Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JEROEN BOSCH EN DE NOORDNEDERLANDSCHE

PRIMITIEVEN

Zeer terecht merkt Cornelis Veth in het „Tijdschrift voor Beeldende Kunst" op, dat de groote expositie in het Rotterdamsche Boymans-museum niet één, maar twee tentoonstellingen vormt. Er is: Jeroen Bosch, en er zijn: de Noordnederlandsche Primitieven, tusschen den een en de anderen is nauwelijks een brug te slaan. Had men een beeld willen geven van Jeroen Bosch en diens nabije en verre geestverwanten, men zou naast de werken van den beroemden Bosschenaar allereerst de schilderingen van den grooten Breughel gezocht hebben, via hem zou men dan komen tot Adriaan Brouwer, terwijl men de lijn zonder al te groote willekeur zou kunnen doortrekken tot Rembrandt en Hercules Seghers. Zij allen behooren, zij het ieder op een eigen plan, tot de visioenaire realisten, tot hen in wie het eeuwige zich losbrak als een echo uit een donkere grot vol gedroomde gestalten. Niet in onberoerde vrede des harten stegen deze kampende naturen tot het onzegbare, zij vochten met God als Jacob met den engel. Langs hoe andere wegen nadert de zieledroom van een Geertgen tot Sint Jans het heilige, welk een sublieme meditatie kreeg gestalte op dat kleine paneeltje „De Man van Smarten" uit het Aartsbisschoppelijk Museum. Men proeft hier de zoete vrucht van Thomas a Kempis' „moderne devotie", de van alle rumoer afgewende ingekeerdheid der ziel.

De aarde op deze schilderijen is mild, het landschap vertoont zich aan ons in onverstoorde liefelijkheid, in den volledigen bloei van den vollen Zomer, niet in een staat van worden of vergaan maar van een schoon zijn, geschouwd op het moment dat de bloei haar volledigheid bereikte en in rust schijnt. Het is de schepping op den zevenden dag, toen God zag dat alles goed was. In zulk een landschap, zuiver en zonder pijn, staan en gebaren, zitten of bewegen de figuren zich met ingetogen maar nochtans hoofschen zwier. Dat hoofsche, hoe bloeit het in dat liefelijk tafereel van den meester der Vigo inter Virgines, voorstellende het mystieke huwelijk van Sinte Catharina. In vrome aandacht zitten de blije maagden in den bebloemden hof rondom Maria, die het Goddelijk Kind op den schoot houdt. Op den achtergrond zitten twee maagdekens dicht neveneen onder een groene haag in het bebloemde gras; de handen rusten in den schoot, een klein, blank lam rust nevens hen. Zoo zitten zij en schouwen naar het mystiek gebeuren zonder verwondering of vrees, zij zitten blijde en

welgezind in dezen gedroomden hof, in deze kleine, ongeschonden wereld, waar alles afglans en gelijkenis is. In deze wereld heersoht het wreede dualisme tusschen geest en zinnen niet, de lust aan het eigen schoon deiaarde is opgenomen in de bewogenheid om den geestelijken zin van het verbeelde. In deze sublimatie van het sensueele vinden wij een rechtstreeksche verwantschap met de ridderpoëzie en meer nog met den hoofschen

GEBOORTE VAN CHRISTUS. (90 X 68 cm.)

Meester der Virgo inter Virgines.

57

Sluiten