«
h-- 00 00 cö in hh'
^ ^ ^" ^ o ^
00 O Th N h ï, S.
p B « iO 10 M *
1 ; : = : = I
a ; ; . . .
Cn O O « w M N
35
tot 7.63. Ten einde een overzicht te verkrijgen van de veranderingen in den werktijd in de verschillende groepen te samen over hetzelfde tijdperk als waarover de straks genoemde cijfers loopen, nl. van 1895 tot 1908, geef ik nog dit statistisch overzicht over het geheele rijk:
Van elke 100 mannen boven 16 jaar werkten
In het jaar i : i
10 uur of Van 10 tot 11 Meer dan n
minder per dag | uur per dag j uur per dag
1895/96 . . . 19.73 4091 39-36
1897/98 . . . 23.83 2684 4933
1899 .... 2890 28.16 42.94
1900 .... 32.35 25.66 4199
1901 .... 27 50 32 86 39.64
1902 .... 24.75 3536 3989 i9°3 .... 2487 31.29 43.84 i9°4 .... 2343 32.67 4390 1905 .... 24.72 32.24 4304
1906 2864 34.72 36.64
i9°7 .... 26.60 37.50 35-90
1908 .... 27.01 37.65 35.34
Gaan wij nu na welke van de bedrijfsgroepen boven of beneden den gemiddelden werktijd van arbeiders uit het geheele rijk blijven, dan ontmoeten wij allereerst weder, als een bedrijf met zeer slechte werktijden, het bedrijf van glasblazerij, aardewerkfabrieken en steenbakkerijen, waarin slechts ruim 32 pCt. 10 uur en minder, 17.56 pCt. iof uur, en al de overigen 11 uur en langer werken. In de 9de inspectie werken zelfs nog 32.96 pCt. dezer werklieden 12 uur per dag. Geheel in overeenstemming met het lage peil waarop, en de continu-armoede waarin de arbeiders op de steenfabrieken en steenbakkerijen in de noordelijke provinciën verkeeren. Daarentegen blijkt voor de iste inspectie (Maastricht) de 9|-urige werkdag in dit bedrijf overwegend.
In de tweede bedrijfsgroepen {Diamantindustrie) vindt nog geen 1000 personen vermeld, die langer dan 9^ uur werken, en dat zijn dan nog geen eigenlijke diamantbewerkers, maar aanverwante vakgroepen.
Een gunstige figuur slaat, oogenschijnlijk, ook de groep der Drukkersbedrijven. Daar vinden wij voor het geheele rijk 28.01 pCt. met 9J uur en minder, 52.28 pCt. 10 uur en nog geen 10 pCt. van elf uur en langer, maar het is alsof de lange werktijd als een vloek op de arbeiders rust, want terwijl de z.g. „normale" werktijd in dit bedrijf betrekkelijk gunstige cijfers vertoont, is het bij een nader onderzoek in deze bedrijfsgroep gebleken, (speciaal in de noordelijke provinciën zijn daarnaar onderzoekingen ingesteld), dat het aantal overuren door de drukkers-zetters-gezellen gemaakt, „verbazend groot" is. Maar zoo wordt er naïef aan toegevoegd, er wordt over dit overwerk „nooit geklaagd", het is zelfs zeer „in trek", vooral wanneer er extra voor betaald wordt. Het is alsof de typografen dit overwerk in hun geestdoodend en lichaamverzwakkend bedrijf als sport beoefenen 1 En als ware deze overarbeid niet daarom in trek, omdat daardoor het schamele loon eenigszins wordt bijgevuld. Integendeel is het overwerk zonder twijfel een kanker in dit
36
bedrijf, waartegen de organisaties van typografen sterker dan tot nu toe behooren op te treden.
In de bouwbedrijven vindt men de kortste werktijden in de 5de inspectie (Amsterdam), waar 32.18 pCt. der arbeiders 435°
„ voedings- en genotmiddelen . „ 239 „ „ 37875 „
van welke laatstbedoelde groepen echter slechts een minderheid, n.1. respectievelijk in de genoemde bedrijven, 877, 3613, 2460 en 10960 arbeiders beurtelings nacht- en dagarbeid verrichten. De 10-urige werkdag zal in deze bedrijven een ernstige omkeering te weeg brengen; hij zal voor de arbeiders in deze bedrijven, zuaarvan de groote meerderheid van 66 tot 80 uur per week werkt, een ware zegen zijn!
Heel dit hoofdstuk leert, hoe ontzaggelijk noodig het is, dat aan deze zaak: de werktijd, volle aandacht wordt geschonken; dat de vakvereenigingen hunnerzijds alles moeten doen om bij de arbeiders het besef van de noodzakelijkheid om tot korteren werktijd te komen, voortdurend opnieuw aan te kweeken, als een niet te ontkomen voorwaarde voor algeheele verheffing; anderzijds spreekt uit deze cijfers, dat juist de zwakste arbeidersgroepen aan de langste werktijden onderworpen zijn, en de hulp der wetgeving, om aan de langste werktijden paal en perk te stellen, onontbeerlijk is.
DE NALEVING DER WETTEN EN DE JUSTITIE. Laat mij dit beknopte overzicht van den inhoud van het aan feiten zoo overvloedig verslag besluiten met nog het een en ander omtrent de naleving der Arbeidsen Veiligheidswet, (dat hoofdstuk is voor de kennis van den ernst der autoriteiten en der Justitie, waar het de arbeiders-bescherming betreft,
37
altijd zeer interessant). Van de 22500 inrichtingen waarop de Veiligheidswet van toepassing is, werden er 4957'. van de 32247 inrichtingen waarop allen de Arbeidswet van toepassing is, werden 45 38; van de 11582 inrichtingen waarop zoowel de Arbeids- als de Veiligheidswet van toepassing waren, werden 4017 door de inspectie bezocht, terwijl bovendien aan 2112 inrichtingen een bezoek werd gebracht. Daaruit blijkt, gelijk ook trouwens voor de hand ligt, dat ook bij de meest intensieve arbeidsverdeeling, toch nog het dagelijksche toezicht op naleving en tegen overtreding voor een groot deel aan de plaatselijke politie moet worden overgelaten, vooral ook omdat de inspectie-ambte. naren voor meer belangrijken arbeid hun tijd behooren vrij te houdene In welke mate ondervindt echter de inspectie de medewerking van dt, autoriteiten? In September 1908 werd aan alle burgemeesters verzochg elke 3 maanden aan den arbeidsinspecteur in zijn district mededeelin! te doen van het aantal geconstateerde overtredingen. En zie nu eense Van de 98 burgemeesters in Oost-Noord-Brabant zonden er 70, van ds 123 burgemeesters in Limburg zonden 86, van de 109 burgemeesterin West-Brabant zonden 77 in 'tgeheel geen bericht, noch over het aantal bezoeken, noch over eenigerlei overtreding.
Omtrent de medewerking der Vctkvereenigingen wordt gemeld, dat in de 5de inspectie (Amsterdam) in 50 gevallen, in de 3de inspectie (waaronder Rotterdam) in 14 gevallen, in de 8ste inspectie (Overijsel) 8 gevallen door de vakvereenigingen aan de arbeids-inspectie aanwijzingen werden verschaft. Dit is ongetwijfeld een bemoedigend verschijnsel, maar toch zou op dit gebied nog heel wat méér gedaan kunnen worden.
De proletarische Vrouwenbeweging in Finland
DOOR
M. MARTNA.
De eersten van de nog bestaande arbeidstersvakvereenigingen zijn in Finland tusschen 1890 en 1900 ontstaan. In 1892 organiseerden de dienstboden van Wiborg zich, in 1896 werd de arbeidstersvereeniging in Albo gesticht, in 1898 ontstonden in Helsingfors een arbeidstersvereeniging en eene vakvereeniging van waschvrouwen, welken in 1899 Kotka, Vasa en Farssa met arbeidstersvereenigingen en Helsingfors met de naaistersvakvereeniging volgden. Al dezen begonnen als afdeelingen van de zoogenaamde arbeidersbonden. De arbeidersbonden vormen daar te lande de kern van de sociaaldemocratische partij. En deze bonden telden reeds vóór de stichting der vrouwenafdeelingen verscheidene vrouwelijke leden. Daarom kan men de proletarische vrouwenbeweging in Finland niet scheiden van de arbeidersbeweging, zij maakte, integendeel, van het begin af aan, alle lotgevallen met haar mede.
En onmiddellijk, van het begin af zetten de arbeidsters zich schrap als moedige propagandisten, die zich menigmaal tegenover de politie, als zelfbewuste strijdsters deden kennen.
De arbeidsters toonden groote belangstelling voor het sociaaldemocratisch ontwikkelingswerk en zij sloten zich als eigen afdeelingen aaneen, met het doel zich te ontwikkelen.
In Wiborg steeg het aantal van hen, die op deze wijze naar ontwikkeling streefden, in korten tijd tot 3.184.
De strijd om de grondwet van 1898 bracht met zich mee, dat het vraagstuk van vrouwenkiesrecht in den boezem der arbeidstersorganisaties de levendiaste belangstelling opwekte en er het brandpunt van vormde. Gemeenschappelijk met hunne mannelijke makkers eischten de arbeidsters het algemeen kiesrecht voor beide geslachten en een volksvertegenwoordiging uit één Kamer bestaande, terwijl de burgerlijke strijdsters voor de rechten der vrouw het beperkt kiesrecht voorstonden.
üe Finsche arbeidster eischte dus reeds vóór het Stuttgarter Congres hetgeen daar besloten werd.
Met hart en ziel namen de vrouwen deel aan de massastaking van 1905, die voor korten tijd de Russische overmacht dwong te capituleeren, en zij hadden ook zitting in het stakingscomité.
Na de massastaking groeide overal het enthousiasme, en de strijd ter verovering van het algemeen kiesrecht werd met grooteren aandrang voortgezet.
39
Den i7den December werden in het geheele land tegelijkertijd demonstraties door de arbeidsters gehouden, waaraan meer dan 25.000 vrouwen deelnamen De strijd werd voortgezet tot in 1906 de landdag der Stenden het algemeen kiesrecht moest aannemen en de Czaar-Grootvorst dit besluit moest bekrachtigen.
Sinds 1900 behooren alle organisaties van arbeidsters tot een Centrale bond met eigen bestuur en tot dusver hebben zij vijf kongressen gehouden. De volgende cijfers mogen de ontwikkelingsgang van de op socialistischen grondslag georganiseerde arbeidsters duidelijk maken. Tot de partij behoorden het volgende aantal vrouwen:
De achteruitgang, dien de berichten van de laatste jaren aantoonen, is hieruit te verklaren, dat de toeneming in 1905 en 1906 geweldig groot was.
Daaronder waren ook elementen, die zich slechts in de opwinding van het oogenblik bij de beweging hadden aangesloten, doch die al spoedig weer afvielen.
Het werk, dat de vrouw in de beweging verricht, is velerlei.
Het is nog veel veelzijdiger dan de arbeid van de mannelijke partijgenooten, want, buiten het algemeene partijwerk, vallen nog verscheidene speciale, kleinere bemoeiingen binnen het gebied van de vrouw, bemoeiingen, die het vele organiseeren van bazaars en loterijen eischen. Buitendien hebben de vrouwen bijzondere afdeelingen voor kinderopvoeding georganiseerd om het opgroeiend geslacht tot het socialisme te leiden en het er bijtijds op voor te bereiden. In de zoogenaamde „Ideaalvereenigingen" tracht men de kinderen te vereenigen en te onderrichten. Tot dit doel heeft de Arbeidstersbond een leerboek uitgegeven en in Wiborg, Kouvola en Helsingfors ook cursussen gehouden tot het vormen van geschikte onderwijskrachten.
Aan den kiesrechtstrijd hebben de arbeidsters zeer ijverig en levendig deelgenomen, evenals aan de verkiezingen.
Ofschoon de arbeidsters dezelfde eischen als de partij in hun programma hadden opgenomen, voerden zij, naast den algemeenen kiesrechtstrijd nog een afzonderlijken die zich ten doel stelde, de arbeidster voor te lichten over het kiesrecht en haar belangstelling er voor op te wekken. Tot dat doel verspreidde de vereeniging vlugschriften en ook andere literatuur in tienduizenden exemplaren Op°deze wijze hebben de arbeidsters zeer veel bijgedragen tot de overwinningen der sociaaldernocratie.
In 1907 waren de sociaaldemocratische vrouwen in de volksvertegenwoordiging door 9 vrouwelijke partijgenooten vertegenwoordigd, in 1908 door 13, in 1909 door 12 en in 1910 door 9.
De arbeidsters hebben een eigen orgaan: „Työlaïsnainen" — „De Arbeidster" —, dat iedere week verschijnt, met een maandelijksch bijblad voor kinderen.
Ofschoon de vakbeweging onder de arbeidsters reeds meer dan tien jaar oud is, moet men het toch betreuren, dat slechts weinig arbeidsters deel uitmaken van den Centralen bond der Vakvereenigingen, terwijl er zeer veel meerdere arbeidsters zijn, die vele zware vakstrijden moedig en opofferend hebben meegemaakt en nog meemaken.
1900— 1.607
1901— 1.063
1902— 1.496
1903— 3-013
1904— 3.995
1905— 9.575
1906— 18.986
1907— 18.873
1908— 16.832
4o
In 1908 bedroeg het aantal arbeidsters, die zich als leden eener vakvereeniging bij den Centralen bond hadden aangesloten:
arbeidsters bij water- en wegwerken ....... 71
boekbindsters 215
houtbewerksters 50
kleermaaksters . 62
arbeidsters in zagerijen 376
„ „ papierfabrieken . 571
schoenmaaksters 72
goud- en zilverbewerksters 14
arbeidsters in bakkerijen 29
textielarbeidsters 965
naaisters 230
arbeidsters in kuiperijen 6
metaalbewerksters 6
arbeidsters in tegelfabrieken 10
uit 5 plaatselijke organisaties 212
Totaal .... 2889
In vergelijk met de 30.000 industrie-arbeidsters een pover beetje! Maar, de beweging gaat vooruit 1
(Vert. d>or Sophie Rastert).
Uit het Jaarverslag der Finsche Sociaaldemokratie over 1908
DOOR
M. MART NA.
Het Jaarverslag voor 1008 is het laatste; de cijfers tusschen haakjes zijn die van het vorig jaar.
Van de organisaties die tot de partij behooren, zonden hun jaarverslag 1127 (1156) geen verslag zonden 274 097>, het aantal leden bedroeg 71-266 (82.328), waarvan 54438 (6i.4S5) mannen en 16.828 (18.873) vrouwen waren; onderafdeelingen 137 iw), torpari of kleine pachtersvereemgmgen 70 (79): vrouwenvereenigingen 126 (105 ; vakvereenigmgen 587 (507).
Ei-en gebouwen bezaten 370 (226) vereenigingen; tijdschriften in de leeszalen 2078 (809); in de bibliotheken waren 66.522 (30.444) boeken tot een waarde van 98615 (62755) Finsche marken (50 et); de organisaties hielden 10.983 (9997), de besturen 10.143 (74oi) vergaderingen, respectievelijk evenveel zittingen.
Openbare vergaderingen van arbeiders werden er 2981 (2963) gehouden, gezellige avondbijeenkomsten 8001 (4982), loterijen verbonden met volksfeesten (*6o), volksvermakelijkheden 503 (479). plezierreisjes 420 (374)Er waren 195 (153) afdeelingen voor tooneelspel, 60 (49) zangkoren, 59 (45) orkesten, 79 (46) sport- en gymnastiekclubs.
De organisaties kregen van de Hoofdbestuurskas 37-9°7 (6°-o58) Pinsche marken subsidie, de kasinkomsten bedroegen 2.508481 (2.468 966) Finsche marken; de uitgaven 2.392.130 (2280208) Finsche marken, de inhoud der kas was 111.351 (188758) Finsche marken, het bezit der organisaties 3-361-039 (1.681.021) Emsche
marken. , , , i„j^„
Sociaaldemocratische leden van den gemeenteraad waren er 351 (201), leden der volksvertegenwoordiging in 1907: 80. in 1908: 83, m 1909: 84, m 1910: 86 ('t geheele aantal afgevaardigden bedraagt 200). '
Het bedrag der opgelegde geldstraffen in partijzaken beliep 8365 (3315) 1'inscrie marken, vrijheidsstraffen 2011 (3060) dagen. Bij de verkiezingen verwierf de partij in 1907' 329 946 stemmen, in 1908: 310.826, in 1909: 337630 en in 1910:314.931.
De partijpers telde in 1909 vijf dagelijks verschijnende politieke- en vakvereenigingsbladen en tijdschriften; 14, die drie maal 's weeks uitkwamen 1, twee maal 's weeks verschijnend, vier weekschriften, drie die om de twee weken het licht zagen, vijf maandschriften en vier die om de drie maanden verschenen, van welk geheel aantal er drie in het Zvveedsch uitkwamen.
Het centrale orgaan in Helsingfors wordt door 30 000 abonnés gelezen. Buitendien worden in Amerika drie Finsche Sociaaldemokratische bladen uitgegeven, in Fitchburg, Astoria en Hancock. De geheele bevolking van Finland bedraagt ongeveer drie millioen menschen, waarvan circa 450.000 Zweden zijn.
(Vertaald door Sophie Bastert).
„Vrome Wenschen"
DOOR
F. v. D. GOES. (Derde Artikel).
I.
De heer de Vooys kleedt zijn genegenheid voor de maatschappelijke instelling van het huisgezin in een wetenschappelijk gewaad. Het huis gezin houdt op of heeft reeds opgehouden een gemeenschap voor produktie te zijn; welnu, zegt hij, het leeft voort of het herleeft als gemeenschap voor verbruik. Doch zooveel, dunkt ons, is reeds op het eerste gezicht onhoudbaar, dat het arbeidersgezin een zoodanige gemeenschap zou vertegenwoordigen.
Uit het burgerlijk gezin is de produktie grootendeels verdwenen; wat van het voortbestaan eener enkele verbruiksgemeenschap te denken valt, zullen wij straks moeten nagaan. Doch indien het burgerlijk gezin niet meer zooals vroeger, de kombinatie is van twee werkplaatsen, één voor de direkte en één voor de warenproduktie, zijn toch de gezinsleden die aan de warenproduktie deelnemen, nu buiten het gezin verlegd, nog steeds de bezitters van de produktiemiddelen die zij gebruiken. Dit heeft tot op zekere hoogte de gezinsverhoudingen op den ouden voet bestendigd. Wij hebben gezien welke zeer gewichtige omkeering in die verhoudingen de onteigening van de produktiemiddelen heeft teweeg gebracht bij de bevolkingsgroepen door die onteigening getroffen. Een ander hoogst belangrijk verschil waarop wij thans de aandacht willen vestigen, is gelegen in de omstandigheid dat het arbeidersgezin, verre van enkel of hoofdzakelijk een gemeenschap voor verbruik te zijn, een produktieve gemeenschap is gebleven, welker arbeidsprodukt, in die klasse, de waar arbeidskracht is.
En deze nieuwe funktie heeft nogmaals als een verderf brengende oorzaak op het gezinsleven gewerkt, wijl het den arbeid van het gezin
43
volkomen heeft doen ontaarden en tot een lager peil gedegradeerd dan misschien eenige menschelijke bezigheid te voren bereikt had.
Het gezinslid dat hoofdzakelijk hierdoor getroffen wordt, is de vrouw en moeder, voornamelijk met den gezinsarbeid belast. Wijl haar taak gezinsarbeid is in de omstandigheden onder welke de kapitalistische produktie het proletariaat heeft gebracht, vervult de eene helft van de bevolking in de talrijkste bevolkingsklasse levenslang een menschonwaardige bezigheid. En het eenige middel om aan deze ellende een eind te maken is een eind te maken aan die bezigheid zelf. De gezinsarbeid moet worden afgeschaft en door arbeid buiten het gezin worden vervangen. De eenige agenten echter, die den arbeid buiten het gezin op zich kunnen nemen, zijn de organen der gemeenschap. En de kapitalistische klassestaat zelf ziet zich genoodzaakt dit werk ter hand te nemen, wijl onder de plagen van den gezinsarbeid, van de taak der vrouwen en moeders in de arbeidersklasse, wel de ergste deze is, dat zij vruchteloos moet blijven en daarmêe de reproduktie van de arbeidskracht in gevaar brengt. De arbeid tot reproduktie van de arbeidskracht beantwoordt daarom steeds minder aan zijn doel, omdat het gezinsarbeid is onder het toonstelsel. Aldus ontwikkelt zich in het toonstelsel de strekking die zijn eigen grondslagen aantast. Het arbeidersgezin behouden is het bestendigen van de ellende eener vruchtelooze, voor de individuen en de klasse verderfelijke bezigheid.
De vrije konkurrentie van de arbeiders onderling regelt den prijs van de arbeidskracht naar den prijs van de voor haar onderhoud, d. i. voor het levensonderhoud doorgaans noodige artikelen. Er is voor den arbeider evenwel een middel om de gebruiksnuttigheid van een zekere hoeveelheid goederen zoo ver mogelijk te doen strekken. Naarmate voor zijn onderhoud of voor de reproduktie van de arbeidskracht onbetaalde arbeid kan worden verricht, zal een zelfde bedrag aan arbeidsloon voordeeliger besteed worden, de beschikking verkenen over een grootere gebruikswaarde. Dit middel is het sluiten van een huwelijk, of althans het nemen van een vrouw die voor hem werkt. Reeds uit voor-kapitalistische tijden dateert de funktie van de vrouw als producente voor het direkte verbruik van de gezinsleden. Ten nadeele van de vrouw bestendigt het kapitalisme deze primitieve arbeidsverdeling. Terwijl de vrouwen in de kapitalistische klasse steeds meer van de overblijfselen der direkte produktie worden bevrijd, drukt de last van den huishoudelijken arbeid steeds zwaarder op de vrouwen in het proletariaat.
En toch is het gewillig dragen van dezen last voor de arbeidersvrouwen de eenige konditie, waarop zij tot het huwelijk en het gezin worden toegelaten. Het is de stilzwijgende konditie waarop de arbeider een vrouw zoekt. De vrouw, die de kunst niet verstaat twee menschen
44
even goedkoop te doen leven als één, is geen goede arbeidersvrouw. Een meisje, dat den naam heeft die kunst niet te verstaan, zal in haar stand geen man vinden. Huwelijksbanden, echter, zijn gemakkelijker gelegd dan losgemaakt. Vandaar, o. a., dat in groote arbeiderscentra, waar de kleinburgerlijke seksueele zeden niet meer gelden, vele huwelijken als op proef worden gesloten, en de man zich zoo lang mogelijk vrijhoudt. Ging deze kunst verloren, de arbeiders zouden niet meer trouwen. De „natuur" alleen heeft nooit huwelijken doen sluiten. De paring en het baren van kinderen vormen op zichzelf geen gezinnen. De natuurlijke funkties en de instinktmatige neigingen moeten door maatschappelijke faktoren worden versterkt, de seksueele met een sociale gemeenschap worden vermenigvuldigd, eer uit de driften, die man en vrouw tot elkander brengen en ouders aan kinderen doen hechten, maatschappelijke instellingen als huwelijken en gezinnen voortkomen. Bepaalde maatschappelijke invloeden kunnen zelfs de natuurlijke neigingen volkomen vernietigen of ten eenemale van karakter doen veranderen. Onder de invloeden waaruit het geslachtelijke verkeer voortkomt, dat men de prostitutie noemt, schuwt de man niets zoozeer als een blijvende verbindtenis met de vrouw, en is de vrouw boven alles bevreesd voor het baren van kinderen.
In de arbeiderswereld is het streven van den man om de waarde, die hem tot onderhoud van de arbeidskracht wordt uitgekeerd, zoo ver mogelijk te doen strekken, een faktor die huwelijk en gezinsvorming in stand houdt. Wij hebben reeds gezien, dat de kommunistische gezinsbetrekkingen door kommerciëele worden vervangen. Wijl het inkomen arbeidsloon is, moet het ook allereerst, desnoods geheel, aan het onderhoud van de arbeidende gezinsleden worden besteed, dus allereerst voor den man. Inderdaad is de regel, dat de methode om twee menschen even goedkoop te doen leven als één, zich oplost in de methode om een van beiden te doen leven van niets of bijna niets. De behoeftekoosheid van de huisvrouwen in het proletariaat is grenzenloos. Buitensporig, daarentegen, schijnen somtijds de eischen van den man en van kinderen die zelf verdienen. De ekonomische noodzakelijkheden doen zich subjektief gelden als plichtsbesef en gevoel van recht. De huismoeder moet wonderen kunnen doen met het loon, dat man of kinderen thuis brengen, en het grootste wonder wordt wellicht het minste gewaardeerd : nl. hoe weinig zij van het inkomen gebruikt voor zichzelf. Valt dit anders uit, anders dan de regel is, stelt de vrouw eischen voor zichzelf, wat haar aandeel van het inkomen, en ook wat haar arbeidstijd en den aard van haar arbeid betreft, dan geraakt het doel of zelfs de mogelijkheid van het gezinsleven in gevaar, en beklaagt men man en kinderen wegens de plichtvergeten echtgenoote en moeder.
Nauwelijks minder groote wonderen worden van haar verwacht wat arbeidstijd en aard van den arbeid betreft. Zij moet de waren, die
45
voor het loon worden ingekocht, zoo ver mogelijk doen strekken. Haar arbeid wordt niet betaald door de verbruikers van haar arbeidsprodukt. Zij kookt het eten, maakt of vermaakt de kleeren, niet voor den verkoop. Het is de huwelijksche voorwaarde geweest dat zij voor niets zou werken; de man bekostigt de grondstoffen en de gereedschappen. Haar arbeidsprodukt is geen waar, zij verschaft de middelen waarmee, door het verbruiken van haar arbeidsprodukt, het voedsel, de kleeding, enz., een waar, de arbeidskracht, wordt voortgebracht. De vrouw, dus, voegt geen waarde toe aan de goederen, die zij voor gebruik gereed maakt. Het is integendeel de eisch en het doel, dat zij de waarde van een zekere hoeveelheid nuttige zaken zoo klein mogelijk zal houden. Ten eerste, derhalve, wordt een onbepaald lange werkdag van haar gevorderd. Hoe langer zij werkt, des te grooter de hoeveelheid gebruikswaarde, die uit haar handen komt. De arbeidstijd van den man buitenshuis is, als maat van een zekere hoeveelheid warenwaarde, indien rekbaar, toch niet onbegrensd. Hij legt op bepaalde tijdstippen zijn arbeid neer, de hare ontvalt haar eerst wanneer zij uitgeput is.
De geldmiddelen tot haar beschikking zijn de prijs van de buitenshuis verkochte arbeidskracht. Zal iets meer dan het strikt noodige tot levensonderhoud van het arbeidsloon genoten kunnen worden, de arbeid van de vrouw zal er in moeten voorzien. In ongunstige omstandigheden, wanneer het arbeidsloon onder de waarde van de arbeidskracht is neergedrukt, zal door haar arbeid het ontbrekende moeten worden aangevuld, het onmogelijke mogelijk worden gemaakt. En wederom zal, in nog ongunstiger omstandigheden, wanneer geen arbeidsloon ontvangen wordC in tijden van ziekte, van werkeloosheid, enz., de vrouw het zijn die haar laatste krachten samenraapt om den hongersnood zoolang mogelijk te weren uit de leege woning.
In het beste geval zullen de middelen waarmee de huisvrouw de grondstof en de gereedschappen aanschaft voor haar onbetaalden arbeid, een bestaansminimum niet te boven gaan. Hoe ook het loon zich moge bewegen, niet anders dan bij hooge uitzondering zal, bij de algemeene en voortdurende stijging der behoeften, de behoeftigheid verminderen. De huishouding wordt onder deze omstandigheden op de meest bezwaarlijke voorwaarden gevoerd. Het is een eeuwige strijd tegen het tekort, een voortdurende wedloop om de middelen niet te ver achter te doen blijven bij de behoeften. Een strijd, bovendien, met de gebrekkigste wapenen gevoerd. De huishoudelijke inrichtingen zijn meestal ten hoogste onvoldoende. Niets van hetgeen buiten de arbeidersgezinnen in gebruik is als toepassing van nieuwere, betere hulpmiddelen, kan hier worden aangewend. De eisch is juist het zonder al deze dingen te stellen, arbeid te verrichten niet alleen onbetaald, maar ook zonder kosten. De huishoudelijke bezigheid wordt niet betaald: hoe zou het
46
dus mogelijk zijn haar met machines goedkooper uit te voeren? Er moet worden gekookt, gewasschen, genaaid, enz. met werktuigen die van te voren het natuurlijke loon van den arbeid, de vreugde over het arbeidsprodukt, grootendeels wegnemen. Evenveel als aan de werktuigen mankeert, mankeert bijna altijd aan de materialen. Alleen de geringste kwaliteiten, de surrogaten, de vervalschingen zijn voor de arbeiders verkrijgbaar. Het zout is niet uitgevonden, dat dezen pot smakelijk zou kunnen maken. De kledingstukken loonen nauwelijks de moeite van het vervaardigen, en zeker niet de nog grootere moeite van het herstellen. Een eindelooze arbeidsdag, doorgebracht met werk dat minst van al de arbeidsters kan bevredigen, dat een rusteloos, hopeloos en vreugdeloos sloven is: ziedaar hetgeen de vrouw gewaar wordt als haar aandeel in de kostbare „gemeenschap voor verbruik" welke het huisgezin in de arbeidersklasse uitmaakt.
Naarmate meer onbetaalde arbeid van deze soort verricht wordt, zal de hoeveelheid goederen die de arbeider van zijn loon bekostigen kan, verder strekken, een grootere gebruikswaarde vertegenwoordigen. Doch' dit is den kapitalist even goed als den arbeider bekend. Alles wat de arbeider buiten zijn loon ontvangt, wordt bij de berekening van de loonsom in aanmerking genomen. Alles — ook de onbetaalde arbeidsprodukten van zijn vrouw of andere gezinsleden. De waarde van de arbeidskracht, immers, wordt bepaald door de waarde van een hoeveelheid levensbenoodigdheden, dus door de hoeveelheid arbeid voor de produktie van die levensbenoodigdheden vereischt. Geen klein deel van dien arbeid, echter, wordt in het gezin uitgevoerd, door de arbeidersvrouw, dus gratis. Deze arbeid, die geen waarde voortbrengt, komt in mindering van den arbeid noodig voor de produkten van de waren die de arbeider verbruikt. Indien de werkman alles gereed moest koopen, zijn eten, zijn kleeren en de rest, zou er meer arbeid noodig zijn voor zijn onderhoud, de prijs van zijn arbeidskracht, het arbeidsloon, hooger komen. Het feit, dus, dat een gedeelte van dien arbeid gratis geleverd wordt, heeft de strekking den prijs van de arbeidskracht of het loon te drukken. Het is alsof de arbeider in zijn vrijen tijd nog zelf eenige levensmiddelen voortbracht, b.v. een stukje land bewerkte. Of hij persoonlijk, buiten de kapitalistische werkplaats nog eenige levensmiddelen voortbrengt, dan wel of dit voor hem in zijn woning geschiedt, blijft natuurlijk hetzelfde. In beide gevallen kan de kapitalist volstaan met hem een evenredig kleiner deel van het produkt van zijn arbeid in de kapitalistische werkplaats als koopsom van de arbeidskracht uit te keeren. De onderlinge konkurrentie zal inderdaad het bedrag, dat de arbeider als loon ontvangen moet, tot het noodzakelijke levensonderhoud beperken, bij de bepaling waarvan de onbetaalde arbeid der huisvrouwen zeer zeker niet buiten rekening blijft. Evenals de onbetaalde
47
arbeid in de werkplaats, komt ook deze ten slotte aan het kapitaal ten goede.
De helft van het gezin in de werkplaats, de andere in de woning, die niets dan een aanhangsel van de werkplaats is, beide tot aan de uiterste grens van hun arbeidsvermogen belast ten voordeele van het kapitaal, zóó is de werkelijke toestand en funktie van het huisgezin in de arbeidende klasse. In deze verbruiksgemeenschap is geen ander verbruik mogelijk dan onder de voorwaarden en op de wijze die het belang der kapitalistische uitbuiting veroorlooft.
II.
Onteigening van de produktiemiddelen, onderwerping aan de kapitalistische uitbuiting, dit was zooals wij hebben gezien het groote middel waarmee de kapitalistische produktie de omwenteling in het gezinsleven heeft teweeggebracht, waardoor in de arbeidersklasse de verwezenlijking van het oude, burgerlijke gezinsideaal, bij overlevering bekend en in de bourgeoisie nog vergelijkenderwijs voortgezet, onmogelijk is geworden.
Daarmee, evenwel, heeft het arbeidersgezin niet opgehouden een produktieve gemeenschap te zijn. De arbeider, teruggebracht tot het enkele bezit van de arbeidskracht, heeft slechts de produktiemiddelen behouden onontbeerlijk voor de reproduktie — zoover dit niet een zuiver fyziologisch proces is — van die eenige waar. De onderlinge konkurrentie van de arbeiders, begeerig hun waar aan den man te brengen, noodzaakt hen haar zoo goedkoop mogelijk te leveren, dus den tot reproduktie van de arbeidskracht betaalden arbeid zooveel mogelijk te beperken. Wij zagen dat dit motief het seksueele verkeer in die klasse tot een blijvende vereeniging heeft versterkt en bestendigd, welk verkeer als zoodanig, zonder de inmenging van maatschappelijke motieven, niet anders dan een tijdelijke paring der geslachten zou opleveren. Eindelijk zagen wij dat het streven om zooveel mogelijk en goedkoop mogelijk, dat wil zeggen, onder de ongunstigst mogelijke omstandigheden, in het gezin te doen arbeiden, ten slotte aan den kapitalist ten goede komt, die daardoor de arbeidskracht tot de laagste prijzen koopen kan. Schoon minder rechtstreeks, is ook de vrouwelijke helft van het proletariaat, dus, nog hoofdzakelijk met den huishoudelijken arbeid belast, niet minder volkomen aan de kapitalistische uitbuiting onderworpen.
Te meenen dat de uitbuiting voor den drempel van het huisgezin halt houdt, is een dwaling die als richtsnoer van hervormingspolitiek noodlottige gevolgen kan hebben. De vrouw behoeft waarlijk niet de gezinswoning te verlaten om zich aan de uitbuiting over te geven. De lange arm van het kapitaal weet haar ook in de woning te bereiken, lederen slag werk die zij er doet, doet zij in den dienst van het kapitaal,
170
avonden, 12 sprookjes-avonden voor kinderen, 42 feestelijke bijeenkomsten, die een artistiek karakter droegen, 59 voordrachten met lichtbeelden en nog 7 gezellige bijeenkomsten.
In 118 plaatsen werden 727 volksvoorstellingen gehouden. De door de Centrale Commissie uitgegeven inleidingen in drama's en opera's werden in 33 plaatsen bij 76 opvoeringen gebruikt.
Tentoonstellingen van geschriften voor de jeugd en van wandplaten: werden in 106 plaatsen gehouden.
In 200 plaatsen bestaan centrale bibliotheken der arbeiders, in 58 plaatsen 377 afzonderlijke bibliotheken.
Het onderzoek heeft aan het licht gebracht, met welk een ijver over het algemeen in de laatste jaren de Duitsche arbeiders het ontwikkelingswerk hebben aangepakt.
De klachten en wenschen, die de plaatselijke commissies in hun verslagen hebben geuit, betreffen bijna alle de belemmeringen, die zij bij hun werk ondervinden, als daar zijn : gebrek aan middelen, aan lokaliteiten, aan geschikte krachten. De Centrale Commissie heeft in de uitkomst van dit onderzoek menige aanwijzing gevonden, die haar van dienst zal zijn bij de voorbereiding van het vele schoone en noodzakelijke werk, dat zij in de toekomst denkt te verrichten.
In 't bijzonder zal haar streven er op gericht zijn, haar werkzaamheden nog meer dan reeds het geval is, ten goede te doen komen aan de kleinere plaatsen, die zelf over te weinig krachten beschikken. Verder wil zij een organisatorischen band leggen tusschen de verschillende plaatselijke commissies. Een conferentie dier commissies zal met het oog op den gewenschten samenhang niet lang meer uitblijven. Een geregeld verschijnend orgaan in den trant van het Oostenrijksche maandblad „Rildungsarbeit" zou uitstekende diensten kunnen bewijzen.
DE PARTIJSCIIOOL.
Deze is opgericht door het partijbestuur in hetzelfde jaar, dat de Ontwikkelingscommissie werd benoemd, n.1. in 1906. Het besluit tot instelling van dit onderwijsinstituut was echter reeds door het P. B. genomen, voordat de partijdag bijeenkwam, die tot de benoeming der commissie besloot.
De school is derhalve een afzonderlijke partijinstelling, staat niet onder toezicht van de ontwikkelingscommissie, doch alleen onder dat van het P.B. De leiding der school berust bij de gezamenlijke leeraren.
Deze houden eenmaal per jaar een bijeenkomst met hun leerlingen, om hun opmerkingen en wenschen aan te hooren, waarmee voor de inrichting van den volgenden cursus rekening wordt gehouden. Ook het partijbestuur houdt een dergelijke bespreking met de cursisten, zoodat dezen eene ruime gelegenheid wordt geboden om invloed op de inrichting der school te oefenen, wat aan de practische resultaten slechts ten goede kan komen.
De school bestaat nu ruim vier jaar (de vijfde cursus loopt in April 1911 af). In die vier jaar hebben 117 partijgenooten, zoowel vrouwen als mannen, deze instelling bezocht. Hun opleiding duurde niet langer dan een half jaar (van October tot April). Het spreekt vanzelf, dat zij in die zes maanden onmogelijk al die kennis en ontwikkeling konden opdoen, die een propagandist noodig heeft. Maar dat is de bedoeling niet en kan ook de bedoeling niet zijn. Er wordt slechts naar het leggen van een degelijken theoretischen grondslag gestreefd en naar het verschaffen van een goede denk- en werkmethode, opdat de leerlingen, weer in het partijleven teruggekeerd, zich zelfverder kunnen helpen.
Op alle werkdagen wordt les gegeven, soms ook nog op Zondagmorgen. Het theoretisch onderwijs valt voornamelijk in de morgenuren. Na de middagpauze komen de deelnemers samen tot het houden van practische oefeningen ter verwerking van het geleerde onder bevoegde leiding, in de zoogenaamde „werklessen".
Gedurende den vierden cursus (October 1909 tot April 1910) werden in 't geheel gegeven 820 lesuren, die als volgt verdeeld waren:
Staathuishoudkunde (leerares: Rosa Luxemburg) 230;
Geschiedenis van de maatschappelijke ontwikkeling (leeraar: Heinrich Cunow) 144;
Schriftelijk en mondeling uitdrukken van gedachten (leeraar: Heinrich Schulz) 120;
Arbeidsrecht en sociale wetgeving (leeraar: Arthur Stadthagen) 76;. Duitsche Geschiedenis (leeraar: Franz Mehring) 72; Natuurwetenschap (leeraar: Emanuel Wurm) 46;
Strafrecht en burgerlijk recht (leeraars: Hugo Heinemann en Kurt Rosenfeldt) elk 24;
Krantentechniek (leeraar: Heinrich Schulz) 16; Gemeentepolitiek: 12.
Als nieuw vak is nu nog opgenomen : Geschiedenis van het socialisme, waarvoor dit jaar minstens 60 uren zijn uitgetrokken.
De deelnemers worden aan het partijbestuur voorgesteld door de provinciale organisaties, die eerst de talrijke aanmeldingen, die uit de kiesdistricten binnenkwamen, zorgvuldig onderzoeken. Toch blijven er na de schifting door de provinciale organisaties nog te veel aanvragen over. In een vergadering met de gezamenlijke leeraren onderzoekt het
I72
P. B. deze aanmeldingen nogmaals en kiest die partijgenooten uit, welke met het oog op de behoeften aan propagandistische en agitatorische krachten in de verschillende streken des lands het eerst voor plaatsing in aanmerking dienen te komen.
De kosten der partijschool bedroegen in de eerste jaren meer dan 60000 Mark. De deelnemers dragen namelijk zelf niets bij; het onderwijs, de leermiddelen, huisvesting, onderhoud, alles wordt hun gratis verstrekt.
Ja, zelfs in het onderhoud der familieleden, die gedurende zes maanden hun kostwinner moeten missen, wordt door de partij voorzien. Zooveel mogelijk volgt men daarbij den regel, dat de distrikten, die leerlingen zenden, ook hun kosten betalen. De financieele zwakke districten worden door het P. B. gesteund.
Aan de leeraarstractementen wordt jaarlijks 12000 Mark uitgegeven.
In overleg met de Generalcommission der Vakvereenigingen worden in den laatsten tijd eenige plaatsen voor vakvereenigingsambtenaren gereserveerd, die door hun vakbond geheel worden vrijgemaakt. Zoodoende zijn de kosten voor de partij het laatste jaar tot 41454,96 Mark gedaald.
IV.
De resultaten van het onderricht aan de partijschool en in het algemeen van den heelen ontwikkelingsarbeid zijn — in aanmerking genomen den korten tijd, dat dit stelselmatig werk door partij en vakbeweging wordt verricht — niet onbevredigend te noemen. De geest, waarin het onderwijs wordt gegeven, is dezelfde als die, waarin de partij wordt geleid. De aard van den ontwikkelingsarbeid, zooals de commissie en het P. B. hem opvat, heeft tot dusver slechts eenige kritiek uitgelokt van enkele Zuid-Duitsche partijgenooten.
Het waren Südekum, Eisner en Maurenbrechter, die zich in 1908 daarover ongunstig uitlieten. Vooral de laatste wilde blijkbaar van onderwijs aan arbeiders in de theorie van het socialisme niet weten. Hij schreef een artikel over arbeidersontwikkeling in de „Frankische Tagespost" onmiddellijk vóór het samenkomen van den Neurenberger partijdag, waarin hij openlijk uitsprak: „Waarvoor theorie ? Waarvoor waardetheorie ? Waarvoor historisch-materialistische geschiedbeschouwing? De massa's behoeven dat niet te weten, dat is slechts goed voor hem, die de massa's onderwijst."
Schulz, die op den partijdag verslag deed van de werkzaamheden der Centrale Commissie, richtte zich daarbij tevens tegen deze opvattingen. We halen uit zijn betoog het volgende aan:
„Tot dusverre is het de socialistische opvatting geweest en zij zal het — naar ik hoop — ook blijven, dat het beheerschen der theorie van het socialisme ook alleen het vermogen ontwikkelt, in de tallooze
173
vragen der practijk den juisten weg te vinden. De socialistische theorie is een kompas te noemen op den uitgestrekten, onafzienbaren oceaan der practische werkzaamheid. Wie het theoretisch inzicht heeft, kan zich onbeschroomd ver van de kust wagen, en hij zal nooit den juisten koers uit het oog verliezen. Wie daarentegen de theorie hoogmoedig miskent, dien ontbreekt een richtsnoer, hij komt in gevaar, het eene geval na het andere op zich zelf te beschouwen en naar opportunistische overwegingen te handelen. En hij, die zelfs zegt: Ik wil wel theoretische klaarheid, maar slechts voor de onderwijzers en leiders, de massa wil ik enkel voor onmiddellijke acties opvoeden, voor acties, die weliswaar slechts ik alleen wegens mijn dieper inzicht vooruit kan zien en voorbereiden, die is nog niet vrij van de oude burgerlijke opvatting, dat de massa moet worden geleid en geschoven."
Men kan gerust zeggen dat zoo goed als de heele partij het in dezen met Schulz eens is. Na Neurenberg is geen kritiek meer gehoord op den geest, waarin de ontwikkelingsarbeid geleid wordt. Dat de ontwikkeling zóó moet zijn, dat ze den arbeider in staat stelt, een beslissing in politieke en economische vraagstukken te nemen, daarover zijn trouwens alle partijgenooten het roerend eens. Er bestaat gelukkig in onze zusterpartij niet de minste neiging om weer terug te keeren tot een arbeidersontwikkeling, zooals zij in Lassalle's tijd door burgerlijke ideologen werd opgevat, een arbeidersonderricht, dat zijn kracht zocht in het aanbrengen van veelweterij op elk gebied van wetenschap, een „Bildungsduselei," die onklaarheid bracht in de hoofden. Ook op het terrein der ontwikkeling is de arbeidersklasse zelfstandig geworden.
Reeds F. A. Lange eischte in zijn „Arbeiterfrage", dat het ontwikkelingswerk dienstbaar gemaakt zou worden aan de politieke en economische actie der arbeiders. Sedert heeft het inzicht, dat het doel van deze actie moet zijn de bevrijding der geheele arbeidersklasse, en het middel hiertoe de onverbiddelijke gevoerde klassenstrijd steeds dieper wortel geschoten bij de Duitsche arbeiders.
En de ontwikkelingsarbeid was hun daarbij steeds een voortreffelijk wapen. Dat wapen is niet nieuw, het is steeds door de strijdende arbeiders gehanteerd. Maar het nieuwe van den tegenwoordigen ontwikkelingsarbeid is, dat hij planmatig, systematisch wordt aangewend. Het ontwikkelingswerk wordt meer methodisch en meer intensief verricht. Dit is een gevolg van den krachtigen groei der partij, die het mogelijk maakte, dat er hiervoor een betere arbeidsverdeeling kwam, dat er middelen en krachten vrij konden worden gemaakt, om de breede scharen, die zich kwamen voegen bij hun strijdende makkers, stelselmatig te geven het theoretisch inzicht, dat hun waarde als strijders en daarmee het slagvaardig karakter der partij versterkt.
ii
Het leerlingvraagstuk in de Diamantindustrie
DOOR A. B. SOEP.
I.
Ietwat vóór-historie.
Alles schon dagewesenl zeide, volgens de overlevering, die oude Rabi ben Akiba.
Toen wij nog jong waren wisten wij niet beter dan dat ieder rechtgeaard joodsch ghetto-kind te Amsterdam diamantbewerker moest worden. Die het niet werd, was . . . een verstooteling en reddeloos verloren.
Het was familie-plicht de verwanten in „het vak" op te leiden. En wij die het geluk hadden van „eerstgeboorene" te zijn moesten nog geen n jaren oud en halve analphabeet . .. naar de fabriek, bij oom, om zoo snel mogelijk met „verdienste" thuis te komen.
Toen de Bond kwam waren we reeds in de hoogste sfeeren der politieke philosophie, in het revolutionair-socialistisch-kommunistisch Anarchisme; het revolutionaire wijwater droop mij langs de wangen.
Aan een staking van diamantbewerkers geloofden wij niet, voor ons was de komst van onze heilige „Zuster Anna" meer nabij dan een organisatie van onze vakgenooten.
Toen uit de groote staking van 1894, de spontane uitbarsting van lang-gevoeld opgekropt leed en ellende de organisatie voortkwam, dachten wij nog: „Ships that pass in the night!"
Het was niet zoo, het fonkelend lichtje van het nabijkomende schip was niet snel voorbijvliegend, maar bleef en werd grooter en grooter — het elektrisch symbool kan ieder 's avonds in de portiek van de Franschelaan-vesting zien schitteren.
Het was niet „de leerlingkwestie" te Amsterdam, die de „chips"slijpers met gebalde vuisten bijeenbracht, het was de tergende uitbuiting.
i83
Reeds in Augustus 1895, met het verschijnen van „De Diamantbewerker" werden er volop klachten gehoord, en toen onze bond in 1895 (Augustus) gesticht werd, was de eerste bepaling de leerlingkwestie wederom ter hand te nemen en te trachten dien kanker in onzen „stiel" op nieuw uit te roeien.
Op de groote bureaux werd het entreprise (stukwerk) werken afgeschaft, ook dit is aan het te veel leerjongens te wijten, waren die er niet dan hadden de gasten niet in daghuur moeten gaan zitten.
Het Hoofdcomiteit van den A. D. B. wilde vóór 1 Mei (1896) de kwestie „finaal" oplossen, en schreef aan de vereeniging van fabriekseigenaren om een bijeenkomst.
Nul op het request!
In bijna ieder nr. van „De Diamantbewerker" van af 1895 vindt men beweringen als „de beweging tegen de leerlingen gaat goede stappen vooruit."
En inderdaad bij verscheiden patroons werden de leerlingen weggezonden.
Maar bij de Poolsche fabrikanten niet.
Zoo was de eens finaal opgeloste leerlingkwestie te Antwerpen nog altijd niet aan haar „finale oplossing" toe.
Het internationale congres van 1895 te Amsterdam, het eerste met een macht achter zich, had natuurlijk weer de nachtmerrie — de leerlingkwestie op te lossen.
Het congres nam, na ampele bespreking het volgende besluit:
Het congres besluit, dat, om als leerling in het diamantvak te worden opgenomen, men ten volle 15 jaar moet zijn en zoon of voedsterkind van een diamantbewerker. Dit besluit zal gedurende 5 Jaren door alle aangesloten vereenigingen gehandhaafd worden." 1)
Maar de uitvoering!
Amsterdam had te veel te doen met loonakties, alleen Antwerpen verlegde het zwaartepunt op de leerlingkwestie.
Tot aan het Int. Congres van 1897 te Antwerpen bleef de leerlingkwestie 'een onuitgevoerd besluit.
Op een goeden dag schreef „Het Weekblad", op aanmaning van
Antwerpen:
, Ons vorig nummer bevatte een schrijven van de Gecombineerde Besturen van den Antwerpschen Diamantbewerkersbond, waarin deze er krachtig op aandrongen, dat wij, Amsterdamsche diamantbewerkers, ten spoedigste een einde zullen maken aan de leerlingen-anarchie in ons vak, om er een behoorlijk wel overlegd leerlingstelsel voor in de plaats te stellen."
1) H. Polak maakte later bezwaar tegen deze motie, en wel tegen de eerste alinea . . . . „en wel, omdat wij de leerlingen geheel wenschen geweerd, en van het vak geen familievak wenschen gemaakt te zien "
De Finsche parlementsverkiezingen op i en 2 Januari 1911
DOOR M. M ARTN A.
Het jaar 1910 bracht voor de Finnen twee kamerontbindingen, welke beiden denzelfden grond hadden. De Stolypinsche regeering wil de Finsche staatsinrichting vernietigen. Daartoe liet Stolypin door de Bastarddoema en den Rijksraad der onbeduidende Russische jonkers en bureaucraten wetten aannemen, die de Finsche volksvertegenwoordiging tot een onbeteekenend lichaam verlaagden, daar zij haar haar gewichtigste functie, haar grondslagvormende wetgevende werkzaamheid, waarop de innerlijke eigen-wetgeving van het land berust, ontnamen. Met voorbijzien van de grondwet eischte de Russische regeering van de Finsche volksvertegenwoordiging goedkeuring van deze wetten, dus instemming met de, op de grondwet gemaakte inbreuk. De Finsche volksvertegenwoordiging was daar echter niet voor te vinden. Daarom ontbond de Czaar tot twee maal toe de Landdagen. Volgens het Russische gezag waren die ontbindingen als straffen voor „wederspannigheid" bedoeld. Het volk moest de macht van het gezag maar eens leeren voelen en zich er aan onderwerpen. Maar nu heeft het volk van zijn kant gesproken. Sedert 1907 heeft het al voor de 5* maal gesproken. Maar het antwoord wordt er niet gunstiger op voor de Russische regeering. Hoe meer zij onderwerping eischt, des te dichter sluiten de gelederen van het volk zich aaneen. En ook de laatste verkiezingen zijn een klemmend protest tegen den wil der regeering. De Russische regeering heeft alle mogelijke pogingen gedaan om Finland bang te maken. De echtRussische pers heeft onafgebroken gewroet en verdacht gemaakt, door de reaktionaire benden tegen Finland op te stoken en de Finnen te dreigen. Tegelijkertijd liet de gouverneur-generaal von Seyn, een gewillig leerling van dictator Bobrikow, geen oogenblik voorbijgaan, om het volk door de meest reaktionaire maatregelen te onderdrukken. Van zijn doel bewust vernietigt hij de rechten en vrijheden van het Finsche volk. Het volk moest en zou schaakmat gezet en afgemat worden.
En werkelijk was er afmatting te bespeuren. De verkiezingsstrijd werd niet meer met de vroegere geestkracht gevoerd. Maar de verkiezingen stelden hèn in 't gelijk, die beweerden, dat een energieke verkiezingsactie overbodig was, daar het volk heel goed wist, hoe het kiezen moest. Niet alleen herkoos het bijna al dezelfde vertegenwoordigers, maar het kwam ook nog in grooter aantal op naar de stembus dan de vorige malen, en heeft dus het standpunt van zijne
193
afgevaardigden nadrukkelijk goed gekeurd en hun houding tot dusver èn voor de toekomst als goed vastgesteld. Het volk heeft dus een groote politieke rijpheid getoond, welke de politici aan de Newa goed zouden doen met aandacht te beschouwen. De uitslag der verkiezingen was als volgt. Er werden m 't geheel 800,640 (in 1910 796,569) stemmen uitgebracht (dus een toeneming van pl m. 4000). Die stemmen waren als volgt over de verschillende partijen verdeeld:
1911 1910
Sociaaldemokratie 320,289 316 951
Suometerianen (of Oud-Finnen) . . . 173.362 174,661
Jong-Fmnen "8,298 114,091
Zweden Io6.289 107 121
Bond van kleine boeren 62,660 60,157
Christelijke arbeiders ....... 17,289 i7,344
Wilden (tot geen pol. partij behoorende) 782 1,034
Stemmen van onwaarde 1,671 5>0I°
Het aantal afgevaardigden bedroeg
1911 1910
Sociaaldemokratie 86 86
Suometerianen 43 42
Jong-Finnen 28 28
Zweden 26 26
Bond van kleine boeren ..... 16 17
Christelijke arbeiders 1 1
200 200
Aanvankelijk heette het, dat de sociaaldemokraten in een kiesdistrict een zetel op de suometarianen hadden veroverd. Maar een herhaalde telling gaf als uitkomst een meerderheid van 12 stemmen in 't voordeel der suometarianen. Niettemin heeft de arbeiderspartij alle reden, met de uitslag uitermate tevreden te zijn. Want zij kan een toeneming van 4000 stemmen aanwijzen. Een nieuw bewijs van den gestadigen groei der partijl
Van elke 1000 uitgebrachte stemmen verkreeg de sociaaldemocratie er (en veroverde zij zetels):
Jaren: i9°7 1000 L{J°v *V1U **lx
Stemmen .... 37° 384 399 4°° 4i Mandaten .... 80 83 84 86 S6
Al is de toeneming sinds 1909 niet meer zóó groot, toch blijtt zij voortauren. Hierbij valt ook nog het volgende op te merken:
Het aantal leden van de partij groeide in de jaren 1905 en 1906 buitengewoon snel Daarna volgde een tijd van verslapping, wat zeer begrijpelijk is. Deze stroom voerde ook velen met zich mee, die zich slechts in een revolutionaire opwinding als leden bij de partij aansloten. Maar hunne klassenbelangen hielden hen niet aan haar verbonden en zoo wendden zij zich langzamerhand weer van haar af Daarin ligt niets verwonderlijks. Maar de afneming wilde niet ophouden en wil nog niet wijken. Men probeerde haar te verklaren uit de politieke teleurstelling. Ook legde men er den nadruk op, dat de propaganda niet diepgaand en omvattend genoeg geweest was. Ik wil mijnerzijds het gewicht van deze overwegingen niet bestrijden.
Maar... hoe is het te verklaren, dat menschen, die de partij den rug toegekeerd hebben, haar toch hun stem geven? Daarbij werken dan toch nog andere oorzaken mee? En die moeten wij zoeken in de crisis.
194
Finland lijdt buitengewoon sterk onder de huidige crisis. Deze drukte al dadelijk in den herfst van 1907 te erger, daar de crisis die in Rusland zelf heerscht, zich reeds vroeger ook over Finland uitbreidde. De Russische regeering onttrok den Finschen fabrieken hare bestellingen, als straf voor de aan gevolgen rijke revolutie van 1905. Nu achtten de ondernemers ook den tijd gekomen, waarin zij meenden, de overwinningen der arbeiders, door dezen in den revolutietijd, ook op ekonomisch gebied met minder moeite behaald, te niet te kunnen doen, Er hadden verscheidene groote uitsluitingen plaats en er heerschte groote werkeloosheid, die in Finland in 't bijzonder, ten gevolge van den langen kouden winter, zeer drukkend is. Deze bijzondere omstandigheden brachten vele arbeiders er toe op verschillende wijzen, ontrouw te worden aan hunne organisaties. Het werd hun moeilijk hunne jaarlijksche bijdragen te betalen- Hoe treurig dit feit ook is, toch is het te dragen, daar men ziet, dat de partijgenooten tenminste hunne sociaal-democratische gezindheid in zoover bewaard hebben, dat zij toch hunne stemmen nog vóór de sociaal-democraten uitbrengen. De partij gaat dus in geen geval achteruit, zooals de Finsche bourgeoisie juicht dat zij doet, neen! zij gaat vooruit, dat bevestigen de laatste verkiezingen onweerlegbaar.
Wat nu de Kamerfractie betreft, kan men zeggen, dat die in geen geval zwakker zal zijn dan in 1910. Integendeel! Verscheidene flinke partijgenooten, die in 1910 hunne candidaturen introkken, zijn nu herkozen, zoo b.v. de partijgenooten Kunsinen, Gylling en Tainio. Als nieuwe kracht komt in de fractie partijgenoot Wük, die op het Kopenhager Congres en ook op den Maagdenburger partijdag in ruimere kringen bekend is geworden. In Wük wint de fractie een hoog te schatten kracht.
Van de van ouds bekende veteranen keeren o. a. terug: Ed. Watpas, Malü Puasiwuori, K. Murros, Sulo Wuolijoki, Bilja Parssmen, D. Tokoi, enz. Van de bekende parlementsleden ontbreken Irjö' Sirola, die door de Finsche partijgenooten in Amerika tot lektor aan de daar gevestigde partijschool benoemd is, en Santeri Nuortewa, de energieke kampvechter tegen de Russische overheersching. Tot de fractie behooren ditmaal ook tien vrouwelijke partijgenooten, met uitzondering van Miina SManpaa, die haar candidatuur wegens persoonlijke meeningsverschillen introk.
Natuurlijk zal de fraktie de tot hiertoe gevolgde politiek onveranderd voortzetten. Zij zal strijden tegen de reaktie, evengoed wanneer die optreedt in de gedaante van nationale burgerlijke laagheden tegenover de arbeidersklasse, als in de gedaante van verstikking der Finsche innerlijke zelfstandigheid door het Russische gezag, of wanneer zij zich tezamen tegen het proletariaat keeren. Dit laatste is namelijk in 't geheel niet uitgesloten, al bevindt zich de Finsche bourgeoisie in oppositie tegen de Russische regeering. Hare oppositie beperkt zich altijd slechts tot die oogenblikken, waarin het gezag de belangen der Finsche bourgeoisie dreigt te vernietigen. In die gevallen, waarin de overheersching zich slechts keert tegen het proletariaat, wordt de bourgeoisie heel licht tot helpster der reaktie. Het was de liberale bourgeoisie van Finland, die de vereenigingswet verknoeide en de perswet tol een middel tot kneveling der arbeiderspers trachtte uit te breiden.
En het is ook aan het geknoei der bourgeoisie te wijten, dat nóch de wet tot verbod van alkohol van 1907, nóch die van 1909 in St. Petersburg bekrachtiging vonden. Precies zoo staat het nu met de nieuwe gemeentewet van 1908 en de wet tot bescherming van arbeiders van 1909. Deze laatsten hebben slechts na lang gesukkel het levenslicht gezien.
Met inspanning moesten de vertegenwoordigers der arbeidersklasse voor ieder punt strijden. Toen die punten eindelijk afgehandeld en aangenomen waren,
195
begon het schandelijkst gekonkel om de bekracht.gmg der wetten bij den Czaar te-en te werken. Tot op heden is het gelukt de bekrachtiging tegen te houden. En het lijdt geen twijfel, dat de bourgeoisie ten allen tijde in staat is aanslagen op de arbeidersklasse te ondersteunen. De tijd na de revolutie vormt eene aaneenschakeling van dergelijke verraderlijke aanslagen op de vrijheden van het volk. Daarom moet de sociaal-demokratie steeds op haar hoeae zijn.
Met betrekking tot de burgerlijke partijen kunnen wij nog het volgende opmerken: ze keeren allen met dezelfde kracht als m iQro terug. Dat de Suometarianen ditmaal een zetel veroverden op de kleine boeren wordt hierdoor verklaard, dat de kleine boeren en de Christelijke arbeiders zich ditmaal in het kiesdistrict Wiborg niet in een bond hebben aaneengesloten. Zij meenden beiden sterk genoeg te zijn. Daardoor hielpen zij de Suometarianen aan een toevallige
overwinning. ., , ,. . , Aa„
Ms bijzonder symptoom der burgerlijke partijontwikkeling moet er nog den nadruk op gelegd worden, dat de oppositie, die de constitutionahsten dw z. de Zweden en de Jong-Finnen tegen de Suometarianen m den tijd vóór de revolutie - onder den druk van Bobrikov - voerden, tengevolge van de vriendschap, waarmee de Suometarianen het Russische gezag tegemoet kwamen, meer en meer plaats maakt voor „Realpolitiek", wat niets anders is, dan wat zij indertijd den Suometarianen als doodzonde aanrekenden. . .
Al die scherpe verwijten zijn verstomd, de wederzijdsche vijandschap is haast geheel verdwenen, en in plaats van nog elkander te bestrijden, hebben ztj zich in den strijd tegen de Sociaaldemokratie verbroederd -de kleine boerert erbij inbegrepen. Met betrekking tot het nationalisme valt er eene kleine opflikkering waar^ te nemen. De Jong-Finnen leggen iets meer dan vroeger den nadruk op nationaliteit. Daardoor kome zij iets dichter bij de Suometarianen te staan en verder af van de Zweden. Aan deze omstandigheden is het misschien ook toe te schrijven, dat de Zweden, niettegenstaande hunne „beroemde candidaten, waaronder zich de z.g. vooraanstaande finsche politici bevinden als b.v. Leo Mechelin, Baron Wrede, v. Bom, e. a. toch stemmen verloren De jongste verkiezingen zijn op te vatten als een antwoord op de Russische ^tdaging. Tn wetgevend opzicht verwacht men niet veel. Het is algemeen bekend, dat het Russische gezag besloten is de Finsche volksvertegenwoordiging op de een of andere wijze tot een onbeteekenend lichaam te doemen. Maar zij vertegenwoordigt het gewichtigste recht van de Finsche Staatsinrichting en daarom zijn de Finnen, zonder uitzondering, verplicht deze instelling te handhaven en te
Dit feit,'dat de Finnen hunne staatsinrichting moeten verdedigen, heeft een groote revolutionaire beteekenis. De Finnen hebben als zwakkere en aangevallen partij het recht en de sympathie van de geheele beschaafde wereld aan hun zijde terwijl de reaktionaire regeering van Rusland zieh weliswaar van hare macht bewust is, maar toch de uiterste aanwending ervan graag uitstelt, daar het haar, trost al haar ruwheid, toch niet heel aangenaam te moede is, als dief en moordenaar voor het oog van de geheele wereld op te treden. Zij zoekt naar hulpmiddelen om haar naakte ruwheid te bedekken. En nu is het de revolutionaire plicht van de Finsche volksvertegenwoordiging dit te beletten.
En die noodzakelijkheid is zóó machtig, dat zelfs de Suometarianen nu de staatsinstellingen moeten verdedigen. Hierin ligt op het oogenblik het gewicht van de Finsche volksvertegenwoordiging-
199
meest in-het-oog-loopende gebreken van onze maatschappelijke orde te verzachten i), tegen alle ingrijpen van het medegevoel om met de hulpmiddelen waarover de moderne wetenschap beschikt menschelevens te redden en te behouden. „Alle hygiène die verder gaat dan de bestrijding van de te erge vijanden van ons geslacht" - aldus schuift prof. Steinmetz met verachtend handgebaar zoo goed als alle hervormende werkzaamheid op sociaal hygiënisch gebaar ter zijde... „bedreigt de toekomst van het ras en werkt anti sociaal."
De lezer zal bemerkt hebben, hoe volkomen de karakteristiek van Pannekoek op den algemeenen geest van het betoog van ^den hoogleeraar past: de wetenschap dient dezen tot een middel om de heerschappij der bourgeoisie te verdedigen en het te gronde gaan van tallooze wezens door de inwerkingen van het kapitalisme voor te stellen als een natuurwet die men eerbiedigen moet. Tegen haar te handelen wreekt zich aan het menschenras. Zoodra medegevoel en "wetenschap hun handen in het spel der natuur steken en zich daarin willen mengen, bederven zij het. Rassen en stammen die aan de verpleging hunner kinderen geringe zorg besteden, zoodat de zwakkeren vroeg omkomen, worden daarvoor beloond door „buitengewone lichaamskracht en gezondheid." Wij daarentegen overgekultiveerden „verstikken de kwaliteit in de kwantiteit."
De groote kortzichtigheid en bekrompenheid van de redeneering der naturalistische sociologen komt nog duidelijker aan het licht, wanneer wij de levensvoorwaarden der gezellig-levende dieren — en deze vormen de overgroote meerderheid onder de dierensoorten — nagaan. Hoe uiterst verschillend onder de dieren de vormen van het soziale leven ook zijn, bij alle gezellig-levende dieren is geenszins het neerslaan van den zwakkere, de strijd van allen tegen allen, de levenswet. Zoodra een kiem van sociale organisatie voorkomt, is integendeel het wederzijdsch hulpbetoon de kracht waardoor de soort zich in den strijd tegen andere dieren handhaaft. Het duidelijkst zien wij dit bij de hoogere dieren zooals b.v. de herkauwende plantenvreters. Iedere groep voert de strijd om het bestaan gemeenschappelijk, te samen zoeken zij de beste weideplaatsen, te samen weren zij vijanden af. De grootere begaafdheid van bepaalde individuen uit de kudde: de scherper reuk, de grooter kracht, het fijnere instinkt van enkelen komen aan allen, ook aan de zwakkeren en min-begaafden ten goede. En hoe meer alle leden der kudde de drift tot zelfbehoud in zekere omstandigheden weten te overwinnen door het instinkt van solidariteit, hoe meer de enkeling zijn leven waagt voor allen, hoe sterker dus de sociale aandriften in de gezelliglevende dieren worden, des te beter weten zij hun vijanden te weerstaan. De kudden, waarin deze aandriften het sterkst ontwikkeld zijn, hebben de beste kansen 'te blijven bestaan en zich voort te planten : zoo doet juist de strijd om het bestaan de sociale aandriften in kracht toenemen. En zoo zien wij dat ook in de dierenwereld de zwakken niet perse behoeven onder te gaan wegens hun zwakte, dat zij beschermd en beveiligd worden en dat deze handelwijze de groep waarvan zij deel uitmaken, niet verzwakt maar versterkt 1 De bourgeoisdarwinisten, die hun begrip van de natuur niet ontnemen aan de geheele dierenwereld, maar slechts aan een deel daarvan, nl. de eenzaam-levende roofdieren, en wat voor deze laatste geldt dan klakkeloos op het sociale dier bij uitnemendheid, den mensch, toepassen, bewijzen daardoor alleen hoe sterk het maatschappelijk en geestelijk zijn waartoe zij behooren, hun beschouwing van de dierenwereld beinvloedt. 2)
Die beschouwing is grootendeels onjuist. Hoe sterker de sociale instinkten, des
1) Pannekoek, Marxisme en Darwinisme, 1)1. 23.
2) Zie Pannekoek, bl, 27—31.
200
te grooter de bestaanskansen van een dierensoort, des te hooger trap neemt zij doorgaans in wat kunstvaardigheidsgevoel, moraal, intelligentie aangaat-1) En ook des te hooger staat zij anatomisch: niet onder de groote roofdieren, maar onder de gezellig levende diersoorten vinden wij de best georganiseerde hersenen. De solidariteit, het wederzijdsch hulpbetoon schijnen door de indrukken der gezellig-levende individuen te vermeerderen en het voorstellingsleven te stimuleeren op het koördinatie-apparaat gunstig te hebben ingewerkt. 2)
Ik wil nu aan twee voorbeelden, door prof. Steinmetz gebruikt als bewijzen voor zijne stelling dat wetenschap en medegevoel op straffe van rasbederf, niet tusschenbeide mogen komen om de natuurlijke selektie tegen te houden, of althans dit zoo min mogelijk behooren te doen, aantoonen hoe het uitschakelen der maatschappelijke faktoren zijn beweringen van nul en geener waarde maakt.
Het eerste dier voorbeelden is de kindersterfte, door onzen naturalistischen socioloog een „wieding der natuur" geprezen. Het wekt verbazing, dat een geleerd man, die ook in zijn sociologische uitstapjes toch zeker ernstig wenscht genomen te worden, aankomt met de bewering, dat bestrijding der kindersterfte vanaf het standpunt van „eugenese" feitelijk ongewenscht is. Van alle sterftevormen toch, heeft zeker de kindersterfte de allergeringste selektieve kracht. Zoolang de levensvoorwaarden, waarin de kinderen der verschillende maatschappelijke klassen opgroeien, in zoo hooge mate uiteenloopen als in onze maatschappij het geval is, kunnen wij deze sterfte-vorm gerust volkomen zinneloos noemen. Haar als eene „wieding der natuur" te eeren is eenvoudig belachelijk: zoo zij al eene wieding is, dan toch eene waarbij deze krankzinnige tuinman: de maatsschappelijke ongelijkheid, op sommige plekken met woeste hand tallooze goede plantjes uitrukt en op andere het onkruid bij hoopen laat staan.
Alle statistische onderzoekingen naar de oorzaken der kindersterfte toonen dit aan. In het standaardwerk van Westergaard 3) vinden wij o.a. de volgende opgaven. Volgens de Kopenhaagsche statistiek die de ouders al naar de welgesteldheid in vijf groepen verdeeld, stierven (voor afloop van het eerste levensjaar) in de eerste groep (ambtenaren, geneeskundigen, groote kooplieden enz.) telkens 100 kinderen tegen in de vijfde groep (fabrieksarbeiders, daglooners enz) 137. In Pruisen bedroeg de kindersterfte tusschen 1880—90 (eveneens vóór afloop van het eerste levensjaar) bij de zéér armen 42 °/0, bij de landarbeiders 33 °/0, bij de ambtenaren 20 %. Volgens een te Halle gehouden onderzoek stierven (1870—74) van de kinderen der hoogere standen in het eerste levensjaar io°/0 bij verschillende groepen der lagere klassen 20 en 24 °/0. Hiermee stemmen bijna overeen de cijfers der kindersterfte te Lyon; deze zijn echter voor de arbeiderskinderen nog ongunstiger (27 °/o)- Treffend is overal de geweldige sterfte onder de buiten-echtelijk geboren kinderen; in den regel dubbel zoo groot als onder de echtelijk-geborenen.
Sommige onderzoekers hebben den invloed der levensvoorwaarden op de kindersterfte vastgesteld, door deze na te gaan voor de arme en rijke wijken eener zelfde stad. Zoo vond de statistikus Reek, die voor Braunschweig de straten naar het inkomen in 6 klassen verdeelde, dat de kindersterfte (vóór het
1) Kropotkine, Mutual Aid, bl. 14, 17, 59.
2) Ricbard, L'idée d'évolution dans la nature et dans 1'histoire, b], 92 — 94, aang. bij Bouglé, bl. 226.
3) H. Westergaard, die Lehre von der Mortalitah und Morbilitat, Hoofdstuk X, Die K i ndersterblichkeit.
20I
vijfde levensjaar) bij de armsten 41 •/. bedroeg, dan regelmatig a nam naar gelang het inkomen steeg tot 23 °/„ bij de welgestelden. Een rangschikking naar de belasting die betaald moest worden gaf dezelfde uitkomsten; in de villabuurten daalde het sterftecijfer tot ,7 °/t>. Te Lausanne vond Niceforoin dernke buurten een kindersterfte van 0.19 per 1000 (voor kinderen onder het aar) m de arme buurten van 4-5°, cijfers die met de duitsche vrij wel -ereenkomen. Ook in Parijs, Berlijn en Weenen is, volgens de onderzoekingen van Bertil Ion, die de inwoners al naar den graad van welgesteldheid in zes groepen verdeelde, de kindersterfte in preciese overeenstemming met de maatschappelijke positie. De duitsche statistikus Schwartz, die de kindersterfte onderzocht heeft m verband met de hoogte van het inkomen, vond dezelfde evenredigheid : met een inkomen van onder de 600 mark ging een kindersterfte van 29 0/o, met 600-1500 mark een van 25°/», met 1500-3000 mark een van ia"/* met 3°oo mark en meer eene van 15 "/„ samen. Eenige lokale onderzoekingen in ons eigen land gaven soortgelijke resultaten: te Amsterdam was de kindersterfte in de arme wijken meer dan dubbel zoo hoog als in de gegoede, in N.-Brabant bedroeg die van de kinderen in het eerste levensjaar 200 per 1000, tegen 98 in Friesland. Neemt men het friesche percentage als het voorloopig-bereikbare aan, dan gingen volgens de cijfers in de bekende brochure van den Groningschen arts E. J. Jonkers m ons land in 1899 meer dan 9000 kinderen onnoodig te gronde Dit getal is echter in waarheid nog grooter. want een statistiek over het aantal overlevende kinderen bij den engelschen adel en bij engelsche geestelijken bewijst dat de sterfte in het eerste jaar niet hooger dan 7 °/0 behoeft te zij n
De verheerhjkers der natuurlijke selektie zullen misschien tegenover al deze cijfers opmerken, niet te ontkennen dat verbetering van den toestand der arme klassen de kindersterfte in haar zou doen dalen, maar dat moge deze ook hooger zijn dan noodig is, dit hun overtuiging in het minst niet aanrandt, dat door de strenge selektie de meest levenskrachtige kinderen overblijven.
Dit is echter beslist onjuist. Ten eerste, bewijzen al deze statistieken, dat van een werkelijke, d.w.z. algemeene selektie geen sprake is. De maatschappelijke omgeving is sterker dan de werking der natuur" zij gaat tegen deze in en heft haar grootendeels op. Het essentieel-zwakke en slechts halfdevenskrachtige kmd uit de burgerlijke klasse, heeft betere kansen te overleven dan menige flinke en krachtige proletariërs-spruit. Tienduizende kinderen uit de arme klassen gaan iaarlijks te gronde, niet door natuurlijke zwakte en gebrek aan levenskracht, maar door bepaalde maatschappelijke omstandigheden, in de eerste: plaats door ongeschikt voedsel, gebrek aan verpleging en reinheid, door domheid, ongeloof en armoede. De moeders kunnen niet zoogen, omdat zij te veel verzwakt^zijn of zoo gauw mogelijk weer naar de fabriek moeten, en wanneer dan ook de koemelk het beste surrogaat voor de moederborst, onbere.kbaar is. * kinderen zulk ongeschikt voedsel, dat ook de sterkste en levenskrachtigste wel moéten bezwijken. Zelfs van een selektie onder de kinderen van eene en dezelfde maatschappelijke klasse is dus geen sprake; wat over ^ levenskansen van een kind beslist, is, of er in de buurt fabrieken zijn opgericht die vrouwen-arbe d behoeven, of de afvoer der melk naar de naastb.jztjnde steden georganiseerd is, enz. Louter maatschappelijke oorzaken dus. tir„WcWie In Duitschland is op sommige plaatsen van het platteland de kmdersterfte even hoog en nog hooger dan in de meest ellendige en overbevolkte wijken der groote steden! In de landgemeenten van Beieren b.v. bedraagt zij 32 tot 36 •/ (te-en 25 tot 27 °/o in de Beiersche steden). Reden: wederom de export van de melk. „Daar op het platteland niet of weinig gezoogd wordt, zijn hier de zuigelingen van elk passend voedsel verstoken, zij worden door meelbry en
215
die nog niet overtuigd zijn, dat de Wereldvrede op een goeden dag als Athene uit het hoofd van Zeus levend en wel te voorschijn zal springen uit de tot in het krankzinnige opgedreven oorlogstoerustingen der groote mogendheden. Practisch in ieder geval houden degenen, die in eenig opzicht tot taak hebben, de machtsposities op de wereld gade te slaan ten einde er rekening mee te houden voor de macht die zij vertegenwoordigen, houden dus de diplomaten en de strategen der groote mogendheden met dien nog ongeboren Wereldvrede, waarin de tegenstellingen der kapitalistische staten zouden moeten plaats maken voor een evenwichtstoestand, terwijl toch het stelsel bleef bestaan, waaraan die tegenstellingen ontspruiten, nog geen rekening en wij, die ook practisch willen zijn, zullen hun voorbeeld volgen. En waar die positie, die internationale positie van ons land dus in de werkelijkheid een gevaarlijke en zorgwekkende is, zoodra men denkt aan het geval eener" nieuwe verstoring van het evenwicht tusschen de groote staten, daar is de belangstelling, die er nu sinds eenige maanden in de Europeesche pers aan den dag komt naar aanleiding van de zoogenaamde Schelde-kwestie zoo goed als het feit, dat in ons eigen land de vraag van onze internationale positie sinds jaren telkens weer opduikt, een aanwijzing voor de spanning in de internationale verhoudingen in 't algemeen. Waar men ons buiten beschouwing kan laten en wil laten in^tijden van betrekkelijke rust, omdat men dan de lastige geschiedenis maar liever blauw-blauw laat, daar is men, zoodra er hier te lande iets gebeurt, dat op de bestaande verhoudingen dreigt invloed te oefenen of zoodra er iets verluidt, dat van druk op onze regeering in eenigen bepaalden zin zou getuigen, direct wei gedwongen zich, of men wil of niet, met ons te bemoeien. In dien zin is de actualiteit der kwestie van' onze internationale positie een positieve aanwijzing, dat er zich in die positie iets gewijzigd heeft of aan 't wijzigen is.
Wij zeiden, de vraag is sinds eenige jaren bij ons niet van de lucht. En dan denken wij daarbij natuurlijk aan de Van Heeckeren-affaire en de „onthullingen" die reeds voor dien tijd — in 1908 — door „Het Vaderland" plaats vonden betreffende zekere pressie van Duitsche zijde op onze regeering uitgeoefend ten tijde van den Russisch-Japanschen oorlog. Wij willen op de zaak-van Heeckeren niet ingaan, zoo min als op de onthullingen van „Het Vaderland," omdat een behandeling van deze twee punten, wil ze werkelijk eenig licht doen opgaan, veel te uitvoerig zou moeten zijn voor de beschikbare plaatsruimte. Alleen Willen wij even wijzen, ten eerste op het feit, dat in het jaar 1908 tijdens de „onthullingen" van „Het Vaderland" de gelegenheid verzuimd is om naar aanleiding van de toen gepubliceerde verzekeringen een interpellatie te richten tot de regeering over de verhouding waarin zij °f liever ons land stond en staat tegenover de groote mogendheden,
2l6
ten tweede dat de toenmaals gedane mededeelingen een blad als het „Handelsblad" ernstig genoeg leken om te schrijven i):
„Wij mogen dus aannemen, dat inderdaad de brief — bedoeld is de beweerde brief van Wilhelm aan Wilhelmina over de noodzakelijkheid om eventueel ons land en onze havens te bezetten ingeval van een Europeeschen oorlog, v. R. — geschreven is . . . Indien nu zulk een brief, waarin mededeelingen van zóó ernstigen aard, geschreven is, kan het geen twijfel lijden of de Koningin moet over zulk een zaak een harer verantwoordelijke ministers geraadpleegd hebben. De Duitsche Keizer weet, dat Nederland een constitutioneele staat is ... enz...
De heele zaak is voor ons volkomen raadselachtig en het lijkt ons zeer gewenscht, dat, nu zooveel gezegd is, er gerustheid kome en juist worde medegedeeld op welke wijze door buitenlandsche staatshoofden gepoogd is invloed te oefenen op onze leger- en vlootpolitiek" . . .
Woorden, waaruit blijkt, dat de indruk dier onthullingen toenmaals vrij diep ging, wat ook niet anders kon waar ze in verband gebracht werden met de mededeelingen, van het lid der Eerste Kamer Von Löben Seis, die in 1904 kolonel van de artillerie en commandant van de steil ing Den Helder was en die bij de behandeling der oorlogsbegrooting voor 1907 o. a. zeide:
„De mobilisatie van onze Oostelijke grenzen is niet het ergste, want een aanval over onze Oostergrens is slechts middel, geen doel. Bij een Europeeschen oorlog zal het gaan om het bezit onzer havens en het gaat niet zoozeer om die havens te bezitten, maar om te voorkomen, dat de tegenstander er zich van meester maakt." De spreker deelde dan mede, dat in 1904 in Den Helder op een goeden dag het bevel bij den commandant der artillerie was gekomen, dat alles gemobiliseerd moest worden. In het diepste geheim werd dit bedisseld. Die geheimhouding was hoogste eisch. Van een oproeping der klein-verlofgangers was toen geen sprake, evenmin als men het thans zou durven doen. Vele weken zijn toen de bedieningen bij de stukken gebleven. „Ik kan mij voorstellen, dat de Minister niet weet, dat in het buitenland, in invloedrijke kringen, zeer eigenaardige denkbeelden heerschen over de noodzakelijkheid om plotseling Nederland te bezetten, niet omdat men het wenscht, maar om andere eventualiteiten te voorkomen. Moet ik dan herinneren aan wat in 1905 is geschied? Is het dan onjuist, wat ik meen te weten, dat destijds de reo-eering van uur tot uur de mededeeling kon verwachten van 12 uur bedenktijd om zich te verklaren? Een herhaling van die eventualiteit durf ik niet aan. Hier is inderdaad periculum .in mora. Waar de Minister den feitelijken toestand niet wil aanvaarden, dat (namelijk) een overval een normaal geval is, daar stem ik tegen." welke woorden eigenlijk niet officieel zijn weerlegd.
Zeker is het, dat sinds eenige jaren zich in ons land een soort van
1) „Handelsblad" van 17 Nov. 190S.
217
volksopinie gevormd heeft, waarvan zelfs een groot-kapitalistisch orgaan als de N R Ct." het bestaan moet erkennen met de woorden: „Nog nimmer" leeft in den volksmond de sage voort, dat vreemde invloeden ten aanzien van het ontwerp (het z.g.n. kustverdedigingsontwerp) geldend z5jQ- benauwend is het te ervaren, dat zelfs bij vele officieren de gedachte voorzit, dat Nederland voortaan niet meer souverein z.jne verdediging zal verzekeren, i) terwijl het blad tegenover deze „sage geen sterker verweermiddel kan plaatsen dan zijn geloof, „dat onze regeermg fierheid genoeg bezit, om zich niet door vreemden te laten voorschriiven wat Nederland heeft te verrichten om aan zyn internationale verplichtingen te voldoen." En dat geloof, doorgedrongen tot vele officieren zelfs en dus allesbehalve beperkt tot wat men in de wandeling het volk noemt, berust, het moge dan al niet gefundeerd zijn op vaststaande bewijzen, dat Duitschland zich officieel in onze aangelegenheden zou hebben gemengd, in ieder geval op iets, dat in dit geval evenveel ja meer waard is, de intuïtie of het juiste gevoel, dat ons land, wat betreft zijn internationale positie, niet onafhankelijk meer kan: zyn van de ons omliggende groote mogendheden, inzonderheid van Duitschland Had het wetsontwerp ter stichting van een fonds van 40 millioen voor de verbetering der kustverdediging, den vorigen zomer ingediend, -een ander gevolg dan dat het 't groote publiek in ons land, alle klassen, als 't ware dwingt zich van onze internationale gevaarlijke positie rekenschap te geven, een oogenblik te bedenken, dat wy met niet meer veiligheid onze dagelijksche zaakjes beredderen dan onze -oede voorouders in de 18de eeuw, die vóór den Amerikaanschen onafhankelijkheidsoorlog, zonder uitzondering haast ook kalmpjes voortzeulden in het godzalige vertrouwen, dat de wereld wel zou blijven draaien als voorheen, dan zou men het met waardeering kunnen begroeten Immers er is in dit opzicht blijkbaar vooruitgang, wanneer men zich herinnert, dat het voorstel der liberale regeering-de Meester tot stichting van een fonds tot voltooiing van de stelling Amsterdam, ,n 1907 ingediend en behandeld maar verworpen, geenszins dien weerklank heeft gevonden noch in nóch buiten onze landspalen.
Vanwaar dan nu het lawaai en de toorn in een deel der buitenlandsche pers? Vanwaar de besprekingen over een wetsontwerp, dat nog pas in eersten staat van voorbereiding is - behandeling m de afdeelïncxen - tot in de Parlementen van Frankrijk en Engeland? De reden is gelegen ten deele in het karakter van dit ontwerp ten deele in de internationale verhoudingen van het oogenblik.
Eerst over de laatste een enkel woord. In verband met het karakter van dit ontwerp, dat, zooals men weet, ook het voorstel inhoudt een
i) „N. R. Ct." van 10 Oct. 1910.
218
fort op te richten te Vlissingen, aan den ingang dus der rivier, die toegang verleent tot België's eenige groote haven, welke echter tevens de sterkste militaire positie van dit land vormt, het centraal reduit van het door de mogendheden in 1839 toch onzijdig verklaarde koninkrijk, is in een gedeelte der Belgische pers, onder sterken invloed staande de Fransche, de vraag opgeworpen of den Schelde-mond te voorzien van een fort niet in strijd zou zijn met België's belangen en . . , met de tractaten, welke het land zijn onafhankelijkheid en bestaan garandeeren. Men bemerkt onmiddellijk, dat het hier twee zaken betreft, een juridische en een politieke, welke gelijk ieder weet, die niet door de studie van het „volkenrecht" alle politieke inzicht heeft verloren, niet van elkaar te scheiden zijn. De vraag namelijk öf de oprichting van een fort aan den Scheldemond werkelijk aan België's onafhankelijkheid in zekere gevallen tot nadeel zou kunnen strekken en de vraag of de tractaten voor de oprichting van een dergelijke versterking aan de Nederlandsche regeering eenig juridisch beletsel in den weg leggen. Naarmate men geneigd is de eerste vraag al of niet bevestigend te beantwoorden, zal men ook in de meeste gevallen tegenover de tweede staan. Wij komen daarop trouwens nog terug. 1) Maar zeker is het, dat het alarm in een deel der Belgische pers slechts daarom direct een vrij grooten weerklank heeft gevonden in de publieke opinie van een en weldra meer wereldmachten, Frankrijk eerst, Engeland daarna, zoo zelfs dat de regeering van de Fransche Republiek het reeds noodig heeft geacht in dezen haar standpunt te doen kennen, omdat er op 't oogenblik in de internationale verhoudingen weer een sterk gevoel van onbehagen bestaat. De jongste Russisch-Duitsche overeenkomst, al of niet reeds perfect, getuigt in ieder geval van de geringe draagkracht der Fransch-Engelsch-Russische overeenkomst, ontstaan uit de overeenkomsten van Frankrijk en het Britsche Rijk (1904) en die van Engeland en Rusland betreffende Azie in 1907. Nu is het dwaas te meenen, dat deze zoogenaamde Triple-entente ooit meer dan een overeenkomst voor bepaalde punten en kwesties is geweest, die de drie mogendheden overigens volkomen vrij liet. Maar de Fransch-Russische alliantie draagt een geheel ander karakter. Zij is sinds twintig jaar een der pijlers van de internationale verhoudingen evengoed als het Drievoudig Verbond. En de mededeelingen van den Franschen Minister van Buitenlandsche Zaken gedurende de laatste begrootingsdebatten waren van dien aard, dat bij velen ernstige twijfel moest ontstaan of Rusland bij het sluiten van zijn jongste overeenkomst met Duitschland betreffende
I) O. i. heeft echter b.v. de generaal den Beer Portugael èn in zijn Fransche brochure over dit onderwerp èn vooral in het artikel in den „Tijdspiegel" (Jan. van dit jaar) juridisch aangetoond, dat ons land volgens de tractaten wel het recht bezit een fort te bouwen.
2ig
Oost-Azie zijn bondgenoot Frankrijk wel in die mate had ingelicht als sinds een twintigtal jaren de gewoonte was. als overeenstemt met de diplomatieke usances bij een dergelijke verhouding als tusschen beide machten bestaat. Die twijfel was zoo ernstig, dat er reeds stemmen opo-ingen van niet te verwaarloozen militaire zijde bv. die het uitspraken, dat het Russisch-Fransche verbond in zijn grondslagen was geschokt en bijgevolg voor Frankrijk waardeloos was geworden. Geruchten of mededeelingen, die spoedig daarop verspreid werden, als zouden in Rusland troepenbewegingen plaats vinden, die een onttrekking van kracht aan de op de westelijke grenzen geconcentreerde legercorpsen zouden beteekenen, kwamen die vrees slechts bevestigen. Indien werkelijk Rusland zijn legercorpsen op het Westelijke tegen Duitschland gerichte front aanmerkelijk zou hebben verzwakt, zou dit inderdaad beteekenen een opheffing van de militaire basis der Russisch-Fransche alliantie. Andere mededeelingen en feiten waren in den laatsten tijd niet geschikt om de ongerustheid in Fransche militaire kringen te verminderen. Het schijnt een feit te zijn, dat de operatiebasis voor een aanval in Frankrijk verle-d is van het Zuiden naar het Noorden, met Metz als grootste concentratiepunt. En de jongste gewichtige gebeurtenis op het gebied der internationale politiek, een gebeurtenis, welker gevolgen nu nog moeilijk te overzien zijn, doch die van de verststrekkende beteekenis kunnen worden, het „ultimatum" der Russische regeering aan China kan in verband met de Russisch-Duitsche overeenkomst, welke blijkbaar ook gekarakteriseerd wordt door het verlangen in Voor-Azie minder sterk gebonden tc zijn ten einde in Midden- en Oost-Azie weer meer kracht te kunnen ontwikkelen, de Franschen ook niet bepaald nieuw vertrouwen inboezemen in de militaire waarde van hun eemgen bondgenoot Die stap der Russische regeering - en dit wordt nog waarschijnlijker wanneer men hem in verband brengt met het terugtrekken van garnizoenen uit Noord-Perzië - kan toch beteekenen, dat Rusland opnieuw geheel of gedeeltelijk den weg inslaat, die zijn krachten van 1897 tot den Russischen-Japanschen [oorlog gebonden heeft, met de bekende ^volgen, de totale vernedering van zijn militair prestige in 1904—'05 en de Revolutie. Alles bij elkaar genomen, zal men het verklaarbaar vinden, dat een deel der Fransche publieke opinie vatbaar was voor elke suggestie, die van Belgische zijde de voorstelling wilde doen ingang vinden, dat in de plannen tot oprichting van een fort aan den Scheldemond een indirecte bedreiging van Frankrijk's belangen door het in de internationale verhoudingen op 't oogenblik machtiger dan ooit staande Duitsche Rijk. Indien het Scheldefort werkelijk de Positie van België dreigen zou te verzwakken, indien het de handhaving der Belgische neutraliteit, voor Frankrijk een vitaal belang in geval van een Europeeschen oorlog, zou bemoeilijken ja in de waag-
225
standers van die opruiming zaten. En nu het nieuwe fort aan den Schelde mond. De generaal Snijders toont aan, dat reeds ten tijde van Napoleon en Willem I, in den tijd dus toen de verhouding van kustbatterijen ten opzichte van oorlogsschepen veel gunstiger voor de eerste was, voor de werkelijke afsluiting van den Scheldemond met een, maar twee ja eigenlijk drie forten noodig waren, namelijk het toen nog bestaande fort te Breskens, dat bij Vlissingen en één in den mond der Wester-Schelde op de Elboogplaatplannen, die Napoleon dan ook overwo-en heeft en zou hebben ten uitvoer gelegd indien hij er tijd voor gehad had om van Antwerpen te maken wat hij wilde: het pistool op de borst van Engeland. Bij ten tegenwoordigen stand der krygstechniek bewijst de generaal verder, is één fort te Vlissingen met kanonnen van .8 voorzien, niet in staat een vijandelijke scheepsmacht, die ernstig wil, den toegang tot de Schelde te beletten, afgezien van de mogelijkheid voor den vijand, om, zooals de Engelschen in 1809 hebben gedaan, elders op Walcheren te landen en het fort van de landzijde buiten gevecht te stellen. Hij zegt:
Buiten twijfel is, dat de middelen van verdediging thans veel krachtiger zijn dan vroeger: de zware kustvuurmonden waarmede men thans een fort te Vlissingen zou kunnen bewapenen, hebben eTn uitwerking zooals men zich in 1882 nog niet kon denken, terwijl ze bovendien in pantserkoepels betrekkelijk zeer veilig zijn op te stellen Maar ook de vijandelijke schepen beschikken over dezelfde, ia over nóg krachtiger vuurmonden en zijn eveneens door pantseringen Jbeschermd.gZe kunnen op veel grooteren afstand in zee blijven dan vroeo-er om het fort onder vuur te nemen en . ze kunnen ook nog "altijd den Scheldemond doorvaren, zonder dat een fort bvj. Vlfssing-en het vermag te verhinderen.
De Raad van defensie acht daarom nog een fort op den zuidelijken oever der rivier noodig en ook de lu.t.-generaal Van Ermel Scherer is die zienswijze toegedaan, blijkens zijn in de „Tijdspiegel ™omen (en ook als brochure uitgegeven opstel): Het wetsontwerp ter verbetering der kustverdediging. Over het voorstel nopens den bouw van henfort bij Vlissingen zegt deze schrijver op pag. 5, onder
Pte4v'eiSdigeingkrvCanigden mond der Wester-Schelde door slechts één fort, is gebrekkig, is half werk en dus onvoldoende. Terwijl hij
°^mL2nu:Chv1lg:ens den Raad, de onmogelijkheid bestaat, om met één fort het breede vaarwater, vooral bij slecht zicht, op afdoende wijze te kunnen beheerschen, zal er wel niets anders overblijven dan een tweede fort te bouwen."
Eén fort is dus volgens de deskundigen - ook volgens den tegenstander van het bouwen van eenige versterking - totaal onvoldoende om de Schelde af te sluiten. Aan twee wordt door de regeering met gedacht wegens de kosten en ook omdat één fort voor de handhaving
239
meent te zullen breken met een ideologie, die van geen verandering weet, volgens welke de bestaande staatsorde de meest wenschelijke en heilzame is. Want de mannen der praktijk, de opvoeders van het jonge geslacht hadden zich, theoretisch, op het standpunt der revolutionaire arbeidersklasse geplaatst.
Geen andere is onze meening! Zij, die de neutraliteit willen, zijn ervan overtuigd, dat geen klaargemaakte en het absolute uitdrukkende levensbeschouwingen de waarheid bevatten, maar zij houden het voor zeker, dat de werkelijkheid der ervaring de elementen inhoudt, waaruit de levensbeschouwing van een nieuw geslacht wordt saamgesteld. Deze werkelijkheid — het wordt door niemand tegengesproken — is maatschappelijke werkelijkheid, een realiteit, die gedurig verandert en in hare verandering aan de werking van bepaalde wetten is onderworpen. Zij is in laatste instantie materieel, door de ekonomische verhoudingen bepaald; de inhoud der maatschappelijke ervaring is ten slotte het produkt van materieele faktoren. Immers wordt door dit standpunt — dat de mannen van de neutraliteit innemen — de maatschappelijke werkelijkheid van de ideeën gescheiden, die als de levensbeschouwing van het toekomende geslacht daaruit zullen opbloeien. Inderdaad wordt hiermede erkend, dat de levensovertuiging het ideeële beeld is eener niet-ideeële, d. i. materieele, maatschappelijke realiteit. Zoo stellen dus zij, die het beginsel der (absolute) neutraliteit in het onderwijs huldigen, zich de facto aan de zijde eener wijsbegeerte, die van de inwerking der maatschappelijke faktoren, waaruit het ervaringsmateriaal bestaat, den opbloei van de levensbeschouwing van het volgende geslacht verwacht, welke zij zegt, dat aan de werkelijkheid beantwoordt.
II.
Het meer bijzondere, paedagogische principe, dat eischt, geen opvattingen aan het kind op te dringen, welke de grenzen van zijn bevattingsvermogen overschrijden en met zijn geestelijke gesteldheid met harmoniëeren, is, wezenlijk, geen ander beginsel dan het algemeenwijsgeerige, hetwelk wij dat van het sociale realisme kunnen noemen. Wij&bedoelen, dat, indien zij, die de neutraliteit, zoowel in staatkundig als religieus opzicht, in de opvoeding willen doen heerschen, ter wille van het kind, welks geest, om te groeien, het voedsel behoeft, dat zijn organen kunnen verwerken, zoo zij een oogenblik tot de maatschappelijke beteekenis van hun eisch willen doordringen, bevinden, dat het psychologisch-paedagogisch beginsel voorschrijft, den arbeid der geestelijke vorming van den mensch aan de maatschappelijke werkelijkheid over te laten, dat deze geestelijke vorming uitsluitend gediend wordt met den groei en de ontwikkeling van het bevattingsvermogen van den
240
jongen mensch door de toenemende maatschappelijke ervaring. De „landlaufige" theorie, de paedagogie „an sich", maakt zich tot nu toe over haar maatschappelijken zin weinig zorgen. Zij beweert, dat zij slechts met de kinderziel te maken heeft, en aan de wetten van haar normalen groei de opvoeding wenscht aan te passen. Maar zij vergeet, niet slechts, dat de ontdekking dezer wetten zelve een maatschappelijk akquisiet is, doch ook, dat zij, minstens genomen, skeptisch staat in haar waardeering van wat de hoogste geestelijke goederen heeten in den mond der maatschappelijk heerschenden, dat haar vak-wetenschappelijke grondgedachte de maatschappelijke konsequentie heeft, welke wij in het voorgaande aangaven. Met zich van deze waarheid niet wel bewust te zijn, verraadt de paedagogie, met inbegrip harer hulpwetenschap, de zielkunde, haar burgerlijk-radikale afkomst. Radikaal is zij in dien zin, dat zij er begrippen op na houdt, die met het overgeleverde hebben afgedaan, en de opvoeding op nieuwe banen voeren, burgerlijk echter in dezen anderen, dat zij bij deze algemeene waarheden zweert, zonder het dialektisch karakter van haar toepassing in het bijzondere, welke in het maatschappelijk leven plaats grijpt, te doorgronden. Zij acht het uit den booze, dat de bodem van het kinderlijk bevatten wordt gedrenkt met het water, dat altijd „levend" heet te zijn, of met welk bovennatuurlijk water ook, en dat het jonge gemoed leert ademen en bewegen in de vereering van de bij het nederlandsch kapitalisme passende politieke inrichting met haar ornamenten, die het ideaal van volksbestuur heeten te belichamen. Evenwel ignoreert zij, dat deze oogenschijnlijk zuiver-paedagogisch-psychologische eischen — wijl zij uitsluitend door de voorwaarden, waarop de kindergeest zich normaal ontwikkelen kan. worden gesteld — zoo vlekkeloos ongekleurd zij als theorie ook schijnen, in de praktische toepassing de kleur ontvangen, die aan al het bijzondere eigen is.
Wij willen zeggen, dat de tot nu toe gehuldigde theoretische paedagogie met haar eisch van neutraliteit in de opvoeding ophouden moet zich blind te staren op haar dogma — want dat wordt alle theorie, hoe juist op zich zelve ook, indien zij zich van haar oorsprong en voedingsbodem, de sociale werkelijkheid, niet bewust wordt, — de maatschappelijke wortels van haar bestaan moet erkennen, en haar praktijk daarnaar richten. Dan wordt het dogma tot levende werkelijkheid. De mannen, die in de onderwijzersbeweging in den jongsten tijd met zoo groote overtuiging en toewijding hebben betoogd, dat de natuurlijke opvoeding — de intellektueele en de zedelijke — slechts naar het bevattingsvermogen van het kind heeft te vragen, en dat voor haar de godsdienstige levensbeschouwingen en de vereering voor een bepaald stelsel van volksregeering dus kontrabande zijn, moeten begrijpen, aan welke zijde zij zich, maatschappelijk gesproken, hebben
241
gesteld. Hun naaste taak is, de dialektische natuur der dingen te begrijpen, en in te zien, dat hier het begrip een verschillenden, ja, tegengestelden inhoud dekt. Zooals het liberalisme van huis uit zweert bij hèt recht en bij dè vrijheid — voor het „anarchisme" een traditie, te glorievol om ze niet over te nemen, — zonder te doorzien, dat de vrijheid voor den kapitalistischen ondernemer de grootste onvrijheid voor den arbeider beteekent, en het recht in den burgerlijken rechtsstaat het geweldigste onrecht voor de in dien staat uitgebuite klasse is, zoo zweren nog de uitsluitend-theoretische paedagogen in den Bond van Nederlandsche Onderwijzers bij dè neutraliteit. Zij moeten zich tot 't bewustzijn opwerken, dat de moderne paedagogie met haar eisch, de verstandelijke en zedelijke opvoeding van het kind buiten het kontakt der religieuse wereldbeschouwingen en der burgerlijk-staatkundige meeningen te houden, wel verre van neutraal te zijn, een echt-sprekende maatschappelijke kleur heeft bekend, door zich te scharen aan de zijde der sociaal-demokratie, wier wereldbeschouwing op de waarheid berust, dat de maatschappelijk-ekonomische ervaring het materiaal is, waaruit, wat de menschen als de hoogste levenswaarden beschouwen en zullen beschouwen, hun zedelijke idealen niet buitengesloten, wordt opgebouwd, de wereldbeschouwing, waaruit de moderne arbeidersklasse haar revolutionaire energie put.
Wijl wij hier den eisch der neutrale opvoeding van het kind als een uitvloeisel van de maatschappelijke theorie der sociaal-demokratie demonstreeren, willen wij terloops nog 't volgende opmerken.
De tot de bewustheid van het juiste inzicht in den samenhang van denken en zijn geraakte arbeidersklasse kan het op bovengemelde gronden niet slechts versmaden, dat de jeugd in socialistischen geest wordt opgevoed, maar zij moet ook de socialistische opvoeding van het jonge geslacht o. i. inderdaad als een indirekte verloochening beschouwen van haar theorie over de werkelijkheid op een bepaald punt, de verstandelijke en zedelijke vorming der jeugd. Zij is overtuigd, dat de levensbeschouwingen, ook wat meer in het bijzonder de ethische denkbeelden der menschen betreft, in laatste instantie worden bepaald door de verhouding, waarin zij in het maatschappelijk produktieproces geplaatst zijn. In zooverre b.v. de zedelijke begrippen naar den inhoud tegen elkaar indruischen, en de een als schoon en goed beschouwt, wat de ander slecht en laag acht, wordt dit veroorzaakt door hun tegengestelde maatschappelijke belangen — die in laatsten aanleg ekonomische belangen zijn, — door hun positie in den klassenstrijd.
Het is weder de maatschappelijke ervaring, de praktijk, welke aan de algemeene ideeën van „het" goede en „het" schoone de bepaalde
242
kleur «reeft, welke het begrip zelf mist, maar het karakter is van zijn levende werkelijkheid, zijner maatschappelijke verschijning. Waar de maatschappelijke faktoren hun invloed niet doen gelden, d. 1. m het levensmilieu van het kind, i) dat niet in arbeidsverhoudingen geplaatst is daar is naar onze meening de opvoeding in de wereldbeschouwing van het proletariaat een negatie van den grondslag, waarop deze wereldbeschouwing zelve staat - die aan de maatschappelijk-ekonom.sche ervaring in den klassenstrijd het goede recht der levensovertuigingen toeschrijft — en gaat de opvoeding in dat geval denzelfden weg betreden in beginsel, waarop de vereenigde reaktie haar wenscht te voeren Het inzicht in de maatschappelijke beteekenis van den opvoedenden arbeid en de maatschappelijke stelling van het kind gunt hier den juisten blik op de principieële verwerpelijkheid eener socialistische jeugd-edukatie.
Wij beroeren hier een argument — en hiermee keeren we terug tot hen, die de neutraliteit op „zuiver-paedagogisch-psychologische gronden verdedigen, en van haar maatschappelijke konsequentie met willen weten, omdat het hun nog aan dialektisch inzicht ontbreekt - dat tegen ons als een ethisch-paedagogisch tegenmotief zou kunnen worden aangevoerd. — Wanneer de moderne paedagogie — zoo zouden zij kunnen redeneeren - zich op het standpunt van het strijdende proletariaat stelt, en haar theorie ten slotte afleidt uit de algemeene theorie van het wetenschappelijk socialisme, dan is de zedelijke opvoeding der jeuad in de school veroordeeld. Het paedagogisch beginsel verbiedt dan wel dat de zedelijke denkbeelden van het proletariaat, die uit zijn klassenstrijd voortkomen, aan de jeugd worden ingeprent, maar tegelijk ook, dat bij het kind worden aangebracht, wat „christelijke en maatschappelijke deugden" heeten te zijn. Heeft dit niet tot gevolg - zoo hooren wij ze vragen -, dat het jonge kind aan zedelijke verwildering wordt prijsgegeven? - Voor wie den zin juist vatten der proletarische zedeleer, is het ontkennend antwoord op deze vraag niet moeilijk te aeven. Waar het wetenschappelijk socialisme de moraal der arbeidersklasse stelt tegenover de moraal van de burgerlijke maatschappij, daar bedoelt het slechts te zeggen, dat de hoogste zedelijke voorschriften noodzakelijkerwijs in den klassenstrijd tusschen proletariaat en bourgeoisie krachteloos worden gemaakt, en de strijdende klassen daarin hun eigen,
,>Wij bedoelen natuurlijk niet, clat de maatschappelijk-ekonomische 9*^?^ ■ den kla senstrijd en daardoor de tegengestelde ideeën der klassen veroorzaakt het k.nc geestelijk niet beroert. Wij willen slechts zeggen, dat, wij! het jonge kmd „* aan het Produküeproces zelf deel neemt, de voorwaarden niet aanwez-g ztjn waarop het „natum lijkerwijze" de levensbeschouwing verwerven kan. die de werkelijkheid uitdrukt.
243
door hun ekonomische verhoudingen bepaalde, moraal volgen. Dit beteekent dus volstrekt niet, dat deze hoogste zedelijke geboden geen recht van bestaan bezitten, en door de arbeidende klasse onder alle omstandigheden als waardeloos, ja, schadelijk moeten worden beschouwd. Integendeel zijn zij, die de proletarische wereld- en levensbeschouwing tot de hunne hebben gemaakt, juist krachtens hun begrip van de maatschappelijke ontwikkeling er diep van overtuigd, dat, zoo deze hoogste moraal geen andere tendenz had gehad dan de verdrukte klassen onder het juk te houden, en zij het menschelijk handelen niet geregeld altruïstisch had beïnvloed, maatschappelijk samen-leven onmogelijk zou zijn geweest. De mogelijkheid daarvan een oogenblik te onderstellen, is reeds een absurditeit voor hem, die ziet, hoe alle stoffelijke en geestelijke invloeden als een eenheid met elkander samenhangen. De hoogste zedelijkheid met haar voorgeschreven plichten: liefde van allen voor allen, solidariteit, gevoel van saamhoorigheid van alle menschen, — zijn zelf produkten van de maatschappelijke ervaring, ja, meer direkt van den daaruit ontstaanden maatschappelijken klassenstrijd. Zij roepen bij den mensch gedurig de herinnering wakker aan een verloren paradijs, en de algemeene deugden, welke het christendom predikte i) — en nog predikt, nu zij een bittere satyre op de werkelijkheid geworden zijn —, wijzen de menschheid niet enkel terug naar een verleden toestand, waarin zij in volkomen harmonie met zich zelve leefde, maar ook naar haar toekomst, die zij strijdende bezig is te verwerkelijken. Daarom achten wij de zedelijke opvoeding der jeugd in de school, haar opleiding tot „christelijke en maatschappelijke deugden" — ontdaan van iedere tendenz, daarmee de maatschappelijke uitbuiting te rechtvaardigen en te bestendigen — van groot belang — ook voor de bewustwording der uit deze jeugd opgroeiende jonge arbeidersklasse. Want de grootste zedelijke idealen, saamgevat in dat van de solidariteit van 't geheele menschdom, oefenen dan hun kultuurbevorderende en bevrijdende kracht uit, wanneer, als de schrijnende tegenstelling tusschen ideaal en werkelijkheid de massa bewust wordt, zij in haar eigen historische, de maatschappij revolutioneerende taak het middel erkent, het ideaal tot werkelijkheid te maken. Haar latere maatschappelijke ervaring brengt haar het bewustzijn bij, dat de kapitalistische samenleving met haar belangentegenstellingen der klassen de verwezenlijking dezer verheven deugden, welke haar als het ideaal van menschelijke gezindheden zijn geleerd, onmogelijk maakt. En de ontwikkelende proletarische wetenschap, welke haar in den strijd gewordt, verhindert,
i) De door de maatschappelijk heerschenden daaraan gegeven strekking, blijkend nit de toegevoegde benaming: maatschappelijke deugden, mag ons er niet toe leiden, haar waarde, ook Yoor de toekomst, te onderschatten. Ook hier behoort alle onderscheid als betrekkelijk te worden begrepen, en de eenheid van het Zijnde niet te worden vergeten '.
