Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maken en naar binnen te klimmen. Dit is het werk van een oogenblik en weldra staat hij voor het vaatje met buskruid. Hij vult zijn hoorn en legt op den rand van het vat ter betaling een drietal vellen, eveneens handelt hij met het lood, na zich van het noodige voorzien te hebben rekent hij ook met den kogelbak af'; vervolgens bedient hij zich van de noodige hoeveelheid tabak, en legt daarvoor in de plaats een viertal huiden in de tabakskist. Nu heeft hij nog twintig huiden over; zie, daar vóór hem is een spijker in den wand geslagen. Hij bedenkt zich geen oogenblik, neen de koopman mocht eens denken, dat er iemand op diefachtige wijze van ziju goederen had ontvreemd. Hij neemt de twintig huiden en hangt ze aan dien spijker op, ten einde te bewijzen, dat hij gedurende zijn afwezigheid met een man met goede bedoelingen te doen gehad heeft. Na dit alles verricht te hebben, verlaat Musi de woning, veelmeer onder den indruk van verkeerd gedaan te hebben, dan wel met de volkomen overtuiging gehandeld te hebben zooals het hem wellicht geen enkele Christen zou nagedaan hebben.

Nn haast hij zich naar het jachtveld , om daar spoedig te midden dier heerlijke dreven tot zijn gewone rust terug te keeren.

Dit is een eerlijkheid, mijne vrienden , die menigeen önzer beschaamd maakt en zeker zal er wel niemand van u zija, lieve kinderen, die niet gaarne een gebed opzendt voor de bewoners van het verre Westen van

Amerika, dat zij toch bekend gemaakt mogen worden met den koning hunner ziel, den Schepper van hemel en aarde. Hoe gelukkig zal dat volk dan ter verheerlijking van zijn Schepper kunnen leven, als het den wereldverlosser en wereldverzoener Jezus Christus kent. Want waarlijk, mijne vrienden, denkt niet, dat de Indianen dien bij al hunne deugden, kunnen missen. Zij gaan uit van de ware gedachte, dat er niets kwaads van het goede en evenzeer dat er niets goeds van het kwade kan komen. Daarom schrijven zij het goede alleen aan den grooten geest toe en zoeken zich op allerlei manier tegen het kwade te beschermen. Van den grooten geest wacht men niets kwaads; hij woont in de zon op een oubereikbaren afstand, maar de booze geesten wonen om hem heen, daarom moeten zij die te vriend houden en hen dienen. Alles wat hij ziet eu aanschouwt kan de woning van een boozen geest zijn, elk geluid van vogel of blad, van beek of stroom, kan de stem van een boozen geest zijn. Zoo leeft hij dan in voortdurende vrees, daarom heeft hij een beschermgeest noodig; ieder Indiaan heeft er zulk een en noemt dien zijn Manito. Zij vereeren vele dieren, maar bovenal de klapperslang, den bever en den grooten nachtuil.

Hoe groot een vereering de Indiaan voor de klapperslang heeft zal u uit het volgende verhaal duidelijk worden. Toen de graaf Zinzendorf, — een der eerste mauneu door wien voornamelijk in de eerste helft der vorige eeuw de

Sluiten