Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet in de nabijheid van een dorp te komen, uit vrees dat men hem herkennen zou. Bij al die ellende en akelige eenzaamheid kwam nu nog zijn knagend geweten. Vroeger was het hem als hoofd te midden zijner rotsgenooten een licht werk geweest, zijn geweten te smoren, maar als thans de nacht aanbrak en hij insluimerde, dan kwamen zijne onschuldige slachtoffers hem voor den geest, zij lieten hem geen rust, zij dreigden hem te verscheuren. Het was hem onmogelijk langer in de eenzaamheid te blijven. Na lang trekken bereikte hij dorpen waar men hem niet kende. Daar begon hij zijne misdaden door aalmoezen aan de armen en dooidagen en nachten voor afgodsbeelden geknield te liggen te verzoenen. Doch zijn geweten kwam niet tot rust. Hij U-achtte thans door zelfkastijding vrede voor zijne arme ziel te verkrijgen, doch alle geeseling hielp niets, en al noemde het volk hem een Gooroo, (dat is een priester) om al zijne goede werken, ja al begon men zijne voorbede in te roepen, hij bleef onbevredigd , zijn gewetensknaging hield niet op. Terwijl het vo'k zich voor hem in het stof boog, stond hij op het punt de hand aan zijn eigen leven te willen slaan. .Niets dan de vrees voor den dood hield hem van zelfmoord af. Nog eeue hoop restte hem, hij begon op handen en knieën naar den Ganges te kruipen, in dien stroom hoopte hij verzoening te vinden. Hoewel de rivier honderd aren gaans ver lag en Keruba niet gelooide, dat hij daar voor zijne gruwelijke zonden vergeving zou vinden

, zoo wilde hij toch ook dit middel niet onbeproefd laten. Hij volbracht de reis, maat het spreekt van zeil ook dit kon den armen man niet baten. Op zijne terugreis nam hij in een groote stad deel aan een afgodsdienstig feest. Het wilde dat het Zondag was.

Terwijl hij door de straten der stad wandelde, treft zijn oor plotseling een onbekend geluid. Het was het geluid eener klok; het was geen hindoeklok, die kende hij te goed; toch dacht hij, daar wil ik heen. De zilveren klank lokte hem als van zelf naar de plaats waarheen de christenen des zondags bijeen geroepen worden. Toen hij dat kerkje zag, vroeg hij wat dat luiden beduidde. Iemand zeide hem: „dat is het teeken dat de christenen tot hun godsdienstoefening' bijeen roept." „Wat zijn dat, christenen?" vroeg Keruba, daar had hij nooit van gehoord. De menschea stroomden bij menigte haar binnen, ook Keruba vaite moed en trad binnen. Alles wat hij daar zag kwam hem vreemd voor, maar toen de voorganger het woord nam en zeide: „het bloed van Jezus Christus Zijnen Zoon reinigt van al onze zonden," was zijn geest geheel en al ouder den indruk des woords. De leeraar bespeurde met welk een belangstelling de nieuwe gast zijn woerden volgde; hij verklaarde dat de hel do ware strafplaats voor den zondaar was, doch verhaalde toen hoe God in zijne eindelooze liefde een middel geschonken had om zondaars te redden van het verderf, dat Hij Zijn eenigen Zoon gegeven had om zich in de plaats van den zondaar

Sluiten