Bank en Industrie in Duitschland ^
DOOR
S. DE WOLFF. II.
Dat de ontwikkeling van de productiekrachten, en van ons, in laatste instantie, daardoor bepaald denken en doen in de huidige periode van het kapitalisme met reuzenschreden gaat, is reeds zoodanig tot eene gemeenplaats geworden, dat men aarzelt haar neer te schrijven.
En toch kan men er niet aan ontkomen deze „landlaufige" gedachte telkens weer uit te spreken, als men uitingen van 20 jaar geleden wederom onder de oogen krijgt. Het doet ons zoo vreemd aan in onzen tijd verklaringen van nog geen kwart eeuw her, te zien citeeren, die door de maatschappelijke ontwikkeling zoo grondig „ad absurdum" zijn gevoerd. En een typisch voorbeeld is wel een citaat uit het jaar 1890, uit een boek van Walther Lotz over: „Die Technik des Emissionsgeschafts" (bl. 60)2):
„Een der voornaamste Berlijnsche bankiers verklaarde mij eens, dat zijn beroep door het sociale vraagstuk, dat men anders als het gewichtigste in de maatschappelijke ontwikkeling beschouwt, niet wordt aangeraakt; de emissiebanken zijn in dit opzicht neutraal."
Thans, nog nauwlijks 20 jaar later, zou hij, die zoo iets zou durven beweren, met hoongelach worden beantwoord, waar toch de banken niet alleen wel ter dege met het sociale vraagstuk te maken hebben, maar zelfs wel verre van neutraal daar tegenover te staan in Duitschland het „Scharfmachertum" vertegenwoordigen. Zoo heeft ook in dit opzicht de dialectische ontwikkeling der maatschappij het „verstand" van dien bankier uit de jaren negentig tot „onzin" omgemunt.
Maar ook in een ander opzicht heeft de ontwikkeling zich dialectisch voltrokken, waar zij het bankwezen van dienaresse tot gebiedster heeft gemaakt, waar zij, zooals Riesser het noemt, de bank van „Madchen
•) Men zie de „Nieuwe Tijd" van Dec. 1910.
2) Geciteerd bij Reiner „Die Deutschen Groszbanken" Jena 1910, bl. 1.
19
302
für Alles" tot eene macht doet groeien „die geheele industrie-gebieden verovert" en de hegemonie der bankgroepen vestigt.
Dit ontplooiingsproces zal hier aan de verschillende feiten der laatste jaren zijn na te gaan, feiten, die zoo sterk voor zich zelve spreken, dat zij lange theoretische uiteenzettingen niet van noode hebben. Hier zullen de gegevens, bijeengebracht door allerlei burgerlijke onderzoekers ons luide verkonden, dat thans het tijdperk aangebroken is „van het steeds kleiner wordend aantal kapitaalmagnaten, die het geheele maatschappelijk leven usurpeeren en monopoliseeren".
Het in „rekening-courant" staan van een debiteur bij eene bankinstelling is de eerste stap op den weg, die ten slotte naar volkomen afhankelijkheid der industriëelen van de bankgroepen voert.
De bank geeft den industriëelen kapitalist crediet, onder voorwaarde» dat dan ook de crediet-nemer de inning en betaling zijner wissels, tevens disconteering en verdisconteering door middel der bank zal doen geschieden. En natuurlijk groeit met de concentratie, d. w. z. het telkens grooter worden der bedrijven het crediet-bedrag aan. Met en door de ontwikkeling van het kapitalisme groeit onophoudelijk de schuld der debiteuren van de groote banken.
Zoo was bij de Duitsche Banken, die meer dan I millioen mark kapitaal bezitten het bedrag aan debiteuren-schuld:
in 1883 886 millioen mark
» 1895 1993 N»
„ 1908 6603 „ „
Iets anders uitgedrukt, komt deze onderworpenheid der industrie aan het bankkapitaal nog beter uit als wij uitrekenen, welk percentage de debiteuren van het totaal kapitaalbezit der banken uitmaken. Men weet, dat het eigen kapitaal der banken slechts een klein gedeelte van het uitgeleende kapitaal vormt, dat het bij hen gedeponeerde kapitaal telkens grooter deel daarvan uitmaakt. Maar, waar de debiteuren, hoe langer hoe meer slechts door middel der banken zich het benoodigde kapitaal kunnen verschaffen, daar wijzen de volgende cijfers reeds op eene volkomen beheersching der industrie door de credietbanken:
Verhouding van het debiteuren-bedrag tot het eigen kapitaal der banken.
1883 in,3 PCt.
1895 148,1 „
1908 203 „
Hoe grooter nu — wij wezen er reeds zoo even op — de bedrijven werden, des te hoogere eischen aan het credietkapitaal zullen worden
303
gesteld, en hoe meer dan ook de beheersching der bedrijven door het bankwezen zal toenemen. En als de groei der bedrijven zoo ver gevorderd is, dat in plaats van den individueelen bezitter, de aandeelhouders treden, als dus de naamlooze vennootschap optreedt, dan wordt natuurlijk de band tusschen industrie en credietwezen nog enger.
Dan is de bank voor aanzienlijke bedragen bij die reuzenondernemingen betrokken. Het bezit bovendien van aandeelen en obligaties, verbindt de banken eenerzijds, als hoofdvertegenwoordigers der kapitalistische maatschappijorde, en de industriëele productiewijze anderzijds, zoo nauw met elkaar, dat zij dan beide op leven en dood duurzaam met elkander verbonden zijn i).
En als dan na deze vorming van naamlooze vennootschappen het combinatieverschijnsel optreedt, hetzij verticaal door vereeniging van verschillende vroeger zelfstandige bedrijven, die gezamenlijk het product produceeren, van het eerste ruwmateriaal tot het laatste eindproduct, hetzij horizontaal door combinatie van gelijksoortige bedrijven, dan wordt de band tusschen bank en industrie wederom nauwer en vindt dit enger toehalen van dezen band zijne uitdrukking in het zenden van gedelegeerden van bankinstellingen in den Raad van Commissarissen van industriëele maatschappijen.
Zoo vindt men in de tabellen, die Riesser op het einde van zijn werk (Beilage IV) geeft, dat vertegenwoordigd zijn in den Raad van Commissarissen op i Januari 1910 in zuiver industriëele ondernemingen :
Deutsche Bank in 61
Darmstadter Bank ,5°
Disconto Gesellschaft ,,33
Dresdener Bank . „36
Algemeine Schaafhausensche Bank . . „51
Omgekeerd eischt natuurlijk nu ook het belang der Banken, dat de grootste ondernemers op industrieel gebied, de industriekoningen, zitten in het bestuur der banken, waar deze zoo ten nauwste bij het belang dier groote ondernemingen betrokken zijn.
Zoo zaten op 1 Januari 1909
in de Raad der Commissarissen der Deutsche Bank 4 groot-industrieelen.
„ „ „ „ Darmstadter Bank 4 „ „
„ „ „ „ „ „ Disc. Gesellschaft 4 „ „
„ () „ ,, Dresdener Bank n ,, „
„ n n „ ;, „ A. Schaaffh. Bk. 19 „ „
Dat echter de Bank de groot-industrie, niet de groot-industrie het bankwezen beheerscht, blijkt reeds uit het feit, dat de cijfers in de twee bovenaangehaalde tabelletjes aanmerkelijk verschillen. In het
1) Riesser: bl. 281.
304
tweede tabelletje zijn zij heel wat lager. Bovendien dient nog het volgende feit in oogenschouw te worden genomen: „Zegt de Bank plotseling het crediet op, zoo verliest zij eenen klant, hoogstens eenen goeden klant, maar de industrieel is in vele gevallen geruïneerd, steeds aanmerkelijk benadeeld" i).
Wat het voorname werk der banken betreft bij de emissie van aandeden en obligaties (van een vast percentage verzekerde aandeelen), hierover oriënteert men zich het best door na te gaan, welke bedragen door de Duitsche banken voor de Duitsche industrie bijeengebracht zijn van 1903 tot en met 1908.
Aan aandeelen en obligatiën zijn geplaatst (Riesser blz. 284 en 285).
Aandeelen. Obligatiën.
in 1903 ... 67 millioen mark ... 65 millioen mark.
„ 1904 . . . 196 „ „ ... 110 „ „
„ 1905 ... 146 „ „ ... 115
„ 1906 . . . 282 „ „ ... 183 ,, „
„ 1907 ... 152 „ „ ... 173 „ „
„ 1908 . . ■ 599 » ■ • ■ 3H
1442 ,, „ ... 960 ,, ,,
Te samen dus meer dan voor 2400 millioen mark in zes jaar!
Hoe hierdoor ook wederom de afhankelijkheid der industriëele ondernemingen van de grootbanken toeneemt is het best weer te geven met de woorden van H. G. Heymann in zijn reeds boven aangehaald werk (bl. 263).
„Industrie-obligaties hebben in het algemeen aan den Beurs eene zeer beperkte markt. Worden grootere posten aangeboden, dan houdt de Bank de koers op. Doet ze dit echter niet, en begint ze haar bezit goedkoop af te zetten, dan wordt het crediet der industrie-maatschappij zeer geschokt. Door de uitgave van obligaties verscherpt dus de industriëele vennootschap hare afhankelijkheid van de Bank".
En wat in dit opzicht het plaatsen der andere aandeelen beteekent, volgt uit het volgende: „De Bank is steeds groot-aandeelhoudster, terwijl private groot-aandeelhouders dikwijls ontbreken, de kleine aandeelhouders tot de clientèle der Bank behooren en haar voor de aandeelhoudersvergadering hun stemrecht overdragen. Het sterkst uitgedrukt doet zich daar de bankheerschappij voor, waar de industriëele vennootschap de bank ook voortdurend groote bedragen in contanten schuldig is. Hier is dan de leidende Bankdirecteur ook de opperdirecteur der industriëele ondernemingen" (bl. 265). Bij al deze dingen vertegenwoordigt de bank het kapitalistisch belang par excellence. Zij maakt eerst de vorming der reuzenondernemingen, en de daaruit voortvloeiende kartellen en trusts mogelijk. Immers door de kartelleering verhoogt men de winsten
1) H. G. Heijmann: Die gemischten Werken im Deutschen Giosseisengewerbe. Stuttgart 1904, bl. 263.
3°S
en daarmee de rente der aandeelen, dus de winst der banken. Zoo gaat dan ook van het bankwezen de sterkste aandrang tot kartelleering der industrieën uit, want het emissie-crediet der bank wordt daardoor verhoogd, hare effecten winnen in waarde. „En maakt eene industrieonderneming bij de stichting of vernieuwing van een kartel bezwaren, omdat het deel, dat haar toegewezen wordt in de producten, te klein is, de statuten voor haar te ongunstig zijn, dan treedt de bank als bemiddelaarster op, zij dzvingt wellicht die onderneming toch toe te treden, want haar belang is niet zoo zeer, dat die ééne onderneming X goede winsten opleveren, maar veel meer, dat het alle ondernemingen van het kartel, waarbij zij geïnteresseerd is, goed ga." (Heymann, l.c. 264).
Dé door ons gecursiveerde woorden zijn teekenend voor de verhouding van bank en industrie. De bank beveelt, de industrie heeft te volgen. De hegemonie is het woekerkapitaal toegevallen 1
Aan enkele bijzonderheden uit drie verschillende takken van industrie zal dit nog nader te demonstreeren zijn.
De drie industrietakken, hiervoor uitgekozen, zijn: de Chemische, de Montaan en de Electrische Industrie. En niet alleen zijn deze industriëen daarom zoo gekozen, omdat zij ieder voor zich iets merkwaardigs ten opzichte hunner verhouding tot het bankkapitaal vertoonen, maar ook wijl zij in de volgorde, waarin zij zijn genoemd, in dit opzicht een climax vormen.
Wij zagen, dat in de verhouding tusschen industrie en bankkapitaal de hoogte der concentratie, d. w. z. van den accumulatiegraad, het doorslaggevend element is.
Waar de bedrijven nog betrekkelijk gering van omvang zijn, waar nog uit de meerwaarde in eigen bedrijf voortgebracht, geaccumuleerd wordt, daar is de invloed van het bankkapitaal nog niet van zeer groote beteekenis. Maar, waar het punt bereikt is, dat de bedrijfsuitbreiding niet meer uit eigen middelen kan geschieden, maar uit vreemde middelen moet plaats hebben — zóó is de omvang der bedrijven toegenomen daar wint dan ook het bankkapitaal iederen dag aan invloed.
En in dit opzicht vormen dan chemische, montaan en electrische industrie een climax.
In de chemische industrie is, om een beeld uit de scheikunde te gebruiken, de overheersching van het bankkapitaal „in statu nascendi", in staat van wording. Hier heeft de concentratie der bedrijven een punt bereikt, dat de accumulatie, d. w. z. de uitbreiding der onderneming uit eigen middelen ophoudt het kenmerkend verschijnsel te zijn; de emissie, het brengen aan de beurs, van nieuwe aandeelen om
306
de zaak op grooteren leest te schoeien, steeds meer en meer doordringt.
De montaanindustrie heeft dit proces reeds in de jaren negentig der vorige eeuw doorgemaakt en wordt reeds volkomen door het bankkapitaal beheerscht.
De electrotechnische industrie, die van het begin van haar ontstaan reeds met zulk reuzenkapitaal te werken had, heeft steeds onder den sterken invloed van het bankkapitaal gestaan. Voor haar zijn kapitaal en bankkapitaal identiek.
Voor de chemische industrie wordt ons een schat van gegevens aan de hand gedaan in het pas verschenen werkje: Rolf Grabower, „Die finanzielle Entwikkelung der Aktiengesellschaften der Deutschen Chemischen Industrie und ihre Beziehungen zur Bankwelt" (Leipzig 1910).
Hij onderscheidt de chemische industrie in de volgende 8 groepen :
Industrie van mineraalzuren en alkaliën;
Industrie der kunststoffen;
Industrie van chemische en pharmaceutische preparaten; Industrie van kleurstoffen uit steenkolenteer;
Industrie van benzol, phenol, naphaline, pek, enz. (destillatie-industrie). Gummi-industrie; Springstoffen-industrie, en Industrie van minerale verven.
Hij combineerde verder deze 8 groepen tot 2 hoofdgroepen, van welke onderzoekingen hier de hoofdzaken zullen worden medegedeeld:
Voor de eerste hoofdgroep vond hij dat er waren opgericht sedert 1854 in de
A industrie van minerale zuren en alkaliën 50 naamlooze vennootschappen.
B „ ,, kunstmeststoffen .... 34 ,,
C „ „ kleurstoff. uit steenkoolteer 13 „ ■
D distillatie-industrie 12 ,, ,
Het doorsnee-kapitaal bedroeg voor eene onderneming in de bedrijven van
Groep A . . . 2,354,000 mark „ B . . . 2,042,000 „ „ C . . . 12,796,000 „ n D . . . 6,787,000 „
In deze doorsnee-kapitaalbedragen die voor ieder gemiddeld bedrijf bestaan uit stichtings- en uitbreidingskapitaal zijn tevens de leeningen begrepen, benoodigd geweest ter uitbreiding der bedrijven. En dan zien wij ook hier het feit bevestigd dat wij reeds vroeger konden vaststellen : Het credietkapitaal is relatief het grootst, dus de afhankelijkheid van de banken tevens het sterkst, bij die bedrijven waar de kapitaalgrootte ook het hoogst is.
Rekenen wij de absolute bedragen, die Grabower op bl. 29 van zijn
3i8
naturen, maar in een geheel anderen zin als de eerst-genoemden. Zij haten, niet omdat de haat hun zoo dierbaar is, doch omdat zij de menschheid zoo lief hebben, en in deze gevoelens door sommigen zoo wreed getroffen worden. Wie zich deze figuren in hun typische kracht voor oogen stelt, voelt dat dit niet degenen zijn, die in een geschil met hun strijdmakkers fel persoonlijk worden; wel trachten zij nog steeds, ook zelfs in hun strijd met onverzoenlijke vijanden, het zakelijke op den voorgrond te brengen.
Rekening houdende met het feit, dat de geschilderde typen uitersten zijn, en dat in de werkelijkheid tusschen deze extremen tallooze overgangen, nuanceeringen zich voordoen, is men m. i. gerechtigd tot deze uitspraak: het is de kracht der sociale gevoelens, die in de laatste instantie beslist over iemand's strijdwijze in het algemeen, en in het bijzonder bij een geschil jegens medestrijders. Hoe krachtiger deze gevoelens zijn, des te geringer kans op een felle, het karakter van den tegenstander aantastende strijdwijze, en omgekeerd.
Is deze zienswijze juist, dan komt het vraagstuk van den invloed van het determinisme geheel anders te staan. In theorie, d. w. z. afgezien van andere factoren, is ieder determinist uit den aard der zaak een ..onpersoonlijk" strijder. In werkelijkheid is dit niet het geval. Dit komt doordat het verstand in dienst staat van het gevoel. Zijn er krachtige sociale gevoelens aanwezig, dan wil het verstand deterministisch wezen, ontbreken zij, dan hebben de andere gevoelens vrij spel. Het verstand speelt dus slechts een ondergeschikten rol i). Wanneer het een zeer groote functie vervult, dan is dit slechts schijnbaar en vindt zijn oorzaak in bepaalde gevoelens, die het verstand deze functie opleggen.
Na deze psychologische opmerkingen nu ten slotte de complementaire sociologische. Strijd behoeft niet per se, zelfs niet al wordt hij met reëele wapens uitgevochten, tot een geestestoestand bij zijn deelnemers te voeren, die bij een geringe uiterlijke aanleiding een strijd tusschen bondgenooten onderling veroorzaakt. Integendeel een collectief-strijd, mits door een gemeenschappelijk ideaal gedragen 2), versterkt de band tusschen de deelnemers. Een der redenen, waarom hij primitieve volken de solidariteit vaak zoo groot is, ligt in de vele gevoerde oorlogen.
Voor het terrein van den onbloedigen strijd der sociaal-demokraten geldt dit evenzeer. Wanneer daar de voorgangers bij zakelijke ver-
1) Men is niet gerechtigd te zeggen: géén rol. Van twee personen met gelijke intensiteit van sociale gevoelens, zal degeen met het scherpste verstand den ander in, laten wij het noemen, „deterministisch inzicht" overtreffen.
2) Dit ontbreken van ieder ideaal, waartoe een gansch volk zich voelt aangetrokken, is de reden waarom de moderne, zeer in het bijzonder de koloniale oorlogen, slechts demoraliseerende gevolgen hebben.
3iy
Schillen over theorie of taktiek tot felle persoonlijkheden zich laten brengen, dan is dit geen onvermijdelijk gevolg van den strijd, die zij gezamelijk voeren. Integendeel, men kan zelfs volhouden, dat deze onaangename vormen van onderlingen strijd nog veel meer zouden voorkomen, wanneer de strijd naar buiten niet zoo fel was — zij komen in de praktijk dan ook het meeste voor in „slappe" tijden. Sociaaldemokraten leven echter niet alleen in de wereld van hun gedachten en hun strijd, maar ook in de zeer reëele wereld van het kapitalisme. Hier behoeft niet uiteengezet op welke wijze het kapitalisme de individualistische tendenzen in den menschelijken aanleg tot volle ontwikkelingheeft gebracht. Niemand van hen die er in leven kan voelen in hoe ■sterke'mate dit het geval is, alleen dc studie der ethnologie (d.w.z. van volken, die onder geheel andere omstandigheden leven) kan er iets van doen begrijpen. Het is de strijd van man tegen man, het is de volkomen isoleering van het individu in de tegenwoordige maatschappij, die gemaakt hebben, dat de menschelijke geest — in zeer verschillende mate bij den ook in dit opzicht zoo zeer verschillenden individueelen aanleg — dezen plooi gekregen heeft. Wanneer dus onder sociaaldemokraten zich gevallen voordoen, waarin op ernstige wijze tegen „den goeden toon" gezondigd wordt, dan bewijst dit, dat hun geest in dit opzicht nog al te zeer onder den invloed staat van het oeconomisch systeem, waaronder zij leven. In dit verband mag er op gewezen worden, dat „de zondaars" in dezen vooral onder de theoretici, door den aard van hun werkzaamheid en vaak ook leefwijze in de richting van het individualisme gedreven, gevonden worden. De leiders van de massa, de vertegenwoordigers in het parlement, gaan ten deze veel vrijer uit.
Aan dit alles is ook een praktische zijde te bespeuren. Mevrouw R. H. praat, zoo als van zelf spreekt, overtredingen van „den goeden toon" niet goed, doch verklaart ze. Haar wijze van verklaring brengt echter mede dat een der overtreders tot de volgende alleenspraak gerechtigd zou zijn: „ik was wel veel te fel en te persoonlijk, maar (en dit met grooten nadruk) dat komt omdat ik een zoo'n kolossale strijdnatuur ben: culpa levissimal" Daar echter m. i. deze verklaring niet juist is, moet deze monoloog luiden (hij zal wel niet dikwijls gehouden worden): .,ik was veel te fel en te persoonlijk, dat komt omdat mijn geest, ondanks al mijn socialistische kennis, nog maar al te zeer vatbaar is voor indrukken van deze individualistische maatschappij: „mea culpa, fflea maxima culpa!"
20*
Overzicht der Tijdschriften.
UIT DE ORGANEN DER VAKBEWEGING.
In het Februarinummer van dit maandschrift gaf partijgenoot Albarda een samenvatting van een artikel van von Elm over de verhouding van „massa's en leiders" uit de Neue Zeit; in het CORRESPONDENZBLATT van 25 Februari en 4 Maart j.1. ontwikkelt deze schrijver nader zijn denkbeeld om door de instelling van een ,,permanente commissie van vertegenwoordigers" de gerezen moeilijkheden uit de wereld te helpen. Hoe weinig reden er is, „den tijd der tyrannen voorbij en die der massa's gekomen" te achten wordt, volgens hem, het duidelijkst aangetoond door het geringe aantal georganiseerden in verhouding tot de niet-vereenigden. Dit geldt voor de politieke zoowel als voor de economische organisatie. Van het totaal aantal uitgebrachte stemmen kregen de sociaaldemocraten in 1907 25 pCt. en van het getal sociaaldemocratische kiezers was ook slechts % politiek georganiseerd. Voor 5 jaren was maar '/» deel van de sociaaldemocratische kiezers bij de partij aangesloten. Met het abonnentental op haar organen is het niet beter gesteld. Wat de vakorganisaties aangaat, waren in 1910 totaal 2 millioen arbeiders vereenigd, maar ook als men dit hooge cijfer wat nauwkeuriger beschouwt, dan begrijpt men, dat men moeilijk van een overtuigde massa kan spreken, tot daden bereid en in staat. Rekent men dat in 1908 in totaal 8 millioen personen werkzaam zijn in handel en nijverheid, dan was 22% pCt. bij de vakorganisaties aangesloten. En in het jaar 1900 was het percentage niet hooger dan 8%. in 1904 ging het de 12V2 pCt. niet te boven. Een zeer belangrijk deel der leden is dus nog slechts kort georganiseerd en voornamelijk door de uitsluitingstaktiek der werkgevers in de organisaties gedreven. De groote afwisseling onder de leden, de sterke uittocht, die vooral in crisissen den aanwas van nieuwe leden vergezelt bewijst, dat van een vaste overtuiging geen sprake is. Is een loonactie in aantocht, dan komen de nieuwe leden opdagen, die op stakingsondersteuning rekenen. Slechts syndicalistische elementen kunnen aan een dusdanige massa het volle beslissingsrecht toekennen, haar in staat tot oordeelen achten. De vakvereenigingsleiders zouden werkelijk de „ellendige kerels" zijn, waarvan Bebel in een groote vergadering van vertrouwensmannen van de metselaarsorganisatie van 20 April 1907 sprak, wanneer zij niet over den moed beschikten, om zich tegenover leden te stellen, die tientallen van jaren zich de zweepslagen der ondernemers lieten welgevallen om dan plotseling te verlangen, dat de vakbond voor hen in alle omstandigheden zijn gansche vermogen op het spel zou moeten zetten ten einde nu in te halen, wat door hun eigen onverschillige laksheid zoolang verzuimd was. Het is niet anders dan reactionair, om te bevorderen, dat een zoodanige massa, welker j.e'cht revolutionair sentiment" zoo ten onrechte wordt geprezen, de vrije
321
beschikking zou krijgen over het door de getrouwe leden der organisatie bijeengegaard vermogen.
Immers revolutionair is hij, die den opbouw der arbeidersorganisatie bevordert, zonder haar is de revolutioneering der massa niet mogelijk. Als de Russische revolutie iets geleerd heeft, dan zeker dat de maatschappelijke verheffing van het proletariaat niet plotseling door een politieke revolutie bewerkt kan worden. Na de zegepraal der contra-revolutie gaan de verkregen voordeelen te niet en de vakvereenigingen zijn verloren. De organen der patroons buiten in Duitschland de Moabiter gebeurtenissen uit met de bedoeling om de Duitsche arbeidersbeweging in bloed te verstikken en door uitzonderingswetten haar ontwikkeling voor "lo^allen van jaren te belemmeren. Gelukt het niet politiek, door den Rijksdag, dan zal men op groote schaal tot de uitsluitingstaktiek zijn toevlucht nemen. Wij moeten ons toerusten tot de geweldige massa-uitsluitingen, die dreigen. Geen enkele vakbond zal zelfstandig een massa-uitsluiting kunnen doorstaan. De eene organisatie moet door de andere krachtig geholpen wordenMet vrijwillige bijdragen zal het niet gaan. Op het oogenblik ontbreekt nog de stemming voor een algemeen afweerfonds. Hoe er in zulke omstandigheden de noodige financieele hulp komt, moet in een conferentie van vakvereenigingsleiders worden vastgesteld. Wanneer een vakbond een beroep doet op de andere organisaties tot het brengen van geldelijke offers, dan moet aan dezen ook het recht van medezeggingschap worden toegekend over de maatregelen, die tijdens den strijd getroffen worden. Van bovenaf is met decreten voor dit doel niets te bereiken. De massa der strijders moet er van overtuigd zijn, dat de stappen, die worden gedaan in het belang van hun vakbond en van de geheele vakbeweging moeten worden geacht. Door een doelmatigen uitbouw van het vertegenwoordigerssysteem zal het mogelijk zijn, de strijdtaktiek bij groote conflicten in overleg met de vertegenwoordigers der geheele vakbeweging te bepalen. De vertegenwoordigers moeten al aangewezen zijn, vóór dat een zoodanige bijeenkomst wordt uitgeschreven. Verklaarbaar is het, dat ook groote vakbonden voor de hooge kosten terugdeinzen van een vast college van vertrouwensmannen, jaarlijks te kiezen en dat jaarlijks voor afdoening van bestuurszaken samenkomt. Maar toch geeft von Elm ernstig den raad aan alle vakbonden in de eerstvolgende algemeene vergaderingen het besluit te nemen, de algemeene vergadering tot het bijeenkomen der volgende permanent te verklaren, zoodat de afgevaardigden direct weer kunnen worden bijeengeroepen, zoodra het bondsbestuur dit gewenscht acht. Als dan aan de verschillende districten de plicht wordt opgelegd voor uitvallende vertrouwensmannen direct een vervanger te doen kiezen, dan kunnen desnoods binnen enkele dagen de vertrouwensmannen der leden bijeen geroepen worden. Ook voor de vakbonden, die zelf niet direct voor een zwaren strijd staan is het gewenscht een dergelijke maatregel te nemen, daar zij makkelijk in den strijd der zusterorganisaties betrokken kunnen worden.
Voor de groote vakbonden heeft die instelling nog het voordeel, dat bij alle inwendige twistvragen van beteekenis, makkelijk de uitspraak van de vertrouwensmannen der geheele organisatie kan worden verkregen, waarmee „het demagogisch drijven van enkele anarcho-syndicalistische elementen" onvruchtbaar wordt. Aan menschen, die altijd maar van de ware democratie praten, maar daarbij toch bewust daartegen handelen, kan het succes slechts ontnomen worden, als de vakvereenigingen steeds verder in democratischen zin worden uitgebouwd.
Bij loonstrijden zullen de onderhandelingen met de tegenpartij steeds door een klein aantal personen moeten worden gevoerd. Doch het materiaal, waarover zij beschikken, moet in de vergadering van vertrouwensmannen worden
322
verzameld en besproken. Er is daartegen aangevoerd, dat het geven van zoodanigen invloed aan het college van vertegenwoordigers het afsluiten van overeenkomsten zou bemoeilijken. Dat is ongetwijfeld het geval, nadat de onderhandelingen tusschen de beide partijen hebben plaats gehad, geldt voor de vertrouwensmannen uit de arbeiders, zoowel als uit die der patroonsorganisaties slechts: het geheele tarief aannemen of verwerpen. Slechts bij uitzondering zal er eenstemmigheid zijn. Maar van arbeiders met verantwoordelijkheidsgevoel kan worden verwacht, dat zij zich aan de meerderheidsbesluiten houden en zelfs het meerderheidsbesluit tegenover de leden verdedigen, al behooren zij tot de minderheid. De doorvoering van een besluit zal veel makkelijker zijn, als een ioo-tal vertrouwensmannen daarvoor onder de leden pleiten, dan wanneer alleen een Hoofdbestuur het verdedigen moet, ook, omdat bedoelde personen de overwegingen zullen kennen, die geheim moesten blijven voor de massa der leden.
De geregelde medewerking van een vast korps betrouwensmannen, ook aan de bestuurszaken, zou niet alleen voor deze, maar door het verslag, dat zij van hun werk aan de leden uitbrengen, ook voor die leden een groote opvoedende waarde hebben. Er is geen reden te vreezen, dat een zoodanig „zaken-parlement" de bureaucratie versterkt. De jaarlijksche verkiezingen zijn er om dat tegen te gaan. In de groote organisaties moet het getal worden uitgebreid van hen die een goed begrip hebben van de aangelegenheden van den vakbond en van de juiste strijdwijze. Uitbreiding van het referendum is niet gewenscht. Wanneer over een te voeren strijd moet worden beslist, kunnen niet openlijk de verhoudingen besproken worden.
Ia hetzelfde nummer van het CORRESPONDENZBLATT worden een paar bladzijden afgedrukt van de voorrede van Kautsky's ,.Parlementarisme en Sociaaldemocratie", die de in de vakbeweging aanhangig zijnde vraagstukken raken.
Voor de groote vakbonden is de „directe wetgeving" door de leden steeds moeilijker geworden. Ook daar zijn vertegenwoordigende lichamen, parlementen, gewenscht. Niet door de belangentegenstelling der klassen, maar door de psychische verschillen tusschen leiders en massa. In de proletarische organisatie dringen de massa's onstuimig voorwaarts, de leiders remmen. Juist andersom als bij de burgerlijke democratie der latere jaren. De verschillen tusschen beide spruiten voort uit het verschil van de klasse-positie der betrokken groepen. Is het proletariaat al sedert het midden der 17e eeuw de revolutionaire klasse bij uitnemendheid, de boer en de kleinburger, die staan in de rijen van de burgerlijke democraten, hebben wel iets te verliezen, en dit maakt ze beangst; zij gevoelen geen wereld meer te kunnen winnen, zonder dat de grondslag, waarop de bezittende klasse staat, het privaat-bezit van grond en productiemiddelen, wordt opgeheven. Hun leiders komen uit de rijen der intellecteelen en leven voornamelijk uit de opbrengst van geestelijken arbeid, niet van hun bezit. Zij hebben dus minder te verliezen dan hun volgelingen en zien verder dan den burgerlijkdemocratischen burgerman, die de ontwikkelingder maatschappij nietbegrijpen kan.
Geheel anders is het verschil tusschen leiders en massa in de proletarische strijdorganisaties. Heeft de enkele arbeider niets dan zijn ketenen te verliezen, voor de vakvereeniging, voor zijn organisatie geldt die waarheid niet. In tegenstelling tot de geringe persoonlijke stijging van welvaart van den arbeider, staat de vooruitgang zijner politieke partij, vakvereeniging en coöperatie. Door de organisatie is de proletariër een factor geworden, waarvoor ook de machtigste kapitalisten respect hebben. Door haar hoopt de arbeider de beheerscher der
323
wereld te worden. Zij maakt hem tot den vrijen man, die zich van gelijke waarde weet als ieder machthebber. Zijn weg tot de macht is de weg tot de organisatie. De organisatie is het onder het kapitalisme verkregene, wat de arbeider te verliezen heeft. De georganiseerde kan zich niet wagen aan den strijd, even onbekommerd als de niet-vereenigde. Het s.treven naar groote behoedzaamheid openbaart zich in de organisatie natuurlijk het sterkst bij de leiders, die de verantwoordelijkheid dragen voor het vermogen en de weerstandskracht van den bond, wier gansche persoon aan de organisatie behoort. De leden toch dragen slechts voor zich zelf verantwoordelijkheid en in de organisatie ligt slechts een stukje van hun arbeid.
Hoe grooter de organisatie des te moeilijker het terrein te overzien, des te talrijker en sterker aangesloten haar vijanden, des te meer staat bij den strijd op het spel. De verantwoordelijkheid wordt zwaarder. En bovendien wordt al grooter kennis van de leiders geëischt. Zij moeten zich met zaken vertrouwd maken, die de massa dikwijls niet genoeg kent. Zoo groeit het verschil in denken en voelen tusschen leiders en massa in de proletarische organisaties. Met beiden moet rekening worden gehouden Het mag niet tot een onoverbrugbare tegenstelling tusschen leiders en massa's komen. Dat zou de discipline en daarmee alle organisatie in gevaar brengen. Naar instellingen moet worden gezocht, die verhinderen, dat de vervreemding tusschen massa en leiders zich nog verder ontwikkelt. Niet voldoende is het, dat de bezoldigde beambten door de leden worden gekozen, dat er een referendum plaats heeft over belangrijke voorstellen der besturen.
De vraag, die het makkelijkst een geschil doet ontstaan tusschen leiders en massa, is die: of een aktie in een bepaald geval gewenscht is of niet. Hier is directe beantwoording noodig en men kan den tegenstander bovendien niet in de kaart laten zien. Zooals de staten, zoo ontgroeien ook de organisaties van het proletariaat, zoodra ze groote massa's omvatten, steeds meer aan het stadium der directe volkswetgeving. Daarvoor moet wat anders in de plaats komen. Het moet langs den weg van het systeem van vertegenwoordiging worden gezocht door uitbreiding en vervolmaking van de jaarlijksche algemeene vergaderingen. Voorstellen in deze richting worden reeds door practici uit de vakbeweging gedaan. De vergaderingen van vertrouwensmannen moeten in ieder geval niet meer dan 50 tot 100 leden omvatten, die zonder groote kosten dikwijls kunnen samen komen en vertrouwelijk met de leiders beraadslagen en beslissen over strijd en vrede. Anders dan op plaatselijke ledenvergaderingen, zouden deze vertrouwensmannen hun oordeel vellen niet op grond van locale verhoudingen, maar met inachtneming van den algemeenen toestand. In die vergaderingen van vertrouwensmannen konden de leiders de gegevens verstrekken, welke naar buiten niet bekend mogen wordeu. Bovendien zouden de beslissingen spoedig kunnen worden genomen.
„Uit de Fransche Vakvereeniging" is de titel van een artikel van J. Steiner te Parijs in het correspondenzblatt van j8 Maart, waarin eenige be'angrijke mededeelingen voorkomen over de toenemende centraliseering en den uitbouw der organisatorische instellingen ook bij de Fransche vakbonden. De contributies worden algemeen verhoogd. Bestonden er voor 5 jaar nog weinig vakvereenigingen, wier contributie aan het bondsbestuur meer dan 10 centimes Per maand beliep, thans zijn deze in de meerderheid. Ook nu nog zijn in den regel de plaatselijke contributies belangrijk hooger dan de afdrachten aan de
324
bondskas. Maar verbetering is te bespeuren. Zoo hebben in het vorige jaar de bonden van lithographen en machinebouwers hun contributies op 1.60 francs per maand verhoogd en de bond van hoefsmeden, die een centrale organisatie geworden is, heeft zijn maandelijksche contributie op 1 franc bepaald, waarvan 60 centimes in de bondskas gestort worden. De bouwvakarbeidersbond heeft sedert 1 Januari zijn afdracht aan de centrale kas op 25 centimes en de prijs van de jaarlijksche lidmaatschapskaart op 20 centimes bepaald.
Ingaande 1 Januari wordt in de metaalbewerkers-organisatie facultatieve werkeloozen-ondersteuning ingevoerd. Er komt samensmelting van organisaties in verwante bedrijven. Een kenschetsende uiting van de veranderende opvatting vond Steiner in een artikel in het orgaan van den metaalbewerkersbond van Raoul Lenoir, des bondssecretaris, luidende: „Steeds geringer is de uitwerking van woorden. Het van ieder middel tot het voeren van actie geïsoleerde woord wordt steeds meer belachelijk. Wij hebben al onze middelen noodig. Energie en geld zijn de beide niet te scheiden factoren, die met de waarde van ervaring en het juiste inzicht, alleen onze positie kunnen versterken en een krachtige en planmatige actie nogelijk maken." Lenoir wijst dan op de resultaten door de Duitsche kameraden bereikt.
Een vraag, die in de Fransche,vakvereenigingswereld vaak wordt opgeworpen, is, of men een vakvereenigings dagblad zal oprichten. Dat zoo'n plan kan opkomen is slechts te verklaren uit de vijandige gezindheid van de meeste vakvereenigingsleiders ten opzichte der socialistische partij. Een poging is indertijd
door den anarchistischen redacteur van La Voix du 1'euple gewaagd maar
mislukt door gebrek aan lezers. Ook nu is onder de arbeiders zelf daarvoor weinig geestdrift te constateeren. Deze willen de verwijdering van de socialistische partij allerminst. H. Sneevliet.
JNEUE ZEIT, 5, 10 en 17 Febr. 1911.
Kautsky's repliek. (Zie het vorig overzicht), gericht tegen Quessel en Maszlöff 1), strekt zich over drie afleveringen der „Neue Zeit" uit en bestaat uit zeven hoofdstukken. Wij zullen zeer in 't kort uit elk dezer de hoofdzaken meedeelen. Het geheel is getiteld: „Malthusianisme en Socialisme".
i. De abstrakte bevolkingswet.
Marx heeft in het eerste deel van het „Kapitaal" de stelling uitgesproken, dat elke produktiewijze haar eigene bevolkingswet heeft en dat een abstrakte, standvastige bevolkingswet slechts bestaat voor planten en dieren, voorzoover de mensch in dezer leven niet ingrijpt.
„Hoe meer ik", schrijft Kautsky nu, „de geschiedenis der bevolking naging, hoe meer ik overtuigd werd van de juistheid der stelling, dat elke produktiewijze haar bijzondere bevolkingswet heeft. Maar. welke is de „abstrakte" bevolkingswet, die voor planten en dieren geldt? Marx liet onbeslist deze vraag, of zij met de wet van Malthus overeenkomt. Het is mogelijk dat hij dit aannam. Die wet op te sporen, is echter niet alleen voor de natuurwetenschap van belang". Ook voor de maatschappij-wetenschap. Want „wij kunnen de historische bevolkingswetten eerst goed begrijpen, als wij de „abstrakte" bevolkingswet der natuur kennen".
Vroeger nam Kautsky aan dat de wet van Malthus zoo niet in de maatschappij, dan toch in de natuur gold. De inhoud dezer wet is, dat menschen (en dieren) zich aldoor sneller willen vermenigvuldigen, dan de beschikbare levensmiddelen toelaten. Deze opvatting gaf Kautsky prijs, toen hij door het Marxisme geleerd had scherper te onderzoeken.
1) Na Quessel heeft Maszlöff eenige bezwaren tegen Kautsky's boek bijeengebracht in een artikel, Omdat ze boven of beneden loongrenzen vallen? Omdat ze er geen behoefte aan hebben? Neen; omdat ze in dit bedrijf, dat overigens, beter dan menig ander bedrijf de lasten der verzekering dragen kan,
369
uithoofde van het voordeel der ondernemers in „lossen dienst" werken.
Stellig zal de opname van de „losse arbeiders" technische moeilijkheden met zich brengen. Maar waar de grens toch reeds laag gesteld is, en dus toch reeds onder de Ziekte-verzekering een groot aantal arbeiders zullen vallen die tot de „losse werklieden" gerekend mogen worden, daar kan er geen doorslaggevende reden zijn, om, geheel willekeurig, de arbeiders die vier dagen of minder achtereen bij één werkgever werken, of wier dienstbetrekking „in den regel" korter dan 4 dagen duurt, van de Ziekte-verzekering buiten te sluiten. Het eenige argument is: „het is zoo moeilijk". Alsof dat voor den wetgever een argument zou mogen zijn, zulk een belangrijke categorie van arbeiders buiten deze wettelijk verzekering te sluiten. Het is altijd weer de oude Talma, die wij ontmoeten: de opneming van de geneeskundige behandeling is zoo moeilijk, dus neemt hij deze niet op. De verzekering van de losse arbeiders is zoo moeilijk, dus neemt hij hen niet op. Daartegen hebben de S. D. A. P. en de vakvereenigingen zich zoo krachtig mogelijk te verzetten. En wij ontkennen ook, dat het zoo moeilijk zou zijn: wie tot een grens van 4 dagen als minimum gaat, die kan ook verder gaan. De premie-betaling kan, bij goede, uniforme regeling der formulieren en bij goede controle, geen bezwaar zijn. De losse arbeiders-groep zal, ongetwijfeld, bijzondere zorg eischen, maar daarmee wordt dan ook een groep arbeiders bereikt, die de zorg uit sociaal oogpunt verdient, en mét wier betrekking in de Ziekte-verzekering, wanneer er werkelijke decentralisatie en democratie in het beheer komt en de geneeskundige behandeling er aan wordt verbonden, een element tot verheffing van groote beteekenis wordt verkregen.
Het verband met de Ten slotte dient in deze bespreking ook nog ongevallenwet. onder de oogen te worden gezien het verband, gelijk de minister het zich voorstelt, dat gelegd zal worden tusschen ongevallenwet en Ziekte-verzekering.
Vooropgesteld zij, dat, voor zoover ik kan oordeelen, de sociaaldemocratische Kamerfractie verstandig zal doen, het daarheen te leiden, dat dit ontwerp aan den minister wordt geretourneerd, met de opdracht, een ontwerp te maken, waarin ook de geneeskundige behandeling is opgenomen ; dat méér waarborg geeft voor den werkelijken invloed der arbeiders op het beheer, en waarin niet de losse arbeiders zijn buiten gesloten.
Gebeurt dat, dan is de kwestie: verband met, en aansluiting aan, de Ongevallenwet, ook niet van dadelijk belang.
Maar ook dan, — en méér nog, natuurlijk, wanneer, onverhoopt, dit ontwerp bij de Tweede Kamer in difinitieve behandeling komt — is het noodig, niet alleen dat wij ook tegenover dit deel der plannen van Minister Talma ons standpunt vaststellen, maar ook, dat wij voor dat standpunt, in samenwerking met het Ned. Verbond van Vakvereenigingen, een zoo krachtig mogelijke aktie ontvouwen.
En juist aan dit laatste heeft het, dunkt mij, den laatsten tijd wei een weinig ontbroken.
Welke zijn de feiten?
De Ziekte-verzekering zal, volgens het ontwerp, met uitzondering van de losse arbeiders en die in dienst van publiekrechterlijke lichamen,
37°
op dezelfde arbeidersgroepen van toepassing zijn als de Ongevallenwet, en bovendien op de arbeiders in de landbouw-bedrijven. Er moet dus — dat is duidelijk — tusschen beiden aansluiting bestaan. Deze kan meer of minder innig zijn. De wetgever zou kunnen volstaan met, de Ongevallenwet geheel intact latende, voor te schrijven dat „aan hen, die verzekerd zijn krachtens de Ongevallenwet, ziekengeld niet wordt uitgekeerd, wanneer de ziekte het gevolg is van een ongeval". Maar de Minister wil een inniger verband brengen tusschen beide verzekeringen. Sinds jaar en dag nl. wordt de klacht vernomen, dat de Ongevallenwet te bureaucratisch is ingericht, doordien vanuit één centraalpunt, de Rijksverzekeringsbank, niet alleen de rente-uitkeering enz. geschiedt, maar ook, bij alle ongevallen, van uit dit centraalpunt de heelkundige behandeling en de controle geschieden moet.
Daarin wil nu de Minister een zoogenaamde vereenvoudiging brengen. Hij wil een „verbetering" aanbrengen, die vooral hierin zal bestaan,
„dat niet langer ieder klein ongeval recht geeft op een uitkeering krachtens de Ongevallenverzekering, en dat de Rijksverzekeringsbank wordt ontheven van een deel harer te talrijke bemoeiingen."
Om dit te bereiken, heeft de Minister, in eene missive aan de Tweede Kamer dd. 31 Dec. 1910, zijne plannen in hoofdtrekken nader ontvouwd, opdat de Kamer zou weten, dat, wanneer zij dit wetsontwerp aanneemt, zij aan dit plan van „aansluiting aan de Ongevallenwet" ook zal vastzitten. Daarom moet ook dit deel van 's Ministers plannen ernstig in de beschouwino- betrokken worden. Worden zij aangenomen, dan zullen alle arbeiders^ (ook de losse arbeiders) gedurende de eerste 13 weken van arbeidsongeschiktheid na een ongeval geen ongevallen-, maar ziekte-uitkeering ontvangen; en dat wel uit de districts-ziekenkas, aan wier beheer ook de controle op deze patiënten is opgedragen. Ik ga hier op de détails van deze regeling niet in. Het is hier slechts om de hoofdpunten te doen. En dan is het voldoende, den nadruk te leggen op déze fundamenteele veranderingen die zouden zijn aangebracht, wanneer deze plannen mochten worden verwezenlijkt:
i°. Aan alle arbeiders, die thans onder de Ongevallenwet vallen, zal het recht op uitkeering van 70 pCt. van hel loon, of minder naar mate er gedeeltelijke arbeids-ongeschiktheid aanwezig is, van af den dag na het ongeval, tot aan de 14e week eventueel wanneer de gevolgen van het ongeval van dien aard aanwezig blijven, ontnomen worden.
20. Aan alle losse arbeiders, die, krachtens de Ongevallenwet, thans bij een ongeval recht hebben op heelkundige behandeling, geneesmiddelen en eventueel verpleging, wordt ook dit recht gedurende de eerste 13 -weken na een ongeval ontnomen.
30. Aan de arbeiders die thans onder de Ongevallenwet vallen, en straks ook onder de Ziekte-verzekering, wordt, gedurende de eerste 13 weken na een ongeval, toegekend krachtens de Ziekte-verzekering een recht op uitkeering van 50 pCt. van het dagloon, vanaf den vijfden dag na het ongeval, waartoe evenwel de arbeiders zelf de helft hebben bijgedragen.
40. Aan de losse arbeiders wordt het recht gegeven, zich „vrijwillig" bij de districts-ziekenkas te verzekeren; zij zijn in dat geval, krachtens art. 75 van de Ziektewet, gerechtigd, de helft van de door hen behaalde
37i
premie van den werkgever terug te vorderen over den tijd gedurende welken zij bij den werkgever, van wien zij de premie terug vorderen, in dienst zijn geweest. De losse arbeiders behoeven zich niet tegen uitkeering bij ziekte te verzekeren, maar zij kunnen dit doen en om te bevorderen dat ze het doen, zal worden bepaald, dat ze, indien ze zich niet vrijwillig verzekerd hebben, gedurende de eerste drie maanden na een ongeval een tijdelijke uitkeering ontvangen op den voet der ziekteverzekering, dus hoogstens 50 pCt. van het loon voor rekening van den werkgever.. . bij wien ze het laatst gewerkt hebben, terwijl bovendien aan dien werkgever nog 20 pCt. van de tijdelijke uitkeering als administratiekosten in rekening gebracht kunnen worden. Het gevolg hiervan zal dus zijn — althans dat is bedoeld! — dat de werkgever geen andere losse arbeiders in zijn dienst zal nemen dan die verzekerd zijn bij een ziektekas. Voor deze losse arbeiders zal, gedurende de eerste 13 weken, bij een ongeval, wèl voor heel- en geneeskundige hulp gezorgd worden vanwege de Rijksverzekeringsbank. . . .
Ik herhaal: op de détails dezer regeling ga ik niet in, hoewel het aanlokt, eens aan te toonen, tot welke dwaze verhouding deze „aansluiting" moet voeren, speciaal wat de „losse arbeiders" aangaat. De losse arbeiders zijn uit de Ziekte-verzekering weggelaten, omdat hun opname zooveel bezwaren met zich zou brengen. Hier wordt een regelingvoorgesteld, wier grondslag zoo onzuiver mogelijk is, en waarvan de chicanes en de verwarring die er het gevolg van zullen zijn, niet zijn te overzien. Immers, de Rijksverzekeringsbank zal, indien de losse arbeiders zich niet bij een ziektekas hebben aangesloten, de verantwoordelijkheid voor 50 pCt. uitkeering en geneeskundige behandeling, bij een ongeval, toch behouden, en dus de aanleiding, om aan de arbeiders de eenmaal toegekende rechten te ontnemen, is voor de losse arbeiders in dat geval niet meer aanwezig. De losse arbeider zal dan alleen 20 pCt. minder uitkeering genieten gedurende de eerste 13 weken (na dien tijd gaat zijn recht op 70 pCt. weder in!). Ofwel hij is verzekerd bij een ziektekas, met dezelfde rechten als de overige arbeiders, maar . . . dan is de ziektekas toch verantwoordelijk voor de uitkeering en de controle, en dus toch geplaatst voor de moeielijkheid, waarvan de minister ze wilde verschoonen. Alleen: de ziektekas heeft zich in dat geval, voor wat deze losse arbeiders aangaat, niet te bekommeren om de helft der premie die de werkgevers moeten betalen. De losse werklieden betalen zélf aan de ziektekas immers de volle premie, maar moeten dan zelf maar zorgen, de helft daarvan terug te krijgen van den werkgever.
Maar... de losse arbeiders hebben er belang bij, en wel in zeer groote mate, voor wat hun ongevallen aangaat, zich niet te verzekeren bij een districts-ziekenkas, want wanneer zij zich niet verzekeren, hebben ze recht op uitkeering van 50 pCt. en op heelkundige behandeling zonder er voor te betalen. Het is dus niet ondenkbaar, dat de losse arbeiders daar, waar, gelijk te Rotterdam, een aantal bedrijven juist op den arbeid van „losse arbeiders" gebaseerd zijn, zullen complotteeren, om zich niet vrijwillig te verzekeren, trots den aandrang der werkgevers, en liever voor uitkeering bij ziekte een — zij het ook niet erkend — onderling ziekenfonds te stichten. En wie geeft ze ongelijk ?
Hoe meer men nadenkt over deze voorgestelde „aaneensluiting", hoe onmogelijker lijkt de regeling. Het is een kunstmatig, op papier, in
372
elkaar gezet stelsel, bedacht niet omdat dit uitbedenksel beter zou zijn, maar uitsluitend om maar te trachten, tegemoet te komen aan den vurigen wensch der werkgevers, om . . . hen van de financieele lasten ten gevolge der „kleine ongevallen" te verlossen. Een regeling die wordt voorgesteld om „gebleken bezwaren" te doen verdwijnen, maar die op haar beurt veel ergere verwarring creëert
Buiten en behalve het onrecht waarmee zij de arbeiders bedreigt.
Ons eerste, ons principieele, krachtige, zoo noodig agitatorische verzet ga in de eerste plaats tegen het geheel willekeurig ontnemen aan alle arbeiders die thans vallen onder de ongevallenwet, van het recpit op uitkeering bij ongeval gedurende de eerste 13 weken, in de mate en op den voet als hun thans bij de ongevallenwet is toegestaan.
De minister motiveert zijn berooving van de eenmaal wettelijk aan de arbeiders gewaarborgde rechten met eenvoudig toe te geven aan den aandrang der werkgevers, dat de behandeling van, en de uitkeering voor kleine ongevallen, aan de Rijksverzekerzekeringsbank zal worden ontnomen, omdat
„de Raad van Arbeid beter dan de Rijksverzekeringsbank waken kan tegen het erger voorstellen van lichte ongevallen om uitkeering te krijgen.
Tegen de simulatie dus.
Welnu, wij mogen ons, dunkt mij, tegen geen enkelen maatregel verzetten, die de simulatie, de kanker van elke verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ongeval, invaliditeit en ziekte, binnen de engst mogelijke grenzen tracht terug te brengen; op ééne voorwaarde, dat nl., onder het voorgeven: de simulatie te willen bestrijden, niet de erkende en wettelijk omschreven rechten, waarvoor nu eenmaal jaren lang moeilijk is gestreden, en waardoor althans een deel van de arbeidersellende is verzacht geworden, worden beknot of opgeheven! De simulatie is geen verschijnsel dat met de Ongevallenverzekering zich heelt geopenbaard. Dat kwaad is, in onze hedendaagsche maatschappij van individualistische^ strijd om het bestaan, inhaerent aan elke verzekering van dezen aard, óók onder de rijke klasse. Uitgeroeid kan zij, onder deze omstandigheden, niet worden. Zij kan beperkt worden, door zoo weinig mogelijk chicanes; door een rechtspraak, die, voorgelicht door volkomen onafhankelijke deskundigen, met de sociale positie der arbeiders rekening houdt, en door scherpe, maar niet-bevooroordeelde controle.
De Raad van Arbeid, gelijk de minister die zich heeft gedacht, is daartoe absoluut ongeschikt: zulk een Raad bestrijkt zulk een enorm groot terrein, en heeft zulk een onmogelijk zware taak, dat hij, voor de beoordeeling van eventueele simulatie-gevallen, absoluut afhankelijk is van hetgeen daaromtrent door de(n) deskundige(n) wordt gerapporteerd.
Wij zullen ons tegen eene reorganisatie, waarbij de naleving van de Ongevallenwet, en de beoordeeling van de rentetrekkenden, meer direct onder de verantwoordelijkheid der arbeiders wordt gebracht, niet verzetten. Een overbrenging van den eersten tijd der uitkeering na een ongeval naar de ziekte-verzekering, indien deze ziekte-verzekering metterdaad aan de arbeiders ter beheer en toepassing is toegewezen, kan bij ons wel geen bezwaar ontmoeten. Het is absurd, en ik ondervind er, als ambtenaar van het Rotterdamsche Bureau voor
373
Arbeidsrecht, dagelijks de absurditeit van, dat men voor de kleinste ongevallen voortdurend met het Bestuur der Rijksverzekeringstaak in connectie moet staan, en men voor elke weigering, en voor elke beschikking, het consent van drie directeuren der Rijksverzekeringsbank noodig heeft.
Dat kan, ongetwijfeld, veel sneller en meer practisch locaal geschieden, waar immers ook thans genoemd bestuur absoluut van het advies van de ter plaatse of in de buurt gevestigde ambtenaren: controleerend geneeskundige of agent van de bank, afhankelijk is.
En dat de arbeiders, die eene uitkeering genieten, mede onder controle staan van mede-arbeiders, ook dat kan, wanneer tegen kleinzielige en krenterige vervolgingszucht van domme mede-arbeiders waarborgen zijn geschapen, geen kwaad. Misbruik is verderfelijk, voor het doel der wettelijke verzekering zelf.
Maar ik ontken, dat bij de huidige uitkeering voor kleine ongevallen, dat misbruik door den minister aangehaald om zijn plannen inzake de ziekteverzekering, en inzake de reorganisatie der ongevallenwet, te motiveeren, in die mate zou bestaan 1 Rotterdam is wel een plaats, er een oordeel naar te vellen. _
Over 1909 toch werden alleen te Rotterdam toegekend 6906 uitkeeringen voor ongevallen, die niet langer dan 42 dagen duurden. Welnu, voor zoover ik, na een bijna 10-jarige periode van ondervinding op het Bureau voor Arbeidsrecht en de zittingen van den Raad van Beroep meen te kunnen beoordeelen, is juist voor deze tijdelijke uitkeeringen simulatie zoo goed als onmogelijk, of althans mag de daarbij voorkomende simulatie geacht worden, van zeer geringe beteekenis te zijn. Allereerst zij toch opgemerkt, dat bij ongevallen op uitsluitend subjectieve klachten, zelfs waar door het plotseling neerleggen van den arbeid, de aanwezigheid van een ongeval zeer aannemelijk is, („vertillen", „spit in den rug",, lendenschot") geen uitkeering wordt verleend. Het hierdoor geleden verzuim komt dus (hoewel naar mijne meening in vele gevallen ten onrechte) voor des arbeiders eigen rekening. De uitkeering wordt slechts verstrekt door objectief geconstateerde afwijkingen en de daardoor getroffenen, die met hun gekwetsten voet of verwonde hand verbonden zitten, kunnen onmogelijk binnen de eerste weken veel simulceren. De simulatie, of de aggravatie, komt in den regel, waar ze voorkomt, pas in het spel bij meer ernstige ongevallen, wanneer het er om gaat, of de arbeiders, na langdurig lijden, al of niet meer voor arbeid geschikt zijn; of er neurose is, of wel neurose wordt voorgewend, enz. Maar deze gevallen betreffen alle de uitkeeringen van veel langeren duur, waarop deze nieuwe regeling, die immers alléén slaat op "de eerste 13 weken, volstrekt niet van toepassing is. 1)
Daarom is dit plan van den minister als een schandelijke, willekeurige roof op de rechten der arbeiders te veroordeelen en te bekampen.
1) Het is niet overbodig, er in dit verband op te wijzen, dat in het laatste verslag deiRijksverzekeringsbank, over 1909, de volgende zinsnede voorkomt:
Vermeerdering van de gevallen van traumatische neurose is niet waargenomen. Simulatie blijft voorkomen; de algemeene indruk onder de controleerend-geneeskundigen is echter, dat een toeneming van dit verschijnsel onder de door een ongeval getroffen werklieden met is waar te nemen." , , .
Uit den mond van de controleerende geneeskundigen is dit een veelbeteekenende zinsnede!
374
Elke wenschelijke of onvermijdelijke aaneensluiting van ongevallen- en ziekte-verzekering, zal hebben te voldoen aan déze voorwaarde : het intact laten van de rechten der arbeiders inzake de Ongevallenverzekering. Dat dit mogelijk is, is, op dat punt, gebleken uit het ontwerp-Veegens op de ziekte-verzekering. Dat eischen wij ook, als een recht. En het gaat in geen geval aan, de eenmaal toegekende rechten bij de Ongevallenwet, aan de arbeiders te willen ontnemen op grond dat zij óók een ziekte-verzekering krijgen. De sociale wetgeving is geen schacherpartij, waar men aan de arbeiders, zonder ernstige en gegronde reden, het ééne kan ontnemen, omdat ze het andere, wellicht krijgen.
En hier is bovenal verzet geboden omdat deze voorstellen óók inhouden een nieuwe verwaarloozing van de losse arbeiders, een terugstooten dezer groep in rechteloosheid en willekeur.
„ . . De conclusie over het wetsontwerp-Talma kan dan ook, Conclusie. , , , , . . . jr •• j j
na al het voorgaande, wel met anders zijn dan deze:
i°. De arbeiders moeten zich verzetten tegen het ontwerp-Radenwet, omdat dit ontwerp, in plaats en onder den schijn van de Arbeidersverzekering te brengen mede onder het beheer der arbeiders, in de werkelijkheid lichamen zou creëeren, die een werkelijk beheer der ziekteverzekering door de arbeiders onmogelijk zouden maken, en metterdaad tot bureaucratie in de ergste mate aanleiding zouden geven.
2°. De arbeiders moeten zich eveneens verzetten tegen het ontwerpziekteverzekering, omdat, behalve dat een werkelijk beheer mede door de arbeiders zelf bij dit ontwerp onmogelijk is, daarin de regeling der geneeskundige behandeling niet is opgenomen.
3°. De arbeiders moeten zich verzetten tegen het voorloopig ontworpen plan van aansluiting der Ongevallenverzekering aan de Ziekteverzekering, omdat zonder noodzaak en zeer willekeurig door dit ontwerp een deel hunner eenmaal veroverde rechten worden bedreigd; en, behalve dit, dit ontwerp geen waarborg geeft, dat een meer snelle en meer practische behandeling der ongevallen daarvan het gevolg zal zijn.
4°. De arbeiders moeten zich verzetten tegen de uitsluiting van de ziekte-verzekering der losse arbeiders, omdat deze uitsluiting eener wettelijke bescherming niet gemotiveerd is, en het ontnemen van een deel der eenmaal aan hen toegekende rechten krachtens de Ongevallenwet, daarvan onvermijdelijk het gevolg zou zijn.
Ik weet wel, dat deze bespreking in hoofdzaak negatief is geweest, en slechts hoofdpunten betreft. Maar het gaat er dan ook thans om, dit ontwerp voorloopig van de baan te krijgen als een dreigend kwaad, en een beter er voor in de plaats te krijgen.
Wordt het teruggenomen, dan is het oogenblik aangebroken, om ook onzerzijds, méér gepreciseerd, met onze eischen omtrent een goede wettelijke ziekte-verzekering, die ook practisch in de Kamer te verdedigen is, en met onze meening over de wijze waarop aansluiting aan de Ongevallenwet plaats zou kunnen vinden, voor den dag te komen.
Internationale verhoudingen.
DOOR
W. VAN RAVESTEYN JR.
BAGDAD—ARABIË.
De ontwikkeling der dingen in het nabije Oosten schrijdt met reuzenschreden voorwaarts en meer dan ooit is het uit een proletarisch oogpunt noodzakelijk haar nauwlettend te volgen.
Zelfs wanneer men de internationale ontwikkeling slechts van belang acht voor zoover zij ons kleine land betreft, kan men niet nalaten er zijn volle aandacht aan te wijden, wijl de gang der dingen onze beide reuzenburen in voortdurend scherper tegenstelling tot elkaar drijft.
De gevolgen van de Russisch-Duitsche overeenkomst, waarover wij de vorige maal schreven, zijn sinds dien nog weer veel duidelijker geworden. Woorden en daden zijn er de symptonen van. Maar voor de internationale sociaal-democratie is 't in de eerste plaats zaak beide te onderscheiden en wat betreft de woorden den zin ervan te verstaan.
Gaan wij eerst de daden na, dan zien wij, dat de marine-begrooting van het Britsche Rijk dit jaar alle vorige overtreft. Zij is berekend op een uitgave van 888 mill. mark of 76 millioen hooger dan die van het laatste jaar dat ook reeds een record bereikte. Vijf groote slagschepen, 3 gepantserde kruisers, 1 kruiser, 20 vernielers en 6 onderzeebooten zullen in aanbouw gebracht worden en daarnaast verlangt de regeenng een vermeerdering van het vlootpersoneel met 3000 man, zoodat dit in 't geheel 134,800 man sterk wordt. De begrooting van marine is, onder&het liberale bewind, sinds eenige jaren gestegen als volgt: 1907-08 31,25 mill. pond, 1908-09 32,18 mill., 1909-10 35,73, 191°-" 40.60, 1911-12 44,39, een toeneming van 13 mill. pond of 260 mill. mark in 5 jaar.
De imperialistische organen zelfs als de „Times" en de „Morning Post" zijn over de toeneming tevreden. „Zij moeten," zegt de „Vorwarts
376
„toegeven, dat de liberale regeering hun zaken beter bezorgt dan zij het zelf zouden kunnen doen." En, zegt het blad iets verder:
„Tot deze kolossale vermeerdering der toerustingen zullen wel twee omstandigheden in hoofdzaak bijgedragen hebben. Men neemt in Engeland aan, dat de Duitsche regeering zwanger gaat met plannen omtrent een nieuwe vlootwet. De geweldige nieuwe toerustingen van Engeland moeten in ieder geval een aan Duitschland gerichte waarschuwing zijn, dat men zich hier aan geen illusies omtrent een mogelijke verschuiving van de verhouding in kracht der beide vloten overgeve en dat de Engelsche regeering vast besloten is, haar opperheerschappij ter zee onder alle omstandigheden te bewaren. De tweede omstandigheid is de strijd om den Bagdad-spoorweg. Sir Edward Grey liet bij alle rust en beleefdheid in zijn rede hierover geen twijfel bestaan, dat de Engelsche regeering er niet aan denkt, zich wat betreft haar beheerschende stelling aan de Perzische Golf door Duitschland in de wielen te laten rijden. De sterke toeneming der vlootbegrooting is zonder twijfel bedoeld om aan de geheele wereld en voor alles aan Duitschland te toonen, dat het de Engelsche regeering wat betreft deze zaak bloedige ernst is."
Een opvatting van het centraal-orgaan der Duitsche partij, die ons volkomen met de werkelijkheid lijkt te strooken. De kolossale opdrijving der marine-begrooting van de liberale regeering, een opdrijving, die onder de oprechte radicale utopisten en pacifisten — zoo zijn er nog steecis in het groote rijk, waar alle curiositeiten van ouds welig tieren — zelfs een soort van paniek heeft verwekt en in het Lagerhuis een voorstel ter vermindering der begrooting, dat ingediend werd door den radicaal Murray Macdonald i) en eenige stemmen verwierf, die opdrijving is een daad, bewijzende, dat het de Engelsche regeering bloedige ernst is in zake de politieke toekomst in het nabije Oosten en dat zij die toekomst ernstig inziet. Want wij mogen niet vergeten, dat overwegingen ontleend aan de binnenlandsche politiek, die regeering veeleer tot het tegenovergestelde, een vermindering der begrooting na het record van de vorige, zouden hebben moeten nopen. De nieuwe opdrijving toch verhoogt zeker de geestdrift niet bij de elementen uit de arbeiders en den kleineren middenstand, wier politieken steun zij behoeft naast dien van de groot-burgerlijke elementen, waarop zij steunt, het textielkapitaal, een deel van het handelskapitaal en het mijnkapitaal. Immers, die arbeiders welke haar opnieuw bij de laatste verkiezingen mogelijk hebben gemaakt, 't bewind te aanvaarden, verstaan, wat betreft de burgerlijke ideologieën, waarmee demagogische, nonconformistische papen en andere warkoppen hun het hoofd volstoppen, zoo min grappen als de
l) Bij de stemming over liet voorstel van den radicaal Murray Macdonald tot beperking van de marinebegrooting ontbrak de helft der Arbeiderspartij-leden en stemden twee er te^en.
377
Unionistische arbeider, die het heil van het Rijk en van zijn „stand" ziet in voorkeurtarieven en de samensluiting van het „Empire," welke nu door de handelsovereenkomst tusschen Canada en de Vereenigde Staten meer dan ooit een blauw ideaal geworden is. En zonder eenige geestdrift, zonder eenig ideaal kan zelfs de Britsche „practische" werkman niet bruikbaar gemaakt worden om den liberalen gentleman te steunen in plaats van den „conservatieven", wanneer deze bij het canvassen eenige weken de anders onoverbrugbare kloof, die er tusschen den Britschen workingman en den gentleman gaapt, niet schijnt te bespeuren. Mogen al de hulptroepen der liberale regeering, trouw tot in den dood, de „Arbeiderspartijleiders," zoo ver gekomen zijn, dat zij zelfs wat betreft de opdrijving der vlootuitgaven minder lastig zijn dan de uiterste linkervleugel der groote liberale partij, de honderdduizenden kiezers, wien het pacificisme als een soort nieuw onderdeel van het moderne en toch orthodoxe Christendom der non-conformisten is voorgehouden, worden zeker niet geestdriftiger voor een liberale regeering die met zulke daden komt. Doch, voor de eischen van het Foreign Office, dat in het engste verband staat met de departementen van Indië en de Koloniën, moeten overwegingen van binnenlandschen politieken aard wijken. Daar gaat het om het bestaan en de macht van dat Empire zelf, dat niet zoozeer in de Angelsaksische koloniën als wel in het onmetelijke tropische bezit, met Indië als centrum, zijn machtsmiddenpunt heeft. Wat de kiezers betreft, in radicalen en utopischen waan bevangen, woorden zijn zoo al niet geheel voldoende dan toch zeker eenigermate bij machte om hen opnieuw eenigszins te verzoenen. En aan woorden heeft dan ook het liberale kabinet het ter sussing van zijn mopperende kiezers niet laten mankeeren, woorden omtrent de wenschelijkheid, de noodzakelijkheid, de mogelijkheid van een overeenkomst tot beperking der krijgstoerustingen, van internationale bevrediging en wat dies meer zij, woorden, die èn in de burgerlijke pers èn, zoowaar, zelfs in een goed deel der arbeiderspers, ook der socialistische, meer of minder luiden weerklank hebben gevonden. Ja: er is nog meer gebeurd. Zelfs het Parlement, het Lagerhuis heeft plechtige woorden gevonden. Gelijk de Fransche Kamer onlangs, nam het een „liberaal" voorstel aan luidende : „Het Huis betreurt het voortbestaan der noodzakelijkheid tot het in stand houden van groote oorlogstoerustingen en zou de tot standkoming eener internationale overeenkomst tot beperking der krijgstoerustingen welkom heeten." Nu, zooals „de Vorwarts" zegt, i) is het woord aan den Duitschen Rijksdag, die wel is waar geen macht heeft — doch wat beteekent deze kleinigheid? —■ en wanneer ook die het goede woord heeft gesproken, kan de aera der algemeene „overeenkomsten"
t) Bit werd reeds einde Maart geschreven.
24
378
en der stapsgewijze ontwapening ongetwijfeld een aanvang nemen!
Wanneer men tegenover dit politieke goochelspel, goed om kinderen, non-conformisten en leden der Britsche Arbeiderspartij te misleiden, de werkelijkheid stelt, zien wij het volgende beeld.
De onderhandelingen van de Turksche regeering met de directie van den Anatolischen spoorweg — alias de Deutsche Bank — hebben tot een goed resultaat geleid en de bouw van de tweede groote sectie van den Bagdad-spoorweg, van den Taurus tot Bagdad, is daarmee verzekerd. De overeenkomst van de Turksche regeering met den concessionaris houdt het volgende in: aanleg van de lijn El-Helif-Bagdad, de zij-lijn van Osmanieh naar Alexandrette alsmede de concessie voor de haven van deze plaats. De maatschappij doet afstand van haar recht op de concessie voor de lijn Bagdad-Bassora, terwijl zij haar eisch betreffende verhooging van de kilometergarantie laat varen. Na de onderteekening der overeenkomsten heeft de maatschappij den Grootvizier een stuk doen toekomen, waarin zij verklaart den aanleg van de lijn Bagdad naar de Perzische golf over te laten aan een Turksche maatschappij, welke tot dat doel zal worden opgericht.
Wat is de portée van deze overeenkomsten? Ten eerste, dat aan de moeielijkheden, die nog aan de voortzetting van het geweldige werk, dat de ontsluiting van een van de rijkste deelen der aarde en een der oude centra van de beschaving beteekent, voor zoover 't betreft Mesopotamië, een einde is gemaakt en dat de zoo lang vertraagde bouw van de tweede groote sectie van den spoorweg tusschen de Middellandsche Zee en den Indischen Oceaan nu zal beginnen. De aansluiting van den spoorweg aan de gunstig gelegen haven van Alexandrette (Iskanderoen) is daartoe het voornaamste middel. Doch die mogelijkheid is pas geschapen door een concessie —■ voorloopige — van de Turksche regeering en de Duitsche maatschappij, namelijk het afzien van de voltooiing van den spoorweg door het tweede groote gedeelte van het Tweestroomenland, den Irak Arabi tot Bassorah en van Bassorah tot de Perzische golf. Immers, de oorspronkelijke concessie omvatte ook dat gedeelte der lijn en wel tot de, na ampel onderzoek door de Duitsche ingenieurs als het meest gunstige eindpunt gekozen, haven van Koweït in het kleine emiraat van dien naam, aan de Perzische golf — Arabische zijde — gelegen. En de Turksche regeering alsmede de Duitsche maatschappij heeft dat laatste stuk van het reuzenwerk voorloopig in den steek moeten laten, omdat de voltooiing daarvan niet mogelijk zou geweest zijn zonder een finantieele garantie door de Turksche regeering, die deze alleen kon verkenen indien zij de invoerrechten in 't algemeen had kunnen verhoogen. Tegen die verhooging nu heeft voor de zooveelste maal het Britsche Rijk, bij monde van den leider der buitenlandsche politiek zijn
379
veto uitgesproken. Op de vraag van den leider der oppositie, den chef der Unionistische Partij, Lord Balfour, die zijn bezorgdheid uitsprak over den gang der gebeurtenissen, welken weg de regeering dacht in te slaan met betrekking tot de beide voorgenomen voortzettingen (uitbreidingen) van den spoorweg, namelijk die van Bagdad naar Hanikhine en van Bagdad naar het Zuiden, waardoor zoowel Brittannië's handelsbelangen als zijn strategische interessen in gevaar dreigden te komen, antwoordde Grey o. a., nadat hij lang en breed betoogd had, dat aan het bestaan van de concessie zoover die den spoorweg tot Bagdad betreft, nu eenmaal niets meer te veranderen was, maar dat de Britsche regeering steeds een middel om pressie op de Turksche uit te oefenen in de hand hield. Dit gedeelte der rede van den chef der Britsche diplomatie is de moeite waard in zijn geheel meegedeeld te worden, omdat het de houding van het machtigste rijk der wereld ten opzichte van alle Midden-Aziatische kwesties in 't kort weergeeft:
„Deze spoorwegen — de door de Duitschers aan te leggen spoorwegen — bevinden zich op Turksch gebied en zullen veel geld kosten. De Turksche regeering heeft enkele jaren geleden onze toestemming tot een drieprocents verhooging der invoerrechten voor een beperkten tijdsduur verkregen. Sinds dien heeft zij om een vierprocentsverhooging verzocht. Deze verhooging kan zonder onze toestemming niet doorgevoerd worden. Het zou mij zeer veel waard zijn onze toestemming te kunnen geven, want ik wensch het nieuwe regime in Turkije versterkt te zien en in het bezit van zoodanige middelen, dat het in staat is, een sterke en rechtvaardige regeering in alle deelen van het Turksche Rijk in 't leven te roepen. Ik weet dat voor dit doel geldmiddelen noodig zijn. Maar wanneer dat geld gebruikt moet worden voor de ontwikkeling van spoorwegen, die een bron van twijfelachtige voordeden voor den Britschen handel kunnen zijn en nog meer, wanneer het geld tot den bouw van spoorwegen gebruikt moeten worden, die in plaats van verbindingsmiddelen moeten komen, welke zich tot dusverre in handen van Britsche concessiehouders hebben bevonden, dan moet ik zeggen, dat het voor ons onmogelijk zijn zal, in een vierprocentsverhooging der rechten toe te stemmen, zoolang wij niet de overtuiging hebben, dat de Britsche handelsbelangen op voldoende wijze beveiligd zijn. Wij hebben noch recht, noch maken wij er aanspraak op, ons te verzetten tegen de uitvoering van den Bagdad-spoorweg volgens de bepalingen der concessie door de Duitsche concessiehouders en de Turken. Doch, wanneer wij worden verzocht onze toestemming te geven tot het in 't leven roepen van verdere bronnen van inkomsten voor de Turksche regeering, dan hebben wij het recht te verlangen, dat de Turksche regeering, voor wij onze toestemming geven, zich helder voor oogen stelle dat de inkomsten voor het doel moeten worden gebruikt, waarvoor wij ze aangewend zouden willen zien, namelijk voor een goede regeering en de versterking van het Turksche Rijk en niet voor den bouw van spoorwegen, welke de Turksche
38o
regeering om strategische of andere redenen moge wenschen, die echter onder bepaalde omstandigheden de rechten van den Britschen handel zouden schaden. Dat is onze positie ten opzichte van den Bagdad-spoorweg.
Wat Koweit en de Perzische golf betreft, dit is een geheel andere kwestie. Ik heb er zorgvuldig den nadruk op gelegd, dat de Bagdadspoorweg een Duitsche concessie op Turksch gebied is, maar wanneer de spoorweg het Turksche gebied moet overschrijden, dan verandert ook de wijze, waarop wij er op diplomatiek gebied positie tegenover innemen, totaal. Wij zijn niet van zins, den status quo in Perzië te verstoren, die voor 't grootste deel door ons is opgebouwd. Wij hebben het zeerooverswezen onderdrukt en de Perzische golf voor den handel geopend. Wij zijn niet begeerig een expansiepolitiek in de Perzische golf te volgen of eenig gebied daar te veroveren. Doch, wanneer de status quo door anderen dreigt te worden verstoord, dan moeten wij ongetwijfeld onze middelen aanwenden om de stelling te verdedigen die wij in Perzië innemen. Want het is een deel van den status quo, dat wij bij verdrag verplichtingen ten opzichte van den sjeich van Koweit hebben aangegaan. Wij zijn verplicht, bij alle verhandelingen die daar mogen plaats vinden, of bij alle veranderingen die zich daar voor zouden doen, dat onze contractueele verplichtingen met hem, strekkende tot instandhouding van zijn positie, nagekomen worden. . . ."
Een merkwaardig document inderdaad van liberale, d.w.z., perfide en huichelachtige staatsmanskunst, deze verklaring.
Sir Edward Grey onderscheidt, zooals men ziet, ten scherpste twee kwesties, ten eerste die van de voltooiing van den Bagdad-spoorweg tot Bagdad, ten tweede, de kwestie van de lijn, welke Bagdad moet verbinden met eenig punt aan de Perzische golf, welke lijn den Bagdadspoorweg eerst zijn eigenlijke beteekenis geeft. Wat de eerste kwestie betreft, wordt de politiek der Britsche regeering hier door haar liberalen, wat zeg ik, radicalen en ethischen vertegenwoordiger zeer duidelijk omschreven als wat zij is: de politiek van den christen-woekeraar ten opzichte van een schuldenaar van betere afkomst en hoogere beschaving. Christen-woekeraar, omdat de brutale heerschappij, die de geldboeien hem verschaffen, hem tevens een gelegenheid biedt om zijn protestantsche moraal aan den man te brengen. De Bagdad-spoorweg is een eminent beschavingswerk, kan het althans worden, omdat hij het eenige middel is, dat de Turksche regeering in staat kan stellen aan de anarchie, die nu in Mesopotamië en langs de hellingen van de Koerdische gebergten heerscht, een einde te maken en die streken, eenmaal tot de rijkst bevolkte der oude wereld behoorend doch sinds eeuwen verwoest door de Bedouinen, aan den gezeten landbouw en een normaal verkeer terug te geven. Doch, omdat die spoorweg de handelsbelangen van één Engelsche compagnie dreigt te schaden — de Lynchcompagnie, welke concessie heeft voor de vaart van Bassora naar Bagdad,
38i
Bagdad, dat de Engelschen gedurende de ige eeuw evenzeer tot een voorpost van hun Indisch Rijk hebben pogen te maken als Ispahan en Kaboel — daarom weigert de ethische Engelsche minister zijn toestemming tot de voor dat werk noodige verhooging der invoerrechten, daarbij steunend op rechten, dateerend uit den tijd, toen het despotisme nog in zijn hatelijksten vorm in het Turksche Rijk heerschte. „De sterke en rechtvaardige regeering", volgens Grey's eigen woorden noodig in het Turksche Rijk en slechts mogelijk door den spoorweg, wordt zoodoende onmogelijk gemaakt. Dit wat betreft de eerste kwestie, waarbij het er niet toe doet, dat Downing-street zich nu heeft neer moeten leggen bij de eindelijk getroffen regeling, waardoor de bouw van den spoorweg nu toch verzekerd is zonder verhooging der invoerrechten.
Nu wat betreft de tweede vraag, zooals wij reeds zeiden, uit een internationaal oogpunt verreweg de belangrijkste. Verreweg de belangrijkste, niet alleen omdat de ontsluiting van het tropische Tweestroomenland, dat bij Bagdad begint, voor de exploitatie van groote, voor het Europeesche kapitalisme gewichtige kuituren — als die van katoen en van rijst — oneindig gewichtiger is dan die van Mesopotamië, maar vooral omdat de lijn Bagdad—Bassorah den spoorweg eerst behalve een strategische lijn voor de Turksche regeering maakt tot een internationale verbinding van den eersten rang, zoodat de vraag, wie dit laatste groote stuk van den spoorweg zal beheerschen — niet zoozeer financieel als politiek — beslissend is voor de beheersching van den geheelen spoorweg.
Sir Edward Grey nu verklaart, zooals wij zagen, uitdrukkelijk, dat het hier een spoorweg betreft „die het Turksche gebied moet overschrijden" en rekent daartoe het gebied en de haven van Koeweit tot de Perzische invloedssfeer van het Britsche Rijk! Koeweit nu ligt, zooals een blik op de kaart leert aan de Arabische en niet aan de Perzische zijde van de Golf en de pretentie van den Engelschen minister houdt dus niets meer of minder in, dan dat Engeland het geheele mondingsgebied van de Tweestroomen tot zijn invloedssfeer rekent en het Turksche Rijk een uitweg, dien het beheerschen kan, naar den Indischen Oceaan weigert.
Nu is dit niets anders dan een consequentie van de Engelsche geheime politiek sinds tientallen van jaren, welke geheime politiek gericht is op de beheersching — rechtstreeksche zoonoodig, doch liever beheersching in den vorm van politieke contracten — van Zuid-Arabië. Een van de beste kenners van den Islam zegt omtrent die politiek, welker draden in het diepste geheim en zonder eenige controle van Europeesche zijde gespannen worden : i)
l) M. Hartmann. Den Islamische Oriënt, Band II. Die Arabische Frage, p. 89.
382
„Sinds 1839 is de rotsklip Aden tot een respectabel Britsch protectoraat gegroeid. Naar het Noorden en het Oosten strekte men steeds nieuwe voelers uit. Met alle middelen werd gewerkt. Half met geweld, half met vriendelijke woorden werden de groote en kleine heeren der omgeving gelukkig gemaakt met Brittannië's bescherming. Heden ten dage heeft Engeland daar een gebied iets grooter dan het koninkrijk Würtemberg. 1) De meest bekende en belangrijkste beschermeling is de Sultan van Lahidsj naar wiens hoofdstad Al-Hota een rijweg leidt. Voor de Osmaansche regeering was de uitbreiding der Engelsche invloedssfeer, aan welker vergrooting voortdurend, zij 't ook met afwisselend tempo gewerkt wordt, een doorn in 't oog. Voor de Britten waren de periodieke protestverklaringen der Porte tegen hun Jemenpolitiek papier, niets dan papier."
De Engelsche politiek streeft dus sinds jaren naar de politieke beheersching van Arabië, zoowel langs den Indischen Oceaan als langs de Roode Zee, waarbij zooals Hartmann zegt, een openlijke aanval op de Arabische kust niet door de Turken, maar door het inzicht verhinderd werd, dat een bedreiging van de wieg van den Islam de onder Britsche heerschappij staande Islamieten op gevaarlijke wijze zou prikkelen (a. w. p. 581). Tot voor korten tijd scheen het zelfs, dat de Engelsche politiek bij de verovering van het eigenlijke Arabië (het vruchtbare Jemen) de laatste groote moeilijkheden uit den weg had zien geruimd, doordien de eeuwig met elkaar twistende emirs van die streken zich onder leiding van een pretendent tegen de gehate Osmaansche heerschappij hadden verbonden. Maar de Turken zijn ei na de inneming van de hoofdstad Sana van Gelukkig Arabië door den imam, in 't jaar 1905, weer ingeslaagd den opstand zooal niet te breken dan toch te verhinderen, dat het land geheel onafhankelijk werd, d.w.z. zich onder Britsch protectoraat stelde. En, zooals men uit de dagbladpers zal weten, zijn de Jong-Turken sinds eenige maanden, blijkbaar wel met succes, bezig hun gezag in deze streken weer te herstellen. 2)
Uit een en ander zal echter duidelijk zijn, welke geweldige politieke beteekenis het Britsche Rijk aan de politieke heerschappij in al deze streken, van de Perzische Golf tot de Roode Zee hecht en dat het op zijn minst genomen naief is te meenen, dat de toestemming van Engeland tot den verderen bouw van den spoorweg naar Bagdad een oplossing zou beteekenen van de eigenlijke problemen, waarom het hier gaat.
Een oplossing, die beide partijen zou bevredigen en die den inter-
1) D.w.z. een oppervlakte van 19500 K.M?. Volgens de opgaven, zooals die overgenomen zijn in v. Juraschek Geographisch-Statistische Tabellen (1910) bedraagt echter de officieel/ oppervlakte van het protectoraat Aden met Perim slechts 207 K.M2. Daarbij komen nog Arabische protectoraten aan de Perzische golf ter grootte van 233,000 K M2.
2) Een en ander uitvoerig meegedeeld door Hartmann, a. w. p. 582 vlg.
383
uationalen handel en het internationale verkeer zonder onderscheid van nationaliteit en zonder politieke achterstelling van eenige partij ten goede zou komen, is denkbaar en is b.v. door V. Bérard in zijn werk over den Bagdad-spoorweg gegeven, i) Zij komt hierop neer, dat de doortrekking van den spoorweg tot Bassora in de naaste toekomst ruimschoots voldoende is, omdat Bassora de aangewezen haven is van het Tweestroomenland 2) en dat de Engelschen zich zouden vergenoegen met de exploitatie op breedere schaal der reeds bestaande stoombootverbinding langs den Tigris, benevens met de exploitatie van de streken aan den linkeroever van die rivier, terwijl de Duitsche lijn op «en geweldigen afstand den Eufraat volgt in een groote bocht naar het Zuiden. Indien het hier ging om zuiver economische belangen zou een dergelijke oplossing, ja een internationaliseering van den spoorweg Bagdad—Bassora, tot eenig punt aan de Perzische Golf ongetwijfeld niet alleen denkbaar maar mogelijk zijn. Doch — voor het Britsche Rijk zagen wij en blijkt ook duidelijk uit Grey's toch zoo voorzichtige uitlatingen in het Lagerhuis — gaat het hier in de eerste plaats om politieke en strategische belangen. Het Britsche Rijk heeft zich neer moeten leggen bij de doorvoering der Duitsche rails tot Bagdad, dat het reeds als een definitief centrum van Britschen handel en van Britschen politieken invloed beschouwde. Maar zal het ook dulden, dat het den Duitschen politieken invloed ziet voortschrijden tot aan de Perzische golf, die het reeds de facto als een Britsch-Indische binnenzee beschouwt ? De meestal vrij goed ingelichte correspondent der N. R. Ct. te Constantinopel schrijft in dat blad (van 26 Maart): „De Engelschen zijn er in geslaagd te voorkomen, dat de Duitschers den sleutel tot Irak en Mesopotamië alleen in handen zouden krijgen en zich in die voor de toekomst zooveel belovende gewesten als in een economisch wingewest zouden kunnen nestelen. Zeker ook een uitkomst waarmee men te Londen tevreden mag wezen."
Inderdaad: de nu tot stand gekomen overeenkomsten bieden een voordeel, hoe vreemd dit op 't eerste gezicht ook moge schijnen, aan drie partijen, wier belangen ongetwijfeld tegenover elkaar staan, aan de Turken, aan het Duitsche kapitaal en aan de Engesche regeering. Maar dit is slechts mogelijk, door dat eenerzijds de gewichtigste kwestie nog open is gelaten en omdat een der partijen, het Britsche Rijk, eindelijk een onvermijdelijk kwaad heeft moeten aanvaarden. Reden temeer om zich, wat betreft de gewichtigste kwestie, meer dan ooit schrap te zetten.
1) Le Sultan, lTslam et les Puissances.
2) De stad ligt op 60 K.M. van zee, aan de samenvloeiing van Eufraat en Tigris tot èèn rivier, den Sjat-el-Arab en is voor niet te diepgaande zeeschepen bereikbaar, zoodra eenige niet moeilijk uit te voeren werken in die rivier en aan de monding plaats hebben gegrepen.
384
De eigenlijke lijdende partij — hier wijst alles op — is na de Russisch-Duitsche en de nu gevolgde Duitsch-Engelsche overeenkomst Frankrijk. Niet de Fransche groote bank natuurlijk, maar de Fransche industrie, de Fransche handel en Frankrijk's politieke invloed in het Turksche Rijk. Wel heeft ook Frankrijk in het Turksche Rijk concessies gekregen, evenals het Amerikaansche kapitaal, dat zich in KleinAzië belangrijke voordeden heeft weten te verzekeren, doch voor Frankrijk staat daar het verlies van groote politieke en economische kansen tegenover. Het zou te ver voeren, dit op 't oogenblik nader aan te toonen.
Het voorgaande moge, in verband met de daden der Engelsche regeering zooals die zich uiten in de nieuwe kolossale opdrijving der marinebegrooting, voldoende zijn om de overtuiging te wekken, dat de jongste verschuivingen en gebeurtenissen in het nabije Oosten zeker alles beteekenen behalve een vermindering der tegenstellingen tusschen de groote Europeesche kapitaalmachten. Het is voor 't proletariaat van 't hoogste gewicht zich niet door woorden te laten bekoren, doch slechts, naar de daden en de feiten te zien.
Programbeschouwingen
DOOR
J. SAKS.
(!)•
i.
Ach ja, programbeschouwingen... .
Eerst beschouwen wij het oude program en beschouwen elkanders beschouwingen, maken daarna nieuwe ontwerpen en beschouwen die wederkeerig, waarna wij natuurlijk weder elkanders beschouwingen, in verband met elkanders beschouwingen over vroegere beschouwingen gaan beschouwen; en als gewichtigst resultaat van deze vruchtbare beschouwingen mede, kijken wij elkaar niet meer aan.
Maar het is nog geen tijd om bij deze pakken beschouwingen te gaan zitten, wij zijn nog midden in de aanlokkelijke praktijk van dit schouwend leven. Twee nieuwe concepten liggen op stapel, twee kersversche programma's staan in knop, na dorren wintertijd waaien de lentegeuren der theorie weder over het land. Zoover hebben wij het dan toch maar gebracht 1 Er waait tegelijkertijd uit den sceptischen hoek een stevige bries van twijfel of we het wel ooit tot definitieve programma's zullen brengen. Er wordt hartstochtelijk gewed over de vraag of de S D. A. P. nu werkelijk na een zesjarig programloos tijdperk in het volgende jaar weder in het officieele bezit van principes zal komen; en daarnaast worden zware pari's aangegaan over deze andere brandende kwestie, wie de ander vóór zal zijn met de aflevering van een beginselverklaring, de S. D. A. P. of de S. D. P.; want ook de laatste gaat aan 't uitstellen : mal moertje, mal kindje. Vast staat intusschen dat wij twee ontwerpen hebben,elk een; twee feestelijk bekranste mijlpalen op den avontuurlijken weg onzer theoretische ontwikkeling. Welk een gelegenheid voor een gecombineerde feestvergadering der beide commissies; welk een ongezochte aanleiding voor een dank- en bidstond desnoods, onder voorgang van kollega dominee Bruins!
Het heeft niet zoo mogen zijn. Nauwelijks geboren moest de spruit van de S. D. P. het reeds ondervinden het kind eener gevloekte moeder te zijn, bestemd om te worden doodgedrukt. Een hoofdartikelschrijver in „Het Volk" van 19 Januari konstateert dat er „nog een program" op komst is; en neemt deze gelegenheid te baat om de beginselen zijner moraal te demonstreeren aan
386
de moraal onzer beginselen. De „sekte der S. D. P", aldus steekt hij van wal, ,,die van demonstraties tegen de S. D. A. P. haar parasitair bestaan lijdt"..... Ho wat, moreele heer I „Sekte", zooveel als ge wilt en „parasitair bestaan" zooveel als zij kan; maar vergeet onze familierelaties niet: zóó zijt ge óók begonnen na uit den Ouden Bond te zijn geloopen en uw hooge sprongen van nu herinneren nog levendig aan uw vroegere levenswijze 1 Welnu, deze sekte, de dochter der vroegere, heeft bij haar oprichting het oude program der S. D. A. P. overgenomen, „bedoelende daarmede te verstaan te geven, dat zij eigenlijk de werkelijke voortzetting der oude S. D. A. P. was". En wat blijkt nu? Dat „na een beleefdheidsbuiging" voor zijn „opzet en gedachtengang" dit program zijn congé krijgt en tevens dat er van dezelfde „opzet en gedachtengang" in het nieuwe ontwerp „nog minder is terug te vinden dan in dat der S. D. A.P". Inderdaad, dat is al heel weinig. De vermelding der goede eigenschappen van het oude program in het korte naschrift van het ontwerp der S. D. P. is dus volgens onzen moralist niets „dan een zinledige phrase" voor de kommissie „om haar terugtocht te dekken". Het oude program krijgt, nu het als demonstratie tegen de S. D. A. P. zijn plicht heeft gedaan, den bons op overeenkomstige wijze als anderen na te hebben gedemonstreerd voor oude beginselen den bons hebben gekregen: het verschil is dat men in het eene geval wordt uitgesmeten zonder, in het andere met een beleefdheidsbuiging. — Het overnemen van het oude program, besluit de kriticus, is vanwege de volslagen afwezigheid van den ouden „opzet en gedachtengang niets dan „een stukje oogenverblinding" en „een poging tot misleiding der arbeiders" geweest, een „echt tribunistische vertooning", waarbij „alle oprechtheid zoek" was. Aldus gesterkt, gaat hij over tot een reeks beschouwingen omtrent de superioriteit van het ontwerp der S. D. A. P. boven dat der S. D. P. dat „voornamelijk een studeerkamer-program is"; om daarna terug te keeren in zijn element van moreel-getinte overwegingen. Hij doet opmerken, dat het studeerkamer-program groote gelijkenis vertoont met het ontwerp door schrijver dezes, tijdens zijn lidmaatschap daarvan, in de kommissie der S. D. A. P. ingediend. Maar er zijn afwijkingen en deze dragen alle, naar zijne meening, het karakter van verzwakking, aanlenging, afstomping der oorspronkelijke steil- en scherpheden van het oorspronkelijke „zooveel onverzoenlijker" ontwerp. In 't algemeen komen zij hierop neer, dat men allerlei „stukjes" van allerlei „speciaal van de gezamenlijke „verelendungs"-theorieën „heeft laten vallen". — Zoo laat hij de S. D. P. achter in een toestand van moreele en revisionistische aftakeling. „Zou er nu waarlijk niets meer volkomen „zuiver" en „scherp" zijn in ons land? Zelfs de S. D. P. niet?" Welk een vraag! En de moreele schrijver dan van dit zoo buitengemeen scherp stukje? En de intellectueele auteur zelf dan van al deze zuivere moraliteit?
Het kan den lezer — vooral wanneer zijn moreel onderscheidingsvermogen profijt heeft getrokken van de stichtelijke lessen der laatste partijjaren — het kan hem niet zijn ontgaan, dat schrijver dezes in al deze immoreele bedrijven niet het fraaiste figuur maakt, zelfs vergeleken met zijn medetribunisten, gezwegen natuurlijk van den Jozef uit „Het Volk". Als het hem mocht interesseeren — meer vanwege de moraal, die altijd zeer belangrijk, dan om de zaak die het in mindere mate is — wij zouden willen biechten, dat onze houding in deze programkwestie nog tribunistischer is, daar behalve het ontwerp-zelf, het oude program als beginselverklaring der S. D. P. en ten overvloede de wijzigingen
387
in het ontwerp, voorzoover zij berispelijk zijn, op onze rekening moeten worden gesteld; terwijl de werkelijk onwaarschijnlijk-geringe schuld der overige tribunisten zich bepaalt tot het aanbrengen van verbeteringen en tot een overdrijving hunner gewone meegaandheid. Gaarne profiteeren wij van deze gelegenheid tot practische inwijding der na zooveel kerkelijke tucht zoo welgekozen berouwverklaring, door Bonger gerekommandeerd; en ons, niet zonder eenig schuldig welbehagen hullende in dit zoo weinig ontsierende, klassieke boetekleed, zeggen wij hem na: mea culpa, mea maxima culpa 1
Vooreerst zijn wij het geweest, die den uitgedreven Deventer ketters — buiten toedoen of medeweten onzerzijds in 't bezit gekomen van het programontwerp en van plan dit als beginselverklaring der op te richten S. D. P. voor te stellen — dit hebben ontraden en hen erop hebben gewezen hoeveel aanbevelenswaardiger het zou zijn — en hoeveel zinrijker tevens — althans voorloopig hun eigen program, dat der S. D. A- P. te behouden ; om, wilde men het vervangen door een ander, mogelijk door het bedoelde ontwerp, dit althans na behoorlijke voorbereiding te kunnen doen.
Vervolgens zijn wij het geweest, die de zinrijkheid van dezen maatregel bepleitend ook op dezen grond, dat de tribunisten niet werden geroyeerd omdat zij tegen het beginselprogram hadden gezondigd, maar veeleer omdat zij den geest en de strekking ervan wilden handhaven — al deden zij het naar onze meening niet altijd op aanbevelingswaardige wijze, — wij zijn het geweest, die in het nieuwe ontwerp niet alleen dezen geest hebben zoeken te bewaren, maar ,,opzet en gedachtengang" van het oude program tevens; en die op grond voornamelijk van de minder aanvechtbare toelichting der oude grondgedachten in het nieuwe ontwerp, tegen de handhaving van het oude program ons hebben verklaard en dit standpunt in dit tijdschrift hebben uiteengezet. Bovendien is precies dezelfde opvatting door ons voorgestaan en toegelicht in de eerste, in de tweede en in de derde vergadering der programcommissie van de S. D. A. P. En ten overvloede is ons ontwerp ontstaan als toepassing van deze opvatting op voorstel en in opdracht van deze kommissie-zelve.... Nu vindt de geachte interpellant uit „Het Volk" — die nota bene waarschijnlijk zelf lid dezer kommissie was en is — van „opzet en gedachtengang" in ons ontwerp „nog minder terug dan in dat der S. D. A. P." ; dat is, naar zijn deskundige meening, als wij ons niet vergissen, zoo ongeveer niets. Het is mogelijk, dat wij er absoluut niet in zijn geslaagd, na zooveel mondelinge en schriftelijke toelichting, duidelijk te maken welke naar onze meening deze „opzet en gedachtengang" zijn, maar deze ontoereikendheid dateert dan in elk geval reeds van lang vóór onze tribumstische immoraliteit; intusschen is het ook mogelijk, dat de kritikus vooral sterk is in de moraal en dat deze hypertrophie van zijn zedelijkheid soms van nadeeligen invloed blijkt bij de toepassing van lagere faculteiten. In elk geval willen wij zijn kritiek om haar hooge moraliteit blijven waardeeren, al schijnt zij als proeve van intellectualiteit niet die hoogte te hebben bereikt; maar hij zou misschien goed doen deze tegenstelling eenigszins te verzwakken. Maakt hij zich op deze wijze tot dupe van zijn verstandelijk oordeel, hij maakt tevens meer slachtoffers van zijn moreele kritiek door hem-zelven waarschijnlijk wenschelijk voorkomt. Omdat hij wat „opzet en gedachtengang" betreft geen spoor van overeenkomst kan ontdekken tusschen het oude program en het ontwerp der S. D. P. acht hij de overneming van dit oude program bij de oprichting der nieuwe partij „een stukje oogenverblinding", „een poging tot misleiding der arbeiders", en „een echt tribunistische vertooning". Dit is voor één persoon, die zooals schrijver dezes den last van dit driedubbele anathema te dragen heeft, bijna te veel. Gelukkig, dat hij aan den eenen kant iets op zijn
388
tegenwoordige medeschuldigen der S-D-P-konimissie kan afwentelen, aan de andere zijde iets op zijn vroegere kollega's in de kommissie der "5. D. A P.zelve. Het tegenwoordige ontwerp der S. D. P. is namelijk in overleg met dezen, na hunnerzijds beoordeeld en aanvaard te zijn ais proeve om „opzet en gedachtengang" van het oude program op betere wijze te belichamen, als programvoorstel
bij de kommissie der S. D. A. P. ingediend Laten wij den voor hen slapenden
wachthond der moraal niet wakker maken: de verhouding is nu zoo goed.
Ten slotte zijn wij het die de grootste verantwoordelijkheid dragen voor de verschillen tusschen het oorspronkelijke en het nu gepubliceerde ontwerp der S. D. P. Ook in de beoordeeling van deze wijzigingen is, zooals wij nader hopen aan te toonen, de theoreticus van „Het Volk" meer moreel dan juist. Intusschen geven zij ons een geschikte gelegenheid om het een en ander omtrent het ontwerp in 't algemeen en speciaal iets ten opzichte van de beoordeelde punten te berde te brengen. In zijn tegenwoordigen staat is het concept dat der kommissie en het concept van schrijver dezes niet meer dan van een harer meer actieve leden ; maar voor zijn historie hebben wij helaas een verantwoordelijkheid te dragen, die ons nopen dezen gang te gaan — den lichtsten slechts voorzooverre het den laatsten belooft te zijn. — Beschouwen wij dus nogmaals onze beschouwingen. „Erst lege ich meine Eier, dann recenzier ich sie".
II.
Er is door den samensteller getracht in het ontwerp zoo duidelijk en scherp mogelijk de eisch te belichamen, die aan een sociaaldemokratisch ^zVz^/program gesteld moet worden: dat het de wenschelijkheid der socialistische produktiewijze uiteenzette, dat het de mogelijkheid dezer voortbrenging betooge en dat het den weg aanwijze tot bereiking van dit doel. En dat alles in de korte en krachtige trekken die een beginselprogram moeten kenmerken. Er is gepoogd dit te verwerkelijken in drie alinea's, die door hun ongeveer gelijke grootte tevens de volkomen gelijkwaardigheid van deze programfactoren verzinlijken. — De eerste demonstreert de verwerpelijkheid der kapitalistische productie door middel eener korte samenvatting der kalamiteitsfaktoren van dit stelsel voor de grootste maatschappelijke klasse in 't bijzonder, demonstreert dus de wenschelijkheid eener andere voortbrengingswijze aan de veelzijdig toegelichte schadelijkheid van het heerschend stelsel voor het proletariaat. — De tweede alinea wil de voornaamste feiten in de ontwikkeling van dit stelsel samenvatten, in 't bijzonder die van zijn jongste, de algemeene richting zijner economische groei typeerende stadium, waaruit blijkt welke die andere productiewijze zal moeten zijn. Zij toont aldus het socialisme aan als het definitieve doel, waarop de, uit de eerste alinea verklaarbare hervormingsdrang van het proletariaat zich moet richten; zij wijst aan den revolutionairen verzetsgeest zijn door de objectieve ontwikkelingsfeiten zelve aangewezen revolutionaire doelwit. — De derde en laatste alinea, nadat oorzaak en doel van den strijd zijn ontvouwd, schetst in groote lijnen de strijdwijze in haren aard en haren algemeenen vorm. Zij ontwerpt in groote trekken het beeld van den socialistischen klassenstrijd. De eerste alinea luidt:
De ontwikkeling der maatschappij heeft geleid tot de kapitalistische productiewijze, waarin de meerderheid der producenten gedwongen is, voor haar noodzakelijk onderhoud hare arbeidskracht te verkoopen aan de klasse der bezitters van de productiemiddelen. Dit stelsel van winstvoortbrenging beteekent voor
389
de arbeidersklasse een toestand van blijvende afhankelijkheid en onzekerheid van bestaan, van lichamelijke en geestelijke achterlijkheid en ontaarding. Het dwingt door middel van een voortgaande vervanging van handen- door machinalen arbeid de arbeiders tot het verrichten van steeds geesteloozer arbeid en drijft door de snelle toeneming van vrouwen- en kinderarbeid totvernietiging van hel gezinsleven; het leidt tot een verzwaring van den arbeid, die het arbeidsvermogen der producenten vroegtijdig breekt en hun levensduur beneden den gemiddeld-maatschappelijken doet dalen ; het bestendigt pauperisme en prostitutie, alcoholisme en misdadigheid. Het voert in zijn regelloosheid tot werkloosheid naast overarbeid; het jaagt de productiviteit van den arbeid tot tot een ongekende ontwikkelingshoogte op, maar onder den prikkel van het winstbejag, als middel slechts om de uitbuiting der arbeidskracht te doen stijgen. Het blijft aldus de bron van elkaar snel opvolgende crisissen, waarin alle vormen van ellende zich verscherpen naast overvloed van producten om haar te lenigen of te voorkomen. Het brengt op deze wijze de nooddruft der arbeidersklasse in een steeds scherper tegenstelling tot den door haar voortgebrachten rijkdom, waarvan zij een steeds grooter hoeveelheid ziet verspillen in de tergende weelde der bourgeoisie en in de toenemende schatten, die deze, het oorlogsgevaar onderhoudend, door haar militairisme en hare koloniale politiek tot vernieling en verderf misbruikt.
Deze alinea belichaamt de poging om den algemeenen inhoud van het eerste gedeelte van het oude programma in nieuwen en verbeterden vorm weer te geven. Zij geeft antwoord op de vraag: wat is het kapitalisme voor de arbeidersklasse? En zij geeft dit antwoord reeds door in te zetten met de beantwoording der kwestie: wat is het kapitalisme? Zij schetst het als een resultaat der maat. schappelijke ontwikkeling allereerst, als een economisch stelsel vervolgens berustend op den verkoop der arbeidskracht der producenten aan de bezitters der productiemiddelen. Zij geeft daarna in groote trekken de algemeenste euvelen van deze bijzondere voortbrengingswijze: blijvende afhankelijkheid en onzekerheid van bestaan, omstandigheden die zelfs aan de verwerving van het „noodzakelijk onderhoud" enkel der arbeidersklasse, beperkingen en voorwaarden opleggen, welke op hunne beurt de algemeene physiologische en geestelijke gevolgen helpen verklaren van hare „lichamelijke en geestelijke achterlijkheid en ontaarding." Als gevolg van den aard der technische ontwikkeling, gekarakteriseerd door de „voortgaande vervanging van handen- door machinalen arbeid", worden aan dit beeld van het arbeiderslot de trekken toegevoegd, waardoor vergeleken met dat van den vroegeren producent, naar twee verschillende zijden de verarming en verschrompeling ervan worden veroorzaakt: het „geesteloozer worden ' van den arbeid, waardoor deze als natuurlijke uitoefening van algemeenmenschelijke functies leeger, inhoudsloozer, eenzijdiger, eentoniger, troosteloozer wordt; het leeger en inhoudsloozer worden daarnaast van het gezinsleven door de toenemende vervanging, die tegelijkertijd ten deele een konkurreerende verdringing beteekent, van den mannenarbeid in zijn oudere handwerk-vormen door dien van vrouwen en kinderen. De technische ontwikkeling van het arbeidsproces voert dus langs dezen weg tot het geesteloozer, inhoudsloozer, troosteloozer worden van den arbeid in 't algemeen ; afgezien van de geraffineerde exploitatie waartoe zij drijft en die vooral ten opzichte der jeugdige arbeidskrachten van rampzalige gevolgen is, vervangt zij de beide vormen van voor- of vroegkapitalistische bezigheid, den loonarbeid van den echtgenoot, den gezinsarbeid der echtgenoote, door de ledige, gespecialiseerde deelarbeidsvormen der modern-kapitalistische fabrieksprocessen. En terwijl een maatschappelijke regeling van den arbeid afwezig is, die aoor het aanbrengen van afwisseling eenige verzachting en vergoeding schenkt voor het troosteloosmachinale van het economisch karwei, missen mannen zoowel als vrouwen en
39Q
kinderen met het vermolmen en ondermijnen van het gezin de sterkende troost en de opvoedende genoegens van het huiselijk leven in zijn ouden, klein burgerlijken vorm, zonder dat onder het kapitalisme nieuwe vormen van familieverkeer anders dan moeizaam kunnen opkomen. - Deze technische ontwikkeling van den arbeid toont dan ook hierin zijn primaire beteekenis, dat zij in hare kapitalistische strekking en toepassing als direkte oorzaak is aan te merken van het ontstaan of van de versterking der verschillende faktoren, die den arbeid voor de leden der proletarische klasse zwaarder maken; hem „verzwaren" niet enkel door zijn intensiteit of zijn duur of beide te zamen zoodanig te regelen, dat de hoogstmogelijke uitgave van kapitalistisch-doelmatig afgerichte proletarische arbeidskracht wordt bereikt: den zin dien in het ontwerp speciaal in dit woord wordt gelegd; maar „verzwaren" tevens door en in samenhang met de indirekte gevolgen van algemeener aard. Al deze en de overige euvelen van het kapitalisme, maar de specifieke natuur van den kapitalistischen arbeid niet het minst, leidt tot voortijdige verslapping, maakt vroeg oud, maakt van de arbeidersklasse een vóór haar tijd gebroken en versleten geslacht, drukt het gemiddelde van haar levensduur onder dat van de bezittende klasse. Onder het kapitalisme wordt de algemeene en natuurlijke voorwaarde van te leven door den arbeid, voor een overwegend deel van de maatschappij tot de bijzondere en onnatuurlijke van te leven voor den arbeid; te leven voor een arbeid, die, ongerekend de talloozen, vallend door zijn „ongevallen", op de geheele proletariersklasse den vloek doet drukken van in bovenbeschreven zin, te sterven door den arbeid meteen. Te sterven vóór zijn tijd als gevolg bovendien van het pauperisme dat door dit stelsel wordt bestendigd door het havelooze leger der duurzaam overtolligen in deze samenleving, waarin zoowel te moeten arbeiden als niet té kunnen arbeiden, voor het proletariaat in zijn verschillende deelen de twee aspekten voorstellen derzelfde uitbuitings-anarchie; een anarchie, die met en door het pauperisme aan het alkoholisme steeds nieuwe slachtoffers toevoert, de misdadigheid bestendigt en voor de prostitutie haar slavinnenleger blijft recruteeren; die de arbeidersklasse het volledig misère-gamma doet doorloopen van de knagende onbevredigdheid af harer beter gesitueerde lagen) tot de weerzinwekkende vormen toe der vervuiling en verdierlijking van het lompenproletariaat.
