Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weinig te bekoeleu. Na afloop van den maaltijd sloeg de koning een scherpen blik op den onthutsten zendeling en zeide: „Hoe was het ook, zeidet gij niet het groote Zuluvolk in een vuur te werpen nadat het gestorven was ? Komaan ik zal u toonen, wat de Zulu's voor een volk zijn, gij kent ze niet gelijk ik bespeur." De koning geleidde nu den zendeling naar den brandotapel en deed het hout, dat tot een verbazenden hoop aangegroeid was van alle zijden ontvlammen. Toen de vlammen een geweldige hoogte bereikt hadden, zoodat men er niet meer dieht bij konde blijven, beval de koning de 2 regimenten, die mede naar de preek hadden geluisterd, op den brandstapel aan te vallen en dien uit te blusschen. De krijgslieden stortten zich onverwijld met hunne naakte lichamen op den stapel, rukten hem uit elkaar en rustten niet voordat het vuur geheel en al uitgedoofd was. „Dat hebt gij gezien," hernam de koning, „welaan zoo zouden wij ook met uwe hel te werk gaan. De Zulu's zouden korte wetten met uw vuur maken en gij handeldet beter u zoo spoedig mogelijk uit dit land weg te pakken, anders zal ik voor u een klem vuurtje laten aanleggen om u dat eens te laten blusschen 1" De zendeling wachtte geen oogeublik manr verdween onmiddelijk." Zoo luidde het courantartikel.

Menigeen heeft dit gelezen en het zeker nog al grappig gevonden, maar uu zullen wij u eens even verhalen, wat er van de gansche geschiedenis aan is, dan kuut gij zelf oordeelen,

of dit verhaal niet bizonder veel lijkt op het verzinsel van den jongen, die zeide een wolf gezien te hebben; zija vader wandelde daarop met hem naar een brug, waarvan het heette, dat ieder die gelogen had er zijn been op moest breken. Toen de jongen nu dicht bij de brug kwam zeide hij: „vader, het kan ook wel een groote hond geweest zijn;" ziju vader wandelde voort, zij waren nog slechts een lOtal stappen van de brug verwijderd of de zoon zeide: „vader, het was toch nog al een groote hondde vader zeide niets en naderde tot bij de brug, toen zag hij zijn zoon aan, die zijn hoofd telkens afwendde;,,vader,"zeide deze, „het was maar een zeer klein hondje," en toen de vader reeds over de brug was en de zoon nog aarzelde, zeide de zoon haastig: „och vader ik heb gelogen, ik had maar een klein keffertje hooren blaffen." „Nu kom dan maar hier," zeide de vader, „maar lieg voortaan niet meer." — Ik denk ook dat de schrijver van het courantartikel, als hij over die brug had moeten gaan, zijn beide beenen gebroken had, ol altans gezegd zou hebben: „ik heb een halve Zulukaffer of liever een Kaapsche spotter nagepraat, maar weet van de zaak niets."

Wat er in couranten staat, waards vrienden, wordt gemakkelijk geloofd, weet ge waarom? omdat er allerlei geloofwaardige berichten bij allerlei onwaarschijnlijke berichten staan. Ieder wil wat nieuws weten en vertellen en daarom neemt ieder er het zijne uit zonder te kunnen onderzoeken of het waarlijk zoo geschied is. Maar dit

Sluiten