is toegevoegd aan je favorieten.

Ons eigen tijdschrift, 1928 [volgno 7]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kracht van haar leest is verslapt. Er is weinig of niets van haar oude schoonheid gebleven." 0 De koning verzonk opnieuw in zwijgend gepeins. Maar heimelijk zond hij daarna Trendorn, zijn trouwen dienaar, naar het huis waar Deïrdre verbleef met de zonen van Usna. De deur was gegrendeld, de blinden gesloten. Trendorn klopte vergeefs. De poort werd niet geopend. Toen klom hij op het dak van het huis en keek er door een opening naar binnen. De jonge mannen veegden er hun wapenen schoon en praatten vertrouwelijk samen; Naisi zat er en speelde schaak met de schoonste vrouw van Erin.... Maar aanstonds wordt Trendorn opgemerkt. Naisi neemt een stuk van het schaakbord en slingert het den bespieder in 't gezicht; hij treft hem in het oog. Met bloedend gelaat stort de dienaar bij Conor binnen: „Had Naisi mijn oog niet uitgeworpen, ik zat er nu nóg in verbazing en staarde. Ik heb de schoonste vrouw der wereld gezien."

Conor roept zijn lijfwacht samen en zendt ze naar het huis, waar de zonen van Usna vertoeven: „Straf ze; zij hebben mijn bode verminkt". En de strijd ontbrandt tusschen de krijgsknechten van den vorst en Fergus' zonen. Illan verdedigt den toegang tot de woning, Buino drijft de aanvallers met het zwaard terug. Rustig speelt Naisi aan het schaakbord verder met Deïrdre. Tot zijn broeders heeft hij gezegd: „Wij staan onder de bescherming van Fergus en zijn zonen; wij mogen niet aanvallen, niet strijden." 0 Maar Conors lijfwacht heeft ten laatste Illan gedood, en Conors zonen hebben Buino omgekocht. Fergus is niet teruggekeerd. Deïrdre verkeert in gevaar. 0 Daar springt Naisi op, en zijn broeders volgen hem. Nu storten zij zich met hun wapens op den vijandigen drom en verslaan er velen. Zij verdedigen hun leven als leeuwen, en wijken niet voor de overmacht. Maar Conors Druïde riep een meer van slijk op, dat zich verraderlijk

wentelt voor de voeten der zonen van Usna en hun enkels verlamt. Het slijk stijgt op langs hun schenen. Zij verzinken erin. Zij staan vastgezogen op de plaats waar zij stonden. Naisi neemt Deïrdre op en tilt haar op zijn schouders, heft haar hoog boven zich uit: zij moet gespaard blijven, mag niet ondergaan. Maar de lijfwacht heeft de broeders aangegrepen, heeft ze weggerukt uit het verraderlijk slijk en weggesleept. Ook Deïrdre is in hun handen. 0 „Doodt de zonen van Usna", roept Conor woedend uit. Maar er is geen onder zijn helden, die zijn zwaard bevlekken wil met het bloed der dapperen. Daar is er maar een, die ten slotte vooruit treedt en de drie het hoofd scheidt van den romp. En zijn naam was Owen.

Conor, de koning, had Deïrdre binnen zijn paleis gebracht en zij was hem onderdanig met verbeten mond. Diepe rimpels groeven zich op haar gelaat; haar woorden waren wrang en bitter. Zij had het lachen verleerd. Na een jaar sprak Conor haar toe en vroeg haar: „Deïrdre, wat haat gij het meest op de wereld?" 0 Zij antwoordde: „U zelf en Owen". En Owen stond er bij. „Dan zult gij nu een jaar lang naar Owen gaan", sprak de koning. 0 Zij hield het gelaat naar den grond gekeerd, toen zij den wagen besteeg. Haar oogen verdroegen het gezicht harer kwellers niet. Conor tergde haar nog, toen zij wegreed met Owen: „Deïrdre, uw blik tusschen Owen en mij is die van een ooi tusschen twee rammen." Toen stortte de ongelukkige vrouw zich van den wagen en stiet haar hoofd te pletter aan een rots. De dood had haar bevrijd van haar lijden. 0 En waar zij begraven werden, — Naisi rechts van de groote kerk van Arrriach, en Deïrdre ter linker zijde daarvan, — groeiden twee taxisboomen uit hun graven op, wier toppen, toen zij tot vollen wasdom gekomen waren, elkander naderden over het kerkdak heen. 0

Sprookjes

«_^WvV)R IS IETS, DAT NOOIT IS. EN DAARS|lr^Tnm~$ om is het zoo mooi. Het is overal: in de ^*w^w=^ sneeuw en in de zon, in den donkeren nacht QjMULjfc^q en in het overklare licht. (u VV ^ Het is altijd iets hooger dan de werkelijkheid en tracht met zijn voeten de aarde aan te raken. Maar velen gelooven, dat het daarin nooit zal slagen. 0

Een kind liep door het bosch, en de vermoeidheid zweefde nader. Ze was grijs en zweefde als lichte rook over den grond, tusschen de donkere stammen. Ze drong door het lichaam van het kind, tot ze in zijn hart was en breidde zich vandaar uit door zijn geheele wezen. Het kind ging in den grooter wordenden wolk op en omdat het niet meer denken kon, sliep het in. Toen kwam het.

In de oververhitte kamer, waar geur van wijn bleef wijlen, verzweeft het plotseling met de grauwe tabakswolken, hult er zich in en glijdt ons voorbij.... Het neemt je in haar armen en streelt je voorhoofd met onwaarschijnlijke handen, en kust met zachte kussen, waaraan men niet gelooft. ©

Het heeft niet lief. Het is niet trouw. Als men het zoekt, verbergt het zich en laat zich niet vinden. 0

Het komt en gaat weer al te snel. En als het hoofd, waar het binnendrong, helder en sterk genoeg is, dan wordt het tot beeld. Meestal echter verbleekt het bij het ontwaken, en in het vroege licht van de zon vergeet men het weldra. 0

Het komt in de koorts, als het lichaam zoo zwaar schijnt, dat de ziel zich moet losrukken, om niet doodgedrukt te worden; wanneer de stemmen aan het oor kloppen, en niet in het hoofd doordringen, en de geest ver is. Het is wreed en veranderlijk als een zeer schoone vrouw, die weet dat ze altijd bemind zal worden. 0

Een reddingstouw schijnt het, dat neerhangt uit de wolken, tot op de aarde. Maar het is vlokkig, als uit watten; en als men er zich aan omhoog wil trekken, moet men wel vreezen, dat het elk oogenblik scheuren zal. Dan hangt men zonder gedachte en heeft het zeer lief. Wanneer het boven aan de wolken scheurt, voelt men het vallen. 0

Het scheurt, als hier op aarde een kindje huilt, dat den slaap niet vatten kan. £3

179