Het ontwerp, na aldus de rij der voornaamste kalamiteiten van het kapitalisme tot op haar afzichtelijkste vormen te hebben vervolgd, neemt vervolgens een wending naar nieuwe zijden van het systeem. Het schetst de regelloosheid ervan, die werkloosheid naast en tegenover overarbeid bestendigt. Het wijst op de buitengewone stijging van de productiviteit van den arbeid die onder den prikkel van het winstbejag slechts een middel wordt om den kapitalist een grooter deel van den arbeidstijd van het proletariaat, het „geleerde" zoowel als het gewone, te doen buitmaken; die, zonder aan de arbeidersklasse een grooter deel te waarborgen van den rijkdom, dien zij voortbrengt, aan de kapitalisten de zekerheid garandeert der verhooging hunner winsten; die slechts den meerwaardevoet verhoogt, de verhouding tusschen den voor het levensonderhoud der arbeidersklasse „noodzakelijken" arbeidstijd en dien welke voor de kapitalistenklasse de meerwaarde vertegenwoordigt; die dus tegenover de stelligheid der winstverhooging slechts de kans op een verbetering der stoffelijke positie van het proletariaat opent en onder de gunstigste omstandigheden zelfs, haar levensstandaard niet kan doen stijgen in een mate evenredig aan de verhooging van het arbeidseffekt. Het gewaagt voorts, in verband met de twee genoemde gronden van hun ontstaan en hun voortbestaan — de beperkte mogelijkheid van komsumtie en de regelloosheid der produktie, die de disproportionaliteit
39i
tusschen hare voornaamste takken bestendigt, — van de „elkander snel opvolgende krisissen", die elkanders herhaling zijn ten opzichte van de verscherping van alle ellendevormen naast — en zelfs door — den overvloed van produkten die haar zouden kunnen voorkomen of lenigen" ware het niet, dat zij in dit stelsel meer „kapitaal" dan „produkt" waren, meer winstobjecten dan gebruiksdingen. — Het ontwerp beweegt zich in dit tweede gedeelte der kalamiteitsalinea in een anderen voorstellingsvorm dan in het eerste, waar de afzonderlijke direkt ekonomische of maatschappelijke kwaden en kwalen van het proletariaat in opsommingsvorm worden gegeven; waar de verschillende euvelen naast elkander gesteld in hunne eentonigheid, slechts den indruk van troosteloosheid willen geven. In dit tweede gedeelte wordt een andere, de tegenstellingsvorm toegepast. En deze overgang is niet toevallig, maar is bewust aangebracht en konsekwent volgehouden. Hij heeft de uitgesproken bedoeling de deprimeeringsfakioren van het kapitalisme voor te stellen als elementen van verzet tevens. Hij heeft de strekking de euvelen der winstproduktie te onderstrepen als drukkende noodlottigheden niet enkel, maar als gevolgen der tastbare irrationaliteit van dit systeem. Deze tegenstellingsvorm wil de ellende in haar revolteerend karakter toonen. Hij wil de voorbereiding zijn tot de in de volgende alinea op de centralisatie gegrondveste uiteenzetting der mogelijkheid van socialisme, voor zoover Hij met de ellende hare overbodigheid doe" zien. Maar niet enkel toonen wil hij dit; hij wil het doen gevoelen en door de voorstelling zelve van het revolteerende der tegenstelling tusschen de twee domineerenden klasse in het kapitalisme, de revolutionaire opstandigheid van het proletariaat aanvuren meteen. In onderscheid met de voorafgaande formuleering der bijzondere euvelen wordt hier de nadruk gelegd op de domineerende faktor der zich verscherpende tegenstelling tusschen „de nooddruft der arbeidersklasse" en „den door haar voortgebrachten rijkdom" en wordt het hoogtepunt der alinea bereikt in haar slotzin, die het bittere besef dezer tegenstelling wil toelichten en inspireeren tevens, door den vinger te leggen op de „steeds grooter hoeveelheid" die het proletariaat van dezen rijkdom „ziet verspillen in de tergende weelde der bourgeoisie" en ten overvloede in de, zich in anderen vorm tegen zijn stoffelijke en maatschappelijke verheffing keerende, „toenemende schatten, die deze, het oorlogsgevaar onderhoudend, door haar militairisme en hare koloniale politiek, tot vernieling en verderf misbruikt". Eindigt dus de eerste helft dezer alinea met de opsomming der weerzinwekkendste, deprimeerendste en voor de arbeidersklasse zelve verderfelijkste ellendefaktoren van het tradioneele „lompenproletariaat", de laatste in haar tegenstellingsvorm vindt hare afsluiting en haar klimax tevens in de schets van de, haar eigen weerzin het sterkst prikkelende, haar verzet het brutaalst uitdagende misbruiken van den verderfelijken rijkdom in het moderne militarisme en imperialisme. —
III.
De tweede alinea luidt:
Maar in den gang zijner ontwikkeling — die aldus de massa der ellende vergroot en de tegenstelling tusschen arbeiders- en kapitalisten-klasse verscherpt - schept het kapitalisme zelf de factoren van zijn ondergang. De concurrentie — de kleinere ondernemers meer en meer afhankelijk makend ot in directen loondienst brengend van de grootere -ïoerttoteenvoortpaande vergrooting en verbinding der ondernemingen in de be angrijkste bedrijftakken en ondermijnt ook daar, waar de bedrijfssamentrekking — zooals in
392
de agrarische vakken — zich op bizondere wijze voltrekt, de zelfstandigheid der kleinere ondernemers vooral, die hun verandering in loonarbeiders slechts kunnen voorkomen door een meer dan gemiddeld-proletarische ontbering en overarbeid. In verband hiermede leidt zij, door middel van een hoogontwikkeld kredietstelsel — dat voortgaat, in overeenstemming met de grondrenteheffing, de winstheffing onafhankelijk te maken van elke functie in voortbrenging en ruil — tot de vorming van voortdurend reusachtiger centralisaties van kapitaal, terwijl de beschikking over deze enorme machtsmiddelen wordt overgeleverd aan de willekeur van enkele monopolistische kapitaal-magnaten, die door hun heerschappij over de grondvoorwaarden van het ekonomisch leven meer en meer de geheele maatschappij aan zich schatplichtig maken. — In dezelfde mate, waarin de ekonomische ontwikkeling aldus de mogelijkheid schept tot beheersching der voortbrenging, leidt zij door de beperking of opheffing der concurrentie tusschen de kapitalisten en door hun vereeniging in ondernemersbonden, tot versterking hunner heerschappij over de voortbrengers Maar tevens kweekt zij, anderzijds, in de steeds aanzwellende arbeidersklasse met het gevoel van saamhoorigheid en het begrip van discipline, de voorwaarden aan voor hare hechte organiseering en haar vruchtbaar verzet. Met de versterking der wenschelijkheid groeit op deze wijze de mogelijkheid tot opheffing van het privaat bezit der productiemiddelen en met de verscherping der klassetegenstelling die van het opheffen der klassen zelve en der invoering in de daartoe geëigende vormen van de georganiseerde voortbrenging op grondslag van het gemeenschappelijk bezit der voortbrengingsmiddelen: het socialisme.
Deze tweede alinea, in overeenstemming met het vroeger behandelde overeenkomstige gedeelte van het oude programma schetst in 't kort de voornaamste ontwikkelingsfeiten van het kapitalisme in zijn hoogste stadium; in die phase van zijn eigen ontwikkeling dus, waarin het duidelijkst zich openbaart welke de kenmerken zullen zijn van het productiestelsel waartoe het den historischen overgang vormt; in dat tijdperk van zijn groei, waarin het op grondslag van zijn algemeen uitbuitingskarakter eigenschappen gaat vertoonen, die als karaktertrekken van zijn eigen tegenbeeld, het socialisme worden begroet. — Na het algemeene resultaat van de voorafgaande beschouwing: de vergrooting van de „massa der ellende" in herinnering te hebben gebracht en in verband daarmede de verscherping der tegenstelling te hebben geconstateerd tusschen de drager dezer ellende: de arbeidersklasse en de kapitalistenklasse, de buitmaker van den stijgenden rijkdom; na aldus de werking van het door de kapitalisten vertegenwoordigde stelsel in de richting van het proletariaat en als naar buiten te hebben ontleed, worden zijn interne veranderingen en de uitwerking daarvan in de kapitalistenklasse zelve onderzocht. Maar tevens en vooral de uitwerking van dit alles op de arbeidersklasse alweder, in 't bijzonder voor zoover daarbij het ontstaan van nieuwe of de versterking van oude factoren op te merken vallen die met de stijgende ontbeerlijkheid van het kapitalisme zijn verwerpelijkheid voor het proletariaat opnieuw doen stijgen.
Uitgaande van het feit der concurrentie — dezen levensvorm der warenproduktie in 't algemeen — wordt vooropgesteld, dat deze meer en meer de kleinere ondernemers in direkten loondienst brengt van de grootere, hen neerdrukt in 't proletariaat; het belangrijke feit der sterke toeneming van het aantal der „onzelfstandigen" in de verschillende kapitalistische landen is hiervan de welsprekende uitdrukking. Maar bovendien wordt geconstateerd, dat naast dezen vorm van „direkte" onderwerping van de zwakkeren aan de sterkeren, dezen anderen der indirekte, van principieel belang is te achten in de economische ontwikkeling. Met dit feit der afhankelijk-making van kleinere ondernemers aan grootere, waardoor het wezen der zelfstandigheid verloren gaat maar de schijn ervan behouden blijft, is de aandacht voorbereid op de bijzondere vormen
393
der bedrijfsuitbreiding en ondernemings-samentrekking, die onder den ouden naam van „kapitaalconcentratie" plegen aangeduid te worden en die de verschillende in dit tijdschrift besproken wijzen van koncentratie, centralisatie en kombinatie omvatten. De konkurrentie, luidt het in het ontwerp, voert tot een voortgaande vergrooting en verbinding der ondernemingen in de belangrijkste bedrijfstakken: in deze woorden zijn de bedoelde verschijnselen samengevat der zelfstandige bedrijfsvergrooting, kartelleering van gelijke, kombineering van ongelijke bedrijven tot telkens grootere en meeromvattende konkurrentielichamen in de voornaamste takken van industrie en verkeer, van geld- en warenhandel. — Op een enkel meer bijzonder dan uitzonderingsgeval van dezen algemeenen regel wordt vervolgens gewezen: de „koncentratie" in de agrarische bedrijven, een ingewikkeld complex van vele bedrijfssoorten, verbonden door het overeenkomstige produktiemiddel: den bodem; onderling even verscheiden, als wederkeerig elkander ten sterkste beinvloedend. De vraag kan worden gesteld of de afzonderlijke vermelding van dit bijzondere geval, een bedrijfssoort betreffende, functioneel behoorende tot de industrie waarvan verschillende andere ondergeschikte branches evenzeer afwijkingsverschijnselen van de overheerschende wet vertoonen, — de vraag is zelfs gesteld of het wenschelijk mag worden gerekend in een korte samenvatting van de hoofdbeginselen der sociaaldemocratie, gebaseerd op de algemeenste wetten der economische ontwikkeling, een dergelijk bovendien niet alleenstaand speciaal geval afzonderlijk te vermelden en aldus een bijzonder reliëf te geven. Maar anderzijds kan men het te juister achten op deze bedrijven van zoo gtoot, zij het dan dalend maatschappelijk belang te wijzen naarmate men sterker doordrongen is van de wenschelijkheid bij het ontvouwen van zijn algemeene beginselen in een eigen nationaal program, de wijze waarop de internationale ontwikkeling zich in het nationale milieu openbaart niet uit het oog te verliezen; anderzijds mag het te noodzakelijker gerekend worden op deze bedrijven van zoo groot, zij het dan verminderend nationaal gewicht te wijzen, waar de, in internationalen zin zoo sterk overwegende centralisatieverschijnselen der belangrijkste produktie- en circulatietakken, door de achterlijke en zwakke economische ontwikkeling ten onzent zoo weinig scherp en duidelijk, in zoo kleine en secundaire vormen slechts zich vertoonen. Als resultaat van deze verschillende overwegingen bevat het ontwerp de speciale clausule over de ontwikkeling van deze vakken, niet in allerlei bijzonderheden —, in een beginselprogramma, te sterker misplaatst, waar overeenkomstige en voor de algemeene ontwikkeling even belangrijke détails in de ontwikkeling der andere vakken worden verzwegen —, maar in de voor een sociaaldemokratisch programma der arbeidersklasse karakteristieke bijzonderheid: het achterblijven der centralisatie, het veldwinnen der decentralisatie in sommige bedrijfssoorten zelfs, maar op koste van een zoodanige verarming, verminking en verschrompeling van het zelfstandig bestaan als kapitalistisch bedrijf dat de leiders ervan zich als zoodanig slechts kunnen handhaven ten koste van een ontbering en een arbeidskwelling, die hun levensstandaard zelfs onder dien van den gemiddelden proletariër drukken. Aan de bijzondere agrarische ontwikkeling wordt dus deze, voor een socialistisch beginselprogramma, verreweg belangrijkste en sprekendste trek ontleend, die scherp in 't oog doet springen, dat een tekort aan objectieve economische groei tot socialisme in een deel der economie, bij een gelijktijdige snelle ontwikkeling in de overige, meer en meer belooft om te slaan in een surplus aan subjectief verlangen naar socialisme in de slachtoffers van deze economische achterlijkheid. Hoe dus het kapitalisme in een stadium is getreden, waarin de afwijkingen van en de verslappingen in de wet der ontwikkeling naar de georganiseerde, onindividueele produktie, zich op de dragers en vertegenwoordigers
394
dezer achterlijke toestanden wreken als zoovele inbreuken op den natuurlijken regel der voldoening van de menschelijke behoeften door den arbeid en langs dezen weg de wenschelijkheid zullen versterken om de resultaten der onbewustwerkende wet aan te vullen en te verbeteren door het bewust regelende en organiseerende maatschappelijke beheer.
In verband nu met deze vergrooting en samentrekking van bedrijven en ondernemingen, wordt de konkurrentie voorgesteld als te leiden tot voortdurend reusachtiger centralisaties van kapitaal. Terwijl zij het geldkapitaal, dat in een of anderen vorm het recht van beschikking over de meerwaarde vertegenwoordigt, tot groote komplexen doet samentrekken en daardoor de gelegenheid opent om in sommige groote ondernemingen alle eersterangs-faktoren van persoonlijken en zakenlijken aard et vereenigen, drijft zij dit verminderd getal reuzenondernemingen tot nieuwe uitbreiding om zich tegen elkander staande te houden; of wel tot onderlinge verbinding om den nood van den aan gevaren winnenden strijd om te zetten in de deugd van gedeeltelijke of volledige wapenbroederschap ; en maakt aldus langs verschillende wegen, maar in steeds versneld tempo, de groote kapitaal-centralisaties tot oorzaak van grootere. In het midden van dezen strijd komen dus de groote kredietinstellingen te staan die zelve het resultaat eener onder den stijgenden drang der economische behoefte voltrokken ondernemingscentralisatie voorstellen. Aldus voltrekt zich een steeds nauwere verbinding tusschen en samenvloeiing van de belangen van groote bankinstellingen, die het geldkapitaal en ondernemingen voor produktie of circulatie, die hunne branches beheerschen; een vereenigingsproces, dat noodzakelijker en tevens uitvoerbaarder wordt, naarmate als resultaat van den in kracht en massaliteit aanzwellenden strijd een betrekkelijk gering aantal grootkapitalisten dit terrein van den strijd blijft beheerschen. Het einddoel der kapitalistische konkurrentie toont zich hier tastbaar in den vorm der zelfopheffing, het einddoel der kapitalistische ekonomie in dien van het socialisme zelf, voorzoover zij den arbeid steeds meer vermaatschappelijkt en van uit hun individueele verstrooidheid en onsamenhangendheid de organen van produktie en circulatie in geordenden en georganiseerden samenhang en verbinding brengt met elkander.
Wordt het kapitalisme als produktie in dezen zin socialistischer, het kapitalisme als meerwaardeproduktie blijft antisocialistisch. De tegenstelling tusschen voortbrengings- en bezitsvorm handhaaft zich niet enkel, maar wordt verscherpt in een mate evenredig aan de snelheid der geschetste ontwikkeling. Evenals bij de grondrenteheffing wordt de winstheffing meer en meer onafhankelijk gemaakt van elke funktie in de ekonomie, naarmate bedrijfsleiding en bedrijfsbezit, kapitaalfunktie en kapitaaleigendom, in de vroegere en in de lagere kapitalistische organisatievormen vereemgd in den persoon van eèn en denzelfden kapitalist, zich scheiden en verzelfstandigen in den geldschieter en den economischen dirigent; de schadelijkheid van den bezitsvorm wint aan duidelijkheid met de overbodigheid van zijn dragers. Nieuwe klaarheid en scherpte wint deze domineerende kapitalistische tegenstelling, waar voor de overweldigende meerderheid der bezitters, die door den aandeelenvorm van het moderne kapitaal in de gelegenheid zijn gesteld rechtstreeks te deelen in de ondernemingswinst, dezen bezitsvorm in werkelijkheid slechts een kredietvorm is; terwijl het feitelijke bezit, dat het willekeurige beheer veronderstelt, wordt uitgeoefend door de enkele groot-aandeelhouders, de kapitaalmagnaten, die met elkander de heerschappij over een wassend deel der economie deelen. — Wat als verdere oorzaak van toespitsing dezer tegenstelling werkt is het feit, dat de heerschappij dezer magnaten geldt voor die takken van maatschappelijk bedrijf inzonderheid, die de voornaamste voorwaarden voor het
395
tegenwoordig economisch leven omvatten: zij beheerschen meer en meer de verkeersmiddelen, zij leggen meer en meer beslag op de technische oerprodukten en grondkrachten: steenkolen- en metalenproduktie, chemische en elektrische industrie e d. Vandaar dat deze kapitaal-magnaten van blijvend monopolistischen aard - in onderscheid met de tijdelijke monopolisten, de grootspekulanten in allerlei onmisbare gebruikswaarden, granen e. d. - de macht bezitten, binnen zekere door de ekonomische wetten getrokken grenzen, de geheele overige maatschappij der verbruikers, door prijsopdrijvingen aan zich schatplichtig te maken; vandaar dat zij - en dit niet te vermelden schijnt mij een lacune in het ontwerp, die aangevuld dient te worden - hun winsten kunnen handhaven of verhoocen zonder de dwingende noodzakelijkheid van productivite.tverhooging, hoezeer tot dusver althans nog, de onvolledige opheffing der konkurrentie en voor 't overige de gemakkelijker vergrooting hunner extrawinsten mét verhooging der arbeidsproductiviteit, dit bemoeilijken of voorkomen Maar vandaar tevens dat het juist in die fundamenteel-econom.sche bedrijfstakken is waarin de maatschappelijke arbeidswijze naast de individueele beheersmacht het hoogst ontwikkeld zijn, dat de tegenstelling tusschen productievorm en bezitsvorm als op de spits is gedreven, en haar oplossing vergt in het soc.aiisme Haar vergt bij monde der arbeidersklasse: want al voltrekt zich de economische ontwikkeling zoodanig dat ook andere klassen bij afwisseling of bij voortduring, in sterker of zwakker mate den druk van dit steeds verder m de economie zich verspreidend en vertakkend magnaatschap gevoelen, het proletariaat in de eerste plaats en de direkt door deze economische machthebbers gekommandeerde arbeiders in t bijzonder zijn het, aan wie zich de versterking der klassentegenstelling in deze speciale verscherping het pijnlijk st doet gevoelen. De verhoogde mogelijkheid hunner heerschappij over de ach meer en meer vermaatschappelijkende produktie uit zich, door middel van de samentrekking der belangrijkste economische machtscentra m enkele magnaten en de samensluiting der groote ondernemers in direkt tegen het proletariaat ^keerde verbonden, in de feitelijkheid der verhoogde heerschappij over hen ovede, ïiders „iet hand en hoofd, over het ongeleerde proletariaat zoowel als over het geleerde. - Zoo kweekt, na en naast de opstandigheid in de a7beidersklasseggewekt door de wassende tegenstelling tusscheri hunne= nooddruft en den toenemenden rijkdom, een opstandigheid nog versterk door het weer zinwekkend misbruik dat van deze schatten wordt gemaakt - zoo kweekt ae economische ontwikkeling den anderen en hoogeren vorm van verzet, door de wassende duidelijkheid der tegenstelling tusschen hun ekonomische beteekenis en hun ekonomische positie, tusschen hun onderworpenheid en de wassende mogelijkheid hunner heerschappij, een contrast op Sn be„rt verscherpt door het revolteerende misbruik door de kapitalistenkoahtie van hare stijgende macht gemaakt. - Maar tevens kweekt in het door eigen wasdom zoowel als door den toevloed van ontkapitahseerde J ™££ed. aanzwellende arbeidersleger, het productieproces-zelf door de discipline dlhe oplegt door de koncentratie van arbeidskrachten die het ten pvolge heeft door de g óotere gelijkheid of de eenvormigheid van omstandigheden waartoe het ae grootere eujKiic u __-Vptolr5Brs nivelleert de voorwaarden aan voor
l0;:™^ -eedt het findlvi;
du n amen tofeel leger, de massa tot een macht. Met het van den druk, met de stijgende kennis der overbodigheid antóbffite sthst dus tegelijkertijd de macht van het proletariaat om de bezitsvormen m oteen tUming te brengen met de produktievormen, °?> de Id^j^eU»* op te heffen door de klassen-zelve met elkander te doen vervloeien in een
396
maatschappij, waar niet de uitbuiting van mensch door mensch, maar de uitbuiting der aarde voor de menschheid, de voortbrenging voor het verbruik, de arbeid voor het onderhoud en de verrijking van het leven het hoogste doel en het bewuste streven van allen is. Met en door zijn macht versterkt zich zijn wil en verheldert zich zijn inzicht om »in de geëigende vormen", in aansluiting aan wat de kapitalistische ontwikkeling reeds op allerlei terrein van gemeente en staat heeft voorbereid, met bewustheid en kracht dit doel te verwerkelijken : het doel, in de karakteriseering waarvan het ontwerp zijn tweede stijging bereikt: „de georganiseerde voortbrenging op grondslag van het gemeenschappelijk bezit der voortbrengingsmiddelen: het socialisme.
IV.
De derde alinea luidt:
Om de tot standkoming van dit socialisme te bereiken, heeft een deel van het proletariaat zich vereenigd in de internationale sociaal democratie, De Sociaal Democratische Partij in Nederland stelt zich ten doel, ook het Nederlandsche proletariaat te doen deelnemen aan den internationalen klassenstrijd der arbeiders. In dezen strijd staat het tegenover de kapitalisten-klasse, die de staatsmacht bezigt als hoofdmiddel om het bestaande economische stelsel, en al haar voordeden daarin, te handhaven. Zij steunt daarbij op dat gedeelte van het in particulieren of openbaren dienst staande proletariaat, dat evenals sommige maatschappelijke tusschengroepen, wier duurzaam belang evenzeer in de totstandkoming van de socialistische productie-wijze is gelegen, nog niet tot het inzicht van zijn taak als revolutionaire klasse is gekomen, en öf door zijn onzijdigheid, öf door zijn werkdadige hulp, de kapitalistische klasse in het bezit van deze staatsmacht handhaaft. De verovering van de politieke macht, als het onmisbare middel tot een snelle en planmatige omwenteling der eigendomsverhoudingen, is dus het groote doel der sociaal-democratie. Zij wil tot bereiking daarvan elke ekonomische en politieke beweging der arbeiders ter verkrijging van betere levensvoorwaarden leiden of ondersteunen zóódanig dat daardoor hun klassebewustzijn wordt opgewekt en hun macht tegenover de bezittende klasse versterkt. Alles verwerpend, wat dit strijdbare klassebewustzijn verduisteren of verzwakken kan, waardeert zij alles, wat het proletariaat zich in dezen strijd verovert als hulpmiddel allereerst tot het voeren van dezen strijd zeiven; en streeft ernaar, de eenheid van alle bizondere proletarische organisaties te bevorderen op grondslag van dezen socialistischen klassenstrijd.
In dit derde en slotgedeelte van het ontwerp wordt de algemeene taak der sociaaldemocratie gekarakteriseerd. Motiveeren de beide vorige in verband met elkander het ontstaan eener proletarische beweging, gericht op een zeer algemeen, door de economische ontwikkeling-zelve aangewezen doel, deze laatste alinea preciseert de beweging-zelve in hare groote lijnen, brengt het „ideaal" binnen het bereik der direkte praktijk, wijst de richting aan van het oogenblikkelijke handelen; zij is in het algemeene beginselprogram, het bijzondere beginselprogram der taktiek. —- Vormen de beide vorige alinea's, vergeken met het overeenkomstige eerste gedeelte van het oude program, onder behoud van den algemeenen gedachtengang, door de veel verder in bijzonderheden uitgewerkte analyse van het kapitalisme, een geheel vernieuwde programafdeeling, en versterken zij den indruk van oorspronkelijkheid bovendien nog door wat er kenmerkends is in de oude motiveering uiterlijk zoowel als innerlijk, door vorm en inhoud beide tot scherper uitdrukking te brengen, in dit laatste, de politieke beginselen, den inhoud en den geest van de taktiek der sociaaldemokratie schetsende gedeelte heeft dezelfde methode van verrijking en versterking der oorspronkelijke voorstelling geleid tot een resultaat,
397
waarin het correspondeerende oorspronkelijke programslot niet alleen principieel, maar ook substantieel in hoofdzaak gehandhaafd is geworden.
In oorzakelijken samenhang niet de voorafgaande economische ontleding wordt als de groote politieke tegenstander der naar de verwerkelijking van het socialisme strevende beweging van het proletariaat, de kapitalistenklasse aanoewezen Zij bezigt de staatsmacht als hoofdmiddel om het bestaande ekonomische stelsel in stand te houden niet alleen, ten einde de kapitalistische uitbuiting in 't algemeen te handhaven; zij bezigt haar m naderen zin om de resultaten van deze uitbuiting „op peil" te houden en bijv. door protectionistische maatregelen dit peil te herstellen, waar het door andere invloeden, waaronder de strijd van het proletariaat zelf in de eerste plaats moet gerekend worden, mocht zijn gedaald. Zij bezigt de politieke macht waarover zij beschikt, de staatsorganisatie die haar ten dienste staat als ^middel tot de handhaving van haar exploitatiesysteem; zij versmaadt daarbij intusschen met de andere middelen die zich er zich toe leenen hare heerschappij te bevestigen bijv. de godsdiensten, het onderwijs. Dwingt zij door hare politieke macht het materieele leven der natie in de banen die uitloopen op de behartiging van hare belanden, dirigeert zij de daden en keert zij wat als wandaad tegen de eischen van haar systeem geldt, zij kent te wel het verband tusschen gedachte en daad om niet te trachten zich de leiding van het materieele leven te vergemakkelijken door het geestelijk leven zooveel mogelijk te beheerschen. In zooverre zij de verschillende organen van het geestelijk leven niet direkt beheersc.it door ze tot bijzondere instellingen van de algemeene staatsorganisatie te maken ligt het dus op haren weg ze te begunstigen voorzoover zij in de richting van haar belangen werken, ze te verbieden, te bestrijden, tegen te werken voorzoover z,j vijandig zijn aan den geest van haar systeem. - Zij kan het te minder versmaden gebruik te maken van deze hulpmiddelen tot behoud van haar maatschappelijke heerschappij, waar eenerzijds haar stelsel zelf in zijn ontwikkeling steeds duidelijker onderricht geeft in de haar nadeelige en vijandige beginselen, waar anderzijds met de relatieve toeneming van het aantal openlijke of clandestiene onzelfstandigen" haar numerieke minderheid nog wordt verzwakt en sterker 'in 't 00- springt. Ware het dus niet, dat zij staat kon maken op de hulp van krachten" buiten haar eigen zich vernauwenden kring, dat zij kon steunen op den bijstand van maatschappelijke elementen, economisch behoorende het andere klassen en groepen, dan de hare j ware het met, dat aldus breede gedeelten van klassen en groepen, wier oogenblikkehjke of duurzame belangen van de hare afwijken of aan de hare tegengesteld zijn, haar door hunne onzijdigheid of hunne werkdadige hulp in het bezit van de staatsmacht handhaafden en haar in de beïnvloeding der overige, minder sterke en minder direkte hulpmiddelen van haar maatschappelijk overwicht van dienst en behulpzaam waren,haar heerschappij vond een spoedig einde, haar ondermijnd systeem zonk snel ineen Maar behalve bij deze nog min of meer „zelfstandige tusschengroepen, klein-kapitalisten van allerlei gading in produktie en cirkulatie die m de angsten en vreezen van eiken dag het hoofd boven water weten of trachten te houden, behalve bij deze groepen van „middenstand" en „kleine burgerij vindt zij steun bij dat gedeelte van het in particulieren of openbaren dienst staande proletariaat dat nog niet tot het inzicht van zijn taak als revolutionaire klasse is gekomen" Door middel van geestelijke middelen, door het instandhouden en versterken der tradities van gezag en orde, fatsoen en welvoegehjkhe.d bescheidenheid en gelatenheid; door middel van stoffelijke middele en meteen, de oogenblikkelijke belangen der individuen in allerlei medephchtigheidsvormen der algemeene uitbuiting verbindende aan de hare; door het
39»
opwekken van wedijver tusschen arbeidersgroepen onderling, door het aanblazen van standsgevoel inzonderheid tusschen de hoogere en lagere deelen van het proletariaat; door het aanvuren van „vaderlandsliefde" ten slotte — door alle hulpmiddelen van dwang en overreding houdt de kapitalistenklasse breede rijen van arbeiders in onwetendheid, onverschilligheid of misleiding omtrent hun klassenplichten. In 't bijzonder is dit het geval en wordt dit van belang ten opzichte van het „geleerde" proletariaat, een kategorie der arbeidersklasse die met het ingewikkelder en wetenschappelijker worden van het productie- en cirkulatieproces in getal en in beteekenis stijgt; ten opzichte tevens van de evenzeer in belang en aantal toenemende lagen der loonarbeiders, die met de uitbreiding der functies van staat en gemeente den dienst hunner huishouding verrichten en bij wie, evenals bij het huisproletariaat voor individtieel-konsumtieve doeleinden, de verheldering van het klassebewustzijn, de verdieping van het inzicht van hunnen nauwen samenhang met het overige nationale en internationale proletariaat op de grootste moeilijkheden stuit. Al deze deelen van de loonarbeiders te doordringen van hun, alle overige maatschappelijke betrekkingen in den schaduw stellende, saamhoorigheid als proletarische klasse, aan wier revolutionaire roeping zij deel hebben, aan geen van wier strijdmiddelen zij vreemd mogen blijven, — al deze deelen van het proletariaat uit hun -maatschappelijken dommel en slaap op te wekken tot „de verovering der politieke macht als het onmisbare middel tot een snelle en planmatige omwenteling der eigendomsverhoudingen": ziedaar het groote doel der sociaaldemokratie. — In het teeken van dit doel staan al hare bijzondere maatregelen; naar dit doel richt zich de leiding die zij geeft of den steun die zij verleent bij elke politieke of ekonomische beweging van arbeiders gericht op de verbetering hunner levensvoorwaarden binnen het kader van het kapitalismezelf, onder de politieke hegemonie vooralsnog der kapitalistische klasse. Haar revolutionaire taak is het, deze beweging in dienst te stellen van het groote doel waarvan zij de draagster is, ten einde tegen te gaan, dat de kleine, gedeeltelijke en verspreide successen van afzonderlijke frakties van het proletariaat ontaarden in faktoren hunner verslapping en middelen tot hunne vervreemding van hunne minder succesvolle makkers; ten einde te verhoeden, dat deze kleine voordeden door den geduldigen en steeds waakzamen tegenstand der kapitalistenklasse verloren gaan; ten einde te voorkomen, dat de verdwijning of verzwakking van enkele harer symptomen het middel worde tot grooter bestendiging van het stelsel in zijn geheel, in plaats van tot een middel zijner ondermijning, wijl het een middel is tot versterking van het geheele proletariaat in zijn veelvormigen maar samenhangenden wereldstrijd. De taak der sociaaldemokratie is het, wat er aan maatschappelijke beweging leeft onder het proletariaat te leiden of te steunen, maar zóódanig, dat het klassebewustzijn, gericht op de verovering der politieke macht, daardoor wordt opgewekt en verhelderd en niet in de eerste plaats het welzijn van bijzondere arbeidersgroepen noch hun bijzondere macht tegenover bijzondere ondernemingsgroepen, maar „hun macht tegenover de bezittende klasse wordt versterkt"; haar taak is het, waar geen beweging is, deze beweging te brengen of de noodzakelijke voorwaarden ervoor te scheppen. Dit kan in sommige gevallen ertoe leiden dat de poging tot lotsverbetering, die voor diep gezonken proletarierslagen de mogelijkheid van, de vatbaarheid voor klasseinzicht en klassegevoel eerst kan scheppen van predomineerende beteekenis is en de „ondersteuning" der sociaaldemokratie dus meer de beteekenis van een voorbereiding, dan van een oproep tot den klassenstrijd beteekent. „Waardeert zij allereerst wat het proletariaat zich in zijn strijd verovert" niet om dit veroverde zelf „maar als hulpmiddel tot het over en van deze strijd-zelven", dit
399
veroverde-zelf kan in sommige gevallen de allereerste en onmisbaarste voorwaarde zijn tot het besef der beteekenis van het lijden als klasse-ellende en de noodzakelijkheid van den strijd als klassenstrijd. Maar nimmer zal de sociaaldemocratie, op straffe van het niet meer te zijn en te ontaarden in een. reaktionaire beweging de hand mogen leenen tot maatregelen „die het strijdbare klassebewustzijn kunnen verduisteren of verzwakken". En haar streven is er op bericht - aldus wordt in dit slot de taktiek-alinea harer conclusies samenaevlt - van de organisaties, die het proletariaat, tot direkte lotsverbetering uitsluitend of voornamelijk of tot verder erkende maatschappelijke doeleinden zich reeds, gevormd en bevochten heeft, - van coöperatie, vakbeweging en politieke lichamen met name - „de eenheid te bevorderen op grondslag van dezen socialistischen klassestrijd".
Uit de vakbeweging-
DOOR
HENRI POLAK.
INLEIDING.
Voortaan zal ter dezer plaatse op gezette tijden eene bespreking ver^ schijnen van de belangrijkste dingen, die zich op het gebied der internationale vakbeweging voordoen. Een eigenlijke kroniek zal dus niet gegeven worden. Doch behandeld zullen worden, niet alleen de algemeene vraagstukken, maar ook de voornaamste gebeurtenissen, terwijl zooveel mogelijk zal worden getracht het verband tusschen een en ander te vinden en te doen uitkomen. De behandeling der verschillende onderwerpen zal, naar gelang van omstandigheden, nu eens zuiver verhalend, dan weer critisch-ontledend zijn. Waarbij echter steeds in het oog gehouden zal moeten worden, dat de uitteraard bescheiden plaats, die deze rubriek is toegemeten, in den regel geen zeer diepgaande behandeling zal mogelijk maken. Evenwel zal naar zoo groot mogelijke volledigheid worden gestreefd.
CENTRALISATIE.
In de laatst-verschenen aflevering van dit tijdschrift werd door Van Achterbergh, den leider van den Centralen Bouwvakarbeidersbond, een artikel gepubliceerd, waarin o. a. betoogd werd, dat het N. V. V. op het stuk van het bijeenbrengen van hetgeen op vakvereenigingsgebied bij elkander behoort, niet genoeg doet. Dat verwijt werd echter ten onrechte gemaakt. Het Vakverbond heeft zich, van zijn ontstaan af, beijverd, om verwante organisaties bijeen te brengen en is er in geslaagd niet onbelangrijke resultaten te bereiken.
Er blijft echter te dien opzichte nog veel te doen. Het beginsel der centralisatie is door alle bij het N. V. V. aangesloten bonden (alsmede door enkele, die er buiten staan, als de Typografenbond) aanvaard — al moet er onmiddellijk worden bijgevoegd, dat het in vele gevallen met de practische toepassing van het beginsel nog maar povertjes is gesteld. Nu heeft men het principe der centralisatie echter veelal eenzijdig toegepast, namelijk op de inwendige organisatie van eiken bond afzonderlijk. Maar dat is niet genoeg, want van nog veel meer belang dan deze, is de centralisatie van alle bonden van arbeiders, die één zelfde vak, of elkander nauw verwante vakken beoefenen.
Engeland, dat zoovele jaren aan den spits der vakbeweging stond,
40i
kan ons op dit stuk volstrekt niet meer ten voorbeeld zijn — heeft dat eigenlijk nooit gekund. Want nergens ter wereld heerscht zóóveel verbrokkeling in de vakbeweging als daar. Tegenover een goede vijftig industrieën of nijverheidsgroepen staan in dat land ongeveer twaalf honderd vakvereenigingen. Het is geen uitzondering, dat er in één vak één a twee dozijn organisaties zijn. Zoo is het haast niet na te gaan, hoeveel vakvereenigingen er zijn in de vele vertakkingen van de metaalindustrie. Doch sommige dier vertakkingen hebben elk weder soms een half dozijn vakvereenigingen van precies gelijksoortige arbeiders. Zoo heeft elk groepje werklieden in de katoennijverheid zijn eigen organisatie, en zijn, bijvoorbeeld, de snelpers- en de degelpers-drukkers afzonderlijk georganiseerd I De inwendige organisatie van zelfs de grootste vakbonden laat zeer veel te wenschen over; dikwijls staat een bijna autocratische bestuursbevoegdheid tegenover volkomen teugelloosheid der leden, in één zelfde vakvereeniging; waaruit van tijd tot tijd onvermijdelijk hevige botsingen voortvloeien, zooals onlangs nog het geval is geweest in de scheeps- en machinebouw-industrie.
Voor goede voorbeelden op vakvereenigingsgebied moet men thans in Duitschland wezen, waar de centralisatie in volle consequentie en alzijdig toegepast wordt. Zoo omvat het Deutsche Metallarbeiter-Verband "alle metaalbewerkers, letterlijk alle, van de werklieden aan de hoogovens af, tot de vervaardigers der kostbaarste gouden juweelen en der fijnste uurwerken toe. Het resultaat is: een uiterst machtige, onweerstaanbaar sterke organisatie, die van de zeer forsche werkgeversorganisatie een geduchte en gevreesde tegenstandster is.
Deze weg moet het ook in Nederland op. Er is op dit terrein reeds goed werk verricht — óók en vooral door het N. V. V. Zoo kan, bijvoorbeeld, gewezen worden op de samenvoeging van de glas-, steen- en aardewerkmakers, op de concentratie der betrokkenen bij het bakkersbedrijf, op hetgeen ook in de bouwvakken is tot stand gebracht, al valt juist daar nog wel wat te doen, daar de timmerlieden nog immer, en o. i. ten onrechte, een zelfstandigen bond blijven vormen.
Het N. V. V. zal dan ook wèl doen, door niet op de reeds verworven lauweren te blijven rusten, doch voort te gaan met zijn pogen tot amalgamatie van zulke vakvereenigingen, die uit den aard van de industriëele verhoudingen, waarbinnen zij zich bewegen, bij elkander behooren. Er zal dan een einde komen aan de verspilling van veel geld, tijd en energie, alsmede aan het dilettantisme op bestuursgebied, aan de onnoozele geschillen over strooperijen op elkanders terrein, aan de versnippering van strijdkracht en aan de onmogelijkheid van goede vakvereenigings-strategie.
Er is echter ook een soort centralisatie, die ondeugdelijk is. Namelijk die, waardoor werklieden organisatorisch bijeengevoegd worden, niet volgens het bedrijf dat zij beoefenen, doch volgens den werkgever in wiens dienst zij staan.
Men heeft indertijd hier o.a. gehad een organisatie van werklieden, in dienst der expediteursfirma Van Gend en Loos. Daar is vaak den spot mee gedreven en er is ten slotte een einde aan gemaakt, door deze lieden onder te brengen bij den Transportarbeidersbond.
Het was dan ook inderdaad een dwaasheid. Maar niet minder dwaas is in het wezen der zaak een afzonderlijke organisatie van gemeentewerk-
402
lieden, of van rijkswerklieden. Terecht heeft dan ook het Engelsche vakvereenigingscongres zich eenige jaren geleden gedecideerd uitgesproken tegen het tot stand brengen van zulke organisaties. Een timmerman blijft een timmerman, ongeacht of hij werkt in dienst van een particulier of van eenig publiekrechtelijk lichaam. Er is geen reden, waarom de bouwwerkers, de typografen e. d. in dienst van de gemeente Amsterdam, niet in de betrokken bonden georganiseerd zouden zijn. Integendeel, zij behooren in die bonden, en niet in een vergroote en verbeterde uitgave van de Van Gend en Loos-organisatie. En de werklieden in zulke gemeentediensten, die tot geen eigenlijke industrie behooren, als de brandweer en de straatreiniging, kunnen zeer gevoegelijk plaatselijke organisaties vormen, want geen enkele der redenen, die Industrieverbande, zich uitstrekkende over het gansche land, noodig doen zijn, is aanwezig in het geval van dergelijke zuivere gemeentewerklieden. . Ter gelegener tijd zal dit onderwerp te dezer plaatse breedvoeriger behandeld worden. Doch reeds nu mag den betrokkenen in overweging worden gegeven, eens na te gaan, of men ten opzichte van deze soort centralisatie niet al te zeer met den sleur is medegegaan.
DE KIESRECHT BEWEGING.
Het kan niet gezegd worden, dat in het algemeen de vakorganisaties veel werk hebben gemaakt van het Volkspetitionnement voor het Algemeen Kiesrecht. Dat wil niet zeggen, dat de diverse besturen niet hebben gedaan wat zij konden, doch wèl dat de leden de gebruikelijke Hollandsche onverschilligheid tot haar recht hebben laten komen.
Het N. V. V. heeft indertijd aan de leidster der beweging, de S. D. A. P., den volledigen steun der vakbonden beloofd. Deze hebben echter het voor en namens hen gegeven woord niet gestand gedaan — althans niet in die mate, als zij hadden behooren te doen. Het is bij ons altijd als met de lucifers der Fransche Régie: de kop ontploft met veel geluid, maar het houtje vat zelden vlam. Zoo is er bij ons veel geestdrift en opgewektheid op een betoogingsdag; doch van taai en doortastend voortwerken als de muziek zwijgt en de banieren opgeborgen zijn, is zelden sprake.
Er is evenwel nog veel goed te maken. Niet alleen door alsnog aan te pakken en ijverig te helpen het Petitionnement te doen slagen, doch vooral door in massa gevolg te geven aan het besluit, om de petitie op den dag van de opening der Kamers aan de regeering aan te bieden.
Het congres der S. D. A. P. heeft alle bezwaren, die verleden jaar, toen het denkbeeld reeds geopperd werd, zoo zwaar hebben schijnen te wegen, thans ter zijde hebben gesteld. Niet op Zondag, doch op een werkdag, op een Dinsdag, op den Dinsdag, zal nu gedemonstreerd worden bij de aanbieding van het adres.
De vakbeweging zal de mannetjes leveren, heeft het N.V.V. beloofd.
Dat de „mannetjes," de georganiseerde arbeiders van Nederland, dan ook niet wegblijven. De tijd komt nu van den strijd om het Kiesrecht. Dat onze vakvereenigingsmannen dit mogen beseffen, opdat de veldtocht kort, krachtig en doeltreffend zij.
Overzicht der Tijdschriften.
UIT DE ORGANEN DER VAKBEWEGING.
Het Maartnummer van THE SOCIAL DEMOCRAT opent met een artikel van H. Quekh over socialistische eenstemmigheid en meeningverschil. Hij spoort aan tot centralisatie der soo krachten, tot organisatie van geestverwanten, bovenal tot eendacht bij reeds-georganiseerden. Er wordt nog te veel op individueele quaesties gelet, terwijl het principe primair, het individu secundair behoort te zijn. In de politieke actie vertoonen de meeningverschillen zich het duidelijkst. Het organiseeren van een politieke partij van arbeiders: klassebewust, strijdvaardig, geïnspireerd door het socialistisch ideaal, geleid door socialistische principes, dat is het eerste practische werk dat ons te doen staat. De Labour Partij heeft het klassebewustzijn versmoord en zichzelf gemaakt tot een partij van verkapte liberalen, die met allerlei burgerlijke partijen accoord gaat. Andere partijen künnen onze idealen niet verwezenlijken, zij kunnen niet tegelijk bourgeois en socialisten zijn, hun klassebelang eischt hunne trouw aan eigen grondbeginselen. „Men" denkt dat het socialisme iets is dat misschien na duizenden jaren door een lange reeks geleidelijke, tamme hervormingen verkregen kan worden, dat dus een soo partij noodzakelijk een hervormingstaktiek moet volgen. Schrijver besluit met zijn eigen meening hierover te geven: het is morgen aan den dag te verwachten, de tijden zijn rijp, mits slechts de arbeiders zich organiseeren, zich bewust zijn van eigen kracht, hun klassebewustzijn niet vertroebelen door geschipper met burgerlijke partijen. Dit zijn de essentiëele verschillen tusschen de sociaal-democraten, verschillen, die uit den weg geruimd moeten worden opdat de socialistische eenheid kome, die slechts komen kan wanneer er eenstemmigheid heerscht in het eigen kamp.
In het Januari- en in het Maartnummer van de INTERNATIONAL SOCIALIST RE VIEW schrijft Dvorak over de reuzenstaking in het confectiebedrijf in Chicago. Het aantal stakers bedroeg ruim 41000, in 6 weken gegroeid uit de 16 eersten, die besloten het werk neer te leggen. Van alle kanten kwam groote instemming: dokters behandelden de stakers gratis, theaters gaven benefietvoorstellingen, hotels weigerden onderkruipers te herbergen en veel werd bijeengebracht voor de weerstandskas.
De Soo-Dem-partij steunde de stakers financieel en riep alle partijgenooten op dit voorbeeld te volgen. Terwijl er onderhandelingen gevoerd werden met de betrokken firma's, stonden intusschen de stakers bloot aan de wapens van de door deze firma's gehuurde detectives en onderkruipers.
404
Verscheidene personen werden gewond. Lassinskas viel, door een kogel van een onderkruiper in 't hart getroffen, terwijl hij een rede hield. Zijne begrafenis was eene indrukwekkende betooging; alle deelnemers zwoeren het werk niette hervatten voordat hunne eischen ingewilligd zouden zijn.
7 December trokken 15000 stakers door de stad als een protest tegen het ruwe optreden van de politie.
De geheele staking verliep in de grootste orde, terwijl er toch ruim 41000 menschen van allerlei nationaliteiten in betrokken waren. Er waren ongeveer 10000 Joden bij, 6000 Bohemers, 5000 Polen en ongeveer 3500 Italianen. Verder nog Slaven, Hongaren, Duitschers en Bulgaren.
Ongeloofelijke fouten zijn door de leiders begaan. Toen de tijd rijp was voor een algemeene staking in alle kleermakersbedrijven, deinsden de leiders er voor terug dien stap te doen, bewerend dat zij contractanten niet mochten overhalen hunne contracten te verbreken! Weinig begrip van klassestnjd voorwaar!
De stakers eischten, dat ook machinisten, liftjongens en electriciens, aan de confectiemagazijnen verbonden, het werk neer zouden leggen. Toen kwamen voorstellen tot bemiddeling en de leiders trachtten de arbeiders te demorahseeren door willekeurig inhouden van geld uit de weerstandskas. Niettegenstaande het vele aandringen weigerde het bestuur van de Federation of Labour van Chicago wegens persoonlijke haat tegen Noren, een der leiders, zich met de staking m te "laten, doch werd hiertoe bereid gevonden door een comitee van stakers, nadat Rickerts bemiddelingsvoorstel verworpen was.
In eigen boezem begonnen nu felle twisten, wat niet anders dan noodlottig kon worden voor de beweging. Sommige wenschten vol te houden (o. a. Dvorak zelf) anderen wilden de staking opheffen, hun meening grondend op het feit dat de fondsen van de weerstandskas uitgeput raakten. > In de Soc.-Dem. pers werd slechts vermeld wat met de meeningen der leiders overeenkwam: het verslag van een reuzenmeeting, waar een voorstel tot algemeene staking in de confectiebedrijven luid werd toegejuicht, werd onherkenbaar besnoeid weergegeven. Dvorak, die niet mee wilde knoeien, werd als reporter van het te Chicago verschijnend socialistisch dagblad „The Daily Socialist", ontslagen.
Voorstellen tot opheffing van de staking werden gedrukt en verspreid, doch de stembriefjes werden verscheurd als teeken van afkeuring. Niets hiervan werd gemeld in „The Daily Socialist"; doch, integendeel, werd er rondgestrooid, dat de arbeiders meer en meer geneigd waren het werk te hervatten. Daar de slechte leiding hunne ontevredenheid wekte, belegden 18000 stakers een meeting, waar zij hunne eischen duidelijk formuleerden. De voornaamste waren: 50 uur arbeid per week, 9 uur per dag en Zaterdags 5 uur. Verhooging van het loon met 15 °/0. Grieven moeten door comitées aan de patroons kenbaar gemaakt worden. Geen indivueele contracten meer.
Zoodra het bestuur van de Arbeidersfederatie hiervan hoorde, besloot het de staking op te heffen. Ongeveer 1500 stroomannen werden gebruikt om voor beëindiging der staking te stemmen. Toen de woedende stakers naar hunne meetinggebouwen trokken om te protesteeren, vonden zij die door de leiders gesloten.
Enkele honderden werkwilligen hervatten den arbeid, gehoond door de onaerkruipers, met wien zij samen moesten werken. Langzamerhand, ziende dat de actie gebroken was, trok men weer aan het werk: de strijd was verloren.
Algemeen waren de stakers van oordeel dat de Federation of Labour de schuid draagt van deze nederlaag. In de burgerlijke pers verschenen verslagen van
4os
reporters, die de leiders van de staking geïntervieuwd hadden, waarin zij tafreelen ophingen van de honger en ellende onder de stakers! Hiertegen protesteerden dezen hevig in hunne vergaderingen. De benadeelde firma's werden aangespoord vol te houden, toen zij met bemiddelingsvoorstellen kwamen, de stakers werden veroordeeld omdat zij het waagden zich te verzetten!
Moge deze nederlaag hun geleerd hebben de klassesoiidariteit te versterken en eensgezind te zijn in hun actie! Dan zal de volgende keer geen nederlaag maar overwinning brengen. S. B.
In de SOZIALISTISCHE MONATSHEFTE van 20 April 1911 schrijft
H cit gang Heine over : Verkiezingsvragen.
De afloop van de verkiezing in Gieszen toont aan, dat de komende verkiezing in net parool van: „tegen het zwart-blauwe blok" dient te staan. En dit ondanks het feit dat het Rijksdaglid Lehmans in de „Nationalliberale Korrespondenz" de leus aanheft „tegen de sociaal-democratie", als tegen den meest gewichtigen vijand. Bij de herstemmingen zullen we zeker deze enkelingen niet steunen, mocht de gansche Nationaal-Liberale partij tot deze politiek overhellen, uit vrees de kiezers niet voor de Sociaal-Democraten te winnen, dan kunnen de Naaonaal-Liberalen evenmin op onze steun rekenen en sluiten zij zich dan daadwerkelijk bij het zwart-blauwe blok aan.
Doch zal dit voor een enkeling noodig zijn, de Nationaal-Liberalen als geheel zullen dit niet doen, al kan niet verlangd worden, dat bij de herstemmingen een sterkere positie aan een zwakkere opgeofferd dient te worden. Wel echter ligt een daadwerkelijke steun met uitsluitend in de herstemmingen, maar er dient tot een aanvallende coalitie tegen de rechtsche partijen besloten te worden, althans zoo men in den verkiezingsstrijd iets meer ziet, dan de verhooging van het aantal stemmen.
„Wat tusschen partijen, die een gemeenschappelijken vijand te bestrijden hebben, verwacht moet worden, is alleen, dat reeds de eerste verkiezingsstrijd bij alle helderheid en vastberadenheid toch op dusdanige wijze gevoerd worde, dat een samengaan bij de nu eenmaal wettelijk bestaande herstemmingen zooveel mogelijk vergemakkelijkt worde." Ik wil volstrekt niet tegenspreken, dat in dit opzicht aan sociaal-democratische zijde af en toe fouten begaan zijn en volstrekt met eerst na de vorming der conservatief-vrijzinnige coalitie van 1906. Maar eerlijke vrijzinnigen zullen niet ontkennen, dat in hoogere mate de rijksverbondsvormen der agitatie, door vele liberalen uitgeoefend en die in de provincie nog niet geheel zijn uitgestorven, dit noodzakelijke samenwerken zeer bemoeilijkt hebben. Dat dergelijke van nature onvruchtbare verwijten bij de komende verkiezingen, in een frisschen, opgewekten verkiezingsstrijd tegen de politieke reactie, vergeten mogen worden! De sociaaldemocratie zal ook hier een duidelijk inzicht in de politiek noodzakelijkheid en goede discipline moeten toonen en zij za! deze toonen."
De nog altijd gebruikelijke valsche voorstelling, dat de sociaal-democratie onvruchtbaar zou zijn op parlementair terrein, door haar negatieve houding als opppositiepartij, is genoegzaam weerlegd.
Indien de nieuwe Rijksdagverkiezing een overwinning aan de democratie brengt, dan dienen ver-strekkende hervormingen nagestreefd te worden. Allereerst zou de Rijksdagregeling van 1902 op zijde geschoven dienen te worden, daarnaast het interpellatierecht breeder tot zijn recht moeten worden gebracht, verder de sociale wetgeving, waaronder bescherming van de vrouw, en meerdere
406
gezondheidswetten voor de arbeidende klasse, aan de orde gesteld moeten worden.
Verder zou de parlementarische werkzaamheid van den volgenden rijksdag in de eerste plaats politieke eischen betreffen, waartoe natuurlijk ook de sociaalpolitieke te rekenen zijn. Op het gebied der sociale wetgeving, der bescherming van vrouwen, van leven en gezondheid der arbeiders ware nog een heele massa te doen, waartegen natuurlijk de groote heeren der industrie foeteren zullen, waarvan zij echter niet eens overeenkomstig de waarheid zullen kunnen beweren, dat deze de geldelijke lasten der industrie zullen doen stijgen. Alleen hun „heeren" gevoel zullen ze moeten opbergen. Het vraagstuk der sociale verzekering, der beambten en bedienden in particulieren dienst zal deze Rijksdag ver. moedelijk aan zijn opvolgers onopgelost achter laten.
Verder noemt de schrijver nog beperking van de bevoorrechte bureaucratie, de politie-staat zoo mogelijk beperken en het volledig staatsburgerschap op ieder gebied veroveren, verbetering van de verzekeringswetten, leekenrechtspraak, een volledige hervorming van strafrecht en belastingwezen als dringend-noodige hervormingen.
Door dit alles wordt de Rijkspolitiek wel gezuiverd, maar de reactie heeft zich ook genesteld in de verschillende staten-regeeringén, o.a. in Pruisen en zijn kiesrecht, doch bovengenoemde Rijksdagpolitiek zal ook voor de staten van niet onbelangrijke beteekenis zijn.
In dit alles kunnen sociaal-democraten ée'n zijn, en kunnen samen gaan, hier hebben zij gemeenschappelijke belangen.
In DER KAMPF van April iqii schrijft Frkdrich Austerlitz over „ Verkiezingen in klassenstrijd":
De verkiezing is een onbedriegelijke barometer, de veranderingen die zich onder de oppervlakte der dingen voltrekken, worden in haar duidelijk zichtbaar, vandaar dat de twee Boheemsche na-verkiezingen van gewicht zijn voor een diagnose voor de a. s. algemeene verkiezingen.
Zoo in één land de scherpe klassentegenstelling in verkiezingsdagen omhuld is, dan zeker in Oostenrijk-Hongarije, waar de nationaliteiten-strijd, de strijd vooral tusschen Tsjechen en Duitschers veel sterker werkt dan in welk land van Europa ook. Eigenaardig is het wel, dat niettegenstaande deze nationaliteitenstrijd, in de verkiezingen die onder het huidig algemeen kiesrecht gehouden zijn, deze strijd op den achtergrond en de klasse-strijd op den voorgrond stond. Men kan zeggen dat het algemeen kiesrecht uit de nationale partijen aan de burgerlijke partij het leven heeft gegeven, en in één opzicht een eenheid van het burgerdom heeft geschapen door alle schakeeringen tot een anti-sociaaldemocratischverbond te vereenigen. Het algemeen kiesrecht heeft de verkiezingsstrijd tot klassenstrijd gemaakt. „Dit kon alleen, omdat achter deze politieke eenheid van de burgerlijke klassen, ondanks velerlei onderscheid, een economische eenheid, namelijk: het belang bij het privaat bezit der productiemiddelen, bestaat en hen verbindt. Eigenaardig in dit opzicht is wel, dat te Wansdorf en te Leitmeritz de industriëele bourgeoisie haar eigen districten opgeofferd heeft en aan afgevaardigden van het anti-socialistisch verbond afstond ; en wel onder de leuzen: „oorlog tegen de sociale politiek en den strijd tegen de „begeerlijkheid" van den arbeider". De onderscheiden groepen der bezittende klasse, die nog in den tijd om de kiesrechtshervorming hun tegenstrijdige economische belangen in een ruwen politieken strijd uitvochten, zijn nu in een volledige harmonie volgroeid. Zoo trekt alles nu op tegen de sociaal-
407
democratie, onder de leus „bescherming van de industriëele belangen" dat is tegen de sociale politiek van de arbeidende klasse. „Uit dit alles volgt onweerlegbaar: dat de sociaal-democratie nu in de Oostenrijksche politiek alleen staat, omgeven door niets anders dan .. vijanden. Deze waarlijke „splendid isolation" kan haar slechts ten goede komen, want zij dwingt in de diepte tot de eenige bron van haar kracht te gaan, en alles wat tot de arbeidende klasse behoort deze overtuiging bij te brengen. De sociaal-democratie zal en moet zijn wat de tegenstanders ons als schandelijk toerekenen, wat inderdaad voor ons het beste is: „een eenzijdige klasse-partij", die alleen de wil en de overtuiging van de georganiseerde arbeidende klasse erkent en die voor haar het woord van de schrift omkeert: iedere hand is tegen u en de uwe is tegen allen!"
Zoo worden nu de revisionistische muggen uitgedreven en alles wat het proletariaat verzwakken wil, valt weg. We zullen „eenzaam" zijn niet alleen in den verkiezingsstrijd maar eveneens in den dagelijkschen strijd om recht. Maar waarlijk we voelen ons van alle tijdelijke bonden verlost en zeggen: „liever alleen als in dit gemeen". •
S. K.
DIE NEUE ZEIT, 31 Maart 1911:
Over Prijzen en Loonen geeft Kautsky een kort artikeltje, waarin de veranderingen die deze grootheden in de laatste veertig jaren hebben ondergaan, duidelijk uitkomen.
De beschouwingen berusten op Engelsche cijfers, door het Reichsarbeitsblait verstrekt en door Kautsky gedeeltelijk weergegeven. De cijfers hebben betrekking op 45 warensoorten, die in rekening gebracht werden naar gelang van hunne beteekenis voor het verbruik door de bevolking. De tabellen doen zien, dat van 1873 tot 1896 de prijzen gedaald zijn, maar dat ze sedert 1896 stijgen, al is de stijging in Engeland met zijn vrijhandel minder sterk, dan ze in het protectionistische Duitschland is. Alleen de genotmiddelen (suiker, thee, wijn, tabak, enz.) bleven een daling vertoonen, en ook de kolen. Maar tegen de prijsstijging der andere waren wegen deze dalingen bij lange na niet op. Van 1896 tot 1908 zijn de prijzen der levensmiddelen in Engeland in 't algemeen met 17 pCt. gestegen.
En de loonen? Van 1874 tot 1S80 daalden ze, daarna gingen ze iets omhoog. Hoewel in die jaren de prijzen daalden, was die tijd toch ook van heftige industriëele gevechten. Want door de uitgebreide werkeloosheid gaf de prijsvermindering der arbeiders niet veel voordeel. Eerst na 1887 nam de werkloosheid af, en stegen de loonen.
Uit een uitvoerige tabel blijkt verder, dat van 1891 tot 1895 de loonen wederom daalden en van 1896 tot 1900 stegen. In 1896 begint ook de prijsstijging, maar zij is minder sterk dan de vermeerdering der loonen. De prijzen stegen n.1. van 1896-1900 met 4,6 percent, de loonen met 6,2 percent. In die jaren scheen het alsof de klassetegenstellingen minder scherp werden, alsof het proletariaat zonder verovering der politieke macht in het kapitalisme reeds een bevredigend lot zou veroveren. Het is in deze jaren, dat het revisionisme opkomt. Korten tijd later veranderden evenwel de feiten, die het revisionisme te voorschijn riepen.
Van 1899 tot 1907, een periode van voorspoed in handel en nijverheid, slechts een keer door een korte krisis verstoord, gingen de prijzen met 14,5 percent omhoog, de loonen echter slechts met 6,7 percent. Wel te verstaan de loonen der georganiseerde arbeiders, en voornamelijk van de textielarbeiders, wier loonstijging 10,8 percent bedroeg. Voor de bouwvakarbeiders was de stijging slechts 1 percent, van 1899 tot 1900, en bleef daarna uit. De loonen der mijn-
408
werkers vermeerderden van 1899—1900 met 16V2 percent, daalden dan tot 1905 met 20 procent, om daarna weer met 15 percent te stijgen. De loonen der machinebouwers, eindelijk, stonden in 1908 slechts 1 percent hooger dan in 1899, terwijl de prijzen der levensmiddelen 11 percent hooger waren geworden!
In het begin van dit tijdperk van achteruitgang werd de Engelsche arbeiderspartij opgericht: gevolg van de verscherping der klassetegenstellingen.
Kautsky vergelijkt nu de les der Engelsche statistiek met die, welke uit Duitsche cijfers spreekt. Onderzoek van de cijfers der Dresdener „Ortskrankenkasse'' heeft geleerd, dat in 1899 het gemiddeld loon der mannelijke verzekerden .3,10 Mark bedroeg, en in 1909 3,67 Mark, een stijging van 18,4 percent dus. Het gemiddelde vrouwenloon steeg in denzelfden tijd met 16 percent, van 1,81 Mark tot 2,11 Mark. Hierbij moet in 't oog gehouden worden, dat het aantal der vrouwelijke verzekerden met 16,949 toenam, en dat der mannen slechts met 10,245. Hierin is een bewijs van afnemende welvaart te zien, want waar de man voldoende verdient gaan vrouw en kinderen meestal niet naar de fabriek. Op zijn beurt is de vrouwenarbeid weer oorzaak van nieuwe ellende, doordat de concurrentie der vrouwen de mannenloonen dalen doet. Ook doordat de huishouding en de kinderverzorging door den vrouwenarbeid geschaad worden, zoolang niet de inrichtingen in 't leven geroepen zijn om deze schade te beperken of op te heffen.
In denzelfden tijd van deze loonstijgingen, werden de levensmiddelen aanmerkelijk duurder. Van 1899 tot 1909 stegen de prijzen van vleesch met 16,2 percent, van melk met 16,6 percent, van margarine met 20, van visch met 19,7 percent, van meel met 28,1, van brood met 13 a 16 percent, van steenkolen met 13,8 percent. De prijsstijging is dus in Duitschland aanzienlijk sterker dan in Engeland.
Het Korrespondenzblatt der Duitsche vakvereenigingen besluit uit een beschouwing der cijfers tot de stelling: „dat (in 't algemeen) de verhooging der arbeidsloonen met de prijsstijging voor een groot deel der Duitsche arbeiders geen gelijken tred heeft gehouden.
Zoo is thans voor Duitschland en Engeland hetzelfde verschijnsel vastgesteld, dat een jaar geleden geloochend werd, toen Kautsky het uit de Amerikaansche statistiek had aangetoond.
J. W. A.
Klassenstrijd bij Posterijen en Telegrafie.
EEN BIJDRAGE TOT DE KENNIS VAN DE POSITIE VAN DEN AMBTENAAR IN HET STAATSBEDRIJF
door
C. A. VAN DOORN Jr.
L
Een woord vooraf.
Ik meen als algemeen erkend te mogen aannemen, dat de personeelsformatie bij Posterijen en Telegrafie in den loop der jaren aan gebreken is gaan lijden, die haar stempelen tot alles, behalve een, die op gronden van practijk en rechtvaardigheid kan worden verdedigd. Aan een uiteenzetting van de motieven, waarop deze erkenning berust, besteed ik dus hier geen tijd of plaatsruimte.
Ik meen verder als algemeen bekend te mogen veronderstellen, dat vooral in de laatste jaren tal van pogingen zijn gedaan tot het in het leven roepen van een beter personeels-stelsel dan het huidige. Zoowel van de zijde van het personeel als van die der superieuren is toch — met meer of minder pathos al naar mate de omstandigheden, die de pen in de inkt en op 't papier brachten meer of minder nijpend Waren — in diverse deelen der groote pers de publieke aandacht op deze materie gevestigd en zijn er geneesmiddelen aangeprezen van meer dan diverse natuur.
Inderdaad, waaraan de patiënt, die postale personeels-formatie heet, ook gebrek moge hebben geleden, aan doctoren zeer zeker niet. Want werkelijk over-talrijk waren de personen, die de zon hunner deskundigheid — of wil men liever: des-«kundigheid — lieten schijnen op de
26
4to
ondeugdelijkheid der thans vigeerende regeling. Veel en velerlei ontwerpen van re-organisatie — van elkaar verschillend naar mate de motieven, die bij 't ontwerpen voorzaten, van elkaar verschilden — brachten zij onder de aandacht van mede-belanghebbenden, belangstellenden en Regeering.
Ook in minutieuze beschouwing dezer diverse producten van organisatorisch talent zal ik me echter hier niet verdiepen. Het meerendeel hunner ging toch onopgemerkt voorbij; de meer belangrijke rest werd bediscussieerd, gaf aanleiding tot strijd en booze woorden tusschen de betrokken partijen en . . . ging eveneens den weg van alle papier.
Op één feit slechts wil ik hier even wijzen. Hierop n.1., dat waarin deze ontwerpen ook van elkaar mogen hebben verschild, ze in één opzicht op elkaar geleken als de veel misbruikte twee druppels water. Zoowel bij het constateeren en aanwijzen der gebreken, die de huidige formatie aankleven, als bij het zoeken naar de oorzaken en de wegen tot verbetering ervan, verzuimden de diverse schrijvers steeds ook buiten „het vak" de blikken eens te laten rondgaan. Van doordringen of althans trachten door te dringen in de maatschappelijke en economische oorzaken der wantoestanden, welker bestrijding men beweerde ten doel te hebben ; van een kritische vergelijking onzer staatsbedrijven met de zoogenaamde „vrije" bedrijven was geen sprake.
Alsof posterijen en telegrafie een wereldje op zich zelf zouden vormen 1 Alsof de factoren, die op de wording en de verwording eener geheele maatschappij hun invloed doen gelden, de wijzigingen in de productie-verhoudingen en de daarmede verband houdende strijd om het product, de klassenstrijd, op de staatsbedrijven van heelemaal geen uitwerking zouden zijn 1
Alsof de ontwikkelings-gang van P. en T. in belangrijke mate zou afwijken van die van zoovele andere bedrijven van transport en verkeer I
'k Wil trachten dit verzuim te herstellen door alsnog zoo goed mogelijk het ware, het klasse-karakter der postale personeels-evolutie in het juiste licht te stellen.
Mogen mijn beschouwingen er het hunne toe bijdragen om den blik van den Nederlandschen Staats-ambtenaar in 't algemeen en die van den Post-ambtenaar in 't bijzonder, te verruimen en tot een juister waardeering van de positie door hem in deze maatschappij ingenomen, leiden! Mogen de overwegingen, die ik hierbij voornamelijk mijn mede-ambtenaren aanbied, een bruikbaar uitgangspunt vormen voor het stellen van nieuwe eischen en het bepalen eener nieuwe tactiek van de zijde der georganiseerde ambtenaren-proletariërs.
4n II.
Eenige algemeene beschouwingen.
,,Een nieuwe maatschappij komt niet op deze wijze tot stand, dat enkele bijzonder heldere koppen een plan ontwerpen, hoe die maatschappij het best zou zijn in te richten en daarna, na langzamerhand de anderen van het nut van hun plan overtuigd en na ten slotte de noodige machtsmiddelen verkregen te hebben, aan het werk tijgen, om op hun doode gemak het sociale gebouw naar dit plan op te bouwen en in te richten".
Deze woorden van Karl Kautsky, door hem in zijn toelichting op het Erfurter Program neergeschreven naar aanleiding van de naïve voorstellingen, die velen zich vormen over de mogelijkheid van het stichten eener „nieuwe" maatschappij — los van de bestaande en in wezen daarvan geheel verschillend — lijken mij ook op de postale personeels-formatie voor een niet onbelangrijk deel van toepassing.
De vorm eener maatschappij is geen willekeurige. Ze baseert zich op de in haar bestaande productie- en daarmee verband houdende machtsverhoudingen. Mèt deze bevindt ze zich in gestadige ontwikkeling.
Ook de formatie van het personeel in een of ander bedrijf, ook dus die in de postale vakken, is niet het willekeurig product van een toevallige machthebber. Op straffe van met de practijk in strijd te komen en dus eerlang tot verdwijnen gedoemd te zijn, zal ze zich steeds hebben aan te passen aan den trap van ontzvikkeling, waarop het bedrijf staat, alsmede aan het doel, waarmee het werd ingesteld en wordt onderhouden. Juiste kennis dezer beide laatsten is dus bij het beoordeelen van de deugdelijkheid eener personeels-formatie een besliste voorwaarde.
Hoe omvangrijker een bedrijf wordt, hoe grooter de moeilijkheid het geheel te overzien en de theoretische zoowel als de practische bedrevenheid te bezitten om het in alle onderdeelen te kunnen bedienen. Hoe hooger dus telkens de eischen aan alzijdig-bekwaam personeel te stellen en hoe hooger eveneens het peil, waarop dit laatste daardoor moet komen te staan. Hoe grooter echter ook al weer, tengevolge daarvan, de bezoldiging, waarop dergelijke werkkrachten op gronden van billijkheid aanspraak zullen meenen te kunnen maken. Hoe duurder ten slotte, bij inwilliging hunner eischen, de exploitatie van het bedrijf.
Stelt men zich op het standpunt, dat de wenschelijkheid van het aanstellen van algemeen-bekwaam personeel opweegt tegen de nadeelen
412
eener kostbare exploitatie, ziet men dus af van wat men een „kaufmannische" bedrijfsvoering pleegt te noemen, dan is er tegen het eerste geen bezwaar en zal men met het aanstellen van meer kostbare werkkrachten blijmoedig voortgaan.
Het standpunt, waarop men zich stellen zal, zal echter in zeer belangrijke mate verband houden met het doel, dat bij de exploitatie voorstaat. Is toch dat doel, naast een zoo goed mogelijke verrichting der diverse werkzaamheden, een zoo goed mogelijke belooning van het arbeidende individu, een belooning geheel in overeenstemming met diens capaciteiten en levens-eischen, dan zal een grootere of kleinere winst, een meer of minder belangrijk verlies zelfs, den exploitant slechts in de tweede plaats interesseeren. Is het hem echter allereerst te doen om uit de onderneming winst te halen, dan zal al het andere daarbij op den achtergrond geraken en de zorg voor bedrijf en personeel zich niet verder uitstrekken dan het volstrekt onvermijdelijke. En waar van deze beiden het eerste, in 't belang juist van de winst, aan redelijke eischen zal moeten blijven voldoen, daar zal de tendenz van uitbuiting van den arbeider zich demonstreeren.
't Is echter duidelijk, dat dit laatste in lijnrechte tegenstelling moet staan tot het steeds hooger bezoldigen van het personeel. En eveneens van zelf sprekend is het, dat bij het stijgen van het bekwaamheids-peil en daarmee van de loon-eischen, de rechten en eischen van dit laatste met de belangen van zijn broodgever in conflict zullen moeten komen. Deze zal toch, met het oog op zijn winst, onmogelijk aan die eischen kunnen blijven voldoen en naar middelen moeten omzien, waarmee hij ze kan drukken.
Dit zal hem gemakkelijker vallen naar mate de omvang van zijn bedrijf toeneemt. Bij het groeien van de omvang van den arbeid groeit immers ook de mogelijkheid van verdeeling en specialiseering ervan. Groeit dus de mogelijkheid van het in dienst stellen van eenzijdigbekwaam personeel, dat zich, dank zij zijn (gedwongen) eenzijdigheid met minder salaris tevreden zal hebben te stellen dan het meer algemeen ontwikkelde.
Zoolang hij bekwaam en zeer bekwaam personeel noodig heeft, zoolang zal de kapitalist — zij 't dan met bloedend hart — voor een redelijk goede betaling hunner diensten bij den noodigen aandrang wel te vinden zijn. Moet hij echter voor die bekwaamheid méér geld gaan betalen dan een, wat hij noemt „commercieele" exploitatie noodig en dus wenschelijk maakt, dan zal hij met steeds grooter scherpzinnigheid zoeken naar wegen tot ontkoming aan die noodzakelijkheid en waar maar eenigszins mogelijk, zijn toevlucht nemen tot het hierboven aangegeven middel van arbeids-verdeeling en specialiseering. Dit middel heeft toch het effect, dat het complex arbeiders
413
dezelfde, zoo niet een grootere graad van capaciteit bereikt als voorheen en dat het individu voor minderwaardiger prestatie geringer belooning kan eischen dan zijn voorganger, als gevolg waarvan de winst naar verhouding vermeerdert.
Welke is nu de trap van ontwikkeling van Posterijen en Telegrafie? Niemand minder dan minister L. Regout antwoordt hierop:
„dat deze tak van staatsdienst zich geleidelijk heeft ontwikkeld tot een groot bedrijf, waarin vele routine-werkzaamheden voorkomen". (Handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 22 Oct. 1909).
Dit is inderdaad ook zoo. Wanneer we Posterijen en Telegrafie van thans eens vergelijken met die van een halve eeuw terug dan constateeren we een soortgelijke evolutie als nagenoeg overal bij het vrije bedrijf; een ontwikkeling van klein- naar modern grootbedrijf.
Niet alleen dat de beide zustervakken zelve in den loop der jaren zeer belangrijk in omvang toenamen, ook het aantal en de omvang der andere bij haar ondergebrachte takken van staatsdienst zijn aldoor gegroeid en nog steeds groeiend.
Zagen we in den loop der jaren o. m. de uitvoering van spaarbank-, quitantie- en pakketpost-dienst aan haar opgedragen; kregen ze ook van de uitvoering der Ongevallenwet een belangrijk deel voor haar rekening; dateert de reusachtige ontwikkeling van het rijkstelefoon-net eerst van den laatsten tijd: steeds weer dringen andere diensten zich binnen de bemoeiingsfeer van P. en T.
Zoo kan de invoering van post cheque- en giro-dienst nog slechts een kwestie van tijd zijn. Naasting der gemeentelijke telefoon-netten en overbrenging hunner exploitatie bij de rijks telefoon, die op haar beurt weer bij P. en T. ondergebracht is, moet hier zoo goed als in Engeland, waar deze naasting dezer dagen juist haar beslag kreeg, eerlang wel te wachten zijn.
Ver van onwaarschijnlijk is het eveneens, dat van de uitvoering van meerdere der sociale wetten, waarop ons land reeds zoo lange jaren wacht en die toch wel ééns zullen dienen te worden ingevoerd, aan de diensten in kwestie een belangrijk aandeel zal worden toevertrouwd. Ter loops zij hier opgemerkt, dat bij de verzekerings-mame der huidige regeering en haar ziekelijke neiging naar bureaucratische gecompliceerdheden, dit deel wel eens het tegengestelde van microscopisch zou kunnen zijn.
Een blik naar 't buitenland — in Engeland neemt men tegenwoordig b.v. proeven met het gebruiken der postkantoren als arbeids-beurzen —•
4H
kan ons ten slotte nog wel eenige richtingen toonen, waarin P. en T. mettertijd kunnen en waarom dus niet zouden worden werkzaam gesteld.
't Spreekt van zelf, dat deze groei van het bedrijf een daaraan evenredige groei van het personeel ten gevolge moet en moest hebben en dat deze toevoeging van nieuwe werkzaamheden het inrichten van speciale bureelen steeds meer mogelijk en noodig maakt.
Eveneens ligt het voor de hand, dat naast de steeds grootere uitgebreidheid van het arbeidsveld, de prestaties van het personeel steeds veelzijdiger worden, in verband waarmee ook de looneischen, die het voor zijn steeds uitgebreider kennis stelt, steeds grooter afmetingen aannemen.
Na het voorafgaande is echter daartegenover ook de mogelijkheid van arbeids-verdeeling en specialiseering den lezer geen geheim gebleven.
Of de regeering zal voortgaan met de aanvulling der algemeen ontwikkelde corpsen (ik kom hier straks op terug) die een vroeger stadium van ontwikkeling van het bedrijf noodig maakte, is dus een vraag, waarvan de beantwoording in het nauwste verband moet staan tot het doel, dat ze voor oogen heeft.
Nu geven èn de regeering èn de met haar door nauwe belangenbanden verbonden toon-aangevende elementen in den Staat, als regel gaarne voor, dat haar de sociaal-politieke beteekenis der staatsbedrijven boven alles gaat en dat ze dus de exploitatie dier bedrijven op geheel andere beginselen en wijze voert, dan waarop het z.g. vrije bedrijf wordt gedreven. Voornamelijk wanneer het gaat om de positie van den ambtenaar, den arbeider in Staatsdienst, wanneer het gaat om zijn verhouding tot den Staat-patroon en om het verschil, dat er in die verhouding heet te bestaan met de vrije bedrijven, wordt genoemde bewering vaak gehoord. Maar al te goed kennen we de zalvende redeneeringen, waarmee den ambtenaar het stakingsrecht wordt ontnomen; een verschijnsel overigens, dat zich haast in alle landen gaat voordoen.
Aan dit sociaal-politieke standpunt, als zoodanig, wensch ik natuurlijk zoomin als iemand anders onder ons iets af te doen. Ik weet echter in volle overeenstemming met mijn lezers te mogen beweren, dat dit standpunt niet het eenige en voornaamste is, maar dat de regeering met steeds grooter beslistheid en in steeds grooter mate daarnaast een ander inneemt. Ik bedoel dat van „koopman", van geldverdiener.
De winstmaking, d. i. uitbuiting van die in het bedrijf arbeiden, wordt steeds meer hoofdtendenz. De maatregelen, die de regeering in verband met de „behoeften" van het bedrijf neemt en waarvan een uitvoerige bespreking hier volgt, bewijzen nog eens overduidelijk de juistheid dezer bewering.
4>5
III.
De Personeels-Organisatie.
Geen enkel vak, dat niet te eeniger tijd wordt aangegrepen door de technische revolutie, die den geoefenden arbeider door den ongeoefenden vervangt, die vrouw en kind tot konkurenten van den man maakt.
K. Kautsky: Toelichting Erfurter Program.
Welke zijn de maatregelen door de regeering genomen in verband met de „reorganisatie" (later gewijzigd in simplificatie) door haar bij monde van den Minister van Waterstaat, L. Regout, aan de volksvertegenwoordiging toegezegd ?
Ik zie in hoofdzaak deze vier groepen :
ie. Inkrimping van het commiezencorps. Omhoogvoering van deszelfs positie. — 2e. Algeheele stopzetting van de rangen der klerken en der rijkstelefonisten. — 3e. Uitbreiding van het corps assistenten. Vermeerdering der aan dezen opgedragen werkzaamheden. — 4e. Aanstelling van een aantal geheel nieuwe categoriën, als hulptelegrafisten, dito telefonisten, kantoorbedienden of (heusch!) „locale krachten", schrijfsters bij den postdienst en nog eenige anderen.
'k Wil trachten de beteekenis dezer maatregelen en het verband, waarin ze tot elkander staan, eenigszins nauwkeuriger te bekijken, mij daarbij voornamelijk bepalend tot die groepen (nl. Posterijen en Telegrafie) welke als gevolg van mijn persoonlijke positie bij het dienstvak meer onmiddellijk binnen mijn waarnemingsveld vallen.
Gaan we in de verschillende Koninklijke Besluiten, die den dienst van het personeel der posterijen en telegrafie regelen, na, welke de positie en de werkkring der diverse ambtenaren-categoriën bedoeld was te zijn, dan vinden we voor de commiezen, „die verdeeld worden in vier klassen", steeds aangegeven, dat ze bestemd zijn voor „de dagelijksche uitvoering der werkzaamheden op de kantoren". Officieel was dus de bestemming van het commiezen-corps als zoodanig : te zijn een corps uitvoerende (manipulatieve) ambtenaren.
Dit bewijst natuurlijk niets. Tusschen de officieele waarheid en de werkelijke kan toch, zelfs vrij groot, verschil bestaan. Alvorens dus uit het bovenstaande conclusies mogen worden getrokken, is het noodig, 'n het verleden na te gaan öf wellicht in dit geval zoo'n verschil aanwezig is geweest.
Ik heb daarom gepoogd mijn inzicht in deze door gegevens uit
416
vroeger jaren te verhelderen en las daartoe organen en brochures door verschillende partijen in den personeelstrijd uitgegeven. Deze lektuur voerde mij tot de conclusie, dat in weerwil van de vele pogingen om de stand van zaken zóó voor te stellen alsof hij werkelijk anders is geweest dan er op grond van bovenaangehaalde K.B's. aanleiding zou zijn te vermoeden, de commiezen-positie inderdaad geheel die was, welke in de bedoeling dier besluiten lag. Uitzonderingen daargelaten werd de commies voor manipulatieve werkzaamheden gebruikt en was hij voor de nooit volprezen werkzaamheden van „beheer, toezicht en controle" eerst op rijperen leeftijd bestemd.
Laten we thans onze blikken gaan over de positie van het commiezencorps in de personeels-formatie, dan treft ons met groote zekerheid de omstandigheid, dat er een krachtige tendenz aan regeeringszijde werkende is om de bovenaangeduide bestemming van den commies te veranderen ; haar te vervormen van die van uitvoerend in die van leidend ambtenaar.
Nieuw is deze neiging niet. Bij de commiezen zélf heeft ze althans — begrijpelijkerwijs — nooit ontbroken.
Geen commiezen-strijdschrift der laatste jaren, zou ik haast durven beweren of het ademt deze geest. En als vrij groote waarschijnlijkheid kan, dunkt me, worden aangenomen, dat deze regels, die de heer Goeman Borgesius in zijn bekende nota van het jaar 1894 schreef:
„Daarom zou ik den minister in overweging willen geven of men het niet meer en meer daarheen moet leiden, dat worde uitgebreid, niet zoozeer het aantal zooal niet geleerde dan toch bij een moeilijk examen geslaagde klerken, als wel het aantal assistenten, mannen van geheel andere positie en ontwikkeling, maar die zeer goed onder leiding en verantwoordelijkheid van commiezen tal van werkzaamheden kunnen verrichten" 1)-
voor geen klein deel het uitvloeisel waren van hunne propaganda.
Een vijftien-tal jaren moesten echter na deze woorden voorbij gaan, voor definitief werd ingegrepen en — in directe tegenstelling met de eischen van de klerken, de personeelsgroep, die voornamelijk de zaak urgent had gemaakt 1 — door minister Regout deze stelling werd verkondigd:
„Naar mijne meening moet de reorganisatie als einddoel hiernaar streven, dat men krijgt eenerzijds de hoogere ambtenaren, nl. directeuren en commiezen, vooral belast met werkzaamheden van leidingen controle en anderzijds de lagere ambtenaren, nl. vooral de assistenten etc." (Handelingen 22 Oct. 1909). 2)
Is er duidelijker bewijs noodig voor de bewering, dat de regeering inderdaad des heeren Goeman Borgesius standpunt heeft aanvaard ?
1) De cursiveering is van mij, de spatieering van den lieer G. B.
2) Cursiveering en spatieeiing van mij.
417
'k Geloof van niet en volsta met te wijzen op de opvallende gelijkenis tusschen deze beide citaten, uit twee politiek zoo verschillende (?) monden opgeschreven.
't Moet echter duidelijk zijn, dat voor het rationeele bestaan van een corps toezicht-uitoefende ambtenaren, het daarzijn van een of meer toezicht-noodighebbende ambtenaren-corpsen in de eerste plaats noodzakelijk is, het betrekkelijke van de laatste behoefte hier dan in 't midden gelaten. Wil men niet geraken tot toestanden als die door den bekenden romanschrijver Aimard ('n vriend uit m'n jeugd I) worden beschreven als voor een aantal jaren in Mexico te hebben bestaan: nl. een corps van 24000 generaals voor een leger van slechts 20000 man, dan is er daarnaast aan een logische verhouding tusschen de aantallen der beide ambtenaren-groepen behoefte.
Om tot een oordeel over de mogelijkheid en de doeltreffendheid dezer regeerings-voornemens te kunnen komen, dienen we dus eerst naar het bestaan en de verhouding der beide categorieën een onderzoek te doen.
Hoe stond het tot voor weinige jaren met de formatie van het kantoorpersoneel ?
De kantoren werden bezet door: commiezen, klerken en assistenten. Van deze drie groepen was de laatste numeriek verreweg het zwakste en op het aspect der formatie dus niet van overwegenden invloed. Met de beide eerstgenoemden was dit anders. Zij beiden vormden samen vrijwel de kantoor-formatie.
En wat was nu van deze bezetting het karakteristieke?
Dit, dat de beide groepen, waaruit ze bestond, in technisch opzicht dezelfde soort kwaliteiten bezaten. Principieel voldoet het klerken-corps aan dezelfde vereischten, (n.1. algemeene en vakontwikkeling) als dat der commiezen en beide corpsen hebben dan ook dezelfde soort rechten, nl. die tot solliciteeren naar kantoor-directies. Zoo goed als de commies was en is de klerk tot zelfstandige uitoefening van den dienst en tot het voeren van beheer gerechtigd.
't Ligt voor de hand, dat, eventueele persoonlijke of corps-neigingen van het personeel nog daargelaten, het belang van een goede dienstuitvoering aan een toezicht door de eene groep over de andere uitgeoefend, geen onafwijsbare behoefte kon toonen. Er is dan ook van zulk een toezicht door het commiezen-corps over het klerken corps nooit sprake geweest. Waar de omvang van een kantoor of bureel het
4i8
functioneeren van speciale toezicht-etc,-ambtenaren eischte, daar strekte zich de taak dier functionarissen uit over de aan den practischen dienst deelnemende commiezen zoowèl als over de klerkenen adsistenten i).
Den laatsten tijd is in dit aspect der formatie verandering gekomen. Door een sterke uitbreiding van het corps assistenten alsmede door de instelling van de aan het hoofd van dit hoofdstuk onder 4e genoemde „nieuwe" ambtenaren-groepen is die der klerken numeriek niet meer van overwegenden invloed. Bovendien deelt ze mèt de commiezen het lot door deze indringers uit steeds meerder functies te worden verjaagd.
Maar ook niet meer dan dat lot. Voor de rest zijn beider wegen geheel verschillend, want: de commiezen-categorie heeft als categorie bij het vak een toekomst. De klerken niet.
De groei der reeds meer genoemde nieuwe corpsen is toch in wezen niets anders dan een groei van het technisch eenzijdig-ontwikkeld personeel bij ons dienstvak; een groei, die in tweeërlei opzicht belangrijke gevolgen met zich brengt.
Eenerzijds toch maakt de aanwezigheid der goedkoopere, gespecialiseerde, arbeidskrachten, die van de duurdere algemeenbruikbare overbodig. Steeds beter kunnen daardoor commiezen en klerken als manipulatieve ambtenaren worden gemist. Vandaar dan ook, dat ze als zoodanig verdwijnen.
Anderzijds echter beteekent de uitbreiding der nieuwe groepen eveneens een noodzakelijke uitbreiding van het corps controleerende ambtenaren. Het aantal der zoo vurig en zoo lang door de commiezen geambieerde „chef-baantjes, is dus mèt de kans om er een van te bemachtigen, groeiende en eenerzijds als aröeids-kracht overbodig geworden, wordt de commies aan de andere zijde als arbeids-/*7 van de burgerlijke demokratie, de "^^^^^^O^ fantastisch aangelegd noemen. En de ^ ehMdameU-
BÏE ^fkSne ^ §£Vaar
^r^ marxist£n. JÈSS rSES» r^t m^peelsche vingers uw starre scheidingen omver.
IV.
DE ONDERSCHEIDING EN INDEELING DER KARAKTERS. A. De elementen van het karakter.
•• v,Pr o-ebied der karakter-indeeling nog alles De psychologen zyn op het gebied, oer k behalve" tot eenstemmigheid gekomen. z.I ^»en J^* "gj J* ^ gemeenschappelijk uitgangspunt voor deze lndee ng bereiken is ook niet mogelijk, zoolang de der kelijk richtingen in de psychologie over^^ ^t wez n yk en ^ P vermogen in het menschelijk bewustzijn is. , voortduurt. Ribot b.v., wiens indeellng« ™f^e^elen (wLrvan fijnheid van waarneming uitmunt, acht als sensuahst het {
-^tViten de kommunale! Toevallig verlangden *-^^tÏÏÏ^ gekozen te worden, bij de verkiezingen van 1903 en 1907 geen aanvaarden, daar de parlementaire praktijk hen niet aantrok.
486
hij het willen niet afzonderlijk onderscheidt) en handelen, het wezen van den mensch, en telt het verstand niet tot de oorspronkelijke funkties van het bewustzijn. Hij onderscheidt dan ook slechts twee hoofdklassen • de sensitieveri en aktieven, waarbij nog een derde komt, de apathische^ gekenmerkt door de uitdroging van daadkracht en gevoel Fouilléé daarentegen, min of meer intellektualist i) en bestrijder van Ribot beschouwt het verstand als een oorspronkelijk element van de o-eêstehjke ontwikkeling De voluntarist Lossky ziet in de richting van het willen den grondslag van het karakter 2). Meumann die in 't bijzonder de verhouding van verstand en wil en hun invloed op het karakter onderzocht heeft, komt evenals Ribot, tot een indeeling in twee klassen nl. in de voluntaristisch-denkenden (zij wier denken door hun begeerten bepaald wordt) en intellektueelen 3). Hij schakelt dus, in tegenstelling met Ribot, de aktiviteit als bepalend beginsel geheel uit
De meeste hedendaagsche psychologen echter nemen drie hoofdklassen aan, naar het overheerschen van een der drie groote funkties van het bewustzijn. Dit deed reeds Bain wiens „Study of Charakter" in 1861 verscheen dit doet Fouilléé en ook de fransche psycholoooMalapert, wiens indeeling in zijn werk „Les éléments du caractère et ïeurs lois de combinaison" ik hier grootendeels volg. Men bedenke echter wel dat de psychologie heden ten dage nog behoort tot wat een harer voornaamste beoefenaars noemt de „halve" of „slecht-georgamseerde" wetenschappen 4); dat zij, volgens een ander harer coryfeeën, ongeveer zoo ver is als de natuurwetenschap was voor eenige eeuwen 5). De „wetten" die zij aan het licht heeft
rSah k b>eh0°p" meeS,t a°S tot wat Heymans „empirische regelmatigheden en Ribot „algemeene feiten" noemt
De indeeling der karakters door de moderne psychologie heeft dus nog lang geen absolute streng-wetenschappelijke waarde. Zij is niet meer dan een poging onder vele, ons te oriënteeren in de verbijsterende menigte der psychische verschijnselen, door hun dragers, de menschehjke persoonlijkheden, naar bepaalde gezichtspunten te ordenen De lijnen die zij trekt zijn niet meer dan hypothesen, zij hebben een voorloopig karakter. Voor we, dit altijd in 't oog houdend, de indeelinoder menschen in bepaalde groote klassen nagaan om te trachten zoodoende een op goede gegevens berustende meening te krijgen welke hunner tot het Marxisme zullen neigen, is het noodig de elementen te beschouwen waaruit het karakter is opgebouwd. Die elementen zijn : de verschillende bestaanswijzen of vormen, de onderlinge verhouding, en de wederzijdsche mwerking van de drie groote menschelijke vermo|ens : gevoel, intellekt
Onder het woord gevoel, vatten wij zoowel stemmingen, psychische toestanden, berustend op het vermogen tot genieten en lijden, als neigingen en begeerten samen. Wij onderscheiden het gevoel naar verschillend^ kwaliteiten van duur, van snelheid of langzaamheid der
psychc^'^ SpI*» en Leibniz waren, kent de huidige
VinsteHooStak. GrUDd!ehren der Psychologie vom Standpunkt des Volontarismus,
3) Meumann, Intelligenz und Wille.
4) Ribot in zijn „Essai sur 1'imagination cre'atrice," bl. 202.
5) U Heymans, de toekomstige eeuw der psychologie, bl. 8.
487
reaktie, van levendigheid en van intensiteit. Hunne kombinaties vormen de verschillende temperamenten. Malapert onderscheidt: het apatische, het sensitieve, het emotioneele en het hartstochtelijke temperament. Bij de beschouwing der karakters komen wij op deze verschillende zijnswijzen van het gevoel nader terug.
Maar behalve de kracht, de onstuimigheid, de volharding der neigingen en aandriften, is hun richting, hun doel, hun wezen zelf van belang voor de samenstelling van het karakter. Al naarmate b.v. de aandrift van zelfbehoud (zich uitend in vrees of toorn) de sociale aandriften (berustend op sympathie en het teeder gevoel) het zelfgevoel (zich uitend in hoogmoed, eerzucht, heerschzucht enz.) zwakker of sterker zijn in een mensch van hartstochtelijken aanleg, zal zijn karakter in werkelijkheid geheel verschillend zijn. Wie de rol der egocentrische en altruist ische aandriften in de vorming van het karakter geheel verwaarloost en uitsluitend op de wijze te reageeren van het gevoel let, komt er toe totaal uiteenloopende persoonlijkheden bij een en dezelfde klasse in te deelen, gelijk Ribot het b.v. Napoléon en St. Vincent de Paul bij de „sensitifs-actifs" doet.
Ook de vormen van het intellekt kan men naar verschillende kenmerken onderscheiden. Ten eerste naar het materiaal dat het bij voorkeur gebruikt in de hoofdtypen van het instinktieve, het zinnelijke, het emotioneele en abstrakte denken. Van grooter belang is de onderscheiding naar de wijze waarop dit uiteenloopend materiaal gerangschikt en gebruikt wordt, nl. in automatisch en zelfstandig denken. Bij beide bestaat de psychische werkzaamheid min of meer in een dubbele beweging: nl. van dissociatie en associatie. Naarmate in een geest het automatisme of het zelfstandig denken het sterkst is, en dat in het eene of het andere geval, de dissociatie of de associatie de overhand heeft, krijgen alle afzonderlijke verstandelijke funkties — geheugen, verbeeldingskracht, gedachte, associatie, oordeel, redeneering, —■ een bijzonder aspekt. De onsamenhangenden, de oppervlakkigen, de verwarden, ziehier eenige typen van intellekten bij welke automatisch denken en dissociatie overheerschen. Een tegenstelling met deze kategorieën vormen zij, bij wie de automatische associatie de hoofdtrek is: „het spel der psychische elementen, instee van te zondigen door overmaat van onafhankelijkheid, zondigt door overmaat van samenhang." Dit zijn de menschen van het mechanisch geheugen, hun oplettendheid is weinig buigzaam, oordeel en redeneering zijn slecht ontwikkeld. Onder aan de ladder van deze groep vindt men de zwakhoofdigen, op een hoogere sport de geborneerden, de menschen van de routine en het gezonde verstand; weinig oorspronkelijk, log en zwaar, zonder verbeelding. Weer wat hooger staan de enge geesten, bij wie het zelfstandig denken begint, ze zijn in staat tot redeneeren, tot het in systeem brengen hunner gedachten, maar overdreven stelselmatig, exclusief en koppig. „De steilheid van hun geest bederft de kwaliteiten die zij kunnen hebben en die zij het ongeluk hebben te overdrijven". Wij komen nu van deze tusschentrap, tot de voornamelijk zelfstandig denkenden, de aktieve, persoonlijke intellekten of intelligente menschen, (daarom nog niet types intellectuels.) Onder hen kunnen wij hoofdzakelijk onderscheiden: de analytische geesten, meer geschikt schakeeringen te onderscheiden, in iets door te dringen en het zich te assimileeren, dan op te bouwen en.
483
te kombineeren. Zij hebben een neiging tot spitsvondigheid en scepticisme. Gaat deze neiging met een overheerschen van de associatie door tegenstelling gepaard, dan ontstaat het type van den critischen tot tegenspraak geneigden geest, den intellektueelen kemphaan.
Een tegenstelling met hen vormen de spekulatieven of kombineerenden, hetzij deduktief of induktief te werk gaande, de breede en scheppende verstanden. De hoogste intellektueele begaafdheid vinden wij bij hen, die groote scherpzinnige kracht tot ontledend denken met diepzinnige kombinatiegave, kracht tot synthese vereenigen. Meumann (Intelligenz und Wille 161 —162) noemt als type van een denker, die in de hoogste mate analytische en kombineerende gaven bezat, Kant. De sociaaldemokraat komt natuurlijk onmiddelijk Marx in de gedachte.
Ten slotte eenige opmerkingen over de vormen der aktiviteit en die van den wil. Aktiviteit en wilsvermogen, ofschoon nauw verbonden en moeilijk te scheiden, zijn toch niet hetzelfde. Er bestaan zeer aktieve menschen, die weinig wilskracht hebben; hun aktiviteit is het gevolg van overmaat van spier- of zenuwkracht en draagt een min of meer automatisch karakter. Omgekeerd zijn er zeer wilskrachtige menschen, bij wie de wil meer den vorm van zelf beheersching aanneemt, dan dat hij naar buiten uitslaat en zich in daden ontlaadt.
Afgezien van haar samenhang met den wil, kan men de volgende graden en soorten van aktiviteit onderscheiden: 1. De niet-aktieven (deze zijn weer als volgt in te deelen: de eigenlijk apathischen, de nietaktieven door overmaat van emotionaliteit, de niet-aktieven door overmaat van beschouwend of ontledend denken); 2. de eigenlijke aktieven, dat zijn de naturen, die een spontane behoefte hebben hun kracht op allerlei wijzen uit te geven, (te onderscheiden in laugzame, loome, kalme — en geagiteerde, levendige, haastige actieven): 3. de re-aktieven dat zijn zij, die slechts tot handelen overgaan zoo hun aktiviteit door bepaalde prikkels opgewekt wordt.
Om duidelijk te maken, hoe aktiviteit en wilsvermogen vaak onvoldoende onderscheiden worden, wil ik de hoofdtrekken aanhalen van Fouillée's beschrijving van het aktieve temperament „met snelle en intenze reaktie." Dit temperament heeft volgens hem het vermogen tot- en de behoefte aan groote uitgifte van spier- en zenuwkracht. Het lichaam is gespierd maar droog; de stofwisseling snel. In vele gevallen is er neiging tot prikkelbaarheid. Tegenover hinderpalen, zijn de vurige naturen geen menschen om toe te geven, daar zij altijd behoefte hebben hun energie te ontladen. Met betrekking tot hun medemenschen, zullen zij neigen tot despotisme. Zij zijn „despoten van natuur." Het bezit van energie heeft natuurlijkerwijs tot gevolg vertrouwen en hoop. Het is een veer die niet verlammen kan. Daarom zijn de sterke en aktieve willen eerder geneigd tot optimisme dan tot pessimisme.. . .
Men ziet hoe in deze beschrijving het begrip „aktiviteit" en het begrip „wilskracht" eindigen met geheel ineen te vloeien. Fouille geeft ons hier niet 't type van aktieve naturen zonder meer, maar van aktieven met veel wilskracht, wat volstrekt niet altijd samen behoeft te gaan, al zullen doorgaans de zeer wilskrachtigen ook aktief zijn.
4«9
Laat ons nu nog een oogenblik stilstaan bij de vormen van den wil De eerste grondeigenschap van den wil is de mate van zijn kracht. Wie groote wilskracht of energie heeft, is de krachtige natuur, die geen hinderpalen kent, die door tegenstand of uiterlijke bezwaren slechts versterkt wordt in de uitvoering zijner doeleinden. De energie uit zich tweevoudig: als impulsieve, positieve- en als terughoudende, afwerende kracht. Willen is zoowel zich weerhouden van te handelen als handelen. Naar gelang in de wil meer het impulsieve of het terughoudende element overheerscht, zijn kracht dus meer naar binnen of naar buiten gericht is, kunnen wij zeer verschillende typen van wilskrachtigen onderscheiden : de ,,beheerschers van zichzelven" en ,,de menschen van de daad."
De tweede grondeigenschap van den wil is de mate zijner volharding. De volhardende wil ontwikkelt niet slechts voorbijgaand of bij een enkele handeling intensiteit en energie, maar vermag een relatief-gelijke mate van beide te bewaren bij de uitvoering van lange moeilijke ondernemingen enz. De eigenschappen van den intensieven en volhardenden wil zijn de voorwaarden tot al het werkelijk-groote wat de mensch vermag tot stand te brengen. „Op hen berust de vlijt, die niets anders is als volhardend en intensief willen." i) Naast de kracht en volharding, is vooral de geslotenheid van den wil van belang. De wil van de meeste menschen is niet gesloten, niet eenig, zij bestaan uit verschillende systemen, die noch dezelfde mate van aktiviteit, noch van gevoeligheid, noch van organisatie hebben. Hun wil is gespecialiseerd en gedifferencieerd. „Onwrikbaar op sommige punten, kan men op andere zwak zijn en toegeven zonder tegenstand." De meeste menschen zijn gespleten in verschillende persoonlijkheden wier willen niet overeenstemmen ; zeldzaam zijn de individuen wier wil niet slechts sterk en volhardend, maar ook eenig is, die alle neigingen en vermogens ondergeschikt maken aan de wet van een heerschend beginsel. Zij alleen zijn de „grand volontaires", de „groote willers" — en de sterke karakters bij uitnemendheid.
B. De relatie en zvederkeerige inwerking der psychische krachten.
Eer wij van deze vluchtige analyse der karakterelementen tot de beschouwing hunner verbinding in de verschillende karakters overgaan, is het noodig een paar opmerkingen te maken over de verhouding dezer elementen en hun wederzijdsche beïnvloeding.
De vraag naar het oorspronkelijke element in of van het menschelijk bewustzijn, is voor den dialektisch-denkende ijdel, want, terwijl hij het intellektualisme, dat in het gevoel slechts een onklare gedachte ziet, verwerpt, huldigt hij evenmin een eenzijdig sensualisme of voluntarisme. Het voelen tegenover erkennen en willen als oorspronkelijk te beschouwen gaat niet aan: alle funkties hangen onverbrekelijk samen. Ook de meest elementaire sensatie bevat een verstandelijk element want zij bevat de onderscheiding van een innerlijke verandering, die haar eigen hoedanigheid, haar bijzondere schakeering bezit. In het domein van lust' of onlust, is geen keuze, geen voorkeur mogelijk zonder het onderkennen der eene van de andere. In nog hoogere mate dan iedere aandoening,
i) Meumann. bl. 238.
31
4QO
moet iedere willing een aanschouwend, een intellektueel element bevatten: doet hij dit niet, dan is hij zuivere reflex, en valt, naar het overeenstemmend oordeel der hedendaagsche psychologie, in 't geheel niet meer onder de wilshandelingen. Dit wat aangaat de oorsprong, de genesis der verschillende psychische krachten i). Nu nog een paar woorden over hun ineenschakeling in het ontwikkeld bewustzijn. Tegenover Bonger's onvoorwaardelijke regel „het gevoel meester, het verstand knecht," stellen wij, in het algemeen de juistheid ervan erkennende, de volgende overwegingen, die den regel niet opheffen, maar dialektisch begrenzen.
De kwaliteiten en bestaanswijzen van het gevoel vormen bij lange na niet de geheele persoonlijkheid : deze hangt in even hooge mate af van de wijze, waarop de wil en het intellekt van een mensch op zijn temperament reageeren. De beide laatsten zijn in veel hoogere mate dan de gevoelsfeer op zich zelf, van belang voor het leven; mag ook de zuivere gevoelsmensch een nog zoo rijk innerlijk bezitten, belang voor het leven krijgt dit slechts door de wils-vormen en intellektueele vormen die het aanneemt, in den dienst van wil en verstand 2).
Over de wederzijdsche beïnvloeding en doordringing van gevoel, wil en intellect is natuurlijk oneindig veel te zeggen. Hier slechts de volgende opmerkingen, die voor het doel dezer studie van belang zijn.
Tusschen de vormen van gevoel, wil en intellekt bestaan bepaalde en bestendige afhankelijkheden. Deze zijn tweevoudig: ten eerste van uitsluiting, ten tweede van onderlinge betrekking. 3)
Bepaalde vormen van verstandelijken aanleg, zooals een zuiver spekulatieve en beschouwende richting van den geest, een speelsch dilettantisme, een overmatige ontwikkeling van de romantische verbeelding en, ten slotte, de zucht van ontleding en twijfel, de overmatige geestelijke spitsvondigheid, sluiten een hooge mate van aktiviteit uit 4). Wat dit laatste aangaat, merkt Fouilléé terecht op dat de verlammende twijfelzucht geen bewijs van werkelijke geestelijke meerderheid is. Zij hangt (afgezien van haar wortels in de gevoelsfeer) doorgaans samen met de onmacht het voornaamste en het bijkomstige te onderscheiden, dat is met gebrek aan doorzicht en oordeelskracht.
Voelen en denken behoeven op geen enkelen hoogtegraad elkaar uit te sluiten, de verbinding van een ontwikkeld intellekt en een levendig gevoel komt vaak voor; zelfs de meest abstrakte geesten, de groote spekulatieve intellekten als Newton, Spinoza, Leibniz en Pascal, hebben althans één hartstocht gehad: die van kennen en weten; hun gevoeligheid heeft zich geconcentreerd in de dingen van den geest.
Tusschen de vormen of bestaanswijzen van gevoel en verstand heerscht echter een nauwe samenhang; zij zijn „ofschoon in zekeren zin onafhankelijk van elkaar, in anderen zin in een voortdurenden toestand
1) Men zie hierover o.a.: Wundt, Essa)-s, die Entwicklung des Willens, en Kleine Schriften II, Zur Lehre von den Gemiithsbewegungen.
2) Meumann, Intellekt und Wille, inleiding,
3) Malapert, Les éléments du caractere. bl. 185.
4) Malapert, bl. 187.
491
van wederzijdsche aktie en reaktie, elkander op de innigste wijze doordringend en wijzigend, i)
Waar het niet mogelijk is hierop nader in te gaan, wenden wij ons nu tot het verband tusschen handelen en voelen. Ook deze zijn natuurlijk nauw verbonden. Wel bestaat er eene spontane aktiviteit, het antwoord van het organisme op voedsel, die zonder prikkel van buiten tot stand komt, maar toch brengen prikkels haar 't overvloedigst tot uiting. 2) De opwinding die een buitengewoon sterke toevloed van zenuwkracht voor het organisme beteekent, leidt tot een tijdelijke verhooging van den sterktegraad van alle aktieve opwellingen: elke handeling op zulk een oogenblik uitgevoerd, wordt het met macht. 3)
In dien zin kunnen we zeggen, dat gevoel en daad absoluut bijeen behooren, dat wij ,,voelen om te handelen". En toch bestaat er in zeker opzicht ook een tegenstelling tusschen emotie en aktiviteit, sluiten zij elkaar in zekere mate uit. „Voor de meerderheid der menschen heeft een der beide groote funkties de bovenhand over de andere en dit ten gevolge van de wet van het evenwicht der organen, die medebrengt dat een uiterste op één punt tot gebrek op andere punten voert. De reden hiervan is, dat de totale energie van het organisme beperkt is. Het organisme heeft zijn budget: gedwongen tot overmatig krediet is het in den regel niet in staat tot andere uitgaven. . . . Waardoor komt het, dat de ultra-sensitieve temperamenten doorgaans weinig neigen tot aktie? Daardoor dat, behalve den normalen weg: de daad, er nog twee andere banen zijn langs welke de energie haren stroom kan nemen." 4) — De eerste dier beiden is de gedachte, de tweede het zich voedende en verterende emotioneele leven zelf.
