Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ners. Op zekeren morgen kwam de zoon van den hoofdman van Fallangia tot zijn vader en verhaalde in tegenwoordigheid Tan velen den volgenden droom: „Vader er komt een zendeling tot ons! ik zag hem iu den droom de rivier opvaren en hier aan wal stappen en in uw huis komen!" Herinnert ons dit niet aan den profeet Joel, die ons verhaalt hoe de zonen en dochteren zullen jirofeteeren ? Nu dan wij zullen zien of de zoon van den hoofdman gelijk gehad heeft.

Eenige weken later landde Leacock aan de engelsche colonie Siërra Leona. Het was zijn plan om te gaan waar nog geen zendeling voor hem geweest was. Men raadde hem nu eens hier dan eens daar heen te gaan. Doch Leacock smeekte den lieer dag en nacht om een duidelijke aanwijzing. Zoo gebeurde het dat iemand iu zijn bijzijn mededeelde, hoe zeer de Negers aan de Rio Ponga verlangend naar liet Evangelie uitzagen. Nauwelijks werd die naam uitgesproken of net was Leacock als een bliksemstraal, die door zijn binnenste ging. Daar moest hij heen. De eerste ontmoeting die hij daar had was met een hoofdman die heui aanvankelijk vriendelijk ontving en , aangezien lnj eenig engelsch kende, ook wel toegankelijk scheen; doch toen Leacock altijd weer over zonde en over Jezus sprak, werd de .Neger zeer onwillig en liet scheen wel dat hij den ^rouwen zendeling, door hem alle spijze te onthouden, wilde laten doodhongeren.

Op zekeren dag was Leacock door koorts aangetast in zijne hut gebleven

, toen er voor zijn deur een scheepje stil hield waaruit een jeugdige Neger stapte, die rechtstreeks op de woning van den zendeling afging. De jeugdige Neger bleef eerbiedig voor den zendeling staan en zeide hem in vrij goed engelsch : ik ben de zoon van den hoofdman van Fallangia en kom, uit naam mijns vader, u vragen of gij morgen of overmorgen tot hem wilt komen? Doch terwijl de jongeling dit zeide, zag hij den deerlijk geliavenden zendeling aan, wiens gelaat overdekt en opgezet was van vliegenbeten ; toen liet hij onmiddelijk op zijn boodschap volgen: ,,gij moet heden nog met mij naar Fallangia, hier kunt gij niet leven."

Hoe treffend was de gunstige leiding Gods, juist toen de nood het hoogst geklommen was, kwam er uitkomst. Leacock ging onverwijld mede cu vei heugde zich niet weinig over de eerste ontmoeting met den eerwaardigsn hoofdman van Fallangia. Hij werd door hem ontvangen met de woorden: Wees welkom ondermijn gering dak, gij knecht des Allerhoogsten! als gij met mij het avondeten wilt gebruiken, zijt gij mij dubbel welkom. Terwijl het avondeten opgebracht werd, scheen de oude hoofdman diep ontroerd. Ook hij sprak een weinig Engelsch. Plotseling verheft hij zijne stem en geeft zijn hart lucht door het opzeggen van een Heerlijk engelsch loflied: „tieere God! U loven wij" enzv.

Over dit alles was Leacock niet I weinig verbaasd. Toen de hoofdman dit bespeurde, begon hij zijne geschie-

Sluiten