewijding. Heeft niet de Heiland ons het „penningske der weduwe" laten zien in het licht des hemels als van zeer bijzondere waarde?

Kleine giften kunnen wel het gevolg zijn van gierigheid, maar evenzeer is het mogelijk, dat zij zijn „het penningske der weduwe". Menigmaal komt de begeerte bij ons op de geschiedenis van zoo'n kleine gift te weten, en een enkele maal wordt ons dat gegund.

Aan God gewijd. Een eenvoudige vrouw heeft voortdurend iets van hare karige verdiensten ter zijde gelegd voor de zaak van het Koninkrijk Gods. Het opgespaarde beliep al meer dan zeven gulden.

Toen kwam de oorlog, de verdiensten verminderden, de verzoeking kwam, dat door haarzelve opgespaarde geld te gebruiken in den nood. Maar neen, dat mocht niet. Dat geld was immers „aan God toegewijd". Spoedig werd het in de bus van het Zendelinghuis in veiligheid gebracht.

Vyftig weken lang. Iemand onder den indruk van den nood der Zending, besloot gedurende 50 weken f i,— af te zonderen voor den Zendingsarbeid. En eiken Zaterdagavond wordt zijn gulden in onze bus gevonden.

Hij hoopt, dat zijn voorbeeld navolging zal vinden.

Êén kwartje ieder. In de Nieuwe Rotterd. Courant van Zondag 20 September verscheen een ingezonden stuk van N.N., (hetwelk weder is overgenomen door verscheidene andere bladen), die onder den indruk is van het feit, dat onze zendelingen in Indië met zorgen moeten kampen, als de offervaardigheid der gemeente afneemt. En hij vraagt • als ieder Nederlander nu eens één kwartje gaf?

Sluiten