Waar de gevoeligheid den vorm aanneemt van het reageeren ook op geringe prikkels door heftige emotie, wordt deze noodzakelijk gevolgd door afmatting. Zij is een krachtverbruik voor het organisme, dat rijke en regelmatige aktiviteit, volharding van den wil uitsluit. . . . „Bij de emotioneele naturen is de wil zoowel explosief als onvast, hij slaat op hol en is onder den druk van een aandoening, een beweegreden, machteloos zich in te houden; maar daar de emoties elkaar plotseling verdringen, de beweegredenen niet lang door het bewustzijn kunnen worden vastgehouden en zoodoende geen blijvend beginsel van aktie vormen, geeft de persoonlijkheid haar aktieve kracht op 't oogenblik zelf uit en deze wordt onmiddellijk uitgeput, het gedrag is chaotisch, de wil beurtelings overspannen, onzeker en machteloos. Op tijdperken van hevige overspanning volgen tijdperken van depressie, uitputting, onmacht. Er bestaat een bijna totaal onvermogen zich te beheerschen, de emotiviteit is onvereenigbaar met een vaste en volhoudende wil; dan is de macht tot handelen verwonderlijk verzwakt, gedurende de fasen van uitputting, dan weer is de kracht van zich in te houden verdwenen, gedurende de fasen van overspanning. Zoo is het samengaan van impulsiviteit en onzekerheid verklaarbaar, die men bij dit menschensoort opmerkt." 5)
1) Malapert, op. cit.
2) Bain, the Kmotions and the Will.
3) Bain, bl. 311.
4) Fouilléé, le temperament physique et moral.
5) Malapert, bl. 182.
31*
492
De psychologie neemt dus als regel aan, dat de menschen van het emotioneele type zwak zijn zoowel in willen als in handelen. Bonger die de Marxisten bij dit type indeelt, ontzegt hun daarmee wilskracht en aktiviteit, wat in flagrante tegenstelling is met de ervaring.
Ten slotte eenige opmerkingen over de verhouding van het willen tot intellekt en gevoel.
Met beide is de wil onverbrekelijk ineengeschakeld. Evenmin als een „zuivere gedachte" eenige beweegkracht heeft, evenmin kunnen wij ons een wil voorstellen, los van gevoel en gedachte; en met den inhoud en kracht dier gevoelens en den omvang en de hoedanigheid van het verstand, hangt de aard en richting van het willen samen.
Welke der beide funkties van den wil, die van zich inhouden, afweren, of die van zich uitstorten het overwicht zal hebben — daarover beslist grootendeels de intellektueele aanleg. De terughoudende kracht — een wezenlijk bestanddeel van de zelfbeheersching, is, gelijk Fouilléé zeer fijn opmerkt, meestentijds het resultaat van veelvuldige gedachten en gevoelens, die opwellingen in verschillende richtingen teweeggebrengen. Zij zal de wilsvorm zijn van hen, die hetzij van nature of door opvoeding een rijk geschakeerde, veelzijdige hersensorganisatie bezitten, i) Deze gemakkelijkheid tot het inzien van verschillende mogelijke wijzen van handelen blijft in werking ook nadat het oordeel gevormd en het besluit uitgevoerd is. Vandaar bij zulke personen een blijvend vermogen, op om hun oordeel terug te komen en hun gedragslijn te wijzigen. Daarentegen zal wanneer het intellekt eenvoudiger, minder spitsvondig, en de wil van nature krachtig is, deze het explosieve type aannemen. Een wilskrachtige van deze soort zal weinig aarzeling kennen; hij zal er toe neigen, in elk geval aan zijn overtuiging en gedragslijn vast te houden. En hoe feller de hartstochten zijn die den wilskrachtigen mensch bewegen, des te minder zal zijn wilsvorm vermogen zijn zich te beheerschen, des te meer zal deze hoe intens, aktief en onverzettelijk ook, overheerschend explosief zijn.
Maar zoo de graad en kwaliteit der intellektueele organisatie den wil beïnvloedt, oefent deze laatste zijnerzijds een aanzienlijke werking op sommige verstandelijke funkties uit. Van belang voor ons doel is voornamelijk het verband tusschen wilsvermogen en oplettendheid. De „opzettelijke oplettendheid" (in tegenstelling tot de spontane) heeft tot onmisbare voorwaarde eene sterke spanning van den wil. „Groote oplettendheid wordt altijd veroorzaakt en ondersteund door groote hartstocht". Een roeping is „een oplettendheid die haar baan vindt en deze betreedt voor het leven". Haar krachtige duurzame vormen hangen uitsluitend van het gemoedsleven af. 2)
Gelijk wij bij de beschouwing van de klassificatie der karakters zullen zien, is dit punt van groot belang voor de vaststelling van de predispositie tot het marxisme. Gaan wij thans tot deze klassifikatie over.
(Wordt vervolgd).
1) Dit beteekent natuurlijk niet, dat dergelijke geesten altijd veel wilskracht hebben.
2) Ribot, Psychologie de 1'attention.
Overzicht der Tijdschriften.
DIE NEUE ZEIT, 31 Maart 1911 :
Wij vinden in deze aflevering een interessant artikel over De burgerlijke jeugdorganisatie in Duitschland, door Max Peters. Het ontleent zijn stof aan een onlangs door den bond van duitsche jongelieden-organisaties uitgegeven boek: „Die bürgerliche jugendbewegung", geschreven door Karl Korn.
Peters wijst eerst op het buitengewone belang van het onderwerp. Niet minder dan 37.T millioen jongelieden van 14 tot 18 jaar zijn volgens de beroepstelling van 1907 in bedrijven werkzaam. De confessioneele jongelieden-vereenigingen verliezen, door de economische ontwikkeling vooral in de steden, aan invloed. De pruissische regeering heeft thans op de begrooting van 1911 een millioen Mark uitgetrokken, om een stelselmatige organisatie van de verzorging der jeugd te beginnen- Dit beteekent een aanslag op de kinderen van het proletariaat.
De katholieke jongelieden-vereenigingen zijn van betrekkelijk jongen datum ,• zij dateeren van omstreeks 1870 en hun grooteren omvang kregen zij eerst in de jaren tusschen 1880 en 1890. In den laatsten tijd ontwikkelen de katholieken, beangst voor de sociaaldemokratie, een bijzonderen ijver bij het organiseeren der jeugd-
Sedert 1896 bezitten de katholieke jongelingsvereenigingen van geheel Duitschland een stevige centrale organisatie. De centralisatie bestaat hierin, dat de geestelijke leiders georganiseerd zijn in het zoogen „Zentralverband der Prasides der Katholischen Jugendvereinen Deutschlands". De vereenigingen geven een aantal tijdschriften uit.
Bij het „Zentralverband" waren in 1909 1615 vereenigingen aangesloten, met ongeveer 200,000 leden, van welke een 30 percent boven de 18 jaar zijn; 942 dezer vereenigingen met twee derden van het geheele ledental zijn in de pikzwarte diocesen Keulen, Munster en Paderborn gevestigd. Een aantal andere organisaties nog medegerekend, komt men tot een totaal van 2850 vereenigingen met 300.000 leden. De vereenigingen voor meisjes beteekenen niet veel.
De evangelische jongelings-vereenigingen vertoonen veel meer verscheidenheid, en gaan van zeer uiteenloopende opvattingen uit, hiermede kenschetsend de theoretische onzekerheid van het protestantisme. Er zijn zes of zeven richtingen te onderscheiden.
De geschiedenis dezer vereenigingen begint in de jaren tusschen 1830 en 1840. In de periode der .,socialisten-wet" kregen zij nieuwe levenskracht.
Van de gecentraliseerde bonden is verreweg de sterkste de Westduitsche Jongelingsbond; hij telde in 1909 44,484 leden, waarvan 15 550 jonger dan 17 jaar en 8640 tusschen 17 en 21 jaar oud, terwijl meer dan 20,000 der ,.jongelingen" ouder dan 21 jaar zijn en veelal gehuwde mannen. Deze bond behoort met negen andere tot het „Nationaal Verbond van evangelische jongelingsvereenigingen ' (Nationalvereinigung der evangelischen Jünglingsbündnisse"), dat in 1910 ongeveer 125,000 leden telde. Zeven bonden, niet hierbij aangesloten, hebben te zamen nog 8000 leden.
Op den linkervleugel der evangelische jeugdbeweging staat de „Bund deutscher Jugendvereine", een organisatie in vrijzinnig-hervormden geest, voortge-
494
komen uit de bezwaren van eenige liberale predikanten tegen het werk der andere jongelingsvereenigingen. De bond omvat 59 vereenigingen, met 3100 leden.
Sedert het midden der vorige eeuw is ook onder de christelijke meisjes organisatie gebracht Van zulke ,,evangelische jongedochters-vereenigingen", sedert 1892 gecentraliseerd, werden in 1910 4500 geteld met 40,000 leden. Zij werken voornamelijk als Bijbelkransjes. De groote massa der leden is ouder dan 17 of 18 jaar; de vereenigingen reiken zelfs medailles, diploma's en andere goedkoope eerbewijzen uit aan meisjes, die tien, twintig of vijf-en-twintig jaren achtereen lid zijn 1
De Evangelische vereenigingen geven tal van tijdschriften, kranten, brochures, boeken en traktaatjes uit.
Joodsche jongelings-vereeningen zijn er in Duitschland 55, met circa 7000 leden. Meerendeels zijn zij ontwikkelings-clubs van jonge lieden, die voor den handel opgeleid worden. De vereenigingen vormen in den laatsten tijd ook een bond.
Interkonfessioneele jeugd-verzorging. Van de burgerlijke jeugd-vereenigingen, die op de jonge lieden beslag trachten te leggen zoodra ze de school verlaten hebben, is wel de belangrijkste en tevens gevaarlijkste, de „Deutsche Turnerschaft". Zij laat de jonge lieden van hun 14e tot hun 17e jaar in de aspirantenafdeelingen toe. Op 1 Januari 1910 telden zij 161,097 aspiranten op een totaal van 946,115 turners. Naar schatting waren 200,000 mannelijke turners tusschen 18 en 21 jaar oud. De „Deutsche Turnerschaft omvat dus een 360,000 jongens tusschen den schooltijd en den militairen diensttijd. Er zijn ook vrouwelijke leden, n.1. 53,447, waarvan de helft jonger dan 21 jaar. De turnersbonden worden in Duitschland als de groote bestrijders der sociaal democratie beschouwd, waar deze invloed op de jeugd uitoefent.
De jeugd-verzorging van Staatswege.
Naarmate de groot-industrie beslag legt op de jeugd, wordt de oude methode om met konfessioneele vereenigingen de jongelieden te bedwingen, minder vruchtbaar. De moderne jeugd „laat zich niet meer bepreeken", zooals van christelijke zijde terecht opgemerkt is. De katholieke en de evangelische organisaties hebben dus in den laatsten tijd zich beijverd, hunne milieu's nieuwe aantrekkingskracht te verzekeren. Het „reddingswerk" is nu ook door de Pruissische bureaukratie ter hand genomen. Een regeeringsbesluit van November 1901 droeg den regeerings presidenten en den Berlijnschen hoofdcommissaris van politie op, de bestaande vereenigingen ten krachtigste te steunen. In 1905 werd deze opdracht herhaald en in hetzelfde jaar gaf de minister van onderwijs den wensch te kennen, dat vooral den onderwijzers der volksscholen krachtig zou worden aanbevolen de jeugd-organisatie te bevorderen.
De wenschen der regeering vonden vervulling in den arbeid der „Zentralstelle für Volkswohlfahrt", een van staatswege gesubsidieerd lichaam, dat van 24—26 Mei 1909 te Darmstadt een „jeugd-congres" bijeen riep, waar de jeugd zelve ontbrak. Deelnemers waren regeeringspersonen en regeeringsorganen, werkgeversbonden, stadsbesturen, het leger, de marine, de leiders der evangelische, katholieke en interkonfessioneele jeugd-organisaties, en een aantal onderwijs-mannen en pedagogen. Tengevolge van dit congres werd kort daarna een werkplan vastgesteld, dat voornamelijk op het volgende neerkomt: ie plaatselijke centralisatie van alle vereenigingen voor en van de jeugd, verbinding van de plaatselijke bonden tot grootere, die allen ten zamen jaarlijks den „Jugendpflegetag" organiseeren; 2e Aansluiting aan de scholen voor voortgezet lager onderwijs, waarvan men inrichtingen tot het vormen der jeugd maken wil, zóó, dat zij op de jongelieden, die in beroepen of bedrijven werken, buiten den arbeid geheel beslag leggen; 3e steun van staat en gemeenten bij dit werk.
495
Dat van dit alles de bestrijding der sociaal-democratie het doel is, wordt niet verborgen Het komt ook duidelijk uit door de bemoeiingen van den Pruissischen minister van oorlog, die bevolen heeft de pogingen tot het opwekken van „een gezond-militairen geest" overal te steunen, o. a. door de scholen uit te noodigen tot het bijwonen van parades, manoeuvres enz., en de leerlingen dan goede plaatsen te geven.
De nieuwe burgerlijke jeugd-beweging is in menig opzicht in gunstiger conditie dan de socialistische. Zij beschikt over een leger van beambten, agenten, predikanten enz ; zij beschikt ook over rijke, door den staat vermeerderde, geldmiddelen, en over den steun van staatsgezag 'en kerk.
° Ondanks dit alles behoeven wij ze niet te vreezen, als wij onze sociaal-democratische jeugd-organisaties maar met zorg en net toewijding tot steeds hoogeren bloei brengen.
DIE NEUE ZEIT, 21 April 1911:
Van de vele belangrijke artikelen, die de „Neue Zeit" in de maanden April en Mei gebracht heeft, kunnen wij — wegens onze geringe plaatsruimte — slechts een tweetal bespreken. Het artikel van Max Schneider (Neurenberg) over ,De vermindering van de kosten der armenzorg door de arbeiders verzekering" is thans voor ons bijzonder belangrijk, nu over premiebetaling voor ziekteverzekering verschil van meening bestaat. Terwijl wij de lektuur van het artikel m zijn geheel aanbevelen, geven we hier enkele hoofdzaken van den inhoud weer.
Een werkelijke verbetering van den toestand der niet bezittende klasssen heeft, volgens den schrijver, de duitsche arbeiders verzekering niet gebracht. Evenals bij de armenzorg is het bij de sociale verzekering slechts te doen om den arbeider en zijn gezin op de karigste wijze voor algeheele verarming te behoeden, bij ongeval, ziekte of ouderdom. Waar de bescherming wat verder reikt is dit niet te danken aan de werkelijke verzekering, maar aan het zelfbestuur der verzekerden, die vrijwillig verplichtingen op zich genomen hebben welke verder gaan dan de wet voorschrijft.
Uit een studie van Dr. Fr. Zahn, in het „Zeitschrift des K. Bayerischen Statistischen Landesambt," blijkt dat de kosten der armenzorg door de arbeiders verzekering zeer aanzienlijk gedaald zijn. Dr. Zahn zegt zelf: „Een wijde kring van personen, die vroeger voor armenzorg in de termen vielen, is door de
dwangverzekering der arbeiders aan haar onttrokken Het aantal onder-
steunings-gevallen, waarin vroeger de armenzorg hulp bieden moest, onderging daardoor een aanzienlijke vermindering."
Een blik op de werking der verzekeringswetten krijgt men door de beschouwing der cijfers, die aangeven hoeveel de armbesturen terugbetaald krijgen van de organen der arbeidersverzekering, als zij voorloopige hulp verleend hebben aan personen, die op uitkeering uit de verzekeringskassen aanspraak mogen hebben. In München betaalde uit dezen hoofde de ziekenkassen alleen in 1895 aan het armbestuur 529.254 Mark, in 1909 zelf 963-085 Mark. In Hamburg kreeg het armbestuur in 1895 van verschillende verzekeringsorganen 32.616 Mark terugbetaald, in 1909 niet minder dan 222.546 Mark. De „Landesversicherungsanstalt" te Berlijn betaalde van 1895 tot 1909 aan het armbestuur 1.369 277 Mark, waarvan in het jaar 1909 alleen 231.897 Mark. Uit Berlijn is ook een opgave at komstig van het aantal gevallen, waarin het armbestuur bijspringen moest omdat de uitkeeringen der verzekerden te gering waren. Van 15.799 mannelijke invaheden, die rente genoten, kregen 2530 of 16.6 pCt. nog bedeeling bovendien. Van 13.082 vrouwelijke rente-trekkers kregen 2643 of 20.3 pCt. nog bedeeling erbij.
496
De voordeden van de verzekeringswetgeving worden het sterkst gevoeld door de armbesturen van arme plattelandsgemeenten. Bij een enquête, ingesteld door het statistisch bureau van Beieren, deelde de berichtgevers van 61 behoeftige gemeenten van Neder-Beieren, Oberpfalz, Ober- en Unterfranken, mee hoe zeer de verzekeringswetten de armbesturen van de zorg voor zieken, gebrekkigen en ouden van dagen bevrijdt. En zij waren van meening dat hunne uitgaven voor armenzorg nog veel geringer zouden zijn, als de verzekeringswetten zich over meer personen uitstrekten. De burgemeester van een kleine beiersche gemeente verklaarde zeifs, dat zijn gemeente in de laatste twee jaren geen pfenning voor armenzorg had behoeven uit te geven. ,,De zegenrijke werking der ziekte- en monliditeitsverzekering doen zich gelden," schreef hij.
Wanneer ondanks den hier aangewezen invloed der verzekeringswetten op de uitgaven der armbesturen, de bedragen der armenzorg, vooral in de groote steden, maar ook in de kleinere, nog dikwijls stijgen, dan is dit aan verschillende omstandigheden toe te schrijven. In zeer vele gevallen komt het, doordat de sociaaldemokratische gemeenteraadsleden de bijdragen der bedeeling weten te verhoogen. Verder heeft men te letten op de vermeerdering der bevolking en op de trek van het platteland naar de steden; ook op de uitbreiding van den
werkkring der armbesturen, krachtens wettelijke voorschriften enz Niet het
minst is het duurder worden der levensmiddelen een oorzaak van de stijging der kosten van het armenzorgDe schrijver komt tot de slotsom, dat de verzekerden arbeiders met de premies, die zij betalen, de gemeenten vele millioenen voor armenzorg besparen. En daar de uitgaven der gemeenten grootendeels door direkte belastingen gedekt worden, waaraan de meergegoeden meer betalen dan de arbeiders, komt dit hierop neer, dat door de verzekeringswetten een deel der lasten, vroeger door de gegoeden gedragen, op de schouders der arbeiders zijn gelegd!
DIE NEUE ZEIT, 28 April 1911:
Ter gelegenheid van het Meifeest geeft Kautsky eenige beschouwingen over „Oorlog en Vrede." In het eerste deel ervan maakt de schrijver een vergelijking tusschen de oorlogen van vroeger en die van thans. Hij stelt in het licht, dat zij thans, evenmin als in de 18e eeuw, in 't belang van de volksmassa's gevoerd worden. Zooals ten tijde van het absolutisme de vorsten oorlog voerden, om hunne gebieden te vergrooten — zoo komen thans de tegenstellingen der mogendheden voort uit de begeerte der kapitalisten om hunne afzetgebieden (koloniën en invloeds-sferen) uit te breiden, zonder dat de volksbelangen dit eischen. Nooit zijn echter in de wereldgeschiedenis de lasten van de gewapende vrede zoo drukkend geweest als tegenwoordig, en nimmer waren ook de gruwelen van den oorlog zoo afgrijselijk. Ten gevolge hiervan neemt de afschuw van den oorlog niet alleen bij de volksmassa's, maar ook onder de heerschende klassen toe. In deze laatste veertig jaren is het dan ook telkens gelukt, oorlog tusschen groote Europeesche mogendheden te vermijden. Hoe nabij het gevaar ook herhaaldelijk was, op het beslissend oogenblik schrikt iedereen terug voor de verantwoordelijkheid, de gruwelen van een modernen oorlog te ontketenen.
Terwijl hierdoor het oorlogsgevaar vermindetd wordt, vindt dit aan den anderen kant voedsel in den wedstrijd der mogendheden, die zich zoo duchtig mogelijk wapenen. De kosten der oorlogstoerustingen verpletteren de volkeren en het gevaar bestaat dat op zeker oogenblik een mogendheid, die zich sterker weet dan de anderen, maar geen mogelijkheid meer ziet voort te gaan met
497
vermeerdering der oorlogstoerustingen, van de verhoudingen gebruik maakt voor een poging om de andere te verslaan.
Zoo zien wij de begeerte naar het behoud van den vrede tegelijk met het oorlogsgevaar groeien. Daarbij komt nog de vrees, dat een Europeesche oorlog in een revolutie eindigen zal. Hietin is misschien wel de sterkste reden gelegen, om welke de bourgeoisie de vrede bewaren wil en naar ontwapening gaat verlangen. Anderzijds dwingt echter de vrees voor het proletariaat en zijn revolutie tot het sterk maken van de legers.
Door al deze dingen wordt de toestand hoe langer hoe meer onzeker, zoodat het mogelijk is dat wij uit de innigste vrede en het sterkste vredes-verlangen plotseling voor den bloedigsten oorlog komen te staan.
Wat kunnen wij doen om een oorlog te verhinderen? Ziehier de vraag, die Kautsky in het tweede deel van zijn artikel behandelt. Een aantal wegen staan ons open. In de eerste plaats moeten wij steun verleenen aan elke beweging der burgerij tegen den oorlog en de bewapening. Men moet deze beweging niet onderschatten. Zij komt uit even reële motieven voort, als de tegenovergestelde beweging, en wij hebben alle reden haar daartegenover te versterken.
Onze houding is hierbij dezelfde, als die wij tegenover het liberalisme in het algemeen aannemen. Zijn halfheid verliezen wij niet uit het oog, en zeker zouden wij verkeerd doen als wij van het liberalisme iets groots verwachtten en het proletariaat een demokratische politek van het liberalisme voorspelden. Wanneer de vrijzinnigen op 't oogenblik krachtig in de oppositie zijn, komt dit slechts door de verhoudingen van het oogenblik en beteekent het alles behalve de vorming van een sterke burgerlijke demokratie. Maar als het liberalisme nu oppositie voert, hebben wij toch geen reden het hierin te bemoeilijken in plaats van het op dezen weg aan zijn woord te houden. Zoo ook met de burgerlijke vredes-beweging. Wij kunnen niet volstaan met haar tegemoet te voeren, dat de oorlog nu eenmaal met het kapitalisme onafscheidelijk verbonden is. Zoo eenvoudig is de zaak niet. Als van burgerlijke zijde voorstellen komen tot het bewaren van den vrede en het beperken der oorlogstoerustingen, hebben wij alle reden deze te ondersteunen. De soc. dem. fraktie in den Rijksdag heeft dan ook onlangs zeer korrekt gehandeld, toen zij dit deed. Alleen dan heeft zij gedwaald, indien zij de aktie ozer partij bedoelde te beperken tot het aanbevelen van internationale overeenkomsten tusschen de mogendheden.
Hierdoor onderscheidt zich juist onze aktie van de burgerlijke, dat wij in internationale overeenkomsten niet de eenige, zelfs niet de voornaamste middelen zien tegen den oorlog en de oorlogstoerustingen. De sociaal demokratie bestrijdt ook het oorlogsgevaar in het eigen land, door weigering van de oorlogsbegrooting. Hierin staat zij alleen.
Van grooteren invloed is misschien nog de werkzaamheid van onze dagbladpers. Met de huidige legers kan geen oorlog gevoerd worden als de stemming daartoe niet in het volk aanwezig is. Een krachtige en uitgebreide socialistische pers kan door haar voorlichting veel doen om deze stemming te weren.
Op internationale kongressen heeft de Duitsche partij geweigerd de verplichting op zich te nemen, een eventueelen oorlog met alle middelen te verhinderen. Tot deze middelen werden de massa-staking en de opstand gerekend. Engelsche socialisten meenden bijzonder practisch te zijn door alleen de staking van die werklieden te eischen, welke oorlogswerktuigen vervaardigen. Het Engelsche voorstel is bijzonder onpraktisch, omdat in zulke oogenblikken als bij het uitbreken van een oorlog een politieke staking van kleine groepen nog veel moeilijker tot stand te brengen is als een veelomvattende massa-staking. Buitendien, omdat de regeeringen wel zouden zorgen aan de militaire weikplaatsen alle socialistische elementen uit te sluiten.
493
Stellig kan in sommige omstandigheden een massa-staking tegen den oorlog met sukses ondernomen worden. Maar lang niet in alle gevallen is hier op te rekenen. Voelt een volk zich bedreigd door het gevaar, door een naburige mogendheid aangevallen te worden, dan ontstaat een stemming, die de kans op het welslagen van een algemeene staking in het bedreigde land uiterst gering maakt. Wie dan den moed mocht hebben zich te verzetten tegen de zelfverdediging, waartoe het volk zich genoodzaakt gevoelt, zal door de massa zelve onschadelijk worden gemaakt, zonder dat de regeering een vinger behoeft uit te steken.
Het eenige middel, om den oorlog onder alle omstandigheden onmogelijk te maken is de overwinning der internationale sociaal-demokratie. Zoolang de volkeren ons de politieke macht niet geven, moeten ze onder het oorlogsgevaar blijven zuchten.
„De Vereenigde Staten van Europa," zoo is het derde en laatste deel van Kautsky's artikel getiteld. De burgerlijke vredes apostelen verwachten de wereldvrede van internationale verdragen. Zij denken den oorlog met woorden uit de wereld te helpen. Zij stellen vertrouwen in arbitrage-verdragen en overeenkomsten tot het verminderen der oorlogstoerustingen en zien de moeilijkheid slechts hierin: de goede formule te vinden, waarmee de mogendheden zich zullen kunnen vereenigen.
Wij daarentegen weten dat het vuistrecht der Staten, evenals het met dat der ridders het geval geweest is, slechts verdwijnen kan, als de macht er is die voor het vuistrecht een geregelde rechtspraak in de plaats stelt.
De eenige weg hiertoe is: de vereeniging van alle Staten der europeesche beschaving tot één bond, de Vereenigde Staten van Europa. Die Vereenigde Staten zouden de macht bezitten zonder oorlog alle andere naties te bewegen of te dwingen tot ontwapening. Ook de Vereenigde Staten zelve zouden dan aan leger noch vloot behoefte hebben.
Hoeveel milliarden hiermede ter beschikking van sociale werken zouden komen, kan men beseffen als men bedenkt, dat voor Europa alleen de gewapende vrede jaarlijks 18 millioen Mark kost.
Op welke wijze kan zulk een Statenverbond tot stand komen ? Zeker niet door den vrijen wil der hedendaagsche regeeringen, die ten koste van alles hunne souvereiniteit zullen willen handhaven. De Vereenigde Staten van Europa zullen de uitkomst zijn der proletarische revolutie. Die revo'utie kan uitbreken tengevolge van de zware lasten, die de oorlogstoerusting op de volkeren legt. Zij kan ook het gevolg zijn van een oorlog zelf. Zij is in beide gevallen internationaal in haar oorsprong. Maar zij is ook internationaal in haar wegen, als zij uitbreekt onafhankelijk van oorlog en oorlogstoerustingen. Zij zal dus in elk geval de tegenstellingen tusschen de Staten doen plaats maken voor eenheid en bondgenootschap.
De Vereenigde Staten van Europa, en de uitbreiding hiervan tot de Vereenigde Staten der beschaafde wereld — ziehier de staatkundige grondslag der komende socialistische samenleving. Wat heden de kantons voor Zwitserland zijn, dat zullen de tegenwoordige naties voor den toekomststaat beteekenen.
„De revolutie is de eeuwige vrede — of zij vóór den dreigenden oorlog komt of erna. Wie den vrede der volken wil, moet de macht van het revolutionaire proletariaat versterken. En er is geen meer indrukwekkende demonstratie voor de wereldvrede, dan de legerschouw der keurbenden van het revolutionaire proletariaat op den eersten Mei."
J. W. A.
499
De SOCIALIST REVIEW (orgaan der I. L. P.) van Mei publiceert een artikel van F. D. Benson, getiteld: The Unrest. Hij tracht aan te toonen wat de reden is van de onrust in de partij en van de verandering in de houding van de burgerlijke pers tot de socialistische. Hij wijt dit aan de ,.vele kleine en onrustbrengende stakingen" en aan de „algemeene anarchie" die het vakvereenigingsleven bedreigt. De sociaal-democraat verzet zich tegen stakingen en wil de "macht winnen door politieke methoden, door zitting te nemen in het parlement, door wetten te maken. Wie zou er dan verantwoordelijk zijn voor de heerschende onrust? De ontevredenheid is schuld hieraan, ontevredenheid, geboren uit de lage loonstandaard, de miserabele toestanden, de eentonige arbeid. De meerdere ontwikkeling van de arbeidersklasse en de toenemende matigheid hebben het inzicht veroorzaakt, dat ontevredenheid in het leven riep. Iedere verbetering komt te laat en moet als 't ware de eetlust prikkelen voor iets dat nóg beter is. Ontwikkeling gaf hun niet alleen meerdere bekwaamheid voor hun vak — een voordeel voor den werkgever — maar toonde hun, aan den anderen kant, duidelijk wat hun ontbrak en hoe verbetering te brengen is Ook de toeneming der matigheid heeft de hersens verhelderd en dat die toeneming reusachtig is wordt door cijfers uit de drankstokerijen helder aangetoond. Het is dus duidelijk dat de heerschende onrust niet de socialistische propaganda tot oorzaak heeft, doch slechts uit den loop der dingen voortvloeit.
Schrijver verwijt de Labour Partij, dat zij, na ontevredenheid te hebben gewekt, niet den weg inslaat, die naar de oplossing dier ontevredenheid leidt. Zij hebben het Socialisme tot een Utopia gemaakt, waar de meesten gaarne heen willen. Maar de partij moet de vraag: hoe daar te komen oplossen. Het is niet noodig altijd weer bekeering te preeken tot de bekeerden, noch altijd weer uiteen te zetten dat de kapitalisten zelfzuchtig zijn en de tegenwoordige maatschappij een onding. Nu moet er opbouwend werk verricht worden. Als het waar is, wat schrijver beweert, dat het parlement niet de economische toestanden beïnvloedt, doch er zelf den invloed van ondergaat, dan moeten wij de economische ontwikkeling bestudeeren als een gids voor onze richting.
Tot dusver is al het reeds bestaande socialisme: post, telegraaf, gas, leger enz. enz. gemonopoliseerd door de middelklasse. Nu is het tijd voor de sociaaldemocraten dergelijke dingen te doen: spoorwegen en mijnen monopoliseeren zou nu al gaan. Al lang wordt er gestreden voor den achturigen werkdag: bij de spoorwegen zou hij de werkeloozen een plaats geven bij]de rijkste corporatie ter wereld, die een reusachtig kapitaal achter zich heeft. Dat zou slechts na jaren van strijd te veroveren zijn. Maar een goedgevoerde propaganda zou tot nattonaliseering van tram- en spoorwegen kunnen voeren en dan zou er geen verzet meer zijn tegen korteren werktijd.
Door opbouwend socialisme zal het werkeloosheids-vraagstuk opgelost worden, eerder dan door alle middelen die tot dusver aangewend zijn.
Dien weg moeten wij dus inslaan. Mr. Snowden heeft getoond wat de partij doen kan. Zijn beraamd socialistisch budget werd inderdaad het budget van 1909 en dat is zeker het grootste succes dat de Labour Partij tot dusver behaald heeft. F- B-
Uit de organen der vakbeweging, VAKBEWEGING EN KLASSENSTRIJD is de titel van een redactioneel artikel in den Oostenrijkschen Eisenbahner. De politieke neutraliteit der vakbeweging is een der geliefkoosde onderwerpen der burgerpers. Uitlatingen van enkele Duitsche vakbewegingleiders worden in dien zin geïnterpreteerd, dat de
500
tegenstelling groeit tusschen de zoogenaamde klassenstrijdsopvatting en den practischen arbeid der vakvereenigingen. Waar meeningsverschillen over het einddoel van de sociaaldemocraten en de vakvereenigingsactie naar voren komen, schijnt telkens voor velen het bewijs geleverd, dat de vakvereenigingen, die voor loonsverbetering enz. strijden, niet duurzaam vereenigd kunnen optreden met een partij wier wereldbeschouwing is een absolute negatie der huidige wereldorde.
Hier raken elkaar de burgerlijk denkende elementen en de anarchistische. Deze opvatting spruit uit een miskenning der kapitalistische ontwikkelingswetten voort. Zij ziet het kapitalistische systeem als onveranderlijk, begrijpt niet, dat de wetten die beheerschen, tegelijk opbouwen en vernietigen
De in het kapitalisme werkzame krachten zijn van mechanische en psychologische aard. De tendenz van de stijgende verarming voor de massa der bezitloozen en afhankelijken wordt door de tegentendenz van den tegenstand, het verzet der massa begeleid. Deze tegenstand wordt steeds doelbewuster. Het verzet openbaart zich in den aanvang als in de opstanden der Silezische wevers. De moderne wevers arbeidsbeweging weet echter, dat niet de volmaakter wordende productiemiddelen het kwaad vormen. De moderne klassenstrijd van het proletariaat put uit het wetenschappelijk onderzoek tegelijk de kennis van doel en middelen. Door die kennis kwam het tot den politieken en economischen strijd. Het voornaamste middel om het proletariaat geestelijk en physisch strijdbaar te maken is de verheffiing van zijn levenspeil. „Iedere loonactie der vakvereeniging is ten slotte in de allereerste plaats het streven, het aandeel der arbeiders in het voortgebrachte te vergrooten, wat natuurlijk de meerwaarde van den bezitter verkleint". Dat zulks kan door middel van de vakorganisatie, maakt deze van zoo groote beteekenis voor den klassenstrijd. De actie der vakvereenigingen wordt een stuk van haar strijd. Om de verdeeling van het arbeidsproduct gaat het bij de vakactie. Bij den ondernemer het streven de meerwaarde vergrooten, hetzij door de loonen te drukken, hetzij door de productiviteit te vergrooten. Het resultaat is in beide gevallen met wezen en wetten van het kapitalisme in strijd. De arbeider is ook konsument, moet koopkracht hebben om het in toenemende mate voortgebrachte te verbruiken. De vakvereeniging treedt als „sociale regulateur" op. Haar actie voor loonverhooging werkt als een ventiel, dat de spankracht in de kapitalistische maatschappij verkleint. Daarom schijnt zij een element van behoud.
Maar alleen hij, die een gedemoraliseerde proletarische massa, zonder weerstand tegen de verdrukkende tendenzen van het kapitalisme, in staat acht de drager der geschiedkundige ontwikkeling te zijn, kan van een remmende werking der vakbeweging spreken. De vakbeweging meent niet, dat het slechter moet worden, zal het beter zijn. Zij heeft de arbeidersklasse een gedisciplineerd en strategisch geleiden klassenstrijd geleerd, ook op economisch gebied scherp gescheiden van de bourgeoisie. Dat een deel der bezittende klasse bij beslissende actie haar zijde kiest, verandert niets aan haar zelfstandigheid. Meer en meer staat de organisatie der arbeiders tegen een hecht aaneengesloten ondernemerdom. Ieder succes der arbeiders dient het revolutionaire beginsel. Hij nadert het algemeene niveau van kuituur, leert begeeren nieuw levensgenot. Alleen een klasse, die zoo stap voor stap vooruit komt, zal de idealen van het socialisme verwezenlijken. „De Staat en het kapitalisme kunnen niet in een enkelen strijd overwonnen worden," zegt Parvus. In een periode van klasseacties staan wij. H. Sn.
Het Geldkapitaal
DOOR
J. STIBBE.
I.
Reeds enkele malen is in dit tijdschrift de aandacht gevestigd op den grooten invloed van bank op industrie, is er op gewezen hoe die invloed nieuwe problemen opwerpt, wier bestudeering ook door de nederlandsche marxisten niet kan voorbijgegaan worden. Wat evenwel nog niet is geschied, is die verschijnselen van het kapitalisme in zijne jongste ontwikkeling aan te sluiten aan de economische leer van Marx, alhoewel bij hem al veel te vinden is wat naar deze laatste faze van het kapitalisme heenwijst. De verschijning van Hilferdings boek „das Finanzkapital", waarin dit wèl gedaan wordt, is dus een goede gelegenheid om, dit boek tevens besprekende, de aandacht van de „Nieuwe Tijd"lezers opnieuw op deze problemen te vestigen. Waar echter Hilferding een vrij groote dosis kennis, niet alleen van Marx, maar ook van bank, beurs, enz., veronderstelt, kennis die wellicht in Nederland niet alle socialisten bezitten, zal ik nu en dan iets over die onderwerpen meededen, maar niet meer dan wat tot goed begrip ervan strikt noodzakelijk is. Hilferdings boek kan men gerust een vervolg op Marx noemen, en 't is juist zoo'n uitstekend bewijs van de door ons zoo dikwijls uitgesproken stelling, dat het begrip van maatschappelijke verschijnselen alleen maar te verkrijgen is door de marxistische beschouwingswijze, want hoewel de onderwerpen, waarover het handelt, volstrekt niet nieuw zijn, uitvoerig worden besproken in de goede leeren handboeken, hoewel er over banken enz. verschillende uitstekende monografiën verschenen zijn, toch treft 't u bij lezing daarvan zooals altijd weer dat daar wèl is: gedetailleerde beschrijving, nauwkeurige systematiek, veel feiten-materiaal, een aantal definities, op zich zelf onmisbare zaken dus, maar 't wordt geen proces, er zit geen perspectief in. Dat komt er eerst in, een vergezicht vóór en achterwaarts als
32
503
schulden met elkaar vergeleken en gecompenseerd worden. Deze taak, de organisatie van het crediet, valt hoe langer zoo meer aan de banken toe. Ook de banken zijn zoo oud als de geschiedenis. Ze komen al voor bij de Romeinen, zelfs al in Babylonië en Griekenland. De naam komt van het Italiaansche „banco", de bank waarop de geldwisselaars hun munten etaleerden. Deze geldwisselaars worden ook dikwijls gebruikt om geld van kooplieden te bewaren, zoodat deze nu elkaar kunnen betalen door overschrijving in de boeken van zoo'n bankier (giro verkeer), ook geven deze bankiers schriftelijke bewijzen af van de gestorte sommen die dan als een soort bankbiljetten dienst doen. Door de geheele historie heen, vanaf die oudste banken tot de moderne circulatiebank met hare biljetten, vanaf de geldwisselaar tot de moderne bankier, vanaf de wissel tot en met de check, hebben deze banken en papieren bij veel onderscheid dit gemeen, dat hunne functie was en is: vereenvoudiging van het betalingsproces door besparing op de hoeveelheid baargeld.
Waar het geld als betalingsmiddel fungeert, waar 't practisch nooit voorkomen kan dat op een gegeven oogenblik alle betalingen elkaar compenseeren, waar W—G—W' tijdelijk uiteenvalt in W—G en G—W' is circulatiecrediet een noodwendigheid, stijgend in belangrijkheid waar die koopen en verkoopen plaatselijk en tijdelijk meer gescheiden worden, het grootst dus in de kapitalistische maatschappij waar dit het meest voorkomt. Maar niet het quantitatieve verschil alleen is hier van belang, er naast en er door ontwikkelen zich nog andere vormen van crediet die in vroeger tijden niet of nauwelijks voorkomen. Hoe zeer ook bankbiljetten, giroverkeer, check, enz. nog altijd een voorname rol spelen, voor de nieuwere vormen van crediet en voor de groote invloed die de banken in de hedendaagsche maatschappij uitoefenen, moeten we ons duidelijk maken 't ontstaan dier andere vormen naast dit van oudsher bestaande circulatiecrediet.
Beginnen we daarom met de den lezers van de ,,Nieuwe Tijd" overbekende Marxistische formule:
G— W7 ^96 836 23 2.8 802 58 77
1897 897 61 7.2 854 52 6.4
1898 849 — 48 — 5.3 809 — 45 —5.2
1899 875 26 3.0 795 — 14 _ 1.7 x900 928 53 6.0 851 56 7.0
1901 967 39 4.2 884 33 3.8
1902 1022 55 5.6 967 83 9.3
1903 986 —36 —3.5 936 — 3i —3.2 J9°4 937 — 49 — 4-9 948 12 1.2
1905 1028 91 9.7 1100 152 16.0
1906 1022 — 6 — 0.5 1071 — 29 —2.6
1907 1109 87 8.5 1075 4 0.3
1908 1140 31 2.7 1269 194 18.0
X894-.908 _ 36l 46.3 _ 75óVf
De vraag of door deze cijfers de werkelijke veranderingen ten deze juist worden afgebeeld, ter zijde latende — zooals bekend is, beantwoorden vele medici haar ontkennend — kan toch niemand met gezonde zinnen, en zeker geen serieus statisticus, op grond van deze feiten volhouden, dat verkiezingen de krankzinnigheid doen toenemen. De drie verkiezingsjaren vertoonen wel eene stijging, maar zeven nietverkiezingsjaren eveneens; de jaren 1897, 1901 en 1905 doen ook een stijging der krankzinnigheid zien bij de vrouw, bij wie van werkelijke deelname aan den verkiezingsstrijd nog slechts weinig sprake is; het jaar 1905 zelfs in zeer bijzondere mate. Misschien doen wij Mr. Slingenberg onrecht, door zijn bewering voor ernst te nemen: in dat geval
1) Ontleend aan en berekend volgens de Jaarcijfers over 1909, p. 26.
546
impulsieve en irritabele emotionaliteit, i) Kautsky, Ferri, R. Luxemburg, Vandervelde, Guesde, Jaurès, Hyndman, Van Kol, Troelstra, Vlieden,' Schaper, Wijnkoop, Gorter, Wibaut, Mendels, Van der Waerden enz.' zijn alle min of meer nerveuze menschen. Hoe ook overigens verschillend van aanleg, dit eene hebben zij gemeen.
En het is niet verwonderlijk, dat dit temperament, in allerlei schakeeringen en verbindingen, zoo vaak in de rijen der sociaal-demokraten, vooral der sociaal-demokratische intellektueelen voorkomt. Ten eerste vindt men het veelvuldig onder de intellektueelen in 't algemeen : het predisponeert in zijn meer aktieve vormen tot geestelijke werkzaamheid en wordt weer door deze gevoed. Het is verder, gelijk Fouilléé opmerkt, het moderne temperament bij uitnemendheid, opgewekt en bestendio-d door de menigte prikkels, de zucht, de spanning, en de wisselvalligheid van ^ het hedendaagsche leven. Voor de sfeer van den militant in de arbeidersbeweging geldt dit in verhoogde mate: wie in haar leeft en niet geheel vrij van prikkelbare emotionaliteit werd geboren, zal deze zijde van zijn aanleg zeker, althans in sommige tijdperken van zijn leven voelen toenemen. . . niet tot zijn genoegen. Ten slotte bewijst wie als intellektueel, als niet-arbeider, tot het socialisme komt, reeds daardoor een hooge mate van emotionaliteit, een sterk gemoedsleven te bezitten. Het loutere begrip zal zelfs de menschen van het type intellectuel niet tot daadwerkelijk optreden brengen: het heeft geen bewegende kracht. En hoe apathische en zuiver-sensitivistische naturen er toe zouden komen, is raadselachtig.
Ook onder de marxisten zijn dus vele emotioneelen (d.w.z. gemengde karakters met een fond van emotionaliteit). Maar zijn zij marxisten, omdat zij emotioneel zijn? Predisponeert de emotionaliteit tot het marxisme? Bevat het marxisme elementen, die de emotioneelen als zoodanig in 't bijzonder moeten aantrekken? Dit bestrijd ik beslist. Integendeel: bij de analyse van het psychologisch karakter van het marxisme hebben wij gezien, dat dit de lichtontroerde ,,gevoelsmenschen" juist zal afschrikken. Wij weten uit de praktijk dat het dit inderdaad doet. Eerder dan tot ^ marxisme moeten zij tot anti-marxisme neigen, dat, gelijk wij zagen, niet volgens het verstand, maar op indrukken het handelen inricht, en aan de neigingen en behoeften van vooral-impulsieve naturen door zijn onvaste schommelende politiek veel meer beantwoordt. Opportunisme kan voortkomen zoowel uit vernuftige berekening van het verstand als uit schommelingen van het gemoed (ook uit de combinatie van beide zooals b.v. bij Troelstra); opportunistische politiek is de vorm van politiek optreden, behoorend bij voor-alles-emotioneele naturen. En in zoover de wereldbeschouwing het temperament beïnvloeden kan, moet het marxisme door zijn deterministisch karakter werken als een kracht tot tempering der prikkelbare en impulsieve emotionaliteit.
Kort samengevat: er is geen enkele reden, waarom de emotioneelen, (afgezien van de vormen van hun wilsvermogen eii hun intellekt) tot het marxisme zouden neigen — wèl zijn er redenen, waarom zij dit tot het anti-marxisme zouden doen.
I) Wij zelf weten er ons allerminst vrij van... maar gij, partijgenoot Bonger? Ach, uw beide „Nieuwe Tijd"-artikelen zijn voor den psycholoog al voldoende om een groot bestanddeel van impulsief-irritabele emotionaliteit in uw karakter te onderkernen: het is geen oneer en geen ongeluk, maar waarom bevuilt ge dan uw eigen nest?
547
Laat ons nu verder gaan met de klassihkatie der karakters: wij zullen bij de andere hoofdklassen niet zoo lang behoeven stil te staan, als dit noodig was bij de emotioneelen, om de onjuistheid van Bonger's beweringen aan te toonen.
De Intellektueelen, nl. zij, bij wie het verstand meer op den voorgrond komt dan gevoel, aktiviteit en wil, 't eigenlijke geleerdentype, verdeelt Malapert in affectief-intellektueelen, (gemengde karakters) en zuiver-spekulatieven i). De eerste groep wordt weer onderscheiden in „dilettanten" en „vurigen". De dilettantische geesten voelen voor het marxisme zeker een minstens even grooten afkeer als de gevoelsmenschen, ofschoon op andere motieven. Wat aangaat hen die „intellektueelen hartstocht" bezitten, deze neigen tot het marxisme om zijn grootschheid van conceptie (de „intellektueele hartstocht" moet wèl onderscheiden worden van het hartstochtelijk temperament, dat tot het marxisme als praktijk disponeert).
Van de „spekulatieven" (onder deze naam vat Malapert alle zelfstandige denkers samen) zijn die met kritisch-analytischen aanleg zeker tot 't marxisme gepredisponeerd. Onder hen zijn de marxisten talrijk. Ik noem o.a.: Cunow, Rappoport, R. Luxemburg, Sachs (beide tevens begaafd met „intellektueelen hartstocht"), Van der Goes, van Ravesteyn enz. Ook een analytische geest, op hol geslagen aan de zijde der twijfelzucht en aan wien het vermogen ontbreekt tot een resultaat te komen, een oplossing te zien, toont Bernstein te zijn in zijn theoretische geschriften. Wanneer daarentegen het kombineerend vermogen de overhand heeft over het analytisch — wat niet-wel denkbaar is zonder een zekere mate van verbeeldingskracht — zal neiging bestaan tot utopische, dus ook reformistische gedachtengang. Voorbeelden hiervan vindt men in Jaurès en Troelstra (men denke aan het voorstel tot uitwerking van het „sociaaldemokratisch stelsel" van dezen laatste — zuiver utopisme ; politiek talent is overigens niet denkbaar zonder een goede dosis kombineerend vermogen). Ook de marxist Parvus behoort tot de denkers van het kombineerend soort en met sterke verbeeldingsgave. Deze is echter bij hem wetenschappelijk en niet utopisch 2). Harmonie van ontledend en kombineerend vermogen bezit Kautsky.
Het marxisme als gedachte-konstruktie bevat, merkte ik reeds op, talrijke facetten van grootheid, diepzinnigheid, konsekwentie, geslotenheid en logica die de hoogere intellecten van alle soort moeten aantrekken. In dezen zin kan men zeer wel van predispositie van het „type intellectuel" tot het marxisme spreken. Deze predispositie zal echter meer aan 't licht komen bij de intellektueelen (het woord ditmaal in den wetenschappelijken zin gebruikt) dan bij de arbeiders. En het feit dezer predispositie is een der redenen, 3) waarom de vooraanstaande
1) Natuurlijk wordt het „type intellectuel" alleen aangetroffen bij menschen van geestelijksuperieuren aanleg, dat is dus bij de met-automatisch, maar zelfstandig denkenden. Dat ik in de meeste troepen waarin zij onderscheiden worden, een neiging tot het marxisme aanneem, beteekent natuurlijk niet, dat ik alle „hoogere" denkers bij de marxisten, alle „lagere" bij de niet-marxisten indeel. Ook sommige kategoriën dezer laatste soort: de verwarden, de gewoonte-denkers, enz., vindt men onder de marxisten vertegenwoordigd; maar de motieven, die hen tot het marxisme brengen, liggen niet in uitmuntende kwaliteiten van den verstandelijken aanleg.
2) Over het verschil tusschen utopische en wetenschappelijke verbeelding en de aard van deze laatste zie Ribot, „Essai sur 1'imagination créatrice, bl. 199—213 en 250—259.
3) De andere reden ligt natuurlijk in de vruchtbaarheid der historisch-materialistische methode.
548
theoretici in de sociaaldemokratie (wij noemen theoretici allen, die zich meer in 't bijzonder bezighouden met het onderzoek der maatschappelijke verschijnselen) haast allen marxisten zijn. Het anti-marxisme heeft wetenschappelijk zeer weinig gepresteerd.
Laat ons thans overgaan tot de klassen der Aktieven, door Malapert verdeeld in middelmatigen, (médiocres) geagiteerden en „groote aktieven", door Ribot eenvoudig in de eerste en laatste soort, door Fouilléé in aktieven met snelle en intense — en met langzame en gematigde reaktie. Hun hoofdkenmerk is de spontaan opborrelende lust tot aktie, hun overvloed aan uitwendig leven. In den regel zijn zij expansief, overmoedig, optimistisch, voelen zij in zich de kracht tegen hinderpalen te worstelen, ze te overwinnen, en scheppen zij behagen in de worsteling. Het verstand zondigt door gebrek aan nadenken, aan meditatie, het is een weinig kurig, onvoldoende berekenend en overziend. Om snel te handelen moet men niet te veel wikken en vergelijken, niet te veel de redenen van niet-handelen onder de oogen zien. „Daarom bekreunen de echte aktieven zich nooit om wat zij niet kunnen oereiken, om het ideaal, zij begeeren niet spitsvondig te wezen i) zij verachten de ideologie".
Dit laatste is zeer waar en van beteekenis voor ons doel: hun strijdlustigheid doet de aktieven tot het marxisme neigen, hun verachting voor de ideologie houdt er hen van af. Daarbij is hun wil „vol ernstige gapingen": het mangelt hun aan eenheid ; zij willen als 't ware „van dag tot dag", hun willingen vormen een opeenvolging en geen ongebroken serie". Er is in hun karakter „een element van lichtzinnigheid ; hun ontbreekt de „essentieele voorwaarde van zedelijke kracht."
Het is daarom duidelijk dat ook waar intellectueele aanleg en strijdlust hen tot het marxisme brengen, zij nooit tot zijn taaie, onverzettelijke, konsekwente voorvechters zullen behooren.
De lezer zal zich herinneren hoe de kenmerken, die Fouilléé van de aktieven opsomt, belangrijk van Malaperts karakterisatie afwijken.
Maar gelijk ik bij het meedeelen dier kenmerken reeds opmerkte, is dit niet een omschrijving der aktieven zonder meer, maar van de aktieven met sterk gemoedsleven en veel wilskracht, dat is van de hartstochtelijken. Dit is het menschenslag, droog en mager, met felle oogen, dat Shakspeare's Julius Ceasar vreest, omdat zij „te weinig slapen en te veel denken" — en, laten wij er bij voegen „te veel willen". Dit zijn inderdaad karakters, tot het marxisme gepredisponeerd; tot zijn theorie (naarmate zij hoogere denkers zijn) en zijn praktijk beide: vurige strijders voor hun beginsel, militante marxisten bij uitnemendheid.
Veel minder militant van aanleg zijn de „actifs lents" door Malapert „grands actifs" genoemd, menschen met veel werk- en wilskracht, wier wil meer de vorm van afweren dan van explosiviteit aanneemt. Zij kunnen schijnbaar „partieele apathischen" zijn; maar in staat tot het ontwikkelen van buitengewone energie in hun arbeidsfeer, ofschoon eerder zwak en weifelend daar buiten. Zij behooren feitelijk tot de evenwichtige of gematigde karakters; „een zekere mate van langzaamheid of traag-
i) Dit lijkt mij niet juist: Aktiviteit van het lagere soort en spitsvoudigheid van denken zijn zeer wel vereenigbaar; hun combinatie kenmerkt het advokatentype.
552
naamste wetten-van-beweging voor of in het karakter de drie volgende : i)
Ten eerste de wet van aanpassing. 2) Hieronder wordt verstaan het min of meer bewuste streven der persoonlijkheid naar coördinatie van de verschillende vermogens, naar eenheid en evenwicht. Wij trachten voortdurend ons denken, voelen en handelen met elkaar in overeenstemming te brengen; slagen wij hierin niet tot op zekere hoogte, dan lijden wij door onrust en pijnlijke verscheurdheid in ons wezen. De aanpassing gaat meestentijds uit van het gevoel, van onze neigingen en begeerten, zeldzamer van het willen: door haar „vervormen wij om in rust met ons zeiven te leven, haast altijd onze machteloosheden en zwakheden in berekening en stelsels" (B. Constant, Adolphe). Wij stuwen dus onze overige vermogens in de richting van de overheerschende kracht in ons. trachten ze met deze in overeenstemming te brengen ten koste van hun eigen expansie. Zoo heffen b.v. sterke gevoelens van liefde, de kritische en analyseerende werkzaamheid van den geest op, doen haar althans zeer verminderen; depressieve toestanden op den grondslag van emotionaliteit brengen een oorspronkelijk krachtige aktiviteit tot verslapping, enz. Zoo drijven al onze vermogens in 't zog van het tijdelijk of blijvende richting-gevende in ons en wordt onze oorspronkelijk aanleg daardoor verwrongen.
De tweede wet is die van gewoonte. Zij werkt als een konservatieve kracht, als het vasthouden van ons wezen op de eens-betreden banen, het voor goed ingevoegd worden in het weefsel van ons zedelijk leven, van alles wat er eenmaal door werd opgeslurpd. Maar ook omgekeerd, ook als kracht ter verandering werkt de gewoonte, zij bezit een „vermeerderend en transformeerend vermogen", doordat zij opeenhooping van pogingen in eene en dezelfde richting is. „Heeft zij ons op bepaalde banen gevoerd, dan houdt zij ons niet slechts daarop vast, maar sleept ons in toenemende vaart mede". De macht der gewoonte is gelijk te stellen met die van (onopzettelijke en onstelselmatige) oefening : terwijl de niet-geoefende neigingen of functies verzwakken, nemen degenen waaraan voldaan wordt onophoudelijk in kracht toe. Zoo wijzigt zich in den loop des levens de organisatie van ons geestelijk stelsel.
De derde der bewegings-wetten van het bewustzijn is die van schommeling, waardoor overmatige ontwikkeling van sommige funkties gepaard moet gaan met verzwakking van andere. Ongelijk aan de beide eersten, wier uitwerking het behoud van een zeker evenwicht is, is de hare dit te verstoren. Als statische kracht leerden wij haar reeds kennen: zij is het die gelijktijdig sterk zijn van gevoeligheid en aktiviteit verhindert. Dynamisch beschouwd, brengt zij mede, dat waar bepaalde neigingen in zulk een mate uitgroeien, dat zij het grootste deel der beschikbare energie opslokken, andere onherroepelijk schade lijden, hetzij dat deze afsterven of medegesleept worden in de richting der heerschende aandrift. Schikken zij zich in dit laatste, dan wordt het middel-
1) Zie het hoofdstuk in Malapert, Les éléments du caractère, over „La formation du caractère''
2) De uiterlijke of sociale aanpassing, die van de persoonlijkheid aan het milieu, blijft hier natuurlijk geheel buiten beschouwing: wij hebben nu uitsluitend met de innerlijke of psychologische aanpassing te maken, het streven naar eenheid onzer verschillende vermogens.
553
punt der persoonlijkheid verplaatst en ontstaat een nieuw evenwicht. Schikken zij zich niet, wordt de wanverhouding te groot, dan is volgens Malapert, in allen gevalle het psychologisch, somtijds het vitale evenwicht in gevaar en het bankroet der persoonlijkheid onafwendbaar ln de werkelijkheid neemt dit zich niet schikken, dit verzet van de onderdrukte neigingen of funkties vaak de vorm aan van hevige, schijnbaar plotselinge (in waarheid langdurig opgezamelde) affekten. In uitbarstingen van toorn/woede, smart, wanhoop trachten den ten-onder-gehouden vermogens, het juk der hen onderdrukkenden af te werpen. Dergelijke „ongemotiveerde" uitbarstingen (d. w. z. in zoover ongemotiveerd dat de reaktie overmatig groot is in verhouding tot den onmiddelhjken prikkel) zijn bijna altijd het bewijs dat het evenwicht der psychische organisatie, blijvend of tijdelijk, verstoord is, hare verschillende krachten elk een verschillende kant uit trekken. Het affekt de ontlading van de m een bepaalde richting opgeperste energie, werkt dan als een hulpmiddel dat het evenwicht tijdelijk herstelt. Dan kan weer een nieuwe cyclus beginnen.
Het resultaat van de gekombineerde werking van de wetten van gewoonte en schommeling moet zijn, de persoonlijkheid (zoo geen andere in- of uitwendige krachten als tegen-tendenzen optreden) noodlottig meer en meer te doen vallen naar de zijde, waar de aanleg toe overhelde Zoo kunnen bepaalde neigingen en gesteldheden, die oorspronkelijk wel sterksprekende trekken in het karakter zijn, maar toch door andere in evenwicht gehouden worden, tot ware uitwassen worden en de andere zijde van den aanleg geheel verstikken. In dat geval wordt de mensch een karikatuur van zich zelf. . ,.
Of het zoover komt, hangt voornamelijk af van in- en uitwendige invloeden, waarvan de sociale de voornaamste zijn De physiologische en organische krisissen, waaraan de persoonlijkheid onderworpen is, laat ik hier ter zijde, in 't voorbijgaan alleen wijzend op den invloed van sommige hunner, b.v. de puberteit, op het karakter, en op den algemeenen samenhang van den leeftijd met bepaalde zijnswijzen van het bewustzijn. (De vurige jeugd tegenover den bedachtzamen ouderdom, enz.). Inders de sociale omstandigheden. Deze beinvloeden met slechts de inhoud van het bewustzijn, maar ook de verhouding en g^ePee"ng zijner funkties. Bepaalde relaties tot onze medemenschen bepaalde ervaringen opgedaan in het private of het openbare leven, kunnen in verband met de werking van de boven-geformuleerde bewegingswetten van het bewustzijn, hetzij den oorspronkelijken aanleg van de persoonlijkheid op de spits drijven, hetzij in deze een nieuw centrum doen ontstaan door het buitensporig voeden van sommige, het uithongeren van andere neigingen. . , .
Het sterkst sprekend is natuurlijk een dergelijke omvorming van het karakter door uitwendige invloeden wanneer zij het gevolg is van plotselinge schokkende gebeurtenissen in het openbare of private leven groote lots-veranderingen enz. Niet minder machtig werken echter de ervaringen van het gewone leven, de dagelijks-terugkeerende omstandigheden Zij fatsoeneeren en verwringen door hun gestadige werking het karakter even onherroepelijk, als de zeewind de boomennj naar de eene zijde overhellen doet.
In dezen zin kan men evengoed als van een klasse-denkwijze, van een algemeen klasse-karakter spreken (mits in 't oog gehouden worde
592
verzekering zelf het aantal ongevallen vergroot. Vergeten is, dat in 1886 totaal 3473.435 personen, doch in 190S daarentegen 8.917.772 personen verzekerd waren. Bedrog op groote schaal wordt door de arbeiders gepleegd orn rente te verkrijgen. Maar zelden hebben daarvan beoordeelingen plaats, doch men zou wel het aantal advocaten en rechters moeten verdubbelen en verdrievoudigen, als men alle bedriegers voor 't gerecht wilde brengen.
Niet om den belangrijken inhoud acht Schmidt het artikel van den heer Friedenburg van belang, maar er zal met dit oordeel worden gewerkt. De stem uit de praktijk heeft gesproken. De bedoeling ligt er dik genoeg op.
H. Sn.
599
is no- niet gunstig, doch begint reeds de wending ten goede, die zich in 1903 voortzet: correspondeerende misdaad-cijfers. In 1904 heeft weer eene verlangzaming van het tempo plaats, in 1905 gevolgd door het begin van een positieve bloeiperiode (het lage disconto-cijfer moet aan
landverhuizers uit Nederlandsche havens vertrokken, en met de totaal-cijfers yan onder"eund a mla tigen. In tegendeel vertoont het saldo der stortingen bij de rijkspostspaarbank ma^Tde betreffende laren. De prijzen der levensmiddelen waren door elkander gerekend niet hooger dan de voorafgaande en de volgende jaren." (Comptes-rendus p . 28-129). ' Cijfers worden door Mr. Slingenberg niet genoemd. Wij zullen deze schade inhalen; het is bij dergelijke discussies altijd beter vasten grond onder de voeten te hebben.
Aantal uitgesproken Saldo der inge- Nederlandsche land- Inleg-saldo
! faillissementen schreven en doorge- verhuizers uit bij de
->:ar- ! haalde hypotheken Nederl. havens Rijkspostspaarbank
! 100.000 inwoners. in ƒ 1.000.000. vertrokken, in ƒ 1.000.000.
1896 18.6 4i-7 '387 7-4
,897 i*9 33-9 79» Ij
,898 21.9 44-7 85' 0
l$qq 20.6 60.0 1347 '*
l990O 22.t 59-5 1*99 4-
.901 23.8 59-5 1874 6.8
,902 25.9 74.5 23°. W
,903 28.0 88.0 2963 5-2
.904 29.4 70.2 2440 7-9
.905 27.5 78-: "97 6.3
1906 29.5 69.8 2548 6.3
1907 33-8 57-4 4393
1908 35-3 52.8 3030 2-4
•Ontleend aan en berekend volgens Jaarcijfers i9o5 en 1909, behalve de faillissement»cijfers vanaf 1901, die aan de Faillissementsstatistiek over 1908 ontnomen zijn).
TSLZltt». De bewering van Mr. S., dat in de Jaren x897 en ^ — minima vertoont, is pertinent onjuist. Het algemeene beeld is eene ^"^c^ stijging (uitzonderingsjaren l899 en 1905). waarop de jaren 1897 en^901 geen excep ie m ken Bovendien moet hierbij nog opgemerkt worden, dat in Nederland de faühsse mentsstatistiek een slechte graadmeter voor de conjunctuur blijkt te zijn. De bijzonder sunstiee jaren 1905-1907 vertoonen eene belangrijke toename'.
5 T%U^- mderdkad geven de jaren in kwestie lage cijfers; voor een ieder op oeconomlh gebied niet geheel vreemde wil dit zeggen dat er in die jaren met veel gebouwd is w" Mr S. met zijn bemerking zeggen wil, is een raadsel. Hij zal toch met meenen, dat weinig (hypothecaire) schulden maken, een gunstig «economisch symptoom isr In da. geval o sancta simplicitas! . .
3e. Landverhuiur, Het jaar t897 geeft het minimumcijfer, het jaar 19c wel geen mm mum, maar toch een, hetzij dan ook zeer geringen teruggang. Wie de geheel e kolom aan dachüg beziet, bemerkt onmiddelijk - het is geen nieuwe ontdekking, ^ «*J .bekend - dat de emigratie-cijfers dezer periode voor de conjunctuur in Nederland geen
6ig
2.4 % om schuld af te doen, enz. (19.6 % zijn weduwen of gescheiden vrouwen). „In 1029 gezinnen ontbrak een man-kostwinner," zegt het Rapport op bladz. 131. 1350 vrouwen „of cirka 1/4 van het totaal verkeeren dus in de absolute noodzakelijkheid om zelve te verdienen." 41 % van de gehuwde fabrieksarbeidsters (2150) „gaven op, naar de fabriek te gaan, omdat de man voortdurend of tijdelijk niet genoeg verdiende, hoewel hij valide was." Schrijver dezes maakte ongetwijfeld indruk met de opsomming dezer feiten en kon er tevens op wijzen, hoe bij ziekte en invaliditeit van den man nog zelfs geen wettelijke maatregel het gezin voor diepe ellende behoedt. Wat had mr. Aalberse te zeggen om het argument, dat de nood de vrouwen drijft naar fabriek en werkplaats, te ontzenuwen? Tenslotte niet anders, dan dat het gezin dan maar iets moet ontvangen „uit handen van de liefdadigheid 1" Van soc. demokratische zijde werd er natuurlijk op gewezen, dat door zulk een verbod de vrouw bovendien naar den huisarbeid wordt gedreven. En door mij èn later door Vliegen werd erkend, dat de wenschelijke toestand is, dat de gehuwde vrouw zich kan wijden aan het gezin; doch verklaard werd tevens, dat niet kon worden medegewerkt aan de totstandkoming van een wettelijken maatregel, als door de katholieken voorgesteld 1).
De heer Aalberse zat met een tweetal groote moeilijkheden. Twee bezwaren drongen zich nl. op den voorgrond: ie. het lot der gehuwde vrouwen, die nu arbeiden en door een verbodsbepaling zouden moeten ophouden, en 2e. de omstandigheid, dat pas de veenderij in de wet was betrokken en zulk een verbod ook die werkzaamheden zou treffen. Het eerste bezwaar zou worden ondervangen door een overgangsbepaling, waarbij de gehuwde vrouwen, die vóór 1 Mei 1911 reeds arbeid in fabriek of werkplaats verrichtten, van het verbod zouden zijn uitgesloten. Het tweede werd ondervangen door een sub-amendement van katholieken, vrijzinnigen, antirevolutionairen en christelijkhistorischen, om den arbeid in de veenderijen vrij te laten. Ondanks de overneming door de voorstellers van dit amendement, werd het geheele voorstel met 39 tegen 30 stemmen verworpen. De voorstemmers waren louter kerkdijken; alle drie fraktiën waren er in vertegenwoordigd, ofschoon mr. Lohman het katholieke amendement krachtig had bestreden.
Met deze stemming is de kwestie van den arbeid der gehuwde vrouw in politicis feitelijk voor afzienbaren tijd beslist. Niet spoedig zal een dergelijke poging herhaald worden, want zelfs een negental kerkelijken van alle kleur stemde tegen. Aan onze propagandisten de taak,
I) Om niet te veel overhoop te halen, wordt hier niet nader op alle motieven en argumentaties ingegaan.
Ó20
den laster, waarmede in den lande de houding der sociaaldemokraten in deze kwestie wordt bezwalkt, te rechter tijd te weerleggen, door haar in het juiste licht te plaatsen.
Uit de feiten blijkt overigens, dat de sociaaldemokraten in de Kamer, in weerwil van hun afwijzing van een verbod van loonarbeid door gehuwde vrouwen, niet staan op het standpunt, dat de vrouw in geen enkel opzicht beter door de wet mag worden beschermd dan de man. Schrijver dezes teekende mede een amendement om het binden van bloemen op Zondag geheel te verbieden, waardoor alleen de vrouw van dezen arbeid wordt afgehouden, en de sociaaldemokraten verdedigden, voornamelijk bij monde van Helsdingen, een amendement om niet, zooals het ontwerp luidt, gedurende vier, doch gedurende acht weken ter gelegenheid van de bevalling de vrouw het arbeiden in fabriek en
werkplaats te beletten. Ten aanzien van den eersten maatregel het
opheffen van een uitzondering op den regel van Zondagsrust — verkeert de wetgever in een scheeve positie, zoolang ook niet de man onder de arbeidersbescherming valt. Het is de taak der arbeidersbeweging om zooveel mogelijk man en vrouw gelijkelijk te beschermen. Alleen waar het organisme en de eigenaardige taak der vrouw in het gezin en met betrekking tot de voortplanting hare bizondere bescherming in bepaalde gevallen beslist noodig maken, dient deze toegepast. Zóo bepleitte de sociaal-demokratie verbod van vrouwenarbeid in werkplaatsen met veel gevaar voor loodvergiftiging, omdat door geneeskundigen wordt verklaard, dat vrouwen voor dit gif eerder vatbaar zijn en daardoor eerder dan de man de gezondheid van haar kinderen door dezen arbeid in gevaar brengen. Terwille van de moeder en de toekomstige moeder verzette ik mij in November 1907 tegen dezen arbeid in de aardewerk-fabrieken. Voorts treedt de noodzakelijkheid van bizondere bescherming in het licht ten aanzien van bevalling, met ziekte eenigzins gelijk te stellen, maar waarvan dan toch de noodzakelijke duur van arbeidsongeschiktheid in 't algemeen eenigermate is te bepalen. Zoo zullen er nog enkele gevallen zijn, maar niet vele. Wanneer een algemeene normale arbeidstijd met zooveel mogelijk nacht- en Zondagsrust is vastgesteld, kan men vrijwel de arbeid van mannen en vrouwen gelijkelijk regelen en loopt men niet het gevaar, aan de vrouw in meerdere of mindere mate de konkurrentie met den man te bemoeilijken. Men behoeft geen feminist te zijn om dit te willen vermijden. Onder een arbeidswetgeving, die alleen vrouwen, jeugdige personen en kinderen beschermt, is dikwijls de keus hoe te handelen moeilijk. Dat ook een sociaaldemokraat het voorstel teekende om op Zondag het bloemenbinden in magazijnen totaal te verbieden, vindt zijn oorzaak in de overtuiging, dat op Zondag in de werkplaatsen van bloemisten in] tgeheel niet dient te worden gewerkt; noch door vrouwen, noch door mannen. (Bij,
621
de indiening van een eigen wetsontwerp zal deze kwestie anders behandeld kunnen en moeten worden, omdat daarin ook de tuinbouw wordt opgenomen.)
De poging, om de zwangere of bevallen vrouw in 't geheel 8 weken te doen rusten, met dien verstande dat zij in ieder geval 6 weken na de bevalling moet thuis blijven, zoodat zij er belang bij zou krijgen om zoo mogelijk twee weken vóór de bevalling op te houden met werken, mislukte intusschen. Dit tijdperk blijft in 't vervolg 4 weken na de bevalling. Dat ook de veenderij in het ontwerp was betrokken, heeft op de stemming in de Kamer ten dezen ongetwijfeld veel invloed gehad.
Overige verbeteringen. Aansprakelijkheid. De overige verbeteringen in het ontwerp zijn meest niet van bizonder belang. Op voorstel van vrijzinnig-demokraten werd besloten, den werkgever te dwingen, jeugdige personen na de namiddag 5 uur in de gelegenheid te stellen, de lessen te volgen in inrichtingen voor godsdienst-, voortgezet-, herhalings- of vakonderwijs (art. gbis, later vermoedelijk art. 11).
Op voorstel van de sociaal-demokraten werd gebroken met het stelsel van de huidige wet, waarin alle arbeid, verricht door militairen in dienst of onder leiding van militairen, valt buiten de bescherming. Daar niet altijd in de Rijkswerkplaatsen de wetten des lands op de arbeidersbescherming behoorlijk worden toegepast, was deze verbetering dringend noodig. Op dit gebied moet evenwel verder worden gegaan, door niet slechts ondernemingen in de wet te betrekken, doch alle fabrieken en werkplaatsen van staat, provincie en gemeente.
Een niet onbelangrijke juridische verbetering is aangebracht, doordat de techniek der strafbepalingen is gewijzigd. De tegenwoordige Arbeidswet verbiedt het „doen arbeiden" in verboden tijd. Veel gehaspel en advokaterij is er geweest over de vraag, wat dit beteekent. Menig in overtreding verkeerend werkgever glipte heen door de mazen der wet, doordat hij met een leuk gezicht den rechter wist te overtuigen of wijs te maken, dat hij den beschermden persoon niet had „doen" arbeiden, dus den arbeid niet had gelast. Volgens de nieuwe inrichting der wet mao- eenvoudig het kind of de arbeidster niet arbeiden onder bepaalde omstandigheden en is het hoofd of de bestuurder eener onderneming „verplicht te zorgen", dat geen arbeid wordt verricht in strijd met de wet. (Alleen voor zekere omstandigheden is de oude redaktie behouden.) Dit is een verbetering, al is het waar, dat even goed het doel zou zijn bereikt, indien in elk verbodsartikel geschreven ware, dat de werkgever „verplicht is te zorgen", dat in zijn fabriek of werkplaats dit of dat niet geschiedt. Jammer evenwel, dat de heer Talma met de door hem voorgestelde wijziging andere bedoelingen schijnt te hebben
626
Zoo leerzaam als veel van het volgende, nu, schijnt ons dit hoofdstuk niet. De aangehaalde auteurs, zien wij, zijn het met elkaar niet eens. Van der Waerden komt tot de slotsom die niemand zal tegenspreken : „het blijkt ondoenlijk, zegt hij, zich uit de genoemde bronnen een oordeel te vormen — zoodat vóór alles meer gedetailleerde kennis noodzakelijk schijnt." Maar wat de „krasse tegenspraak" in de geciteerde uitspraken beteekent, hoe zij te verklaren is, welke maatschappelijke richtingen in den strijd der denkbeelden gemengd zijn, daarover zwijgt onze schrijver. En juist hier ware het de plaats geweest om te doen uitkomen dat de strijd over het effekt van de machine op de levende arbeidskracht, de funktie van de machine in de kapitalistische produktie in het algemeen betreft, en daarmee het wezen van dc kapitalistische produktie zelve.
Het is niet het gebruik van de machine als zoodanig, dat den gebruiker verlaagt tot den onwetenden handlanger van een door natuurkrachten gedreven automaat, dat zijn werkzaamheid verandert in de eeuwig terugkeerende herhaling van een enkele lichaamsbeweging.. Evenmin als het de toepassing van de machine als zoodanig is. die den werkers het brood uit den mond neemt, hunne onderlinge konkurrentie om het levensonderhoud verscherpt, de voorwaarden van hun afhankelijken en bekrompen levensstaat op steeds grooteren voet bestendigt. Zoo wel het een als het ander is uitsluitend het gevolg van. de kapitalistische exploitatie van de machine, van haar toepassing inde kapitalistische produktie. Alleen onder deze omstandigheden, immers^ zijn de gebruikers van de machine, die niet tevens de eigenaren zijn, loonarbeiders in dienst van den eigenaar. Alleen als eenige en levenslange bezigheid is de machinale arbeid geestdoodend. Het voortdurend, produktiever maken van den arbeid is voor de bezitters van de levende arbeidskracht alleen dan een bedreiging, wanneer hun arbeidskracht een koopwaar is geworden die zij aan de bezitters van de machine moeten verkoopen. Hetgeen den gemeenschappelijk georganiseerden arbeid zou verlichten, verlaagt de waarde van de arbeidskracht en oefent een druk uit op den arbeider. De kapitalistische produktie schept mogelijkheden die zij niet verwezenlijkt. In de plaats daarvan brengt zij nooden teweeg, welke op haar eigen grondslag niet kunnen, worden weggenomen.
De burgerlijke ekonomie kan de tegenstrijdigheid die in de kapitalistische toepassing van de machine opgesloten ligt, niet aanvaarden. Want deze tegenstrijdigheid, gelegen in het gebruik van instrumenten die de menschelijke arbeidskracht produktiever maakt en de waarde van de arbeidskracht doen dalen, is op den bodem van het kapitalisme onoverkomelijk. Door haar te erkennen zou de burgerlijke ekonomie den kern van haar eigen stelsel, de kapitalistische uitbuiting van den.
627
arbeid niet meer kunnen verloochenen. Door haar te erkennen, dus, zou de burgerlijke ekonomie ontrouw worden aan haar doel en reden van bestaan.
De lezer van het boek van Van der Waerden komt, zeiden wij, eenigszins onvoorbereid tot de beschouwing van de technische mededeelingen, op welker maatschappelijke beteekenis niet eerst zijn aandacht is gevestigd geworden. De reeks van citaten is een vrij wel onbewerkt gebleven aaneenschakeling, voor 'schrijvers oogmerk, wij erkennen het, voldoende. Er blijkt letterlijk niets anders uit, dan dat over de speciale kwestie van de ontscholing de meeningen verschillen. En niet alleen dat de schrijver zich van alle toelichting onthoudt, de citaten zijn bovendien niet zoo gekozen, dat zij de sociale strekking van het meeningsverschil van zelf in het oog doen vallen. De reeks werd zonder veel hoofdbrekens samengesteld.
Toch bevat zij een paar aanhalingen die den lezer op het spoor kunnen brengen. Niet toevallig, immers, dat wij den nadeeligen invloed van het machinewerk zonder eenig voorbehoud aangeduid vinden door de twee genoemde vertegenwoordigers van de school, die, als uitdrukking van het gevoelen der kleinburgerlijke groepen door de ontwikkeling van het kapitalisme bedreigd, dikwijls tot een zeer juist begrip van het systeem is doorgedrongen. De verdeeling van arbeid, heeft reeds in 1819 Sismonde de Sismondi gezegd, de meest gezaghebbende theoretikus van deze richting, „heeft den mensch aan intelligentie, aan lichaamskracht, aan gezondheid en vreugde doen verliezen al hetgeen hij gewonnen heeft aan voortbrengend vermogen van rijkdommen." Desgelijks verklaarde De Villeneuve—Bargemont, vijftien jaar later: „de machinale arbeidsverdeeling richt al hun verstandelijke inspanning op een werktuigelijk voorwerp en stompt hen noodzakelijk af."
Le Play, samensteller van de beroemde serie monografieën Les Ouvriers europcens (eerste uitg. 1859), in dit en andere geschriften met onvermoeibaren en hopeloozen ijver de revolutie aanklagend door de moderne industrie in de oude bedrijfswereld teweeggebracht, heeft over de machine in denzelfden geest getuigd. „De arbeiders, schreef hij o. a., die zich levenslang op een eenvoudige machinale bezigheid toeleggen, beschikken in werkelijkheid nog slechts over één enkel vermogen, één enkele geschiktheid, één enkel orgaan", (uitg. 1879, I, 343) En op een andere plaats: „de moderne industrie, zegt Le Play, maakt de werkzaamheden onafhankelijk van de bekwaamheid van de arbeiders, wat zij van hen eischt is nog alleen een zekere hoeveelheid lichaamskracht." (III, 5, 6).
III.
Bij wijze van bescheiden aanvulling van het door Dr. Van der Waerden
628
geleverde, willen wij uit de werken van enkele latere burgerlijke staat huishoudkundigen de verlegenheid aantoonen waarin een ondankbare taak hen heeft gebracht. Verplicht te bewijzen wat niemand gelooft, schoon maar weinigen het willen erkennen, kunnen zij niet verbergen hoe weinig zeker zij zijn van de zaak die zij hebben te verdedigen.
De professor in de staathuishoudkunde aan de universiteit te Edinburg, Shield Nicholson, heeft in een afzonderlijk werkje — „De invloed van de machine op het arbeidsloon" — het onderwerp behandeld. De machine, geeft hij toe, is begonnen met geschoolden door ongeschoolden arbeid te vervangen. Waarom de machine en wanneer de machine hiermee opgehouden is, vernemen wij niet. De erkenning van dit effekt, wat het verleden betreft, vindt men ook bij andere schrijvers. Het zou inderdaad moeilijk zijn te ontkennen, dat de invoering van de eerste machines de toepassing van den ongeschoolden arbeid van vrouwen en kinderen op groote schaal heeft mogelijk gemaakt. Liever dan dit historische feit van algemeene bekendheid te loochenen, waagt men zich aan de even moeilijk bewijsbare onderstelling, dat de machine sedert van aard gewijzigd zou zijn.
Te willekeuriger blijkt het uit de lucht gegrepen verschil tusschen het effekt op den levenden arbeid toen en thans te zijn, nu de schrijver op dit gewichtige punt van zijn betoog de voorbereiding van het debat onvoldoende verklaart:
,.In hoeverre de tegenwoordige methode van de industrie, met haar aan de machine verschuldigde uitgebreide arbeidsverdeeling, van invloed is op de bekwaamheid der arbeiders en dus op hunne loonen, betreft een gedeelte van het onderwerp ten opzichte waarvan ik moet bekennen geen zulke algemeen geldige en nauwkeurige gegevens te hebben verkregen als wenschelijk ware geweest. Een zoodanige onderneming grondig uit te voeren vereischt jaren van onderzoek en praktische ervaring in de werkplaats."
Zooveel is intusschen zeker, gaat prof. Nicholson voort, dat in verscheidene voorname takken van nijverheid, het meest in de textielbedrijven, de arbeid, tengevolge van de machine, grootelijks „vereenvoudigd" is geworden. „Dit proces gaat nog voort", men zie slechts de steeds aanhoudende verdringing van volwassen arbeiders. Waar blijven de mannen, wier plaats door kinderen en vrouwen wordt ingenomen? „De statistiek bewijst, dat de mijnwerken en metaalgieterijen een groot getal tot zich trekken, terwijl de spoorwegen, het leger en de vloot bezigheid geven aan de meeste anderen." Aldus, zegt de schrijver, verhuizen de mannen naar vakken „waar grootere lichaamskracht en (voorloopig: „at present") grootere bekwaamheid werden
i) The Efiects af Machinery on Wcges, by I. Shield Nicholson, Londen, 1892, bl. 82 e.v.
629
verlangd." Een voor de arbeidersklasse, meent hij, ,,zeer voordeelige uitkomst."
„Vereenvoudiging van den arbeid", verlaging van den bekwaamheidseisch, ontscholing van het werklieden-personeel, heeft, naar men ziet, een beschouwing van „sommige onzer belangrijkste industrieën" den hoogleeraar als gevolg van de toepassing der machine doen kennen. Deze beschouwing bevestigt, zegt hij, hetgeen „dikwijls a priori is aangetoond." Niettemin, beweert hij, „is de stelling van sommige schrijvers, dat de machine geen bekwaamheid of verstand eischt, klaarblijkelijk. onhoudbaar." „Het feit, dat in alle bedrijven de patroons de voorkeur geven aan stukwerk en de daaruit volgende verschillende bedragen van het arbeidsloon, bewijzen het." Alsof ook niet in ongeschooldheid verschillen van meer en minder kunnen bestaan, en de hoeveelheid van het werk alleen afhangt van de kundigheid . . . Ten overvloede weerlegt de schrijver zich zelf door de mededeeling van een brief waarin een fabrikant hem verzekert, dat in een kousenweverij sommige jongens het gebruik van de machine in zes of zeven weken plegen te leeren en dan tegen mannen opwerken, terwijl er daarentegen mannen zijn die na jaren oefening er nauwelijks hun brood mee kunnen verdienen — wat wel niemand zal verbazen te hooren van een bedrijf waarin kinderen na weinige dagen de volmaaktheid kunnen bereiken, en zoodoende tegelijkertijd de winst van den kapitalist omhoog en het loon van de volwassen arbeiders omlaag werken.
„Aldus zien wij," vervolgt de schrijver zijn gewaagde konklusie, „dat inderdaad in vele gevallen het gebruik zelfs van eenvoudige machinerie zoowel technische bekwaamheid als algemeene ontwikkeling verlangt." De bekwaamheid, „zien wij" inderdaad die een jongen in staat stelt binnen een of twee maanden aan mannen het brood uit den mond te nemen. Niet vreemd, dat de schrijver zich gedwongen voelt aanstonds het omgekeerde te beweren. „Toch is er'" luidt zijn onmiddellijk volgende zinsnede, „geen twijfel aan, dat de toepassing van machines in de bovengenoemde vakken, geleid heeft tot een verlaging van de benoodigde geschooldheid en dat in die vakken de arbeiders in zoover betrekkelijk slechter af zijn dan vroeger."
Aan de tegenstrijdigheid en gewaagdheid van het betoog is hiermee nog geen eind. Tegenover de vereenvoudiging van sommige soorten van arbeid, staat, zegt Nicholson, de toenemende samengesteldheid van andere soorten. Zoo is het maken van de machines en werktuigen een zeer uitgebreide industrie geworden. Ongetwijfeld, maar wij vragen wat dit bewijst. Immers worden ook de machines door machines gemaakt. En wederom zegt de autoriteit, waarop de professor zich beroept, volstrekt niet wat de professor wil laten zeggen. De vervaardiger van een speciale verhandeling over de vraag in een Ameri-
630
kaansch tijdschrift, „erkennende, lezen we, dat in de meeste gevallen de aanwending van machines veel minder bekwaamheid vergt dan hetzelfde werk met de hand verricht, verzekert, dat in vele gevallen evenveel bekwaamheid noodig is .. . b. v. het in elkaar zetten van de onderdeden van groote machines." Een verder argement is, dat machines geen herstellingen doen, een argument althans gedeeltelijk ontkracht door een opmerking over het bij het machinale bedrijf passende systeem van vervangbare stukken, waarbij voor onbruikbaar geworden onderdeden de machinefabriek op bestelling nieuwe levert, in alle soorten en grootten steeds in voorraad gehouden.
Ziehier alles. Tweeledig, besluit Nicholson, is de werking van de machine: eenerzijds vereenvoudiging, aan den anderen kant grootere samengesteldheid en dus hoogere bekwaamheidseisch. De lezer oordeelc op de kracht van welke bewijzen de eindkonklusie berust dat „blijkens de ervaring over het geheel veel grootere bekwaamheid wordt verlangd clan vroeger". De citaten of verwijzingen van den schrijver, zooveel is zeker, wettigen de gevolgtrekkingen geenszins. Evenmin zijn laatste beroep: — „het gewicht dat tegenwoordig grooter dan ooit te voren aan het technisch onderwijs wordt gehecht". Immers denkt geen mensch er aan het technisch of ambachtsonderwijs noodig te verklaren voor de groote massa van de ongeschoolde arbeiders. De klacht is evenwel dat de kennis die van enkelen gevorderd wordt, thans niet meer, zooals vroeger, in de werkplaats kan worden verkregen. Het beroep op de noodzakelijkheid van een opleiding buiten de werkplaats bewijst het omgekeerde van hetgeen men er door bewezen acht, hier en in veel andere pleidooien voor het kapitalisme.
Pleidooi voor het kapitalisme in den ongunstigsten zin is het betoog van den professor in het vak te Cambridge, den aanzienlijksten deilevende Engelsche ekonomisten, Alfred Marshall. De kwestie van de ontscholing bestaat voor Marshall niet of nauwlijks. De tegenstelling tusschen kapitaal en arbeid in de aanwending van de machine vermijdt hij in een vriendelijk gesprek over de voordeden die door de toepassing van zoovele uitmuntend vernuftige vindingen aan de menschheid ten goede komen. Men kan niet argeloozer en welwillender over de harmonie in het bedrijfsleven keuvelen dan de vermaarde hoogleeraar in dit hoofdstuk van zijn handboek 1) waar hij het uitbuitings-instrument dat nooit eenig ander oogmerk dan tot de verrijking van den kapitaalbezitter heefd gediend, in zijn werking op den levenden arbeid voorwendt te onderzoeken.
Reeds de aanhef van het hoofdstuk is karakteristiek. Niet wat de machine is en moet zijn in de werkelijkheid van het kapitalistisch bedrijf is het onderwerp — maar hoe zij dient in de abstrakte, verbeelde
1) Principles of Pconomics, I, Londen, 1898, bl. 329 e.v.
631
wereld waar ten bate van een gelijk-berechtigde bevolking van verbruikers •de produktie met de beschikbare middelen zoo doeltreffend mogelijk wordt ingericht. . . . „De eerste voorwaarde van een behoorlijke regeling van de nijverheid bestaat hierin dat zij iedereen het werk geeft dat zijn -bekwaamheden en zijn opleiding hem in staat stellen naar den eisch te verrichten, en dat zij hem daarbij voorziet van de beste werktuigen en toestellen". Ongetwijfeld bestaat hierin de eerste voorwaarde van een goede maatschappelijke regeling, alleen is het even zeker dat zij in het kapitalisme bezwaarlijk vervuld kan worden. Doch hoe de schrijver zelf, wiens levenstaak nu eenmaal de propaganda van de onwaarheid is, het kapitalisme beschouwd wil hebben blijkt uit de volgende zinsnede. Hij zal, zegt hij, voor het oogenblik buiten bespreking laten „de verdeeling van arbeid tusschen hen die de produktie in bijzonderheden uitvoeren, en hen die van de produktie de algemeene leiding op zich nemen en daarvan het risiko dragen". Met dit laatste, begrijpt men, is de kapitalistische klasse bedoeld, volgens Groot-Britannie's meest officieële vakgeleerde, ekonomist van internationale beroemdheid, de draagster van het risiko der produktie — welk risiko heeft de produktie ? — als belooning voor de gewichtige funktie van het leiden dier produktie, haar bij wijze van een simpele arbeidsverdeeling toevertrouwd. Zoover ook voordeelen aan dit systeem verbonden zijn, vallen ze uitsluitend den arbeiders te beurt. Verwonderen mag ons dit niet: immers worden in dit systeem de arbeiders overeenkomstig hun krachten en waardigheden met de diverse arbeidssoorten belast, daarbij toegerust met de beste machinerieën en toestellen.
Waaruit deze voordeelen speciaal aan het machinewezen verschuldigd, bestaan, zet Prof. Marshall vervolgens uiteen. Verdeeling van arbeid,, hij wil het niet ontkennen, veroorzaakt een zekere eentonigheid in de dagelijksche werkzaamheden. Doch men moet aan den anderen kant bedenken dat de arbeid, naarmate hij meer verdeeld wordt, ook gemakkelijker van de hand gaat. „Bij groote geoefendheid vermindert de uitgave van zenuwkracht zelfs nog sneller dan de uitgave van spierkracht". Wij blijven, zooals de lezer ziet, in de fantastische sfeer waarin niet alleen het loonstelsel maar alle historische bepaaldheid is opgeheven. Een machine die de intensiteit van den arbeid verhoogt, die den arbeider dwingt haar steeds versnelden gang te volgen, die door de eindelooze herhaling van bepaalde handgrepen een vroeger ongekenden vorm van afmatting teweeg brengt: de hoogleeraar te Cambridge heeft er nooit van gehoord. Juist van de eentonigheid zal de werkman, meent hij, geen last hebben. „Want wanneer de behandeling tot een daad van routine is teruggebracht, heeft zij ongeveer het tijdstip bereikt waarop zij door de machine kan worden overgenomen". Zoodat dan de verlichting van den arbeid goed maakt wat het gebrek aan afwisseling
632
zou bederven. En op deze wijze van haar noodlottig effekt ontdaan kan de schrijver aan de ontscholing die hij niet platweg vermag te loochenen, een plaats geven. „In zulke takken van nijverheid voornamelijk, zegt hij, ontmoeten wij de klacht van de vakvereenigingen dat ongeschoolde arbeiders er dc overhand hebben, en dat zelfs vrouwen en kinderen het werk doen waarvoor vroeger de kennis en het oordeel van een opgeleid arbeider noodig waren".
En met deze uitvlucht of met dit voorwendsel denkt Marshall dat alles gezegd is. Aan een of twee voorbeelden doet hij zien, dat in het machinale bedrijf nog plaats is voor eenige zeer bekwame vakmannen wier specialiteit uit het werken met kostbare en fijne machines bestaat, o. a. het horlogemaken. Doch dit, verklaart hij zelf, is een buitengewoon geval, en zelfs in de horloge-fabrieken wordt het grootste deel van het werk gedaan door machines gelijk ze in alle andere departementen van de lichtere metaal-industrie voorkomen. Het geval van de horlogefabrieken brengt hem op een anderen gunstigen kant van het machinewezen: n.1. dat het leidt tot vermindering van de afstanden en uitwisschiug van de grenzen tusschen een groot getal vroeger geheel afzonderlijke bedrijven. Dat de algemeene bruikbaarheid van den ongeschoolden arbeid de waarde van de arbeidskracht nu juist niet verhoogt, is in de abstrakte wereld die bij Marshall de plaats van het kapitalisme inneemt, van geen belang. Het blijft bij de telkens herhaalde stelling: „De machine neemt vroeger of later al het eentonige werk in de voortbrenging over." Dat het voor den loonarbeider daardoor niet minder eentonig en tegelijk meer inspannend wordt, bekommert den schrijver niet. Integendeel is voor hem de ontwikkeling van het machinale bedrijf gelijkluidend met een verlichtingvan den menschelijken arbeid. In nieuwere vakken heeft de machine, zegt hij, „onze macht over de natuur uitgebreid." In oude, als het timmervak b. v„ „wijden de werklieden zich hoofdzakelijk aan die gedeelten van de bezigheid die het aangenaamste en het interessantste zijn," terwijl het grove en zware bedrijf van zagen en schaven door de stoommachine is overgenomen, en daarmee „de timmerman bevrijd van de pijnlijke afmatting welke hem nog niet lang geleden ontijdig deed verouderen."
Men vergelijke met dezen kathederonzin de schets bij Van der Waerden van de verderfelijke revolutie door de machine ook in het timmer- en in het bouwvak in 't algemeen aangericht.
IV.
Wij hebben nog een derden Engelschen professor geraadpleegd, William Smart, eertijds „groot werkgever", thans vertegenwoordiger der
633
wetenschap aan de hoogeschool te Glasgow, waar hij den zetel bekleedt door een vaderlandslievend medeburger gesticht, de nagedachtenis ter eere van den beroemdsten zoon des lands: Adam Smith.
Of het te danken zij aan de nawerking van de vroeger door hem: waargenomen meer praktische broodwinning, dan wel aan den invloed van een door den schrijver geciteerden ambtgenoot, die de werktuigkunde doceert „en over alle middelen beschikt om de zaak te beoordeelen" — geloochend wordt door prof. Smart het vervallen van de vakbekwaamheid der machine-arbeiders eigenlijk niet. Des te meer moeite moet hij zich geven om den lezer te overtuigen, dat men verkeerd zou doen met zich, ter wille van het kapitalisme, door dit verschijnsel zeer te laten verontrusten of bedroeven. Op den duur, waarschuwt de hoogleeraar, minder pessimistisch gezind dan de voorganger in wiens naam hij de ekonomie onderwijst, op den duur komt alles, komt ook dit terecht. En wel, wat het voornaamste is, binnen de grenzen van het kapitalisme. Zoo denkt hij en zoo zegt hij." Doch als men goed ziet, bespeurt men, dat de schrijver zich aan de werkelijkheidsvoorwaarden van het kapitalisme even weinig gebonden acht als de groote man van Cambridge. Hij verlegt althans het terrein waarop zijn vertroostingen zich kunnen verwezenlijken in een niet nader aangeduid hiernamaals. In deze volkomen onbepaalde toekomst het kapitalisme te herkennen is alleen mogelijk voor iemand die niet gewoon is zich het kapitalisme als iets bepaalds voor te stellen. Hetgeen niet wegneemt, dat de konkrete beschouwingen van prof. Smart het wezen van de zaak op sommige punten met grootere eerlijkheid openleggen dan de platte mooi-praterij van een Marshall.
De Schotsche hoogleeraar bespreekt de kwestie in een paar hoofdstukken van zijn werk over de „verdeeling van het Inkomen" i) waarvan de slotsom is dat de bestaande verdeeling, ofschoon niet volmaakt, evenwel een „verdeeling overeenkomstig bewezen diensten" kan worden genoemd en als zoodanig geenszins van rechtvaardigheid ontbloot is.
Handelende over het inkomen dat „arbeidsloon" heet, wil prof. Smart bewijzen dat op het bedrag van het arbeidsloon de bekwaamheid van den arbeider zonder invloed is. De theorie dat, afgezien van de veranderingen door verschillen in de verhouding van vraag en aanbod teweeg gebracht, de prijs van de levensbenoodigdheden het loon bepaalt, populaire uitdrukking voor de waarde van de arbeidskracht, deze theorie, ook in de burgerlijke staathuishoudkunde door velen aangehangen, bestrijdt prof. Smart. Met vele andere burgerlijke ekonomisten wil hij het loon beschouwd zien als het aandeel dat de arbeiders in de waarde van het produkt bijdragen, of als hetgeen dikwijls de „waarde van den.
i) William Smart: The Distribtition of Incoine, Londen, 1899.
634
arbeid" genoemd wordt, een uitdrukking die oneindig beter dan de andere in het burgerlijke stelsel past wijl zij de betrekking tusschen kapitaal en arbeid onkenbaar maakt.
Onder de elementen, echter, die de waarde van de arbeidskracht bepalen behoort ook de vakbekwaamheid waarvan de kosten de arbeidskracht in prijs verhoogen. „Wanneer nieuwe machinerie, die met ongeschoolden arbeid van 25 schellingen per week volstaan kan, de plaats inneemt van machinerie die geschoolden arbeid van 3 5 schellingen vorderde, zal dan de geschooldheid de loonsverlaging kunnen tegenhouden?" De werkelijke beweging van het loon, antwoorden we den schrijver, hangt niet af van een wijziging in één der bestanddeelen van de waarde. Al het overige gelijk gebleven, zal de machine die opleiding •en kennis overbodig maakt en dus met een goedkoopere arbeidskracht kan volstaan, zeer zeker een druk uitoefenen op het loon. Doch een eventueele daling in dit geval kan niet worden gezegd ondanks de geschooldheid plaats te hebben, zij is veeleer het gevolg van de ongeschooldheid.
Intusschen denkt de schrijver er niet aan dit nadeelige effekt te ontkennen. Hij kan het in zijn stelsel niet ontkennen. Hij heeft het noodig. Want het bevestigt hem te meer in zijn opvatting dat het „nationale inkomen" naar gelang van de bewezen diensten verdeeld wordt. Naarmate de machine het werk overneemt, redeneert hij, is het niet meer dan billijk dat de arbeiders minder krijgen. Natuurlijk zullen cle arbeiders, die nu eenmaal „niet het geringste begrip hebben" van de oorzaken die het loon bepalen, hiermee niet tevreden zijn. „Wij hebben geen bezwaar tegen de nieuwe machinerie", laat de hoogleeraar-werkgever hen spreken, „alleen eischen we geen mindere betaling dan 35 schellingen". „Men moet een vakvereenigingsleider zijn", zegt de schrijver op zijn beurt, „om daarvan het redelijke in te zien". Hoe kan men den ondernemer verwijten dat hij de loonen drukt, vraagt hij. „De ondernemer is juist bezig de loonen van sommige arbeiders te verhoogen", nl. van de ongeschoolden die de plaats komen bezetten van de geschoolden. „De ondernemer verlangt enkel de vrijheid om de soort van arbeid te gebruiken die hij noodig heeft". De vakvereeniging zal dan ook geen genoegen beleven van haar dwazen eisch. „De geschooldheid, zelfs indien door een sterke vakvereeniging gesteund, is niet bij machte het arbeidsloon op peil te houden". Hoe hard dit een oogenblik moge schijnen, het recht moet zijn loop hebben. Waarom zou „de arbeid" in den zak mogen steken wat aan „het kapitaal" toekomt? En hoe langer hoe meer, voorspelt de professor, zal „het kapitaal zijn deel krijgen in de voortbrenging van bijna alles wat nu nog enkel door handenarbeid wordt gemaakt". Zijn deel in de voortbrenging en dus ook zijn deel in de opbrengst. Men moet een professor in de staathuishoudkunde zijn om hiervan het redelijke in te zien. Waarom de
63 S
schrijver alleen de som die aan machines wordt besteed en niet het geld aan arbeidsloon betaald, tot het kapitaal rekent, zal de gevatte lezer intusschen hebben begrepen.
Hebbe n wij bij dezen anderen kathederonzin ons langer opgehouden dan hij op zich zelf waard was, het geschiedde om wat in het boek van Van der Waerden de stand van het vraagstuk heet, nader te doen kennen. Prof. Marshall, zagen we, houdt zich van den domme. Het gehalte van den levenden arbeid lijdt wel onder de verdeeling van den arbeid, maar wat nood? Eerder heeft men reden zich te verheugen wijl de machines voortaan het geestdoodende werk op zich nemen, en aan de arbeiders enkel de „aangenaamste en meest interessante bezigheden" overlaten . . . Prof. Swart die zich overigens op den ouderen ambtgenoot van Cambridge meermalen met dankbare bewondering beroept, kan deze negatie van alle werkelijkheid niet voor zijn rekening nemen. Neen, de geschoolde arbeiders lijden mee onder de ontwikkeling van het machinewezen. Men noeme het echter geen onrechtvaardigheid; onrechtvaardig zou het zijn 35 schellingen te moeten geven voor een arbeid die voor 25 te koop is. Op deze manier verschoond, bestaat er voor den schrijver geen enkel bezwaar tegen het erkennen van een verschijnsel, het meest frappante in de techniek van het kapitalisme :
„Een hooggeacht kollega aan deze zelfde universiteit, lezen wij, die over alle middelen beschikt om den stand van zaken te beoordeelen uit het oogpunt van machinebouw, en over praktische ervaring van den kant der werkers, besluit dat wij nog slechts in den aanvang van een nieuwe ekonomische omwenteling staan. Volgens hem is de konstruktie van machines op weg zoodanig volmaakt en door het beginsel van zelfwerkende inrichtingen beheerscht te worden, dat zelfs het „stellen" ophoudt bekwaamheid te eischen van den arbeider, er zal dus op het uitgestrekte veld van de machineindustrie vraag naar machinearbeiders zijn met een zeer geringe bekwaamheid . . ." Hetzelfde verschijnsel, dus, dat bij de toepassing van machines op te merken valt, „doet zich voor in de werkplaats waar machines en machine-werktuigen werden gefabriceerd."
„Nog afgezien van een verlaging der loonen," zegt de schrijver op een volgende bladzijde, „is de vernedering van den mensch, gevolg van het overbodig worden van bekwaamheid en scholing, een hoogst ernstige zaak. Indien werkzaamheden die deze eischen stellen, verloren gaan, en personen gewend aan een krachtdadig gebruik van hun vermogens verwezen worden naar een arbeid die hun als redelijke schepsels niets zegt, dan zullen zij die toch maar eenmaal leven, hun leven te gronde zien gaan. De aanwinst voor het nageslacht is niet onze winst, en het zou niets anders dan dwaasheid zijn hier berusting te prediken."
Doch met den indruk dat de arbeiders, naarmate het „kapitaal" hun de produktie uit de handen neemt, slechter af zijn, kan de pro-
636
fessor niet eindigen. Gelukkig meent hij ook niet zoo te moeten eindigen. Waarom, vraagt hij, gaan de arbeiders tijdelijk somtijds achteruit ? Eenvoudig omdat „de mensch", dank zij den voortdurenden verbeteringen in de techniek, „door het kapitaal vervangen wordt." Maar dit is een euvel, zoover het een euvel mag heeten, dat zijn eigen genezing meebrengt. Want de „vervanging van den mensch door het kapitaal" i) maakt de produkten goedkooper, doet dus de vraag toenemen, geeft daardoor nogmaals een uitbreiding aan de machinerie, en, omdat de kunst wel nimmer zal worden uitgevonden die „het kapitaal" in staat stelt „den mensch geheel op zij te zetten", stijgt ten slotte langs dezen omweg ook wederom de vraag naar levenden arbeid. En dan is begrijpelijkerwijs de beurt aan den mensch om de schade in te halen hem door machinerie, kapitaal of natuur toegebracht. Er is nu overvloed van kapitaal, vergelijkenderwijs gebrek aan arbeid en de loonen gaan omhoog — „niet omdat de arbeid meer werk doet, niet omdat hij beter geschoolde arbeid is, maar omdat hij meer onmisbaar is geworden."
Ten laatste en voornamelijk: dit alles heeft slechts betrekking op den stoffelijken arbeid. Doch de mensch is meer dan enkel maag. Zijn behoefte aan dekking en woning zijn beperkt. De mensch heeft ook een geest, welker behoeften oneindig zijn. De machine of het kapitaal of de natuur „bevrijden", zagen wij, den mensch van de arbeidslasten. Dan komt de zucht dat ook zijn hoogere zintuigen, zijn edeler smaak, zijn verstand, bevredigd mogen worden. Wij krijgen vraag naar „meer denkers, meer dichters, meer reizigers" (anders dan voor handel natuurlijk) „meer verzamelaars van inlichtingen, gevers van onderricht, bezorgers van schoonheid." „Bij elke schrede voorwaarts in rijkdom, terwijl de vraag naar kapitaal en machinerie aanwast, wast ook aan de vraag naar den mensch als mensch." —■ Wel mocht de schrijver, die aldus de door de machine verdrongen of anderszins benadeelde arbeiders met hun lot tracht te verzoenen, even te voren verklaren dat het prediken van berusting dwaasheid is.
Niet enkel den stand van het door Van den Waerden behandelde vraagstuk, ook de wijze waarop aan drie Britsche hoogescholen omstreeks het begin der twintigste eeuw de staathuishoudkunde geleeraard werd, vleien wij ons met het voorafgaande eenigermate te hebben toegelicht.
i) In een voetnoot van dezelfde bladzij stelt de schrijver de zaak nog anders voor: „Het werk vroeger door natuur en mensch gezamenlijk gedaan, wordt thans meer door de natuur en minder door den mensch verricht." (T. a. p. bl. 235). Wederom zal slechts een officieel burgerlijk ekonomist het redelijk kunnen achten dat dit voor vele menschen zoo onaangenaam is.
(Slot volgt.)
Sentimenteele Psychologie (Slot).
{Kritische beschouiving van Mr. Bongers Nieuwe Tijd-artikelen). door
H. ROLAND HOLST.
VI.
De psychische ontwikkelingsgang der Marxisten in Nederland.
Ons blijft nu nog over de in het vorig hoofdstukje gemaakte opmerkingen over de ontwikkelingswetten van het bewustzijn, de rol der „mémoire affective" en den invloed van bepaalde psychische ervaringen op bepaalde klassen van karakters, toe te passen op de Nederlandsche marxisten.
Wij konkludeerden in het tweede deel dezer studie dat menschen van zeer uiteenloopenden aanleg door het marxisme aangetrokken kunnen worden, en, (gelijk onze voorbeelden bewijzen) werkelijk ook worden, zoodat van een eenzijdig selektie-materiaal geen sprake is. De dispositie vonden wij te liggen zoowel op het gebied van intellekt, als op dat van temperament en wil, d. w. z. in bepaalde bestaanswijzen en vooral kombinaties der drie groote funkties van het bewustzijn.
Gedurende de jaren van opkomst eener duidelijk uitgesproken marxistische richting in de S. D. A. P. (1900—1906) kon deze veelzijdige selektie aanvankelijk betrekkelijk onbelemmerd doorwerken. In die jaren stond bij de propaganda voor de twee-eenheid marxisme het intellectueel element, dat is het marxisme als kritisch-historische beschouwing der maatschappelijke verschijnselen, als wijze van denken, op den voorgrond, en gaf de organisatie van het intellekt in de meeste gevallen den doorslag (natuurlijk voor wie onder de partijgenooten in de gelegenheid waren van het marxisme kennis te nemen en voldoende ontwikkeling bezaten om het in zich op te nemen) tot welke richting in de partij men zou behooren. De marxistische propaganda werkte in de eerste plaats op het inzicht der partijgenooten en kweekte eene, voornamelijk, geestelijke
Dit was in de eerste plaats hieraan toe te schrijven, dat deze propaganda een meer theoretisch dan praktisch karakter droeg. Zij werd hoofdzakelijk gevoerd door eenige intellektueelen, die zich door aanleg en opvoeding bij voorkeur meer op het veld der historische, ekonomische en wijsgeerige beschouwing, dan op dat der
638
politieke praktijk bewogen. Daarbij kwam, dat de theoretische debatten over het revisionisme in de internationale nog in vollen gang waren en het begrip van de verschilpunten tusschen de „richtingen" eerst in ons land langzamerhand begon door te dringen. Het spreekt ook van zelf, dat opvoeding in marxistisch denken aan bewust en konsekwent marxistisch handelen vooraf moet gaan. Kortom, wel werd ook in die jaren, dat de propaganda voor het marxisme voornamelijk van de „Nieuwe Tijdgroep" uitging, dit altijd opgevat alsonverbrekelijke twee-eenheid van weten en handelen, maar dit neemt niet weg dat in deze fase op het weten de hoofdnadruk werd gelegd. De zich om de Nieuwe Tijdgroep scharende marxisten omvatten persoonlijkheden van zeer uiteenloopenden aanleg, en daar ieder karaktertype een eigen schakeering in de gemeenschappelijke opvatting medebrengt, muntte zij uit door verscheidenheid-in-eenheid. De verschillende aanleggen en neigingen der leden van de minderheid hielden elkaar in evenwicht en werkten tevens als zoovele punten van aanraking met de overeenkomstige aanleggen en neigingen in de breede midden*' stof. Zoo was dan ook de psychologische afscheiding tusschen meerderheid en minderheid in die jaren nog niet vast, maar vloeibaar, stonden beide nog geenszins, opzettelijk en onophoudelijk, tegenover elkaar.
