Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dingsdrang uit dit motief niet veel. Het woord uit de klaagliederen van den profeet is ook op onzen tijd van toepassing: „Hoe is het goud verdonkerd, het goede fijne goud zoo veranderd ?" Als wij letten op 't geen de gemeente doet voor de zending en op wat zij moest doen, dan zeggen wij: zij slaapt.

Daarom maken wij ons dan ook op om op deze conferentie de middelen te beramen het slapend leven in haar te wekken. Wij willen het geweten van de gemeente zijn. Die echter voor een ander het geweten wil zijn, moet zelf wel een heel zuiver geweten hebben. Het past ons om dat te bedenken, nu onze taak tweeledig wordt. Eenerzijds dienen wij zelf uit dankbaarheid tot zendingsarbeid te worden gedreven. Wij moeten ons gestuurd weten door de gedachte: „ik o Heer! ontving onuitsprekelijken zegen", om te mogen belijden: „diezelfde zegen zal ook het deel der heidenen zijn." Maar naast het doen overvloeien van onze dankbaarheid tot de heidenen, rust op ons de taak een gevallen christenheid haar vergeten roeping te herinneren.

Dit laatste vooral vraagt ontzettend veel kracht. Gelukkig, dat God die kracht geeft. Hij geeft die in het sterke besef, dat wij ons hier op deze conferentie, ondanks de verschillende kerken en partijschappen waarin wij uiteenvallen, toch één zijn. Die het maar merken wil, kan hier handtastelijk de eenheid des Heiligen Geestes ervaren, gedreven als wij worden door één motief tot één doel. —

Maar met te jubelen in zulk een geesteseenheid op de conferentie te Lunteren is het niet gedaan. We gaan straks naar huis, om den strijd tegen het slapend christendom te voeren, ieder in eigen omgeving. In dien strijd nu moet eveneens het besef van één te zijn met elkander, ons stalen. Eén te zijn in Christus, ons aller Hoofd en Heer, in wien zich alles concentreert.

Dan echter komt het er vooral op aan te weten, dat wij het recht hebben op te treden, zooals wij dat