Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met hem!" — „Neen, aan de galg op het koningsplein om alle ketters tot een waarschuwing te dienen 1" — ,,JSTeen laten wij hem daar over de rots in den afgrond werpen; dan zullen de raven den tijd hebben, om onze goede moeder te wreken!" „Neen in de zee!" „Neen aan de galg!" Zoo schreeuwde een verwoede bende die zich verdrong achter een armen vreemdeling, van wien men zeide dat hij eene verschrikkelijke lastering in de kapel der maagd Maria zoude uitgebraakt hebben, en die daarvoor door twee monniken naar den kerker der heilige inquisitie gebracht werd. De ongelukkige werd eerst naar het paleis dier vreesselijke rechtbank gevoerd waar juist een zitting gehouden ird. Het volk eischte, dit de reeht'ank op staanden voet de beleediging 'jner Madonna aangedaan zou stratn. Om de woede des volks niet tot 3n oproer te doen klimmen, werd jsloten het vonnis over den schulge aanstonds bekend te maken, 'eze tijding werd met uitbundig gejuich begroet.

Intusschen is de onbekende door zijn twee geleiders in de gerechtszaal gevoerd, waar een der beiden op de vraag van den voorzitter het volgende verbaalt: deze inensch heeft zich aan lastering schuldig gemaakt. Het was juist op het oogenblik, toen de geloovigen in de kapel onzer lieve vrouw, de heilige maagd en moeder van God, verzameld waren en zij zich voor haar neder wierpen om haar in stilte te aanbidden, niettegenstaande de priester aan den voet des altaars

gebeden opzond, dat deze inensch, die een ketter, een satanskind is, langzaam onze heilige moeder naderde, den sluier van haar gelaat oplichtte en, op het oogenblik dat hij dien weer neerliet, zuchtend deze woorden deed hooren : „die afgodendienaars ! die arme afgodendienaars 1"

Eene aandoening van afschuw overtoog de aangezichten der rechters. Onmiddelijk grauwde de president den beschuldigde toe: Wie zijt gij?

— William Knop een engelsch beeldhouwer.

— Waar komt gij van daan ?

— Uit Oost-Indiën.

— W r at hebt gij aan te merken op de tegen u ingebrachte beschuldiging?

— Niets, zij is waar.

—■ Wie meendet gij, toen gij van afgodendienaren spraakt? Uwe Hindoes?

— Neen, uiieden.

— Ons?

— Ja uiieden.

De president knerste met de tanden, sloeg met de vuist op tafel, en zeide: weet gij wel, dat ik u reeds nu naar den brandstapel kan zenden om tot voorproef te dienen voor de u weldra volgende ketters.

— Gij kunt niets doen, dan wat God u toelaat.

— We!aan ik zeg u dan, dat God wil, dat gij levend verbrand zult worden ; Hoort gij ?

— Dat wil zeggen, dat gij mij wilt veroordeelen, zonder mij vooraf in verhoor te nemen?

— Neen, neen! spreek maar; gij kunt evenwel naderhand verbrand worden!

Sluiten