Hierin kwam, door verschillende oorzaken, verandering. De marxistische propaganda moest, op een zeker oogenblik, van meer op-detheorie meer-op-de-praktijk gericht worden, van streven vooral-het-denkente-doordringen tot streven worden, het handelen om te vormen: uit den stengel moest de bloem opschieten en daaruit de vrucht zich vormen. De politieke omstandigheden, nl. de heerschappij der klerikale coalitie, die de neiging der leiders van de meerderheid tot een losser of vaster parlementaire verstandhouding met de „burgerlijke demokratie" aanwakkerden, droegen er toe bij de wending van het marxisme naar de praktijk te verhaasten en noodzaakten het scherper stelling te nemen: in tal van voorvallen, meestal met de verhouding der sociaaldematie tot het liberalisme samenhangend. En dit weer voerde tot een feller optreden van de in hun machtspositie bedreigde leiders der meerderheid, door deze zelve op de partijkrongressen herhaaldelijk gesanktioneerd. Vanaf de Troelstra-campagne tegen de Nieuwe Tijdgroep en het (marxistisch) partijbestuur in 1905 overtrad de meerderheid in stijgende mate de geboden der kameraadschap jegens de minderheid, behandelde haar op vijandelijken voet en deed haar al de bitterheid, aan het lot van minderheid te zijn verbonden, gevoelen. De propaganda voor hare beginselen werd zijdelings belemmerd, haar inzichten werden gediskrediteerd, vooroordeelen en hartstochten tegen haar bij de breede middenstof door demagogische middelen kunstmatig opgewekt 1). Hoon en smaad waren haar lot. Tot deze onkameraad-
1) Bonger ontkent (N. T. bl. 75s) de mogelijkheid dat het gemis aan sympathie voor het marxisme bij de massa der socialistische arbeiders aan de houding van de leiders der S. D. A. P. toe te schrijven zou zijn. Men kan, zegt hij, nu eenmaal geen massale groep van menschen een meening of gevoelen bijbrengen, zonder dat deze reeds embrionaal aanwezig zijn. Dit is juist, maar de „diskrediteering" van het marxisme maakte ook wel degelijk gebruik van embrionair aanwezige gevoelens, o. a. het naar voren brengen van de tegenstellingen theoretici-praktici, heeren-arbeiders enz., van spekuleeren op instinktieve gevoelens van eigenbelang tegenover gemeenschappelijk (klasse)belang. (liet ,grond" aan
670
de verkeersbedrijven, 113 in de Textielbedrijven, 163 in de metaal-industrie, machine- en scheepsbouw, 803 in de bouwvakken. Al deze contracten bestaan onafhankelijk van elkander 1 Terwijl nu de Trades Unions de laatste jaren een verslapping vertoonden in hunne actie, blijkens de stakingscijfers, en zich aan nieuwe eischen, boven de bestaande collectieve overeenkomsten niet waagden, hebben de werkgevers-vereenigingen zich geducht versterkt, en maakten van de geringe gevechts-stemming bij de Trades Unions gebruik, om, door allerlei kunstgrepen en regelingen binnen het raam der overeenkomsten, de arbeiders hoogere productie en zwaarderen arbeid op te leggen. En wanneer de arbeiders zich er tegen verzetten, werd dit verzet beantwoord met eene waarschuwende verwijzing naar de collectieve arbeidsovereenkomst, waardoor den arbeiders de mogelijkheid was benomen tegen dit aggressieve patroons-optreden op te komen, wilden ze niet hunne organisatie in moeilijkheden brengen. En de besturen van de groote bonden, die door de overeenkomsten, somtijds voor een groot aantal jaren aangegaan, waren gebonden, bleken maar al te zeer geneigd, de desbetreffende klachten van de verschillende aangesloten arbeidersgroepen te dempen.... Het voornaamste middel tegen deze patroons-taktiek, nl. de werkstaking, was hun juist dóór de overeenkomsten ontnomen 1
Daarbij vergete men niet, dat juist dóór de toenemende neiging bij de vakvereenigingen, om door scheidsgerechten de geschillen te doen beslissen, niet alleen geschillen die onmiddelijk voortvloeien uit de overeenkomsten maar ook zulke die van verdere strekking zijn of daarbuiten om ontstaan, in de handen der besturen een groote macht is gelegd geworden, welke macht meer en meer werd uitgeoefend zonder dat daarbij op de uitspraak van de organisaties zelf een beroep werd gedaan. Daardoor kregen de economische conflicten, gelijk zij zich in een zoo hoog industrieel ontwikkeld land dag aan dag voordoen en wel moeten voordoen, meer en meer het karakter van te worden beslecht door eene bureaucratie van beambten, inplaats dat daarbij de arbeiders zélf, door hun stem of door hun strijd, in de gelegenheid werden gesteld, daarop invloed te oefenen. Ziedaar de oorzaak van de groote klove die zich in de laatste jaren in vele bedrijven tusschen de massa der georganiseerden en de leiders heeft gevormd, waaruit de gebeurtenissen van het vorige jaar en van dit jaar, die, juist omdat het de Engelsche arbeidersbeweging betrof, zoo vreemd schenen, thans zoo gemakkelijk psychologisch verklaard kunnen worden.
Het spontane verzet tegen de geschetste taktiek, en de bureaucratische leiding in de Engelsche vakbeweging, begon het vorige jaar, in Juni, met een staking van mijnwerkers in het noorden van Engeland. Kort te voren had de oude leider van den Mijnwerkersbond in het Noorden, Thomas Burt, geweigerd, het bij referendum genomen besluit van den bond tot aansluiting bij de Arbeiderspartij, voor zich op te volgen : hij weigerde, uit de liberale parlementsfractie te treden ; hij werd door de Arbeiderspartij in den ban gedaan, en hij voorspelde aan de Trades Unions den ondergang. Daarop volgde de staking van eenige duizenden mijnwerkers, die zich om het nog loopende collectieve contract niet bekommerden, nóch om de scheidsrechterlijke uitspraak, en dientengevolge ook geen ondersteuning uit de bondskas ontvingen.
In September 1910 begon de staking van 12000 mijnwerkers van de „Cambrian Combine"-mijnonderneming in Zuid Wales, evenals vlak tegen den invloed van de leiders van den Mijnwerkersbond in, wiens leiders Abraham, Brace en Richards, bekende liberale parlementsleden, op de stakers geenerlei invloed bleken te bezitten. Deze staking, die met heldenmoed is volgehouden, en tot voortzetting waarvan dd. 23 Mei 1911 nog opnieuw werd besloten niettegenstaande de stakers bedreigd werden met het vooruitzicht dat bij verwerping der
671
bemiddelingsvoorstellen geen uitkeering meer uit de bondskas zou worden gedaan, brak uit in een streek, waarvan de arbeidersbevolking als buitengewoon onderworpen, en streng katholiek, bekend stond. Daarom hebben de tooneelen van geweld, verwoesting en verzet tegen de gewapende macht, die bij deze staking zijn voorgevallen, de burgerpers met verbazing, om niet te zeggen ontzetting vervuld. Ook hier werd de strijd veroorzaakt door eene oneenigheid over de uitvoering van eene uitspraak door een scheidsgerecht, waarbij de betrokkenen verklaarden, zich niet neer te kunnen leggen, en terwijl'de voornaamste leiders en een groot aantal gesalarieerde beambten alle mogelijke moeite deden om door onderhandelingen met de mijn-eigenaren de staking te doen beëindigen, werkte een andere strooming, en daaronder ook verschillende, overtuigd-socialistische vakvereenigingsbeambten vlak tegen de leiding in, en wist tot nu toe te bewerken, dat, trots alle mogelijke ontberingen, de stakers met hunne eischen van hooger loon dan het scheidsgerecht hen toekende, volhielden. Een geweldig, revolutionaire geest is over deze arbeiders gekomen; met één slag hebben zij de banden van sleur tusschen hunne organisatie ter plaatse en de liberale mijneigenaren verbroken, de heele scheidsgerecht-politiek in een hoek geworpen, en thans brandt er de klassenstrijd zoo fel en woest als nooit te voren 1 De geheele strijd is echter niet alleen een strijd tegen de mijn-eigenaren, maar evenzeer een strijd tegen de conservatieve vakvereenigings-politiek, en de geweldige sympathie en daadwerkelijken steun dien de stakers uit het geheelesteenkolen district van Wales ondervonden, bewijst wel, dat de ontevredenheid over deze vakvereenigingstaktiek diep wortel heeft geschoten. En de stakersontvingen uit de rijen der socialisten warme sympathie. „Op de tegenwoordige wijze voort te gaan", schreef Tom Mann, die in de propaganda voor de nieuwe strooming in de vakbeweging zulk een sterk aandeel heeft, in „Justice" van 14 Jan., „beteekent slechts ellende voor de arbeiders. Dezelfde toestanden die dezen opstand der Wales'sche mijnwerkers veroorzaken, heerschen ook in de andere Britsche steenkool-districten. Er werken in Engeland 850,000 man in de mijnen. En wanneer dezen er niet in kunnen slagen, hunne billijke eischen tegenover de mijn-eigenaren door te zetten, de transport-arbeiders zullen niet aarzelen, hen te hulp te komen, en elke trades-unionist en elk socialist in Engeland zal zich stellen aan de zijde van deze strijders". Tot driemaal toe hebben thans reeds deze staker een voorstel van het Hoofdbestuur van den Mijnwerkersbond, om den arbeid weder te hervatten op de toezegging der werkgevers dat na de hervatting van hun arbeid hun grieven onderzocht zouden worden, met overgroote meerderheid verworpen ; en met eene energie en eendracht als waarvan in de geschiedenis der arbeidersbeweging nauwelijks een voorbeeld te vinden is, zetten zij nog op dit oogenblik steeds hun strijd voort. 1) In Lancctshire waar de textielarbeiders zoo goed als allen georganiseerd zijn, werd in den zomer van 1910 een arbeidsovereenkomst aangegaan voor den tijd van vijf jaren, waardoor de industriëele vrede in dit district gedurende deze
1) Het bovenstaande was reeds geschreven, toen op Zaterdag 17 Mei 1911 nogmaals eene vergadering plaats vond van gedelegeerden van Zuid-Walesche Mijnwerkers-vereenigingen te Cardiff, waar 150,000 arbeiders vertegenwoordigd waren, en waar met zoo goed als algemeene stemmen opnieuw werd besloten, de provisorisch aangegane overeenkomst tusschen het Bestuur der Mijnwerkers-federatie en de Mijneigenaren te verwerpen, en dezen strijd tot het uiterste voort te zetten. Dit besluit werd genomen, nadat toen de staking reeds 7 maanden had geduurd, en het algemeene bestuur der Engelsche Mijnwerkers-federatie uitdrukkelijk had verklaard, dat zij zich uit financieele overwegingen gedwongen zou zien den steun van 3000 p. St. per week in te houden, in geval de vrede niet tot stand kwam.
672
periode verzekerd zou zijn. Deze overeenkomst was zoo goed als gereed, en behoefde slechts nog de onderteekening, toen plotseling in September in het rayon dezer overeenkomst een partieele staking uitbrak als verzet tegen de methode van een der werkgevers om voor dezelfde loonen steeds intensieveren arbeid te eischen. Weken aaneen duurde deze staking wier aanleiding geheel onbeteekenend was, tegen den wil van het Hoofdbestuur uitgebroken; het feit ■dat ze kon plaats hebben, in eene streek waar tot nu, jaren en jaren, de strengste discipline heerschte, bewijst wel, hoe diep de ontevredenheid met den gang van zaken in het vakvereenigingsleven reeds om zich heen had gegrepen.
Onder de spoorweg-arbeiders brak eenzelfde spontane verzet uit; niettegenstaande het bestaan eener arbeidsovereenkomst, waarin was vervat een scheidsgerecht hetwelk alle stakingen onmogelijk zou maken, hadden er- in het laatst van het vorige jaar twee spontane stakingen plaats, waarbij de betrokken arbeiders zich eenvoudig om het bestaan van het scheidsgerecht niet bekommerden.
Maar bovenal heeft de aandacht getrokken de staking, en de daarop gevolgde uitsluiting, van de 'arbeiders aan de scheepswerven aan de Tyne en de Clyde. In 1907 en 1909 waren voor deze bedrijven eveneens arbeidsovereenkomsten aangegaan, die de arbeidsvoorwaarden van de meest verschillende, bij den scheepsbouw betrokken arbeiders regelden, en eveneens inhielden een uitvoerig uitgewerkt stelsel van scheidsgerechten, naar wien de eventueele grieven van de arbeiders verwezen moesten worden ter onderzoek, eventueel ter beslissing. Bij deze overeenkomst waren betrokken 26 vakvereenigingen. Elke grief, elke eisch ook om loonsverhooging, van een der hierbij betrokken arbeidersgroepen, moest eerst alle instantiën van onderzoek doorloopen, vóór er eene beslissing genomen kon worden, terwijl staking van speciale groepen de uitsluiting van duizenden ten gevolge zou kunnen hebben. Terwijl nu de werkgevers er op vertrouwden, dat het middel der staking toch niet aangewend zou kunnen worden, gevoelden de arbeiders zich in de machinerie van scheidsgerechten, waardoor zij omstrikt waren, en op wier beslissing zij zoo goed als geen invloed konden oefenen, ondragelijk gevangen! Zoo kwam het in 1910 eenige malen tot staking van kleine groepen met bepaalde loon-eischen, die door dit middel wilden trachten, hun toestand te verbeteren of zich tegen verslechtering te verdedigen, omdat zij in de scheidsgerechten een instituut zagen waarmee hunne grieven sleepende werden gehouden. Menigmaal betrof de eisch een tijdelijken arbeid, die, als de eisch alle instantiën der scheidsgerechten doorloopen zou hebben, reeds zou zijn geëindigd! Dat was het geval met de stakende ketelmakers, in het begin van September 1910, op een der werven, en daartegen was de uitsluiting van de werkgevers gericht. Het kenmerkende dezer uitsluiting, waardoor van begin September tot begin December 15000 arbeiders op straat kwamen te staan, is gelegen niet in het feit of den omvang der uitsluiting zelf, maar in het spontane en het tot het laatst-toe volgehouden verzet uit den boezem der arbeiders zelf, de rebellie, tegen de collectieve overeenkomsten gelijk ze zich in Engeland als bureaucratisch geregelde instituten ontwikkeld hebben, en tegen de leiding in der respectieve vakbonden, die hare kracht meer en meer zocht in het ontwijken van den strijd!
Ook deze strijd is ten slotte weder door een schikking geëindigd; maar hun verzet tegen de leiding en zelfs tegen de uitspraken der organisatie hebben de uitgeslotenen ten einde toe volgehouden; en ze konden dit volhouden, omdat zij een sterke strooming in de vakbeweging en de socialistische beweging achter zich hadden.
D v ruit Mogen wij, sociaaldemocraten, alle deze gebeurtenissen in de zicht n vakbeweging van Engeland schuiven op rekening eener plotselinge revolutionaire stemming onder de arbeiders, onder den invloed ■van Tom Mann en andere aanhangers der jongere richting? Ik meen van
673
niet! Vóór de mijnwerkers van Wales, de textielarbeiders van Lancashire, de ketelmakers van Tyne en Clyde, de groepen van arbeiders die reeds van de 70'er jaren af in de school van het klassieke Trades Unionisme zijn opgevoed, tot zulk een vurig, heftig, volgehouden verzet komen tegen hun eigen organisatie, moet zich een psychologisch proces onder deze massa's hebben afgespeeld, waarvan wij allerminst aan de woord-propaganda van enkelen de schuld mogen geven. Het kan niets anders zijn, en het is niet anders, dan een geweldige worsteling, uit de massa's zélf opgekomen, om zich aan wat ik zou willen aanduiden als de „liberale" vakvereenigingstaktiek die het Trades Unionisme van den ouden stempel (de school van 1870) kenmerkte, te onttrekken; een strijd tegen een taktiek, die, nu de Engelsche werkgevers gedwongen zijn om in de internationale industriëele concurrentie scherper op te treden en zij hunne vroegere welwillendheid jegens de arbeiders om hun zelfs wille hebben laten varen, in dezen verscherpten vorm van den klassenstrijd niet meer past.
Deze omkeering, waarvoor wij thans staan, is nog in volle werking. Wat zich voor deed, zijn slechts symptomen. De liberale leiders maken zich meer en meer los van de vakbeweging. Richard Bell, de liberale leider van de spoorwegbeambten, is genoopt, zijn post te verlaten, en dezen bond aan jongere handen over te laten; Shackleton, de voornaamste leider der textielarbeiders, heeft in 't laatst van 't vorige jaar een functie als arbeidsadviseur aan het departement van minister Winston Churchill aanvaard; Thomas Burt, de oude leider vande mijnwerkers in Noord-Engeland, heeft zich, door zijn weigering om tot de parlementaire arbeiderspartij toe te treden, van zijn eigen organisatie vervreemd. En achter deze persoonswijzigingen spelen zich de veranderingen in de verhoudingen af.
Hopen wij, dat de eerste vrucht dezer revolutionaire beweging zijn zal: méér internationaliteits-gevoel onder de Engelsche vakvereenigingen. Daarin schiet, gelijk de ondervindingen omtrent den steun voor de uitgeslotenen bij de algemeene werkstaking in Zweden heeft geleerd, de Engelsche arbeidersbeweging nog ontzaglijk veel te kort.
En vertrouwen wij tevens, dat deze geweldige, spontane opleving van het klassenstrijd-sentiment op industrieel terrein, ook moge leiden tot grootere éénheid en grootere kracht in de socialistische arbeidersbeweging in Engeland, want daardoor alleen zal bereikt kunnen worden datgene wat alléén in staat zal zijn, om de Engelsche arbeidersbeweging te verheffen tot de hoogte en de macht waarop zij, krachtens de industriëele verhoudingen in Engeland, moet komen: één socialistische partij; onafhankelijkheid van de liberale partij, en scheiding in den zuiver politieken strijd tusschen de vakbeweging en de politieke socialistische beweging!
De tragedie van het ambacht
DOOR
F. M. W I B A U T.
De tragedie van het ambacht is voor Nederland, door onzen vriend Theodorus van der Waerden beschreven. Hij heeft er wat de Duitschers noemen zijn „Doctorarbeit" van gemaakt. Zijn boek „Geschooldheid en Techniek" is het proefschrift waarmede hij aan de Delftsche Hoogeschool den graad van „Doctor in de Technische Wetenschap" heeft verworven, i)
„Onderzoek naar den invloed van arbeidssplitsing en machinerie op de mate van vereischte oefening en bekwaamheid der arbeiders" is de ondertitel van dit boek. En op de eerste bladzijde wordt het ons nader omschreven als de poging „om de waarheid te zoeken aangaande de behoefte aan geschoolde arbeiders en het huidig stadium der techniek en de tendensen dienaangaande in de technische ontwikkeling." Het is eigenlijk nog minder „de waarheid" die de schrijver heeft gezocht, dan wel de bewijzen voor een „waarheid" die hij voor zich reeds had gevonden. Van der Waerden is niet door zijn onderzoek tot de ontdekking gekomen van de steeds verminderende beteekenis die geschooldheid in een of ander ambacht, die vakbekwaamheid voor de groote massa der arbeiders bij het voortschrijden der technische ontwikkeling heeft. Hij wist reeds, dat de strekking der technische ontwikkeling sedert tientallen jaren is, maar nog steeds in toenemende mate blijft, aan ambachtsbekwaamheid hare beteekenis te ontnemen, de „geschoolde" arbeid steeds meer vervangbaar te maken, aldus het verschil in positie tusschen „geschoolde" arbeiders en ongeoefende of slechts korten tijd geoefende arbeiders steeds meer te verminderen en te verkleinen, de strekking om alle groepen van arbeiders tot gelijken te maken ten opzichte van den kapitalist die hunne arbeidskracht koopt,
i) Nadat wij van de secretaresse der redactie de opdracht tot bespreking van dit boek hadden aanvaard, bleek ons dat ook Van der Goes er een artikel aan zou wijden. De lezer echter zal bemerken dat de beide artikelen het onderwerp uit verschillend oogpunt bezien.
696
het débouché naar de Middellandsche Zee (de zee van Cyprus), de vertakking Osmanje-Alexandrette. Al de belangen van Syrisch en Mesopotamisch Arabië zullen zoo aan Stamboel de rug toekeeren en afgeleid worden naar de Europeesche zeeën en havens. Bagdad zal den blik richten naar het Koweit der Engelschen; Damascus naar het Beyroeth en Tripoli der Franschen; Mosoel en Aleppo naar Alexandrette van de Duitschers. Het gevolg ervan zal zijn, dat BenedenMesopotamië een soort van tweede Egypte wordt, Syrië en de Libanon een tweede Tunis, Armenië een tweede Perzië, terwijl achter Alexandrette, Opper-Mesopotamië een tweede Sjantoeng zal worden zooals in China achter Kiao-Tcheoe. En men schijnt te Londen evenals te Parijs het onmiddellijke resultaat vergeten te hebben, dat diezelfde Duitsche politiek der invloedssferen in China gehad heeft. In April 1895 nam Wilhelm II de Russen en de Franschen bij de hand om hen te voeren tot de economische verdeeling van China. In 1900 stond Europa voor den opstand der Boxer. De Boxer in Aziatisch Turkije zullen de predikers en de soldaten van het Panislamisme zijn en de beweging zal zich niet bepalen tot de Ottomaansche provincies. Heel de Islam zal er door worden in beweging gebracht. En Duitschland is de eenige der groote mogendheden, die geen Moslim-onderdanen heeft."
M. a. w. een definitief resultaat van de Duitsch-Russische overeenkomst is, dat de toestemming van Frankrijk verkregen is tot het begin van de verdeeling van het Turksche Rijk in invloedssferen en daarmee met het begin van het einde van dit Rijk. Gedurende heel de l8« en de I9e eeuw is het Turksche Rijk, ondanks alle voorspellingen, ondanks alle teekenen van zwakheid en ontbinding, die in de 18e eeuw niet minder dreigend waren dan bv. onder Abdul-Hamid, door de Fransche en Eno-elsche staatkunde beschouwd als onmisbaar voor het behoud van haar eigen machtspositie. Frankrijk heeft zich, door de Maroccaansche belangen van een kleine groep financiers meegesleept, er toe laten vinden eindelijk zijn toestemming te geven tot een politiek, die op de ontbinding van het Turksche Rijk moet uitloopen. En wat Engeland betreft, zijn politiek heeft waarschijnlijk de beslissende keuze nog niet gedaan: de keuze tusschen de een eeuw oude traditioneele politiek, die het behoud van een reeks onafhankelijke Islam-staten als een onmisbaar stootblok beschouwde tusschen Indië en Europa of die nieuwe, welke zich van een zoo groot mogelijk aandeel in de streken, die den land. weg naar Indië vormen, wil verzekeren. Er zijn inderdaad sterke aanwijzingen voor, dat de laatste politiek reeds heeft overwonnen in Downing-street. Zoo is althans de meening bij de meest competente Duitschers. M. Hartmann b.v. beschrijft de Britsche politiek ten opzichte van den landweg naar Indië als volgt: 1).
1) Die Arabische Frage, p. 470.
697
Groot-Brittannië wil, vooral als bezitster van Indië, het geheele verkeer Europa-Indië in de hand hebben. De eerste schrede daartoe was het verwerven van het Suezkanaal, dat als opendeur de concurrentie ruimte bood. De tweede was het stelen van Egypte, dat door een landverbinding Suez-Alexandrië het kanaalverkeer ten deele kon uitschakelen. De derde schrede is dat het zich verzekert van de Zuidelijke punt van de Roode Zee (de kust van Arabië aan den Indischen Oceaan wordt reeds als Britsch beschouwd . . . belangrijk is ook de gedachte door het doortrekken der lijn Mombas-Port Florence door Oeganda naar het Albertmeer den boven-Nijlweg vruchtbaar te maken). De vierde schrede is de annexatie van Babylonië, waardoor de Bagdadspoorweg als verkeersmiddel met Indië onder heerschappij van Engeland gebracht wordt. Dan is het Britsche monopolie voltooid, een ongehoorde toestand, die geen parallel heeft in de geschiedenis, want nog steeds waren de beide wegen in de handen van concurrenten (ook in den tijd van den Islam: Iraq overwoog in den eersten tijd der Abbasiden; later Egypte. Wanneer zal die toestand ophouden ? Wanneer zullen de cultuurstaten inzien dat het eenig middel tot het breken dezer geweldheerschappij eensgezindheid is en vooral, wanneer zullen de bewoners van Indië zelf hun uitbuiters de deur wijzen en met de staten van Europa hun verhoudingen regelen zonder acht te slaan op de Britsche pretenties?
Zooals men ziet, een uiterst felle beoordeeling van de richting, die volgens dezen grondigen kenner van den Islam de Britsche politiek ten opzichte van de betreffende landen reeds definitief gekozen heeft.
Zeker is ook, dat de Russisch-Duitsche overeenkomst met goedvinden van Engeland Perzië opnieuw aan den gecombineerden invloed van Rusland in het Noorden en Engeland aan de Perzische Golf heeft overgeleverd. Het is geen toeval, dat de terugkeer van den afgezetten Sjah, werktuig in Rusland's handen en met Rusland's hulp teruggekeerd, samenvalt met de jongste Maroccaansche crisis. In de taal der EchtRussische moordenaars wordt de nieuwste politiek van Rusland in Perzië op de volgende, driest-naieve wijze aangegeven: i)
Wanneer Engeland zich het recht toegekend heeft, Egypte te bezetten en Lord Kitchener daar als regent neerzet; wanneer Frankrijk het recht heeft de residentie van Marocco met zijn troepen te bezetten, dan heeft God zelf ons bevolen in Perzië naar ons goeddunken te handelen en daarbij slechts de belangen van Rusland en het Perzische volk in het oog te behouden.
Duitschland heeft Rusland alleen reeds hierdoor een enormen dienst bewezen, dat het zich verbonden heelt den Bagdad-spoorweg niet tot een versterking van den Turksch-Duitschen invloed in Perzië of van de Armeniërs in de Turksch-Perzische gewesten aan te wenden. Want een constitutioneel Perzië zou ook een voortdurende bedreiging zijn van Russisch Trans-Caucasië, waar de revolutie in de jaren 1905 en 1906 zoo fel woedde.
I) Aangehaald ia het Vor.varts-artikel: Russische compensaties, van 25 Juli j.1.
jOO
werk, als bijv. de enquête naar de toestanden in de huisindustrie, ongestoord kunnen voortgaan, hetgeen tans niet het geval was.
In de genoemde jongste geschriften valt het op dat van de cijfers der Ongevallenstatistiek (Rijksverzekeringsbank) niet — altans niet officieel — is gebruik gemaakt. Deze toch leveren wel het beste materiaal dat beschikbaar is. Hoe voortreffelik deze statistieken zijn bewerkt, zij hebben echter nog een ander nadeel dan hun te late verschijning.
Zoo overkwam ons bij ander werk het volgende. Noodig was het aantal arbeiders in de Nederlandse schoenenindustrie. De arbeiders in schoenmakerijen met of zonder krachtwerktuigen bereiken in de Ongevallenstatistiek het cijfer 3767, d. i. de helft van groep IX (leder,, wasdoek, caoutchouc). Nu doet dit zeer lage cijfer al dadelik enig wantrouwen opkomen. Ziet men nu het betreffende cijfer in de Beroepstelling 1899 na, dan is dit meer dan 10 maal zoo groot, nl. 39.826. Van waar dit verschil?
De schoenmakers zijn alleen verzekeringsplichtig, als ze met krachtwerktuigen of — indien zonder deze — met leerwalsen, leerstampmachines enz. werken. Die alleen gereedschappen (waaronder naaimachines ook gerekend worden 1) gebruiken vallen buiten de Ongevallenwet.
Dit voorbeeld wijst aan, hoe gevaarlik het gebruik der overigens zoo leerzame Ongevallenstatistiek zijn kan. En het voorbeeld staat niet alleen. Deze statistiek zou zeer winnen, indien uit andere gegevens — al was het door schatting — zulke misleidende cijfers werden aangevuld; minstens voorzien van waarschuwingsborden.
Aan de hand van de jongste pogingen om de industriëele al of niet achterlijkheid van Nederland vast te stellen, zullen wij nog eens laten zien, dat die moeizame arbeid wel onze waardeering en dankbaarheid kan opwekken, maar ten slotte onbevredigd laten moet.
Naar de gegevens door van Ravesteyn gebruikt zijn er in Groningen,. Friesland, Drente en Overijsel 32 aardappelmeelfabrieken ; daarbij komen 12 glucose en dextrinefabrieken en alle te samen tellen plm. 2500 arbeiders. 1)
Naar de gegevens van den Directeur-Generaal v. IJ., komt de aardappelmeelfabrikage niet in Friesland voor, zijn er slechts 28 fabrieken en is het aantal arbeiders ruim 2300. 2)
Van Ravesteyn komt op een gemiddelde van bijna 56 arbeiders in dit soort fabrieken, Van IJsselsteijn zou bij berekening tot ruim 82 komen. Dit laatste cijfer stempelt deze industrie nog meer tot grootindustrie, naar het aantal arbeiders; naar den aard van het bedrijf zou men
1) De Nieuwe Tijd, 1911, p. 76.
2) De Ingenieur, 1911, p. 388.
;oi
echter aardappelmeelfabrieken, die beneden 50 arbeiders blijven, evenzeer tot grootbedrijf moeten rekenen. (Evenals bijv. de meelmaalderij).
Vaak zijn de gegevens, die dan nog voorhanden zijn, zoo weinig precies, dat vergissingen ieder oogenblik voorkomen. Zoo lezen wij ni v. Ravesteyn's 2e artikel, dat J. van den Tempel 3176 arbeiders inde meelfabricage opgaf, terwijl er plm. 900 zouden zijn. v. R. veronderstelt dat het aantal arbeiders in deze industrie in enkele jaren zeer sterk o-edaald is — door verdwijning van fabrieken — öf dat v. d. T. arbeiders uit verwante bedrijven mederekende. Later merkt v R. op, dat v. d. T. de groote categorie van arbeiders in aardappelmeel-,, glucose- en dextrinefabrieken niet heeft opgenoemd.
Hierbij dient opgemerkt, dat van Ravesteijn's cijfer van pl.m. 900* evenmin juist is, daar dit niet de over het land verspreide arbeiders, aan windmolens betrekt. In de tweede plaats kan men Vliegen of Van den Tempel niet verwijten, dat zij de arbeiders in aardappelmeelen verwante fabrieken niet opnamen : Vliegen deelt uitdrukkelik in zij» boekje mede (p. 182) dat hij slechts de arbeiders boven de 18 jaar in beschouwing neemt en dan nog alleen de „vakken" die minstens 1000 arbeiders bevatten. Het telkens bij v. R. terugkerende: „komt bij Vlieo-en en v. d. Tempel niet voor" betekent dus vaak niet anders danT sedert 1899 is de toestand veranderd. Van den Tempel had weliswaar andere gegevens kunnen gebruiken ter korrektie, niet echter de na zijn boek verschenen cijfers waarop v. R. zijn konklüsies bouwt.
Het is vaak een leemte in techniese kennis welke hier onwillekeurig doet dwalen, of ook wel iets doet mededelen dat geen goede inlichting brengt, eer het tegendeel. Zo lezen wij in het meer genoemd stuk van v. R. (p.80): „Omtrent het gewapend beton, een der nieuwere industrieprodukten, wordt alleen medegedeeld, dat er verspreid over het land 16 fabrieken bestaan". Nu is het allereerst de vraag of men o-ewapend beton een industrieproduct zou moeten voemen; noemt men bijv. een waterdichte kelder een industrieproduct? Maar de lezer zou in den aangehaalden zin kunnen lezen, dat het bestaan van „fabrieken" voor gewapend beton van beslissende betekenis is. Men behoeft echter maar even aan de een geweldige vlucht nemende toepassing van dit nieuwe bouwmateriaal te denken om in te zien, dat het niet in de fabriek wordt gemaakt, maar ter plaatse van den bouw; m. a. w. dat men er (bijv.) fabrieken van maakt; ook „gegoten huizen" verschijnen,, doch worden evenmin „fabriekmatig" vervaardigd.
Intusschen is het in zeer veel gevallen het te kort aan algemeene e» gedetailleerde gegevens, waardoor verkeerde inlichtingen worden verstrekt. Wij wijzen in het voorbijgaan op het officieel verslag van de voordracht des heeren van IJsselsteijn. Indien iemand, dan beschikt deze uiteraard over de beste gegevens; en wat lezen wij daar nu (de Ingenieur, p. 380):.
706
De werkloozen-verzekering, omvat de volgende beroepen :
Bouw- en constructiewerken (laatste b.v. aanleg van spoorwegen, dokken), verder scheeps- machine- en wagenbouw. Hier evenals bij de ziekte-verzekering worden de kosten door arbeiders-werkgevers en de staat gezamenlijk gedragen.
De arbeider betaalt 2lA Pence (12K cent) per week, evenveel de werkgever per arbeider en per week, terwijl de staat V» van het door den arbeider en werkgever betaalde bijdraagt.
Om in de termen te vallen voor uitkeering bij werkeloosheid dient de arbeider 26 weken werkzaam te zijn geweest en zonder onderbreking zijn bijdragen ge stort te hebben. Hij moet tot arbeid in staat zijn, doch geen arbeid kunnen vinden en nog geen ondersteuning genoten hebben. Bij staking en uitsluiting, wordt van geen der- bepalingen afgeweken indien hij aan zijn verplichtingen niet kan voldoen. De rechtsspraak ligt in handen van de beambten, terwijl hooger beroep bij het handelsambt ligt, dat daarvoor commissies samenstelt voor de helft uit arbeiders en werkgevers bestaande met een onpartijdige voorzitter aan het hoofd.
De uitkeeringen zijn voor bouw- en constructie arbeiders 6 sh. (ƒ 3.60) per week, voor de andere verzekerden 7 sh. (ƒ4.20). Gedurende 15 weken per jaar geldt deze uitkeering, doch hiervan kan voor bepaalde beroepen afgeweken worden. Arbeiders die niet minder dan 500 wekelijksche bijdragen hebben gestort, zullen op hun 60e jaar het bedrag na aftrek der genoten ondersteuning met 214 pCt. terug ontvangen.
Vakvereenigingen die reeds een werkeloozen verzekering hebben, behouden hun organisatie en eigen beheer, doch deze organisatie kan niet meer dan 2/3 der ondersteuning terug erlangen.
Men berekent, dat ongeveer 2.421.000 arbeiders onder deze werkeloosheid verzekering zullen vallen, waarvan in vakvereenigingen pl.m. 350000 georganiseerd zijn, terwijl het totaal aantal georganiseerden in vakvereenigingen die onder deze wet vallen in 1909, 462.288 was.
Philip Snowden komt nu weer op de houding van socialistische- en vakvereenigings parlementsleden en schrijft:
„De socialisten hebben zich altijd op hun congressen voor een verzekering zonder verplichte bijdrage verklaard. De besluiten van de vakvereenigingen kunnen wij als volgt te zamen vatten. De konferentie is van meening, dat de verzekering ook op bijdragen van de arbeiders gegrond moet zijn, omdat zonder die verplichte bijdrage en de mogelijkheid die bijdrage van het loon af te houden groote moeilijkheden ontstaan zullen om de arbeiders van een deelname aan de verkiezing der verzekering zeker te doen zijn. Wilde men den staat dwingen de totale kosten te betalen dan zou dat een aanleiding zijn om de loonen te verminderen; de betaling van bijdragen zou overigens ook een wenschelijken kennis van den stand der loonen tengevolge hebben.
Aan den anderen kant meende men, dat het verwerpelijk zou zijn alle organisaties onder de controle van den staat te stellen; de ervaringen van de duitsche vakvereenigingen wezen zonder uitzonderingen op het vermogen der arbeiders, een bijdrage te betalen, deze moet echter van 4 pence per week op 3 gebracht worden.
De socialisten verklaarden zich tegen elk van deze argumenten. Welke ervaringen men in Duitschland ook opgedaan mag hebben, in Engeland heeft men geen enkele ervaring die zou bewijzen, dat een verzekeringssysteem zonder verplichte bijdrage ook maar één enkel nadeelig resultaat zou hebben. De ouderdomsverzekering, de ongevallenverzekering, het openbaar onderwijs, het
707
systeem der openbare gezondsheidszorg en alle andere vormen van nationale ondersteuningen zijn in Engeland zonder verplichte bijdrage.
De boven weergegeven meening van de vakvereenigingen is gegrond op de enghartige opvatting die de verzekeringswet niet beziet van nationaal- en sociaal standpunt. Op denzelfden das, waarop de konferentie gehouden werd, hadden de Engelsche sociaal-demokraten een langdurig onderhoud met den minister van financiën en bevalen een systeem zonder verplichte bijdrage aan.
S. K.
UIT EN OVER DE VAKBEWEGING.
Wilhelm Kremser geeft in de NEUE ZEIT van 7 April een merkwaardig artikel over de tariefpolitiek der werkgeversorganisatie en de taak der vakvereenigingen.. In den loop van 1905 veranderde de houding der werkgeversvereenigingen ten opzichte van collectieve contracten en onderhandelingen met arbeidersorganisaties, hetwelk in den aanvang groote vreugd verwekte bij de pers der vakbeweging. Het gejuich is geleidelijk verstomd, de taktiek der ondernemers doorzien. Waar niet altijd de absolute heerschappij van den patroon kon worden bewaard, kon het collectief contract daarvoor de collectieve dictatuur van de patroonsorganisaties in de plaats zetten door het doorzetten van slechte arbeidsovereenkomsten. Ieder collectief contract is slechts een uitdrukking van een bepaalde verdeeling der machtsverhoudingen, als vroeger het individueele was. De ervaring leerde, dat zwaardere loonacties groote offers vergden en slechts kleinere resultaten het gevolg, waren. Zoo blijkt voor het bouwvak uit de statistiek der vakvereenigingen zelf,, dat de resultaten der acties in de jaren 1905 en 1909 waren als volgt:
Aarwalstakingen. lAfweerstakingen. Uitsluiting.! De acties brachten.
Verlies aan Verlies aan Kosten
Jaar Deel- werktijd. Deel- werktijd. ^
~~~ T ~~~ npmore ~ ~ hoofd
nemers p nemeis pej.
T°'»al koofd T°taal hoofd Mark
Resultaten per hoofd.
Loonverh
Mark per week
Werktijdverkorting
uren per week
19051 333.238 5.169.933 20.8 30.679 395-613 13-9! 21.521 2.08; 33/4
1909I 54030 858.095 17.4 42.720 729.162 18.3! 45221 1,83) 31/4
-279.208 —4.311.8381— 34+12.041+333.549 + 4J+23.70 — 0.25 j— 1/2
I I 11
Terwijl in de jaren 1905 en 1909 in doorsnee per week 2 mark loonsverhooging werd verkregen per hoofd, was na den zwaren strijd, aanvang 1910, bij scheidsrechterlijke uitspraak voor 3 jaar slechts 1 mark per hoofd te bereiken en het is zeer de vraag, of onpartijdige scheidslieden in 1913 het niet nog 3 jaar bij het oude zullen laten.
Een groot nadeel is het gebrek aan klaarheid bij de arbeiders over de collectieve contracten en daarvan als gevolg een verschillend optreden der organisaties. Er is behoefte aan een „theorie van de arbeidsovereenkomst".
;oS
Principieele verschillen zijn er onder de arbeiders over de ontwikkelmgs tendenzen van het verdrag, de bedoelingen van het ondernemerdom en de vraag, -of een algemeen rijks- dan wel plaatselijk contract gewenscht is. Het laat geen twijfel, of de laatste verdienen de voorkeur. Plaatselijke voordeelige situaties kunnen dan benut worden. Een rijkstarief bevordert het streven der ondernemers naar een zelfden termijn van afloop.
Het plaatselijke contract komt de scholing en opvoeding der leden ten goede. Plaatselijke scheidsgerechten kunnen optreden om beslissingen te bevorderen. Komt een overeenstemming niet tot stand, dan wordt zonder contract verder gewerkt, tot de behoefte daaraan van beide kanten wordt gevoeld. De conflicten, die uitbreken worden gelocaliseerd. De hoofdbesturen kunnen door al of niet ondersteuning in een bepaalde richting invloed uitoefenen. Is dit systeem niet goedschiks door te voeren, verschillende vakvereenigingen zijn in staat het af ■te dwingen. Duidelijk spreekt het Berlijnsche werkgeversverbond in 't bouwvak -uit, dat geen arbeidsovereenkomsten-politiek door geweld gedicteerd den ondernemers nut, in zijn memorie ter verklaring van het niet meedoen aan de uitsluitings beweging in 1910.
De ondernemers streven naar centrale scheidsgerechten uit juristen bestaande en hebben in het bouwvak dat al pogen door te zetten. Zij verwachten van deze abstract oordeelende scheidslieden voordeelige uitspraken bij geschillen over de uitvoering van afgesloten contracten. Zoo eischte het ondernemersverbond ElzasLotharingen op 28 Juli 1910 van de timmerlieden-organisatie uitsluiting der afdeelingen Metz en Mühlhausen, omdat het tegenstand meende te ondervinden bij het ten uitvoer brengen van beslissingen van het Dresdener scheidsgerecht. Ja zelfs de uitzending van timmerlieden naar die plaatsen, genegen om op de voorwaarden der patroons te werken. En het verbond voor Rijnland-Westfalen verlangde 5 Augustus 1910 van den timmerliedenbond uitzending van arbeiders naar Duisburg en Essen, en medewerking van den vakbond om de uit Duisburg en Essen afreizende timmerlieden, die dus elders betere voorwaarden hoopten te bedingen, te beletten werk te krijgen.
Zoo zeker als de patroons gaan, zoo onzeker de arbeiders. Waar het bondsorgaan en het hoofdbestuur van de houtbewerkers-organisatie naar een rijksovereenkomst streefden, wees de inleider over dat onderwerp op het congres te Stettin in 1908 haar beslist af en besloot de vergadering haar althans voorloopig af te wijzen. In het kleermakersbeürijf bestaan plaatselijke tarieven; de boekdrukkers hebben een rijkstarief.
Vierkante tegenstander is de timmerliedenbond zelfs voor groote districten; -deze wil de plaatselijke contracten afgesloten zien tusschen de gezamentlijke ondernemers, die timmerwerken uitvoeren en de arbeiders ter plaatse, of in hun naam, echter in geen geval door het bondsbestuur. De plaatselijke afdeelingen hebben in haar hoofdbesturen haar steun, geen voogd of lastgever. Totaal anders de metselaars. Bömelburg wil niet aan de afdeelingen of arbeiders zelf de afsluiting van contracten overlaten. Het bondsbestuur moet dat doen en zelfs onwilligen dwingen door steun te onthouden, ja zelfs door hen te bestrijden. Het orgaan der christelijke bouwvakarbeiders gaat nog veel verder. Toen de centraal georganiseerde timmerlieden in 1906 trachtten voor het district Rijnland-Westfalen, waar° de jaren 1906—1910 buitengewoon gunstig waren, de scheidsrechterlijke uitspraak van 1906 als minimum te beschouwen en met de enkele ondernemers gunstiger overeenkomsten af te sluiten, dus aan die ondernemers de voorkeur gaven, die den hoogsten prijs voor de arbeidskracht wilden betalen, waardoor de andere ondernemers, welke niet hooger gingen dan het tarief, gebrek aan werkkrachten kregen, verzocht het bovengenoemde orgaan de christelijke tim-
7<=>9
merlieden naar Duisburg en Essen te komen om aan' het terrorisme, van den centralen bond een eind te maken, te bedenken dat men ook belangen met de werkgevers gemeen had, nationale, politieke en godsdienstige.
Terwijl de eene organisatie het haar leden overlaat de ondernemers te kiezen, die het meest tegemoetkomend zijn, proclameert de andere de stelling: absoluut vasthouden aan 't tarief, het dooden van den wil van den enkeling en van alle energie.
Bij den tegenwoordigen vorm der overeenkomsten kan de ondernemer ongestraft voor hun organisaties werkzame arbeiders uithongeren; het bewijs is niet te leveren, dat daarom maszregelung plaats had en de vakvereeniging zit aan het tarief vast, kan geen stop zetten van het werk proclameeren. Meermalen komt het voor dat schorsingsbesluiten van. de civiele rechtbanken het vereenigingsrecht waardeloos maken.
Hoe vergroot men de macht der vakvereenigingen het best om goede over eenkomsten te verkrijgen ? De patroons in 't bouwvak rusten zich toe. Hun bond verzamelt tegen 1913 een steunkas van 1,000,000 Mark. De uitingen van de werkgeversorganen zijn ver van vredelievend. Ook de vroegere algemeene secretaris Bueck van het centraal verbond der industriëelen spoorde nog pas tot een scherper strijd aan. Ook de arbeidersorganisaties moeten geld hebben. Allereerst de coöperaties meer daarvoor benutten, geen dividenden deelen maar noodfondsen uit die dividenden vormen voor de leden. De termijnen verlengd, gedurende welke na het uitbreken van conflicten niet wordt uitgekeerd. Extra bijdragen heffen. Zoo droegen 9 weken lang de bouwvakarbeiders in 1910 per week 6 Mark extra bij, voor zoover zij aan 't werk bleven. Zoo verzamelde op die wijze de timmerliedenbond meer dan 700,000 Mark. Dat kan ook in vredestijd. Maandenlang heeft de houtbewerkersbond zonder ledenverlies per week 1 Mark extra geheven van de leden. De vakvereenigingen moeten verder streven naar beperking van het aantal der in strijd zijnde leden. De uitsluiting is het voornaamste middel van aanval der ondernemers geworden, hun overgang van de passief-verdedigende tot de aktief-aanvallende taktiek. Dit bewijst hoezeer hun macht is toegenomen. De taak der vakvereenigingen is het, dit aanvallend wapen stomp *te maken.
Het gebied der strijdmiddelen en methoden wordt al grooter en veelzijdiger, en dit maakt naast de stoffelijke hulpmiddelen de opvoeding der leden tot een bewegelijk, strijdbaar leger van steeds meer gewicht. De leden moeten de plannen der ondernemers leeren doorzien, het is daartoe ook noodig, ze omtrent het wezen der kollektieve contrakten in te lichten.
Zoo deze niet reeds eerder uitbarsten, zal waarschijnlijk het jaar 1913 groote worstelingen brengen. Voor de bouwvakken, inclusief de schilders, en voor 40,000 houtbewerkers loopen de kontrakten in dat jaar af. En daar honderdduizenden buiten alle kollektieve overeenkomsten staan, zal het voor de ondernemers zeer goed mogelijk zijn, een half millioen arbeiders in den strijd te wikkelen.
C. DÖBLIN bespreekt in het Correspondenzblatt der Gencralcommisswn van de Duitsche vakvereenigingen het vonnis over de twee vertrouwensmannen der rotatiepers-afdeeling, van de firma Scherl, geveld. De kritiek op het vonnis acht hij overdreven en van weinig kennis van het tarief in het boekdrukkersvak getuigend. De vertrouwensmannen genieten een bijzondere bescherming, maar
710
hebben bijzondere plichten, en wel allereerst ten aanzien van het naleven van het contract. Evengoed als het scheidsgerecht in hoogste ressort beslissen kan, als vertrouwensmannen der arbeiders door de patroons worden ontslagen naar aanleiding van den vertrouwenspost, dien zij bekleeden, moet het scheidsgerecht bevoegd zijn tegenover plichtverzakende vertrouwensmannen op te treden.
De bevoegdheid van het scheidsgerecht is aan geen twijfel onderhevig. Er bestaat al een dergelijk vonnis van hetzelfde scheidsgerecht. Ook toen zijn de vertrouwensmannen aansprakelijk gesteld en niet de 29 betrokken arbeiders, wijl eerstgenoemden hun plichten niet vervulden. Zij stelden daardoor hun collega's aan 't gevaar bloot als contractbrekers te worden aangeduid en benadeelden de positie der vertrouwensmannen in het algemeen.
Te^en dat vonnis is niemand opgekomen; als dat nu wel geschiedt, dan is het om het collectief contract, het streven naar geregelde arbeidsverhoudingen te schaden. Betreurd moet worden, dat een deel der socialistische pers er voet aan geeft. Overeenkomstige voorvallen in het eigen bedrijf kan men anders beoordeelen. Dan wil men van de „solidariteit" niet weten.
Oorzaak van het betreurenswaardig voorval is het overdreven machtsgevoel der rotatiedrukkers. Kort vóór de algemeene vergadering in Mei beletten zij het tijdig verschijnen van den Lokal Anzeiger, waardoor de komende tariefherziening ernstig in gevaar werd gebracht. De algemeene vergadering droeg toen het bondsbestuur op, met kracht op te treden. Het terroristisch optreden dezer arbeiders drijft de krantenuitgevers naar elkander toe en maakt de positie van het verbond veel ongunstiger. De scheidsgerechten moeten toch optreden als de vertrouwensmannen van hun betrekking misbruik maken; zij zullen toch niet verlangen, dat hun ambt een vrijbrief zal zijn om, naar bekeven, een bedrijf tot stilstand te brengen en daarvoor dan nog bijzondere bescherming te genieten? Een vergadering van districtleiders van het verbond heeft algemeen de handelingen van de betrokken arbeiders afgekeurd en het bestuur opgedragen, alle middelen te gebruiken, die de statuten geven, om tegen herhaling op te treden. Het is nu nog te wenschen, dat ontijdige oordeelvellingen, nu de leidende organen gesproken hebben, herzien worden.
De redactie van het Correspondenzblatt bespreekt de boekdrukkerskwestie m n° 28 van 15 Juli. Na de motie van de conferentie van districtleiders van het boekd'rukkersverbond te hebben afgedrukt, geeft zij het oordeel van de redactie van den Grundstein, het blad der bouwvakarbeiders-organisatie. Deze acht het vonnis over de vertrouwensmannen in zoover inkonsekwent, dat het twee personen voor de zonde van allen laat boeten, doch ziet deze inkonsekwentie als gevolg van de mildheid der rechtsprekenden. De Grundstein kan zich met aansluiten bij de kritiek over het vonnis. Wanneer, gelijk op de jaarvergadering van den boekdrukkersbond geschiedde, een demokratische organisatie zich wetten stelt, dan moet daaraan vastgehouden worden. De solidariteit der 37 arbeiders van Scherl met de voor hen gestrafte vertrouwensmannen had zich anders moeten uiten dan nu geschied is. Hun staking was een uiting van verzet tegen de bepalingen der arbeidsovereenkomst en tegen de besluiten der organisatie. Werden zij aue 37 geroyeerd, dan deed de boekdrukkersbond niet anders dan de algemeene vergadering gewenscht had.
Daarna poogt de redactie van het Correspondenzblatt duidelijk te maken, dat de vertrouwensmannen tot laak hebben, gerezen verschillen te helpen bijleggen, opdat scheidsrechtelijke beslissingen overbodig worden. Een zware, verantwoordelijke post en weinig begeerenswaard. De vakvereenigingen eischen van de ondernemers een vasthouden aan 't contract en kunnen dat eischen, wijl zij er zelf aan vasthouden. Beschermt de vakvereeniging contractbrekers, dan geeft
yiï
zij den patrooös een vrijbrief. Zijn de contractbrekers ook nog vertrouwensmannen, dan wordt het nog erger. De redactie kan niet streng oordeelen over het gevelde vonnis, dat een middenweg koos.
In de NEUE ZEIT No. 39 en 40 schrijven F. Tarnow en J. Karskiover het gebeurde in het Berlijnsche boekdrukkersvak, waarbij duidelijk een nadeel aan 't licht kwam der collectieve contracten. Er is door den boekdrukkersbond een dergelijk contract afgesloten voor alle arbeiders in dat vak. Elk ondernemer regelt echter de onderdeden met zijn eigen arbeiders. In December 1910 was er verschil tusschen de firma Scherl en haar arbeiders over de regeling van den werktijd, door het in deze beslissend scheidsgerecht werden de arbeiders in 't gelijk gesteld wat betreft de overuren, in :t ongelijk waar't betrof de verdeeling der normale werkuren. 8 Mei jl. zou de regeling als vastgesteld door scheidsgerecht ingaan, 6 Mei verzochten de arbeiders om handhaving der oude regeling, met staking dreigende bij weigering. De firma zwichtte hiervoor, maar diende een bezwaarschrift in bij 't scheidsgerecht, dat daarop contractbreuk der arbeiders constateerde, echter geen tarief breuk; omdat 't verzoek werd gebaseerd op de tariefovereenkomst van 1907, die huns inziens niet door een scheidsgerecht werd te niet gedaan. De firma ging in hooger beroep bij een scheidsgerecht dat in hoogste ressort beslist en werd geheel in 't gelijk gesteld. Die uitspraak van 9 Juni luidt als volgt: 1°. de arbeiders hebben zich aan tarief breuk schuldig gemaakt, bij herhaling volgt uitsluiting; 20. de door het eerste scheidsgerecht vastgestelde regeling gaat 12 Juli in; 30. de vertrouwensmannen Huf en Walling hebben 't gebeurde niet verhinderd, kunnen niet langer bij de firma Scherl in dienst blijven, wijl verantwoordelijk voor 't optreden der arbeiders, en zijn als vertrouwensmannen ongeschikt. Daarop volgde 17 Juni de staking van 37 man werkzaam aan de rotatiepers bij genoemde firma. Vooral het derde punt van de scheidsrechterlijke uitspraak is van belang. Huf en Walling handelden in opdracht hunner kameraden. De onaantastbaarheid der vertrouwensmannen is één der gewichtigste grondslagen voor vakvereenigingsarbeid. Door langen strijd zijn de organisaties zoo ver gekomen dat slechts bij hooge uitzondering het optreden der arbeiders aan de vertrouwensmannen wordt gewroken. Huf en Walling hadden, zooals uit een bij 't vonnis gevoegde toelichting blijkt, op geen enkele wijze hun mandaat misbruikt.
Geen collectief contract kan bestaan, zonder discipline, onvoorwaardelijke onderwerping aan de scheidsrechterlijke uitspraken; de stakers waren contractbrekers, maar ze hadden instinctmatig gevoeld dat iets] hooger gaat dan de discipline, nl. de solidariteit. Door het gebeurde heeft 't principieele wantrouwen tegen de contracten nieuw voedsel gekregen.
Tarnow maakt melding van drie artikelen in 't boekdrukkersvakblad, waarin niet het scheidsrechterlijke vonnis werd becritiseerd, maar fel tekeer werd gegaan tegen de stakers. Dit gaf aanleiding tot een indrukwekkende vergadering van 6000 bondsleden, wier ontstemming tegen de leiding slechts met moeite te matigen was en waar een motie werd aangenomen, aandringende op revisie van uitspraak 3 van 't scheidsgerecht. Immers, al staat in 't collectief contract, dat een vertrouwensman geen onbillijke eischen zijner collega's mag ondersteunen, hij kan toch niet gestraft worden, wanneer hij opkomt voor eischen die 't scheidsgerecht onbillijk acht. De arbeiders moeten het recht hebben de door
712
hen billijk geachte eischen te laten verdigen, ook al blijkt bij het scheidsgerecht een andere appreciatie dier eischen aanwezig.
Een toepassing als deze der collectieve contracten benadeelt hun ontwikkeling. Dit is geen aangelegenheid die slechts het boekdrukkersverbond raakt, maar één der geheele arbeidersbeweging. Dat het onderwerp: collect. contr. aan de orde is, blijkt uit de mededeeling van Karski over het gedenkschrift der Duitsche bouwvakarbeiders en een brochure van den Timmerliedenbond, waarin kritiek wordt geoefend en o. a. wordt gezegd, dat ze 'n middel kunnen worden in handen der ondernemers om de vakvereenigingen van haar karakter te berooven en ze te maken tot organen die den wil van het georganiseerde ondernemersdom hebben uit te voeren, ze zoo gebruikende tegen de in verzet komende arbeiders. Dat is vooral daar het geval, waar de ondernemers zorgen dat alle collectieve contracten op ongeveer hetzelfde tijdstip afloopen.
H. Sn.
7i6
Deze ervaring wordt voor Nederland geheel door tabel XVIII bevestigd. Eenvoudige diefstal wordt in de provincies Drenthe, Limburg en NoordBrabant, waar de levensstandaard der landbevolking zeer laag is — statistische bewijzen zijn volgens mijn weten daarvoor niet aan te halen, maar de stelling zal wel niet licht worden tegengesproken — het meest aangetroffen. Bij gequalificeerde diefstal blijft alleen Drenthe boven aan de rij staan, verliezen de provincies der groote steden N.- en Z.-Holland hun gunstige plaats (beroepsmisdaad), komen ook Utrecht en Groningen meer bovenaan te staan. Nog sprekender is dit bij de twee laatste delicten.
Wij eindigen onze beschouwingen over de geographie der oeconomische misdaden met eene tabel, waaruit duidelijk spreekt in hoe sterke mate voor de drie laatst genoemde misdrijven de groote steden het milieu zijn, waarin zij ontstaan.
TABEL XIX.
Veroordeelden op 100.000 inwoners (gemiddeld 1901—1905).
Gemeenten.
Gequalificeerde Verduistering. Oplichting, diefstal.
Rotterdam 27.3 11.6 3.9
's Gravenhage 25.7 15.2 5.2
Amsterdam 23.1 11.3 3.5
Elders in het rijk 14.5 4.5 1.6
Totaal 16.8 6.1 2.1
Wij gaan nu over tot de statica der sexueele criminaliteit. In de volgende cijfers vindt men daarover inlichtingen. Zij betreffen alle werkelijk sexueele delicten (dus geen koppelarij), met uitzondering van het niet zeer belangrijke misdrijf van „openbare schennis der eerbaarheid." M. i. is deze samenvatting van al deze delicten in één cijfer, niet geheel zonder bedenking. Niet alleen is tusschen „feitelijke aanranding der eerbaarheid" en de overige misdrijven wat ernst betreft een groot verschil, maar ook zijn het misdrijf van 249 W. v. S. (ontucht door onderwijzers etc.) en de overigen qualitatief niet dezelfde. Waarschijnlijk is de bewerker der crimineele statistiek tot zijne samenvatting gedwongen, doordat de getallen waarmede hij te werken had, niet groot waren.
717
TABEL XX.
Veroordeelden Ongehuwden
wegens sexueele onder mannen Analphabeten Aantal één-
Provincies «"^rijven .) per van 18 jaar ond.er de ™™te» kamerbewoners
100.000 inwoners en ouder tgemicicieici , Dgc ig .
(gemiddeld (31 Dec. 1899). iqoi—1905). Ct
1901—1905). pCt. PLt
Limburg. . . 3.5 5I.6 2.58 4,5
Friesland . . 3.2 40.1 2.18 58
Groningen . . 3.2 39.1 3.80 49
Noord-Brabant. 31 51.2 3.00 14
Zeeland ... 2.6 42.5 2.38 29
Utrecht ... 2.6 43.6 1.28 15,5
Drenthe ... 2.4 45.3 6.32 62,5
Gelderland . . 2.4 47.1 2.04 20
Het rijk ... 2.4 43.1 2.18 23,5
Overijssel . . 2.3 44.5 3.02 26
Noord-Holland. 2.2 39.1 x.12 16,5
Zuid-Holland . 1.5 38.9 1.02 20 2)
Zooals gezegd, zijn de grondcijfers, waarop de eerste kolom gebouwd is, niet groot, en is er dus alleen voor de provincies met eenigzins belangrijke afwijkingen van het gemiddelde, mogelijkheid deze afwijkingen te verklaren.
Zooals uit statistische gegevens van elders met zekerheid is gebleken, worden deze sexueele delikten in hoofdzaak door ongehuwden gepleegd 3); men kan dus verwachten, dat in provincies waar verhoudingsgewijs een bijzonder groot aantal ongehuwden zijn, ook ceteris paribus eene beduidende sexueele criminaliteit aan getroffen wordt. In Nederland zijn inderdaad twee provincies met een hoog percentage ongehuwden, n.1. Limburg en Noord-Brabant, en beiden staan dan ook bij dit soort misdrijven bovenaan. 4)
In de tweede plaats hangen deze delikten in het algemeen samen met het beschavingspeil eener bevolking; zij zijn voor een groot deel het gevolg van ruwheid. Het analphabetencijfer is hiervoor een grove, maar de eenige, maatstaf. Het verband tusschen kolom 1 en 3 is m. i. onmiskenbaar : van de 4 provincies met ongunstige cijfers voor deze misdrijven,
1) Art. 242—249 W. v. S.
2) Tweede kolom berekend volgens „de Uitkomsten der achtste tienjaarlijksche volkstelling" (1899) deel XII, derde kolom berekend volgens de Jaarcijfers over 1909, vierde kolom ontleend aan „Woningtoestanden in Nederland" (Uitgave der Sociaal-technische vereeniging van demokratische ingenieurs en architecten).
3) Zie o. a. Mr. J. R. B. de Roos, „De sexueele criminaliteit" p. 35 en mijn „Criminalité et conditions économiques" p. 510 en 669.
4) Het aantal kloosterlingen is veel te gering om deze hooge percentages te kunnen verklaren.
7i8
hebben 3 ook hooge analphabetencijfers, terwijl de 4e op het rijks gemiddelde staat.
In de derde plaats is het onbetwistbaar zeker, dat de ellendige woningtoestanden, waarin een zeer groot deel der arbeidende klasse gedwongen is te leven, een belangrijke bron van demoralisatie, speciaal op sexueel gebied zijn. Wij hebben daarom in de laatste kolom de percentages der éénkamerbewoners geplaatst. Deze maatstaf is bij uitstek grof en onvolkomen: wel kan men zeggen dat daar, waar meer' dan de helft der bevolking éénkamerbewoners zijn, zooals bijv. in Friesland, de situatie zeer ongunstig is, daarentegen bewijst een niet hoog percentage nog niet dat zij gunstig is. Immers als een tweekamerwoning wordt door de statistiek ook een woning met één kamer en een keuken, waarin geen slaapplaats, aangemerkt; en dan hoevele twee- ja zelfs driekamerwoningen zijn overvuld 1 Twee provincies met zeer hooge percentages van éénkamerbewoners (Friesland en Groningen) staan dan ook bovenaan de rij der betreffende misdaden, wat van Friesland op grond der andere gegevens niet te verwachten was.
Op te merken valt nog dat de beide provincies met zeer lage misdaadcijfers (N.- en Z.-Holland) ook in alle drie de kolommen onderaan staan. Op grond der twee laatste kolommen zou men echter in Drenthe een grooter criminaliteit verwachten dan het in werkelijkheid heeft.
Uit de volgende tabel blijkt, dat deze soort misdrijven in de groote steden het minst voorkomen.
•
TABEL XXI.
Gemeenten. Veroordeelden op 100.000 inwoners (gemiddeld 1901—1905).
Amsterdam 1.7
's Gravenhage .... 1.6
Rotterdam 1.2
Elders in het Rijk ... 2.6
Totaal 2,4
Nog een ander bewijs, hoezeer deze misdrijven in het algemeen nauw samenhangen met het beschavingspeil, blijkt uit de volgende cijfers. In de jaren 1904—1908 werden 697 individuen veroordeeld wegens deze delicten (art. 242—247 W. v. S.); van deze waren 38 (5.5 pCt.) analphabeet (percentage onder de recruten 1.9), 648 (93.0 pCt.) hadden lager-,
719
8 (i.i pCt.) middelbaar- en 3 (0.4 pCt.) hooger onderwijs genoten 1). Het eenige delict, waaraan de laatste twee kategoriën zich schuldig hadden gemaakt was dat van art. 247 W. v. S., d. w. z. voor het grootste gedeelte bestaande uit onzedelijkheden met kinderen, welk misdrijf, zooals bekend, ten deele van dat der overige sexueele delicten in karakter afwijkt.
Wij komen nu aan de laatste katogorie, die der misdrijven uit wraak enz., waarvan de belangrijkste gegevens de volgende zijn.
TABEL XXII.
Veroordeelden op 100.000 inwoners
(gemiddeld 1901—1905). Analphabeten
onder de Inrichtingen met
p ^ ; Doodslag, moord recruten (ge- vergunning per
| en mishandeling middeld 10.000 inwoners
Mishandeling, met zwaar lichame-l 1901 —1905). (I9°5)-
lijk letsel of doode- pCt.
. j lijk gevolg. I
- !
Drenthe . . . 171.6 2.9 6.32 44
Limburg. . . 126.8 5.8 2.58 51
Groningen . . 113.0 1.7 3.80 59
Noord-Brabant. 98.3 3.1 3.00 64
Zeeland . . . 77.9 0.7 2.38 63
Overijssel . . 71.5 1.7 3.02 41
Gelderland . . 69.5 r.i 2.04 43
Het rijk . . . 66.2 1.7 2.18 42
Friesland . . 65.0 0.6 2.18 43
Utrecht . . . 55.2 1.7 T.28 35
Zuid-Holland . 35.5 1.1 I-02 30
Noord-Holland. 33.5 1.2 x.12 31 2) l
Wat de eerste kolom betreft, valt op te merken, dat, volgens mededeeling der parketten in de groote steden, de lichte gevallen van mishandeling niet in die mate vervolgd worden als elders, zoodat de toestand in de provincies N.- en Z.-Holland niet zóó gunstig is als de cijfers doen vermoeden. Dat dezen provincies desniettegenstaande de gunstigste plaats toekomt voor deze soort van misdrijven, bewijst oök de tweede kolom, bij welke delicten de opvattingen omtrent het al of niet vervolgen bij het Openbaar Ministerie wel niet zullen verschillen. De tweede kolom vereenigt eenige misdrijven, die m. i. niet geheel bij elkander behooren, beter is het om alle soorten van gequalificeerde mishandeling te kiezen: veel verandering zal dit echter wel niet in de
1) Ontleend aan en berekend volgens de Crimineele statistiek 1904—1908.
2) Laatste kolom berekend volgens de Jaarcijfers over 1905.
720
verhoudingen brengen. Ook dient in het oog gehouden te worden dat de grondgetallen, waaruit deze tweede kolom berekend is, te klein zijn om ook nuanceeringen nauwkeurig aan te geven.
Vergelijkt men de eerste kolommen met de beide laatsten, zoo is een treffend parallelisme te constateeren. Hoe grof is het analphabetencijfer als maatstaf van het beschavingspeil, hoe onvolledig geeft de laatste kolom het alcoholisme in de verschillende provincies weer i) — men denke aan de smokkelarij in de grensprovincies en de clandestiene drankverkoop in het Zuiden 2) —, en toch vertoonen alle provincies met hooge analphabetencijfers en met een groot alcoholgebruik groote criminaliteitscijfers en omgekeerd !
IV.
Wij zijn hiermede aan het einde van onze beschouwingen gekomen. De bom is, zooals men dat gewoonlijk noemt, verkeerd gesprongen. Van eenig causaal verband tusschen socialisme en misdaad is niets gebleken, wel van kapitalisme en misdaad; tot de kennis hiervan heeft de voorafgaande studie eene, hetzij dan ook bescheiden, bijdrage geleverd 3).
Op welke wijze zou trouwens de socialistische beweging misdaadverwekkend kunnen zijn? Mr. Slingenberg stelt zich dit op de volgende wijze voor. Na zijn — ten deele onjuist — betoog, dat de jaren 1897 en 1901 niet ongunstig zijn geweest, gaat hij als volgt verder: ,,Het is inderdaad de troebele bron van den klassenstrijd, die gemaakt heeft dat de criminaliteit in die jaren deze hoogte bereikt heeft. Is het omdat men aan de armen zoo dikwijls en zoo duidelijk deed zien wat hun ontbreekt, en dat de levensvoorwaarden in deze maatschappij zoo ongelijk zijn? Is het deze ongelijkheid, die het gevoel van hun treurige toestand versterkt en hen tot misdaad voert f Zij die ervan te lijden hebben, zien zich meer dan anders omringd door voorwerpen, die hun begeerte opwekken en voelen zich geïrriteerd door het voortdurend aanschouwen van de luxe en de vermogensongelijkheid, die hen tot vertwijfeling
1) Eene statistiek over de alcohol-consumptie in de verschillende provincies bestaat niet, men moet zich behelpen met de bovengenoemde cijfers.
2) Dr. Arriens vermeldt in zijn „Criminaliteit en drankmisbruik" (p. 42) dat van 3600 huizen te Maastricht 600 drankhuizen zijn, en dat er in Weert 300 zijn op een bevolking van 9000!
3) In de „Neue Zeit" publiceer ik binnen kort een analoog artikel, doch dan voornamelijk met Duitsche gegevens. Zij bevestigen geheel en al de conclusies uit de Hollandsche gegevens getrokken.
Dr. N. Colajanni toonde in zijn ,,Socialismo e Criminalita" (p. 18— 39) aan> dat 'Q Itaüë de provincies met belangrijke percentages van socialistische stemmen in het algemeen een goed figuur slaan in de crimineele statistiek, en omgekeerd; dat eveneens van de socialistische propaganda in den loop des tijds geen ongunstige werking op de criminaliteit is uitgegaan.
721
brengt. Meer dan ooit brengt een nerveuse druk de kiezersmassa's in beweging, en van honderden spreekgestoelten predikt men dagelijks den klassenstrijd, den strijd tusschen kapitaal en arbeid. Zoo veroorzaken de politieke gebeurtenissen de diepgaande emotie in de menschelijke ziel; ,. ."i)
Zou iemand, die deze brutale onzin durft neerschrijven, — de krasse qualificatie is volkomen verdiend — wel ooit een socialistische vergadering hebben bijgewoond? Zou dit alles hem slechts door zijn conservatieve fantasie worden ingegeven ? Inderdaad is deze mogelijkheid niet uitgesloten, het conservatisme heeft met den honger dit eene gemeen, dat het — n.1. in sociologische vraagstukken — een slechte raadgever is.
Is het soms het socialisme, of wel het kapitalisme met zijn reclame, en al zijn overige middelen die de menschen begeerig maakt? Zeker staat de sociaal-demokratie principieel tegenover het christendom, dat de aardsche genietingen voor eene kleine minderheid bestemd acht, en de overigen op een hiernamaals verwijst. De sociaal-demokratie wijst er op dat bij den tegenwoordigen stand der arbeidsproductiviteit de historische mogelijkheid is ontstaan dat een ieder in welstand zou kunnen leven. Als eenig middel om daartoe te geraken, predikt zij echter den arbeiders solidariteit en organisatie, doch nooit raadt zij den individueelen arbeider aan om met voorbijzien van de belangen van zijn soortgenooten te trachten zich te bevoordeelen. Slechts wanneer dit laatste het geval was — zooals het liberalisme dit doet — zou de theoretische mogelijkheid bestaan een verband als door Mr. Slingenberg bedoeld, te leggen. Meer dan een theoretische mogelijkheid echter niet: in werkelijkheid kan niemand volhouden dat het liberalisme in causaal verband staat met misdaad.
Wat voor de oeconomische criminaliteit geldt, is zeker niet minder waar voor de geweldsmisdaad enz. (n.1. die uit wraak enz ). Pertinent moet ontkend worden, dat de prediking van den klassenstrijd door de sociaal-demokratie ooit inhoudt het opwekken van haat tegen bepaalde personen. Het tegendeel is waar: de haat, die door de bestaande toestanden uit den aard der zaak wordt opgewekt — men moet wel een zeer slecht socioloog zijn, om niet te begrijpen dat bijv. de aanblik van de ontzaggelijke luxe der rijken bij de groote massa, voor wie het leven slechts moeite en ontbering brengt, haat tegen de genieters doet ontstaan — wordt juist door de leer van het socialisme getemperd en van haar scherpe kanten bevrijd. Gegeven eenmaal de geringe geestesontwikkeling van het proletariaat, moet noodzakelijk de gedachte opkomen, dat hetgeen zij van de zijde der bezittende klasse ondervinden, een uitvloeisel is van persoonlijke slechtheid. Hiertegen maakt de sociaal-demokratie juist front; zij brengt den arbeiders de gedachte
i) Comptes-rendus p. 129.
722
bij, dat het kapitalistisch systeem een historische noodzakelijkheid is, en aan geen bepaalde personen geweten kan worden. Zelfs theoretisch bestaat er op deze wijze geen verband tusschen deze misdaden en den klassenstrijd, in werkelijkheid hebben zij niets met elkander te maken: de slachtoffers van deze misdrijven zijn op hooge uitzonderingen na geen leden der bezittende klasse, maar proletariërs.
Mr. Slingenberg is met zijn beweringen wel bijster ongelukkig geweest: wat hij zegt, is onjuist, en een juiste opmerking, die in dit verband te maken was, laat hij onvermeld. Een onbeduidend klein deel der geweldscriminaliteit n.1. hangt niet met de politieke, doch wel met de oeconomische organisatie der arbeiders samen. Stakingen geven n.1. soms aanleiding tot kleine vechtpartijen met onderkruipers — men denke overigens aan de talrijke volkomen onwettige ranselpartijen door de politie bij dergelijke gelegenheden (Moabit) 1 „Geven aanleiding" is de eenige hier passende term, van een strict causaal verband kan absoluut niet gesproken worden. Dergelijke dingen passeeren soms, maar dan bijna uitsluitend bij ongeschoolde arbeiders, die spontaan in staking gaan, en dan onderkruipers, d.w.z. degenen, die hun momenteel persoonlijk belang boven dat van het geheel stellen, een paar klappen toedienen. De vakbeweging als zoodanig is hiervoor niet aansprakelijk, tracht integendeel de stakers te bewegen zich van dergelijke dingen te onthouden en slechts wettelijke middelen toe te passen. Met het gevolg, dat gewoonlijk de stakingen der georganiseerde arbeiders — men denke bv. aan de honderdduizenden omvattende mijnwerkerstaking van eenige jaren geleden in het Roergebied, aan de reuzen-uitsluitingen in Denemarken en Zweden — volkomen ordelijk verloopen.
Het socialisme is niet misdaadverwekkend; misschien dan soms misdaadvoorkomend ? Zeer beslist moet deze vraag bevestigend beantwoord worden.
In de eerste plaats heeft de arbeidersbeweging een diepgaanden moraliseerenden invloed op degenen, die erbij betrokken zijn. Het op den achtergrond dringen van het door de tegenwoordige maatschappij zoo sterk ontwikkelde egoïsme, het opwekken van het solidariteitsgevoel, het geven van een ideaal aan hen, wier leven een troostelooze reeks van moeielijkheden is, zijn moraal factoren van den eersten rang.
Zelfs de meest verbitterde vijanden der sociaal-demokratie moeten dit, op hun manier, toegeven: „ze (de rooden) zijn meest ordelijker en drinken minder dan de rest," is een vaak gehoorde uitdrukking. Dit moet ook op den duur op de criminaliteit in haar geheel — op de groote beteekenis voor een bepaald soort van misdaden kom ik nog nader terug — een gunstigen invloed hebben. „Op den duur" kan dit echter alleen het geval zijn, wie verwacht dat deze werkingen zich snel zullen doen gevoelen, in den zin dat men in de cijfers der crimineele
Burgerlijke kennisverspreiding in zake godsdienst-geschiedenis
DOOR
W. WOLDA.
„Groote Godsdiensten". No. 2. De Godsdienst van het oude Egypte, door Dr. P. A. A. Boeser, Lector voor de Aegyptologie aan de Rijks-Universiteit te Leiden. B a a r n. — Hollandia-Drukkerij 1911.
I.
De Hollandia-Drukkerij in het bekende lieve Gooische dorp overstroomt sedert geruimen tijd de weetgierige wereld met een ware zee van kleine geschriften van speciaal-wetenschappelijken aard. Aan het godsdienstig element in dezen vloedgolf van „algemeene ontwikkeling" was tot nu toe een vrij ruime plaats ingeruimd, niet ruim genoeg nochtans naar het oordeel der uitgevers, die beducht schenen te zijn, dat de breedheid van blik hunner lezers lijden kon, indien die slechts bleef bepaald tot wat het nationale godsdienstige leven betreft, en zij hem niet op het meer open veld der wereldgodsdiensten richtten. Het gold niet minder dan „kennis" te verspreiden aangaande aard en wezen der oude en nieuwe wereldreligies — en wat konden deze heeren dus beter doen dan zich te richten tot hen, die in het officiëele bezit zijn dezer wetenschap 1 Ook hier, als in menig ander opzicht, ontstak Leiden den fakkel der verlichting, die de chaotische wanorde in het hoofd van den weetgierigen leek in orde en' samenhang zou doen verkeeren. De Leidsche „Alma Mater" ontsloot haar schatkameren. Dr. M. W. de Visser beschreef „Shintö", de professoren Speyer, Nieuwenhuis, Eerdmans, Snouck Hurgronje zegden hun medewerking toe, evenals de heeren Dr. Vürtheim, en Henri Borel, en Dr. P. A. A. Boeser schreef de schets van den Egyptischen godsdienst, die voor ons ligt 1).
Nu mag men waarschijnlijk de uitgevers niet verantwoordelijk stellen voor den waan, welken zij willen doen postvatten, dat inderdaad met dit samenraapsel van allerlei verbandloos dooreengeworpen feiten uit grootere werken over godsdienstgeschiedenis, waarvan wij hier in No. 2 een proeve voor ons
1) Intusschen verschenen: No. 3: Grieksche Religie, door Dr. J. Vürtheim; No. 4: Animisme, Spiritisme en Feticisme in Ned. Indië, door Prof. Dr. A. W. Nieuwenhuis; No. 5: De godsdienst der Babyloniërs en Assyriërs, door Prof. Dr. B. D. Eerdmans, en No. 6: Het Buddhisme, door Prof. Dr. J. S. Speyer.
726
hebben, eenige ontwikkelende wetenschap aan het intellektueele leekenpubliek, dat in deze dingen belang stelt, wordt geboden. Dat echter de man der wetenschap, die van dit bedrijf de hoofdschuldige is, zijn lezers dit maaksel als deugdelijke waar aanbiedt, verraadt evenzeer een gemis aan inzicht in aard en beteekenis der tegenwoordige officiëele godsdienstwetenschap, als het hem, wien het historisch materialisme geleerd heeft, wat historisch inzicht is, het verschil tusschen burgerlijk en proletarisch weten nog eens helder voor oogen stelt. Wij bedoelen, dat indien de schrijver eenig besef had gehad van de waarde van hetgeen tot nu toe door het speciale onderzoek in zaken van godsdienstwetenschap is bijeengebracht geworden, hij zou hebben begrepen, dat het niet den minsten zin heeft, een snipperachtig en verward résumé van de resultaten zonder meer als ontwikkelende litteratuur voor leeken te publiceeren. En tevens willen wij zeggen, dat, wat hij zoo tot stand heeft gebracht, de slechts betrekkelijke waarde illustreert der burgerlijke „godsdienstgeschiedenis" als speciaalvak voor wie overtuigd is, dat er, om „geschiedenis" tot wetenschap te maken, een methode vereischt wordt, welker onmisbaarheid in de kringen der burgerlijke geleerdheid niet wordt gevoeld. — Burgerlijke wetenschap van betrekkelijke beteekenis te noemen, wil niet zeggen de waarde dier wetenschap verkleinen, integendeel is het de voorwaarde, waarop de drang berust, tot beter weten, klaarder doorschouwen, dieper begrijpen op te klimmen, de energie, een nieuw wetenschappelijk ideaal door noesten arbeid nader te treden. Wanneer wij zeggen, dat de burgerlijke geschiedvorsching in het algemeen, en het onderzoek naar den aard der godsdienstige voorstellingen van nog bestaande of verdwenen kuituurvolken in het bijzonder, zich slechts heeft beziggehouden, en nog bezig houdt, met het verzamelen van feiten en feitenkomplexen, het bijeenbrengen van data, dan wordt daarmede geenszins de groote historische beteekenis van dezen moeitevollen arbeid gekleineerd, maar slechts uitgedrukt, dat hij den weg heeft bereid en het materiaal geleverd voor een werkelijke godsdienstwetenschap. Taak der archeologische vorsching op dit gebied is de bouwstoffenverzameling voor het gebouw van de geschiedenis der godsdiensten, dat een onderdeel is van het groote gebouw der historische wetenschap, maar de tijd is gekomen, dat met het leggen der fundamenten en het optrekken der muren althans een begin kan worden gemaakt. De massa's feitenkennis toch omtrent de oude godsdiensten, wat Egypte betreft, bijeenverzameld door verdienstelijke en ijverige geleerden als Maspero i), Pietschmann, H. O. Lange 2), Erman 3). Le Page Renouf Pierret e a. staan niet alleen. De historische vorsching, welke in de oude kultuurlanden dagteekent van het begin of althans de eerste helft der 19e eeuw 4), heeft ons niet slechts den geestelijken eigendom dier oude volken doen kennen, maar tevens veel aan het licht gebracht wat betrekking heeft op hun ekonomische bestaansvoorwaarden, hun maatschappelijke inrichting, de indeeling in klassen of kasten, den aard der maatschappelijke overheersching en der staatkundige instellingen. Wie van de burgerlijke schoolgeleerdheid zelve verwacht, dat zij met deze gegevens, en gedachtig aan het schitterend resultaat, dat de toepassing der ekonomisch-materialistische methode op het gebied der „hoogere geesteswetenschappen" reeds gebracht heeft, aan
1) „Etudes de mythologie et d'archéologie égyptiennes" 1893.
2) Zie Chantepie de la Saussaye: „Lehrbuch der Religionsgeschichte".
3) „Die Agyptische Religion".
4) Het onderzoek omtrent Egypte vangt aan kort na Napoleons tocht naar dit land in 1798; het werd mogelijk door de ontcijfering van het hyroglyfenschrift. Baanbrekende onderzoekingen in Assyrië en Babylonië begonnen, later, 1842 en 1845.
727
de konstruktie van het gebouw der godsdienstgeschiedenis als wetenschap de hand zal slaan, verwacht te veel. Zoo zij zich al de moeite getroost, een oogenblik om te zien naar grondslagen, zooals die b.v. door Kautsky in zijn meesterlijk geschrift: „Der Ursprung des Christentums" voor een speciaal onderdeel gelegd zijn, zij gaat ze zonder begrijpen voorbij en acht het meestentijds, in ideologische vooroordeelen en spekulatieven hoogmoed bevangen als zij is, a priori een profanatie, geestelijke dingen als religieuze voorstellingen en systemen met zooiets als stoffelijke verhoudingen in verbinding te stellen. Deze dingen zijn bekend genoeg, dan dat het noodig zou zijn, hunne oorzaken bloot te leggen in dit korte bestek. De taak, het materiaal te schriften en te verbinden, en het op den grondslag der materialistische methode tot een stelsel op te bouwen, kan slechts aan de proletarische wetenschap toevallen. Het proletariaat toch heeft geen reden, in ideologische spokenvrees bevangen te blijven, waar het de demonen, die zijn geest de eeuwen door in vrees en beving hebben gevangen gehouden, ziet wijken voor het wapen zijner historische kritiek; het heeft daarentegen alle reden, tegenover de ééne ideoiogie zoo onbevangen te staan als tegenover de andere. Zijn levens- en wereldbeschouwing is op de praktijk van zijn maatschappelijken strijd, die zijn ontvoogding en verheffing beoogt, gegrondvest, en waar het overal den godsdienst, het gepopulariseerde theologische leerstelsel der kerk, in het krijt ziet treden, om de bereiking zijner ekonomisch-sociale doeleinden te verhinderen, daar wordt het er toe gebracht, de maatschappelijke wortels zeiven van de godsdienst op te sporen. Deze studie is dus meer dan wetenschappelijke lief hebberij van theoretisch-geschoolden, meer dan een speciale wetenschappelijke bezigheid, waarmee het strijdende arbeidende volk, dat niet „diskussiëeren", maar „werken" moet, niet te maken heeft; zij is van uitnemend praktisch gewicht. Niet slechts, dus, dat er van het standpunt der proletarische geschiedenisbeschouwing, het historisch materialisme, niet de minste reden is, de „hoogere" gebieden van den geest te scheiden van de „lagere", en godsdienst en ethiek van het onderzoek volgens haar beproefde methode uit te sluiten, waar zij de wetenschap in nauweren zin, het recht en de ekonomische systemen, de politiek en de stelsels van kennistheorie, b v. er aan onderwerpt, maar het proletariaat heeft uit dit oogpunt het praktische belang, dat het over het wezen van den godsdienst tot volledige klaarheid komt. Wanneer dit geschied is alleen, kan de arbeidersklasse uitmaken, op welke gronden de godsdienst zich tegen haar maatschappelijke ontvoogding keert. Zoolang dit niet gebeurd is, moeten voor haar wel altijd de hemelsche machten de kontröle behouden over de aardsche gebeurlijkheden.
In het historisch bestaan der menschen is de taak van den godsdienst altijd geweest en is dat nog, aan de massa's de natuurlijkheid en het recht van bestaan der maatschappelijke inrichting, d. i. der maatschappelijke klassen- of kastenoverheersching, van het oogenblik te suggereeren. Dit is niet een misbruik van den godsdienst, zooals velen ons willen doen gelooven, waarnaast dan nog een juist gebruik van de godsvereering zou te stellen of althans te denken zijn. Het is haar natuurlijke funktie, evenzeer, als de afhankelijkheid van buiten-menschelijke machten, waarin het individu gevoelt gevangen te zijn, hem tot haar aanbidding en verbidding drijft, omdat de verhouding van den mensch tot de verschijnselen en de dingen, waarmee hij in betrekking staat, maatschappelijk in de verhouding van mensch tot mensch wordt weerspiegeld. In de op de uitbuiting van het eene deel der menschen door het andere berustende maatschappij strekt dus de godsdienst, om de kasten- of klassenoverheersching te versterken en te handhaven, zooals de uitbuitende groepen zeiven uiteraard met een beroep op den godsdienst de onderdrukking rechtvaardigen, wijl het gevoel van af hankelijk-
728
heid van „hoogere" machten de kern van alle religieus gedachtenleven uitmaakt. Er is geen godsdienst denkbaar, tot hoe groote kettersch-revolutionnaire verlichting de gedachten zich mogen hebben opgewerkt, zonder het gevoel van afhankelijkheid en hulpeloosheid, dat de voorwaarden van zijn existentie in den mensch doen ontstaan en voortleven. Deze bewering zal nauwelijks tegenspraak ontmoeten, tot wij tot het trekken harer konsequentie overgaan en zeggen, dat, wijl het gevoel van zwakheid en onmacht bij de voortschrijdende maatschappelijke ontwikkeling steeds vermindert, het wezen dier bovenmenschelijke machten meer en meer wordt doorgrond, de mensch tot het besef der middelen komt, aan de maatschappelijke ellende een eind te maken en zijn bestaan bewust te regelen, de behoefte aan godsdienst vermindert en de godsdienst zelf verdwijnt. Wanneer er, in meer alledaagsche of wijsgeerige termen, gezegd is, dat wij Gods wezen niet kunnen doorgronden, heeft dit nog nooit iets anders beteekend, dan dat wij roet betrekking tot de faktoren, die ons leven, ons lijden en strijden, ons denken, gevoelen en doen beheerschen, onzen geest nog niet tot begrijpen en verstaan hebben ontwikkeld. —. De historische periode, waarin de maatschappelijke verhoudingen, d. z. de betrekkingen der menschen onderling en der groepen en klassen van menschen tot elkander, klaar en doorzichtig zijn, is die. waarin de natuur als een geweldige heilbrengende of verwoestende macht over de samenleving heerscht en haar verschijnselen en invloeden weinig of niet aan de menschelijke kontröle en leiding zijn onderworpen. Het bestaan is zoozeer aan het spel der blindwerkende en ongebreidelde natuurkrachten gebonden, dat de vrees, die een rtflexwerking is van den drift tot zelfbehoud tot verbidding en vereering der natuurmachten drijft, en tot haar personificatie, welk laatste proces een psychologische reaktie is op de waargenomen ervaring, i) Na de oude beschaving komt echter de nieuwe, na den ouden kultuurstaat, die Peru, Egypte, Babylonië, Asynë of Perzië heet, waarin de produktie van onmiddellijke gebruiksvoortbrengselen regel is, de nieuwe kultuurstaat, die door de produktie yoor den ruil, de warenproduktie wordt gekenmerkt. In deze nieuwe Grieksche, Romeinsche of Weslersche warenmaatschappij moet de aanbidding en de kultus der natuurkrachten wel op den achtergrond treden en een tendenz in deze richting al spoedig te bespeuren vallen, omdat tegelijk met den vooruitgang der techniek, d. i. de geleidelijke voortschrijding van de beheersching der natuur in de produktiewerktuigen, er een element in het samenleven optreedt, welks invloeden het individu even geheimzinnig en vreeswekkend toeschijnen als in vroegere toestanden de natuurverschijnselen. Het is de waar, welks fetischkarakter door Marx zoo geniaal treffend in het ie deel van „Das Kapital" is geschilderd, — die den mensch in zijn bestaan begint te beheerschen, aan den uitgang der Helleensch-Romeinsche beschavingsperiode, om na de Middeleeuwen bij de overwinning der burgerlijke warenproduktie in verschillende West-Europeesche landen haar heerschappij definitief te vestigen. Het monotheïsme, dat de polytheïstische natuurgodsdienssen van den antieken tijd opvolgde, moest als protestantisme geheel zegevieren, zoodra het warenkarakter der maatschappij haar kenmerkend karakter werd; het moest beginnen op te komen, zoodra warenproduktie en warenruil met de toenemende komplikatie der menschelijke verhoudingen een nieuwe armoede en nieuwen rijkdom uit
i) Wij bedoelen, dat de mensch vóór de warenproduktie, die de natuurkrachten personifieert, naar analogie te werk gaat. Waar hij zijn eigen arbeidsprodukt, zijn woning, zijn vee, zijn oogst door de natuur ziet vernietigen, en de ellende over zich brengen, ontstaat bij hem het denkbeeld van een geest, sterker dan de zijne en met meer macht, die evenals zijn eigen, aan een lichaam gebonden moet zijn, dus van een persoon.
786
drong de Atlantische kust-zeeliedenbond bij de Morgan-lijn op beantwoording der gestelde eischen binnen 24 uur aan. Het antwoord bleef uit, en het eerste schip van de Morgan-lijn, de „Momus" vertrok met een geheele bemanning van onderkruipers, waarop 19 Juni tot een oproep tot staking op alle kustvaartlijnen werd besloten, wanneer de betrokken maatschappijen niet voor den 20sten de al vroeger ingediende verzoeken inwilligden; daarop seinde reeds 20 Juni de secretaris van den bond Frazier aan Furuseth: „Overwinning bij de Morgan-, Clyde-, Mallory-, Old-Dominion- en Savannah-lijnen, waarschijnlijk ook bij Ward en Porto Rico-lijnen op morgen. Licht andere bonden in." Op de beide laatste lijnen kwam het tot staking, alsmede bij de Metropolitan, Eastern en United Fruit Maatschappijen. Al konden wij uit de gegevens afleiden, dat definitieve overeenkomsten tusschen de patroons en de vakvereenigingen werden afgesloten en dat een der bepalingen de uitschakeling van Chineezen betrof en een andere de uitsluiting van alle ongeorganiseerden, over de verder verkregen verbeteringen is ons niets bekend.
Op 13 Juli gaf ook de Ward-reedery aan de eischen der organisatie toe, werden de onderkruipers ontslagen en verlieten twee uren na onderteekening de „Moro Castle" en de „Antilla" de havens, beide schepen bemand met leden der organisatie. Telkens wanneer een boot vertrekken moest tusschen 19 Juni en den datum van het beëindigen van de staking, poogde deze onderneming met vage beloften de vakorganisatie om den tuin te leiden.
Na de Ward-lijn volgden ook de Metropolitan- en Eastern-lijnen, welke alle eischen der stakers inwilligden en de verzekering gaven, dat binnen 4 weken alleen vakvereenigingsleden op haar booten zouden werken.
Op dien datum bleven nog de Luckenbach-booten, Porto-Rico-lijn en United Fruit Co. over en was overigens de staking op de kustvaartlijnen met succes voor de stakers beëindigd.
Hoe de leiders van de Amerikaansche zeelieden zelf denken over den afloop van den strijd, mag blijken uit een artikel van 28 Juni, waarin Furuseth het hierboven aangegeven telegram bespreekt, hetwelk hij 20 Juni ontving van Frazier:
,,De verwachtingen, uitgesproken in de berichten, afgedrukt in ons laatste nummer, zijn ten volle verwezenlijkt. De zeelieden van Europa en Amerika hebben een groote overwinning bevochten. De ontwikkeling van dag tot dag vermeerdert het getal successen. Het gevecht duurt voort, maar de reeds verkregen voordeelen verzekeren ieder oogenblik een gelukkigen uitslag. De zekerheid is grooter dan ooit, dat de gebeurtenissen van deze maand met gouden letters zullen worden geschreven in de wereldgeschiedenis van het zeewezen "
En verder:
„Het bericht van Frazier geeft den omvang aan van de overwinning op de Atlantische kust. De genoemde stoomvaartlijnen vertegenwoordigen een goed deel van den kusthandel. De van deze lijnen verkregen concessies voeren een nieuw standaard loon in, dat bij alle reederijen moet worden geaccepteerd. Onze kameraden op de Atlantische kust hebben lang en geduldig gewacht op de verbeteringen, die zij nu hebben veroverd. De resultaten spreken duidelijk voor het goede inzicht en de eensgezindheid, die dezen strijd hebben gekenmerkt."
821
neming Evenmin wordt de waarde van de opbrengst van het bedrijf veranderd door prijsverandering der aandeelen, integendeel is 't juist omo-ekeerd de opbrengst uit t bedrijf die - afgezien van alle andere momenten — de prijs der aandeelen bepaalt, koop of verkoop dezer opbrengsttitels heeft geen ander gevolg dan een verschuiving in de eigendomsverdeeling zonder inwerking op de productie of de realiseering der winst zooals bij den verkoop van waren.
De winsten of verliezen der speculatie, ontstaan slechts uit verschillen in de waardeering der aandeelen, veranderingen in de waardeenng echter behoeven volstrekt niet te ontstaan uit eene verandering in de werkelijk behaalde hoeveelheid winst.
Hij die zijn kapitaal in effecten belegt houdt van rust in zijne papieren, heeft 't meest belang bij stijging van het dividend en dus bij stijging der winst, de speculant evenwel wil onrust, beweging in de koersen zijner papieren, hem is stijging van dividend met daaruit resulteerende koersstijging niet meer welkom dan daling van dividend en koers, hij kan bij beide winnen. Voor hem is het vooruitzien der koersverandering, hetzij naar boven of beneden, de zaak waar 't op aankomt. Hij bewaart niet - zooals degeen die beleggingswaarden koopt — zijne papieren, hij verkoopt ze duurder dan hij ze gekocht, of koopt ze goedkooper dan hij ze vroeger verkocht heeft. Het spreekt van zelf, dat als alle speculanten gelijktijdig in ééne richting en in even sterke mate op hetzelfde tijdstip wilden speculeeren, er van speculatiewinst geen sprake kon zijn, juist toch door 't feit, dat de een verwachtingen koestert in omgekeerde richting, of niet in dezelfde mate in gelijke richting als de ander, is 't mogelijk dat de een van den ander wint, zoodat altijd hier de winst van den een, 't verlies van den ander moet zijn. Kenden alle speculanten de toekomst, wisten allen of, hoeveel en wanneer de koers hunner papieren zou stijgen of dalen, dan was speculatie onmogelijk. Er moet meeningsverschil zijn over de te verwachten winst, dus onzekerheid.
Dit neemt evenwel niet weg dat er enkelen meedoen, die niet onzeker zijn, die verwachtingen koesteren met reden, dat zijn de ingewijden, die dus spelen met grooter kans op, dikwijls met zekerheid van winst, het overgroot gedeelte echter koestert verwachtingen zonder grond er voor te hebben. Niet alleen toch stroomen allerlei geruchten op de beurs samen, waarvan wijzigingen in vraag en aanbodverhouding en dus in de koershoogte 't gevolg zijn; maar zelfs, deze even buiten bespreking latende, en dus even onderstellende, dat vraag en aanbod in evenwicht blijven, dan is bij het koersveranderende moment, de wisselende dividendvoet, voor den oningewijde reeds alles onzekerheid. De dividendhoogte toch wordt in de eerste plaats bepaald door de hoogte der profijtvoet. Nu is de gemaakte winst, en dus ook de
822
profijtvoet, voor menschen die ingewijden zijn, wel eerst aan 't eind van 't jaar met volledige zekerheid vast te stellen, maar ze zien toch al van te voren met vrij groote waarschijnlijkheid, of er veel of weinig winst gemaakt zal worden, voor de niet-ingewijden is hier alles totaal onzeker wijl onbekend. Wel leeren we bij Marx dat er in een zekeren tijd een gemiddelde profijtvoet bestaat, maar deze bestaat toch slechts als tendens. Inderdaad bestaan er een reeks individueele profijtvoeten die van deze gemiddelde sterk afwijken kunnen. Die individueele profijtvoet is voor den buitenstaande volledig onberekenbaar. Maar zelfs al kon hij die wèl berekenen dan nog wist hij 't dividendpercentage niet en daarvan hangt, gegeven de rentevoet, de koershoogte geheel af. Welk percentage zal dienen voor afschrijving, hoe hoog de tantièmes zullen zijn voor directeuren en commissarissen, wat gestort zal worden in het reservefonds etc, dit zijn allen onbekenden voor hem, terwijl daarentegen de leiders zelf bepalen, hoeveel voor dergelijke doeleinden zal worden afgetrokken, hoe hoog dus gegeven de winst het uit te keeren dividend zal zijn. Zij spelen dus niet alleen met veel meer zekerheid, maar ze kunnen zoodoende de koershoogten zelfs direct beïnvloeden. Voor de massa der speculanten is de voornaamste factor der prijsverandering onberekenbaar.
Naast de beide factoren die — wat ik maar noemen zal — de natuurlijke prijs der aandeelen bepalen, komen nu andere oorzaken, die we allen kunnen doen ressorteeren onder vraag en aanbodverhoudingen en die de marktprijs om die natuurlijke prijs doen schommelen. Voor de speculatie die alleen belang heeft bij de veranderingen zelve, zijn de oorzaken dier veranderingen onverschillig. Evenwel ligt 't in het wezen der speculatie zelve, met hare steeds wisselende stemmingen en verwachtingen — eene wisseling die bij hare onzekerheid vanzelfsprekend is — een steeds veranderende verhouding tusschen vraag en aanbod te scheppen, die wederom prijsveranderend werkt; elke prijsverandering echter geeft weer den stoot tot nieuwe stemmingswijziging, nieuwe stellingverandering, nieuwe speculatie, nieuwe verhouding tusschen vraag en aanbod.
Op deze wijze wordt door de speculatie een steeds tot afzet geschikte markt geschapen, waar dus het fictief kapitaal ten allen tijde in geld omgezet kan worden, wordt dus bereikt — waar we in 't vorig artikel al op wezen — dat de banken, zonder 't hun toevertrouwde geld te fixeeren, deel kunnen nemen aan industriëele ondernemingen, die den vorm van naamlooze vennootschappen hebben aangenomen, en wordt 't duidelijk, waarom die banken er belang bij hebben om ondernemingen, die dien vorm nog niet bezitten, daarheen te drijven.
Uit de onzekerheid der speculatie ontstaat nu ook de mogelijkheid om hare richting te beïnvloeden op een andere wijze als we hier
823
boven aangaven. Juist omdat de kleine speculant niets weet, volgt hij blind de stemming der markt. Deze marktstemming wordt echter soms geschapen door de groot-speculanten, i) Deze kunnen door groote koopen de koers doen stijgen, de anderen doen nu door hunne vraag de koersen nog meer naar boven gaan. Intusschen hebben de grooten reeds opgehouden. Zij kunnen nu door voorzichtig te verkoopen hunne winsten binnen halen. Het spreekt van zelf, dat de banken met hun groot kapitaalbezit, hier een groot overwicht op de markt hebben. Als groothandelaars in effecten kunnen ze bovendien hunne cliënten wenken geven om bepaalde papieren te koopen of te verkoopen en op deze wijze weer een verschuiving in vraag- en aanbodverhouding te voorschijn roepen, waardoor de speculatie in een haar vooruit bekende richting gedreven wordt.
Hier blijkt ook tevens het onmisbare van deze outsiders en meeloopers want kan beweerd worden, dat voor de beroepsspeculatie winsten en verliezen elkaar wederzijds opheffen, het groote publiek, dat de richting volgt hem door de groot-speculanten aangewezen en dat in die richting blijft doorgaan ook als de grooten zich al lang met hunne winst hebben teruggetrokken, betaalt het gelag.
De speculatie is echter op een zekere trap van ontwikkeling van het kapitalisme noodzakelijk om te maken, dat de beurs hare functie, als markt voor de aanleg van geldkapitaal vervulle. Opdat toch kapitaal als o-eldkapitaal fungeere is 't noodig, dat men het ten allen tijde terug kan krijgen en ten tweede, dat het rente afwerpt. Beide eischen worden door de beurs vervuld. Daar geeft koop en verkoop van effecten gelegenheid tot 't maken van winst, daar is dus een voortdurende prikkel tot koop en verkoop aanwezig.
Vandaar dat de beurs de markt is, waar ten allen tijde geld in fictief kapitaal en fictief kapitaal in geld kan worden omgezet, bovendien — zooals we vroeger al zagen — is 't de beurs die dividend tot rente reduceert 2). Kwam dit fictief kapitaal vroeger hoofdzakelijk voor in den vorm van staatsobligaties en ontstaat de effectenbeurs juist door den handel in die soort papieren, van grooter beteekenis wordt ze eerst met het zich ontwikkelen der naamlooze vennootschap. Hare aandeelen verschaffen de beurs een snel toenemende hoeveelheid handelsmateriaal, terwijl omgekeerd het bestaan dier beurs als afzetgelegenheid voor die aandeelen voorwaarde is voor 't kunnen bestaan der naamlooze vennootschap
lï We zien er van af hier voorbeelden te geven van de „minder solide" manieren waarop „ en aanbod worden beïnvloed. Men kan deze niet alleen telkens in dagbladen maar ooi al bij menigte vinden in een werk uit de 17e eeuw van Don Joseph de la Vega Taarin hij de speculatie aan de beurs van Amsterdam beschnjft. Z.e bhrenberg „Das Zeitalter der Fugger".
2) Zie hierover ook 't vorig opstel.
824
als regel i). Met 't ontstaan dier beurs is de mogelijkheid tot speculatie daar, omgekeerd is de speculatie noodig om te maken, dat de beurs hare functie, markt te zijn voor 't fictief kapitaal zoo volledig mogelijk vervulle.
Zoo heeft de beurs de mobiliseering van het kapitaal mogelijk gemaakt. De individueele kapitalist kan nu zijn kapitaal ten allen tijde als geld terugtrekken uit de eene tak van bedrijf om 't te beleggen in een andere hooger profijtgevende tak. Hoe hooger, bij de ontwikkeling van het kapitalisme, de organische samenstelling van het kapitaal wordt des te moeilijker en met meer schade gepaard gaand wordt het om door verkoop van zijn onderneming zijn kapitaal in den geldvorm loste maken ten einde het in een andere bedrijfstak te kunnen steken. Hoe meer bij die ontwikkeling tevens een groeiend deel van het constante kapitaal ingenomen wordt door vast kapitaal, waarvan eerst na herhaalde omslagen de waarde geheel in den geldvorm terug is gekeerd, des te meer hinderpalen worden ook daardoor aan de vloeibaarmaking,. aan den vrijen trek van het kapitaal en daarmee aan de gelijkwording der profijtvoeten in de verschillende industrie-sferen in de weg gelegd. In plaats van wettelijke beletselen, zooals vroeger, zijn 't hier beletselen uit het economisch leven zelve opgroeiend.
Voor den individueelen kapitalist komt de speciale gebruikswaarde van zijn kapitaal er niet op aan, voor hem is kapitaal 't middel tot 't verkrijgen van een opbrengst, liefst een zoo groot mogelijke. Het streven naar een zoo groot mogelijke winst heeft tot resultaat het vormen van een gelijke winstvoet voor alle industriëele kapitaal. Dit veronderstelt een volkomen omzetbaarheid van de stoffelijke elementen van het productiekapitaal in geld, die, zooals we zagen, in werkelijkheid niet voorkomt. Bij deze verschillende in de practijk voorkomende profijtvoeten worden de kapitalen, ook al zijn ze even groot, verschillend gewaardeerd. Elk kapitaal wordt berekend niet naar zijn eigen waarde, maar door zijn opbrengst te kapitaliseeren volgens de bestaande rentevoet.
Waar het kapitaal de vorm van fictief kapitaal aanneemt worden deze verschillende waardeeringen aan de beurs in geld omgezet en wordt dus voor den individueelen kapitalist bereikt, dat het hem onverschillig kan zijn wat de gebruikswaarde van zijn kapitaal is, in welken bedrijfstak hij 't gestoken heeft, ja zelfs öf hij 't in een bedrijfstak gestoken dan wel 't als leenkapitaal heeft gebruikt, er b.v. staatsschuld voor heeft gekocht. Drijven aldus de wetten van het kapitalisme, „teneinde voor eiken kapitalist een gelijke opbrengst te krijgen tot mobiliseering van het kapitaal en tot zijn waardeering als enkel rentedragend kapitaal, zoo vervult de beurs de functie deze mobiliseerino-
I) „De beurs is 't noodzakelijk pendant van het aandeel", Philippovitch II n blz. 178.
825
mogelijk te maken, doordat ze de plaats voor die omzetting en het mechanisme daarvoor schept" i).
Deze beweging van het fictieve kapitaal laat echter het productieproces zoowel als de beweging van het productieve kapitaal ongemoeid. Het streven der enkele kapitalisten naar hooger profijt verschijnt bij 't fictief kapitaal als streven naar hooger dividend waardoor hooger prijs der aandeelen. Terwijl dus op de beurs de bestaande opbrengstongelijkheden opgeheven worden in de koersen der aandeelen blijven toch de werkelijke ongelijkheden voortbestaan. Stel b.v. dat twee verschillende industrieën elk werken met i millioen kapitaal en dat no. I / 200,000, no. II slechts ƒ100,000 winst afwerpt. Bij een rentestand van 5 pCt. zal nu de koerswaarde der aandeelen no. I 4, die van no. II 2 millioen zijn.
Door den individueelen kapitalist zal nu een aandeel No. 1 tweemaal zoo hoog gewaardeerd worden en ook 2 maal zoo duur aan de beurs gekocht worden als een aandeel No. 2. Hiermee is voor den individueelen kapitalist het onderscheid opgeheven. In werkelijkheid evenwel zal nieuw aan te leggen kapitaal trekken naar industrietak No. 1 omdat daar hooger profijtvoet wordt gemaakt, die nu als hoogere oprichterswinst zal verdwijnen in de zakken der oprichters. Op dit onderwerp komen we later nog terug.
Immer meer neemt het kapitaal den aandeelenvorm aan, productief en fictief kapitaal krijgen een steeds meer en meer van elkander onafhankelijke beweging. De verandering in eigendomsverdeeling is niet meer alleen een gevolg van oorzaken die op 't terrein der productie thuis behooren, daarnaast treden oorzaken voortvloeiend uit de beweging der eigendomstitels, die bezitsveranderingen kunnen bewerken, welke evenmin invloed op de productie hebben als dat zij er door veroorzaakt zijn. Eigendomsbewegingen gepaard gaande met eigendomsconcentratie doordat — zooals we al zagen — de grootkapitalisten met hun meerdere kennis van de markt en met hun grooter kapitaal meer gelegenheid hebben bij 't beursspel van de kleinen te winnen. „De beurs is de markt voor de circulatie van den eigendom „an sich".
„De eigendom is (hier) geheel los van elke betrekking tot productie of gebruikswaarde. De waarde van ieder eigendom schijnt bepaald door de waarde van de opbrengst, een zuiver quantitatieve betrekking. Het getal is alles, de zaak is niets. Het getal alleen is het werkelijke en daar het werkelijke geen getal is, is de samenhang mystieker dan het geloof der Pythagoreërs. Al het eigendom is kapitaal en niet-eigendom, schulden zijn — zooals elke staatsleening bewijst — even goed kapitaal, en al het kapitaal is gelijk en belichaamt zich in bedrukte papieren
1) Hilferding, blz. 163.
