Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vlucht 3 dagen gehuisvest waren geweest; daar lagen een paar opengebroken kasten, de overblijfsels van het in stukkeu gehakte harmonium, boeken en geschriften van regen doorweekt, terwijl al het overige weggesleept of verbrand was.

Den volgenden morgen 2 Januari begaf broeder Hartman zich met twee mannen naar de zendingspost Baziija. Daar zag ik dan, schrijft hij 1 , den onder zooveel zweet en moeite tot stand gebrachten arbeid mijner voorgangers door ondankbare heideneu vernield en verstoord. De gevels waren deels geheel, deels half ingestort, eenige tusschenmuren omvergeworpen. Overal lagen verbrande bladen onzer boeken en geschriften. Met weemoed doorliep ik de vroegere vertrekken en kwam ook in mijne studeerkamer, waar ik, even voor wij moesten vluchten , nog eens mijne knieën voor den Heer gebogen had. Alles lag verwoest! De fraaie dikke wijnstokken van voren aan de veranda hingen verzengd nederwaarts, botten van onderen echter weder uit en evenzoo kwam er aan de geblakerde oranje boomen in den tuin nieuw lof te voorschijn. Een zinnebeeld van hoop bij zoo groote verwoesting! De gevel van de keuken, ook de bakoven was ingestort; slechts het kleine portaal tusschen beiden was ongedeerd gebleven.

De schrijnwerkersplaats, de stallen, de schuur tot berging van timmerhout en de nabij gelegene woningen waren allen tot op den grond afgebrand.

Alle timmerhout, sedert jaren voor de kerk en anderen arbeid bijeen verzameld,

lag in asch. Ook de smederij was totaal afgebiand. Wat van ijzerwaren niet door de Kaffers tot vervaardiging van wapens en door de blanken tot andere doeleinden verbruikt was, lag door den vuurgloed verborgen in het puin.

Fingoes, tot het engelsche leger van kolonel Wavell behoorende, maar reeds van daar vertrokken, hadden het blik, waarmede het dak der kerk bekleed zou worden en in den hof opeengestapeld lag, uit elkaar geworpen en verbogen, nogthans het grootste gedeelte hiervan, hoewel vertrapt, was nog bruikbaar. Een ouden bekende trof ik nog bij deze puinhopen aan, namelijk onzen grooten hofhond, die vol vreugde tegen mij opsprong en mij van blijdschap haast omvergeworpen zou hebben; natuurlijk verliet hij mij nu niet meer, maar volgde mij naar Unatata.

De tuin met zijne vele vruchtboomen en heggen was ganschelijk geplunderd; de aardappelen en groenten waren medegenomen; mais, boonen enzv. door het vee der Fingoes afgevreten en vertrapt. En toch kon men den tuin nog niet geheel verwoest noemen, vele bloemen stonden in bloei, de vlinders vladderden er om heen. De oranjeboomeu hadden weder kleine vruchten gezet, de grootere waren halfrijp afgeplukt. De bijenkorven, die voor de vlucht met honing gevuld stonden, lagen omvergesmeten of stuk geslagen op den grond en van honing berooid.

Nog voor 2 a 3 dagen had de donkergroene mais op de landerijen

Sluiten