Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

digheden. Doch niet ieder is er van overtuigd, dat een zendeling goed doet zich in die richting te laten drijven. Daarom acht ik het mijn plicht, geachte lezers, u eens te verklaren, waarom ik mij met handel ging bemoeien en wat de oorzaak is van de oprichting van een toko te Koekoe.

Om u alles goed te doen begrijpen, moet ik beginnen met een en ander te verstellen uit den eersten tijd van ons verblijf te Koekoe. Bij onze komst op deze plaats deelde Br. Kruyt, van wien wij dezen werkkring zouden overnemen, al spoedig mede, dat voor ons een aanzienlijk bedrag was uitgegeven aan voorschotten, waarvoor door de Toradja's te gelegener tijd rijst zou worden geleverd. Wij waren heel dankbaar, dat Br. Kruyt deze maatregelen genomen had, want wij zouden in dien eersten tijd anders werkelijk niet geweten hebben hoe aan de noodige rijst te komen voor onze pleegkinderen en ons zelf. Destijds was de toestand zóó, dat men geen rijst kon krijgen dan alleen door het geven van een voorschot. Zoo was het niet alleen met rijst, maar ook met andere noodige artikelen als mais, kokosnoten, kippen enz. Zelfs wanneer hout voor de gebouwen noodig was, wenschte men eenige maanden eerder het geld daarvoor in handen te hebben. Wanneer het den menschen dan eens in den zin kwam, ging men er over denken zijn schuld af te betalen en zoo werd dan, na vele aansporingen, op zijn elf en dertigst het eene stuk hout na het andere aangebracht. Men moest dan nog heel blij zijn met wat men kreeg, ook al was het minder dienstig. Er waren er, die hun schuld pas na drie jaar kwamen voldoen. Van deze laksheid der menschen wisten de handelaars (Mohammedanen en Chineezen) uitnemend gebruik te maken, want zij verhoogden de schulden, wanneer die binnen bepaalden tijd niet waren afbetaald en zoo namen zij groote woekerwinst. Dit deden wij zendelingen vanzelf niet, en zoo kwamen dus de menschen het liefst bij ons om voorschotten te vragen, want, dachten zij, die zendelingen hebben meer geduld met ons en zetten ons niet af. Dit bracht echter weer mee, dat zij dachten met ons een loopje te kunnen nemen en zoo waren wij gedwongen daaraan een eind te maken. Menigmaal moesten wij met harde woorden de menschen dwingen te betalen en dan gebeurde het nog niet zelden, dat zij probeerden ons te foppen, door b.v. slechte rijst te vermengen met een betere soort. Wij moesten dus altijd bij de pinken zijn, anders werden wij beet genomen. Het zou voor ons prestige tegenover de bevolking niet goed geweest zijn zoo iets oogluikend toe te laten, dus moesten wij daartegen telkens ageeren, opdat zij niet zouden zeggen : „zij bemerken het niet!"

Sluiten