826
■die op de beurs hoog en laag gaan. De werkelijke waardevorming is een proces dat geheel buiten de sfeer der eigenaars blijft en op volledig raadselachtige wijze hun eigendom bepaalt. De grootte van den eigendom schijnt niets te maken te hebben met den arbeid; is reeds in de profijtvoet de directe samenhang tusschen arbeid en kapitaalopbrengst onduidelijk, zoo geheel en al in de rentevoet. De schijnbare veranderiug van al het kapitaal in rentedragend kapitaal, wat de vorm van het fictief kapitaal met zich medebrengt, vernietigt totaal elk inzicht in den samenhang. Het lijkt absurd de rente, die steeds wisselt en inderdaad onafhankelijk van de directe gebeurtenissen in de productie wisselen kan, in samenhang met den arbeid te brengen. Ze schijnt gevolg van het kapitaaleigendom als zoodanig als vrucht van het met productiviteit begiftigde kapitaal. Ze is wisselend, onbepaald en met haar verandert de „waarde van den eigendom" een onzinnige categorie. Deze waarde schijnt even raadselachtig, onbepaald als de toekomst. Het bloote tijdsverloop schijnt renten te brengen en Böhm—Bawerk maakt uit dezen schijn zijne theorie over de kapitaalrente." i)
Opdat de beurs hare functie zoo volkomen mogelijk zal vervullen moet men zeker zijn, dat daar ten allen tijde gelegenheid besta tot omzetting van het fictieve kapitaal tegen geld en omgekeerd. Dit leidt van zelve tot een zoo groot mogelijke samentrekking van deze zaken op enkele centrale punten, vandaar dat de beteekenis der provinciale beurzen afneemt en de beurszaken zich meer en meer concentreeren in de hoofdsteden. Voor een zeer groot gebied worden zoodoende de prijzen der verschillende effecten daar vastgesteld, wordt 't mogelijk — met behulp van de moderne communicatiemiddelen dat zich een gelijkheid van koers aan de verschillende centrale beurzen der verschillende landen vormt. Men geeft opdracht tot koop aan die beurs waar de koers laag is, door die verhoogde vraag stijgt daar de koers, men verkoopt op die beurs waar de koers hoog is, vermeerdert daar 't aanbod waardoor de koers daalt. Dit geldt natuurlijk alleen maar voor die effecten welke tegelijkertijd aan verschillende beurzen verhandeld worden, zooals staatsleeningen en aandeelen van zeer groote ondernemingen.
Om den invloed van bank op beurs duidelijker te zien, is 't noodig in te gaan op de wijze waarop beurszaken gedaan worden. We zullen hier niet meer geven dan enkele hoofdlijnen en de finesses der beurstechniek laten rusten.
Zooals reeds gezegd is kan men effecten koopen öf met 't doel zijn kapitaal te beleggen, men koopt dan solide papieren, óf men koopt
l) Hilferding, blz. 176—177.
827
papieren voor de speculatie. Men kan — zie boven — nog aan een tusschenvorm denken waarbij speculatie en kapitaalbelegging gecombineerd voorkomen, n.1. als men papieren koopt waarvan later een koerstijging verwacht wordt; tot zoo lang trekt men een vast inkomen uit die effecten, en 't kan best zijn dat men, is de verwachte koersstijging eindelijk daar, niet eens verkoopt, zoodat dan uit het speculatief begin °de vaste kapitaalbelegging is ontstaan. Dit geschiedt vaak met aandeelen in pas opgerichte ondernemingen, of met aandeelen die in een tijdperk van depressie zijn aangekocht of bij schuldpapieren van kleine in opkomst zijnde staatjes. De kooper brengt ze vooreerst of heelemaal niet meer aan de markt, de koersschommelingen laten hem voorloopig koud. Deze soort speculatie is echter niet de gewone, ze kan alleen door kapitaalkrachtige personen worden gedaan, die deelen van hun vermogen langen tijd kunnen fixeeren zonder in geldverlegenheid te komen. Banken met groot kapitaalbezit koopen dikwijls zulke eerst in de toekomst een hoogen koers houdende effecten, vandaar dat deze banken dikwijls een groote vraag naar nieuw geëmitteerde aandeelen vertegenwoordigen.
Voor zooverre de aankoop van effecten geschiedt öf voor kapitaalbelegging öf voor deze soort speculatie, steeds is de levering der papieren hetzij direct hetzij na eenigen tijd de hoofdzaak. Het zijn de effectieve i) affaires, wel te onderscheiden van de echte speculatieve affaires waar levering 't middel is om 't doel: winst te maken uit de schommelingen der koersen, te bereiken. Men hoopt of verwacht daarbij dat er, tusschen het tijdstip waarop de koop (verkoop) overeenkomst gesloten is en dat waarop die moet worden uitgevoerd, iets met de koers zal gebeuren. Men kan die overeenkomst op verschillende wijze sluiten, men kan afspreken levering op een bepaalde dag b.v. tegen het eind der maand of er wordt overeengekomen, dat de kooper het recht heeft de levering op te vragen op elk tijdstip vóór de uiterste leveringstermijn of omgekeerd dat de verkooper mag leveren op elk tijdstip binnen die termijn.
De kooper (haussier) rekent er op dat de door hem gekochte stukken vóór of op die uiterste termijn zullen stijgen, hij koopt, zonder het geld te bezitten, komt dan de verwachte hausse dan verkoopt hij ze duurder dan hij ze gekocht heeft, betaalt met het ontvangen geld en steekt de winst op; de verkooper (baissier) verkoopt effecten en verwacht dat ze voor of op de uiterste termijn van levering zullen dalen, hij verkoopt zonder de stukken te- bezitten, komt dan werkelijk de vermoede baisse dan koopt hij ze goedkooper dan hij ze verkocht heeft, levert de gekochte papieren en steekt de winst op.
I) De term „effectieve affaires" is bij effecten minder gebruikelijk dan bij waren.
828
Deze soort affaires zijn — in tegenstelling met bovenbeschrevene — juist aan de beurs op hare plaats. Het wezen toch van deze speculatie bestaat in het benutten van momenteele schommelingen, en waar elke omslag winst brengt of belooft te brengen moet deze spoedig en ten alle tijde kunnen geschieden. Van daar dat nergens zoo snel en eenvormig zoo zonder tijdroovende formaliteiten zaken worden gedaan als op de beurs: men heeft er fungibele zaken, vastgestelde eenheden als koopbare minima (b.v. 50 stuks van dit of dat lot), het eenig varieerende bij alle transacties is aantal van die eenheden en prijs per eenheid. Dag van levering, techniek van koop en verkoop alles gaat volgens vaste usances. In de tweede plaats zijn deze termijnaffaires juist aan de beurs op hare plaats wijl voor den baissier zekerheid moet bestaan dat hij die „in blanco" heeft verkocht, werkelijk de papieren voor of op den leveringsdag kan koopen — liefst voor eene hem nog winst latende prijs — dat hij dus een haussier tegenover zich vindt,, voor den haussier dat hij werkelijk een afnemer vindt die hem de papieren wil afkoopen voor een som geld liefst hooger dan hij zelf moet betalen. Op deze wijze is baisse speculatie eigenlijk eerst mogelijk, en hausse speculatie gemakkelijker. De haussier zou kon hij de papieren niet ten allen tijde verkoopen, zij 't ook met verlies, de geheele geldsom in voorraad moeten hebben, hij zou de papieren verder moeten bewaren tot de koers gestegen was. Op deze wijze zouden het effectieve affairesworden, alleen mogelijk voor een kleine kring van personen, zoo zou het risico kolossaal vergroot worden omdat daardoor de koersschommelingen veel grootere afmetingen zouden aannemen. Bij termijnaffaires echter behoeft de speculant maar geld genoeg te hebben om 't koersverschil te kunnen bijpassen 1) en wordt dus de kring der speculanten veel grooter.
Een derde reden waarom termijnaffaires aan de beurs thuis behooren is dat daar de gelegenheid bestaat tot zoo groot mogelijke compensatie der schulden en tegoeden. We zagen al dat bij termijnaffaires de verkoopers zich door een koop, de koopers zich door een verkoop „dekken" waaruit al van zelf volgt dat bij een zelfde soort effecten een groot deel der koopschulden en verkooptegoeden elkaar opheffen, zoodat er bij de afrekening maar weinig baar geld ter saldeering noodig is. Dit is nog te meer 't geval wijl juist aan de beurs de gewoonte bestaat om de afrekeningen alle te doen plaats vinden op bepaalde data. Maar ook door dat de qualitatieve verschillen der diverse opbrengsttitels, die toch niets zijn dan directe geldaanwijzingen, allen reduceerbaar zijn tot en vergelijkbaar zijn als quantitatieve verschillen, wordt
1) Theoretisch zou zoo voor den haussier de risico toch nog zeer groot kunnen zijn:. Stel b.v. dat hij heeft gekocht tegen een koers van 120 en dat ze op o daalde. Practisch evenwel bestaat aan de beurs gelegenheid om het risico tot een maximum te beperken door z.g. premie-affaires.
829
de compenseering voor koopen en verkoopen van de meest verschillende effecten gemakkelijk. Men heeft voor dat doel aparte inrichtingen aan de beurs. Zoo bereikt men in Londen door „The Stock-Exchange Clearing" dat slechts 10 pCt. der totale omzetten met geld of feitelijk nog weer met checks betaald behoeven te worden, terwijl 90 pCt. der schulden en tegoeden elkaar opheffen. Aan de beurs is dus relatief weinig geld noodig, ook 't aantal stuks effecten voor de speculatie vereischt is betrekkelijk gering, veel geringer dan — waar 't zelfde papier meermalen ge- en verkocht wordt — de prijssom der omzetten zou doen vermoeden. Om bovengenoemde compensatie te volvoeren is 1t noodig dat de koersen officieel worden vastgesteld, waarvoor aparte organen aan de beurs zijn.
Elke tijdaffaire gaat uit den aard der zaak gepaaid met crediet, echter hier worden door deze officiëele vaststelling der koers nog andere vormen van crediet mogelijk of gemakkelijk omdat nu de te realiseeren prijs bekend en zeker is en 't dus voor de bank een affaire zonder risico wordt, om op onderpand van effecten geld voor te schieten. Zij behoeft slechts te zorgen dat ze gedekt is tegen koersschommelingen. Weigering of bemoeilijking om dit crediet verder te verstrekken is voor de bank een middel om den speculanten de voortzetting hunner speculatie onmogelijk te maken, hen te dwingen hunne papieren voor- elke prijs te verkoopen, waardoor koersdaling en voor de bank de mogelijkheid tot goedkoope aankoop dier papieren ontstaat.
Naast deze beleening bestaat hier voor de bank nog een — juridisch en ook feitelijk ervan verschillende vorm — van geldbelegging n.l. report- of (deport)-affaires i).
Het kan n.l. zijn dat op het tijdstip waarop de haussier de gekochte stukken moet ontvangen de door hem verwachte koersstijging is uitgebleven, er eene daling voor in de plaats is getreden of dat de stijging minder is geweest dan hij hoopte, hij blijft evenwel meenen dat de koers alsnog stijgen zal — of omgekeerd het kan zijn dat de baissier, •die verwacht had dat de koers zou dalen, ziet dat op het tijdstip van levering de koers niet gedaald of niet genoeg gedaald of zelfs gerezen is maar bij zijne meening blijft dat de koers alsnog zal dalen. In die gevallen zullen beide soorten van speculanten de speculatie nog niet willen, soms ook niet kunnen opgeven wijl de haussier geen geld, de baissier geen stukken kon krijgen om zich te dekken. Wat ook de xeden moge zijn ze wenschen in dezelfde positie te blijven tot de volgende rescontre (dag van afrekening). In dat geval zullen ze hun toevlucht nemen tot wat men noemt prolongatie, tot verlenging van hunne
1) Bij reportaffaires is de risico voor den geldschieter grooter dan bij beleening, daar hij in 't laatste geval slechts een deel van de koerswaarde voorschiet, terwijl hij in 't eerste geval den vollen prijs betaalt. Vandaar dat de reportvoet hooger is dan de beleeningsrente.
830
affaires door hulp van een derde meestal een bank die hun crediet verstrekt. De haussier verschaft zich het geld om te betalen door de ontvangen effecten over te doen aan een bank tegen betaling van eene vergoeding (report) en onder voorwaarde dat hij de stukken binnen een bepaalde tijd terug neemt tegen dezelfde prijs, i) de baissier verschaft zich de te leveren papieren bij een bank tegen betaling van eene vergoeding (deport) en onder voorwaarde dat hij binnen een bepaalde termijn de stukken tot dezelfde prijs terug zal bezorgen. Houden we ons nu voor 't gemak uitsluitend bezig met den haussier, dan zien we dat deze hier hetzelfde doet als iemand die gebruik maakt van een huis van verkoop met recht van wederinkoop. Hij geeft, zooals men dat noemt, de stukken in de kost bij een bank en betaalt de bank daarvoor een zeker kostgeld. Hij moet dus verwachten dat de koers zoodanig stijgen zal dat hij bij de verkoop zijner effecten er meer uitkrijgt dan de som die hij vroeger aan den verkooper heeft betaald plus het kostgeld wat hij aan de bank betalen moest. We zien dus dat hooger of lager reportvoet de hausse-speculatie moeielijker of gemakkelijker maakt. In 't algemeen zal de reportvoet hooger staan als 't geld duur is dus bij hoog wisseldisconto, als 't een effect betreft dat aan groote koersschommelingen blootstaat, als 't een speculant betreft die minder credietwaardig is en hoe hooger de golven der speculatie a la hausse gegaan zijn 2).
Maar tevens zien we dat de bank hier door de reportvoet hoog of laag te stellen belangrijke invloed kan uitoefenen. Ze kan door 't stellen van een lage reportvoet de haussespeculatie in de hand werken. Emissiebanken hebben dikwijls belang erbij de haussiers in 't hoog houden van de koers te steunen.
Dikwijls wordt b.v. op 't vaste land van Europa — zegt Philippovitch — door de banken een reportpolitiek gedreven. Het komt n.l. voor dat ze — wanneer ze een groote emissie van aandeelen voorbereiden — den reportvoet laag stellen om een haussestemming te voorschijn te roepen. Ze kunnen de eventueele schade die ze daardoor lijden door de winsten bij de emissie te behalen, weer goed maken.
Maar tevens is dit laagstellen van de reportvoet voor de banken het middel om tijdelijk veel aandeelen van de speculatie in handen te krijgen, en waar 't juridisch een koop betreft kan de bank hier — met nog veel meer recht dan bij gewone beleening — aanspraak maken op zoodanige stembevoegdheid als waarop het bezit der aandeelen recht
1) Men kan natuurlijk ook zeggen dat hij ze tegen een overeengekomen hooger prijs terug zal nemen, dan is vergoeding gelijk aan 't verschil tusschen terugkoops- en verkoopsprijs.
2) Er komen soms reportvoeten voor van 50 pCt. en hooger, dit vooral in tijdperken van overspannen haussespeculatie. Dan wordt voor velen verdere haussespeculatie onmogelijk, gevolg daarvan verkoop en paniekachtige daling der koers.
83i
geeft. Het is voor een bank dus gemakkelijk om zich op deze wijze tegen den tijd van een aandeelhoudersvergadering in 't bezit te stellen van een groot percentage der aandeelen en daardoor op die vergadering den boventoon te voeren door slechts formeel en tijdelijk eigenaar dier aandeelen te zijn.
Deze credietverschaffing door de banken, stelt den speculant nog meer in de gelegenheid om zijne operaties ver uit te strekken boven zijn vermogen en maakt bovendien de kring van hen die aan de speculatie kunnen deelnemen nog weer veel grooter. Ze maakt 't voor de speculanten de moeite waard omzetten te doen ook bij de kleinste koersschommelingen, omgekeerd weer volgt daaruit dat waar er steeds, ook bij zeer kleine schommelingen, tegenover een haussier een baissierpartij staat, waar dus operaties van de eene zijde tegengestelde operaties van de andere zijde tegenover zich vinden, die schommelingen in normale tijden zich binnen enge grenzen zullen bewegen.
Eindelijk spreekt 't vanzelf dat de groot-speculant met zijn veel grooter vermogen en met zijn daardoor nog vele malen grooter crediet hier een veel sterkere positie inneemt dan de kleine.
Ongeschikt voor speculatie in boven beschreven zin zijn de papieren die „in vaste handen" zijn, ongeschikt ook die papieren waarvan de voorraad klein is omdat hier kleine koopen en verkoopen de koers te sterk beïnvloeden en 't bovendien aan een groep kapitalisten de gelegenheid bieden zou de heele voorraad op te koopen om zoodoende aan de tegenpartij monopolieprijzen op te leggen. Speculatie als hier beschreven is veronderstelt groote, niet gemakkelijk op te koopen voorraad. Monopolie en speculatie sluiten elkaar uit.
Resumeerende hebben we, wat betreft den invloed van bank op beurs, gezien, dat die invloed zich tweeledig doet gelden:
iste bij de emissie zelve;
2de bij de eigenlijke beursaffaires.
Wat punt i betreft hebben we uiteengezet hoe de omzetting der ondernemingen in Naamlooze Vennootschappen aanleiding geeft tot het verkrijgen van oprichterswinst, die bij de steeds sterkere positie welke de banken innemen al meer en meer haar geheel ten deel valt, zoodat elke nieuw op te richten N. V. of elke omzetting van een bestaande onderneming in een N. V. gepaard gaat met 't betalen van een tribuut aan de banken, die alleen in staat zijn het industriëele kapitaal den vorm van fictief kapitaal te geven. Wat punt 2 betreft zagen we:
a. dat door 't bezetten van directeurs- of bestuursposten in sommige, en door 't afwikkelen van alle geldzaken voor meerdere ondernemingen de banken op de hoogte zijn met den stand dier ondernemingen, beter dan de oningewijde de kans op grooter of kleiner winst en daarmede de koersrichting kunnen voorzien;
832
b. dat ze — eenmaal gegeven een zekere winst — door hunne leidende functie in staat zijn gesteld de hoogte van het uit te keeren dividend zelf te bepalen door vast te stellen wat aan tantièmes, reserves, afschrijving etc. afgetrokken zal worden van de gemaakte winst en daarmee dus invloed hebben op de belangrijkste factor voor de koershoogte;
c. dat ze ook invloed hebben op vraag en aanbod en daarmee op de andere de koershoogte bepalende factoren doordat ze met hun groot eigen en nog grooter vreemd kapitaal alsmede door hun groot effectenbezit in staat zijn groote aan- en verkoopen in bepaalde papieren te doen ;
d. dat ze nogmaals vraag en aanbod kunnen beïnvloeden door als effectenhandelaars, die een groot vertrouwen genieten aan hunne uitgebreide clientèle, wenken te geven betreffende koop of verkoop van bepaalde papieren;
e. dat zij door hun groot kapitaal wachten kunnen en dus sterk staan;
f. dat waar de uitgebreidheid der speculatie afhankelijk is van de grootte van het crediet, waarover ze kan beschikken omdat ruime credietverschaffing èn het aantal personen dat aan de speculatie mee kan doen vergroot èn tevens voor elk dier personen grooter omzetten mogelijk maakt —- de bank door 't verhoogen of verlagen van den reportvoet en beleeningsrente — waarbij ze tusschen haakjes ook een beduidende invloed op den rentevoet in 't algemeen krijgt — de uitgebreidheid der speculatie voor een deel in handen heeft. Verder kan ze de kleine speculanten dwingen tot verkoop hunner papieren, waardoor ze de koers nogmaals beïnvloeden en alle voordeelen uit die beïnvloeding trekken kan.
We hebben hier nog aan toe te voegen, dat door dit alles beurs en bank in eene geheel andere verhouding zijn komen te staan dan waarin ze vroeger stonden. Oorspronkelijk toch kon de emitteerende bank niets zonder de beurs, de bank moest de nieuwe aandeelen ter markt brengen, de beurs moest zorgen voor de plaatsing. Sinds echter de bank voor hare zeer uitgebreide clientèle talrijke koopen en verkoopen doet, die elkaar voor een groot deel compenseeren is de beurs in beteekenis aan 't achteruitgaan. De beurs is dan nog maar de markt voor het niet compenseerbare gedeelte i). Daaruit volgt dat de beurs verliest de door hare bewonderaars zoo hoog geroemde eigenschap van te zijn de nauwkeurige „automatische regulateur" en „het fijnste meetinstrument" van de economische beweging — dat ze steeds minder in de gelegenheid is door hare koersbeweging de gezamelijke openbare meening over de credietwaardigheid en de wijze van bestuur
I) Men zou zich best kunnen voorstellen, dat de bankconcentratie zoo ver doorgaat, dat er nog slechts enkele grootbanken met talrijke filialen overblijven en dat de totale vraag en het totale aanbod naar en van effecten telefonisch tusschen die banken geregeld wordt.
833
der meeste staten, gemeenten, naamlooze vennootschappen en corporatiën, eenerzijds tot uitdrukking te brengen en anderzijds te controleeren." „Feitelijk worden thans reeds van deskundige zijde de begrippen bank en beurs, die door velen — wat evenwel totaal onjuist is — als geheel dezelfde beteekenis hebbend voorgesteld worden, vaak als directe tegenstellingen beschreven, wat evenmin juist is." i)
Vraag en aanbod van effecten worden hoe langer hoe minder aan de beurs geconcentreerd. De bank is niet meer alleen bemiddelaarster bij den effectenhandel, ze drijft voor een groot deel eigenhandel en wordt tevens zelve een effectenmarkt. „De continentale effectenbeurs is in hare tegenwoordige vorm door de grootbanken geschapen en uitgebreid geworden als een instituut dat het publiek in 't kapitalistisch verkeer moest trekken, toen dit doel echter bereikt was vormden de banken hare eigene organisatie, die in zeer korte tijd in de plaats van de beurs trad. De koersvorming is op heden reeds in hooge mate van haar afhankelijk en het vrije beursverkeer verliest aan beteekenis. 2)
Hiermede stappen we van de effectenbeurs af, om in een volgend artikel de warenbeurs te bespreken.
1) Riesser: „Die deutsche Grossbanken und ihre Konzentration" blz. 582 en
2) Philippovitch IIU bl. 182.
52
De Stakingen in het Transportbedrijf
door
H. SNEEVLIET.
V.
Holland.
Een ander beeld vertoont de ontwikkeling der zeeliedenbeweging in Holland. Het gold hier een bedrijf, waarin zoowel het moderne N. V. V. als het syndicalistische N. A. S. invloed hebben. Heeft de strijd tusschen beide richtingen door de groote staking in het transportbedrijf van 1903 een besliste wending genomen ten gunste van het moderne vakvereenigingswezen, niet te loochenen is het dat de syndicalistische elementen zich staande wisten te houden en in eenige bedrijven nog een belangrijken invloed bleven uitoefenen. Het resultaat van de beweging van 1903 moest een versterking van de moderne vakbeweging zijn. Zoo ooit dan werden toen lessen gegeven in zake de noodzakelijkheid van hef voeren van politieke actie door de vakbeweging, een nauwere samenwerking ook tusschen politieke en economische organisatie van den arbeid, die doordringen moesten in de hoofden van velen en wegvagen konden anti-parlementarisme zoowel als onklare begrippen over politieke onzijdigheid der vakbeweging. De klassepolitiek der christelijke regeering, gesteund door de vrijzinnige oppositie, heeft in dit opzicht goed werk gedaan.
Maar daarmee was aan het bestaan der federatieve vakbeweging nog geen eind gemaakt. Met name in Amsterdam bleef zij grooten invloed behouden o. a. in het bouwvak, in de haven- en in de gemeentebedrijven. Zij veranderde echter in veel opzichten van karakter, deed — zij het , onder voortdurend afgeven op de moderne vakbewegingsbeginselen — voortdurend concessies aan die beginselen. De afkeer van hooge contributies, gesalarieerden, weerstandskassen nam hand over hand af en in nauwe aansluiting daarmede de centralisatie in de leiding toe. De eigenlijke anarchisten poogden vergeefs de ontwikkeling in deze richting te stuiten. De noodzakelijkheid van sterke landelijke vakbonden kan door anarchistische frazes niet worden weggepraat. Vele belangrijke hervormingen werden op dit gebied tegen den zin der anarchisten doorgezet. Hem, die zich even plaatst buiten het gewoel van den strijd
835
tusschen centralisten en „federalisten" en in zich opneemt al het schoons waarmee men van beide zijden elkander overlaadt, komt een glimlach op de lippen, om de vele en dikke woorden, die er worden verspild, en die dikwijls zoo slecht weergeven den waren omvang van het verschil. Die glimlach moet echter onmiddellijk plaatsmaken voor de droevige overpeinzing, dat zulk „gedebatteer" en „gepolemiseer", verwijdering brengen, waarbij er één lachende derde is, het patronaat.
In één belangrijk punt, het voeren van politieke actie, schijnt de klove onoverbrugbaar, maar ook hier blijft alles niet bij het oude. De toenemende overheidsbemoeiing wekt ook "bij syndicalisten de lust zich met de overheid bezig te houden; al onhoudbaarder wordt de vooropgezette stelling, dat politiek uit de organisatie moet worden geweerd.
Al zijn de maatschappelijke krachten werkzaam, die op het terrein der vakbeweging eenheid zullen brengen . . . zoover zijn we nog niet en in dezelfde mate dat de zakelijke verschillen minder scherp kunnen worden afgeteekend en daarmee de superioriteit van de een of andere richting moeilijker is aan te toonen, in die mate wordt het gevaar grooter, dat het scherpe persoonlijke element in de onderlinge bestrijding de wederzijdsche toenadering tegenhoudt. De maatschappelijke ontwikkeling, die tot eenheid van inzicht in de vakbeweging voert en de verschillen wegneemt, schept daardoor de voorwaarden voor de verscherping van de persoonlijke bestrijding, welke in omgekeerde richting werkt.
Het wordt er daarmede veelal niet verkwikkelijker op. Al moeilijker de waardeering van de goede eigenschappen, die bij beiden bestaan, al kunstmatiger de afscheiding, welke in stand wordt gehouden. Het bestaan der twee vormen van vakbeweging in een klein land als het onze naast elkander, de eene zich aanvankelijk naar de duitsche, de andere zich naar de fransche vakvereenigingsstrijdwijze inrichtende, schept bij de conflicten waarin centralisten en syndicalisten betrokken zijn, telkens nieuwe scherpe geschillen, waarvan dikwijls aan de strijdende buitenlandsche arbeidersbeweging, waar zulke toestanden niet bestaan, de portée geheel ontgaat; en toch hier dreigen juist deze geschillen vaak het eenig belangrijke te worden.
In de zeeliedenbeweging heeft de onderlinge verwijdering tusschen het N. A, S. en het N. V. V. — en zooals dus van zelf spreekt tusschen Zeeliedenbond en Volharding — o.i. grooten en nadeeligen invloed gehad op de zaak der arbeiders. Het bijzondere geval deed zich voor, dat de aanhangers der beide richtingen niet in één plaats werkzaam waren, dat de Rotterdamsche staking in het teeken der moderne, de Amsterdamsche in dat der syndicalistische vakbeweging stond, hetwelk mogelijk maakte de acties kunstmatig scherp van elkander gescheiden te houden. Hoe geheel anders toch gaat het bijvoorbeeld, wanneer sigarenmakers van beide richtingen op één fabriek zitten en een loonactie aanvangen! Zij zijn op samenwerking aangewezen, moeten vooraf met elkander in overleg treden, willen zij niet van beide kanten tot machteloosheid gedoemd zijn. Het „gelukkige" feit, dat nu de Zeeliedenbond in Amsterdam, de Volharding in Rotterdam werkte, maakte de handhaving der kunstmatige scheiding der beide acties gemakkelijker. Er zit een komisch element in de voorstelling, dat de aktie der Rotterdamsche „Volharding", die los stond van de Internationale Federatie van Transportarbeiders en die dus niets te maken had met die internationale Zeeliedenbeweging,
836
geheel „zelfstandig" optrad, toch vooral losgemaakt moest worden van het avontuur van Wilson-Ronner-Mahlmann en Co I De Rotterdamsche Zeelieden traden lokaal op, zoo heet het. Zij stelden op eigen gelegenheid hun eischen. Het was zeker maar toevallig, dat de datum voor de stakingen in Engeland, Antwerpen en Amsterdam vastgesteld, ook door de Volharding was uitgekozen voor haar eigen strijd. In de Vakbeweging van I September heet het:
„Toen op de conferentie te Antwerpen, door den Centralen Raad der I. T. F. bijeengeroepen, waar ook nog de „Volharding" aanwezig was, Duitschland er krachtig op aandrong, dat ook de Volharding zoo spoedig mogelijk haar eischen zou indienen, verklaarde deze dat zij zelfstandig haar eischen Vou stellen aan de reeders. En wanneer deze onverhoopt niet mochten worden ingewilligd, zelfstandig zou beslissen of zij staken zou, ja dan neen." (Curs. van ons).
Vooral zelfstandig! Want niet waar, de vertegenwoordiger der Volharding verklaarde op die Antwerper conferentie van, 12, 13 en 14 Maart jl.:
„Dat zijne organisatie zich slechts kon richten, naar wat in Kopenhagen besloten was. Dat werd ook uitgevoerd en tot nu toe is van de bemanningen van alle schepen bericht ingekomen, dat zij voor de door de organisatie te stelten eischen zullen instaan. In het bericht over de besprekingen in Antwerpen (van November 1910, H. S.) was niets opgenomen, wat op verplichtingen der organisaties wees. Eerst het Protokol bracht üaarover klaarheid. Dat was hem echter eerst voor kort gezonden, zoodat intusschen niets kon worden ondernomen. Nu zullen de eischen aan de reeders worden ingediend."
Waar door de Rotterdamsche organisatie aan de Antwerper besprekingen van Maart werd deelgenomen, daarna „zelfstandig" de eischen werden ingediend, waarvan hierboven sprake is (hetwelk dus door de andere organisaties al was geschied of eveneens geschiedde) om vervolgens tengevolge der niet-inwilliging de staking te proclameeren op denzelfden dag, dat de zeelieden van Engeland enz. in strijd gingen, daar schijnt ons de herhaalde verzekering van de zelfstandigheid van
^ het optreden der Rotterdamsche vrienden niet ernstig toe, al moge het formeel juist lijken. Zoo iets is alleen te begrijpen, wanneer men op
\ de gespannen verhouding tusschen N. A. S. en N. V. V. let. Waren de leden van den Zeeliedenbond en die der Volharding meer gelijk verdeeld geweest over Rotterdam en Amsterdam, dan was aan de geschiedenis onzer arbeidersbeweging deze merkwaardige vinding bespaard gebleven.
Deze inleiding meenden wij — moest voorafgaan aan een bespreking der stakingen in onze beide grootste havens, waarbij wij van onzen kant ditmaal zorgvuldig zullen scheiden, wat niet bij elkander behoort.
A. Rotterdam.
Zoomin als zulks in de Engelsche havens of in Antwerpen het geval was, was het met de organisatie der Rotterdamsche zeelieden bijzonder gunstig gesteld. Niet meer dan een 400 zeelieden waren er vóór de staking in de nog zeer jonge organisatie „Volharding" vereenigd, een onbeteekenend getal, waar
| toch 3000 zeelui te Rotterdam thuisbehooren. De partijen zeer ongelijk in macht.
! De patroons allen, behalve de beide groote lijnen, Rotterdamsche Lloyd en Holland-Amenkahjn, georganiseerd. Ook al stonden deze twee maatschappijen
; buiten de Reedersvereeniging, sterke banden van vriendschap waren er toch
I aanwezig.
Tegen het einde van Maart, dus kort na de conferentie in Antwerpen, waaraan
837
ook Volharding deelnam, diende deze organisatie haar eischen bij de reeders in : Loonsverhooging van ƒ 5.- per maand bij de Holland-Arnenka p v» f 10 - voor het dek- en / 7.— voor het machinepersoneel der Rotterdamsche Lloyd, waar de loonen lager waren. Toekenning van ƒ o 80 voedmgsgeld per dag in plaats van voeding. Regeling van den werktijd, zoodat in buitenlandsche havens 8 uur per dag door dek- en machinepersoneel kon worden gewerkt Een ontwerp reglement voor vaststelling van den diensttijd en van de vergoeding voor overwerk werd bij het schrijven aan de reeders overgelegd. Voor overwerk en Zondagsarbeid werd ƒ o 25 per uur vergoeding gevraagd.
Slechts een botte afwijzing van den kant der reeders was het gevolg, waarop in Mei opnieuw werd aangedrongen op inwilliging van het gevraagde.
Den zcjsten Me. belegde de Amsterdamsche Zeeliedenbond een vergadering te Rotterdam met Kolthek, v. d. Berg ende Engelschman Grant als sprekers, ten gunste der internationale zeeliedenstaking, bij welke gelegenheid Spiekman en Brautigam debatteerden, die tegenover de internationale beweging de plaatse-
^ok^t" hernieuwde aanzoek bij de reeders had geen gevolg en 15 Juni werd door de Volharding de staking geproclameerd, op. den dag dat de vertegenwoordigers van den Engelschen zeeliedenbond m Rotterdam de internationale staking kwamen afkondigen. De oproep van de Volharding vond algemeenen weerklank bij de zeelieden en nieuwe aanmonstering op de oude voorwaarden werd geweigerd. Niettegenstaande bij de H. A. Li., ae machtigste der Rotterdamsche maatschappijen, de positie der zeelieden gunrt&er was dan bij de overigen onttrokken zich de bemanningen van laar groote booten \ niet aan & staking.. Direkt ving de werving var.onderkruipers aan en het lukte op den i6en Juni vooral met onderkruipende gieken en Spanjaarden de „Westland" te doen afvaren. Zoowel op de. Wihs , labarum en Bogor" van de Rotterdamsche Lloyd, als op de „Zijldnk'' en Gorreduk oer'H A L. sloten zich de bemanningen bij de stakers aan.p ^rstgenoemde onderneming begon met den aanvoer van Chineezen. terwijl de|H./LL. maatregelen nam voor de werving van onderkruipers mt Brabant en Zeeland. UoK uif Duitschland kwamen de* hulptroepen voor de £fnsP°?k°S opdagen. Evenals in Antwerpen en m Amsterdam hebben de Duitsche onderkruipers de zaak der zeelieden ook in Rotterdam ernstig geschaad. Aan eensgez ndheid tusschen de zeelieden zelf ontbrak het met. Vol enthousiasme namen .ffhun.plaatsen onder de stakers in en vast vertrouwdenzrj or>de>oyerwmmn^ Een ernstige teleurstelling werd den stakers bereid, doordat de „Wil» van de ■R 1 rlpn ï8en met onderkruipers kon afvaren. .
Voor de Engdsche zeelieden werd reeds op dezen datum de staking opgeheven met inwhhging van den looneisch, afschaffing der geneeskundige keuring
%r?een™iTfe^.Niëuwe Rotterd. Courant" van Brusse blijkt, dat tegenover de stakende arbeiders, niet de Rotterdamsche Reedersvereeniging, welke zich niet bemoeit met de arbeidsvoorwaarden der zeelieden doch de Scheepvaart. yèreenigTng aangesloten bij de Internationale,Shipping .Federation, voor de beLnsen der reeders opkomt. Tevens bleek uit een bericht van een der Rotterdalsc^he bladen dat tusschen de Rotterdamsche direkties der VrachtvaartmaatSpUn eneder reede'rtjen eenheid van opvatting bestond^^{e ^udinft welke moest worden aangenomen. Naar aanleiding van Brusse s aitike , maakte de: Rotterdam^ van „Het Volk" de volgende kantteekemng in
het blad van 19 Juni:
Welke die gedragslijn is, wordt nergens gemeld en is ons evenmin bekend, zijn ons wel eenigszins bekend. Deze patroonsorganisatie gaf meermalen bbjic de arbeidersvakvfreenigingen wèl te erkennen er^vergaderde^nieerma en m* de besturen der organisaties in het havenbedrijf. Staande onder Je le ding jan reeders als de heeren Engelbrecht en Paul Nijgh, van wie hun iets ™ee^ breede re opvattingen, dan van velen hunner ^oHegas eveneens bekend zijn, heeft de Scheepvaartvereeniging nimmer de organiseering der haven
"Sfwe TXgTan"herinneren, dat met deze ondernemer,vere ging een mar daoo) het kollektief arbeidskontrakt in de haven heeft bestaan, dan spreeKt uit een en Snoer? dat de Scheepvaartvereeniging den klassenstrijd meer modern
838
wil voeren dan de Reedersvereeniging en opent zich kans voor onderhandeling tusschen de „Volharding" en de Scheepvaartvereeniging. om te pogen het voor de zeelieden met de patroons tot een kollektieve arbeidsregeling te brengen. We meenen dat het standpunt en de geschiedenis der Scheepvaartvereeniging voor deze oplossing zouden pleiten 1
Een opmerking, die voortspruit uit een goede dosis optimistisch vertrouwen in een paar der leiders van de Scheepvaartvereeniging, doch die vijf dagen na het uitbreken eener staking, waarin het hard tegen hard gaat, zeker geen hoogen indruk van zelfvertrouwen en machtsbewustheid der arbeiders geeft.
Op den 2osten Juni voegde zich de bemanning van de „Postdam" bij de stakers, doch de H. A. L. blijft in staat haar booten geregeld te doen vertrekken. De toevloed van onderkruipers naar Rotterdam overtreft nog die voor Amsterdam. Den 23sten Juni vertrekt ook de „Tabanan" van de Rotterd. Lloyd" welke voor de kroningsfeesten te Spithead bestemd was. Zoowel over het partijdig optreden der politie, als over dat van den waterschout kwamen al meer klachten. Laatstbedoelde regeeringsambtenaar ging in zijn handlangersdiensten aan de reeders zoover, dat hij zelfs een iójarigen jongen buiten voorkennis der ouders aanmonsterde. De politie wees landloopers op de werkgelegenheid, die de stakers hun boden. Met karabijnen gewapend, werden agenten ter beschikking van de gezagvoerders gesteld en bereden politie zette de kaden bij de Batavierbooten af. op allerlei manieren het contact tusschen posten en onderkruipers bemoeilijkend. Ook het Leger des Heils bewees goede diensten aan de patroons door üe ronselaars bij de aanwerving van werkwilligen te helpen. Nog op den 2oen juni hadden de reeders het besluit genomen bij het eenmaal ingenomen standpunt te volharden, zulks met het oog „op de verplaatsing van het gezag". Het spreekt vanzelf, dat ook hier bij den grooten toevloed van onderkruipers de verhoudingen zich toespitsten. Strubbelingen tusschen hen en de stakers bleven niet uit. Op 27 Juni weigerde de bemanning van de „Batavier III", welke reeds was aangemonsterd vóór het proclameeren van den strijd, den dienst doch door tusschenkomst van het bestuur der „Volharding" namen de'betrokkenen den arbeid weer op. Niettegenstaande duidelijk blijkt, dat het getal onderkruipers voldoende is om vooral op de groote lijnen de vaart ongestoord voort te zetten, voegden zich steeds weer de afmonsterende bemanningen van thuiskomende schepen bij de stakers en nam hun aantal voortdurend toe.
Op den 3en Juli kwam het tot een conflict met de bootwerkers, naar aanleiding van het volgende. De reederij Thomson droeg haar havenwerkers op booten van de Hoilandsche stoombootmaatschappij te lossen, feitelijk voor Amsterdam bestemd, maar naar Rotterdam gebracht in verband met de groote havenstaking. Hetzelfde geschiedde met de Ixion van de „Oceaan". Er bleek toen bij de bootwerkers eenige neiging te bestaan om in ieder geval onderkruiperswerk te weigeren, al kwamen zij met als in Amsterdam tot een uitspraak ten gunste vaneen solidariteitstaking.
De Rotterdamsche scheepvaartvereeniging wilde van haar kant een uitbreiding der staking tot andere groepen van transportarbeiders tegengaan, nam althans bet besluit de Rc tterdamsche bootwerkers niet weer voor hetzelfde feit te zullen stellen door n.l. geen booten naar Rotterdam te laten komen voor lossen en laden, die voor Amsterdam bestemd waren.
8 Op den 5en Juli interpelleerde in de Tweede Kamer Schaper den minister van justitie over het optreden van den Rotterdamschen waterschout dat natuurlijk door den minister Regout in bescherming werd genomen. Een afkeuring van het partijdig optreden kon slechts de stemmen der aanwezige sociaaldemocraten verwerven. Doch in ieder geval had de interpellatie tengevolge, dat de waterschout het aanmonsteren aan boord der schepen achterwege liet.
Terwijl schijnbaar gedurende eenige dagen geen verandering kwam in de situatie, op 7 Juli het aantal stakers te Rotterdam tot 900 was gestegen, volgde op oen nen plotseling het bericht van de opheffing van den strijd als resultaat van de onderhandelingen, met de reedersorganisalie gevoerd. Verandering in de positie der siakers, was, in aanmerking genomen den toevloed van onderkruipers slechts mogelijk geweest door een uitbreiding der staking, gelijk bijv. in Antwerpen door de bedreiging van den Dokwerkersbond in de halsstarrige houding der Belgische reeders verandering was gekomen.
Hiervan kon in Rotterdam geen sprake zijn. Niet omdat de Rotterdamsche staking in het teeken der moderne vakbeweging stond. Solidariteitsstaking (die o. 1. absoluut met behoeft buiten te sluiten het stellen van eigen eischen, het
839
gaat nu eenmaal in het werkelijke en saamgestelde maatschappelijke leven niet fan scherp te rubriceeren en alle verschijnselen op het terrein der vakbeweging te wringen in vooraf op de bureaux der vakorganisatie klaar gemaakte stelsels!) wordt als zoodanig ook in de moderne vakbeweging meermalen toegepast en zal naar wij meenen in de toekomst vaker moeten worden toegepast als middel van afweer tegen de solidariteitsuitsluiting van de patroons. Een uitbreiding deistaking tot de bootwerkers in Rotterdam zou een dwaasheid geweest zijn, omdat , ten eenemale ontbrak de geestdrift, die de toepassing van een dergelijk middel 1 alleen mogelijk maakt, vooral als geen sterke organisatie aanwezig is. Dit middel was dus verwerpelijk en zij, die in hun kritiek op den afloop van de staking toepassing hadden geeischt (als v. Ravensteyn in de Tribune deed) verhezen uit het oog, dat groote stakingen zich niet op ieder gewenscht oogenblik laten maken. Overleg tusschen de Rotterdamsche en Amsterdamsche strijders; wasm dit stadium der beweging buitengesloten. De onderhandelingen werden dus zelfstandig gevoerd en hebben - gelet op de situatie - tot resultaten geleid, die bevredigend kunnen heeten. Aan 2300 van de 3000 zeelieden. werd Jö-- ™thoocdng van gage toegekend, waartegenover de belofte door de organisatie Zeit worden0afgelegd! dat in 3 jaar geen nieuwe looneische°^ gesteld De mogelijkheid op een collectief contract werd geopend voor alle ■reederijen, (behalfe' voor de grootste, de H. A. L.) hetwelk voor.3 jaar geldig zou zijn. Dit sloot de erkenning der organisatie in. Bovendien zou m September een commissie worden ingesteld uit vertegenwoordigers van Plons en arbeiders bestaande, welke nog verschillende regelingen zou hebben te treffen De groote solidariteit der Rotterdammer reeders met de Holland-Amen^ dubbelen eisch: ie opheffing der staking ook voor die lijn, zonder dat eenig voordeer door de stakers was° verkregen; *e geen loonsverhooging vrageu1 in de eerstvolgende 3 jaar ook bij deze lijn. Terwijl in Antwerpen onder oedreiging der dokwerkers de solidariteitstaking te beginnen de Belgische reeders de Red Star Line loslieten - was hier het ophouden der staking bij de H. A L de condi 10 sine qua non Noor de beëindiging van den strijd. De arbeiders moesten de actie op dezeMijn beëindigen, al konden zij gedaan krijgen, dat de voorwaarde verviel ook ten opzichte der H A. L. drie jaar gebonden te zijn.
Neen wh overschatten niet de verkregen voordeelen, niet de waarde van een coUectiéf contract, zoo min als wij gering achten het feit, ^^l™^^ H. A. L. (die machtige onderneming met haar 7.00 arbeiders) zonder resultaat aan den strijd deelnamen. Maar het is onverstandig een oordeel te vellen, als Van Ravesteyn in de Tribune deed:
Immers dit aangaan door de reeders houdt inde officiëele „erkenning" der „vakorganisatie, dil leege dop, welke nu door de leiders als een overwinning „wordt voorgesteld."
Erkenning der organisatie, in een strijd verkregen, heeft alleen als propagandamiddel onder de niet-vereenigde arbeiders een zoo groote waarde, dat alleen hi die vreemd staat tegenover de moeilijkheden van het vakvereemgingswerk, (men behoeft, dit ter geruststelling, deze kennis niet alleen in de praktijk van den va^kvereenigingsarbeid op te doen), van een „leege dop" kan spreken, als hfj de: waarde dier erkenning aangeeft. In Engeland is m het eerste stadium van den strijd - vóór de dokkers in beweging, kwamen - niet anders gedaan dan in Rotterdam geschiedde. Mede op advies van den Centralen Raad der Intern Transportarbeidersfederatie, die geregeld voeling hield met de organisaties welke bij de staking waren betrokken, (die o.. a. met den Engelschen le der Wilson, n geregelde en drukke correspondentie stond gedurende den strijd), werd daar de overal gelijk begonnen strijd partieel afgebroken, waar gedeeltelijke Successen verkregen konden worden. Dat dus Volharding inging op de concessies, welke werden bereikt, was niet anders dan een daad, die van een verstandig optredende vakvereeniging mag worden verwacht 1) trouwens de srhrifteliike stemming, waarbij 334 stakers zich voor opheffing en 170 zien daartegen verS gaf het duidelijk bewijs, dat Volharding handelde in den geest der stakers.
O Wij verliezen bij dit oordeel niet het verschil tusschen Engeland en Holland uit het oog. In ons land was overleg eer geboden, waar de strijd zich bepaalde tot twee havens, dicht bij elkander gelegen en eigenlijk één complex vormende.
840
De oppositie tegen de opheffing zal evenmin bevreemding kunnen wekken, als de raad van het bestuur. Dat na het bekend worden der stemming onmiddellijk van de zijde van den Zeeliedenbond gepoogd werd de beslissing ongedaan te maken, het is misschien te verklaren uit de vrees, dat de opheffing van den Rotterdamschen strijd de kansen in Amsterdam belangrijk verslechterden; doch moet ten scherpste worden afgekeurd. Het gunstigste, van het standpunt der syndicalisten bezien, dat te bereiken viel was groote tweedracht tusschen de strijders, die tot dusver een voorbeeld hadden gegeven van bewonderingwekkende eensgezindheid.
Gelukkig bleef het gevaarlijk spel zonder gevolg. Algemeen werd het gevallen besluit uitgevoerd; aan de staking te Rotterdam was daarmee definitief een einde gekomen. Dat Volharding het vertrouwen onder de zeelieden niet ver beurde, bewijst de aanwinst van een 150 leden sedert 1 Augustus j 1.
Een geheel andere ontwikkeling dan de strijd in Rotterdam kreeg, vertoonde de Amsterdamsche staking. Bleef het in Rotterdam een strijd tusschen zeelieden en reeders, tot een algemeene worsteling tusschen de transportkoningen en hun werknemers groeide de strijd in Amsterdam uit. De verklaring daarvan is niet alleen en niet voornamelijk te vinden in het verschil van inzicht, dat tusschen de strijdende organisaties van zeelieden in beide havens bestond. Nergens bleef de staking een zoo beperkt karakter dragen als in Rotterdam het geval was. De beroering in de Amsterdamsche haven- en zeearbeiderswereld komt die in de groote Engelsche havensteden nabij. Van meer beteekenis dan het verschil in vakvereenigingstaktiek onder de georganiseerden in onze beide groote havens, achten wij het verschil in karakter tusschen de beide havens zelf. Rotterdam een der grootste transitohavens van het vasteland, Amsterdam voornamelijk op het vervoer van personen aangewezen. Rotterdam veel meer afhankelijk van den bloei der grootindustrie dan Amsterdam. In eerstgenoemde haven over 1909 in totaal 8773 zeeschepen, in de tweede slechts 2101. In Rotterdam snelle uitbreiding van het getal arbeidsparende machines, welke in Amsterdam niet zoo rendabel zijn.
In Rotterdam dus veel sterker de neerdrukkende invloeden op de havenwerkersbevolking van crisis en verbeterde techniek dan in Amsterdam het geval is. Dit verschil moet op de strijdlust van deze categorie een belangrijken invloed uitoefenen, het gevoel van machteloosheid onder de Rotterdammers sterker wezen dan bij de Amsterdammers, de neiging bij de laatsten om een gunstige gelegenheid te benutten voor een verbetering der arbeidsvoorwaarden grooter zijn dan bij de eersten. Wel was ook in Amsterdam de overmacht der „Vereeniging van werkgevers op scheepvaartgebied", die alle patroons omvat en bij de Internationale Shipping Féderation is aangesloten op de organisatie der arbeiders "niet gering. Wel beheerschten eigenlijk slechts een paar personen den toestand in de haven en bestaat er tusschen de verschillende maatschappijen een personeele unie van bestuurders. 1) Maar desondanks leefde in de harten der Amsterdammers de hoop, dat zij in staat zouden zijn aan de sedert 1903 nog toegenomen druk te ontkomen. Het jaar 1910 was een zeer gunstig geweest voor de Heeren werkgevers. De Nederland keerde 8, de Koninklijke Pakketvaart 10, de Hollandsche Stoombootmaatschappij 7 pCt. uit. Aan heeren bestuurders was bovendien een aardig douceurtje uitgekeerd voor de zorgen, door hen aan de ondernemingen besteed. Zoo bij:
van een winst van een bedrag van
de Holland-Amerikalijn 5.000.C00 312 000
Kon. Pakketvaart 3.300.000 200.000
Kon. Ned. Stoomboot Maatschappij . . 1.100 000 30000
Blauwhoedenveem 239.700 21.000
1) Als bestuurders der S. M. Nederland fungeeren: Op ten Nooit, den Tex, v. Eeghen, Jhr. Hartsen, baron Tindal; der K. H. Lloyd: Op ten Noort, den Tex, Heldring, Niersirasz; der Hollandsche Stoombootmaatschappij: Op ten Noort, Nierstrasz, Beels, baron Tindal; der K. N. Stoomboot Maatschappij: Heldring, den Tex, Verhoef, v. Eeghen; der K. W. Indische Maildienst: Jhr. Hartsen, baron Tindal, Boissevain; der Nieuwe Rijnvaartmaatschappij: Heldring, den Tex, Verhoef.
B. Amsterdam.
841
De heeren konden tevreden zijn over den gang van zaken. Alleen voor de arbeiders knelt de prijsstijging en beteekent zij verarming.
Al in Tuli iqio zond de afdeeling Amsterdam van den Alg. Ned. Zeeliedenbond een lijst van gewenschte verbeteringen bij de Stoomvaartmaatschappijen in- Betaling van overwerk met 10 tot 25 cent per uur; een gedetailleerde rege: ling der werktijden en wachten; verbetering der voeding, door de maatschappij in ei°en beheer te nemen; een uitkeering bij ongevallen op den voet der ongevallenwet: bij ziekte geneeskundige behandeling, verpleging en een uitkeering als bij ongelukken gedurende hoogstens 6 maanden; verhooging der ga^es met f x en met ƒ6 per maand; afschaffing van het premiestelsel; vrije toegang voor het bestuur der organisatie tot terreinen en schepen; afschamng der konduiteboekjes en afschaffing geneeskundige keuring voor elke reis.
Na eenige besprekingen verklaarden zich vijf groote maatschappijen bereid ondergeschikte verbeteringen door te voeren, waarna 12 Mei jl. op nieuw om onderhandeling weid verzocht over de eischen van Juli 1910, terwijl daaraan werden toegevoegd eenige gewenschte veranderingen in de monsterrol, tusschentijdsche betaling bij oponthoud in een haven, en instelling eener commissie ten doel hebbende verbetering der volkshuisvesting aan boord. Deze commissie moest worden saamgesteld uit leden voor de helft door de Reedersorganisatie, voor de andere hellt door den Zeeliedenbond aan te wijzen. De benoemden zouden gezamenlijk den onpartijdigen voorzitter kiezen Er was mets buitensporigs in de gestelde eischen, niets specifiek „syndicalistisch , mets wat een •tegemoetkomende houding der patroons onmogelijk zou kunnen maken. Veel van wat in Maart 1911 de Volharding in Rotterdam vroeg, doet aan de eischen van den Zeeliedenbond van Juli 1910 denken. De gegrondheid der klachten wordt goeddeels toegegeven in een circulaire van den onder geestelijke leiding van het Kamerlid Dr. de Visser staanden Zeemansbond, aan de reeders gericht, waarin o a. wordt gezegd:
\ Voor een duurzame verbetering zal het noodig zijn. het geheele stelsel van de" verhouding tusschen reeders en zeelieden te wijzigen en in het bestaan der zeelieden veranderingen te maken, die tot ontwikkeling van hun gevoel van eigenwaarde en tot hunne beschaving kunnen bijdragen
Wij meenen, dat in het algemeen die wijzigingen kunnen bestaan:
ie. in middelen om de zeelieden voor langen tijd aan de reedenjen vast te verbinden; 1 .,• „ -, • _,
2e. in het verbeteren van hun verblijf en behandeling aan boord,
■yt in verhooging van hun zedelijk peil, en wij veroorlooven ons, in verband daarmede, u in overweging te geven:
Het afmonsteren na elke reis worde zooveel mogelijk onnoodig gemaakt door dienstneming als vast werkman."
En verder:
Verbetering van den toestand aan boord, waardoor de lieden een aangenamer materieel leven kunnen hebben en op een hooger moreel peil kunnen komen, kan verkregen worden door:
het aangenamer inrichten van het logies, het geregeld schoonhouden daarvan en inspecties door bepaalde personen, boven den gezagvoerder staande;
schafting volgens een algemeen aan te nemen tarief;
bereiding van het eten door geëxamineerde koks;
schaften op vaste uren, indien eenigszins mogelijk;
afschaffing van sterken drank ; ..
het ingaan der gage niet bij het aan boord komen, maar bij het aanmonsteren;
kostelooze overbrenging van den zeeman en van zijn goed naar boord en van boord; . . .
betere zorg bij ziekte, en hulp bij verminking in dienst.
Verder moet de kapitein steeds ie spreken zijn, klachten aanhooren en deze onderzoeken, terwijl ook gelegenheid moet zijn om klachten te schrijven in een klachtenboek, voor de reederij bestemd; deze klachten moeten spoedig berecht worden, in het bijzonder die over verkort loon."
Ondanks de gegrondheid der klachten achtte slechts één maatschappij'onderhandeling noodig. De Holl Lloyd, de West-Indische Maildienst en de Nederland meenden er met een „vrijwillige" verhooging der gage af te zijn. Toen werd op
■
842
6 Juni besloten opnieuw op overleg aan te dringen; men ziet, omzichtig genoeg werd te werk gegaan. Het mogelijke geschiedde om zonder eenigen „mikmak" tot het beoogde doel te geraken.
Het was vergeefs. De Amsterdamsche havenkoningen zijn nu eenmaal van de soort, die „heer in eigen huis" willen blijven tot in der eeuwigheid. „Liever Chineesch personeel dan Nederlandsche werklieden op redelijke wijze behandeld": in deze uitspraak karakteriseerde de heer L. Simons hen in de Groene Amsterdammer op treffende wijze. De staking was onvermijdelijk en met 150 tegen 2 stemmen werd zij in een vergadering van den Alg. Ned Zeelieden Bond geproclameerd, door de menschen, die geheel vrij waren, dus niet onder den monsterrol stonden. Op de oude voorwaarden zou niet meer worden aangemonsterd. Den i4enjuni ving de staking met een 200 Zeelieden aan. Een comitee voor de dagelijksche leiding werd benoemd. De bemanningen van „Koning Willem I", „Koningin Wilhelmina." „Rijnland," ..Pollux," „Titan," „Telles." „Flora" en „Vulcanus" gaven direct aan den oproep gehoor. Als in Rotterdam breidde zich het getal stakers met den dag uit. Zonder aarzeling volgde de eene bemanning na de andere. Ook de Amsterdamsche Zeelieden kenden „geen twijfel, geen vrees".
De aanwerving van onderkruipers ving evenals in Rotterdam ook hier onmiddellijk aan. Uit Groningen en Duitschland arriveerden de eersten. Met kracht drong de Zeeliedenbond er bij de Duitsche organisatie op aan het noodige te willen doen om onderkruipers te weren.
Reeds 16 Juni maakte Ronner in een vergadering van zeelieden melding van de bereidwilligheid der havenarbeiders door staking te steunen. De besturen der organisaties wezen echter vooralsnog dit aanbod af.
Hoe groot het enthousiasme onder de zeelieden was kon op den iaën Juni bij het binnenvaren van het groote stoomschip „Hollandia" blijken, waarvan de bemanning, 160 koppen sterk, onder het zingen van het Vrijheidslied zich bij de aan den wal wachtende stakers kwam voegen om in optocht, vele vrouwen voorop (die den strijd hunner mannen als haar eigen strijd beschouwden) naar het lokaal der organisatie te marcheeren. Een list der directie om door vervroegde aanmonstering weder het vertrek van dit schip te verzekeren leed schipbreuk. Ook het civiele personeel, 61 man sterk, sloot zich bij de stakende zeelieden aan.
Bij de lossing der „Hollandia" op 21 Juni deed zich een incident voor, hetwelk op een mogelijke uitbreiding van de staking wees. De bootwerkers weigerden
1 op het schip te werken, wijl een onderkruiper de donkeyketel stookte. Het
[bestuur van Recht en Plicht hield de menschen van een stakingterug. Reeds komen er vele klachten over ruw, uittartend optreden der politie. Er was niets gebeurd
' in de eerste stakingsweek, dat een ander karakter gaf aan den strijd in Amsterdam dan aan dien in Rotterdam. Alleen was er veel grooter geneigdheid bij de Amsterdamsche havenwerkers om mee in het vuur te gaan. En desondanks van den aanvang af gewelddaden van de om haar optreden in stakingstijden beruchte Amsterdamsche politie. O.a. op 18 Juni werden posters gewond en na de boct-
1 werkers vergadering van 22 Juni had een hakpartij plaats. Met name in het transportbedrijf, dat immers een publiek karakter heeft, is een stakingsbeweging ondenkbaar zonder dat het optreden van de autoriteiten direct de verhoudingen verscherpt.
Op 22 Juni spraken de bootwerkers zich in een vergadering ten gunste van een staking uit en werd het bestuur gemachtigd de sympathiestaking af te kondigen. De zalen van het Paleis waren door duizenden havenwerkers gevuld. t „De koppige baas" der zeelieden was ook ,.de koppige baas" der havenarbeiders. Was niet in het Amsterdamsche havenbedrijf in het voorjaar van 1908 een arbeidscontract ingevoerd door de Vereeniging van Werkgevers, dat de „vrije" werkers tot slaven der veemkapitalisten maakte? Was niet op 13 April j.1 aan de havenkoningen verzocht om het uurloon van 25 op 30 cent te brengen; dienovereenkomstig ook het loon voor overwerk te verhoogen en een minimumloon vast te leggen van f ib.50 per week en was dat verzoek niet onbeantwoord gebleven omdat de Werkgeversorganisatie geen contact met de vakvereeniging wilde ? Moest niet de spanning, die de zeelieden-staking in de Amsterdamsche haven bracht, zich ook vertoonen bij de gehoonde werkers van de haven, die strijdlust en moed genoeg in zich voelden opleven om nu gezamentlijk de dwingelanden te treffen? In dit stadium bood zich de heer v. Deinse als middelaar tusschen patroons en arbeiders aan. De bedreiging met de havenstaking had aanvankelijk dezelfde uitwerking, als het besluit der Antwerpsche
843
organisatie ..Willen is kunnen". Op den 23Sten Juni had een onderhoud plaats met het bestuur van den Zeeliedenbond, waarin de heer v. Deinse verklaarde, dat de reeders aan den looneisch der zeelieden wilden voldoen, indien de bond het geschil tot een loonactie wilde beperken.
Hier was dus de mogelijkheid voor een beëindiging van het connict door een gedeeltelijke overwinning. Het bestuur van den A. N. Zeeliedenbond heeft deze beëindiging niet gewild. O! men kan achteraf een vernietigend vonnis vellen over deze houding — vooral als de doorzetting van den strijd tot een nederlaag voerde. Maar men kan daartegenover — zonder syndicalist te wezen i) - ziende het verloop van den strijd in Amsterdam, ziende de bereidwilligheid en de geestdrift der havenwerkers, volkomen verklaren, dat de gedane concessies niet voldoende werden geacht. De vorm, waarin uiting werd gegeven aan dit gevoel, is minder gelukkig geweest, geeft blijk van gebrek aan vermogen om onderhandelingen van deze soort te voeren, maar bijkomstig is deze vorm; hoofdzaak het feit, dat de Zeeliedenbond meende, door niet in te gaan op deze concessie, meer voor de arbeiders te bereiken. Waar het bestuur der zeelieden met de verklaring kwam: „Niet de looneisch is hoofdzaak maar de andere eischen (waaronder dus de bewegingsvrijheid voor de organisatie, een zaak bij de beëindi"in° van het Rotterdamsche conflict door de leiders terecht van groote beteekenis geacht), gij kunt van die andere eischen af door ons nog meer verI hooging te geven, "75
Hongarije • • 300 _
Totaal . . . 59225 "0950 61725
Meer en meer gaan de verschillende jeugd-orgamsaties aan een zeuae type beantwoorden, n.1. dit, dat zij zich bezighouden zoowel met ontwikkelingswerk a s met propaganda tegen het militairisme en ijveren voor arbeidswetgeving ten bate der jeugd. Met ontwikkelingswerk houden ze zich alle bezig. Met anti-mihtairisme alle. behalve de organisaties in Duitschland, Nederland, Oostenrijk en Roemenie. Met arbeidswetgeving bemoeien zich niet die in Bulgarije, Finland, Frankrijk, Engeland, Italië, Noorwegen, Zweden en Spanje.
Het Novembernummer van de INTERNATIONAL SOCIALIST REVIEW
brengt een artikel over... De handel in blanke slavinnen in Amerika: door Gusfavus Myers. Schrijver toont hoe de prostitutie ontstaat. Jaarlijks komen er in Amerika duizenden arbeiders om het leven door ongelukken bij hun werk. Zoo b.v. spoor- en mijnarbeiders. Andere duizenden sterven een langzamen dood door ziekten, opgedaan m vuile werkplaatsen en womngen Er worden statistieken van deze ongelukken aangelegd en hieraan wordt jaarlijks duizenden dollars besteed, maar geen cent wordt er uitgegeven ter voorkoming van die ongelukken. Al die duizenden arbeiders laten onverzorgde vrouwen en kinderen achter; en deze zijn het, die door broodsgebrek gedwongen, ten prooi vallen aan de prostitutie. Nooit nog is het gebeurd dat eene rijke vrouw vrijwillige prostituée werd, zoodat de oorzaak toch met gezoet kan worden in verdorvenheid, maar wel in de ellendige maatschappelijke toestanden.
Er worden congressen tot bestrijding der prostitutie gehouden, maar men ziet niet in, dat zij een natuurlijk uitvloeisel is van het kapitalisme en slechts met het kapitalisme kan verdwijnen. Vreemd is het dal men nog onderscheid ziet tusschen de zg. blanke slavin en de gewone prostituée Alsof niet beid n slavinnen waren 1 Beiden worden gedwongen door broodsgebrek. De handel in blanke slavinnen is slechts een onderdeel van een systeem, dat in de prostitutie
Bedrijfs- en Groote Vakbonden
DOOR
J. W. VAN ACHTERBERGH.
De ontwikkeling van de patroons organisatie is in ons land een zeer snelle. Het jongste „Overzicht van de in Nederland bestaande patroonsvereenigingen" vermeldt een vooruitgang van 343 op 581, van dergelijke vereenigingen in 2 jaar tijds, dat is bijna een verdubbeling in dat korte tijdsbestek. En niet alleen in aantal vindt vooruitgang plaats, ook inwendig ondergaan de patroons-vereenigingen belangrijke wijzigingen. Voorzoover niet bij den aanvang reeds als strijdorganisaties tegen de arbeiders bedoeld, vervormen zij zich steeds meer in deze richting. De Aannemersbond b.v. is hiervan een kenschetsend voorbeeld.
Een bijeenkomst van vakaannemers, die dezer dagen gehouden wordt, zal spoedig blijken mede ten doel te hebben het verzet tegen de eischen der arbeiders te organiseeren. Patroons-bestuurdersbonden of algemeene patroons-vereenigingen, die zich vroeger buiten den strijd met de arbeiders hielden, veranderen geheel van houding, en oorspronkelijk federatieve bonden zetten zich om in streng gecentraliseerde
organisaties. De algemeene Nederlandsche bond van mineraalwater-
...
fabrikanten en bierhandelaren levert hiervan in den jongsten tijd een voorbeeld.
De patroons-organisatie biedt dus den aanblik van snelle uitbreiding en wordt meer en meer tot een instrument, geschikt om met de grootst mogelijke kracht tegen de arbeiders op te kunnen treden. Dit feit noopt ons tot zelfonderzoek.
Wij hebben ons de vraag voor te leggen, of we er onze organisaties wel voldoende op ingericht hebben, om de patroons organisatie te kunnen weerstaan. Want wij hier staan betrekkelijk eerder tegenover een sterke patroonsmacht, dan in het buitenland het geval is geweest.
Daar kwamen de patroons-organisaties vrij algemeen pas, nadat de vakbonden reeds een positie veroverd hadden. Hiér, stond bij de wieg van de meerderheid onzer vakbonden reeds de patroons-organisatie
294
klaar, om het pasgeboren wicht met kracht en macht in het gebruik van zijn ontluikende krachten te belemmeren.
Dat hierin een grond ligt, om systematischer dan in het buitenland noodig was, by het vormen en bevorderen der vakbeweging te werk te gaan, ligt voor de hand. ë
verTVedaan W°rden °m °DZe P°Sitie teSenover ^ patroons te ver terken mag op straffe van meer dan strikt noodig is, nederlagen te hjden, niet worden nagelaten. «wgen
Dat de toestand vrij ernstig is voor de vakbeweging, leert ons bv een kijkje m de organisatie van patroons en arbeiders in de bouwbedrijven. **wuw
Terwijl er op iedere patroon ruim drie arbeiders voorkomen, zijn er op iedere georganiseerde patroon, nog geen twee georganiseerde arbeiders, gelijk de volgende cijfers aantoonen.
Tegenover 33,180 patroons en „0,192 arbeiders, bij de volkstelling
ZLT'sZT " °P 1 JanUari I9'° tCgenOVer ^ ^organiseerde patroons, slechts 10,300 vereenigde arbeiders. Er waren dus 17 09 pCt
van de patroons vereenigd, tegenover 9,34 pCt. van de arbeiders Op
het oogenblik dus dat de bouwvakarbeiders-vakvereenigingen hier, geacht
vaTtT Zt eh we;elijk hun taak'ais zoodanig-te k™ ^ -
vatten staat hun tegenstander, reeds sterker dan zij zelve is, tegenover haar. J ' Ll-scu
In meerdere of mindere mate is dat ook bij andere bedrijven het geval De vakbeweging is daardoor genoodzaakt, van de strijdmethode die in de aatste jaren de gunstigste resultaten heeft opgeleverd _ nl de partieele stakingen bij ongeorganiseerde patroons 1 vrijwel afstand
Weliswaar hebben de voorgangsters der nu bestaande vakbondende anarch.stische federaties en plaatselijke vakvereenigingen - deze
Snd md ëTT e\hebben ziJ'door het aanva»k^k
van den l ? ^ 00 dkekte aktie zelfs tot «"* ideaal
van den vakvereemgingstr.jd verheven; maar de gebrekkige organisatievorm Was een beletsel om de blijvende vruchten van veel beZtll
vea„ uit1 r' rrrijne verkrrde opvattingen een —"
biddenkJIT : " federatieVe ^^ormcn, tot de onver b.ddelijk noodzakelijke gecentraliseerde vakbonden onmogelijk of eerst veel te laat mogelijk maakten. 8 J ' St
De patroons hebben intusschen niet stil gezeten; wakker o-emaakt door de partieele stakingen, hebben ze zich, ondanks de aanva^hjt moeilijkheden die de konkurentie hun in den weg ,ag, den tijd dien de
295
arbeiders noodig hadden om den juisten weg te vinden, ten nutte gemaakt om op de strijdorganisaties der arbeiders een voorsprong te krijgen.
Dat plaatst ons intusschen voor het feit, dat wij met zevenmijls laarzen over het tijdperk waarin de voor de organisaties en de leden succes belovende methode der partieele staking bruikbaar en gewenscht is, heen moeten stappen.
Dat kan evenwel niet zonder invloed blijven op den organisatievorm, en we dienen er ons rekenschap van te geven, welke wijzigingen we daarin hebben aan te brengen, om niet blijvend bij de patroonsorganisatie ten achter te geraken.
Wanneer we de vakbeweging zooals die in het N. V. V. georganiseerd is oplettend beschouwen, zien we dat ten opzichte van de samenstelling der verschillende bonden nog zeer groote verscheidenheid heerscht.
Vakken welke m. i. niet bij elkaar hooren vindt men in één bond vereenigd en vakken welke geheel op elkaar aangewezen zijn, staan nog als zelfstandige bonden naast elkaar.
Is dat uit de histoirie onzer vakbeweging volkomen begrijpelijk, goed is het daarom nog niet.
De vakvereenigingen moeten, zooals wij boven aantoonden, alles in het werk stellen om spoedig zoo sterk mogelijk in den klassenstrijd te komen staan, en daartoe lijkt mij de huidige samenstelling van een deel onzer vakbonden niet de juiste te zijn.
Dezer dagen b. v. konden we bij een klein stakinkje — aan de Coöperatieve keuken te Amsterdam — konstateeren, dat niet minder dan drie besturen van verschillende „moderne" vakorganisaties noodig waren om het geschil ten einde te brengen en voor korten tijd was iets dergelijks 't geval bij een eveneens klein stakinkje aan de stoomtimmerfabriek van Van Houtum te Hilversum.
Dat wijst op een onhoudbaren toestand. Stel je voor dat niet alleen de „modernen" maar ook leden der anarchistische, interconfessioneele, katholieke en vrijzinnig demokratische organisaties daar in dezelfde verhouding bij betrokken waren geweest, dan waren niet minder dan 15 besturen noodig geweest om een dergelijk aktietje tot oplossing te brengen 1
Zoo dwaas zal het nu misschien wel nooit worden, maar dat een dergelijke toestand, zij het dan ook in minder erge mate in de toekomst herhaalde malen voor zal kunnen komen, wordt door een korten blik op de samenstelling van het moderne bedrijf duidelijk.
Nemen we b.v. de steenfabriekage — en dit is volstrekt niet het sterkste voorbeeld.
296
Men vindt daar behalve het opzichtpersoneel, ten eerste de eigenlijke steenmakers. JM vak alleen wordt reeds onderscheiden i„ f Ï
ttn;2W:t:chLk°dSekWente d00rV°ering be-Ps-organisatie ahee r 'eeds 22 verschillende organisaties noodig zouden maken.
Daaraan denkt in Holland gelukkig niemand, het zou ook het malle uL L8 1° Z,J?; maar b£halVe dCZe Sü0rt arbeid^ vindt men op
Tl^TZeZr1^"' maChiniSteD' Smede"' ^.nerlieden metselaars, opperlieden, schippers en stalknechts
Van bijna al deze beroepen bestaan aparte bonden, en vol^ns de ' 1 de stoker, voerman, machinist smiH
echÏ 'drie?" T hT^ ****** ^ de °^anisatie »P**t echter ieder wel zonder het precies uit te rekenen in het oog
En met alleen het dwaze valt dadelijk op, maar ook het schadelijke ondoelmatige en gevaarlijke. scnadelijke,
'«eel^t^^Jlr bCStUUrsk0ste^ ondoelmatig omdat slechts zeer langzaam gewerkt kan worden, gevaarlijk, omdat niet altiid or> het juiste oogenblik gehandeld worden kan J P
Om daaraan te ontkomen, moet de vakbeweging volledie breken met het systeem van W^-organisatie g "
de0^^^^!1^ m0Ct 06 tornen of liever:
de bestaande bonden moeten, voorzoover zij dit niet reeds vroeger deden, in dezen geest vervormd worden S
dafis neteherS , bCdrijf W6rkZaam' beh°°ren in éé» organisatie dat het beginsel, waaraan strikt de hand gehouden moet worden
Aan het systeem van bedrijfs-organisatie is de toekomst; de L-
wikkeling der patroons-organisatie maakt ze tot een gebiedenden dS
en het is daaruit te verklaren, dat in Duitschland de samensmelt^
van meerdere beroepsbonden tot één bednjfsbond steeds uZre
i:tzzn 0ok in 0ostenrijk wordt hier°p k-b% -n
Wij Nederlandsche vakvereenigingsmannen, hebben den prikkel der patroons-organisatie nog slechts zeer weinig aan den lijve gevoeld: en alhoewel daaruit is te begrijpen, dat het verlangen om tot het . hee e bednj omvattende bonden te komen, nog niet ^terk ontwikkeld !s mag mt het nog ontbreken van dien prikkel toch in geen geval afgeleid
- "ofwel Aan den aanvang van dit artikel toch wezen we er reeds op, dat
3°7
merkje geeft in percentelijke cijfers om, dan zien wij dat in verhouding van het uitbreidingskapitaal door de maatschappijen zelve opgebracht, het geleende kapitaal bedroeg in
Groep A 4° pCt.
„ B 14,3
„ C 90 „
„ D 86 „
Hetzelfde verschijnsel doet zich ook wederom voor, als wij zien hoeveel der uitgegeven aandeelen uit eigen middelen worden geplaatst en hoeveel door emissie.
In de verschillende groepen bedraagt het percentelijk cijfer van het door emissie verkregen kapitaal van het totaal kapitaal in groep A . . • 36,6 pCt. „ „ B ... 35 „ „ C . • . 4L7 .. D ... 60
In de destillatieindustrie is het door emissie verkregen kapitaal reeds daarom zoo hoog, — reeds relatief hooger dan in groep C wijl het combineeringsproces in deze industrie zoo snel doordringt. Daarmee gaat natuurlijk tevens wederom een sterker doordringen van het overheerschen der grootbanken.
Het sterkst en best komt dit doordringen van den invloed van het grootbanken-kapitaal aan het licht, als wij — verkort — de tabellen hier weergeven, die Grabower op bl. 157 en 158 van zijn werkje geeft.
Onbekend of een Geen bank Klein- of middenTotaal bankier tot de was onder de bank behoorde Groot-bank behoorde bedrijven opricht, behoorde. oprichters. tot de opriehters. tot de oprichters. Groep A 50 . . 23 14 i° 3 „ B 34 . . 14 7 10 3 „ C 13 . . 8 2 2 1 „ D 12 . . 2 5 4 1
En op 1 Januari 1907 waren over
Onbekend of de zaak
met een bank Klein- of
in verbinding is. Geen bank. middenbank. (grootbank.
Groep A 27 . . 8 7 12 4
„ B 18 . . 1 1 8 8
„ C 7 • • 1 — 2 4
„Dn.. 1 — v 3 5
Bij groep A zien wij dus de maatschappijen die met geen bank in betrekking stonden sterk verminderen, de invloed der middenbanken toenemen en eveneens die der grootbanken. Bij groep B C en D nam ook tevens de invloed der grootbank sterk toe, bij groep C en D zooals te verwachten was het sterkst.
308
De overige Chemische bedrijfstakken verdeelt Grabower wederom in 4 groepen.
E. Gummiindustrie.
F. Springstoffenindustrie.
G. Industrie van minerale verfstoffen.
H. Preparatenindustrie.
De kapitalen die voor deze industrieën noodig zijn, zijn betrekkelijk gering, vergeleken met die groepen C en D. Toch dringt ook hier de invloed van het bankkapitaal, ja zelfs die van het grootbankkapitaal sterk door.
Om niet te uitgebreid te worden zullen wij niet al het hierboven over de groepen A, B, C en D gezegde ook voor deze groepen herhalen. Enkel zullen wij de tabellen over de bankcatagoriën wederom weergeven.
Onbekend of er Geen bank Totaal een bank onder de onder de Een Een Een
bedrijven, oprichters was. oprichters. klein-bank. midden-bank. groot-bank.
E 35 12 n 7 j 5
E 29 7 13 5 i 3
G32 8 12 10 — 2
H4a 5 11 14 3 9
En op 1 Januari 1908 waren er
Onbekend of de Met geen Totaal zaak met een bank baak in Met Met Met
bedrijven, in connectie staat, connectie. klein-bank. midden-bank. groot-bank.
E 35 — 1 8 3 23
F 29 3 4 5 1 16
G32 q 2 9 3 Q
H42 3 3 6 4 26
Maar nog duidelijker dan al deze gegevens van Grabower spreken deze feiten voor de beheersching der Chemische industrie, dat de twee industrieën, waarvan de Chemische industrie ten zeerste afhankelijk is, de kaliproductie en steenkolenproductie volkomen door het bankkapitaal worden beheerscht.
Wat de steenkolenproductie betreft, waarvan de bovengenoemde groepen C en D volkomen afhankelijk zijn, daarvan zal zoo dadelijk de verhouding tot het bankkapitaal nog worden uiteengezet.
Over de kaliproductie dit. De Berliner „Handelsgesellschaft" beheerscht de kaliwerken in Sarstedt, die spoedig de kaliwerken in Friederichshall in zich zullen opnemen.
De Duitsche Bank beheerscht de A G Königsborn, A. G. für Salinen und Sodabetrieb, eveneens volgens haar laatste jaarverslag, over 1910, de „Deutsche Kaliwerke", die nog in den laatsten tijd (Vorwarts 22. Maart 1911) acht andere kaliwerken in zich opnamen! De Discontogesellschaft beheerscht de kaliwerken in Asschersleben. En in den
3»9
laatsten tijd zijn er door de grootbanken voor niet minder dan 200 millioen mark aan aandeelen in kalimijnen geplaatst. (Vorwarts).
Zoo zien wij dus, dat de Chemische industrie reeds door de Berlijnsche grootbanken beheerscht wordt, terwijl het concentratieproces in de industrie deze heerschappij der grootbankgroepen steeds vollediger maken zal.
Dat voor de montaanindustrie het bankkapitaal oppermachtig is, is overbekend. Hoe kan het ook anders, waar zulke reuzensommen noodig zijn om een modern „gemengd bedrijf" in de montaanindustrie te exploiteeren. Heyman berekent in zijn reeds meermalen bovenaangehaald werk het benoodigde kapitaal op 5 5 millioen mark! Dergelijke sommen kunnen niet door accumulatie uit de eigen meerwaarde worden verkregen, daar dient het bankkapitaal voor in te grijpen. En deze sommen zullen wederom aanmerkelijk verhoogd worden, doordat de electriciteit de montaanindustrie totaal gerevolutioneerd heeft.
Vermindering van het aantal bedrijven, ontzaggelijke toename hunner productiviteit, was het allereerste gevolg der bedrijfsuitbreiding.
Heymann geeft op bl. 229 de volgende statistiek voor de Duitsche IJzerindustrie. Voor de productie van ijzererts
1848 . . 1974 bedrijven . . 351 ton (prestatie per bedrijf in tonnen).
1880 . . 839 „ • • 8,267 n
1900 . . 575 „ • • 32,905 ,.
Voor de productie van ruwijzer
1869 . . 203 bedrijven . . 6,943 ton (prestatie per bedrijf), 1880 . . 140 „ . . 19,493 „ 1900 . . 108 „ . . 78,895 ,,
Het combinatie-verschijnsel ontwikkelde zich zeer snel in de Duitsche montaanindustrie en daarmee de afhankelijkheid van de grootbanken. Deze beheerschen op het oogenblik nagenoeg geheel de LotharingenLuxemburgsche montaan-industrie en die van Rheinisch-Westphalen, de twee voornaamste centra van Duitschland. Reuzensommen worden door de banken bijeengebracht om deze bedrijven tot de grootst mogelijke ontwikkeling te brengen. Zoo hebben de Schaff hausensche bank, de Dresdener bank, de Discontogesellschaft en de Deutsche bank gemeenschappelijk het kapitaal van de Gelsenkirchener Bergwerksgesellschaft in April 1909 van 26 millioen Mark op 156 millioen Mark, en het obligatiekapitaal van 20 millioen Mark op 70 millioen Mark verhoogd. Dit geschiedde om staal- en walswerken aan dit bedrijf te verbinden, en aldus de mijnen in Lotharingen-Luxemburg zoo goed en goedkoop mogelijk te kunnen exploiteeren. Tevens is daarmee door deze banken bedoeld de beslissende slag tegen den laatsten onaf hankelijken groot-
3io
producent in de montaan-industrie, Aug. Thijssen te leveren en ook dezen onder de hegemonie der Berlijnsche grootbanken te brengen. „Zoo zal dan deze strijd om de macht hoofdzakelijk in het LotharingschLuxemburgsch gebied worden gevoerd." (Riessen, bl. 565).
Het einde zal natuurlijk de versterking van de macht der Berlijnsche grootbanken zijn. Over dit proces kon immers Heymann reeds in 1904 schrijven: „Steeds meer bedrijven derzelfde of van verschillende soort worden tot enkele reuzenondernemingen, die in een half dozijn Berlijnsche grootbanken hun steun en leiders vinden." (Bl. 279).
En nu ten slotte nog iets over de ontwikkeling in de electrotechnische industrie, de jongste, doch reeds voornaamste onder hare zusters. In haar heerscht het bankkapitaal het meest onbeperkt.
In het jaar 1900 hadden de 27 afzonderlijke maatschappijen zich reeds in 7 groepen bijeengevoegd n.1. de Siemens & Halske groep, de A. E. G. groep, de Schuckert groep, de U. E. G. groep, de Heliosgroup, de Lahmeyer groep, en de Kummer groep. 1)
In de crisis van 1900 ging de Kummer groep te niet en ging de Heliosgroep naar de Siemens & Halskegroep over. In 1904 kwam eene geheele fusie tusschen A. E. G. en U. E. G. tot stand en een gedeeltelijke fusie tusschen de Siemens & Halske groep en de Schuckertgroep.
In het eind van het jaar 1908 stichtten de Siemens & Halske groep en A. E. IJ. groep te zamen de Electro Treuchand Gesellschaft, waarin alle Berlijnsche grootbanken vereenigd zijn. Het centralisatieproces in de electrotechnische industrie is, onder leiding der 4 groote bankgroepen nagenoeg geheel voltrokken.
Zoo hebben wij dan voor de in het maatschappelijk leven doorslaggevende bedrijven gezien, wat Heymann in het jaar 1904 voor de montaanindustrie getuigde, dat door de overheersching van het bankwezen en daarmee samengaande centralisatie „de leer van Marx juist gebleken is. De industrie is rijp voor expropriatie." (Heymann bl. 279).
1) Voor dit en het volgende Riesser bl. 543 enz.
3T4
zich er wel aan schuldig hebben gemaakt. Somtijds zijn in een zakelijken strijd met tegenstanders uitdrukkingen gebruikt, die hoe men ze ook beschouwt, niet door den beugel konden. Dit is eveneens het geval geweest, zeer ten nadeele van de socialistische beweging (het respect voor „den goeden toon" is veel belangrijker dan vaak gemeend wordt) bij polemieken tusschen sociaal-demokraten onderling. Alleen over deze laatste gevallen, uit een ethisch oogpunt verreweg de belangrijkste, loopt het volgende.
Untermann's verklaring der kwestie is nu de volgende: degenen, die er zich aan schuldig maken, beheerschen de philosophie van het socialisme niet. Het gebruiken van felle, persoonlijke uitdrukkingen zou dus een denkfout zijn, die slechts door philosophische scholing te corrigeeren valt!
Ik behoef na het voorafgaande nauwelijks te zeggen, dat ik met de verwerping van deze opvatting door Mevr. R. H. volkomen accoord ga. Untermann's bewering berust niet op waarneming doch op fantasie. Ware zijn veronderstelling juist, dan zou er een streng parallelisme moeten zijn tusschen den graad van intellektueele vermogens en de gematigdheid van oordeel en uitdrukkingswijze. De ervaring van iederen dag bij ieder mensch met een behoorlijk opmerkingsvermogen leert anders; er zijn talrijke menschen met uitnemende intellektueele vermogens, die zelfs bij een zeer geringe aanleiding grof en persoonlijk worden, er zijn nog veel meer menschen met een gewoon verstand, die zich weten te beheerschen en zich van felle reacties onthouden. Al is het verstand ten deze niet zonder eenige beteekenis, toch moet er dus een factor zijn die een veel belangrijker rol speelt. Deze factor is, zooals Mevr. R. H. uiteenzet, het gevoel. De psychologische fout van Untermann is, dat hij niet begrijpt dat het gevoel primair, het verstand secundair is.
Door het gevoel ten deze als de belangrijkste factor te beschouwen, is men nog slechts aan het begin der verklaring: verdere classificaties moeten gemaakt worden. Partijgenoote R. H. onderscheidt nu twee groote groepen: de strijdbare en de niet-strijdbare naturen.
Over deze laatste groep eerst eenige opmerkingen. De niet-strijdbare naturen zijn over het algemeen de menschen met zwakke hartstochten, zooals Mevr. R. H. uiteenzet. Komt daarbij een sterk verstand, dan heeft men de z.g. philosophische naturen, die du haut de leur grandeur het strijdgewoel der menschen bezien en beoordeelen, er niet aan deelnemen en dus in hunne uitingen volstrekt onpersoonlijk zijn. Aldus
óp één lijn te plaatsen. Kautsky is in zijn polemiek gewoonlijk scherp en streng zonder echter daarbij de geoorloofde grenzen te overschrijden, behalve misschien voor hem die bij zijn lektuur alleen van liflafjes houdt en alles wat op de tong bijt uit den booze acht. Alleen een zijner laatste polemieken met Bernstein (B's antwoord trouwens niet minder) deed zeer pijnlijk aan.
315
aangelegden zijn in het algemeen reeds zeldzaam (volgens mijne meening nog veel zeldzamer dan vaak wordt aangegeven, daar onder de philosophische naturen ook „beheerschte" personen begrepen worden, die volstrekt niet apathisch zijn), doch onder de sociaal-demokraten bijna niet voorkomen. Wij kunnen dus deze groep verder buiten beschouwing laten, en ons alleen bekommeren om personen met krachtige gevoelens, en wel om de kategorie der, zooals men ze kan noemen, „strijdbare" naturen.
Volgens Mevr. R. H. verklaart nu in laatste instantie deze aanleg — in verband natuurlijk met de omstandigheden — waarom door sociaal-demokraten bij hunne onderlinge geschillen somtijds tegen „den goeden toon" gezondigd wordt. Bij deze naturen verwekt het kapitalisme door al de ellende die het over de menschen brengt hevige gevoelens van afkeer en haat. ,,En wanneer de strijdenden onderling... tot verschillend taktisch inzicht gebracht, hun wil op afwijkende doelpunten richten — dan kan het ook niet anders, dan dat de eenen in de anderen de kracht zien, die hen dwarsboomt in 't bereiken van het door hen gewilde doel — het begrip der algemeene partij-solidariteit treedt op den achtergrond, het gevoel der kameraadschap wordt overschaduwd door andere gevoelens, en wederom doen vaak haat woede en toorn oordeelen vellen, die voor het licht der onpartijdige rede niet kunnen bestaan." (p. 820).
Tegen de stelling dat iedere strijd, ook iedere collectief-strijd, per se gevoelens van haat bij zijn deelnemers wekt, die bij de geringste aanleiding zich tegen eigen medestanders kunnen richten, moet ik met nadruk opkomen: zij is niet juist. Reeds jaren geleden is zij op ethnologisch gebied door Spencer uitgesproken, doch heeft in de feiten geen bevestiging gevonden. Nemen wij bijv. een volk, op een der laagste trappen van ontwikkeling, door machtige natuurinvloeden voortdurend bedreigd, en tot ononderbroken strijd daartegen gedwongen, de Groenlanders. Van hen zegt een der beste kenners Fr. Nansen het volgende: „De Groenlander is van alle menschen, die Onze Lieve Heer geschapen heeft, de zedelijkste. Goedmoedigheid, vredelievendheid en verdraagzaamheid zijn de hoofdtrekken van zijn karakter. Hij wil gaarne met al zijne medemenschen op den besten voet staan en denkt er daarom niet aan, ze te kwetsen, laat staan ze grofheden te zeggen. Hij spreekt niet gaarne tegen, zelfs wanneer iemand hem iets vertelt, waarvan hij weet, dat het anders is. Iedere tegenwerping kleedt hij in den zachtsten vorm, en het zou hem zeer moeielijk vallen, aan een ander zonder omwegen een onwaarheid te toonen. Hij zegt anderen ook niet gaarne waarheden, die naar zijn meening onaangenaam kunnen aandoen. In zoo'n geval bedient hij zich liever van vage uitdrukkingen, ook wanneer het zoo onverschillige dingen als wind en weer betreft." (Eskimoleben,
3i6
p. 84). In parenthese opgemerkt: wanneer men nu dit gedrag van hoogst onontwikkelde menschen, die zelfs niet het bestaan van wetenschap kennen, vergelijkt met dat van philosophen, die om zoo te zeggen met de dialektiek opstaan en naar bed gaan en desniettegenstaande een ieder, die de vrijheid neemt met hen van meening te verschillen, met grofheden overladen, en men denkt aan Untermann's verklaring, heeft men moeite zijn lachen te weerhouden.
De aanhaling uit Nansen's werk bewijst dat de ruwe strijd tegen de vijandige natuur de eigenschap in kwestie niet wakker roept. Nemen wij nu andere volken, die niet alleen de natuur bestrijden maar vooral elkander beoorlogen: de jagersvolken, die Noord-Amerika bewoonden, toen de Europeanen zich daar begonnen te vestigen. Deze Volken zijn zóó krijgslustig, dat de meest strijdbare sociaal-demokraat er nog een vredesengel bij gelijkt. Van de eigenschappen, die men op grond van de stelling van Spencer zou moeten verwachten, treft men bij hen niets aan. Zooals de kenners van deze volken steeds doen blijken, munten zij in hun optreden jegens stamgenooten en bevriende vreemdelingen uit door waardigheid, zelfbeheersching, beleefdheid, respect voor anderer meening en hulpvaardigheid.
Stappen wij van het gebied der ethnologie af en vestigen wij de aandacht op den tegenwoordigen tijd, dan blijken de feiten evenmin deze opinie te bevestigen. Tallooze in het oog vallende persoonlijkheden zijn te noemen, die ondanks een leven vol strijd, zich toch van alle grofheden of felheden hebben weten te onthouden, het karakter van hun tegenstanders, wanneer daar geen speciale aanleiding voor was, onaangetast hebben gelaten en daarom, ook bij hunne eerlijke vijanden, geacht waren en toch niet minder gevreesd. Om slechts één naam te noemen: Emile Zola. Strijder bij uitnemendheid, en dat nog wel op eigen vuist, heeft hij steeds den kamp op hoog niveau, met breed gebaar en met vermijding van persoonlijke aanvallen gevoerd. Voor de sociaal-demokratie geldt dit evenzeer. Ook daar vele mannen, die altijd in het eerste gelid hebben gestaan, de meeste en felste slagen opvangend en toebrengend, en die toch door tegenstanders gerespecteerd, en in eigen rijen, ondanks alle meeningsverschillen, door een ieder van welke richting hij ook zij, geëerd en geliefd zijn. Ik noem enkele namen, die mij toevallig voor den geest komen: Bebel en Jaurès, Adler en Vandervelde.
Strijd voert dus niet per se tot zondigen tegen „den goeden toon", zelfs niet steeds waar hij op eigen vuist, en nog veel minder waar hij collectief gevoerd wordt. Over de verklaring hiervan eerst eenige psychologische, dan eenige sociologische opmerkingen.
Zooals wij zagen onderscheidt Mevr R. H. in haar artikel twee groepen van personen: niet-strijdbare en strijdbare naturen. Deze laatste
317
groep nu, waarover uitsluitend hier gehandeld wordt, is m. i. zeer heterogeen, en mag niet als een éénheid beschouwd worden.
Wanneer men in de psychologie de menschen beschouwt, die gedurende hun geheele leven hard werken, maakt men deze onderscheiding: i°. degenen, die hard werken, omdat zij van het arbeiden als zoodanig houden, onafhankelijk van het doel waarvoor zij arbeiden ; dit zijn de actieven in engeren zin; 2°. degenen, die hard werken, niet om deszelfs wil, doch omdat krachtige motieven, van welken aard dan ook hen drijven. In de praktijk gelijken beide groepen somtijds op elkander, in theorie behooren ze steeds streng gescheiden te blijven.
Op het gebied der „strijdnatuur" hebben wij een analoog geval. In de eerste plaats treffen wij daar aan hen, die het vechten om het vechten zelf beoefenen, zonder door een bepaald motief in eenigzins belangrijke mate gedreven te worden: de ,,strijdnaturen" in engeren zin. Inderdaad zijn dit degenen, die bij het eerste het beste meeningsverschil met iemand uit de rijen, waarbij zij zich geschaard hebben, er op los slaan of zij met een doodsvijand te doen hebben. Voor een partij of een richting, waartoe zij behooren, zijn zij, ondanks hun strijdvaardigheid, van twijfelachtige waarde: het zijn niet de beste soldaten, die bij een geringe aanleiding de wapenen tegen eigen makkers richten. Mij werd eens een partijleider — hetzij dan ook van een kleine partij — door een zijner eigen commilitonen geprezen omdat hij een soort van bulldognatuur had : hij vloog, zoo zei men, iedereen bij de geringste theoretische of praktische afwijkingen van de norm, naar de kuiten — de imaginaire, gelukkig; of deze eigenschap de partij in kwestie van voordeel zal zijn, is te betwijfelen. Het valt niet te ontkennen dat ook onder de sociaal-demokraten zich personen met een dergelijken aanleg bevinden, maar talrijk zijn zij zeker niet. Wel vindt men hen in grooter getale onder de anarchisten, maar het allermeest en het allerliefst vechten zij tegen iedereen en alles, buiten eenig, zij het ook nog zoo zwak partijverband. Hun meest in het oog vallende karaktereigenschap is een uitgesproken individualisme. Wanneer zij zich niet bij de sociaaldemokratie aansluiten, zoo geschiedt dit uit een richtig instinct: zij zijn de menschen, die zich in een socialistische maatschappij wel het minst gelukkig zullen voelen.
Wij komen nu aan de tweede kategorie, nl. degenen die den strijd als zoodanig niet liefhebben, hem slechts aanvaarden daar hij, gegeven bepaalde omstandigheden, beslist noodzakelijk is. Het zijn de menschen, die alleen door krachtige motieven gedreven, tot strijd komen. Deze motieven kunnen van allerlei soort zijn, o. a. zijn die van persoonlijken aard als eerzucht niet uitgesloten, doch de groote meerderheid vormen zij, die door een algemeen motief, door rechtvaardigheidsgevoel of welk ander krachtig sociaal sentiment gedreven worden. Zij zijn strijd-
20
584
rekening op grond van onze cijfers f 8.222.400 zijn of voor de 1500 buizen, die hij voor 1610 opgeeft, \o\ millioen." Men ziet, dat dit toch nog altijd slechts de helft zou zijn van de ook door Beaujon betwijfelde 21 j millioen.
Blijken dus ook hier weer de cijfers van den buitenlandschen tijdgenoot machtig overdreven, een feit is het, dat de haringvaart voor de jonge Republiek een van de gewichtigste en, wat ook veel zegt, zekerst vloeiende bronnen van welvaart was. Nu wij den juisten omvang van dezen hartader van Holland's commercie beter kennen door Dr. van Gelder's gegevens, blijkt de beteekenis ervan niet minder. Want ook in de geschiedenis is de waarheid steeds leerzamer dan legenden.
Over een geheel ander onderwerp, maar dat voor het begrip van het groote keerpunt in de geschiedenis der Nederlandsche gewesten, de i6e eeuw en de Hervorming, zeker gewichtiger is dan zelfs een vermeerdering van gegevens omtrent het kapitalisme in zijn eerste opkomst, handelt een andere bijdrage in dezelfde uitgave van het Historisch Genootschap. Wij meenen de mededeelingen over den dijkaflaat van Karei V in 1515—'18 door Dr. G. Brom. Voorzeker hebben wij in deze bijdrage niet het eerste voorbeeld van een aan de acten zelf ontleende nauwkeurige beschrijving van een dier „aflaten", waardoor de grootste geldmacht van de latere middeleeuwen, n.1. de Pauselijke Stoel, heel de Christenheid aan zich schatplichtig wist te maken, maar elke nieuwe documentaire bijdrage tot die zoo gewichtige oorzaak der Hervorming is uiterst welkom.
Bij eene vorige gelegenheid, bij de bespreking van Dr. van Gelder's onderzoek omtrent de vermogensverhoudingen in het stadje Alkmaar in den aanvang der i6e eeuw, hebben wij gewezen op het enorme historische belang van de plundering der steden door het centrale Brusselsche gezag dier dagen. Wij hebben in die plundering, welk bedrag bv. voor Alkmaar nu kan worden gemeten, een van de grootste oorzaken van den opstand tegen het centrale gezag en dus van het ontstaan dei Republiek te zien, omdat zij bij de klasse der opkomende kleine burgerij vooral de schatvorming en de eerste kapitaalsaccumulatie zoodanig hinderde, dat die klasse er een levensbelang hij had deze uitzuigerij ten bate van een vorstelijk absolutisme, dat haar geen diensten bewees, doch dat die gelden verbruikte voor wereldpolitieke doeleinden, te doen ophouden.
Op andere wijze nu hebben wij in de aderlatingen ook van deze gewesten door het centrale kerkelijke gezag, den Roomschen Stoel, ten bate van de wereldpolitiek en de weelde der Italiaansche beheerschers
585
der Kerk, mede ongetwijfeld een van de omstandigheden waardoor de Hervorming zooal niet veroorzaakt is, dan toch de bodem voor het anti-papisme bereid werd, dat aanwezig moest zijn, wilde de Hervormde leer, die een andere moraal, een andere levensopvatting, een andere wereldbeschouwing was, ingang vinden. Wij weten, dat de aflaat-prediking een der aanleidingen is geweest, die de hervormingsbeweging in Duitschland den weg hebben gebaand, meer niet, maar ook niet minder. Welnu: waar overeenkomstige verschijnselen zich hier voordeden, hebben deze ongetwijfeld ook hun uitwerking op de Hollandsche bevolkingen niet gemist.
Wat was een „aflaat"? Ook in het hier gepubliceerde document wordt de beteekenis van deze bizondere door de Kerk ingestelde o-elegenheid om vergeving van zonden te verwerven natuurlijk weer aangegeven. De aflaat wordt in de eerste plaats verkrijgbaar gesteld voor een bepaald land, in ons geval voor Vlaanderen, Holland, Zeeland, Friesland en andere Nederlandsche, aan aartshertog Karei onderhoorige gewesten, en wel voor alle geloovigen, daar woonachtig of daar tijdelijk aanwezig. Om den aflaat te verdienen, moeten zij meerdere kerken, of, als er op dezelfde plaats slechts ééne kerk is, meerdere altaren vroom bezoeken, welke door den commissaris (voor den aflaat) of diens gedelegeerden, hiertoe zijn aangewezen en moeten zij in de bestemde offerbussen een geldelijke bijdrage storten. Dan verdienen zij een vollen aflaat van al hun zonden, die zij van harte verfoeid en mondeling gebiecht zullen hebben, namelijk denzelfden aflaat, die bij een Jubilé aan het bezoek der zeven kerken van Rome is verbonden en die aan kruisvaarders pleegt te worden toegestaan. Deze volle aflaat is „per modum suffragii" ook toepasselijk op de zielen in het vagevuur, aan wie hij door de geloovigen, die aan de voorwaarden hebben voldaan, wordt toegewend. Ook worden zij, die voor dit goede doel bijdragen, alsook hunne overleden bloedverwanten en weldoeners, deelachtig aan alle goede en godvruchtige werken der geheele strijdende Kerk. Zoo vat Dr. Brom de beteekenis ervan samen.
Men ziet: de aflaat was een middel der Kerk om inplaats van de betrekkelijk schaarsch vloeiende bron der gelden, die haar bijna de geheele middeneeuwen door toevloeiden uit bedevaarten naar Rome, de bizondere genademiddelen, waarover zij beschikte, gedurende een zekere tijd als 't ware algemeen in een land zelf tegen betaling beschikbaar te stellen, „ten nutte" van het geheele volk en met de verwachting, dat door deze democratiseering de opbrengst zooveel hooger zou zijn.
Wat nu den bizonderen aflaat betreft, dien Dr. Brom behandelt, de dijk-aflaat, hij werd nog in 't zelfde jaar, dat de jonge hertog in deze gewesten gehuldigd werd op verzoek van Karel's regeering uitgevaardigd om gedeeltelijk te dienen ter voorziening in de onkosten der herstelling
Een en ander over de industrieele ontwikkeling van Nederland
door
W. VAN RAVESTEIJN Jr.
L
De bespreking van Vliegen's boekje: Het kapitalisme in Nederland, in het hoofdorgaan i) der S. D. A. P., begon met de woorden: De legende van Nederland's achterlijkheid in economische ontwikkeling is met dit boekje definitief opgeruimd. Wat velen, die de maatschappelijke beweging om zich heen met aandacht beschouwden, reeds lang vermoedden, wordt ons nu in onweerlegbare cijfers voor oogen gesteld," terwijl het iets verder in deze bespreking heette:
„Maar van veel meer waarde is nog, dat, zooals de schrijver in zijn voorrede opmerkt, nu blijkt dat de achterlijkheid der ontwikkeling van de arbeidersbeweging in Nederland niet in de historisch-economische constructie van ons land is te zoeken, maar veeleer in de geschiedenis dier arbeidersbeweging zelve, daarin een groote aanmoediging voor ons ligt, omdat wij dan tevens voelen de verbetering voor "t grootste deel reeds bewerkstelligd en voor de rest in eigen handen te hebben, terwijl wij, lag de schuld in de historisch economische constructie der Nederlandsche maatschappij, zouden hebben af te wachten tot deze zich in haar ontwikkeling wat beliefde te haasten."
Men zal opmerken, dat de reformistische schrijver zich hier kras uitdrukte: de legende van Nederland's achterlijkheid zou definitief opgeruimd zijn en, wat betreft de politieke gevolgtrekking hieruit: de achterlijkheid der Nederlandsche arbeidersbeweging, — die dus nog wordt toegegeven — zou niet zijn te verklaren uit de historisch-economische constructie van ons land, maar uit de geschiedenis der arbeidersbeweging, welke geschiedenis dus volgens de redactie van „Het Volk"
i) Een bewijsvoering voor het socialisme door J. F. A(nkersmit) „Volk" van 30 Oct. 1906.
I
2
in geen naspeurbaar verband stond met gezegde „historisch-economische constructie."
Aangezien ons niet bekend is, dat de meeningen van den schrijver van „Het kapitalisme in Nederland" of die van zijn collega's-redacteuren op dit stuk, zoomin als op 't stuk van andere kwesties de arbeidersbeweging betreffende, zich in de laatste 4 jaar hebben gewijzigd, mogen wij dus aannemen, dat officieel en voor de groote massa der leden van de S. D. A. P. en de moderne vakbeweging, wier opinie in hoofdzaak bepaald wordt door „Het Volk", vaststaat, dat Nederland niet is achterlijk wat betreft zijn economische ontwikkeling — in het midden gelaten, wat onder dien term achterlijk moet worden verstaan — maar dat de achterlijke ontwikkeling der Nederlandsche arbeidersbeweging — hier wordt onze achterlijkheid ongetwijfeld gesteld als een relatieve ten opzichte van de omgevende landen bv. ten opzichte dus van Duitschland en België — uitsluitend en alleen te wijten is aan menschelijke fouten, die met die economische ontwikkeling geen verband houden, aan de wijze, waarop de arbeidersbeweging in den aanvang ge- of liever misleid is door zekere personen, groepen, partijen, etc.
De jongste schrijver uit het reformistische kamp der Nederlandsche arbeidersbeweging, de secretaris van het Ned. Verb. van Vakvereenigingen, J. van den Tempel, laat zich in zijn pas verschenen studie over de Nederlandsche vakbeweging niet duidelijk of expresselijk uit over de vraag naar den al of niet „achterlijken" toestand der Nederlandsche economische en industrieele ontwikkeling, aangezien hij in die studie zich bijna uitsluitend bepaalt tot het beschrijven van den tegenwoordigen toestand dier beweging zonder zich met de vraag naar de omstandigheden, die dien toestand hebben verwekt, dieper in te laten. Voor zoover hij een overzicht van den staat der Nederlandsche industrie noodig had, heeft Van den Tempel zich vergenoegd met uit Vliegen's geschrift de gegevens, daarin vermeld en ontleend aan de beroepstelling van 1899, omtrent het in sommige industrieën bestaande aantal arbeiders over te nemen. Aangezien v. d. Tempel geen enkele reserve maakt omtrent de juistheid dier gegevens, mogen wij, gelijk trouwens ook van te voren uit andere overwegingen aan te nemen was, wel gelooven, dat hij 't met Vliegen's en Ankersmit's meening in 't algemeen eens is.
Het spreekt vanzelf, dat voor wie 't in 't algemeen met de reformistische meeningen niet eens is, ook na de uitspraken van Vliegen en wie met dezen gelijk denken, minstens genomen twijfel omtrent de juistheid der nu naar 't heette bewezen stelling overbleef, die voor 't gemakkelijker maken van de propaganda, de hooge ontwikkeling van ons land op economisch gebied vaststelde.
Wij herinneren er aan, dat kort na de bespreking van Vliegen's
3
geschrift in „Het Volk" een uitvoerige en doorwrochte bespreking van zijn werk in de Kroniek i) van de hand van Mr. W. A. Bonger voorkwam, waarin deze wat betreft dit punt tot de conclusie kwam :
,,de stelling (die de schrijver tracht) te bewijzen, dat Nederland een krachtig industrieel land is, en dat het een legende zou zijn, dat wij op dat gebied achterlijk waren .... deze probatio diabolica is glansrijk mislukt."
Ook Mevr. Roland Holst heeft geen aanleiding gevonden om wat betreft dit punt, haar in den eersten druk van „Kapitaal en Arbeid in Nederland" uitgesproken meening te herzien, een meening trouwens, die, tot dat de reformisten onder Vliegen's auspiciën tot een totaal tegenovergestelde kwamen, de communis opinio onder de Nederlandsche socialisten kon genoemd worden. In den derden druk van het kleine, maar zoo rijke werk, houdt zij zelfs uitdrukkelijk tegenover Vliegen hare voorstelling van de achterlijkheid onzer industrieele ontwikkeling staande 2).
Vliegen's legende-vernietiging berustte, zooals men zich herinneren zal, op de gegevens die hij aan de uitkomsten der beroepstelling van 1899 ontleende. De cijfers dier telling voor 't jaar 1909 zijn nog niet gepubliceerd en tot zoolang zullen wij dus geduld moeten hebben met het nagaan van de wijzigingen die blijkens deze zoo onvoldoende en beperkte statistische gegevens in de laatste 10 jaar in de Nederlandsche economische verhoudingen hebben plaats gevonden. Maar reeds voor het zoover is, zijn wij gelukkigerwijze in staat om aan de hand van officieel verzamelde gegevens de vraag, die 't hier betreft en die van zooveel belang is voor de geheele Nederlandsche arbeidersbeweging weer wat nauwkeuriger in oogenschouw te nemen. Met de officieel verzamelde gegevens bedoelen wij de overzichten over de afzonderlijke takken der Nederlandsche industrie, zooals die door de regeering gepubliceerd zijn ten bate van de bezoekers en exposanten der in 't afgeloopen jaar te Brussel gehouden wereldtentoonstelling, welke gegevens ook zijn opgenomen in het bijkans officieele dikke boek, dat in 't zelfde jaar verschenen is om reclame te maken voor de Nederlandsche industrie, den handel, de kunstnijverheid enz., kortom voor de winstbelangen der Nederlandsche bourgeoisie, een boek, welks inhoud genoegzaam bepaald is, wanneer wij weten, dat 't geredigeerd, bijeengebracht is door Jhr. Mr. H. Smissaert, den secretaris der Nederlandsche „Scharfmacher". In dit werk 3) dan is ook een uitvoerig overzicht van de Nederl.
1) „Kroniek" van 5 Jan. 1907 en volgende nummers
2) „Kapitaal en Arbeid in Nederland'', 3e druk, p. 199.
3) Nederland in den aanvang der twintigste eeuw, geschetst in woord en beeld door verschillende schrijvers, onder leiding van Jhr. Mr. H. Smissaert, Leiden. A. W. SijthofTs Uitgeversmaatschappij, 1910.
4
nijverheid gegeven door den heer Ph. J. Ketner, redacteur-hoofdcommies aan de afdeeling Handel van het Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel, een overzicht, waarvan we dus wel mogen aannemen, dat het berust op de beste, voor 't oogenblik beschikbare gegevens. Over den aard en de waarde van deze studie straks nog wat meer. Voor 't oogenblik wilde ik er op wijzen, dat deze offïcieele berichtgever zijn overzicht aanvangt met eenige opmerkingen die bewijzen, dat hij in hoofdzaak dezelfde meeningen toegedaan is, wat betreft de ontwikkeling onzer nijverheid als Vliegen c.s.
De heer Ph. Ketner toch, als motto van zijn opstel nemend de woorden van Hugo de Groot: ik beweer, dat Holland de werkplaats is van alle dingen, begint onmiddellijk de meening te bestrijden, die voor een halve eeuw de algemeene in Europa was en sinds dien telkens herhaald is, de meening dat Holland geen industrieel land zou zijn:
,, . . . het is tot op den huidigen dag nog niet gelukt volkomen de onjuiste meening te verdrijven, dat in het economisch leven onzer natie de nijverheid slechts een factor van ondergeschikt belang zou vormen.
