Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

feest in de nabijheid van Otta zou plaats hebben en hij daarbij met zijn trommel 'niet mocht gemist worden, sloop hij voor het aanbreken van den dag derwaarts. Hoe klopte zijn geweten , zoo hard kon hij de trom niet slaan of zijn geweten sprak nog luider; eindelijk, terwijl hij op zijn best bezig was met spelen, scheurt plotseling het vel. Sedert dien dag bespeelde hij de trommel nooit meer op zondag. Nu was bet juiste oogenblik voor den zendeling gekomen , hij toonde Adschaka aan, dat alles wat wij liever hebben dan God voor ons een afgod is, en voor God een gruwel. Dat sneed hem door de ziel. Voortaan kon hij geen trommel meer met een goed geweten bespelen. Telkens beproefde hij het weder, maar telkens dacht hij bij vernieuwing aan het woord van den zendeling: „wat gij liever hebt dan God is uw afgod en Gode een gruwel." Dan wierp hij de trommel in een hoek. Zoo bleef de trommel dan dikwijls dagen lang ongebruikt in een hoek liggen, maar toch bleef er altijd nog een neiging in hem naar zijn oude hartstocht. Op zekeren dag ontving hij echter een groote menigte oude vrienden en bewonderaars van zijn spel bij zich ten bezoek , die niet ophielden met hem te smeeken toch nog eenmaal zijn trommel te doen hooren. Deze verzoeking was hem bijna te machtig geworden.

Amsterdam.

Het kostte hem een geweldigen strijd om zijn arm ditmaal terug te houden. Waarlijk nu begreep hij het woord des Heeren „als uw hand u ergert houw ze af." Want het was of alles hem naar de trommel trok. Toch bleef hij weerstand b'edeti. Toen deze verzoeking door Adschaka overwonnen was, grijpt hij den volgenden morgen zijn trom en spoedt zich naar zijn leermeester en met de woorden: „God is groot, nooit had ik kunnen denken dat iemand mij van mijn trom zou kunnen losmaken; maar God heeft het gedaan", reikt hij de trom over en voegde er aan toe: „voor geld was ze niet te koop, maar God is groot, neem ze van mij en doe er mee wat gij wilt."

Kort daarna werd Adschaka gedoopt en ontving den naam Abraham. Zijn trom staat nu tot een aandenken aan de vervulling van Luc. 14 : 25—35 in het Londensche zendingshuis.

Zoo het u ooit mocht overkomen, waaraan ik niet twijfel of het zal niet uitblijven, dat gij iets wat u lief is, zult moeten laten varen om den wil van den Heer Jezus, zelfs al ware het u nog zoo dierbaar, denk dan aan den armen Adschaka; niets kan u wel dierbaarder zijn dan hem zijn trom en toch hij overwon zich zeiven, omdat hij den Heiligen Geest niet wilde bedroeven; hij deed ziju trom weg en werd een blijmoedig christen.

L. J. II.

Boekdruk van Kemink & Zoon, te Utrecht.

Sluiten