Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i\°. 73. — Lidmaatschap 1 Ct. per week. — Maandelijks een blaadje. - 1879.

rp

Hulpvercenigiiig der TJtrechtsclie Zendingvereeniging.

TWEEDE SERIE. v

NIAS. EEN EILAND TEN WESTEN VAN SüMATEA. I)e geschiedenis van Jonata, of Daosisi.

Dit eiland ligt op den weg van Batavia naar Atchin. Op Nias werken de zendelingen van het Bijnsche genootschap; het zijn zendelingen , gevormd te Barmen. Ditmaal zullen wij u eens niets van die zendelingen verhalen , maar daarentegen u eenvoudig de geschiedenis van Jonata, zooals hij ze zelf op schrift gesteld lieeft, vertaald weergeven, dan zult gij, lieve vrienden, zeiven kunnen oordeelen, wat het beteekent zendeling te zijn en hoe groot en heerlijk het werk is, dat deze voortreffelijke mannen onder de heidenen tot stand trachten te brengen , en hoe de arme heidenen het op prijs weten te stellen, dat men zich hunner ontfermt. Slechts een enkel woord om u mede te deelen, dat de zendeling van wien Jonata spreekt, „Thomas" heet, hij noemt hem zijn heer.

Jonata's verhaal luidt uls volgt: mijn vader Lolomboli had twee vrouwen. Bij de eerste waren vier jongens en drie meisjes; de tweede vrouw Havesa had twee kinderen, de eerstgeborene heette Kanotoifa en mijn naam is

Daosisi. Nauwelijks was ik geboren of mijn vader verstiet, op aandrang zijner eerste vrouw Bowodori, mijne moeder met hare kinderen. Want Bowodori had tegen mijn vader gezegd, toen mijne moeder krank was: „verzorg haar niet langer, ben ik hare slavin, zoodat ik voor haar moet werken en zij in huis kan blijven liggen zonder een hand uit te steken?" Dit gezegde verkoelde het hart mijns vaders, zoodat hij hard werd tegen mijne moeder en haar toevoegde: gij kunt in huis blijven wonen, maar gij moet uw eigen huishouden onderhouden. Daar wij weldra niets meer van vader kregen, verkocht moeder alles wat zij nog had, hare koperen armbanden , de goudstukken die zij op haar jakje droeg en kocht er eten voor. Toen zij weer hersteld was, bewerkte zij een stuk grond, hield varkens en kippen, en zorgde zoo voor onze behoeften. Toen ik 10 jaar oud was verhuisden wij naar Ombolata, omdat het dorpshoofd (Balugu) ons beloofd had, wanneer wij in zijn dorp kwamen wonen, dan zou hij

Sluiten