Wat het levende heden betreft, kan men niet beter doen dan daartegenover maar altijd weer de feiten en cijfers te stellen, die voor zich zelf spreken."
M. a. w. volgens dezen ambtenaar van het Ministerie van Handel, is het eveneens niet waar, dat in het economisch leven onzer natie de nijverheid zou zijn een factor van ondergeschikt belang, ondergeschikt natuurlijk, anders zou de uitdrukking geen zin hebben, ten opzichte van de andere groote bedrijfstakken, landbouw en handel. En aan zijn overzicht van de verschillende takken van bedrijf, gesplitst naar de verdeeling van de nijverheid in groepen van verwante bedrijven, zooals die voor de Centrale commissie voor de Statistiek aangenomen is als grondslag voor de beroepsteling, laat hij een soort van kleine historische inleiding voorafgaan, waaraan wij ook nog een enkele karakteristieke passage willen ontkenen. Zoo heet het daar, dat „eerst in de periode van 1850 — 72, toen langzamerhand de knellende banden werden geslaakt, de nijverheid tot een krachtigen, zelfstandigen opbloei kwam, die, met korte onderbrekingen tengevolge van economische crises, stand gehouden heeft tot den volgenden dag." Doch:
„Na de zeventiger jaren zette de wijziging der economische toestanden en daarmee het ontwikkelingsproces der nijverheid zich snel voort. Gerust mag het hier dan ook zeker worden uitgesproken, dat bij het Nederlandsche volk de overgang van de ioe in de 20e eeuw zich gekenmerkt heeft door een algemeen streven om ook op industrieel gebied aan Nederland weer een eervolle plaats te verzekeren te midden van de andere landen, en dat, niettegenstaande de belang-
5
rijkste grondstoffen voor de nijverheid door eigen bodem niet of althans niet in voldoende mate worden geleverd en de meeste concurreerende landen hun gebied met hooge muren van beschermende tarieven hebben omringd en daardoor den afzet van onze producten bemoeilijken, vooral in het eerste decennium der nieuwe eeuw, onder de zegenrijke regeering van Koningin Wilhelmina, de nijverheid zich in dit emporium van handel en centrum van land- en tuinbouw tot een hoogte heeft weten op te werken, die recht geeft om met het grootste vertrouwen de toekomst te gemoet te gaan "
■ Men ziet, deze ambtenaar in dienst van een thans in vele opzichten naar tariefherziening in protectionistischen geest neigende regeering, is er van overtuigd, dat de Nederlandsche nijverheid reeds onmiddellijk, toen de heerschappij der liberale bourgeoisie en van den vrijhandel begon, toen zij maar eenmaal ontdaan was van de „knellende boeien" der bureaucrarische regeering van voor '48, een „krachtigen" opbloei bereikte en dat wij, op dien weg sinds 1872 in versneld tempo voortschrijdend, welk tempo door de zegeningen, die Wilhelmina der nijverheid gebracht heeft, in een soort van stormpas is overgegaan, nu reeds op een hoogte zijn gekomen, die ons in staat stelt met alle vertrouwen de toekomst tegemoet te gaan. Hij laat dan nog een nader betoog volgen, dat „de gezonde samenwerking tusschen de openbare besturen eenerzijds en het particulier initiatief anderzijds, om de industrie innerlijk te versterken en naar buiten zich te doen gelden . . . zich in toenemende mate openbaart."
Merkwaardig nuchter steekt tegenover deze hooggestemde verwachtingen niet alleen, maar ook tegenover deze meening dat de Nederlandsche industrie al zulk een hoogte heeft beklommen de meening af van zekere ongetwijfeld ten nauwste bij de zaak betrokken personen. Wij meenen de ondernemers, de groote ondernemers zelve. In het rapport toch, uitgebracht door de Commissie, ingesteld door de Vereeniging van Nederlandsche Werkgevers ter bestudeering van den stand der ondernemers-vereenigingen heet het: 1) „Wanneer men de oorzaken van het verschijnsel nagaat, (dat krachtig optredende werkgevers-vereenigingen, die eenigermate als vertegenwoordigers van een bepaalden tak van nijverheid zouden kunnen worden aangemerkt ten onzent nog schaarsch zijn) dan moet in de eerste plaats er op worden gewezen:
„dat de groot-industrie in Nederland van betrekkelijk weinig beteekenis is, terwijl zij bovendien plaatselijk zeer verspreid is, niet binnen een beperkt gebied geeoncentreerd!'
M. a. w. de Nederlandsche ondernemersklasse heeft, voor zoover zij z,ch met het onderzoek naar haar directe verhouding tot de arbeiders-
') geciteerd bij J, van den Tempel. De Nederlandsche vakbeweging en haar toekomst, p. 31.
6
organisaties heeft bezig gehouden — want met dit doel werd het onderzoek omtrent de ontwikkeling der ondernemersorganisaties ingesteld — ten minste gepoogd de economische basis te leeren kennen, die aan die ontwikkeling ten grondslag moet liggen evengoed als aan het, in genoemd rapport mede geconstateerde feit, „dat ook de organisatie der arbeiders ten onzent niet sterk mag worden genoemd en onze vakbeweging uitermate versnipperd is, zoodat voor de werkgevers zich niet de noodzakelijkheid van organisatie deed gelden, die hierin gelegen kan zijn, dat een sterke en hecht aaneengesloten arbeidersmassa tegenover hen staat."
Ons nu wil het voorkomen, dat juist de in het zooeven genoemde werk bijeengebrachte overzicht van de Nederlandsche industrie, ons slechts een bevestiging kan leveren van de meening, die de Nederlandsche ondernemers-commissie in de bovengenoemde woorden kort heeft samengevat, dat namelijk de Nederlandsche industrie nog altijd gekenmerkt wordt:
i°. door het feit, dat de groot-industrie bij haar van betrekkelijk weinig beteekenis is, zoodat de kleine en hoogstens de gemiddelde nijverheid verreweg overweegt.
2° dat misschien nog meer dan deze feiten, de door de geografische en historische omstandigheden, waaronder onze tegenwoordige industrie is ontstaan, veroorzaakte verspreiding, decentralisatie, ja verstrooing der industrie oorzaak is van de geringe revolutionneerende werking die de industrie uitoefent op de Nederlandsche arbeiders, oorzaak is van de achterlijkheid der Nederlandsche arbeidersbeweging.
Blijkt het overzicht van den heer Ketner die meening der Nederlandsche werkgevers te bevestigen dan is daardoor, gelijk van zelf spreekt, opnieuw de volkomen onjuistheid aangetoond der door de reformisten sinds eenige jaren officieel geldende meeningen omtrent de Nederlandsche industrieele ontwikkeling.
Eerst nog even een paar woorden over den aard en de waarde van de in het verzamelwerk bijeengebrachte gegevens. Het is verdeeld op de wijze zooals boven reeds is vermeld. Maar wat ons bij de lezing in de eerste plaats treft is de onvolledigheid, die het ook weer in allerlei opzichten kenmerkt. Voor sommige bedrijfstakken treffen wij althans zoo iets van een op gegevens berustend historisch overzicht aan, dat ons ten naasten bij in staat stelt den ontwikkelingsgang der industrie in die en die bepaalde bedrijven na te gaan. Bij de meeste is daarvan echter geen sprake. Omtrent de verhouding der grootten van de in een bedrijfstak bestaande ondernemingen kunnen wij wel het een en
7
ander bij sommige bedrijfstakken opmaken uit hetgeen hier meegedeeld is, maar nooit is 't natuurlijk mogelijk die verhouding na te gaan met de nauwkeurigheid, welke alleen mogelijk wordt door een bedrijfsstellingM.a.w., omtrent de twee groote, uit een proletarisch oogpunt belangrijkste vragen: hoe ver is de concentratie in de Nederlandsche industrie reeds gevorderd en hoe snel is dat proces in zijn werk gegaan, laat ons dit overzicht ook in de onwetendheid.
Niettemin staan er, dunkt mij, gegevens genoeg in, die 't de moeite loont aan de lezers van „De Nieuwe Tijd" mee te deelen.
Wij willen alleen de volgorde door den schrijver van 't overzicht aangenomen, eenigszins wijzigen en die bedrijfstakken voorop laten, welke de hoogste ontwikkeling hebben bereikt.
De bedrijfstakken, waarvan men kan zeggen, dat zij de eigenlijk gezegde groot-industrie in ons land vertegenwoordigen, zijn een gedeelte van de metaalbewerkingsbranche, verder de textiel- en de glasindustrie benevens zekere takken van de fabricage van voedings- en genotmiddelen als de cacao- en suikerindustrie met de fabricage van aardappelmeel en stroocarton.
In die bedrijfstakken overweegt ten deele, zooals wij nog zien zullen, het kleinbedrijf niet meer.
Deze zullen wij dus voorop laten gaan, ook al omdat de overzicht, schrijver omtrent sommige van die bedrijfstakken meer historische bizonderheden bijbrengt dan voor vele andere. Eerst de metaalbewerking.
Het valt niet te ontkennen, wanneer men het overzicht van den heer K. heeft gelezen, dat de metaalindustrie, vooral als men bedenkt dat ons land in 't geheel geen ijzer produceert — sinds 1885 zijn ook de laatste hoogovens in ons land, in oostelijk Gelderland, die daar sinds de 17de eeuw werkten stopgezet — een snelle en in vele opzichten zelfs merkwaardige ontwikkeling vertoont. De machine- en ijzerconstructienijverheid benevens de scheepsbouw vertoonen een, aan dien maatstaf gemeten, snelle technische en economische ontwikkeling. In 1858 waren er b.v. nog slechts 26 machinefabrieken in ons land met ± 2900 arbeiders, in 1874 eerst 55, thans echter 100 met ± 17,000 arbeiders. Een snelle ontwikkeling dus, maar vooral een snelle concentratie, wanneer men het gemiddeld aantal arbeiders nu vergelijkt met dat van voor een halve eeuw en weet, dat er nu reeds onder die 100 machinefabrieken eenige zijn, die tot het zeer groote bedrijf behooren, o.a. een bedrijf te Amsterdam met 2000 en een te Hengelo met 1150 arbeiders. Een aantal machinefabrieken, tevens constrüctiewerkplaatsen, zijn tevens inrichtingen waar ijzeren schepen worden gebouwd. Maar ook de ontwikkeling van dezen bedrijfstak is zeer snel geweest. Na 1875 opgekomen in dezen zin, dat toen eerst de bouw van ijzeren stoom-
8
schepen toenam, bedraagt het aantal werven thans 400 met + 18,000 arbeiders, terwijl er in 1874 ruim 600 waren, natuurlijk zeer kleine meestal. Omtrent de grootste (121) afzonderlijke inrichtingen in dit bedrijf met te zamen ± 6850 arbeiders geeft het volgende lijstje eenig inzicht.
Amsterdam 5 werven met + 2000 arbeiders, dus gemiddeld 400 arbeiders
Alkmaar 2 „ ,, „ go „ „ ,, 45 „
Haarlem 7 „ „ „ 600 „ „ „ 85 „
Arnhem 2 „ „ „ 450 „ „ „ 225 „
Alblasserdam 5 „ „ „ 600 „ „ „ 120 „
Capelle a/d. IJ. 2 „ „ „ 300 ,, „ „ 150 ,,
Dordrecht • 3 „ „ „ 260 „ „ ,, 86 „
Hardinxve'd 2 „ ,, „ 100 ,, „ „ 50 „
Krimpen a/d. L. 1 „ „ „ 170 „ „ „ 170 „
Krimpen a/d IJ. 6 „ „ „ 600 „ „ „ 100
Leiden 1 „ „ n 300 „ „ 300 ,,
Leiderdorp 5 „ „ 300 „ „ „ 60 „
Papendrecht 8 „ ,, „ 225 „ „ „ 28
Sliedrecht 10 „ ,, „ 220 „ , 22
N. Lekkerland 3 „ „ „ 825 „ ,, „ 275
Ridderkerk 7 „ „ „ 900 „ „ „ 130
Rotterdam 8 „ ,, 5000 „ „ „ 625 „
Schiedam 1 „ „ n 760 „ „ „ 760 ,,
Vlissingen 1 „ „ „ 1500 „ „ „ 1500 „
Zalt Bommel 1 „ „ „ 125 „ „ ,, 125
Herwen en Aerdt 1 „ „ „ 80 „ „ „ 80
Vrijenban 3 „ „ „ 200 „ „ „ 67 „
Raamsdonk 3 „ H 100 „ ,, „ 33 „
Vlaardingen 2 „ „ 100 „ „ ,, 50
Waspik 6 „ „ „ 300 „ „ „ 50
Groningen 1 ,. „ „ 80 „ „ ,, 80
Hoogezand 21 ,, ,, „ 450 „ „ „ 21
Delfzijl 4 „ „ 120 „ „ 30 „
Hierbij moeten nog gerekend worden de drie marinewerven te Amsterdam, Helder en Hellevoetsluis.
Ook in dezen nijverheidstak zien wij dus een tamelijk sterke concentratie: de kleinbedrijven zijn beslist in de minderheid. En hiermee zijn wij er nog niet, wat betreft de Nederlandsche groot-industrie op 't gebied der metaalbewerking. In de overige bedrijfstakken, die hiertoe gebracht kunnen worden, noemt de schrijver o.a. nog op, op het gebied der electro-techniek (vervaardiging van electro-motoren, dynamo's, transformatoren, electrische toestellen en apparaten, als ontstekingsapparaten, meettoestellen, telefonen, gloeilampen enz.), een 5-tal fabrieken alleen van metaaldraadlampen, waarvan 1 met + 2000 arbeiders te Eindhoven en een met 300 arbeiders voor onderdeden van gloeilampen te Middelburg, verder 3 fabrieken met ± 500 arbeiders te Helmond, waar klinknagels, schroefbouten en moeren worden vervaardigd en 3 met + 320 arbeiders te Utrecht, Nijmegen en IJselmonde, waar schroeven worden vervaardigd Verder
9
vindt men groote metaakvarenfabrieken met 30—300 arbeiders o.a. te Amsterdam, Amby, Culemborg, Delft, Dordrecht, den Haag, den Bosch, Hoorn, Maastricht, Rotterdam, Schiedam, Tiel en Utrecht, 2 belangrijke fabrieken van bronsvvaren te Amsterdam en Arnhem ieder met ± 150 arbeiders; fabrieken van zinkvvaren te Budel met ± 750 en te Delft met + 200, fabrieken van blikemballage o a. te Krommenie 2 met ± 350 arbeiders; rijwiel- en automobielfabrieken 1 te Amsterdam met + 200, 1 te Amersfoort met 50, 1 te Deventer met + 300, 1 te Dieren met 150, te Winschoten met 75, te den Haag met 100, te Groningen met 150 arbeiders en 1 uitsluitend van automobielen te Amsterdam met 400 arbeiders; 1 fabriek van brandkasten met 400 arbeiders te Dordrecht, 1 van gasmeters in den Haag met 150 arbeiders en 1 te Dordrecht met 200 arbeiders.
Aan groot-industrieele ondernemingen — want andere zijn hier niet genoemd — ontbreekt het dus in ons land geenszins, zelfs niet aan inrichtingen boven de 1000 arbeiders, die tot het gebied der zeer groote industrie gerekend kunnen worden. Het aantal arbeiders in de geheele industrie te schatten is natuurlijk niet mogelijk met deze gegevens, maar men ziet, dat het aantal hier opgegeven voor een aantal der grootste inrichtingen en der belangrijkste branches alleen reeds bij de. 45000 bedraagt. Wanneer men de cijfers door den heer Ketner gegeven vergelijkt met die, welke voorkomen in Vliegen's werk, en die nu weer door den secretaris van het N.V.V. zijn overgenomen, dan vindt men daar o a.:
Scheepsbouw 12.691 (in ons overzicht 18.000 minstens)
Machine-en rijtuigfabricage 7.851 (in ons overz. alleen 17.000 in machinefabrieken)
Electro-techniek 636 (in ons overzicht alleen 2.300 in twee fabrieken)
Rijwielen en automobielen 846 (in ons overzicht 1.425)
Rijtuigfabricage 2-553 lm ons overzicht niet opgesomd)
Kleine metaalnijverheid 19.839 (in ons overzicht niet gemeld)
Totaal 44.416
Het is dus zeker niet overdreven het werkelijke aantal metaalbewerkers in ons land op 't oogenblik te stellen op minstens tusschen 65 en 70000, en wanneer men dan daarbij het aantal georganiseerden vergelijkt, volgens v d. Tempel 5427, dan valt nog heel wat scherper dan in het werkje van dezen laatste de achterlijkheid dezer arbeidersmassa op organisatorisch gebied in 't oog. Maar wij zien dan ook, dat een van de gewichtigste omstandigheden, die juist in dezen nijverheidstak de revolutionneerende werking van de kapitalistische concentratie tegenhouden, gelegen moet zijn in de locale verspreidheid dezer industrie. Teekenend is in dat opzicht de toestand der inrichtingen, waar de grondstof voor de ijzerindustrie de eerste bewerking ondergaat, der ijzergieterijen namelijk. De heer Ketner schrijft daarvan:
io
de oudste (daarvan), in den loop der 19e eeuw en vooral na 1830 opgekomen, zijn ontstaan uit en waren verbonden met de vroegere ijzersmelterijen in Gelderland; in 1858 waren er reeds 61. „Thans zijn er ruim 80 flinke ijzergieterijen in ons land in werking, die voortgekomen uit de binnenlandsche behoefte, over het geheele land verbreid zijn, zonder dat zij ergens — met uitzondering van de historische bedrijven van den Ouden Ysel, die daar te midden van een landbouwende streek een hoogst merkwaardige en op zichzelf staande groep vormen van bloeiende en welvaart verspreidende fabrieksnijverheid — een overheersclienden tak van industrie uitmaken."
Dit feit geldt voor de geheele metaalindustrie: nergens maakt zij een overheerschenden tak van bedrijf uit. Door de geografische omstandigheden van ons land en de historische omstandigheden, waaronder zij zich ontwikkelde, kon de ondernemer zich om zoo te zeggen vestigen, waar hij wilde, overal, waar het water hem een gemakkelijken toevoer van grondstoffen en verzending van zijn producten mogelijk maakte en waar een arme, te talrijke bevolking genoeg proletariërs in dienst kon stellen. Voor elk van de bizondere bedrijfstakken der metaalbewerking treft, in de opsomming van de inrichtingen, die de heer Ketner geeft dit feit het eerst, en wat speciaal de machine fabricage aangaat, constateert hij 't ook uitdrukkelijk. De meeste machinefabrieken zijn voortgekomen uit het eenvoudige smidsbedrijf. Oorspronkelijk slechts voor reparaties aan machines ingericht, die uit het buitenland hier waren ingevoerd, gingen zij zich ook toeleggen op de constructie van die machines. Zoo groeiden zij, zich aanpassend aan locale behoeften en ontstond de toestand:
„dat de machinenijverheid in Nederland niet is geconcentreerd in een enkele streek, maar over het geheele land verspreid voorkomt en juist daar het meest, waar ook andere takken van nijverheid — met name de scheepsbouw — zich het sterkst hebben ontwikkeld."
Een specialiseering der industrie zooals in het buitenland, d.w.z. het vervaardigen van slechts èèn enkele soort van werktuigen of zelfs van èèn enkel werktuig of machineonderdeel komt hier te lande nog niet voor, aangezien het afzet terrein daartoe niet groot genoeg is. Wel echter is er in den laatsten tijd een verandering merkbaar in de richting der specialiseering. Terwijl aanvankelijk de meeste fabrikanten door den aard van het ontstaan der industrie hier te lande, gedwongen waren zooveel mogelijk alle soorten van machines te vervaardigen, is het langzamerhand aan een enkele fabriek gelukt, hoe langer hoe meer voor sommige zaken voldoenden afzet te vinden om die als specialiteit te vervaardigen. Zoo zijn er ontstaan machinefabrieken, die zich speciaal toeleggen op scheepsmachines, op welk gebied de Nederlandsche industrie volgens den heer Ketner met de Engelsche nagenoeg op èèn lijn staat, andere op volledige installaties voor
53
is van „het gezin" in het algeen te willen spreken, komt in deze passage al zeer treffend aan het licht. De arbeidersgezinnen wier verbruik werkelijk „elke waarde voor de produktie" verloren zou hebben, zouden maar al te spoedig ondervinden dat hun verbruik precies naar die „waarde" afgemeten is, en hun dus hoogstens nog het genot van eenige aalmoezen vergund zou worden. De groote en over het algemeen .nog vergeefsche moeite van de afgeleefde arbeiders om ordentelijk te sterven, bewijst overtuigend dat de proletariërs wier „waarde voor de produktie" onherroepelijk tot het verleden is gaan behooren, ook op geen „verbruik" meer te rekenen hebben, minst van al in een gezin, en op zijn best in een bedelaarsgesticht of werkhuis. Doch zelfs zoo ver als men van een overeenkomstige evolutie in het gezinsleven van alle klassen zou kunnen spreken, en op sommige punten is die overeenkomst niet te ontkennen, is de beschouwing van den heer De Vooys o. i. volkomen strijdig met de waarheid. Ook het verbruik, meenen wij, verlegt zich hoe langer hoe meer buiten de gezinnen. Voor de arbeidersklasse, die blijkens de programma's van haar politieke organisatie deze verplaatsing zooveel mogelijk tracht te bevorderen, is dit zelfs de eenige redding uit de ellende van het gezinsleven, dat een instituut tot verscherping van de uitbuiting is geworden. Maar ook in de bourgeoisie is deze beweging, dunkt ons, even „zichtbaar" als dat haar huisgezin voor de produktie weinig of geen beteekenis meer heeft. Voor de arbeiders, echter, bestaat de eenige kans op het „bevorderen van welzijn en van levensgenot" in de overbrenging van hun verbruik naar de gemeenschappelijke instellingen die het kapitalisme in zijn eigen belang hun niet langer geheel kan weigeren.
IV.
Natuurlijk kan de heer De Vooys bij al zijn utopisme zich niet ontveinzen dat in de arbeidershuishouding maar bitter weinig van die „inrichting naar regeling van het verbruik" te bespeuren valt. Doch dat is bij hem enkel een kwestie van geld. „De richting daarheen is echter aanwezig" — „als een permanent streven om zooveel mogelijk in die richting te bereiken, voorzoover de materieele toestand het slechts toelaat". »Want er is nog veelal een min of meer sterke remming door het bedrag van het gezinsinkomen". Dat dit kleine inkomen zoodra men naar meer eigenlijke kenmerken zoekt dan de nietszeggende definities van klein of groot, de exponent van een ekonomische betrekking blijkt te zijn, nl. van de positie van het arbeidersgezin in het loonstelsel, heeft den schrijver die met het onderscheiden van groote en kleine inkomens zijn ekonomische opmerkingsgave uitput, niet getroffen. In dit gemakkelijkste van alle systemen kost het
54
geen moeite — het past ook zeer goed in de hervormingspolitiek der „vrome wenschen" — zich een toestand te verbeelden waarbij een gegeven arbeidersklasse, zonder dat in haar verhouding tot het kapitaal overigens iets gewijzigd is, in het genot verkeert van een zeer veel hooger inkomen, een verandering in haar finantieele positie welke ongetwijfeld ook de lasten verlichten en de pijnen verzachten zou van de taak der huisvrouwen, en daarmee het gezinsleven op den ouden voet tot nieuwenbloei brengen. Minder dan de heer De Vooys hebben wij ons geoefend in het overdenken van hetgeen gebeuren zou indien gebeurde wat niet kan gebeuren, doch zooveel willen wij hem toegeven, dat als heden alle arbeidsloonen b.v. verdrievoudigd werden, zonder dat de behoeften waren gestegen, zonder een politieke machtsverschuiving ten gunste van het proletariaat, zonder de verwezenlijking van andere belangrijke punten van het socialistisch program, dan inderdaad het verbruik in de gezinnen der arbeidersklasse haar tegenwoordig karakter grootendeels zou verliezen. Een van de veranderingen zou ongetwijfeld bestaan in de genoemde wending ten gunste van de vrouwen.
Op deze wijze, maar ook op deze wijze alleen, dat wil zeggen alleen bereikbaar in de wereld der hersenschimmen, zouden de voorwaarden te verwezenlijken zijn, waarop de voorspelling van den heer De Vooys berust.
In de werkelijkheid evenwel is de hoop der dingen anders, lenzij in zeer bijzondere omstandigheden, waarvan enkele bevoorrechte arbeidersgroepen kunnen profiteeren - b.v. een deel van de Amsterdamsche diamantbewerkers - is het arbeidsloon, kwantitatief beschouwd, niet maar een min of meer beperkt inkomen, doch, als prijs der arbeidskracht van overigens bezitslooze, onderling konkurreerende, door de produktieviteit hunner eigen inspanning zichzelf relatief overtollig makende proletariërs, het bestaansmiddel der armoe. Zoolang zij hare funktie in het kapitalistische produktieproces blijft vervullen, zal de arbeidersklasse haar plaats blijven bekleeden in de kapitalistische maatschappij. Het kenmerk van deze plaats is de behoeftigheid, eigenschap reeds in de klassieke ekonomie gekonstateerd door de bekende definitie van „labouring poor" aan den stand der werklieden gegeven.
De „remming" wilden wij zeggen, waarvan de heer De Vooys gewaad, en die hij wegdenkt — deze vrijheid hebben nu eenmaal de poëten — om dan verder de historie naar zijn welgevallen een denkbeeldigen loop voorteschrijven, deze remming zal zoolang het kapitalisme duurt, niet verzwakken. De maatregel dien de heer De Vooys bepleit, het vasthouden van de huisvrouwen in het gezin, zal haar veeleer versterken. De nieuwe toevoer van onbetaalden arbeid in de produktie van de arbeidskracht zal waarlijk niet de strekking hebben de prijs van die waar te doen stijgen. Doch ook afgezien daarvan, men
55
behoort, besluiten we, bij overweging van de vraag in welke richting het gezinsleven bij een bepaalde maatschappelijke klasse zich ontwikkelt, geen onderstellingen aan te nemen met het ekonomisch wezen van die klasse onvereenigbaar.
Inderdaad berust de verwachting van den heer De Vooys omtrent deze toekomst-vraag, naar hij uitdrukkelijk verzekert, op de onderstelling dat de levensstandaard van het proletariaat belangrijk verhoogd zal worden. Het is niet mogelijk, zegt hij o.a. „zonder aanzienlijke veranderingen in het loonpeil, en zonder wijziging in den materieelen toestand van zeer vele gezinnen, aan deze de beteekenis voor de gemeenschap te geven, die tegenstanders van den loonarbeid der gehuwde vrouw daaraan thans reeds toekennen, of die zij zich anders ten doel moeten stellen." Hoe gezegde tegenstanders „reeds thans" een beteekenis kunnen toekennen" welke het eerst mogelijk wordt „te geven" nadat „aanzienlijke veranderingen (veranderingen ten goede, bedoelt de schrijver natuurlijk) in het loonpeil" bereikt zullen zijn, vermogen wij niet volkomen goed te begrijpen. Het zal wel, vreezen we, bij het „ten doel stellen" blijven. Doch waarop berust nu de verwachting dat zoodanige „aanzienlijke" verhooging zal intreden, zonder welke zelfs het „ten doel stellen", ook volgens den heer De Vooys, vergeefsche moeite zou zijn? Dit is wat de schrijver met eenige algemeenheden over de „sociale beweging", „de verheffing van de klasse der loonarbeiders", enz., meent te kunnen afdoen. Op één plaats, aansluitende bij de zooeven geciteerde zinsneden, nadert hij eenigermate een ekonomische definitie van het fameuze „beperkte inkomen" dat bij hem van alles de schuld draagt. En het moet erkend worden: iemand die op deze wijze het arbeidsloon meent te moeten definieeren, heeft het recht omtrent de beweging van het loonbedrag de meest avontuurlijke verwachtingen te koesteren.
„De tegenwoordige toestand", erkent De Vooys, „is er nog verre van, dat het gezin (bedoeld is het arbeidersgezin) zou zijn of zou kunnen zijn als hier geschetst wordt." De ontwikkeling wordt nl. „geremd" door „het bedrag van het gezinsinkomen". En waarom is dat een zoo gering bedrag? Wel — wij sukkelen in onze maatschappij nog altijd aan een „ongelijkheid van verdeeling" ... Aan de produktie ligt het niet. „Het hooger georganiseerde productieproces heeft in staat gesteld om ruimer dan&ooit aan stoffelijke en geestelijke levensbehoeften te voldoen," doch — het kon niet ongelukkiger treffen 1 - „de verdeeling van de maatschappelijke goederen richt zich niet naar die behoeften, maar naar andere regelen. „Welke die andere regelen" zijn, verwaardigt de heer De Vooys zich niet ook maai met een enkel woord aan te duiden. Slechts over de intensiteit waarmee zij zich laten gelden loopt de bijvoeging: „regelen die zich bijna met de kracht van een natuurwet schijnen door te zetten." „Daardoor", besluit de schrijver, „is de onge-
56
lijkheid der verdeeling nog voor zeer velen een drukkende macht, waartegen zij zich met alle kracht verzetten, in de hoop tot een eindelijke opheffing er van te geraken" ... De hoop van den heer De Vooys, natuurlijk, is met de lijdenden. Doch misschien wil één dier „velen" hem wederkeerig omtrent het oogmerk van hun „verzet" een hoognoodige inlichting verstrekken. Dit verzet, immers, is niet tegen de verdeeling als zoodanig, maar tegen het produktieproces gericht, dat hoe „hoog georganiseerd" ook uit een technisch oogpunt, ekonomisch zóó georganiseerd is dat alleen deze inderdaad zeer ongelijke verdeeling van zijn opbrengst mogelijk is. Dat de hooge technische organisatie alleen op voorwaarde van deze ekonomische inrichting met haar ongelijke verdeeling te verwezenlijken was ; dat, m.a.w., het arbeids-proces enkel als kapitalistiscli produktieproces tot den tegenwoordigen graad van volmaaktheid kon komen, heeft de heer De Vooys evenmin begrepen. Vandaar dat hij, tot een verklaring van het arbeidsloon geroepen, de belangstellenden moet afschepen met een redeneering ontleend aan de terminologie van de dufste burgermansekonomic. Hoe verheugd zullen de verdrukten zijn van den geleerden arbeidsinspekteur te mogen vernemen, dat de ongelijke verdeeling waardoor zij „gedrukt worden" feitelijk een gevolg is ... . van de ongelijke verdeeling!
Niet vreemd, eindelijk, dat de heer De Vooys met deze zonderlinge opvatting van den strijd tegen het kapitalisme, niets begrijpt van de positie der bestrijders tegenover het arbeidersgezin. „Dat zij in dien strijd", schrijft hij, „het gezin als een vijandige macht zouden ontmoeten, is alleen waar voor zoover zij dat gezin vereenzelvigen met verouderde denkbeelden, die als een traditie in vele gezinnen voortleven". — De maatschappelijke instelling van het gezin te „vereenzelvigen" met zekere denkbeelden, al ware het ook met de meest geavanceerde, zou stellig een verwarring van gedachten bewijzen, die vermeden dient te worden. Wij gelooven echter, dat de verwarring aan den kant van den heer De Vooys is. De denkbeelden door de gezinsformatie gewekt zijn, ten eerste, niet zoo verouderd als hij meent. Zij zijn, helaas, het zeer aktueele voortbrengsel van de omstandigheden waarin het arbeidersgezin verkeert, omstandigheden beheerscht door de ekonomische funktie van deze kleine maar voor de kapitalistische produktie uiterst belangrijke gemeenschap. Ze schijnen slechts ouderwetsch of verouderd aan den heer De Vooys, die het wezen van deze funktie niet heeft doorzien. De theoretische kritiek van het gezin als instelling, gebaseerd op de kennis van zijn ekonomische funktie, is gericht tegen andere, inderdaad verouderde „denkbeelden", tegen opvattingen als van De Vooys, die zelfs wettelijke dwangmaatregelen bepleit om het gezin te bewaren bij een funktie die inderdaad tot de vernietiging van het gezinsleven leidt. Dat zulks praktisch niet uitvoerbaar is, heeft de man ons zelf meêgedeeld,
57
doch dit ontheft ons niet van de verplichting de verkeerde theorie bloot te leggen.
De heer De Vooys heeft verder niet het recht de sociaaldemokraten voor te stellen als voerende een ,.strijd tegen het gezin", een aktie welke hij voor een deel uit de ons toegeschreven verwarring meent te kunnen verklaren. De strijd van de sociaaldemokratie wordt gevoerd volgens haar program. Van een beweging tegen het gezin is in het program geen spoor te ontdekken. Bestrijder, meer nog, verderver van het gezin, is het kapitalisme, dat de eertijds met eigen produktiemiddelen arbeidende gemeenschap omgezet heeft in een hulpmiddel tot uitbuiting ook van die gezinsleden welke de werkplaats niet behoeft. Vijanden en verdervers zoo niet van het gezin, dan toch, wat erger is, van het welzijn der gezinsleden, zijn overigens alle burgerlijke partijen, die het in zijn tegenwoordigen staat en werkkring willen bestendigen.
Wat het socialistisch program aangaat, getrouw aan het socialistisch beginsel eischt het de stichting en volmaking van de nieuwe instellingen, welke door het vervallen en ontaarden van de oude gezinsvormen onontbeerlijk zijn geworden. Het huishouden van den individueelen arbeider kan slechts op hoogst gebrekkige en voor de betrokken personen, in de eerste plaats voor de vrouw als werkster in het huishouden, pijnlijke manier zijn door de kapitalistische exploitatie opgedrongen taak vervullen. Zóó gebrekkig zelfs, dat de kapitalistische Staat zelf zich meer en meer gedrongen ziet tot het nemen van maatregelen om buiten het gezin in de reproduktie van de arbeidskracht, het levensonderhoud van de arbeiders te voorzien. De burgerlijke partijen zullen slechts aarzelend en zoo min mogelijk deze verandering in de hand werken, enkel zoover het kapitalisch belang overtuigend is aangetoond. Ten koste van het levensgeluk der gezinleden zullen zij het verleggen van de gezinstaak zoo lang mogelijk tegengaan. En om de socialistische beweging te belemmeren trachten zij haar verdacht te maken door de betichting dat de socialisten het zijn die het geluk van de arbeiders, hun mede door het gezinsleven geschonken, aan de revolutionaire omkeering van de maatschappij willen opofferen. Zij moeten daartoe een beeld van het gezinsleven voorhouden, dat aan de werkelijkheid niet beantwoordt. Zij moeten de waarheid trachten te bedekken dat de ondankbare huishoudelijke bezigheid slechts vruchteloos blijft voor degenen die haar hebben te verrichten en voor hen ten wier behoeve zij schijnbaar verricht wordt. De kapitalistische partijen moeten de waarheid pogen te verbergen dat alleen het kapitaal met de instandhouding van het arbeidersgezin wordt gediend. Doch tegenover zich vinden zij de socialistische kritiek die in naam dezer waarheid de verlichting en verplaatsing van den gezinsarbeid eischt, waardoor althans een begin wordt gemaakt met het onttrekken van dien arbeid aan de kapitalistische
53
uitbuiting, die hem als menschelijke bezigheid zoo diep heeft vernederd.
Slechts al te gewillige helpers vinden de kapitalistische organen in de utopisten als De Vooys, wier schuldige kortzichtigheid hun te welkomer is, naarmate ze meer anti-kapitalistische allures aanneemt. Zoo goed als niets van de armzalige, dikwijls gruwelijke werkelijkheid is tot hem doorgedrongen. „Terug naar het gezin" — al kan hij hier en daar niet verzwijgen dat het voorloopig nog geen zeer aangenaam vooruitzicht is voor de betrokken personen, doch dit, belooft hun de heer De Vooys, zal bij gelegenheid beter worden — de plaatsen in het preadvies waar de schrijver de schrede achterwaarts als ten hoogste begeerlijk schetst, ontbreken evenmin.
„Wanneer men de gehuwde fabriekarbeidster hoort spreken uit de verschillende rapporten," lezen wij b.v., dan zegt zij : „zeker ware het beter dat ik tehuis was; mijn zuigelingen sterven te veel door onvoldoende zorg; aan de opvoeding mijner kinderen kan ik mij niet genoeg wijden; mijn huishouding wordt verwaarloosd; mijn man heeft geen genoegelijk tehuis en zal de kroeg helaas opzoeken, maar hoe zal het zijn als ik geen geld heb voor huishuur, eten, kleeding. Het eerst noodige is dat er eten is." — De vrouw die hier spreekt, behoort, naar men bespeurt, niet tot de veeleischendsten. Zij zou reeds tevreden zijn wanneer haar zuigelingen slechts niet te veel omkwamen. Ook is, wat de opvoeding betreft, enkel haar grief dat zij zich „niet genoeg" aan die taak „kan wijden." Het maakt dus voor haar niet zoo veel uit als voor sommige andere vrouwen, dat zij niet in huis kan blijven, loch zou, gelooven we, de heer De Vooys wel doen met ook tot huismoeders van dit gematigde type de waarschuwing te richten, dat zij van den terugkeer tot de woning allicht overdreven gedachten koesteren. Het kapitalisme, behoorde hij haar te zeggen, zal uw kleine kinderen even goed ombrengen, en de grooteren aan uw opvoeding onttrekken. Niet onwaarschijnlijk heeft het kapitalisme u zelf reeds ongeschikt gemaakt zoowel om te voeden als om op te voeden, daar het u reeds in uw eigen jeugd zoowel het voedsel als de opvoeding onthouden heeft. En ach, zijt ge zoo zeker dat het uw afwezigheid meer dan uw tegenwoordigheid is, die den man zijn toevlucht tot de kroeg doet nemen? . . . Denk in geen geval dat gij voor het kapitaal veilig zult zijn, al zoudt ge wat gij uw woning noemt nimmermeer verlaten. Het kapitaal zal ook daar, en daar eerst recht, u het laatste merg uit de beenderen persen om er winst van te maken. En gij zult u gewilliger buigen onder zijn juk, want gij zult meenen het te doen voor wie u lief zijn.... En met meer dan een waarschuwing tegen lichtvaardige verwachtingen zou de
spreker kunnen eindigen Blijf zoo ge eenigszins kunt in de fabriek,
waar gij althans een loon kunt verdienen voor uw werk. Blijf waar ge
59
niet de tweemaal uitgebuitene behoeft te zijn. Blijf waar ge niet enkel de echtgenoote heet, maar gij een in dezen tijd nog meer achtenswaardigen titel kunt verwerven, en de kameraad worden van uw man. Blijf in de fabriek om met hem en alle andere kameraden daar het kapitaal de beste arbeidsvoorwaarden, en die instellingen aan den Staat af te dwingen, welke uw huishoudelijk werk niet alleen zullen verlichten, maar, gij weet het, ook zeer veel beter zullen verrichten. Dan zullen uw kinderen leven en opgroeien, sterker van lichaam en geest, dan hun ouders, uw man zal zijn vrijen tijd ergens anders doorbrengen dan in het bierhuis, en wat voor uw samenzijn kan overblijven zal gezuiverd en veredeld worden door het geloof aan uw nieuwe, oneindig verhevener plicht. . . .
Doch de heer De Vooys wacht zich wel aldus te spreken. Zijn oog is op het verleden gericht. Hij meent dat wie zoo spreekt opgaat in wat hij noemt „voor de toekomst uitgedachte mogelijkheden." En hij voor zich geeft de voorkeur aan voor het tegenwoordige uitgedachte ónmogelijkheden.
(Slot volgt).
Nieuwe bijdragen tot de Nederlandsche geschiedenis
DOOR
W. VAN RAVESTEYN Jr.
(Vervolg).
Dezen keer wilden wij 't een en ander meedeelen uit twee andere in den laatsten tijd gepubliceerde bijdragen tot de geschiedenis der steden in ons land.
Wij meenen de studie van Dr. H. E. van Gelder, gepubliceerd in de Bijdragen voor Vaderl. Geschiedenis i), omtrent Alkmaar in den aanvang der 16e eeuw en die van Dr. R. van Marle over Hoorn 2) in de middeleeuwen, dus tot den aanvang der 16e eeuw.
Niettegenstaande haar geringen omvang verdient de studie van den Haagschen gemeente-archivaris van deze twee 't eerste genoemd, omdat zij een nieuwe belangrijke bijdrage is tot het juiste begrip van een der gewichtigste tijdvakken in de geschiedenis van ons volk, het tijdvak, voorafgaande aan den tachtigjarigen oorlog, waarin de krachten rijpten, die den opstand tegen het centrale gezag van den HabsburgschSpaanschen staat veroorzaakten, waardoor de Noord-Nederlandsche nationaliteit voorgoed een afzonderlijken weg insloeg.
Het boek van den heer Van Marle, dat ons de ontwikkeling van Hoorn als middeleeuwsch stadje schildert tot den aanvang der 16e eeuw en dat dus gedeeltelijk in hetzelfde tijdvak te land komt als de studie van den heer Van Gelder, is ondanks zijn volledigheid veel minder waardevol, omdat deze schrijver, zooals wij nog zien zullen, ook al weer in sterke mate het besef heeft gemist hoe noodzakelijk het is verband te brengen tusschen hetgeen de archiefstudie leert omtrent het uiterlijke der historische verhoudingen en het verworvene onder één gezichtspunt samen te vatten.
Wij hebben in deze beide studies weer scherp tegenover elkaar de resultaten van historischen arbeid onder het teeken der arbeidersbe-
1) 4e reeks deel VIII p 419 volg.
2) R. van Marle, Hoorn au moyen-age, La Haye M. Nijhoff 1910.
6i
weging en onder den invloed van het Marxisme en van dien, welke aan die invloeden vreemd is gebleven.
Dr. van Gelder gaat eerst de opkomst na van de kleine stad, welke slechts grootere historische beteekenis heeft gekregen toen het Spaansche leger, dat de opgestane Hollandsche gewesten in 1572 en '73 weer moest onderwerpen, voor haar wallen een eerste échec van beteekenis leed. In overeenstemming met de ligging en het late ontstaan van het stadje, de meest vooruitgeschoven plaats van het grafelijke Hollandsche gezag in het land der lang onbedwingbare West Friesche boeren, is er omtrent die opkomst nu niet zooveel belangrijks mee te deelen. Lang zooveel niet als bv. omtrent de opkomst van Haarlem en Leiden, veel oudere centra van het graafschap zoowel als van verkeer en productie. In 1339 verwief het stadje een privilegie, waarbij aan de poorters van Alkmaar werd toegestaan om drie jaarmarkten te houden van drie weken elk en reeds in de 14e eeuw moet het eenige beteekenis hebben gekregen als economisch middelpunt van de vruchtbare landbouwstreken, die het omringden. De schrijver gaat dan, zonder die ontwikkeling verder te volgen ■—■ waartoe ook de gegevens niet geheel aanwezig zijn — na, hoe de ontwikkeling van een dergelijke Middeleeuwsche stad noodzakelijk een onregelmatig verloop moest hebben juist door haar kleinen omvang. Tijdperken van oorlog, van binnenlandschen twist, van rechtsonzekerheid en gevaar voor personen en goederen, ja de afsluiting van een toegangsweg konden aan den bloei eener kleine middeleeuwsche stad plotseling een eind maken of althans den groei voor geruimen tijd onderbreken omdat een dergelijk klein economisch middenpunt, zooals de schrijver aantoont door het voorbeeld van een dergelijke storing juist aan den aanvang van het hier behandelde tijdvak, nog over een uiterst gering economisch weerstandsvermogen beschikte. Wanneer wij nagaan, hoe de toestand van Alkmaar was blijkens de Enqueste (onderzoek naar den vermogensstaat) van 1494, zien wij de oorzaken van dit geringe weerstandsvermogen helder voor ons.
Tengevolge van de troebelen volgende op den dood van Karei van Bourgondië (1477) trad voor Alkmaar de toestand in, dat het ophield de plaats te zijn, waar de omliggende dorpen zich van het noodige voorzagen, dat het m.a.w. ophield het economische middenpunt te zijn van het omliggende platteland en wel omdat de achteruitgang van den handel, de stilstand der nijverheid, maar vooral ook de zware oorlogslasten en heffingen het bedrijfskapitaal — het geldbezit m.a.w. — der Alkmaarsche burgers zoo verminderden, dat zij de dorpen niet meer van het noodige konden voorzien. Het platteland verlegde voor een belangrijk deel zijn warenruil naar andere middenpunten, Amsterdam of elders. Toch volgde na 1494, gelijk in geheel Holland, weer een
62
vrij spoedig herstel, zoodat in i 5 14'geen klachten over kwijnende nenng of achteruitgang van inkomsten vernomen werden. Maar reeds in 1517 komt aan dien nieuwen bloei weer een einde doordien Geldersche benden 't stadje plunderen en voor geruimen tijd is 't dan weer met de welvaart gedaan. .
Het ^ebrek aan roerend bezit der burgerij bleek in 1494 uit de Enqueste. De gansche rijkdom der burgerij bedroeg in dat jaar 75.000 Rijnsche guldens, zoodat na aftrek van de helft van dit bedrag als waarde van huizen en landen er slechts een kleine 40,000 g overschiet als mobiel kapitaal en dat terwijl de schade, die de stad geleden had door het passeeren der krijgsknechten alleen een 25,000 g. bedroeg !
In 1514 was, zooals wij zagen, de welstand weer toegenomen. Van de 889 haardsteden, wijzende op een bevolking met die van de kloosters mee, van ongeveer 4200 zielen, waren 62 bewoond door armen, bedelaars, d.w.z. 7 pCt. Maar dit percentage steekt gunstig at bij de armlastigheid in andere Hollandsche steden in dien zelfden tijd, want dit percentage beliep respect, in Leiden 63 pCt., in Haarlem 35. in Delft 38, in Amsterdam 23, in Gouda 32, in den Haag 20, in Rotterdam 26, in Hoorn 40 pCt. Omtrent den rijkdom der burgerij in dat jaar geeft de Informacie geen inlichtingen; zij deelt slechts mede, dat in de jurisdictie der stad 269 morgen grond aan Alkmaarsche burgers toebehoorden. Naar aanleiding van het artikel van Dr. van Gelder heeft de heer A. Zijp in een volgende aflevering der Bijdragen 1) omtrent het vermogen in dat jaar een uitvoerige en ingenieuze berekening gemaakt, die voor 't grootste deel in een naschrift door van Gelder is aanvaard, waarin hij het vermogen der Alkmaarsche burgers in 1514 schat op: 19,000 g. aan grondbezit binnen de jurisdictie, ± 88,000 g. aan «rrondbezit buiten de jurisdictie, 100,000 g. aan huizen, d.w.z. ruw 200,000 g. aan onroerende goederen, vermeerderd met ongeveer de helft van dit bedrag aan roerend goed, d.w.z. in het geheel tusschen de 3 en 4 honderdduizend. Absoluut zeker echter zijn de cijfers, die van Gelder in zijn artikel geeft omtrent den vermogenstoestand in het begin der dertiger jaren, aangezien hij deze ontleend heeft aan de cohieren omtrent het vermogen der Alkmaarsche burgers, opgemaakt ten dienste van de gelden, die de stad toen moest opbrengen voor een bede aan Karei V.
Uit die statistiek blijkt, dat van de 1000 gezinshoofden, die Alkmaar toen telde er 720 waren met een vermogen van 100 gulden en meer en 220 met minder of zonder, terwijl 60 bedelden. Deze 720 zijn verdeeld als volgt:
I) A. Zijp, Iets over den econoraischen toestand van Alkmaar in 1514, Bijdr. 4e r. deel IX, p. 187.
63
Aantal ^ iT Percentage
Klasse. personen PercentaSe Vermogen van het geheel
o—ioo 380 38 11,000 2.01
IOO—250 172 17.2 43.45° 7-95
250—500 186 18.6 71,850 13-14
500—1000 129 12.9 96,95°
ïooo—1500 46 4-6 59,800 10.94
1500—2000 33 3-3 . 60,103 10.98
2000—3000 3° 3-° 93.90° 17-17
3000—4000 13 1.3 47,200 8-63
4000—5000 8 0.8 37.6oo 6.87
5000—10000 2 0.2 13.500 2.46
10000-hooger 1 0.1 12,000 2.19
totaal 547,500
Of globaler, wanneer men de inwoners verdeelt in 5 categorieën, degenen, die niets bezitten, de klein-bezitters tot 500 gulden, de middelklasse van 500—2000, de rijken van 2000 —10000 en de groote bezitters boven de 10,000, ziet men dat tot de eerste klasse behooren 6 pCt. van het totaal aantal, tot de tweede 67.8 pGt, tot de derde 20.8, tot de vierde 5.3 en tot de vijfde 0.1 pCt. Van Gelder constateert, dat 73 pCt van den geheelen rijkdom der stad zich in dat jaar bevond in handen van kleinburgers, handwerkers en neringdoenden, de rest in handen van een gering aantal personen, waarvan eigenlijk slechts 2 of 3 noemenswaard boven de omgeving uitstaken. Men moet hierbij wel in aanmerking nemen, dat de waarde van het geld sinds het einde der 15e eeuw enorm was veranderd. Volgens A. Sassen bedroegen, herleid tot de tegenwoordige waarde, 2,585 g. in 1494 resp. in 1514 en '32 2,285 en 1.92, zoodat de 75,000 R.g. van 1494 in 1532 waard zouden geweest zijn 95,645 g. In ieder geval blijkt er echter een groote vermeerdering van rijkdom, vergeleken met het einde der 15e eeuw en een belangrijke vergeleken met 1514, wanneer men de berekening van den heer Zijp voor dat jaar als juist mag aannemen. Maar zooals Van Gelder zegt, het karakter der stad is en blijft „gekenmerkt als kleinburgerlijk." „Noch naar beneden noch naar boven zijn de andere klassen krachtig ontwikkeld met dit verschil, dat de kleine groep der rijkeren in het min of meer erfelijk of althans uitsluitend bezit is van de regeeringsmacht." En, gaat hij voort, „gaan wij de geschiedenis van Alkmaar's economische ontwikkeling na, de wisseling van korten voorspoed en herhaalden tegenslag, dan is het natuurlijk, als bij die grootere kapitalen geene of althans maar zeer weinige — en bij de grootste geen — gevonden worden, ontstaan uit eenig (stedelijk) bedrijf: het is alles grondbezit of daarmede verwant (hypotheken, renten)". De klasse-
64
tegenstelling bestaat dns „tusschen een in hoofdzaak nijvere kléinbezittende burgerij en een gering aantal rijkeren en in hoofdzaak grondbezittenden, die de regeerende klasse vormden. Er ts een verschil van beteekenis niet slechts in de grootte van het bezit maar voora in de geaardheid ervan." Een tegenstelling, die bovendien nog verscherpt wordt door den drang naar uitbreiding van grondbezit in een gewest als Noord-Holland, waar voor de patricische, de groote burgerij, het verwerven van meer grondbezit reeds de meest normale en aangewezen wijze van vermeerdering van rijkdom was i). _
Deze klasse of liever dit groepje van grondbezitters bevond zich ook in het bezit van de politieke macht in het stadje en maakte daarvan o-ebruik om ook de lasten zooveel mogelijk af te wentelen op de klasse der kleine bezitters. De voornaamste blijvende belasting vormden ook hier gelijk in bijna alle steden, de accijnzen, de penningen op de voornaamste verbruiksartikelen. Deze nu waren zoo geregeld dat bv. het bier der rijken minder zwaar belast was dan dat der middenklasse en de wijn minder zwaar dan het bier, de betere tarwesoorten minder dan de r bij wijze van „gratie 2)
TdTv^ Gelder wijst op het groote onderscheid met de bezitsverhoudingen in een JLZJ* van dien tijd^ Leiden, *J^^J££ lakenindustrie meegedeeld. Zie voor de resultaten van dat onüe
mijn Onderzoekingen enz., p. 28.
65
teruggegeven of kwijtgescholden, maar in 't geheel bleef er dan toch nog een uitgave voor extra-ordinaris beden van bijna 70,000 p. of 2257 p. per jaar gemiddeld, die dit kleine en betrekkelijk arme stadje moest opbrengen aan een centraal gezag, dat daarvoor geen enkelen dienst terug bewees. Immers: het centrale gezag, de regeering te Brussel, besteedde dit geld aan het voeren der oorlogen van de wordende absolute monarchie, en het verzamelde zich ten slotte in de geldkasten der wereldbankiers van dien tijd te Augsburg, te Antwerpen enz., die den vorst de sommen tegen woekerrente leenden, welke hij noodig had om de moderne jong-kapitalistische oorlogen te voeren. De geheele gemiddelde opbrengst aan de centrale regeering bedroeg dus in die 30 jaar 3402 p. per jaar. Een geweldige aderlating, die de kapitaalsaccumulatie in dit stadje, gelijk in zoovele andere enorm tegenwerkte, maar die ook nog een ander gevolg had, namelijk concentratie van geldbezit in de handen van de klasse der rentetrekkende grondbezitters. Immers: de opbrengst aan de centrale regeering was vaak te hoog, dan dat zij uit de gewone middelen kon worden opgebracht en de stedelijke regeering was dus wel verplicht die bedragen zich te verschaffen door het uitgeven van lijf- en losrenten. Reeds in 1494 was de stad belast met een jaarlijkschen rentelast van 1762 p., maar in 1514 bedroeg deze reeds 4397 p. en van 1520—26 werden voor 17693 p. aan los- en lijfrenten verkocht. Ook op deze wijze werkte de uitzuigerij door het vorstelijk absolutisme dus de kapitaalsaccumulatie der nijvere, neringdoende kleine burgerij in een stadje als Alkmaar tegen, aangezien de lasten, opgebracht aan de centrale regeering, het de klasse der onproductieve uitbuiters (grondbezitters en renteniers) mogelijk maakten hun geld te beleggen in stedelijke renten, terwijl zij dit anders wellicht in handel, nijverheid of scheepvaart hadden moeten doen.
Vooral na 1530, toen de uitgaven van de centrale regeering veel zwaarder werden, en toen de stedelijke regeering dientengevolge de belasting van 1 dubbelen st. voor elke 100 g. bezit, wekelijks te betalen, dus van 52 dubbele st. per jaar op 100 g. bezit, geregeld ging heffen, ontstond er dan ook een diepe ontevredenheid onder de kleine burgerij, waarvan dr. Van Gelder de sporen heeft aangetroffen in de archieven, waar herhaalde gijzelingen en boeten wegens wanbetaling worden vermeld. En waar de economische „conjunctuur" in die dagen ook weer bizonder slecht was — dit geldt voor geheel Holland, zie daarover b.v. weer Posthumus en mijn bespreking van zijn boek — was er voor die ontevredenheid zeker alle reden. Tal van rekesten aan de Keizerlijke Majesteit geven ook aan die stemming uiting. Daarbij kwam in 1532 nog een nieuwe plundering door de soldaten van 's Keizers zwager, den verdreven koning van Denemarken, die de stad groote sommen
66
kostte zoodat 't ons waarlijk niet behoeft te verwonderen, dat ook m dit stadje de politieke en maatschappelijke ontevredenheid in dte jaren haar eerste hoogtepunt bereikte en gelijk elders zich natuurlijk uitte op
" dTa^Ï; zijn contingent leverde aan de groote Wederdoopers beweging der jaren i532 en volgende zal na het voorafgaande zeker geen verwondering wekken.
Dr Van Gelder geeft dan ook als conclusie van zijn studie een op sommin, van de redenen, die de groote meerderheid der Alkmaarsche bevoTking, de kleine nijvere burgerij, met diepe ontevredenheid over de bestaande politieke en godsdienstige inrichtingen moesten vervullen. Behalve de hier reeds genoemde ontevredenheid over de uitzuiger, der centrale regeering en de stedelijke regeering was er immers.ook noo- alle reden voor deze grootste klasse om de geestelijkheid, de kloostergeestelijkheid, te verwenschen. Niet alleen toch droegen de klooster^ in Alkmaar gelijk elders, niets bij tot de stedelijke lasten, maar bovendien deden zij ook hier de kleine burgerij een sterke concurrentie aan door „groote neringe van weven en spinnen.
Al deze ontevredenheid zou, gelijk dr. Van Gelder opmerkt, zoodra de omstandigheden daarvoor rijp werden, zich opnieuw, gelijk m I533 reeds bij een deel 't geval was geweest, „vlot worden tot verzet tegen de machten, die de economische opkomst der kleine burgerij belemmerden door hun politieke onderdrukking of uitzuigerij.
Vergeleken met de kleine, maar zoo inhoudrijke studie van dr Van Gelder! is, wij zeiden het reeds, het resultaat van Dr. Van Marles werk over de opkomst van Hoorn tamelijk mager. De auteur heeft voor zijn studie den zelfden vorm gekozen als bv. de hoogleeraar Blok voor de geschiedenis van Leiden, d.w.z. hij beschrijft in een aantal hoofdstukken alles, wat uit de archieven en de literatuur bijeen te brengen is omtrent de afzonderlijke instellingen of onderwerpen, de geschiedenis van Hoorn betreffende. Het gevolg is, dat er geen beeld ontstaat maar een reeks vrij dorre beschrijvingen van allerlei bizonderheden, chronologisch gerangschikt en niet door den auteur in verband gebracht met t overige Wanneer wij dit werk van een jongen historicus, beschikkena over he -eheele apparaat der moderne geschiedeniswetenschap, vergelijken met dat van den i7e eeuwschen kroniekschrijver, die de geschiedenis zijner vaderstad toen schetste, het werk van den bekenden Velius, dat langen tijd voor Hoorn het geschiedwerk is gebleven, dan valt de frischheid en de betrekkelijk gesproken hoogere wetenschappelijke waarde van dezen laatste in 'toog. De heer van Marle beschikte over meer ge gevens dan Velius, al miste hij ook tamelijk wat van hetgeen Velius tot zijn beschikking had, maar zijn boek is er niet interessanter door ge
67
worden. Slaan wij bv. het hoofdstuk financiën op, dan vinden wij daar wel eenige belangrijke gegevens omtrent de lasten, die Hoorn had op te brengen aan het Centraal gezag en omtrent den aard der excyzen. De excyzen brachten in Hoorn bv. op in 1506 5 541 p. en bleven in de volgende jaren om dat cijfer schommelen, maar aangezien wij uit 's heeren van M.'s boek niet vernemen, hoe groot nu eigenlijk het vermogen was der Hoornsche burgerij, kunnen wij geen vergelijking maken met bv. Alkmaar wat betreft den druk dier accijnzen op de burgerij. Zoo ook vinden wij er geen overzicht van de sommen, die Hoorn in den loop der jaren moest betalen aan de centrale regeering, noch van de mate, waarin de stad langzamerhand met rente werd belast. Waarschijnlijk stelden de gegevens, die de heer van M. uit de archieven tot zijn beschikking had, hem niet in staat dergelijke overzichten samen te stellen, maar wij bemerken zelfs niet, dat hij het verlangen om ze te leeren kennen, heeft bezeten en heeft ingezien, hoe eerst dergelijke mededeelingen een stedelijke geschiedenis verheffen boven het peil van pure locale belangen en belangstelling, haar in verbinding brengen met de nationale geschiedenis. Juist met de financieele geschiedenissen der steden ligt dit zeer op den voorgrond, zoo zeer, dat men met eenige overdrijving kan zeggen, dat de voorgeschiedenis van den Nederlandschen opstand te vinden is in de financieele geschiedenis der steden van de gewesten, een geschiedenis, welke trouwens voor 't grootste deel nog niet geschreven is.
Omtrent de economische ontwikkeling van Hoorn levert de heer van M. zeer weinig, wat wij niet uit de Enqueste en de Informacie kunnen leeren en hetgeen hij meedeelt is alweer een reeks bizonderheden zonder vereenigenden band of centraal gezichtspunt. De vraag bv. in welke verhouding de landbouw, de nijverheid en de scheepvaart in Hoorn op het einde der 15e eeuw tot elkaar stonden en hoe die verhouding zich wijzigde, wordt niet gesteld, laat staan opgelost.
Alles bij elkaar genomen kan de beroepsgeschiedschrijver aan 's heeren van Marle's boek wel een aantal nieuwe bizonderheden ontleenen voor de geschiedenis van dit Hollandsche stadje, maar als bijdrage tot de geschiedenis van het Nederlandsche volk is het boek vrij waardeloos.
Ook hier zien wij dus weer, hoeveel tijd en arbeid op wetenschappelijk gebied verspild wordt juist door de geringe bekendheid, die het Marxisme ten onzent nog heeft onder de historici. In het belang der geschiedeniswetenschap zou het even dringend noodig zijn dat daarin verandering kwam als in dat van het proletariaat.
Een briefje van professor Quack
DOOR P. A. PIJNAPPEL.
In de juist, onder den titel „Van Christen tot Anarchist", verschenen levensherinneringen van Domela Nieuwenhuis komt een citaat voor uit een hem 23 November 1903 door prof. Quack geschreven briefje, dat een oordeel inhoudt over de door mij in den achtsten jaargang van dit tijdschrift geplaatste recensie van Nieuwenhuis' Geschiedenis van het Socialisme.
De uit dat briefje aangehaalde zinnen luiden aldus:
„de kritiek van den heer Pijnappel gaat buiten uw boek om. Zij is een gevolg van oppositie en wrok. Van objectiviteit in beoordeeling is geen sprake. De twee stroomingen in het socialisme botsen hier tegen elkander."
Zij bevatten derhalve niet slechts een veroordeeling van mijn arbeid - waarop ik niet inga, daar ieder ze zelf kan toetsen —, maar ook van mijn karakter: ik zou hebben geschreven uit wrok.
Prof. Quack heeft mij na de publicatie dezer aantijging zijne verontschuldigingen aangeboden. Openlijke intrekking achtte hij, daar het gebeurde zeven jaren geleden plaats vond, onnoodig. Ik verschil daarin met hem van meening. Mijns inziens ware openlijke intrekking plicht. Nu hij dit nalaat is het mijn taak daarin te voorzien. Met vermijding van twistgeschrijf tegen den 76-jarigen constateer ik dit eene: het oordeel is onwaar en de schrijver wist dit. Ik stel dit openlijk vast. Prof. Quack moge er zich stilzwijgend bij aansluiten. Anders zou hij mij helaas noodzaken het te bewijzen, den door Nieuwenhuis ingeslagen weg ook te betreden en tot publicatie van eenige zijner uitlatingen betreffende dit geval over te gaan.
Een en ander over de industriëele ontwikkeling van Nederland
DOOR
W. VAN RAVESTEIJN JR.
(Vervolg.)
II.
Behalve ia de metaal-, de textiel- en stroocartonnijverheid, zagen wij de vorige maal, bekleedt de groot-industrie reeds een belangrijke plaats in de glasindustrie benevens in zekere takken van de fabricage van voedings- en genotmiddelen als de cacao- en suikerindustrie. Gaan wij ook van deze industrietakken de gegevens door den heer Ph. Ketner meegedeeld na, dan zien wij het volgende.
In de glas- en aardewerkindustrie vinden wij, wat betreft de fabricage van glas, één fabriek van spiegelglas met ± 450 arbeiders te Sas-van-Gent werkzaam met Belgisch kapitaal, verder een aantal over het geheele land verspreide inrichtingen voor het bewerken van vensterglas, dat overigens in ons land niet wordt vervaardigd. Deze glasslijperijen en spiegelfabrieken zijn niet tot de groote industrie te rekenen en er worden verder geen gegevens over meegedeeld. Daarentegen worden opgenoemd 6 fabrieken (2, waarvan 1 tevens aardewerkfabriek te Leerdam, 2 te Nieuw-Buinen, 1 te Diemen en 1 te Maastricht met ± 2800 arbeiders) voor de bewerking van fijn kristalglas en eenvoudig glaswerk voor huishoudelijk en technisch gebruik. Deze fabrieken produceeren voor een waarde van 3 millioen per jaar en exploiteeren een groot deel harer productie. Het gemiddelde aantal arbeiders in deze branche is dus ± 460. Volkomen groot-industrie is ook de flesschenfabricage over 't algemeen op hoog peil, hoofdzakelijk export-industrie, in een syndicaat vereenigd, dat op zijn beurt aangesloten is aan het Europeesche syndicaat van fleschfabrieken, waarvan het 7,0 der productie vervaardigt, geschat op 10 millioen flesschen, ter waarde 6 a 61/2 millioen. Ook deze industrie is plaatselijk uitermate verspreid en telt 10 fabrieken, die op zichzelf staan, benevens 4, die voor het eigen gebruik der distilleerderijen werken, waaraan zij verbonden zijn.
5
7°
Alles bijeengenomen telt het overzicht in 1909 in werking ± 30 glasfabrieken met ± 6500 arbeiders, waarvan 15 in Zuid-Holland met ± 3500 arbeiders, gemiddeld dus resp. + 210 en ± 230 arbeiders per fabriek. Men mag dus wel rekenen, dat de 14 flesschenfabrieken een kleine 3000 arbeiders zullen tellen, wanneer wij nagaan, dat de hierboven opgenoemde 7 fabrieken in andere branches der glasindustrie er te samen ± 3250 tellen. De groot-industrie neemt dus ook in dezen productietak een reeds overwegende plaats in, maar is weer gekenmerkt door een zoo sterk mogelijke plaatselijke decentralisatie.
Wat de aardewerk-fabricage aangaat, noemt de schrijver een 20-tal fabrieken, voornamelijk te Gouda, van eenvoudig aarde- en pottebakkerswerk, vervaardigd van ruwe materialen, wier afzet over 't algemeen vermindert en waaromtrent geen andere gegevens worden meegedeeld. In de industrie van fijner wit en beschilderd aardewerk daarentegen heerscht de groot-industrie. Drie fabrieken te Maastricht met ruim 2900 arbeiders hebben de productie hiervan in handen en vervaardigen ook een groot deel van het in ons land geproduceerde porcelein Zacht kunstaardewerk en faïence wordt in een aantal plaatselijk zeer verspreide inrichtingen vervaardigd zonder dat er nadere gegevens omtrent de grootte van deze inrichtingen worden meegedeeld.
Fabrieken van Goudsche pijpen, die er in de 18e eeuw naar schatting aan duizenden arbeiders het bestaan leverden — in 1751 waren er 374 pijpenmakersbazen, die gildegeld betaalden te Gouda — vond men in 1857 te Gouda nog ten getale van 54. Thans zijn er nog 6 met ± 220 arbeiders, waarvan 1 met ± 140. Wij hebben hier nog handwerk voor ons.
In het geheel, zien wij dus, noemt het overzicht alleen in de grootindustrie dezer productietakken werkzaam een getal van een kleine 10000 arbeiders.
Van den Tempel naar Vliegen noemt in de industrie van fijn aardewerk en porcelein benevens in de glasfabricage werkzaam 4765 arbeiders, terwijl het aantal georganiseerden in de steen- pannen- fijnaardewerk-, porcelein- en glasindustrieën in 1909 1959 bedroeg.
Bedenken wij echter dat dit getal van 1959 bij van den Tempel vergeleken wordt met het aantal van 16.382 arbeiders, verkregen door bij de 4765 in de hier beschouwde industrieën volgens Vliegen's berekening op te tellen de 11,617 arbeiders volgens deze zelfde berekening werkzaam (in 1899) in de steen- en pannenfabricage, dan zien wij, dat het percentage georganiseerden ook hier nog weer veel ongunstiger blijkt te zijn dan uit Van den Tempel's opgaven blijkt. Immers wij verkrijgen als een veel te laag schattingsgetal voor het aantal arbeiders in deze vier productietakken werkzaam in 1909 het cijfer van ± 22.000 arbeiders, wanneer wij de 10.000 uit de groot-industrieele bedrijven der
7i
glas- en aardewerkindustrie optellen bij de 11.617 arbeiders, die tien jaar geleden werkzaam waren in de steen- en pannenfabricage.
Gaan wij nu over tot de groep industrieën, samengebracht onder de rubriek voedings- en genotmiddelen, welke zooals de heer Ketner zegt, zeer uiteenloopende bedrijven omvat, die, na de bouwbedrijven, het grootste aantal werkkrachten in beslag nemen, het grootste aantal inrichtingen — fabrieken en werkplaatsen — in gebruik hebben en wier productie een belangrijk aandeel vertegenwoordigt in de totale waarde van hetgeen de nijverheid hier te lande voortbrengt, dan vinden wij hier eveneens in enkele takken een overwegen van de groot-industrie, takken, die tevens een belangrijk deel van hun productie naar het buitenland uitvoeren. Wij volgen het overzicht van den heer K. op den voet.
Cacao- en chocoladefabricage. Er zijn nu 40 fabrieken met ± 3500 arbeiders, waarvan 10 te Amsterdam, 6 te Rotterdam, 3 te Weesp, 7 aan de Zaan, 3 te den Haag, 2 te Haarlem, 2 te Alkmaar, 2 te Breda, 1 te Bussum, Deventer, Hilversum, Helmond, Nijmegen. Behalve deze zijn er nog een 20-tal fabrieken van suiker- en chocoladewerken, waar niet van de grondstof af wordt gewerkt. In deze 40 fabrieken zijn dus gemiddeld een kleine 90 arbeiders werkzaam, maar het zal bekend zijn dat er enkele zeer groote zich onder bevinden.
Van den Tempel geeft naar Vliegen een aantal van 1411 arbeiders aan als werkzaam in de cacao- en chocoladefabricage. Het blijkt, dat dit aantal nog niet de helft omvat van het in 1909 in deze industrie werkzame. Afzonderlijk georganiseerd zijn deze arbeiders niet, zij worden ook door Van den Tempel gerangschikt onder de bakkers, cacao-, chocolade en suikerbewerkers, wier totaal aantal volgens Vliegen's opgaven in 1899 bedroeg 16741, waarvan in 1909 bijna 2000 georganiseerd waren.
Meel. De geschiedenis van deze industrie levert een uiterst interessant, wijl sterk bewogen ontwikkelingsbeeld, gekenmerkt door dramatische omwentelingen, katastrofen en een voor ons land ten slotte razend snelle concentratie. Terwijl er tusschen de jaren '70 en '80 niet minder dan 80 grootere en kleinere meelfabrieken in ons land bestonden, waren er na twee revoluties in de jaren '85 en '95 in 1901 nog slechts 26 en in 1906 nog slechts 17 over. Deze 17 fabrieken hebben nu echter een hoogen trap van technische volmaking bereikt, en werken juist daardoor nog slechts met een betrekkelijk klein aantal arbeiders namelijk ± 900. De buitenlandsche concurrentie vooral heeft hier een enorme toeneming van het constante ten opzichte van het variabele kapitaal ten gevolge gehad. Behalve deze 17 zijn er natuurlijk nog een aantal kleinere inrichtingen, waar roggemeel en de neven- en afvalproducten der tarwebloem-industrie worden gemalen en verwerkt, doch deze komen wat het totaal der productie betreft niet in aanmerking.
72
Het gemiddelde aantal arbeiders in deze branche bedraagt dus voor de 17 fabrieken ±52; Van den Tempel volgens Vliegen geeft onder de rubriek fabrieksarbeiders 3176 arbeiders als werkzaam in de meelfabricage. Aangezien er in 1901 nog 26 fabrieken bestonden is het mogelijk, dat sinds dien het aantal arbeiders in deze branche ook door het verdwijnen van ettelijke fabrieken gedaald is. Misschien echter zijn in het getal 3176 een aantal arbeiders uit andere, verwante bedrijven begrepen.
Voor de brood-, koek- en beschuitjabricage noemt het overzicht met het aantal arbeiders werkzaam in het bakkersgrootbedrijf, zoomin als in de coöperatieve ondernemingen en de kleinbedrijven. Elders zijn hieromtrent, meen ik. cijfers gepubliceerd. Omtrent de koek- en beschuitfabricage worden ook geen getallen genoemd. Wel wordt vermeld, dat er een 1 o-tal biscuit-fabrieken bestaan met te zamen 560 arbeiders. Zeker is, dat de groot-industrie ook in deze branches reeds een tamelijk belangrijke plaats inneemt.
De njstbewerking geschiedt in 9 stoomrijstpellerijen, die te samen ± 570 arbeiders hebben, gemiddeld dus ongeveer 63. Evenals de meelfabrieken behooren echter ook deze tot de grootindustrie, daar zij technisch hoog ontwikkeld zijn. De grootste rijstpellerij produceert evenveel als vroeger 40 windpelmolens, waarvan er in 1855 aan de Zaan nog ongeveer 55 bestonden.
Hetzelfde geldt voor de gortpellerij, waarbij men aan de Zaan 3 groote inrichtingen telt met ± 150 arbeiders, terwijl er bovendien over 't geheele land verspreid een 30-tal grootere grutterijen bestaan met ± 300 arbeiders. Het totaal arbeiders in deze industrie is dus ± 450 in de groote en middelbedrijven, met een gemiddeld aantal arbeiders van resp. 50 en 10.
Beide voorgaande categorieën komen in het overzicht van Van den Tempel niet voor.
Met de margarinefabricage komen wij weer in een branche, waar de eigenlijke groot-industrie duidelijk overheerscht. Het overzicht telt 19 margarinefabrieken met ± 2000 arbeiders, waarvan 5 met ± 1000 te Rotterdam alleen. De gemiddelden aan arbeiders over 't geheele land en in Rotterdam bedragen dus ± 100 en + 200, over 't land zonder Rotterdam ± 70. Ook deze industrie werkt evenals de cacao- en chocolade-industrie voor een groot deel voor export.
Van den Tempel geeft voor 't aantal arbeiders in deze industrie het cijfer 989.
Met de koffiebranderij en -pellerij komen wij in een branche, waar ook de groot-industrie haar intrede reeds heeft gedaan. Er zijn 8 koffiepellerijen, waar de koffie ook machinaal gesorteerd wordt, gevestigd te Amsterdam (5) en te Rotterdam (3). De meeste werken met stoom-
73
kracht; sommige behooren aan veemen, bij den koffiehandel betrokken. Het aantal arbeiders wordt niet opgegeven. Daarentegen geschiedt dit wel voor de koffiebranderijen, waarvan er in 't geheel een 125-tal grootere en kleinere bestaan met ± 1700 personen, waarvan in ZuidHolland 33 met ± 600 en daarvan de grootste te Rotterdam. De gemiddelden bedragen hier dus resp. ± i3en± 18. Het kleine en middenbedrijf overweegt hier dus, hoewel het groote reeds bestaat:
In de bewerking van cichorei en peekoffie is in de laatste jaren ook 't machinale bedrijf doorgedrongen, wat betreft het branden en verpakken. Er zijn ruim 35 fabrieken met ± 250 arbeiders, zoodat hier het kleine bedrijf nog overweegt.
Beide voorgaande branches worden in Van den Tempel's overzicht
niet genoemd.
De fabricage van gedistilleerd en gist behoort, zooals bekend, tot de belangrijkste onderdeden der voedings- en genotmiddelenproductie in ons land De overzichtschrijver deelt daaromtrent ook veel wetenswaardigs mee. Te onderscheiden valt, a de fabricage van moutwijn, hoofdzakelijk uitgeoefend in de graanbranderijen te Schiedam, b die van gerectificeerden spiritus, in hoofdzaak uit graan of melasse (fabrieken te Delft, Sappemeer, Bergen op Zoom en Zevenbergen), c het verwerken van moutwijn of moutwijn en spiritus in distilleerderijen, d de bereiding van likeuren. Gist wordt tegelijk met moutwijn en graanspiritus geproduceerd.
Het aantal branderijen, waar dus moutwijn en graanspiritus wordt geproduceerd, dat in 1885 nog bedroeg 439 voor het geheele land, waarvan 415 in Zuid-Holland, was in 1908 gedaald tot 126, waarvan 121 in Zuid-Holland. Deze industrie is vooral wat betreft den gistexport, sterk achteruitgegaan. Daarentegen is de spiritus-fabricage snel opgekomen.
Terwijl er in 1895 in graanbranderijen nog 650, 680 H.L. gedistilleerd werd vervaardigd tegen 21.197 H.L. in melasse-spiritusfabrieken, bedroegen deze getallen in 1908 resp. 442-573 en 287.957 H.L.
Jammer is echter, dat het overzicht voor geen der takken van deze toch zoo belangrijke industrie, het aantal arbeiders opgeeft, behalve van enkele likeurstokerijen, waarvan in de twee voornaamste elk 60 arbeiders werkzaam zijn. Ook bij Van den Tempel missen wij voor deze industrieën een opgave.
Ditzelfde geldt ook voor een nog jonge, maar reeds vrij belangrijke industrie, die van vruchtenwijnen, sappen, siropen, jams enz., welke reeds een vrij groot aantal belangrijke inrichtingen telt. Opgaven over 't aantal arbeiders daarin werkzaam ontbreken in ons overzicht.
Daarentegen geeft het over de bierbrouwerij belangrijke gegevens. Sinds het begin der 19de eeuw is er ook op het gebied dezer industrie
74
een belangrijke concentratie merkbaar, die echter natuurlijk voornamelijk dateert uit de laatste helft der eeuw en bovendien zeer ongelijk, over 't geheele land genomen, zich heeft doorgezet. In 1818 waren er nog 678 brouwerijen in Nederland; in 1858 was dit aantal, door vermindering der consumptie, gedaald tot 466. Dit getal heeft zich sinds dien ongeveer gehandhaafd, niettegenstaande de productie belangrijk is toegenomen, wat b.v. reeds duidelijk blijkt uit de vervijfvoudiging van den export sinds 1870. In 1908 waren er nog 449 brouwerijen, waarvan echter 362 alleen in de twee zuidelijke provinciën, verder 24 in Gelderland, 27 in Zeeland en slechts 23 in Zuid- en Noord-Holland te samen! Voor de overige provincies blijven er dus slechts 13. In het Noorden en Midden van het land heeft dan ook een sterke vermindering van het aantal plaats gehad, daar de industrie zich hier meer en meer concentreerde in groote, technisch hoog ontwikkelde ondernemingen. Daartegenover staat een vermeerdering van het aantal brouwerijen met 40 in de laatste halve eeuw voor Limburg, waar evenals in Brabant de kleine industrie op dit gebied dus nog zeer levensvatbaar blijkt. De groote brouwerijen vindt men te Amsterdam (6), Rotterdam (2), den Haag en Maastricht, terwijl er ook nog te Amersfoort, Arnhem, Breda en Hengelo bestaan van eenigen omvang. Van deze bezitten 6 meer dan 100 arbeiders elk. Rekent men als minimum aantal arbeiders voor de bovengenoemde 14 grootste inrichtingen 1000, wat zeker niet te veel is, dan blijkt dat de overige 435 te samen + 2000 arbeiders hebben, dus gemiddeld 4 a 5. Dit zijn dus besliste kleinbedrijven. Vermelding verdient nog, dat er in Brabant nog een 1 O-tal zelfstandige mouterijen bestaan, terwijl de groote brouwerijen meestal meer ijs produceeren dan zij zelf gebruiken. Evenwel zijn er ook nog enkele speciale ijsfabrieken.
Het aantal arbeiders in de bierbrouwerij, + 3000 volgens ons overzicht, wordt door Van den Tempel naar Vliegen aangegeven als te zijn 1763. In 1909 waren 964 brouwers georganiseerd. Omtrent de azijnmakerij wordt alleen vermeld, dat er 82 over het geheele land verspreide fabrieken bestaan, die uit verschillende stoffen azijn vervaardigen. De productie neemt af door het toenemend gebruik van azijn-essence, in enkele fabrieken hier te lande en vooral ook in het buitenland vervaardigd. De suikerindustrie behoort tot die takken, waarin de grootindustrie reeds meester is van het terrein. Men zal weten, dat deze industrie in de 19e eeuw een totale revolutie heeft ondergaan doordien de vroeger in ons land bloeiende suikerraffinaderij (rietsuiker), welke nog eens na 1813 opleefde, zoogoed als verdwenen is en plaats heeft gemaakt voor de beetwortelsuikerfabricage. In 1839 waren er nog een 60-tal suiker-raffinaderijen, waaronder eenige van grooteren omvang. In 1858 werd de eerste beetwortelsuikerfabriek opgericht te Zevenbergen. Thans zijn er 27 beetwortelsuikerfabrieken, waarvan 17 in Westelijk
75
Noord-Brabant, met in 't geheel 7500 arbeiders gedurende de campagne, dus gemiddeld bijna 280. Wij hebben hier dus volledige groot-industrie, die echter gekenmerkt wordt door de eigenaardigheid, dat het grootste deel der arbeiders slechts gedurende een zeker seizoen werkzaam is. De productie is van 1887--88 tot 1908 gestegen van 40 tot 209 millioen K.G.
De suikerraffinaderij is nu geconcentreerd in enkele groote inrichtingen van aanzienlijke capaciteit, in 't geheel II, waarvan de grootste twee te Amsterdam met resp. 750 en 400 arbeiders. Deze beide inrichtingen verwerkten in 1908 alleen 159 millioen K.G. ruwe suiker.
Verder vermeldt het overzicht nog een aantal kandijsiroopfabrieken.
In 't geheel zien wij, zijn in de suikerindustrie ten minste een goede 9000 arbeiders werkzaam, waarvan echter een groot deel slechts seizoensgewijze.
Van den Tempel noemt 987 arbeiders, werkzaam in de suikeraffinaderij, terwijl voor de beetwortelsuikerindustrie Vliegen's opgave luidt 1363 boven de 18 jaar. Organisatie onder de arbeiders in deze zoo belangrijke industrietakken is er practisch niet, wanneer men nagaat, dat er in 1909 932 georganiseerde „fabrieksarbeiders" waren, onder welke rubriek Van den Tempel ook de arbeiders in waschinrichtingen, in de olie-, de papier- en stroocarton-, de meel- en de margarinefabricage samenvat.
De tabaksindustrie behoort, zooals ieder weet, tot de belangrijkste uit deze groep. In den loop der 19e eeuw is de sigarenindustrie, een van haar onderdeden, al de andere over 't hoofd gewasschen. Vooral 't aantal tabakskerverijen is in de tweede helft der 19e eeuw verminderd, wat echter tevens een grooten technischen vooruitgang en snelle concentratie in deze branche heeft teweeggebracht.
De sigarenindustrie, nog steeds overwegend handwerk, is hoofdzakelijk gevestigd in Noord-Brabant, met name te Eindhoven en omstreken en voorts in de steden. In Noord-Brabant alleen zijn meer dan 180 grootere en kleinere sigarenfabrieken. Het overzicht schat het aantal arbeiders — ongerekend die in huisindustrie? — op ruim 20000.
Het aantal tabakskerverijen bedraagt ruim 250 met + 3200 arbeiders. Hierbij zijn er een groot aantal van zeer geringen omvang.
De sigarettenfabricage wordt gedreven in 4 belangrijke fabrieken.
Hoewel het overzicht geen cijfers geeft, kunnen wij toch zeggen, dat in de tabaksindustrie het grootbedrijf reeds een aanzienlijken omvang heefs bereikt. Fabrieken met 100 en meer arbeiders zijn niet zeldzaam. Van den Tempel naar Vliegen geeft als aantal arbeiders in de tabaksindustrie 14578, waarbij een zeer groot aantal jeugdige werkkrachten kunnen worden opgeteld namelijk 6781. Wij zien, dat ons overzicht het aantal arbeiders in de verschillende branches — zonder de sigaretten-
76
industrie — schat op ten minste een kleine 24000. Hiervan waren in 1909 7173 personen georganiseerd.
De productie van verduurzaamde levensmiddelen is zeer veelomvattend en heeft zich snel tot een der belangrijkste exportindustrieën ontwikkeld. Zij is te verdeelen in 4 hoofdtakken, namelijk die van geconserveerde vleeschwaren, van verduurzaamde melk, van verduurzaming van inheemsche groenten en ten slotte van verduurzaamde andere spijzen (soepen, visch, enz.). Al deze bedrijven zijn door verschillende grootere en kleinere fabrieken vertegenwoordigd, zegt ons overzicht, waaronder zeer uitgebreide ondernemingen. Ook hier dus reeds een belangrijke intrede van de groot-industrie.
Verdere bizonderheden omtrent dezen productietak zijn, dat er een 25-tal fabrieken over alle deelen van 't land verspreid bestaan van geconserveerde vleeschwaren enz, ± 35 grootere en kleinere van verduurzaamde melk met ± 2000 arbeiders. Het gemiddeld aantal arbeiders bedraagt hier dus ± 57. Van deze 35 behooren 7 tot één groote onderneming. Van verduurzaamde groenten en andere levensmiddelen vindt men een 20-tal fabrieken.
Het totale aantal arbeiders in deze industrieën, hoewel niet opgegeven, mag dus ongetwijfeld als minimum geschat worden op 4000.
Van den Tempel geeft deze categorie niet op.
Ook de zetmeelindustrie is belangrijk en snel in beteekenis toegenomen. Hiertoe behoort in de eerste plaats de stijfselfabricage, in 't geheel omvattend 11 fabrieken met ± 400 arbeiders, waarvan 3 met ± 300, die maïsstijfsel vervaardigen. Deze drie behooren dus tot de groote industrie; de overige 8 met 100 arbeiders tot de kleine en gemiddelde.
De voornaamste branche der zetmeelindustrie wordt echter gevormd door de bewerking der aardappelen als grondstof, vooral in de Groninger veenkoloniën. De aardappelmeelindustrie vormt hierbij het belangrijkste onderdeel van het bedrijf, dat ook dextrine en glucose produceert. Er bestaan nu 32 aardappelmeelfabrieken, waarvan 24 in Groningen, 2 in Friesland, 4 in Drente en 2 in Overijsel, benevens 12 glucose- en dextrinefabrieken. Van deze 44 fabrieken zijn 72 % gevestigd in de provincie Groningen en werken 7 op coöperatieven grondslag. In 't geheel zijn er in deze industrieën + 2500 arbeiders werkzaam. Zij werken voor een belangrijk deel voor export. De groot-industrie is er reeds overwegend, ook al bedraagt het aantal arbeiders gemiddeld nog geen 100 (56).
Van den Tempel noemt onder de fabrieksarbeiders ook deze belangrijke categorie van arbeiders in groote bedrijven niet op.
Wanneer wij ten slotte de zoutbewerking nog genoemd hebben, zijn wij aan 't einde gekomen van het overzicht der onder de productie van voedings- en genotmiddelen ressorteerende industrieën. Wij slaani
77
de veelszins interessante geschiedenis dezer industrie over om te con~ stateeren, dat er in 1908 nog 35 zoutziederijen in ons land waren, waarvan de 6 belangrijkste in Zuid-Holland. In deze 35 zijn ± 500 arbeiders werkzaam.
Tellen wij het aantal arbeiders, onder de voorgaande rubrieken door onzen overzichtschrijver genoemd, op en rekenen wij daarbij voor die industrietakken, waarvoor hier geen cijfers zijn gegeven, het aantal arbeiders volgens de opgaven van Vliegen in 1899 er werkzaam, dan krijgen wij het volgende lijstje:
Cacao- en chocoladefabricage . . 4000 (minimum). Meelfabricage 9°°
Brood-, koek- en beschuitfabricage: 13567 (broodbakkerij), benevens 4466
jeugdige personen. 1763 (koek- en banketbakkerij), 821 jeugdige personen. 560 (biscuit) volgens ons overzicht.
Fabricage van rijst, enz 1020.
Margarinefabricage 2000.
Koffiefabricage 2000 (minimum).
Cichoreifabricage 250.
Fabricage van gedistilleerd, enz. ?
Fabricage van vruchtensappen, enz. ?
Bierfabricage 3000.
Azijnfabricage ?
Suikerfabricage 9000.
Tabaksfabricage 24000.
Fabric. v. verduurz. levensmiddelen: 4000 (minimum).
Zetmeelfabricage 2500.
Zoutfabricage fi>o.
Totaal . . . 69050.
Men zal opmerken, dat dit cijfer alle waarde mist, wanneer het er om te doen is een eenigszins juist denkbeeld te krijgen van het aantal in de verschillende onder de groote rubriek voedings- en genotmiddelen gerangschikte industrieën werkzame arbeiders. Wij geven dit ook onmiddellijk toe. Het aantal arbeiders in de fabricage van gedistilleerd en gist, zoowel als van vruchtensappen en azijn, is er b.v. in 't geheel niet in opgenomen, terwijl het zeker ettelijke duizenden bedraagt; dat van de bakkers enz. is ongetwijfeld veel te laag. Doch het cijfer heeft eenige waarde als grensgetal, aanduidende, dat het aantal arbeiders in deze verschillende, ten deele reeds vrij sterk geconcentreerde industrieën zeker meer dan 70000 bedraagt. Het aantal georganiseerden in al deze bedrijven nu bedraagt, volgens Van den Tempel, in 1909: 932 fabrieksarbeiders, 1996 bakkers enz., 964 drankbereideis, 7173 sigarenmakers enz., totaal 11065; welk getal nog geringer blijkt, wanneer men de
78
sigarenmakers, die relatief 't beste georganiseerd zijn, afzonderlijk rekent. Dan immers wordt de verhouding nog geen 4000 georganiseerden tegenover een aantal van meer dan 46000 arbeiders.
Ten slotte moeten wij nog opmerken, dat ook voor deze groep van bedrijven, waarvan in vele branches reeds de groot-industrie overwegend is geworden, met enkele uitzonderingen de plaatselijke decentralisatie weer bizonder sterk in 't oog valt.
Wij gaan nu nog aan de hand van 't overzicht de gegevens na omtrent de andere nog niet besproken nijverheidsgroepen.
In de eerste plaats dan de boek- en plaatdrukkerij en boekbinderij.
De boekdrukkerij neemt hierbij natuurlijk de voornaamste plaats in. De heer Ph. Ketner telt in 't geheel ± 600 drukkerijen van alle grootten met ± 14000 arbeiders, gemiddeld dus + 23.
Het volgend lijstje geeft eenig denkbeeld van de verschillende concentratie in dit bedrijf naar gelang van de plaats:
Aantal Aantal Gemiddeld
drukkerijen. arbeiders. per drukkerij.
Amsterdam . ' . ±90 ± 35°o +39
Rotterdam. . . ± 60 +1700 ±28
Den Haag. . . + 3° ± Hoo + 36
Haarlem ... ± 20 +800 ±40
Groningen. . . ± 25 ±650 ±26
Utrecht. . . . ± 20 ±650 ±32
Leiden .... ± 15 + 45° ±3°
Arnhem . . . + 10 ±300 ±3°
Nijmegen ... ± 10 ± 400 ± 40
Totaal. . . 280 ± 9850 ± 35
Deze drukkerijen zijn technisch goed ingericht en op de hoogte van hun tijd. De overige meerendeels kleine inrichtingen in kleinere steden en op het platteland, ten getale van ± 320, tellen dus samen nog ongeveer 4150 arbeiders, gemiddeld ± 13.
Omtrent de grootte der bedrijven in deze industrie worden geen verdere cijfers meegedeeld, maar 't zal bekend zijn, dat een aantal inrichtingen het gemiddelde aantal arbeiders in de groote steden belangrijk overtreffen.
Het overzicht noemt verder nog een 20-tal groote inrichtingen, waar langs chemischen en fotografischen weg teekeningen enz. worden vermenigvuldigd (plaatdrukkerij), inrichtingen die technisch hoog ontwikkeld zijn, zonder dat er nadere gegevens over de grootte of 't aantal arbeiders in deze inrichtingen worden gegeven.
De boekbinderij enz. is daarentegen nog voor 't grootste deel kleinbedrijf, terwijl slechts in de grootere steden enkele meer uitgebreide inrichtingen met hoofdzakelijk machinale bewerking aanwezig zijn.
79
Wanneer wij dan nog bedenken, dat er eenige fabrieken van drukstempels enz., van speelkaarten, graveerinrichtingen zijn, dan is 't zeker niet overdreven 't aantal arbeiders in al deze bedrijven werkzaam thans te schatten op meer dan 16000.
Van den Tempel, naar Vliegen, somt er op 7092, waarvan in 1909 4042 georganiseerd waren.
Omvangrijker en meer branches omvattend is weer de industrie van bouwmaterialen, welke ten deele in den laatstén tijd een snelle ontwikkeling doorloopen heeft.
Een eerste plaats neemt daarbij in de productie van baksteen. De steen- en pannenbakkerijen, gevestigd langs de oevers van verschillende rivieren, op de zeeklei in Friesland en Groningen en in Noord-Brabant, Twente en Limburg, tellen niet minder dan een aantal van +550 met globaal 19000 arbeiders, gemiddeld dus 34 a 35. In Gelderland alleen zijn er ± 180. In de laatste jaren heeft het bedrijf eindelijk de revolutie doorgemaakt, die tengevolge van de goedkoope arbeidskracht langen tijd uitbleef: in de meeste bedrijven is nu machinale arbeid ingevoerd; terwijl verschillende groote steenfabrieken nu technisch volkomen op de hoogte van den tijd zijn.
De eerste kalkzandsteenfabriek dateert eerst van 1898; nu zijn er 18 met ± 275 arbeiders (gemiddeld 15), die naar de nieuwste eischen zijn ingericht en een groote productie hebben.
Cementsteen wordt vervaardigd in ± 50 fabrieken van cementwaren, ongerekend een moeilijk te schatten aantal kleine fabriekjes. Het aantal arbeiders wordt niet opgesomd, doch mag zeker veilig geschat worden op meer dan 500.
Zelfstandige dakpanne?iïzbn&k&n vindt men ruim 90 met ± 1600 arbeiders, dus gemiddeld + 18. Hiervan zijn er ± 50 in Limburg alleen. Bovendien zijn er 20 fabrieken met ± 500 arbeiders, waar pannenbakker ij gepaard gaat met tegelfabricage. De industrie produceert veel voor export.
Wat de tegelfabricage betreft, deze is te verdeelen in die van vloeren van wandtegels. De ouderwetsche vloertegels (estrikken of plavuizen) werden en worden met de hand gevormd en wel als onderdeel van de pannenfabricage. Daarnaast is de machinale fabricage opgekomen daar de eerste nog slechts op 't platteland worden gebruikt. Een fabriek met ± 160 arbeiders te Maastricht produceert o. a. hardgebakken vloertegels. Het overzicht somt verder een aantal tegelsoorten op, langs zeer verschillende wegen vervaardigd in een aantal sterk verspreide ondernemingen, waarvan verscheidene met de nieuwste inrichtingen voorzien, doch het geeft geen gegevens over de grootte dier inrichtingen noch over 't totaal aantal arbeiders, in deze branche werkzaam.
Dit is wel 't geval wat betreft de industrie der aardenbuizen. Grès-
So
buizen vervaardigen 14 fabrieken met 430 arbeiders (gemiddeld 30), waarvan 3 van de grootste vereenigd tot één vennootschap. Onverglaasde draineerbuizen worden vervaardigd in een 20-tal fabrieken en fabriekjes, overal verspreid. Ook deze industrietak is sterk toegenomen.
De kalk-portlandcement- en tras-industrie is ten deele nog zeer ouderwetsch; de schelpkalkbranderij behoort tot onze oudste industrietakken. Er zijn' nu nog 50 kalkbranderijen met ± 300 arbeiders, over 't algemeen dus kleinbedrijven. Portlandcement wordt slechts in één fabnek vervaardigd; de tras-industrie is bijna te niet gegaan: er zijn nog slechts 1 5 trasmolens over.
Omtrent het gewapend beton, een der nieuwere industrieproducten, wordt alleen meegedeeld, dat er verspreid over 't land 16 fabrieken van bestaan. Hetzelfde geldt voor het asfalt. Tien fabrieken produceeren asfaltpapier; een enkele ook asfaltbrooden. Platen voor muurseparaties, sanitaire vloeren enz., worden in een aantal fabrieken vervaardigd, waarvan de heer Ketner alleen zegt, dat ze zich uitbreiden. De steenhouwerij ten slotte is hoofdzakelijk nog kleinbedrijf. Grootere inrichtingen (machinale) zijn er een 30-tal, terwijl 2 fabrieken kunstmatige molensteenen uit magnesiet vervaardigen.
Gelijk men ziet is het ook voor deze industrietakken weer met goed mogelijk tot een schatting te geraken, doch wanneer men van enkele van de branches, waarvoor hier geen aantal arbeiders opgesomd wordt, slechts een minimum van b.v. ± 10 per fabriek aanneemt, en men telt deze getallen op bij die, waaromtrent wel gegevens worden meegedeeld, komt men reeds tot een minimum van ± 24,000 in deze industrieën werkzame arbeiders.
Van den Tempel naar Vliegen noemt op voor de steen- en pannenfabricage 11,617 arbeiders, waaronder zoo goed als geen georganiseerden.
Onder den verzamelnaam chemische nijverheid vat de statistiek een o-root aantal industrietakken samen, „die zeer uiteenloopen wat den aard en de bestemming hunner producten betreft" en die slechts een zekere overeenkomst in de wijze van bereiding gemeen hebben. Sommige zouden evengoed onder een andere rubriek gerangschikt kunnen worden.
In 't algemeen hebben de industrietakken onder dezen naam samengevat zich eerst in den laatsten tijd snel ontwikkeld, hoewel één althans tot de oudste van ons land behoort.
Oliefabricage. Te onderscheiden valt de bereiding van olie uit verschillende grondstoffen, als lijn- en koolzaad, grondnoten, sesamzaad en soyaboonen. De productie uit de laatste drie is in enkele groote inrichtingen geconcentreerd, vooral in de groote fabriek te Delft, de grootste in ons land. Wat de lijn- en koolzaadolie-fabrieken betreft, terwijl er in 1874 nog 536 meerendeels kleine oliemolens waren, is de olienijverheid nu geconcentreerd in grootere fabrieken, met stoom gedreven, die
8i
oliën en veekoeken voor den wereldhandel produceeren. Een groote stoomoliefabriek verwerkt evenveel als vroeger 30 windmolens. Aan de Zaan zijn er nu ± 30 en in 't geheele land, grootere en kleinere fabrieken en slagerijen ± 220 met ± 2700 arbeiders, vele tevens korenmolens of verbonden met zeep-, vernis-, lak- en smeerfabricage. Naast groot-industrie vinden wij hier dus nog een belangrijk aandeel der kleine nijverheid,
De kaarsenfabricage is geconcentreerd in 2 fabrieken met resp. ± 600 en ± 550 arbeiders, beide voornamelijk voor export werkend en op een hoogen trap van technische ontwikkeling. Zij produceeren ook glycerine, zeep, oliezuur (oleïne of elaïne), stearinepek. Eén fabriek van ± 40 arbeiders produceert nog enkel kleine kaarsjes.
Van den Tempel naar Vliegen geelt als aantal arbeiders bij de oliefabricage 1602, voor de kaarsenfabricage geen cijfer. Te samen tellen beide industrietakken, zooals wij zagen, minstens een goede 4000 arbeiders, die zoo goed als niet georganiseerd zijn (zie aantal georganiseerde fabrieksarbeiders).
De zeepfabricage is te verdeden in die van zachte kali- en harde natronzeepen. De industrie heeft vooral onder den invloed van de accijnsafschaffing in 1893 een bewogen ontwikkeling doorgemaakt. In 1875 waren er 60 fabrieken van zachte en 17 van harde zeep; in 1890 resp. 64 en 27; na de afschaffing van den accijns op zachte zeep ontstonden er vele nieuwe fabrieken, zoodat er weldra 75 waren. Dit leidde tot overproductie, zoodat er nu nog ± 4$ zijn met + 850 arbeiders. Het aantal fabrieken van harde zeep wordt niet opgegeven. Er zijn er echter zeer belangrijke, die ook voor export werken. Het totaal aantal arbeiders in dezen industrietak moet dus minstens meer dan 1000 bedragen.
Fabrieken van kunstmeststoffen noemt het overzicht er een 6-tal, de belangrijkste, zonder opgave van aantal arbeiders. Het zijn evenwel belangrijke inrichtingen.
Verfstoffen in allerlei vormen — echter bijna geen koolteerproducten — worden vervaardigd in ruim 80 fabrieken met ± 1200 arbeiders,
gemiddeld dus 15.
Stoffenververijen en chemische wasscherijen zijn over 't geheele land verspreid, meestal op bescheiden schaal en in 't geheel ten getale van ± 60 met ± 1400 arbeiders, waaronder 1 te Almelo met ± 570 arbeiders, 1 te Sloten met ± 100 en 1 te Rotterdam met ± 60 arbeiders, zoodat de overige 57 ± 670 arbeiders tellen (gemiddeld 11 a 12).
Onder de talrijke overige bedrijfstakken, die in deze groote rubriek zijn samengebracht, vermelden wij alleen nog die, waaromtrent het overzicht eenige gegevens van beteekenis meedeelt. Een groot deel dier bedrijfstakken verkeert nog als 't ware in staat van wording.
82
Benzine wordt voornamelijk geraffineerd in één groote inrichting te Rotterdam, die in de helft der binnenlandsche behoefte voorziet en bovendien nog exporteert. Deze inrichting produceert ook kunstterpentijn. Ook de paraffine wordt slechts in èèn groote onderneming gefabriceerd en geraffineerd, welke tevens gasolie produceert. Ook de buskruitfabricage berust in handen van één onderneming met twee fabrieken, die resp. ± 80 en ± 35 arbeiders gebruiken. Pyrotechnische fabrieken zijn er enkele. De fabricage van artikelen van kaoetsjoek en gutta-percha is eerst in opkomst, telt echter reeds eenige inrichtingen. De fabricage van inkt en aanverwante stoffen, is tamelijk beteekenend. Belangrijke fabrieken worden er 7 genoemd. De productie van beenderlijm en verwante artikelen vindt o.a. plaats in 2 groote fabrieken, die van vleeschlijm in enkele kleinere.
Meer gegevens worden meegedeeld omtrent de lucifersfabricage. Deze industrie is* door een syndicaat, opgericht in 1880, ten deele geconcentreerd in Eindhoven, nadat drie fabrieken elders waren stopgezet. De fabriek te Eindhoven telt nu + 350 arbeiders. Onafhankelijk van deze werken te Breda 2 fabrieken met ± 300 arbeiders. De industrie werkt ook voor export.
Fabrieken van zwavelzuur, azijnzuur, aetherische oliën enz., kristalsoda, worden genoemd zonder nadere bizonderheden.
Belangrijker is de lichtgas-industrie, die, voor een groot deel gemeentelijk bedrijf, 120 fabrieken met ± 8000 arbeiders telt, terwijl haar bijproducten (koolteerproducten) in enkele speciale fabrieken worden verwerkt tot tal van chemische stoffen.
Ten slotte vallen nog enkele andere chemische fabrieken te vermelden, als twee belangrijke van zwavelzure kinine, verder van magnesia, ammonia, chloroform enz., ether en nog eenige stoffen.
Men ziet, dat voor 't geheel dezer industrietakken ook maar niet bij benadering het aantal arbeiders geschat kan worden: voor verscheidene • tamelijk belangrijke ontbreken alle gegevens. Het totaal der arbeiders in die takken, waaromtrent wel eenige cijfers worden gegeven, bedraagt, zooals wij gezien hebben voor de olie- en kaarsen-nijverheid minstens 4000, voor de zeepfabricage meer dan 1000, voor die van verfstoffen 1200, chemische wascherijen 1400, buskruit 115, lucifers 650, lichtgas 8000, te samen ± 16365.
Onder de rubriek houtbewerking worden een groot aantal bedrijven samengevat, die ten deele hieronder schijnbaar niet thuis behooren, doch waarvan de meeste zich toch bezighouden met het bewerken van de grondstof hout.
De industrie der houtbereiding tegen bederf telt een 6-tal inrichtingen behalve die der twee groote spoorwegmaatschappijen. De grootste werkt vooral voor export.
83
De houtzagerij wordt nu in hoofdzaak in zagerijen met mechanisch arbeidsvermogen gedreven. Te samen telt men er 400 met ruim 5000 arbeiders, waarvan 25 te Zaandam met + 600 arbeiders en van de laatste 19 bewogen door stoom, gas of electriciteit. De gemiddelden bedragen dus voor deze industrie 121/2 in het land en 24 te Zaandam.
Timmerfabrieken, grootere en kleinere, vindt men ruim 70 met ± 1400 arbeiders, de meeste in Noord-Holland. De beide laatste takken produceeren vooral voor het binnenlandsch gebruik.
De meubelindustrie daarentegen produceert reeds ten deele voor de wereldmarkt, heeft wat enkele grootere inrichtingen betreft, een hooge ontwikkeling bereikt, maar vertoont overigens nog alle vormen van klein- en huisindustrie (handenarbeid) tot groot-bedrijf en speciale kunstnijverheid. Er zijn in 't geheel 40 grootere en kleinere meubelfabrieken met + 2000 arbeiders en daarnaast een 40 tal zelfstandige machinale houtdraaierijen met ± 450 arbeiders.
De behangerij en stoffeerderij is bij vele, de fabricage van spiegels en lijsten bij sommige gecombineerd met de meubelfabricage. Daarnaast staan enkele grootere speciale fabrieken van lijsten o.a. te Amsterdam.
Speciale takken der meubelindustrie zijn de stoelen- en biljartmakerijen, benevens de fabricage van ameublementen te Waddinxveen.
De wagenmakerij is grootendeels kleinbedrijf gebleven. De rijtuigfabricage daarentegen is meer in grootere fabrieken geconcentreerd, die te samen ± 1200 arbeiders in dienst hebben. Enkele van deze fabrieken vervaardigen ook rollend materieel voor spoor- en tramwagen en carosseriewerk voor motorrijtuigen.
De kuiperij is hoofdzakelijk groot bedrijf geworden, in 't bizonder in Zuid-Holland gevestigd met ruim 1300 arbeiders in dienst. De kistenmakerij, vooral die van sigarenkistjes vormt een afzonderlijk bedrijf, (grootbedrijf).
Wij komen nu nog aan een aantal bedrijven, waarin het handwerk ten deele nog geheel overweegt en die een landelijk karakter dragen. Dit geldt voor de klompenmakerij, waarin nog slechts enkele machinale inrichtingen bestaan. In 't geheel zijn er 175 met ± 800 arbeiders, vooral in Noord-Brabant. Ook de industrieën, die zich uit de griendteelt hebben ontwikkeld, dragen een landelijk karakter, als b.v. de hoepelmakerij, bij de Biesbosch en in de Lopikerwaard, ± 75 inrichtingen met ± 1000 arbeiders, en te Raamsdonk met + 200 arbeiders; de mandenmakerij, 60 ondernemingen met ± 600 arbeiders, waarvan enkele reeds met stoom werken, de stoelenmakerij (van wilgenhout) te Noordwolde, die ± 500 personen bezighoudt, eindelijk de borstel- en bezemmakerij, hoofdzakelijk kleinindustrie over 't geheele land verspreid in een 30-tal ondernemingen, waarvan enkele grootere met mechanische beweegkracht.
84
Vermelden wij ten slotte nog de fabrieken van fijner vlechtwerk, serremeubelen, enz., die buitenlandsche grondstoffen verwerken en meestal in de steden gevestigd zijn, de kurkindustrie met een iotal fabrieken, de knoopenindustrie (die ten deele andere grondstoffen dan hout gebruikt) welke een 6-tal fabrieken telt, waarvan een der belangrijkste 60 arbeiders heeft, en een zich nieuw ontwikkelenden industrie-tak, dien van celluloid-artikelen, dan hebben wij ongeveer een overzicht van de verschillende bedrijfstakken onder de houtbewerkingscategorie gerangschikt.
Voor zoover opgesomd tellen wij in al deze bedrijfstakken, groot en kleinindustrie omvattend, een minimum van i4,45° arbeiders. Van den Tempel naar Vliegen telt te samen 4187 arbeiders in de kuiperij en houtzagerij onder de rubriek houtbewerkers, waarvan er in 1909 320 georganiseerd waren. Vliegen vermeldt in zijn werk 4333 volwassen arbeiders onder de rubriek meubelmakerij, benevens 1633 jeugdige arbeiders, 2602 en 499 onder de rijtuigfabricage (spoor- en tramwagens inbegrepen). De meubelmakers en behangers, door Van den Tempel in één rubriek samengevat, tellen bij hem 7277 arbeiders, waarvan 1188 georganiseerd. In 't geheel waren dus in 1909 van alle arbeiders in deze bedrijfstakken werkzaam 1508 georganiseerd.
De industrieën, die onder de rubriek lederbeiverking vallen, verdienen wegens haar snelle ontwikkeling der laatste jaren, zeer de aandacht. De hoofdtakken zijn de leerlooierij, de schoenfabricage en de vervaardiging van drijfriemen, tuigleer, enz.
De leerlooierij, een der oudste takken van nijverheid in ons land, vroeger grootendeels kleinindustrie, verbreid over alle gewesten, heeft zich sinds 1874 meer en meer geconcentreerd, zoowel wat betreft de streek van vestiging als wat betreft het bedrijf. In 1874 waren er nog 994 leerlooierijen in ons land, waarvan meer dan de helft in NoordBrabant. Thans zijn er nog ± 460 groote en kleine met te samen ± 2500 arbeiders, waarvan ± 37° met ± 1600 arbeiders in NoordBrabant (de Langstraat). Vele grootere looierijen passen nu de snellooimethode toe.
