Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mf°. 95. — Lidmaatschap 1 Ct. per week. ijks een blaadje. —1881.

Hulpvereeniging der Utrechtsche Zemlingvereeniging.

TWEEDE SERIE.

AMOK.

Een geschiedenis van den vroegeren zendeling Hennemann thans director van het Seminarie te Depok op Java.

Menigeen heeft zeker reeds eens een Dajakker gezien, zoo al niet een levende dan toch zeker een afbeelding. Gewoonlijk hebben zij een lang blaasriet in de hand en een krom gebogen zwaard op zijde. Gij zult behalve dat waarschijnlijk wel eens gehoord hebben, dat de Dajakkers een volk zijn, dat op Borneo woont, en zich vooral onderscheidt door behendigheid in het koppensnellen of afhouwen van hoofden. Vroeger dacht ik steeds: zulk een koppensneller zal er wel afschuwelijk uitzien en zeker de uiterlijke kenmerken dragen van een afgrijselijk mensch, die zeker aan een akelige stem te herkennen moet zijn; ook meende ik, dat zulk een man zonder veel omslag op klaar lichten dag den eersten den besten dien hij tegen kwam het hoofd af zoude houwen. Maar dat is zoo niet. Behalve koppensnellers hebben wij hier echter nog een ander gevaarlijk soort meuschen, waarvan ik u ditmaal iets wilde verhalen, namelijk van een Amokmaker, dat wil zeggen een bezeten Dajakker. Nu moet gij wel weten dat Amok-makera niet enkel op Borneo

maar evengoed op Java voorkomen en dat zij veel gevaarlijker zijn dan de eigenlijke koppensnellers. Tegen koppensnellers kan men nog voorzorgen nemen en door de overheid er tegen beschermd worden, maartegen Ainok-makers is geen bescherming te vinden. Zulk een man kan rustig zitten te werken, doch plotseling overvalt hem een soort van krampwoede, waarin hij alles wat hem op zijn weg tegenkomt aanvalt en het doodt, al ware het zijn besten vriend of ergsten vijand. Het is nog niet heel lang geleden toen er voor het zoutmagazijn een geweldig lawaai ontstond. Dit magazijn ligt nog geen 100 pas van ons huis. Eerst was het een zoo verward geschreeuw dat wij dachten: o zeker zijn ze bij het magazijn er in geslaagd een krokodil te vangen, die zeer veel in de rivieren van Borneo voorkomen. Doch weldra zagen wij, dat er wel iets anders moest voorgevallen zijn ; de zakkendragers , — er was juist een zoutschip aangekomen , — gerechtsdienaars en alles wat in de buurt vertoefde stoof uit elkaar, gelijk een troep kippen waarop een

Sluiten