De schoenindustrie is uit de leerlooierij ontstaan, eerst als huiswerk (in dienst van kleine, reizende kooplieden), later als huiswerk. In de laatste 30 jaar is echter ook deze industrie voor een groot deel overgegaan tot machinale bewerking, sterke arbeidsdeeling en groote bedrijven. Er zijn thans ± 60 grootere en kleinere schoenenfabrieken, hoofdzakelijk in Noord-Brabant, doch ook elders (te Amsterdam en te Lichtenvoorde). Het aantal arbeiders in dezen industrietak wordt met vermeld; wij weten alleen dat er verscheidene fabrieken zijn met meer dan 100 arbeiders.
Vliegen vermeldt onder de rubriek schoenmakerij 13,203 volwassen
85
arbeiders en 5022 jeugdige, maar hieronder zijn waarschijnlijk begrepen de duizenden gezellen der over 't geheele land verspreide kleine schoenmakerij en -lapperij.
In de rubriek lederbewerkers vermeldt Van der Tempel voor 't jaar 1909 een goede IOOO georganiseerden.
Wij hebben ten slotte — wanneer wij de diamantbewerking overslaan — nog één categorie van niet groote beteekenis te vermelden, waaromtrent in ons overzicht gegevens worden medegedeeld, namelijk de vlechtwerkindustrie.
Zij omvat de mattenmakerij, waarvan het overzicht een 12-tal grootere ondernemingen telt met + 350 arbeiders en verder de fabricage van stroohulzen, die geschiedt in 23 fabrieken waarvan 19 in Noord-Brabant, 2 in Groningen, 1 in Gelderland en 1 in Noord-Holland, met te samen + 700 arbeiders. De gemiddelden in deze industrieën bedragen dus omstreeks 30. Wanneer wij nog weten, dat behalve deze industrieën ook die van potmatten nog afzonderlijk genoemd kan worden en eenige tamelijke bedrijven telt, zien wij, dat onder deze rubriek in ieder geval meer dan n a 1200 arbeiders vallen. De rubriek komt bij Van der Tempel niet voor. (Slot volgt).
6
Fragmenten uit „Athanas"
DOOR
S. BONN.
(Athanas is een jonge Russische boer, die gedurende de revolutie onder de matrozen der oorlogs-marine wordt gestoken. Wanneer aan boord van het schip opstand uitbreekt, gaat hij zijne makkers voor.)
Het schip wiegelde mee met 't wild watergeweld en alles eraan schudde. Boven de roode vlag lagen grauwe wolken dicht. Athanas op de brug, zooals een moedig hert staat hoog boven een afgrond op rand van steile berg en stil beweegt en roert, gaf hij rustig zijn bevelen door al de koop'ren monden. En voor bij de kanonnen stond Nerus en zag toe.
Als 'n hoog wit beest op 't water lag voor hen uit 'n schip, daarachter staken masten van 'n tweede dicht erbij.
Van ver klonk de trompet, de helle tonen schalden en braken op de lucht vielen verbrokt terug.
87
Daarna klommen seinvlaggen, als vlugge snelle aapjes in gladde hooge boomen snelden ze op en neer.
Men vroeg de vlag te strijken en 't schip over te geven.
„Vuurt 1" Athanas gaf bevel
en met een donderslag
die lucht en zee doorgolfde
braakte het voorst' kanon
een vloed van laaiend vuur
en toen spogen de andren
hun vuur er achteraan;
'n wa van gloeiend rood
een roode purper-vlammensprei
een veld roode papavers
streek toen over de zee.
De smook woelde om het schip
een witte mantel toen,
en hield het gansch verholen.
De vlammen suisden door en felle slagen knalden en ramden op de lucht en bulderden geweld.
Athanas floot te marren ; en meè lei het geweld doofden de vlammen uit.
Toen lag het voorste schip van de vijand overzij scheefhellend op het water, en langzaam zonk de boeg en langzaam zonk de brug en zonken al de ra's.
De mannen riepen — ziet 1 die heeft zijn pak al beet, en die heeft afgedaan! — en juichten, zongen lied'ren.
88
Dan vloog een vuur'ge bom
van ver over de zee
en sprong over hun schip
en sloeg den schoorsteen weg
en berstte dan uiteen.
En meer nog loeiden aan en spogen vlammen vuur en gloeiend scherp metaal en razend luid geweld op al de mannen neer.
Het schip sprong hoog en laag,
'lijk razend schichtig veulen
in brandende stal omspringt.
De ra's knakten omver,
de sloepen bersten weg,
het dek werd glad geschoren.
En overal klom vuur
met rook en joelen op,
maakte éen groote vlam
die zuilen bouwde, hoog.
Dan hield het schieten op :
en machtloos en geslagen
lag 't roode schip op 't water,
'n loeiend vlammend vuur.
(De opstand mislukt. Athanas wordt gevonnist en terechtgesteld).
Petrowits is een om zijn rechtvaardigheid bij de matrozen geliefd officier, hij wordt, tegen zijn zin, tijdens de opstand op het schip gespaard en voelt zich nu tegenover Athanas te verplicht om de executie te volbrengen.
Toen traden allen aan,
in dicht gesloten rijen
stelden zij zich om de ra;
de mannen keken dof
en spraken niet. Zij leunden op
hun zwaar geweer en staarden
naar het water rollend
in witte kuiven om het schip,
of boven naar de hooge hemel
strak-glad als zilvre koepel
dof glanzend, over hen.
89
De wind zong in de touwen blies lapjes zeildoek bol en speelde in de takels. Vooruit roerde de trom, 'n doffe roffelslag neurzeurde ver naar achter.
Petrowits ging vooruit de sabel op den schouder; zes mannen scherp gewapend de spits op het geweer liepen dicht achter hem, Athanas in hun midden.
Bleek was zijn wang, aschkleurig, zijn lippen waren bloedloos vaal zijn oogen scherp en open. Hij liep het hoofd omhoog, recht tusschen al de mannen.
Veel keken vol meewaren hem in het bleek gelaat: hij keek, doch zag hen niet, want hij treurde in zichzelve om naderende dood. —
Bij de ra werd halt gehouden twee mannen bonden hem de voeten en de armen in groote zware touwen, dan werd hij opgeheschen.
Daar hing hij als een rund geheschen voor het slachten —'stonds doodt het scherpe mes. Rustig keek hij en zeker eerst rond naar al de mannen toen naar de lucht, de vogels, en toen weer neer in zee.
Daar roerde weer de trom in doffe roffelklaging.
90
De schout, na hem de dokter,
toen al de officieren
kwamen achter elkaar
in stoet naar voorgeloopen
stelden zich om de ra
en om het zestal mannen
en keken naar Athanas
die rustig hen aanzag
en hoe zij zich er stelden.
Petrowits stond ervoor het hoofd heel overbogen en diep bedroefde blik.
De schout als ongevoelig zoo strak en koud zijn stem zoo vast en scherp zijn oogen zei: „Luit'nant 't is tijd''.
Petrowits gaf geen antwoord en bleef gebogen staan.
„Luit'nant 1 staat ge te slapen? ik heb bevel gegeven".
„Ik slaap niet Schout, maar toch ik kan het niet volvoeren".
Even was 't hoofd geheven — hadden zijn oogen dringend in die des Schout's gestaard — toen zakte het weer omlaag.
„Dus gij weigert het bevel ?1
dus gij weigert Luitenant?!
Hooger schreeuwend klom zijn stem
en rood kleurde zijn slapen
en toen zijn gansche wangen
en fel lichtte zijn blik.
„Gij weigert?! „Ja ik kan niet".
„Stil maar het is genoeg „Gij zijt een officier
9i
u heb ik niets te leeren gij weet wat gij erlangt — dienstweigering voor het volk!"
Toen wendde hij zich om —
— Heeren, gij officieren ontneem die man zijn degen rukt af zijn epauletten
en doet hem binden onder
die — Athanas wees hij aan —
die daar kan wel wat hooger."
Petrowits brak van schaamte hoogrood met schreiende oogen bukte hij het hoofd voor over en dorst niet op te zien en hoorde ganschelijk niet.
„Petrowits schiet toch, schiet toch gerust ik scheld u kwijt waartoe u zoo te wagen?" schreeuwde Athanas neer en wrong zich in zijn koorden om los en neer te komen.
„Geef die schreeuwleelijk een kogel!" beval de schout den dokter. Deez' richtte zijn revolver schoot Athanas in de beenen,
— kermend trok hij die fel omhoog liet toen als lam ze hangen.
Het bloed in dikke stralen gudste langs zijn schoenen neer verfde het gele hout papaver, marokijn.
De mannen stom verslagen blikten met bange oogen, de officieren dralend kwamen met vier naar voren, met schuchtere gebaren deden zij naar het bevel.
92
Een nam Petrowits' degen en brak hem op de knie, toen, staande aan elke schouder twee, rukten zij zijn epauletten en knoopen van zijn buis. Dan heeschen twee matrozen Athanas mans-groot hooger en onder zijne voeten werd Petrowits gebonden.
Athanas roode bloed sijpelde langs zijn haren en langs zijn slaap en baard, hij rilde, sloot de oogen, en bleef zoo stille hangen.
Schoudert! legt aan I geeft vuur f klonk nu des schouts bevel.
Toen knetterden de schoten
uit zes felle geweren
en felle vlammen suisden
en ketsten op de ra's
en drongen diep erin.
'n Walm van brand en smook
en gif-benauwde damp
hing even om het schip,
dan werd 't weer vrij en licht.
Daarboven hing Athanas gebroken in elkaar — 'n groote bloem leek hij gerukt van grond en wortel gebogen en verschrompeld en rochelde te sterven; zijn lippen puilden smachtend zijn oogleên knipten zeer dan werd hij stil en dood.
En onder hem Petrowits, weg zakten zijne beenen zijn romp hing in de touwen zijn hoofd was omgeknakt
93
en liet de tong naar buiten ; het bloed van Athanas gudste hem langs de wangen.
De trommel rondde zwaar en dof, een doffe wijze.
Toen 't 's avonds donker werd. toen werd het dek geschrobt de ra's en 't touw gewasschen : de beide koude lijken liet men omlaag in zee.
„Vrome Wenschen""
DOOR
F. V. D. GOES. (Vierde Artikel).
I.
Wij trachten aan het voorbeeld van de hier behandelde bijdrage over vrouwenarbeid te bewijzen dat van het standpunt der kleinburgerlijke wereldbeschouwing niet anders dan een reaktionaire hervormingspolitiek mogelijk is. In dat geval zien wij bovendien dat de aanhangers eener reaktionaire hervormingspolitiek, welke in den toestand der betrokken personen slechts een verandering van kwaad tot erger zou brengen, niet altijd opzettelijk de partij van het Kapitaal tegen den Arbeid behoeven te kiezen, zelfs, zoover hun kennis van de tegenstelling reikt, kunnen meenen de andere keus te hebben gedaan.
Doch het komt niet op den wil, maar op de daad aan. De afkeer van het kapitalisme, die niet uit ingenomenheid met het komende, maar uit gehechtheid aan het heengaande ontspruit, die veeleer de verstoring van de burgerlijke orde betreurt dan dat hij het vooruitzicht van de proletarische omwenteling begroet, moet in utopistische tinnegieterij verloopen. Alleen in zoover onschadelijk als ze onuitvoerbaar zal blijken, zal zij verwarring brengen in de hoofden en den vooruitgang in den weg staan.
Het reaktionaire ideaal van den heer De Vooys is de herleving van het burgerlijk huisgezin. Om aannemelijk te maken, ten eerste, dat deze utopie in de lijn der maatschappelijke ontwikkeling ligt — want wie wil thans nog den naam hebben van reaktionair te zijn? — en bovendien dat van haar verwezenlijking niets dan heil te verwachten is, moet de schrijver verscheidene fikties te baat nemen. Ze zijn hoofdzakelijk: dat er geen groote, hun ekonomische funktie rakende verschillen zijn tusschen het burgerlijke en het arbeidersgezin — en dat in de plaats van de produktie thans als funktie van het gezin die van
95
het verbruik is gekomen, welke bij het arbeidersgezin enkel op een belangrijke verbetering zijner finantiën wacht om het gezinsleven te verjongen en te veredelen.
Doch de kleinburgerlijke waan dat geen bron van menschelijk welbehagen en levensgenot in zuiverheid en diepte ooit nabij zal komen aan het huisgezin uit den gulden tijd van de bourgeoisie, — een waan die van alle ekonomische formatie en daarmêe van alle historische bepaaldheid der gezinsinstelling doet afzien, die huwelijk en gezin uitroept tot universeele en absolute vormen, — bij den heer De Vooys, evenals bij anderen, is deze waan geen zelfstandige dwaling, doch veeleer de uitdrukking van het algemeene gevoelen dat de uitkomst en zelfs het oogmerk van de socialistische beweging niet anders begrijpt dan als terugkeer van de door het moderne kapitalisme aangetaste instellingen der kleinburgerlijke samenleving. De heer De Vooys droomt niet alleen van een rehabilitatie van de bourgeoisfamilie, maar zijn stoutste verbeelding maalt de van stoffelijke zorgen en maatschappelijke verdrukking bevrijde leden van een toekomstig geslacht als even zoo vele welvarende en onafhankelijke bourgeois van dezen tijd. Indien de hoogste vorm van menschelijke en sociale beschaving bereikt is door de soort van lieden die wij begroeten als heeren en dames, valt in dit gezelschap het hoogste geluk ten deel aan hen die wij papa en mama mogen noemen.
Aan de produktiewijze, hebben wij hem hooren zeggen, mankeert het tegenwoordig niet — die is overvloedig genoeg. Alleen laat de verdeeling nog veel te wenschen over. ,,De ongelijkheid der verdeeling", daarentegen is de strijd van onze dagen, ,,de grootste worsteling der nieuwere geschiedenis" gericht. Behoud, dus, van het kapitalisme, doch met wat minder voor de rijken en wat meer voor de armen, tot het toppunt van 'schrijvers revolutionaire fantasie bereikt is en alle menschen kunnen beschikken over een fatsoenlijk inkomen. De arbeiders gepromoveerd tot den rang van burgers, in het genot van een burgermansbestaan en aldus tevens voor het burgerlijk gezinsleven herwonnen — ziehier het program van den dichterlijken en geleerden arbeidsinspekteur — het min of meer bewust geformuleerde program van het kleinburgerlijk socialisme sedert vele jaren.
De heer De Vooys, de noodzakelijkheid gevoelende aan zijn luchtkasteelen althans den schijn van eenige stevigheid te geven, waarschuwt den lezer verscheidene malen dat hij zijn verwachtingen niet op het arbeidersgezin in den tegenwoordigen toestand bouwt, maar veeleer op dien meer welvarenden staat, in het genot waarvan het proletariaat zich eenmaal gesteld zal zien, zoodra slechts de geheimzinnige „regelen" welke thans een zoo bitter „ongelijke verdeeling" der aardsche goederen bewerken, door een rechtvaardiger systeem vervangen zullen zijn.
gó
De ongegrondheid van deze verwachting bestaat niet hierin dat men rekent met de mogelijkheid van betere tijden ook voor het proletariaat — maar dat men zich het bereiken van die mogelijkheid uitdenkt als een op zichzelf staand geval, zoodat de gedachte verbetering als de eenige verandering verschijnt, waardoor de toekomst zich van het tegenwoordige onderscheidt. Dit, hebben wij gezegd, is een ongeoorloofde wijl een onjuiste voorstelling. Men komt op deze wijze tot het beantwoorden van vragen die zich in de werkelijkheid niet zullen voordoen. De werkelijke problemen komen niet voort uit den loop van eene enkele, willekeurig afgezonderde verandering, maar uit de samenhangende beweging van het geheele maatschappelijke stelsel. De vraag die de heer De Vooys beantwoordt, betreft het gezinsleven van het proletariaat wanneer het in stoffelijke positie aanmerkelijk vooruitgegaan zal zijn. Wij zeggen niet dat wij dezen vooruitgang onmogelijk achten, en daarom met den heer De Vooys in het te geven antwoord verschillen. Wij zeggen dat wij dezen vooruitgang onmogelijk achten, zonder dat tegelijkertijd en in verband met haar andere veranderingen gebeuren. En wij zeggen dat van het geheel dezer veranderingen het effekt zal zijn dat aan de vraag betreffende het gezinsleven een geheel andere beteekenis dan thans zal moeten worden toegekend. Wij verschillen dus daarom met den heer De Vooys in de beantwoording, omdat wij van meening zijn dat wanneer zijn onderstelling verwezenlijkt, de groote verbetering in den toestand van de loonarbeiders ingetreden zal zijn, dan tevens de omstandigheden zoodanig zullen zijn gewijzigd, dat ook de problemen van heden niet meer zullen bestaan. De heer De Vooys daarentegen onderstelt, dat het proletariaat, kenmerk van wiens stoffelijke positie de behoeftigheid is, een kenmerk zal afleggen, dat als teeken van de „ongelijke verdeeling", onafscheidelijk van de organisatie der kapitalistische produktie, niet kan worden afgelegd zoolang deze produktiewijze voortduurt. De heer De Vooys onderstelt dat het proletariaat zal ophouden het proletariaat te zijn, en het kapitalisme, op de aanwezigheid en de funktie van het proletariaat gebaseerd nochtans voortduren. En, uitgaande van een onmogelijke onderstelling, houdt de heer De Vooys zich bezig met de ongerijmde vraag: hoe het gezin van de arbeidersklasse zich zal voordoen in een periode, die de arbeidersklasse als zoodanig niet meer zal kennen.
Wij komen thans tot een overzicht van de werkelijke beweging en haar resultaat, van het utopistisch standpunt niet te onderscheiden of te beoordeelen. De beweging leidt van het kapitalisme naar het socialisme. De uitkomst is een vorm van seksueel verkeer, passende, niet bij de lagere maatschappelijke orde door het kapitalisme omgekeerd, maar bij de hoogere orde, uit zijn eigen omwenteling geboren.
97
II.
Het uitgangspunt is de totaal ontredderde en hopeloos vervallen staat van het gezinsleven in de arbeidersklasse. De betrekkingen van de leden onderling hebben sterk geleden door de verplaatsing van den waardeproduceerenden arbeid naar de kapitalistische werkplaats, waarheen een deel van het gezin, allereerst de man, de aan het gezin ontnomen produktiemiddelen heeft moeten volgen. Het andere deel van het gezin is, ja, gebleven in het bezit van eenige produktiemiddelen, aangewend bij de produktie en reproduktie van de arbeidskracht, doch omdat het onderhoud van de arbeidskracht alleen maar den eisch meebrengt dat de arbeiders zullen kunnen leven om te werken, is het overgebleven bezit van produktiemiddelen een huishoudelijke inrichting van de gebrekkigste soort, en de huishoudelijke arbeid, voornamelijk de bezigheid van de vrouw, de zwaarste en tevens de ondankbaarste taak ter wereld. Aldus zijn de beide helften van het gezin, is zoowel de man als de vrouw blootgesteld aan de kapitalistische uitbuiting. Aan de buitenshuis werkende leden wordt van de waarde hunner arbeidsprodukten slechts zooveel toegekend als voor het onderhoud van het gezin onmisbaar is. De werkers in het gezin worden tot de uiterste krachtsinspanning genoodzaakt opdat het bedrag van die som zoo klein mogelijk kunne zijn. Tegen beide vormen van uitbuiting richt zich de socialistische arbeidersbeweging.
De uitbuiting in de werkplaats bestrijdt zij niet door den wetgever te bewegen de werkplaats voor de mannen te sluiten. Zij bestrijdt de uitbuiting dóór voor een omkeering in de ekonomische regeling van den arbeid te propageeren, zoodanig dat de vruchten van den arbeid niet langer aan een enkele klasse, bezitters van de arbeidsmiddelen, hoofdzakelijk ten goede komen. Het socialisme verlangt niet dat de arbeiders het tooneel en de instrumenten van de uitbuiting zullen vermijden en wegwerpen. Het socialisme geeft hun den raad zich van de werkplaats met haar inhoud meester te maken. Het doet hun begrijpen wat aan het produktieproces ontbreekt: dat het kapitalistisch is en kommunistisch moet worden.
Anders moet de houding zijn tegenover de exploitatie van de arbeidskracht der werkers in het gezin. Immers is de aard van hun arbeid geheel anders De arbeid binnenshuis is niet alleen ekonomisch, d. w. z. uit een oogpunt van de maatschappelijke voorwaarden waaronder hij wordt verricht, maar ook technisch, enkel als proces van arbeid beschouwd, te veroordeelen. Deze afkeuring treft niet alleen het feit dat de huishoudelijke bezigheid, geëxploiteerd wordt door het kapitaal, maar ook dat het kapitaal de vrouwen exploiteert door hun deze bezigheid op te dragen. Het produktieproces van de industrie vertegenwoordigt
den hoogst ontwikkelden vorm van menschelijke werkzaamheid, de produktie in de huishouding daarentegen haar allerlaagscen trap. De industriëele produktie levert den onmisbaren grondslag voor het kommunisme Niets is minder met de eischen van de kommunistische organisatie van den arbeid vereenigbaar dan dit oneindig versnipperde kleinbezit, het jammerlijk gereedschap der huisvrouwen. De industrie, o-root geworden door onteigening en annexatie van alle produktiemiddelen en produktieve krachten door het kapitaal, wordt ten bate van de gemeenschap door het proletariaat onteigend. Doch wat het kapitaal heeft verschoond, kan het kommunisme versmaden. De armelijke resten van produktiemiddelen aan het behoeftige huisgezin gelaten worden niet onteigend maar vernietigd. De eerste stap is de verlegging van het huishoudelijke werk naar de openbare instellingen hierboven o-enoemd Hetgeen daarentegen het kommunisme niet kan ontberen is de arbeidskracht van die volle helft der bevolking die nu, ten voordeele van het kapitaal, te midden van de huishoudelijke lorreboel haar leven verslijt, meer dan nutteloos.
Hoewel beide door het kapitaal geëxploiteerd, is het verschil tusschen den arbeid in het gezin en in de werkplaats uit een techn.sch oogpunt overweldigend groot. En men bedenke bovendien dat de arbeid met beurtelino-s de beide instrumenten, naar gelang de kapitalistische exploitatie het vordert, door dezelfde individuen, door leden van hetzelfde o-ezin wordt uitgevoerd. Uit de volmaakt ingerichte fabriek, waar geen slag werk gedaan wordt niet passende in de organisatie van het veelomvattende proces, waar de regeling van den arbeid tot een max.mum van doelmatigheid is opgevoerd, keert de arbeidster naar haar eigen woning terug waar haar een bezigheid wacht onder kondities die wel een karikatuur schijnen van den fabrieksarbeid.
Niet alleen de manier waarop, ook de omgeving waarin achtervolgens o-ewerkt wordt, bevat dezelfde tegenstelling. Met uitzondering van een zeker «retal bedrijven, waar de aard van het arbeidsproces de toepassing van hygiënische maatregelen, althans onder kapitalistisch beheer, buitensluit of bemoeilijkt, beantwoordt de werkplaats van de moderne grootindustrie doorgaans beter aan de eischen van de gezondheidsleer dan de arbeiderswoning. Dagelijks is de arbeidster er getuige van, dat het grootere moeite kost in dit beknopte verblijf orde, zindelijkheid en frischheid te behouden, dan in de hallen en zalen ingericht voor vele honderden mannen en vrouwen, in weerwil van vuil, stof, kwade dampen, afval van grondstoffen, enz. onafscheidelijk van de bestemming en van de talrijke bevolking der fabriek.
Zijnerzijds moet de arbeider, die met de best mogelijke werktuigen waren vervaardigt voor het gebruik van anderen, het aanzien boe voor zijn eigen gebruik slechts de allergebrekkigste hulpmiddelen overschieten.
99
En in het felle licht van deze kontrasten moet bij de moderne arbeidersklasse alle utopistisch heimwee naar de instellingen van het verleden verbleeken en vergaan. Haar denkbeelden van verbetering en hervorming vergezellen den stroom der maatschappelijke ontwikkeling. Wat de manier van werken betreft, moet de industriëele werkplaats als mode! worden genomen en, aangezien het niet mogelijk is de methoden van de fabriek over te brengen naar de arbeiderswoning, moet de huishoudelijke bezigheid overgebracht worden naar de openbare instelling, die met de fabriek de hooge technische organisatie gemeen heeft.
III.
Nog van een anderen kant beschouwd, vertoont de werkelijke loop van zaken deze richting.
De heer De Vooys denkt zich de aktie voor hooger loon afgescheiden van het geheel der arbeidersbeweging, waarvan zij een deel uitmaakt. Wij hebben daarentegen aangetoond, dat de armoede het kenmerk is van den staat der loonarbeiders, zoodat elke berekening zal moeten falen die de opheffing van dit kenmerk onderstelt, zonder daarbij tevens in aanmerking te nemen, dat in dit geval ook andere kenmerken van het loonstelsel verdwenen zullen zijn. Het arbeidsloon, de prijs van de arbeidskracht, is evenals alle prijzen aan schommelingen onderhevig. De beweging van het arbeidsloon hier ondersteld, is evenwel meer dan het gevolg van een voor de arbeidersklasse gunstige konjunktuur. Zij is de uitdrukking van een diepgaande verandering in de betrekking tusschen kapitaal en arbeid. Immers worden de arbeiders in dit geval ondersteld zich geldelijk ruim te kunnen bewegen, in hun huisgezin een eind te hebben gemaakt aan het gezwoeg van de vrouwen, niet langer gedwongen te zijn voor een groot deel van onbetaalden arbeid te leven. Doch wat is het dat de arbeiders in den tegenwoordigen toestand heeft gebracht? De enorme overmacht van het kapitaal, steunende op de bezitsloosheid en op de onderlinge konkurrentie van het proletariaat, dat de voorwaarden van de kapitalistische produktie, en dus ook zijn eigen afhankelijkheid, op voortdurend grooteren voet reproduceert. De overmacht van het kapitaal moet grootendeels gebroken zijn eer de regel een afwijking ondergaat, dat het maatschappelijke arbeidsprodukt, enkel verminderd met het voor de arbeidersklasse noodige levensonderhoud, het eigendom blijft van de bezitters der als kapitaal fungeerende produktiemiddelen. Dit is de oorzaak van de ongelijke verdeeling'', waarvan wij den heer De Vooys hoorden zeggen, dat zij zich „bijna met de kracht van een natuurwet schijnt doortezetten". Wij zien dat dit meer dan schijn is. En eer deze grondwet van het kapitalisme ophoudt te gelden, moet de macht in de maatschappij van
IOO
de thans regeerende klasse op het proletariaat, althans „bijna zijn overgegaan. Doch de ontzaggelijke machtsverschuiving, hoe ook haar tempo zich moge versnellen, komt niet plotseling tot stand. Eer de machtsontwikkeling van het proletariaat de kapitalistische uitbuiting weet teniet te doen en daarmeê aan de beschaafde wereld een ander aanzien te geven, zal zij eenige voorbereidende maatregelen kunnen doorzetten. Zij zal de uitbuiting beperken alvorens haar opteheffen
Van de aanstootelijkste wijze van uitbuiting is, zooals wij hebben gezien, de arbeiderswoning het tooneel. Wij hebben verklaard waarom tenminste bij de maatschappelijk geschoolde arbeiders van de grootindustrie, het ideaal van een op burgerlijken voet ingericht gezinsleven zijn aantrekkelijkheid moet verliezen. Er is evenwel nog een andere hoogst belangrijke faktor in het spel. Gelijk tevoren reeds opgemerkt beantwoordt de gezinsarbeid steeds minder aan zijn doel. Het wordt voortdurend moeilijker arbeidskracht en levenskracht te houden op de voor de industrie vereischte deugdelijkheid. En in onze wereld heeft het proletariaat, de groote massa van de bevolking, behalve de werkook de weerkracht te leveren. Onder deze omstandigheden ziet zich de regeerende klasse zelve genoodzaakt, het streven van de arbeiders tot op zekere hoogte tegemoet te komen, ja, dikwijls het initiatief te nemen, tot de stichting van de instellingen op welke de gezinsarbeid meer en meer wordt overgebracht. . ,. . , u
Deze overeenkonst van de burgelijke en van de socialistische hervormingspolitiek heeft niets verwonderlijks. Het behoeft wel niet gezegd te worden dat de bedoeling van de eene en van de andere politiek evenmin dezelfde is als het motief. De bedoeling van de burgerlijke hervormers is het behoud van de kapitalistische orde, waarvan men inziet, dat zij zonder groote veranderingen ten gunste van de arbeiders niet te behouden is. Hun motief, dus, is het burgerlijke klassebelang Maar dit belet niet dat de uitkomsten geheel en al samenvallen met het resultaat door de socialistische politiek beoogd. De uitbreiding van het volksonderwijs tot een alzijdig systeem van verzorging en opvoeding; de diverse gemeentelijke inrichtingen als wasch-, bad- en eethuizen, als bibliotheken, leeszalen, lokalen voor van gemeentewege te geven kursussen, voordrachten, muziek- en tooneeluitvoeringen, tentoonstellingen enz _ men kan niet ontkennen dat het besef van de noodzakelijkheid van deze dingen, door het socialistisch program verlangd, ook in de burgerlijke wereld steeds grootere vorderingen maakt.
Hetgeen men zich van dien kant met dit alles voorstelt te bereiken, doet weinig ter zake. Dat men bij manier van toelichting dikwijls verklaringen vindt, die met de klaarblijkelijke strekking van de aanbevolen hervormingen strijdig zijn, wil zeggen dat sommige burgerlijke hervormers zich van de dubbele, tegenstrijdige strekking bewust zijn
IOI
'geworden. Wat het kapitalistisch klassebelang eischt, strekt tevens op andere wijze ten nadeele van het kapitalisme. De halfheid van de ontwerpen, de aarzeling bij de uitvoering, de beginsellooze propaganda, is mede uit het doordringen van dit inzicht te verklaren. Wil aan den eenen kant bereikt worden wat geen uitstel gedoogt, de verlegging van den gezinsarbeid naar openbare instellingen, om aldus een krachtiger, gezonder, minder door zorgen en nooden gedrukt, ook, hoopt men, een tevredener arbeidersgeslacht te zien opgroeien, dan moet men aan den anderen kant vreezen het gezinsverband te verzwakken, en daarmee de hand te slaan aan een der hoeksteenen van het grootere gebouw der samenleving. Dit gevreesde gevolg van overigens als nuttig en noodzakelijk erkende maatregelen, wordt reeds door de kapitalistische exploitatie van den arbeid zoo zeer teweeggebracht, dat het van dit gezichtspunt beschouwd, waarlijk niet noodig is het door hervormingen die juist aan de bestaande orde grootere vastheid moesten geven, nogmaals te bevorderen. Aldus rest aan de regeeringspartijen enkel de keus geheel werkeloos te blijven of mede te werken aan veranderingen, noodlottig voor de belangen die zij geroepen zijn te beschermen. Geen enkele partij evenwel kan tegenwoordig geheel afzien van een sociaal program, te minder naarmate met meer kracht van verschillende kanten in hun eigen klasse op hervormingen wordt aangedrongen, die, zoo zij op den duur het kapitalisme ondermijnen, zijn oogenblikkelijke levensvatbaarheid ongetwijfeld zullen verhoogen. En zoo zien wij dan ook met ongelijke voortvarendheid, de kapitalistische Staat, door partikuliere vereenigingen bijgestaan, overal in dezelfde richting zich bewegen. Overal verrijzen de speciale organen, die het huishoudelijk werk aan de huisvrouwen uit de hand nemen, en die dit werk beter doen. Indien het nog weinig is bij hetgeen de volledige overwinning van het proletariaat zal brengen, is het reeds zeer veel bij hetgeen dezelfde kapitalistische Staat in het belang van de arbeiders en van de arbeiders meende te moeten doen, toen de gevolgen van het kapitalistische stelsel nog minder dreigend zich vertoonden en, vooral, zoolang de arbeiders die gevolgen zwijgend ondergingen.
Dat de arbeidersbeweging thans het streven tot verplaatsing van den gezinsarbeid met al haar macht zal ondersteunen, is voor geen twijfel vatbaar. De maatregelen waartoe de regeerende klasse gedwongen overgaat wijl de resultaten van dien arbeid steeds meer onvoldoende zijn — ook omdat hoe langer hoe meer vrouwen, hetzij dan gehuwde of ongehuwde, de huishouding voor de werkplaats verwisselen, vertegenwoordigen voor het proletariaat een doorgaande beperking van de uitbuiting, waaraan de arbeidsters in het gezin zijn blootgesteld. De gemeentelijke politiek van de arbeiderspartij bestaat voor de helft uit de aktie voor deze dingen. Elke uitbreiding van haar invloed zal
7
102
zich voelbaar maken in een uitbreiding van de gemeentelijke werkzaamheid.
Zij gebruikt haar invloed ook nog ten gunste van andere soortgelijke hervormingen. De industrie tast de verbruiksgemeenschap van De Vooys ook op deze wijze aan, dat zij het verbruik van het huisgezin naar de' werkplaats overbrengt. Zoolang de arbeiders niets te zeggen hadden, hebben zij ook hiervan de nadeelige gevolgen gedragen, somtijds, met de gedachte waarschijnlijk, dat de omgeving thuis evenmin aangenaam was. Doch somtijds ook was het direkt levensgevaarlijk, b. v. het eten in fabrieken waar gifstoffen werden bewerkt. In ieder geval moest de gewoonlijk absolute afwezigheid van alle gelegenheid voor maal- en rusttijden, voor ontspanning, voor kleeding en reiniging, het allengs ontwakende zelfrespekt van de werklieden beleedigen. De arbeidsvoorwaarden, bovendien, begonnen het voorzien in deze leemte dringender te eischen. De toenemende afstand tusschen woning en werkplaats maakt het verlaten van de werkplaats in de middagpauze bezwaarlijk. Eenige regeling ten behoeve van het personeel werd onmisbaar. De beperking van de werkuren, de verlenging en het geregelder houden van rust- en maaltijden deden meer dan voorheen verlangen naar de beschikking over behoorlijke lokalen. En een blik op de programma's van de verschillende vakvereenigingen leert ons dat de ekonomische aktie van de arbeiders ook aan de ontwikkeling van deze instellingen dienstbaar zal worden gemaakt.
Wat men, aan den anderen kant, van de uitkomsten der aktie voor loonsverhooging te denken hebbe, behoeft hier niet te worden nagegaan. Hetgeen wij willen aantoonen is dat naarmate de macht van het proletariaat tegenover het kapitaal toeneemt, instellingen voor het verbruik van de arbeiders, d. w. z. voor de reproduktie van de arbeidskracht, den gezinsarbeid zullen overnemen. Of het een geleidelijke dan wel een stootsgewijze ontwikkeling zal zijn, is uit dit oogpunt een ondergeschikte vraag. Althans zooveel is, dunkt ons, zeker dat het streven om de staatsmacht ten bate van de arbeiders in beweging te brengen, op den duur de belangrijkste en meest blijvende resultaten zal afwerpen. De ekonomische invloed van het proletariaat, wel verre van als een kleine kracht te worden beschouwd, zal meer en meer tot versterking en beveiliging van de politieke en ook van de ekonomische rechten, — kiesrecht, vereenigingsrecht, stakingsrecht — worden aangewend. Verkorting van den arbeidsduur, b.v., een verbetering van de arbeidsvoorwaarden, zal men trachten in de vertegenwoordigende lichamen tot stand te brengen — den weg naar de vertegenwoordigende lichamen, daarentegen, door de aktie in de werkplaats te ontsluiten. Een strijd voor hooger loon kan wel niet anders dan als een direkte frontaanval op het georganiseerde kapitaal worden uitgevoerd.
103
De politieke aktie, daarentegen, tast den vijand aan als van ter zijde, in zijn zwakste plaats. De vakvereeniging die om loonsverhooging vraagt, vindt den kapitalist op tegenweer tot het uiterste bereid, met de volkomen beschikking over alle middelen tot verdediging of tot een kontraaanval. De arbeiderspartij die zich de staatsmacht ten nutte wil maken, heeft kans een minder krachtig gevoerden en doeltreffend georganiseerden tegenstand te ontmoeten. Het kapitalistisch belang zelf, immers, eischt eenige inmenging van den Staat. Als ekonomische macht meer en meer gekoncentreerd, als sociale macht steeds sterker georganiseerd, zou men kunnen meenen dat het kapitaal thans onoverwinlijker is dan ooit. Tegelijkertijd echter wordt de onverdedigde, de kwetsbare kant van die positie grooter. Terwijl de kapitalistische klasse de eene helft van haar stelling voortdurend bevestigt en van een zwaardere bewapening voorziet, gevoelt zij zich genoodzaakt aan de andere zijde zich bloot te geven, aan de arbeiderseischen tegemoet te komen. Het einde moet zijn dat dat de arbeiders, hun ekonomische en politieke machtvereenigende, op deze plek de kapitalistische stelling binnendringen. Of, anders uitgedrukt, dat zij, bij voorkeur het kapitaal slag leverende op het politieke terrein, ten slotte de staatsmacht veroveren die de geduchte positie der partikuliere kapitalisten beheerscht. De belangrijkheid van den strijd op dit terrein wordt nog aanzienlijk verhoogd door de omstandigheid dat de arbeiders ook op deze wijze een steeds direkteren invloed op de arbeidsvoorwaarden kunnen uitoefenen, wijl immers de organen van den Staat steeds meer takken van kapitalistische produktie zullen moeten overnemen.
IV.
Toenemende machtsontwikkeling van het proletariaat, is onze konklusie, zal het teeken zijn waaronder de lotgevallen van het kapitalisme «n zijn laatste periode zich voltrekken. De groeiende macht zal blijken uit de toewijzing van een grooter deel van het arbeidersprodukt aan de arbeiders, doch niet in den vorm van aanmerkelijk verhoogde arbeidsloonen. Het grootere deel van het arbeidsprodukt zal hun hoofdzakelijk in de gedaante van door Rijk en gemeente verstrekte diensten en gratis of tegen lage prijzen geleverde artikelen ten goede komen. Hetgeen zij rechtstreeks uit de handen van den kapitalist zullen ontvangen, zal onbeduidend blijven bij hetgeen zij door tusschenkomst van den Staat hem zullen dwingen van het onbetaalde arbeidsprodukt hun af te staan. De arbeiders zullen niet het genot van een grooter privaatinkomen maar veeleer gezamenlijk de beschikking over openbare instellingen erlangen. Zij zullen niet meer geld om te koopen, niaar meer waren kosteloos verkrijgen.
De verbetering van hun positie, anders gezegd, zal zich voordoen
104
niet als een algemeene rangsverhooging van het proletariaat in de kapitalistische maatschappij, maar als het gevolg van hervormingen in socialistische richting. Door de machtsontwikkeling van het proletariaat verschuift de samenleving van het kapitalisme naar het socialisme. De verbetering van de positie der arbeiders kan niet anders dan door een versterking van hun macht worden bereikt. Zoo zal het ekonomisch karakter van die verbetering den overgang van kapitalisme naar socialisme moeten weerspiegelen. De nadering tot het socialisme is zichtbaar in de beschikking door de staatsmacht over een toenemend deel van het arbeidsprodukt ten behoeve van de arbeidersklasse, in de uitbreiding van de hun van staatswege geleverde diensten, in de overneming van bedrijfstakken door organen van den Staat. Zoover dit alles leidt tot verhooging van het levenspeil der arbeidende massa, is die verhooging dus inderdaad niets anders dan de op deze wijze uitgedrukte nadering tot het socialisme. De zegepraal van het socialisme is de opheffing, de nadering tot het socialisme, de beperking van de kapitalistische exploitatie.&En, hetzij door een gedeelte van het arbeidsprodukt boven het loon ten bate van de arbeiders aan te wenden, hetzij door onteigening van industrieën, doen de aangeduide maatregelen zich inderdaad als een werkzame beperking gevoelen.
De opheffing van het kapitalisme, eindelijk, is de afschaffing van de warenproduktie. De nadering tot het socialisme is de beperking van de warenproduktie. Werkelijk vertoont de verbetering van de arbeiderspositie het kenmerk van zoodanige beperking. Gedeeltelijk levert het Rijk of de Gemeente de produkten der openbare inrichtingen om niet; gedeeltelijk wordt bij de prijsbepaling afgeweken van de regelen door de kapitalistische warenproduktie gesteld. Het streven van de socialistische gemeentepolitiek, althans, heeft ten doel van de kapitalistische prijsbepaling aftewijken. In afwachting van den tijd dat gratis zal worden geleverd, wil men nu reeds den produktieprijs, die een winst bevat voor de gemeentekas, vervangen door den kostprijs, die enkel de uitschotten vergoedt. De arbeiders in de gemeentebedrijven worden door deze regeling, die aan het karakter van hun loon niets verandert, alleen als verbruikers gebaat. De winst die de verkoop hunner waren tegen den gewonen of produktieprijs zou opbrengen, wordt niet in geld gerealiseerd, maar aan de afnemers geschonken als het voordeel op de goedkoopêre waar. Op een klein getal ondernemingen toegepast, heeft dit stelsel nog-niet veel te beteekenen. Evenwel is het duidelijk, dat men het slechts algemeen zal hebben te maken, om binnen het terrein zijner werkzaamheid0 de uitbuiting te doen vervallen. Alle arbeiders doen op deze wijze afstand van de waarde welke zij boven hun arbeidsloon voortbrengen, ten behoeve van de verbruikers, dus ten behoeve van elkander. De totale meerwaarde wordt niet door het kapitaal toege-
ios
eigend, zij blijft het gemeenschappelijk bezit van alle deelhebbers, bijdragende in evenredigheid van hun arbeid, ontvangende naarmate van hun behoefte. Een zeker percentage op den kostprijs gelegd zou door het gemeentebestuur kunnen worden afgezonderd voor de kosten van openbare instellingen, niet tot de eigenlijke industrieën te rekenen, b.v. voor kunst en wetenschap, voor onderhoud van niet-werkers, enz., welker verrichtingen geheel gratis worden geleverd. Bij wijze van overgangsmaatregel zal door de arbeidersklasse, nadat haar machtsuitbreiding haar veroorlooft de openbare bedrijven algemeen te maken en op dezen voet interichten, aldus de vorm van het loonstelsel eenigen tijd gehandhaafd kunnen worden. De direkte levering aan en de direkte uitkeering door de organen van de gemeenschap, zonder tusschenkomst van koop en verkoop, zal de laatste stap zijn tot de invoering van het volledige kommunisme. De arbeider, naarmate de klasse waartoe hij behoort haar beginselen in de ekonomie van de maatschappij weet te verwezenlijken, wordt niet rijker aan geld, de absolute gedaante van de warenwaarde, maar verkrijgt de ruimere beschikking over gebruiksartikelen, waarvan de voortbrenging allengs aan de warenproduktie wordt onttrokken.
Oorzaak van de verplaatsing der huishoudelijke werkzaamheden buiten het gezin is de machtsontwikkeling van het proletariaat, tot op zekere hoogte door den eisch van het kapitalistisch belang ondersteund. Gevolgis de verbetering van zijn stoffelijken toestand. Wij hebben doen zien hoe ook uit anderen hoofde de verbetering van dien toestand als gevolg van de machtsontwikkeling te verwachten is. Het is noodig dit oorzakelijk verband in het oog te houden om de gunstige werking van den eerstgenoemden faktor, de verlegging van den gezinsarbeid, te begrijpen,
Op zich zelf beschouwd, immers, heeft alle onbetaalde arbeid ten behoeve van het arbeidersgezin de strekking het arbeidsloon te drukken. Of de onbetaalde arbeid binnen of buiten de gezinswoning verricht wordt, maakt in dit opzicht geen verschil. Naarmate de arbeider goedkooper weet te leven, kan zijn aandeel in het arbeidsprodukt kleiner zijn. Of het de huisvrouw is, dan wel een etablissement van een partikuliere nuttige instelling, van den kapitalist, van het Rijk of de gemeente die hem in staat stelt goedkoop te leven, doet, op zich zelf beschouwd, niets ter zake. Verbetering van zijn toestand, verhooging van zijn welvaart, derhalve, kan alleen dan het gevolg zijn van de verlegging van den gezinsarbeid, wanneer zij onder omstandigheden plaats vindt die de ongunstige strekking tegenwerken of opheffen. Inderdaad zijn die omstandigheden in het hier bedoelde geval aanwezig. Men behoeft niet te vreezen dat een arbeidersbeweging, machtig genoeg om den Staat te dwingen op min of meer grooten voet algemeen nuttige instel-
io6
lingen op te richten, geen weerstand zou kunnen bieden tegen aanvallen op het arbeidsloon.
De tijd ligt in het verleden, en er is geen reden om te verwachten dat hij zal terugkomen, waarin de kapitalistische klasse, met het uitgesproken doel de waarde van de arbeidskracht te drukken, door liefdadigheid op groote schaal het proletariaat tegemoet kwamen. Het was de tijd van zijn. volslagen hulpeloosheid. Nog goedkooper dan van het laagste arbeidsloon meende men de arbeiders te kunnen laten leven van aalmoezen. Doch wat de arbeiders ten geschenke krijgen, heeft niet de strekking hun welvaart te verhoogen. Het stelsel berust op een zoo diepe afhankelijkheid dat de arbeidskracht nauwelijks meer als een waar in aanmerking kwam. De arbeider, bijna een slaaf geworden, kreeg zooveel als men goed vond hem toe te werpen. Nadat dit systeem, dat den naam van toonstelsel slechts half verdiende, tot de bekende verschijnselen had geleid, die in 1834 de Engelsche armenwet ten val brachten, zegevierde voor langen tijd het tegenovergestelde beginsel.
De filantropie, leerde men, moet zich beperken tot de ergste gevallen, en zelfs dan tot een ondersteuning die de getroffenen de filantropie doet vermijden en aan een arbeidsloon, hoe nietig ook, de voorkeur geven. De afhankelijkheid van den arbeider behoort uitsluitend de afhankelijkheid van zijn arbeidsloon te zijn. Hij moet niet op andere inkomsten of hulpmiddelen mogen rekenen. Aldus zal hij gebracht worden tot de uiterste krachtinspanning in den dienst van het kapitaal, en ook zich zelf leeren respekteeren als den eenigen bouwmeester van zijn geluk. Dat geluk zou, meende men, voor ieder oppassend en werkzaam" arbeider bereikbaar zijn. Het was de tijd dat van de volle ontwikkeling van het toonstelsel het beste voor alle partijen werd verwacht, de tijd waarin de bourgeoisie het vertrouwen in haar eigen toekomst nog niet had verloren. De Staat van zijn kant had slechts toe te zien dat de rechtsbetrekkingen van het kapitalisme behoorlijk gehandhaafd bleven, — buiten die betrekkingen om inrichtingen te maken voor de arbeiders, was den Staat evenzeer verboden als de uitoefening van eenig kapitalistisch bedrijf. In haar belang niettemin heeft de regeerende klasse zooals men weet de staatsorganen zoowel voor het een als het ander gebruikt. Zij heeft b. v. van staatswege volksonderwijs doen geven en velerlei openbare diensten georganiseerd. Doch eerst in de latere tijden heeft zij de staatsorganen aan het werk gezet voor de speciale instituten ten bate van het proletariaat, aanvullende en overnemende wat, mede tot schade van het kapitalisme, het huisgezin moest nalaten of slechts hoogst gebrekkig kon verrichten. De Staat wordt hiermee genoodzaakt belangrijke afwijkingen van het toonstelsel in te voeren, evenzeer als hij door het hem opgedrongen initiatief als kapitalistisch ondernemer de omkeering van het kapitalisme helpt verhaasten.
107
Hetgeen de arbeider thans buiten zijn loon ontvangt wordt hem niet ten geschenke gegeven. Zijn machteloosheid is het die hem berusten deed in de vroegere algeheele uitbuiting, toen hij alleen zijn hand kon uitstrekken om een afgebedeld loon. Naarmate hij aan invloed wint, een beweging die gelijken tred houdt met de ekonomische ontwikkeling van het kapitalisme, verplicht hij den Staat, gebruik makende van noodzakelijkheden uit deze ekonomische ontwikkeling geboren, geheel of gedeeltelijk kosteloos, goederen te leveren, diensten te bewijzen en voorzorgen te treffen, waarvan het geheel een inbreuk op het kapitalisme, een voorbereiding en overgang tot het socialisme vertegenwoordigt. — Anders, dus, dan in het begin, toen alles wat den arbeider buiten het loon ten goede kwam, op het loon een sterken druk uitoefende, is thans elk voordeel boven het loon een blijvende winst, wijl het is een teeken van zijn macht, de vrucht van een overwinning.
Dit, wilden wij ten slotte aantoonen, geldt ook van de voordeelen te genieten uit de verplaatsing van den gezinsarbeid, — een verbetering die de moderne industriëele arbeider, ook al bleef zijn geldelijke toestand dezelfde, verkiezen zou om haar grootere doelmatigheid.
V.
In het vorig artikel onder dit hoofd zijn uit het preadvies van den lieer De Vooys reeds eenige plaatsen geciteerd ten bewijze dat de schrijver met de ekonomische funktie van het arbeidersgezin volkomen onbekend is gebleven. De heer De Vooys, zagen we, onderscheidt de ekonomische personen niet naar de herkomst en het karakter, maar naar de grootte van hun inkomen. De arbeiders zijn in zijn oog de dupes van een ongelijke verdeeling van het arbeidsprodukt. Indien hij zich de vraag had gesteld hoe dit komt, zou hij althans een kans hebben gehad om de oorzaak in het produktieproces te vinden, dat hij nu slechts van buiten, in zijn technische hoedanigheid, als een „hooggeorganiseerd" arbeidsproces kent. De onbekendheid van den heer De Vooys met het arbeidsloon, de opbrengst van de arbeidskracht, maakt dat hij evenmin de verrichting van den gezinsarbeid, de reproduktie van de arbeidskracht, kan begrijpen. Vandaar, eindelijk, dat de heer De Vooys de vervulling zijner edelste en vroomste wenschen samenvat in de leuze „terug naar het huisgezin", in werkelijkheid de herstelling of bestendiging van de meest beklagenswaardige uitbuiting, die de helft van de arbeidersklasse aan den oneindig produktiever arbeid buiten het gezin onttrekt. Onder de bestaande verhoudingen is niet de utopistisch gedachte loonsverhooging welke de arbeiders hun staat met dien eener voldane burgerij zou doen verwisselen, maar de verlegging van den gezinsarbeid buiten het gezin liet eenige middel om de uitbuiting op te heffen en de vrouwen aan
io8
den maatschappelijken arbeid terug te geven. Evenmin als van de tegenwoordige funktie van het arbeidersgezin heeft de heer De Vooys. van deze verandering in die funktie eenig begrip.
Het effekt van de kapitalistische uitbuiting der in het gezin arbeidende leden gaat hem geheel" voorbij. „Het verleenen van hulp in het gezin/' meent &hij, „vormt een band die niet door dwang maar uit vrijen wil wordt aangegaan." De heer De Vooys, ziet men, weet in de schijno-estalte welke het in de arbeiderswoning aanneemt, de ware trekken van het loonstelsel niet te onderscheiden. Omdat bij dat werk het voorschrift van den patroon wordt gemist, ziet hij niet dat de patroon er evenwel de baten van trekt. Niets, trouwens, is algemeener m de burgerlijke beschouwing van het kapitalisme dan deze grove, onwetenschappelijke onverschilligheid voor zijn meest karakteristieke verschijnselen. Gelijk de gemiddelde bourgeois doorgaans onaandoenlijk blijft voor de ellende in de arbeiderklasse; somtijds, wellicht, hoofdschuddend konstateert dat de wereldsche goederen wel zeer ongelijk verdeeld zijn, maar nooit beseft dat de armoede een hoogst kenmerkend maatschappelijk verschijnsel is, onafscheidelijk aan den rijkdom in de kapitalistische klasse verbonden — zoo gaat ook deze onderzoeker achteloos aan het schouwspel van den gezinsarbeid voorbij, met al zijn voor het loonstelsel uitermate typische eigenaardigheden. Wij willen niet zeggen dat de arbeidsinspekteur De Vooys persoonlijk onverschillig voor eenig menschelijk lijden zou zijn - alleen komt bij hem als onderzoeker nimmer op te vragen naar het Waarom. „Uit vrijen wil," schrijft hij, wordt in het huishouden hulp verleend. Maar wat beteekent het dan en hoe komt het, dat deze bezigheid altijd met de gebrekkigste hulpmiddelen en materialen wordt verricht ? Een honderd schreden verder staat de fabriek waar de echtgenoot van de huissloof, waar zij ook zelf als arbeidster de meest volmaakte werktuigen hanteert, waar alles op de doelmatigste wijze is ingericht. ... Wat wil deze tegenstelling zeggen, van welke diepere, blijkbaar den aard en de grondslagen der maatschappelijke dingen rakende oorzaken is zij het gevolg, van welke verhouding der menschen tot elkander is deze regeling van hun arbeid de stoffelijke uitdrukking?... Dat het wetenschappelijk onderzoek van de sociale verschijnselen althans beproeven moet het antwoord te geven,, komt bij den heer De Vooys niet op die zelfs de vragen niet stelt. Hem is de uiterlijke vorm meer dan genoeg, - ook wanneer de verschijningswijze blijkbaar zoo weinig aan het wezen der dingen beantwoordt, als de werkelijkheid van den gezinsarbeid in het proletariaat aan den schijn van „niet door dwang maar uit vrijen wil" te worden verricht.
„Het is," vervolgt de schrijver, „voor de vrouw iets anders te arbeideti aan een voorwerp dat man of kind genoegen zal doen, dan aan een produkt dat haar werkgever winst zal verschaffen. En voor
109
het kind is het iets anders moeder of vader bij een of andere taak te mogen helpen, dan gezet te worden aan een taak, waarvan het de beteekenis niet anders kan inzien dan dat het brood moet verschaffen." Dat onnoozele vrouwen en kinderen zoo denken, is zeker volkomen begrijpelijk. De huismoeder gevoelt het meestal nog niet, dat, hoe meer „genoegen" zij haar man en kroost tracht te doen, des te grooter „winst" zij tegelijkertijd aan den kapitalist „verschaft", die evengoed haar als hun „werkgever" is. Een verstandige huismoeder zal ook nadat zij tot dit inzicht is gekomen, haar zorg niet verminderen. Maar zij zal hebben begrepen, waarom al haar inspanning bestemd is slechts voor den kapitalist blijvende vruchten af te werpen, en dat niet het werken voor den man in het gezin, maar het werken met den man daar buiten, het beste middel is om het welzijn te bevorderen van wie haar het naaste zijn.
De lektuur van socialistische geschriften waarin de verplaatsing van den gezinsarbeid als een der voornaamste eischen van de arbeidersklasse toegelicht wordt, heeft den heer De Vooys tot dusver weinig gebaat. Dat deze verplaatsing een krachtige faktor is tot verbetering van haar stoffelijken toestand, dat zij een belangrijke plaats vervult op haar program van hervormingen, heeft zijn aandacht geen oogenblik getrokken. „Ware de socialistische voorstelling juist, lezen we, zoo zou het verbruiksleven bijna te beschouwen zijn als een automatisch hotel." De schrijver verkeert met zijn gedachten, zooals men ziet, geheel in de burgerlijke wereld. „Het hotel-, restaurant- en koffiehuiswezen, gaat hij, voort, heeft wel is waar een enorme uitbreiding gekregen, maar niet dan bij uitzondering ter vervanging van het gezin. Behalve voor het uitgebreid verkeer, zelfs binnen de groote steden, dient het grootendeels voor ongehuwden of is het naast het gezinsleven als een doe! van uitspanning gewaardeerd. Daartegenover staat een zeer sterke strooming ter verbetering en versiering der woning, en tot het-goed besteden van den vrijen tijd daarin." Voor de arbeiderswoning gekomen „staat" bedoelde „strooming" inderdaad, of vloeit zij althans zeer langzaam. Doch wat zegt dit teeken van een verbeterden smaak, zoover het, in welke klasse dan ook, iets meer is dan het volgen van een mode, die zich ook bij de inrichting van de huiselijkheid laat gelden? Wat zegt de omstandigheid dat de gemiddelde bourgeois zijn vertrekken tegenwoordig volgens betere modellen laat meubileeren enz., tegenover de allerwege in het oog vallende „strooming" die in de bourgeoisie het verbruik buitenshuis verlegt. Zelfs de heer De Vooys moet erkennen dat aan deze verlegging de tendens eigen is „tot vervanging van het gezin." Doch wat hij thans nog enkel als een „uitzondering" erkent, zal hij steeds algemeener zien worden. Hetgeen het meest tot verfijning van het leven bijdraagt, wordt thans reeds voor een overwegend groot
I IO
deel buiten het gezin beoefend en genoten — kunsten en wetenschappen. Niet de partikuliere, maar de openbare uitvoeringen, tentoonstellingen, verzamelingen, laberatoria en bibliotheken nemen toe in getal en beteekenis. Sommige andere openbare instellingen, zegt de heer De Vooys, worden „naast het gezinsleven als een doel van uitspanning gewaardeerd." Dat de heer De Vooys „doel" zegt als hij „middel" wil zeggen, is in zijn schrijfwijze niets ongewoons. Overigens gelooven we met hem dat de lokalen, die hij op het oog heeft, steeds meer als middel tot uitspanning „naast het gezin" in aanmerking komen. Anders dan hij meenen wij dat niets een duidelijker teeken is van de verzwakking van het gezinsleven dan de „enorme uitbreiding" dezer publieke gelegenheden, waarheen thans zelfs de eertijds meest intieme familie- en huiselijke bijeenkomsten van de bourgeoisie hier en daar worden overgebracht. I)
Doch wat heeft dit alles, vragen wij, te maken met de kwestie die over het verbruik in het arbeidersgezin loopt? Zelfs indien de heer De Vooys gelijk had met de bewering dat bij de bezittende klasse het gezinsleven krachtiger wordt, zou dit niets bewijzen voor de gesteldheid onder de arbeiders. De eenige voorwaarde onder welke bij hen het verbruik de kenmerken van behoeftigheid gaandeweg kan afleggen, is de verplaatsing buiten het huisgezin. De eenige overeenkomst tusschen de verandering in het verbruik bij de twee groote moderne maatschappelijke klassen, is de toenemende beteekenis van de openbare, min of meer gemeenschappelijke instellingen. Doch wat bij de bourgeoisie een teeken is van toenemende overdaad, is voor het proletariaat het streven zich te onttrekken aan de armoede. In de bourgeoisie zijn de rijken niet meer tevreden met de betrekkelijk bescheiden weelde van de private woning — het proletariaat gevoelt zich door de huiselijke ellende steeds zwaarder gedrukt.
Doch zien wij verder hoe de heer De Vooys, tegenover „Bebel, Lily Braun en vele andere feministen", zijn beschouwing verdedigt dat ook in de klasse van het proletariaat het gezinsleven aan beteekenis wint, een socialen „inhoud" erlangt van grooter gewicht.
Zijn opmerkingen over dit onderwerp willen doen uitkomen, zegt hij, „dat het spreken over de werkelijkheid van het tegenwoordig gezin niet van een puur behoud getuigt, doch ook wel degelijk een vergezicht
i) „Men ziet ook daarbij onze Kerstfeestviering van tegenwoordig zich herhalen... . Eenvoudige burgerlieden mogen er nog van houden om den Oudejaarsavond in huiselijken kring. . . te vieren — 't is de vraag geworden, of de uitzonderingen op den eerwaardigen levensregel niet zoo talrijk geworden zijn, dat de nieuwerwetsche viering de ouderwetsche kan gezegd worden te hebben verdrongen. De groote logementen en eethuizen, te Londen althans, geven zich heel wat moeite, om, op den Oudejaarsavond, de klanten van den Kerstdagavond weer tot zich te trekken", enz. (jV. Rott. Cr/, van 2 Januari iglI, korrespondentie uit Londen).
111
mogelijk maakt". Wij zullen niet betwisten dat men tegelijkertijd spreken kan en zich van een verrekijker bedienen. Evenmin zullen wij iemand verwijten dat het enkele spreken over de werkelijkheid reeds van een „puur behoud getuigt". Het is immers slechts de vraag of men over de werkelijkheid juiste dingen zegt, en of het vergezicht, al pratende geopend, hunne beweging laat zien in haar werkelijke strekking. En dit nu is bij den heer De Vooys het geval geenszins.
Wel verre van volgens de socialistische voorstelling aan beteekenis te verliezen — de eenige konditie waarop de kwaliteit van het verbruik in de arbeidersklasse weer de moeite van het bespreken waard zal worden — zal, meent De Vooys, het arbeidersgezin ook uit dit oogpunt voortdurend aan beteekenis winnen. ,,De omvang der werkzaamheden is wel in menig opzicht verminderd, doch ook stellig in vele andere opzichten uitgebreid." De reden van dit laatste is o.a. te zoeken in een zekere gehechtheid aan ouderwetsche artikelen en aan de bedrijvigheid van de huishoudelijke werkplaats. Nog altijd, verzekert de schrijver, zijn er „talrijke gezinnen waar het zorgen voor een winterprovisie niet uit geldgebrek geschiedt". Wij meenen op onze beurt te kunnen verzekeren dat eveneens het getal gezinnen niet gering is, waar het zorgen voor een winterprovisie uit geldgebrek verwaarloosd wordt. „Ook geschiedt", lezen we verder, „het vervaardigen van kleederen niet uit geldgebrek". Wij gelooven het wederom gaarne. Dat in het arbeidershuishouden de menschen dikwijls maar doorloopen met de vellen, gebeurt waarlijk niet uit weelde. En zoo gaat de heer De Vooys voort; zijn bedoeling, zoover ze uit zijn meermalen kluchtige woordenkeus valt af te leiden, is te spreken over het arbeidersgezin, dat hij met het burgerlijk huishouden voortdurend vereenzelvigt. Zelfs daar waar hij zich gedrongen voelt te erkennen, dat de evolutie welke hij, naar wij meenen ten onrechte, in de bestemming van het burgerlijke als verbruiksgemeenschap opgemerkt wil hebben, in de arbeiderswereld eerst zichtbaar zal worden, zoodra de arbeider veel meer dan thans zal gaan verdienen —• zelfs daar waar de schrijver niet kan ontkennen dat het voorhands met de arbeidershuishouding als verbruiksgemeenschap treurig gesteld is, toont hij noch de oorzaken van dit verschijnsel, noch de faktoren die als oorzaken van verbetering werkzaam zijn te hebben opgemerkt. Nog eenige citaten uit het praeadvies ten bewijze.
„In het gezin," vervolgt de heer De Vooys, „zal steeds getracht worden om aan de individueele wenschen van kleeding, voeding, versiering, reiniging, uitspanning enz. te voldoen." Dit zullen niet altijd ouderwetsche wenschen zijn, als in het geval van de lieden die om andere redenen dan „geldgebrek" zich winterprovisies aanschaffen. „Een bijzondere levenswijze, een eigenaardige hygiënische kleeding, op bijzondere wijze bereidde spijzen," b.v. — Men behoeft echter maar even
I I 2
rond te zien in elke grootere stad om te begrijpen dat thans aan verreweg de meeste zoodanige eischen juist buiten het gezin oneindig overvloediger en gemakkelijker voldaan kan worden. Voor „individueele wenschen" ten opzichte van „reiniging" biedt het welingerichte badhuis; ten opzichte van „voeding," de gaarkeuken met zijn uitgebreide spijslijsten en wijnkaarten; ten opzichte van „kleeding" het groote konfektiemagazijn of de speciale kleerenmaker zoowel voor mannen als voor vrouwen; ten opzichte van uitspanning, de lange lijst van hetgeen iederen avond in openbare lokaliteiten te genieten valt, een veel rijkere keuze en een veel doelmatiger inrichting dan, op hoogst zeldzame uitzonderingen na, de weelderigst uitgeruste en gemachineerde partikuliere woning.
De heer De Vooys ondersteunt zijn betoog op dit punt met een aanhaling van Schmoller die de middeleeuwsche behuizing met de moderne vergelijkt. „De meerderheid der tegenwoordige menschen woont sedert eenige geslachten beter dan ooit tevoren." Deze slotsom van het citaat betwisten wij geenszins. Maar dit bewijst enkel dat de kapitalistische uitbuiting grootere rijkdommen dan ooit te voren ter beschikking van de bevoorrechte klasse stelt, die aanvankelijk haar buit grootendeels naar huis sleept en in den besloten familiekring verteert. In de latere tijden evenwel is een nieuwe wending zichtbaar. Het verbruik, ook de vorm die men de weelde noemt, wordt steeds meer buiten de woningovergebracht. Niets is karakteristieker voor de moderne levenswijze dan juist de betrekkelijke openbaarheid van de weelde. Het komt zooals men weet inderdaad somtijds voor, b.v. onder de Amerikaansche financiers, dat partikuliere behuizingen voorzien worden van al de kostbare en uitvoerige inrichtingen welke men op dien voet gewoonlijk enkel in plaatsen vindt voor het publiek bestemd, b.v. met schouwburg- of koncertzalen. Doch overeenkomstig de strekking van den tegenwoordigen regel is deze overdrijving van de private weelde niet. Zulke gevallen maken veeleer algemeen den indruk uitzonderingen op den regel te zijn. Het wordt als een buitensporigheid gevoeld een woonhuis in te richten op den voet van een hotel, als een zinnelooze verspilling tot individueel gebruik te beperken wat uit zijn aard bestemd is te voorzien in de behoeften eener menigte. Het vroegere streven om in een goed logement den gasten niets van de gemakken van hun eigen tehuis te laten ontberen, is thans overgegaan in het tegenovergestelde streven om iets van de geriefelijkheden der gemeenschappelijke verbruiksinrichting na te volgen in private verblijven. De regel is thans de voorrang van het kollektieve verbruik. Voor den heer De Vooys bestaan zoodanige tegenstellingen niet. Hoe meer geld men heeft, op des te grooteren voet wordt geleeft, meent hij. Hij ziet niet dat de toedracht minder eenvoudig is, en het verbruik niet slechts kwantitatief maar ook var» karakter verandert.
"3
Wat den arbeidersgezinnen betreft, betreurt hij dat de „gezinsinkomsten" „zich verzetten tegen de inrichting der levenswijze naar eigen keuze." Een treffend voorbeeld van de macht van het kleine, zooals men ziet. Juist in de nietigheid van de inkomsten ligt de kracht van hun „verzet." Zelfs moesten in deze omstandigheden „allerlei huiselijke werkzaamheden worden opgegeven," o. a. „omdat er geen tijd en geen geld voor was." „In het laatste geval beteekende het een achteruitgang en een verwaarloozing zooals helaas nog al te veelvuldig voorkomt in het arbeidershuishouden met veel en jonge kinderen." „Maar voor een groot deel hebben de huiselijke werkzaamheden zich uitgebreid omdat de levenseischen voor voeding, kleeding en woning, alsmede die voor reinheid en verzorging meer uitgebreid zijn dan de koopwaarde(l) van het inkomen is toegenomen."
Dit laatste punt, de grootere behoeftigheid, onderzoekt de schrijver nog in eenige bijzonderheden. De arbeiders zijn niet meer met de reiniging, en ook niet met de kleeding van vroeger tevreden. Zij stellen hoogere eischen „aan de veranderlijkheid en de vernieuwing ervan." Vooral ten opzichte van de veranderlijkheid hebben de kleedingstukken inderdaad aan hooge eischen te beantwoorden. Wanneer een broek van den man tamelijk wel versleten is, b.v., moet het nog „veranderlijk" zijn in een kiel voor den jongen, enz. enz., te veel om op te noemen. En ach, zuchten we met den heer De Vooys, „was het inkomen gelijk of meer toegenomen (of ware dit althans slechts met zijn „koopwaarde" geschied) dan zouden de huiselijke werkzaamheden misschien niet zoo verzwaard zijn." In dit geval had de vrouw zich meer op de „vernieuwing" en minder op de „veranderlijkheid" kunnen toeleggen, natuurlijk. „Doch om het evenwicht toch op te houden wordt veel werk daaraan zelf verricht." „Vooral — lezen we verder — vooral de eischen van reinheid zijn sterk toegenomen en ook die van de bereiding en het gebruik der spijzen, zonder dat de verdiensten in staat stellen de wenschen zonder eigen inspanning te bevredigen." Ten slotte komt de schrijver op „de verpleging in 't bijzonder van de kinderen." „De groote vooruitgang op dit gebied die reeds verkregen is, en die nog verkregen moet worden, geschiedt niet zonder arbeid." De heer De Vooys bedoelt hier blijkbaar een anderen arbeid dan uit zijn woorden is op te maken. Hij heeft den verplegingsarbeid op het oog die thans meer inspanning dan vroeger kost. De arbeid die aan het bewerken van den vooruitgang in de verpleging wordt besteed is o. a. de propaganda van verschillende kanten voor verbeterde voeding van zuigelingen, voor geneeskundig toezicht op scholen, etc. Doch wat beoogt deze laatste arbeid anders dan het verplaatsen van den eerstbedoelden, de zoo gebrekkige verpleging van de kinderen in het arbeidersgezin?
De socialistische opvatting van de verandering waaraan de gezinstaak
ii4
in het proletariaat onderhevig is, de eenige verandering onder de kondities van het loonstelsel denkbaar, meent de preadviseur met deze redeneering te hebben weerlegd.
„Hiermede is geschetst, eindigt hij, hoe het gezin ook thans nog een inhoud heeft van stofïelijken arbeid, die ondanks de gewijzigde vormen niet is afgenomen doch eer toegenomen." En die taak zal, meent hij, „nog toenemen," „vooral bij stijgend gezinsinkomen." Men heeft echter uit de citaten kunnen zien dat de beschouwingen en voorspellingen van den beer De Vooys met den aard van het inkomen als arbeidsloon evenmin eenige rekening houdt als met de verandering welke de machtsontwikkeling van het proletariaat in de kondities van het loonstelsel zal teweeg brengen.
In den loop van zijn bijdrage komt de schrijver nog eenige keeren op de huishoudelijke toestanden in de arbeiderswereld terug, zonder evenwel ergens de verschijningswijze van de dingen te onderscheiden van de ekonomische werkelijkheid.
Er is b.v. één plaats in het preadvies waar de bezigheid van de huisvrouw breedvoerig verhaald wordt. De uiterlijke waarneming is nauwkeurig genoeg. Vergissingen zijn op dit punt trouwens wel niet mogelijk. Wat men van den heer De Vooys mocht verwachten, is de beantwoording van de moeilijker vraag naar het Waarom. Hij bedoelt hier te zeggen dat de afwezigheid van de vrouw de toestanden nog erger maakt, erkent evenwel dat het verschil niet zoo heel groot is. Doch het opmerkelijke van deze passage is wel dat de auteur, ook hier de narigheid toeschrijvende aan het eeuwige „beperkte gezinsinkomen", zonder evenmin als elders achter deze betrekking den kapitalist te bespeuren, die ook uit deze ellende een onbeperkt kapitaalinkomen tracht te slaan, in het voorbijgaan te spreken komt „van de moderne instellingen die de huismoeders verlichten." Al is het mogelijk wat sterk gezegd dat de huismoeders zeiven door deze instellingen ver. licht worden, zonder twijfel wordt haar taak er vrij wat dragelijker door gemaakt. De schrijver noemt „de koöperatieve keuken, wasch- en naaiwerk buitenshuis, schoonmaak door speciale arbeiders". De „mogelijkheid om er gebruik van te maken", helaas, is voor de arbeidsters uitgesloten, dank zij de ongelijke verdeeling die op haar beurt weer schuld heeft aan het beperkte inkomen.
Doch hoe stelt nu, vragen we ons af, de heer De Vooys zich eigenlijk den loop der zaken voor? Hij zegt, terecht, voor de arbeidsters is dat alles te duur. In zijn hoofdstuk waaruit wij zooeven citeerden, lezen wij geen woord over de moderne (maatschappelijke) instellingen. Eerder, is aldaar zijn konklusie, zullen de huishoudelijke werkzaamheden toenemen. Maar wat is dan de toekomst van de inrichtingen waarvan de schrijver, op deze latere bladzijde, enkele aanhaalt? Nog zonderlinger
115
schijnt ons dat de schrijver bij deze gelegenheid niet op het vermoeden is gekomen vau het middel om ook de vrouwen in de arbeidersklasse van het verlichtende effekt der bedrijven „buitenshuis" te doen profiteeren. Het is waar, ze zijn nu te duur. Maar dat behoeven ze toch niet te blijven, zou men zeggen. Als we ze eens van gemeentewege inrichtten en zoo goedkoop mogelijk of gratis ten dienste stelden van de „on- en minvermogenden" ? Vooral is het vreemd dat de heer De Vooys aan dit middel om de verdeeling iets minder ongelijk te maken geen oogenblik heeft gedacht, nu hij het toch waarlijk niet heeft behoeven uit te vinden. Het moet hem, verbeelden wij ons, grootere moeite hebben gekost de steeds menigvuldiger en omvattender publieke organisatie van den arbeid die eertijds gezinsarbeid was en in deze organisatie tot hoogere ontwikkeling wordt gebracht, als met geweld buiten zijn gezichts- en gedachtenkring te houden.
Doch hoe gemakkelijk het den utopisten valt hun oogen voor de werkelijkheid te sluiten, blijkt uit het laatste hoofdstuk van dit preadvies waar de schrijver over „de houding van de overheid" handelt. Hij wil zooals men weet de getrouwde vrouwen door tusschenkomst van de politie aan den onwaardigsten en pijnlijksten vorm van kapitalistische uitbuiting doen teruggeven. De heer De Vooys is niet de eerste filantroop die uit onkunde tegen de zwakken en hulpbehoevenden partij kiest. Zijn manier om de veel geplaagde huisvrouwen bij te staan, is, haar over te leveren aan de ongenade van de kapitalistische liefdadigheid, die er wezenlijk geen zier beter van zal worden dat de heer De Vooys zegt dat men haar noodig moet hervormen. En onder de maatregelen welke de overheid ter bescherming o.a. van de arbeidsters te nemen heeft — een volkomen utopistisch gedachte overheid, wederom, „die nauwkeurig en oplettend te volgen heeft, wat de arbeidersklasse tot haar materieele verheffing verricht, om juist daar waar het gevaar van een terugval en weer inzinken dreigt, de behulpzame hand te bieden" —rekent de schrijver het fameuze verbod van den fabrieksarbeid, en ook, onder bepaalde omstandigheden, van den arbeid in den landbouw.
„Andere middelen voorgesteld en toegepast om de schade af te wenden door dien arbeid aangericht" — zijn „practische ervaring" heeft het den heer De Vooys geleerd — zijn „onvoldoende". Nu, voorgesteld én toegepast is nog niet zoo heel veel bijzonders, wij erkennen het gaarne. De schrijver heeft echter ongetwijfeld van de maatregelen willen spreken die hetzij reeds toegepast, hetzij nog slechts voorgesteld zijn geworden. Indien hij enkel het nog had gehad op middelen thans hier of daar in werking, zou de bijvoeging „voorgesteld" overtollig zijn geweest; eenig voorstel immers, zal wel steeds aan de invoeringvan iederen maatregel vooraf zijn gegaan. Dat de heer De Vooys iets anders zegt dan hij heeft willen zeggen, is niets bijzonders. Des te
n8
neming geen hinderpalen in den weg te leggen, onder het welbegrepen voorbehoud, dat van Rusland zelf geen financieele of economische offers zullen worden verlangd.
2. Om tegemoet te komen aan de wenschen der Duitsche regeering nopens een verbinding van den Bagdad-spoorweg met het eventueele gebied der Perzische spoorwegen, verbindt zich de Russische regeering, zoodra dit spoorwegnet voltooid zal zijn, een lijn aan te leggen, die aan de Turksch-Persische grens de lijn van Sadije(?) naar Kanikin verbindt, en wel zoodra de zijlijn van den Bagdadspoorweg en de lijn van Konia naar Bagdad voltooid zullen zijn. De Russische regeering behoudt zich het recht voor het definitieve traject der lijn naar Kanikin vast te stellen op een nader door haar zelf te bepalen tijdstip. (Volgen nog eenige bepalingen van minder belang).
3. De Duitsche regeering verbindt zich geen spoorweg aan te leggen in een ander gebied dan tusschen Bagdad en de Russische grens en Kanikin en aan dergelijke ondernemingen in die streken noch stoffelijken noch diplomatieken steun te verleenen.
4. De Duitsche regeering verklaart, dat zij geen politieke belangen in Perzië heeft en dat zij daar slechts handelsdoeleinden nastreeft. Zij erkent anderzijds, dat Rusland in Noord-Perzië van politiek, strategisch en economisch standpunt bizondere belangen heeft. De Duitsche regeering verklaart, dat zij geenerlei plan heeft om, hetzij in haar eigen voordeel hetzij in dat van een ander, het mogen dan haar eigen onderdanen of onderdanen van anderen zijn, eenigerlei concessie na te jagen voor spoorwegen, scheepvaartlijnen en telegraaflijnen of concessies van plaatselijken aard in het gebied ten noorden van de lijn, die bij Kasr-i-Tsjirin begint, Ispahan, Yesd en Khaka(?)i) doorsnijdt en aan de Afghaansche grens in den breedtegraad van Gazik eindigt. Indien de Duitsche regeering dergelijke concessies wil najagen, dan moet zij zich vooraf met de Russische regeering verstaan. De Russische regeering zal van haar zijde voortgaan voor den Duitschen handel in Perzië het beginsel van volstrekte gelijkheid toe te passen.
Wanneer wij deze overeenkomst — gesteld zij luidt zoo of bevat althans deze bepalingen — slechts oppervlakkig beschouwen, blijkt reeds, dat zij twee zaken vooral regelt, namelijk de houding van Rusland tegenover den Bagdad-spoorweg, waarvan de lezers zich zullen herinneren, dat de concessie aan een Duitsche bankinstelling is ver-
1) De tekst is ontleend aan de „N. R. Ct." en uit het Engelsen -vertaald. Met Khaka is misschien bedoeld Kasjk, gelegen op de lijn die van Yesjd naar de Afghaansche grens de Russische invloedssfeer begrenst.
ii9
leend i) en de houding van Duitschland tegenover den Russischen invloed in Perzië. In de eerste plaats blijkt dus, dat wij hier een nieuwe episode voor ons hebben in de geschiedenis der Duitsche plannen wat betreft Aziatisch Turkije, in de tweede plaats een nieuwen stap in de geschiedenis van de omklemming van Perzië door de groote mogendheden. De overeenkomst m. a. w. raakt, dat zien wij op het eerste gezicht, deze twee rijken, het Turksche en het Perzische evenzeer. En, afgezien van de belangen van andere groote mogendheden, blijkt ook onmiddellijk, dat het Britsche Rijk bij deze overeenkomst ten nauwste is betrokken, ten eerste omdat het, zooals wij weten, groot belang heeft bij de wording van den Bagdad spoorweg, ten tweede omdat het in Perzië levensbelangen heeft te verdedigen, die de oorzaak zijn geweest dat het met Rusland in 1907 een overeenkomst heeft gesloten betreffende de wederzijdsche invloedssferen in dat land.
Het gaat dus niet aan om de Duitsch-Russische overeenkomst eenzijdig te beschouwen als rakende vooral of in de eerste plaats Perzië, zooals bv. in de „Leipziger Volksz." van 15 Jan. jl. min of meer geschiedt. Zonder in het oog te houden, dat zij zich met den Bagdadspoorweg en bijgevolg het Turksche Rijk in minstens even sterke mate bezighoudt, is zij niet te begrijpen. Trouwens: de Turken, die ongetwijfeld zelf vrij goed weten, wat hun al of niet aangaat, hebben de overeenkomst ook onmiddellijk opgevat als rakende in de eerste plaats de belangen van het Turksche Rijk. En in een van de organen der Jong-Turksche machthebbers komt een der bekendste leiders van de in het Turksche Rijk nu nog heerschende partij, Hoessein Dzjahid, bij een bespreking van de kwestie tot de conclusie, dat 't gewichtigste deel der overeenkomst gelegen is in de toezeggingen van Duitschland aan Rusland, dat het Duitsche kapitaal zich moet onthouden van allen spoorwegaanleg in het noorden van Anatolië (volgens het overzicht der „N. R. Ct."). Anderzijds wordt van Engelsche zijde de bedoeling der overeenkomst eveneens opgevat als vooral voor het Turksche Rijk van belang: „Duitschland's bedoeling is het ontwerp van den Bagdadspoorweg op een definitieven diplomatieken grondslag te plaatsen en zijn stelling in Mesopotamië te regelen," zegt de „Daily Telegraph." „Dit is, voegt dit Engelsche (unionistische) blad er aan toe, een redelijke en verstandige stap, die eenigen tijd geleden reeds had kunnen gedaan zijn met voordeden voor alle betrokken partijen."
Willen wij de beteekenis der Duitsch-Russische overeenstemming, die èn in een deel der Engelsche en in de Fransche pers reeds vrij wat ongerustheid heeft gewekt, naderbij komen, dan moeten wij terugzien
1) Voor de beteekenis van die concessie en haar ontstaan verwijs ik naar een opstel in de „Nieuwe Tijd" van Juni 1909: De Duitsch-Engelsche rivaliteit in Voor-Azië.
120
naar de geschiedenis van de Duitsch-Russische verhoudingen in dit deel der wereld en de bepalingen der overeenkomst daarmee vergelijken.
Zooals men zich zal herinneren is de Bagdad-spoorweg sinds meer dan zo jaar een van de groote objecten der Duitsche imperalistische staatkunde, een plan, dat de regeering van Wilhelm II met groote vasthoudendheid en zonder om te zien van den beginne af aan ongeveer heeft vervolgd. Maar het spreekt vanzelf, dat de Duitsche regeering bij dat streven niet alleen te maken had met Engeland, welks politieke, economische en strategische belangen bij het Tweestroomenland en de Perzische golf zoo sterk zijn betrokken, maar ook met Rusland, de noordelijke buur van het Turksche zoowel als van het Perzische Rijk en dat beide sinds de 18e eeuw onafgebroken haast, zij 't op verschillende manieren, bedreigt en afbreuk heeft gedaan. En inderdaad zien wij dan ook, dat gedurende al den tijd, dat de Duitschers de Bagdadconcessie nastreefden, zij daarbij rekening te houden hadden met Rusland. In *t kort vindt men in 't bovengenoemde opstel de fasen van die onderhandelingen opgesomd, maar 't zal goed zijn ze nog even voor den geest te roepen. Rusland dan verzette zich reeds in 1888 en volgende jaren met succes tegen het plan van den zoogenaamden „noordelijken" spoorweg door Klein-Azië en Armenië, dwz. een lijn, die van Angorah af, 't zij over Siwas en Erzinguian naar Erzeroem, 't zij over Kaisarieh zou loopen en vervolgens door Armenië en Koerdistan in het Tweestroomenland zou neerdalen. In 1899 verkreeg het Russische gouvernement de formeele belofte der Russische controle op alle eventueele spoorwegen in de wilayets Erzeroem en Trebizonde, alsmede, dat in het wilayet Siwas alleen de Turken zelf een spoorweg zouden mogen exploiteeren. En reeds in 1893 hadden de Duitschers het plan van den noordelijken spoorweg door Anatolië opgegeven en het zuidelijk tracé gekozen, ten zuiden van de Anatolische woestijn, dat nu tot aan den voet van den Taurus bestaat en waarvan de doortrekking nu vaststaat. Naar alle waarschijnlijkheid geschiedde dit, niettegenstaande de Turksche regeering veel liever den noordeLijken spoorweg gezien had — vooral om politieke en strategische redenen — reeds toen ingevolge van een overeenkomst van Duitschland met Rusland.
Deze verandering van route hangt samen met de geheele verandering in de wereldpolitieke verhoudingen, welke door het tot stand komen der Russisch-Fransche alliantie in 1891 't duidelijkst werd gedemonstreerd. Gedurende de jaren 1878—88 verzette de Britsche politiek, getrouw aan de tradities van het Manchester-liberalisme en de belangen van het handelskapitaal, dat de handhaving der integriteit van de oude Aziatische cultuurcentra verlangde, zich niet tegen de Duitsche pene. tratie in Noord-Anatolië, waarin zij hoogstwaarschijnlijk een strategische en politieke hulpcohorte tegenover de Russische bedreiging van het
121
Aziatisch-Turksche Rijk zag. In 1893 bereikten de Duitsche rails Angora, maar inplaats van toen het noordelijke traject voort te zetten, veranderden zij van richting en verkregen zij de concessie Angora—Kaisarieh. Niettegenstaande een hoogere kilometergarantie, door de Turksche regeering toegezegd, werd echter ook deze concessie in den steek gelaten en de zuidelijke route, van Eski-chehr naar Konia, ten zuiden van de Anatolische woestijn gekozen. Hoe dit te verklaren? Slechts door de Russische politiek van dat oogenblik, die, versterkt door de Fransche alliantie, nog niet alle krachten in Oost-Azië inspande, maar opnieuw met alle kracht naar Turksche en Perzische havens opdrong. De Russische belangen nu verzetten zich zoowel tegen den noordelijken DuitschTurkschen spoorweg Angora-Siwas-Erzingujan als tegen de lijn over Kaisarieh, die toch weer over Siwas in 't hart van Armenië zou terecht komen. De spoorweg naar Angora had reeds bij de Armeniërs, niet alleen in het Turksche rijk maar ook in de Russische provinciën ten zuiden van den Kaukasus, allerlei verwachtingen gewekt, die het Russische gouvernement gevaarlijk leken, maar bovendien had Rusland nog honderd andere strategische, politieke en commercieele redenen, die beide Duitsch-Turksche lijnen voor zijn belangen ongewenscht maakten. Neemt men daarbij in aanmerking dat in de jaren 1892—93 de Duitsche regeering — getuige herhaalde ontmoetingen der vorsten — alle pogingen deed om met Rusland op een beteren voet te komen dan sinds verscheidene jaren het geval was geweest, dan is 't inderdaad hoogwaarschijnlijk, dat het anders onverklaarbare opgeven van de beide bovengenoemde routen, waarvan de concessies reeds verkregen waren, een gevolg is geweest van een Duitsch-Russische overeenkomst. En deze verandering van route beteekende meteen een totalen ommekeer in de wereld-politieke beteekenis der Duitsche spoorwegen in Anatolië. Het was een totale verandering, niet slechts in de route, maar in de toekomstige rol van den Transaziatischen spoorweg: de noordelijke en centrale tracés schenen gericht tegen de Russische plannen : het zuidelijk tracé zou vroeg of laat de Engelsche verwachtingen onder den voet loopen 1).
De geschiedenis van den Bagdad-spoorweg leert ons dus, dat bijna twintig jaar geleden, toen de plannen verder van hun verwezenlijkingwaren dan nu, de Duitsche regeering hetzij door een expresse overeenkomst, hetzij stilzwijgend, zich naar de Russische wenschen betreffende den spoorweg-aanleg in Klein-Azië schikte. Doch de geschiedenis dier concessie leert ons nog meer. Wij hebben vroeger gezien, dat de Duitschers in 1903 de definitieve concessie van den spoorweg van Konia naar Bagdad verkregen volgens het ontwerp, dat deze lijn een ontzaglijke spiraal laat beschrijven over Nisibis en Mosoel, waar zij het
1) V. Bérard, Le Sultan, 1'Jslam et les Puissances p. 21S.
122
dal van den Tigris bereikt. De rechte lijn, door het dal van den Euphraat, zou veel korter zijn, doch is niet gekozen. Waarom niet? Niet alleen, omdat de lijn volgens de nu ontworpen route vruchtbaarder en meer bewoonde streken doorloopt en ontsluit maar ook omdat zij volgens dit tracé de gelegenheid biedt tot het aanleggen van zijlijnen en het ontsluiten van gebieden, die anders niet in haar invloedssfeer zouden kunnen worden betrokken. Maar bovendien zien wij, dat dit tracé, zooals het gekozen is, op verscheidene plaatsen een overeenkomst met Rusland noodzakelijk heeft gemaakt of moet maken, wijl zijlijnen ervan districten of streken bereiken, welke Rusland tot zijn invloedssfeer rekent. Dit is bv. het geval voor een zijtak naar Marasj, dat een Armenische grensplaats is, die Rusland tot zijn invloedssfeer rekent. Bérard merkt daaromtrent op i):
Van 1890—95, toen Petersburg weifelde in zijn opmarsch naar een vrije zee, scheen het, dat de keuze zou vallen op de golf van Alexandrette en dat Klein-Armenië zou dienen voor de Russische neerdaling naar Payas. Het is geen Moscovitische gewoonte af te zien van oude plannen noch de verdere toekomst te versperren. Men kan zich van de diplomatie van Petersburg niet goed voorstellen, dat zij aan de Duitschers zonder geschreven of eenvoudig slechts gedacht voorbehoud haar „poort van Marasj, haar weg naar Syrië en de Middellandsche Zee" zou overlaten. En tegen deze pretentie der Russen zou Duitschland de eenige staat zijn, die er zich niet tegen zou kunnen verzetten. Want noch Armenië noch de Westersche machten hebben ooit op Petersburg verwachtingen gebouwd, wat betreft onafhankelijkheid, herstel of hervormingen. Maar in igoo—'01, toen Zinovief van den Sultan erkenning eischte deiRussische begeerten, waren de Duitschers het, die Abdul-Hamid deden besluiten om aan de Russen alleen de eventueele lijnen der provinciën Erzeroem en Trebizonde over te laten en aan de Turken alleen de lijnen van de provincie Siwas.
Men zegt, dat Berlijn en Petersburg op vriendschappelijke manier de toekomstige aansluitingen van dat Armenische net met de lijn Konia-Bagdad hebben bestudeerd en dat er een overeenkomst zou geteekend zijn, die aan de Russen „hun" poort van Marasj overlaat. Is dit bericht ook nu nog niet gegrond dan heeft het alle kansen om het morgen te worden en die Russisch-Duitsche overeenkomst zou tot model kunnen dienen aan andere.
Nog in sterker mate zoo mogelijk worden de Russische belangen geraakt door twee andere zijlijnen van de route, zooals die volgens de concessie is toegestaan, namelijk door die naar Erbil en Khanikin. Erbil toch, het oude Arbelae, beroemd door de overwinning van Alexander den Groote op het Perzische leger, beheerscht de passen van de meest bevolkte en vruchtbaarste Perzische provincie Adjerbeidjan.
1) V. Bérard, Le Sultan, 1'Islam et les Puissances p. 278.
123
Door de valleien en de ketenen van Koerdistan zou die weg de markten van Oermiah en Tauris, de havens van Astara en Resjt op een afstand van enkele dagen brengen van Mosoel en den Duitschen spoorweg. Rusland, dat deze Perzische provincie voor zich alleen wil reserveeren, heeft zorgvuldig zijn spoorwegen en zijn wegen afgesloten voor het internationale transito-verkeer en eensklaps zou deze zijtak van Arbela de goederen, te Mersina (in Klein-Azië) afgeladen, aan de Perzische grens brengen. In plaats van voor zijn invoer af te hangen van de Russische havens der Zwarte Zee zou West-Perzië overgaan naar de clientèle der Syrische bazaars en der Middellandsche Zeehavens. „En men bedenke eens de politieke gevolgen, indien de Kaspische Zee met de rest van de wereld verbonden werd door andere wegen dan de Russische, de Kaspische Zee, welke Rusland reeds sedert tweehonderd jaar als een Russisch meer beschouwt" i).
En Khanikine is de Turksche grensplaats op een van de andere groote eeuwenoude routen naar het Iranische plateau, een dier wegen, die sinds de vroegste geschiedenis eveneens een beslissende rol op de lotgevallen niet alleen van Iran, maar van Centraal-Azië hebben geoefend. De invallen eerst, de karavanen der Khaliefen later, volgden die route van Bagdad naar Bokkafa over Hamadan, Nisjapoer en Merv gedurende meer dan 6 eeuwen. Van de vroegste oudheid af oefende die route van Ecbatana een beslissenden invloed uit op Medië en Iran. Tot op onzen tijd toe heeft die route van Kirmanchah gediend voor de relaties van Westelijk en Noordelijk Perzië met de overige Muzelmaansche wereld en met de Engelsche entrepot-bezitters in Bagdad. ',De zijtak van Khanikine zou de bedreiging van den Duitsch-Turkschen invloed brengen tot aan de grenzen van die Russische invloedsfeer, welke door de Engelsch-Russische overeenkomst in Noord-Perzië is vastgesteld" 2). En Bérard voegt hieraan toe; „Rusland en Engeland moeten in hun onderhandelingen betreffende Perzië eenige voorzorgsmaatregelen getroffen hebben tegen die plannen, ofschoon de gepubliceerde overeenkomst geen melding maakt van die Turco-Perzische wegen. Men zegt ook, dat Petersburg en Berlijn over die kwestie eenige formeele woorden hebben gewisseld en misschien zelfs al wel stukken: voor het oogenblik zou Berlijn zich verbonden hebben om zijn rechten op die vertakkingen te laten rusten. Doch het zal niettemin voor de Duitschers moeilijk zijn die tzvee concessies ook bij voortduring in den steek te laten. Immers ter demping van de deficieten der eerste jaren en ter amortisatie van een deel van hun kapitaal hebben de Duitschers terecht gerekend op de inkomsten van die petroleumrijke streek."
1) V. Bérard, Le Sultan, 1'Islam et les Puissances p. 382
2) Ibidem p. 383.
124
Wij zien dus, dat de Duitsche belangen in tweeërlei opzicht ten zeerste geïnteresseerd zijn bij deze twee vertakkingen van den Bagdadspoorweg én wat betreft den invloed van den Duitschen handel en het Duitsche geldkapitaal in Perzië èn wat betreft de exploitatie van de gebergten, die de vlakten der Twee Stroomen scheiden van het Iranische plateau, welke exploitatie een noodzakelijk hulpmiddel zal blijken voor de exploitatie van den Bagdad-spoorweg zelf, vooral voor zijn voltooiing en doortrekking naar eenig punt aan de Perzische golf. Immers, ook in het bovengenoemde stuk over den Bagdad-spoorweg is daar reeds op gewezen, deze gebergten, die de grensscheiding vormen tusschen het Perzische en het Turksche rijk behooren tot de rijkste petroleum- en andere aardoliënhoudende streken der wereld. Dat hier in deze streken de Engelsche en Duitsche belangen in de toekomst, wanneer tot een exploitatie van die ontzaglijke natuurlijke rijkdommen zal worden overgegaan, bizonder scherp tegenover elkaar zullen komen te staan, zij terloops opgemerkt, doch valt bizonder in 't oog, wanneer wij nagaan, dat vooral ook wat betreft het laatste stuk van den geprojecteerden spoorweg, van Bagdad tot aan de Perzische golf, de Engelsch-Duitsche rivaliteit haar scherpste karakter vertoont. Immers: voor dit deel verzetten zich niet alleen de Engelsche economische en financieele, maar nog veel meer de strategische en politieke belangen van het Britsche Rijk tegen een eenzijdige exploitatie door Duitsche ondernemingen. Engeland toch beschouwt het Tweestroomenland benedenwaarts Bagdad, dat ook geografisch slechts een aanhangsel is van de Perzische golf, als een gebied, dat politiek en strategisch behoort tot zijn invloedsfeer als onmisbaar voorwerk van de versterkingen van zijn Indisch Rijk.
Beschouwen wij nu de Russisch-Duitsche overeenkomst in het licht van deze kort vermelde historische en economisch-geografische feiten, dan wordt haar beteekenis opeens in vele, zoo niet in alle opzichten duidelijk.
Het eerste artikel houdt dan in, dat de Russische regeering haar volledige toestemming geeft voor de verwezenlijking der Duitsche plannen met den Bagdad-spoorweg en, wat meer zegt, aan de medewerking van het Fransche kapitaal tot den bouw van dien spoorweg. De deelneming van het Fransche kapitaal — het kapitaal der groote credietinstellingen — aan den Duitschen Transaziatischen spoorweg is een doel, dat de Duitsche banken, gesteund door de Duitsche regeering, van den beginne af haast hebben nagestreefd omdat zonder die medewerking de verwezenlijking der Duitsche plannen zoo goed als onmogelijk is. Die meewerking was reeds eenmaal zoo goed als bereikt, is daarna weer afgesprongen, maar heeft sinds de samenwerking tusschen de Duitsche banken en de groote Fransche credietinstellingen steeds
136
Hier, nl. in de beïnvloeding der ongeboren vrucht door de levensvoorwaarden van het ouderlijk organisme, in de macht dier invloeden ook erfelijke variaties tot stand te kunnen brengen, is het punt bereikt, waar erfelijkheids-faktoren en die der omgeving niet naast of tegenover elkaar staan, maar als in één knoop vereenigd zijn.
Ook in de psychische sfeer schijnen, volgens den gezaghebbende psychiater Th. Kirchhoff, talrijke ervaringen te bewijzen, dat een overdraging van verworven eigenschappen op de voortplantingskiemen kan plaats vinden en deze dus erfelijk kunnen zijn. 1)
De lezer meene niet, dat ik nader op de erfelijkheid, binnen bepaalde grenzen, der verworven eigenschappen ben ingegaan, omdat het neo-Lamarckisme een gunstiger bodem zou zijn voor de sociale eischen van het proletariaat dan de leer van Weismann. Dit is in het minst niet het geval. Wie zoo tendentieus te werk gaat, dat hij van de biologie direkte gevolgtrekkingen voor de maatschappij wil afleiden, kan zich evengoed op Latnarck als op Weismann beroepen, wanneer 't er hem om te doen is, de biologie tot een kwasi-wetenschappelijk fundament te doen dienen voor maatschappelijk-reaktionaire meeningen. Stelt hij zich op het standpunt van Lamarck en zijn volgelingen, dat de erfelijkheid der verworven eigenschappen de algemeene regel is, dan zou het met behulp daarvan een reaktionairen socioloog niet moeilijk vallen, te bewijzen, dat een erfelijke verdeeling der menschheid in beroepen, een kastenstelsel dus, door de natuur gewild was.
Neen, ik heb door deze kleine uitwijding alleen willen aantoonen dat prof. Steinmetz alle faktoren der erfelijkheidsleer verwaarloost, die geschikt zijn zijn souvereine minachting voor de uitwendige invloeden en zijn souverein vertrouwen in de „oorspronkelijke gesteldheid van den mensch" in te perken. Hij verwaarloost ten eerste, den invloed der stofwisseling op de kiemen, dus ook de kans op het ontstaan van ongunstige erjelijke variaties door schadelijke levensvoorwaarden als ondervoeding, ovetvermoeienis enz. .der ouders, (dit hangt, natuurlijk, ten nauwste met sociale omstandigheden samen.) Ten tweede, houdt hij in 't algemeen uitsluitend rekening met de onveranderlijke faktoren in de erfelijkheid: de overdracht van een bepaalde aanleg enz. kortom met haar konservatieve zijde, maar geenszins met hare veranderlijke, de variabiliteit. Niet de selektie, maar de variabiliteit, het feit dat zelfs de nakomelingen van eenzelfde ouderpaar nooit precies op elkaar gelijken, vormt de grondvoorwaarde van iederen vooruitgang in de georganiseerde natuur. 2) De selektie schept niets, bevat geen element van aktieve ontwikkeling: zij kan slechts 't slechtere vernietigen-
De variabiliteit is echter niet slechts de grondvoorwaarde van den vooruitgang ; zij is ook het korrektief, waarvan de natuur zich bedient, om dreigenden achteruitgang tegen te houden. Prof. Steinmetz stelt, gelijk uit ons overzicht van zijn artikel voldoende blijkt, de erfelijkheid eener bepaalde ongunstige, physieke of psyschische dispositie voor als noodlottig, onontkoombaar, onbeperkt. Dit is slechts gedeeltelijke, eenzijdige waarheid. In het optreden van nieuwe kiemvariaties op den grondslag der geslachtsvermenging bezit de natuur een korrektief dat den ziekelijken aanleg kan uitwisschen, de erfelijke dispositie verzwakken of zelfs opheffen. 3)
„Door verstandige keuze, in bepaalde omstandigheden onder raadpleging van
1) Th. Kirchhoff, Lehrbuch der Psychiatrie, aangehaald bij Rohde, bl. 87.
2) Prof. Kabl, Ueber die Zichtende Wirkung funktioncller Reize, bl. 4.
3) Roth, Thatsacheu der Vereerbting aangehaald bij Rohde, bl. 131.
137
'een ervaren arts, kan de erfelijke aanleg uitgewischt worden en kunnen komende -generaties door gunstige kruisings-voorwaarden in normale physiologische banen teruggeleid worden." i) De voortplanting op den grondslag der geslachts-vermenging kan opgevat worden als een middel tegen de bestendiging van schadelijke variëteiten. Bij de vorming van nieuwe levende materie tracht het nieuwe altijd die eigenschappen aan te nemen, welke het oude had behooren te bezitten. „De wet is, dat de erfelijkheid elke afwijking, die bij eenig individu bestaat, in zijn nakomelingschap verzwakt en ten slotte doet verdwijnen." 2) De natuur streeft er naar, bij den aanleg van elk nieuw wezen „den typus der soort waartoe het bewaren zal ongeschonden te handhaven, en dwingt zoodoende tot terugkeer naar den typus, naar regressie." Wel is waar vindt zelden, met één slag, integendeel veelal onder schommelingen, die terugkeer naar den typus plaats. Toch kan de regressie reeds bij één erfelijke overdracht een afwijking van den typus met de helft of zelfs z/a verkleinen. 3) Zij verklaart hoe het komt dat >,in historischen tijd de lichaams- en geesteseigenschappen van den mensch wezenlijk dezelfde gebleven zijn, ondanks alle verandering in leefwijze, ziekte en wat dies meer zij, en ofschoon elk menschelijk individu op zichzelf ver genoeg van den typus afwijkt om zonder moeite van al zijn medemenschen onderscheiden te kunnen worden." In de regressie —■ het onverpoosd aansturen der natuur, zelfs onder abnormale omstandigheden, op d-en typus in zijn volle reinheid — ligt de oorzaak waarom een vader een zeer ongemeene hebbelijkheid soms alleen op éen van zijn twaalf kinderen overdraagt, — waarom de nakomelingen van den Portugees de Gouza en zijne talrijke neger-slavinnen alle zonder onderscheid weer tot echte Dahomey-negers geworden zijn, — waarom, in tegenstelling met het door prof. Steinmetz aangehaalde voorbeeld van de beruchte dieven-, dronkaards- en slampampersfamilie Zero, de vierde generatie van de Kérangalfamilie, „na drie geslachten vol doodslag en prostitutie weer uit ordentelijke menschen bestond." 4) — waarom het Zweedsche volk, ondanks de hooge mate waarin het omstreeks 1830 gealkoholiseerd was, lichamelijk en geestelijk toch niet tot verregaande ontaarding vervallen is enz. 5) En evenzeer verklaart zij Waarom kinderen van geniale ouders bijna altijd beneden deze in aanleg staan.
Maar niet alléén bij de voortbrenging van nieuwe organismen door de sexueele voortplanting speelt de regressie haar gewichtige rol. Bij ieder zich herstellen van het lichaam na vermoeidheid en ziekte vindt een soortelijk proces plaats. En dit somtijds onder de meest ongunstige omstandigheden. Zoo kan b.v. een lijder aan suikerziekte, wiens bloed ongetwijfeld abnormaal is, bij de genezing vaneen ontstekingsproces toch volkomen normale nieuwe cellen vormen. Anders gezegd: tegenover de degeneratie staat de mogelijkheid van regeneratie of restauratie —> zoowel voor het individu als voor de reeks. En de regeneratie is, in't algemeen gesproken de sterkste; in den regel overwint zij, ondanks de geweldige biologische en sociale machten die tot ontaarding drijven. Ware dit niet zoo, dan zou de menschheid ongetwijfeld sedert lang tot idiotisme vervallen of in onvruchtbaarheid ondergegaan zijn. 6)
1) Rohde bl. 133.
2) C. H. Kuhn, Herediteit en Pessimisme, „De Gids", 1909, III, bl. 125.
3) Herediteit enz. bl. 131.
4) Van de familie Zero erkent prof. Steinmetz zelf dat „iedere kruising met een goed :geslacht tot aanmerkelijk betere kinderen leidde."
5) Al deze voorbeelden zijn aan het „Gids"-artikel van prof. Kuhn ontleend.
6) Dr. Dubois, Les psychoncvroses et leur traitemeni mond. Lecons faites a 1'umversité •de Berne.
9*
138
Wat de regressie voor de reeks pf de soort is, is de regeneratie voor het individu. En gelijk prof. Steinmetz den invloed der levensomstandigheden, der variabiliteit en der regressie ter zijde schuift, om zijne voorstelling van de absolute macht der erfelijke faktoren naar den voorgrond te brengen, zoo doet hij het ook de krachten, die het vermogen hebben ongunstige erfelijke eigenschappen, lichamelijke en geestelijke, te onderdrukken, den aanleg te korrigeeren. Deze krachten zijn: de in het subjekt werkende zucht-tot-nabootsing, die zulk een werkzaam aandeel heeft in de vorming van het menschelijk leven, dat de ontwikkelingsgang der menschheid wanneer zij uitgeschakeld wordt onverklaarbaar is, en de op hem werkende opvoeding, dat is de systematische oefening van lichamelijk-geestelijke vermogens. Ik gebruik het woord opvoeding hier in de allerwijdste beteekenis, en versta daaronder niet slechts de vorming van den nog jongen en buigzamen mensch. maar ook de om-vorming, het weder-rechtmaken van den verkeerd-gebogene; den fysiek of psychisch afgewekene, den zieke en den misdadiger. Wat dit in vele gevallen en binnen zekere grenzen mogelijk is, wordt door de praktijk van criminalogie, medische wetenschap en paedagogie erkend. De moderne criminalogie gaat uit van het beginsel der verbeterlijkheid, der mogelijke regeneratie van het grootste deel der misdadigers. De medische wetenschap, vooral de richting der physische therapie, neemt tot uitgangspunt de versterking van het weerstandsvermogen door oefening. Zij steunt daarbij op het biologisch verschijnsel, dat „bij grooter verlies tengevolge van vermeerderde arbeid zoodanige voorwaarden ontstaan, dat ten slotte altijd iets meer gewonnen wordt dan verloren ging, met andere woorden, dat een gevolg van de funktioneele prikkeling over-kompensatie is. i) Wat de psychotherapie aangaat, zoo begint zij, terugkomend van een on-dialektische materialisme, in te zien, dat ondanks de lichamelijke oorsprong en het materieel karakter der psychoneuroses, genezing door opvoeding van den wil en beïnvloeding van de richting van het denken, in tal van lichtere gevallen mogelijk blijft. Zeker is de geest van het lichaam afhankelijk, maar daarom nog niet zijn weerlooze slaaf: de geest kan in bepaalde omstandigheden als een aktieve kracht op het lichaam inwerken en de gesteldheid daarvan wijzigen, en hierin ligt niets geheimzinnigs of onverklaarbaars voor wie het dialektisch wezen der werkelijkheid begrijpt. Immers het denken wekt in de hersenen een intensieve materieele aktiviteit op, een opeenvolging van physisch-chemische processen. Door deze worden groepen van cellen, die onder den invloed eener intoxikatte veranderd waren, in de beweging tot herstel medegesleept; hun chemische samenstelling verandert en het cellenweefsel keert sneller of langzamer tot gezondheid terug 2). Naast hygiëne, verhoeding van ziekte-toestanden door het scheppen van gunstige levensvoorwaarden voor de organismen, is herstel van het fysiek en psygisch evenwicht door oefening, het leidend beginsel der moderne therapie. Zij vermag dit door de kracht-tot-regeneratie die in de organismen werkt. Wie deze kracht voorbij ziet en uitsluitend let op de verschijnselen van degeneratie, miskent de natuur ten behoeve van zijn sociaal pessimisme.
Prof. Steinmetz, die de kracht der „individueele erfelijkheid" overschat,, immers voorbij ziet hoe zij beperkt wordt door andere krachten, onderschat daarentegen sterk den invloed van wat men „sociale erfelijkheid" genoemd heeft, dat is van de kracht der nabootsing. Door een voortdurend opslorpings-proces wordt, dank zij het vermogen tot nabootsing, iedere generatie opgevoed in een steeds toenemende voorraad tradities, en het oorspronkelijk door aange-
1) Pflüger, die teleologische Mechanik der lebendigen Natur, aang. bij C. Rabl.. bl. iS.
2) Dr. Dubois, op. cit., bl. 100.
139
boren aanleg verworvene overgeleverd aan volgende geslachten. Door dit proces worde de soort steeds minder afhankelijk van individueele variaties naarmate de algemeene vermeerdering van verstand en gevoel haar op de boven aangegeven wijze vrij maakt van de wet der natuurlijke teeltkeus i). Met de geboorte houdt, gelijk de hier aangehaalde schrijver zeer juist opmerkt, de erfelijkheid geenzins op, zij verandert slechts van vorm, zij krijgt van een individueel een sociaal karakter.
Prof. Steinmetz, die de mogelijkheid van regeneratie, dat is uitwissehing of onderdrukking van fysieke en psychische smetten (wat de franschen „des tares'" noemen) bij de reeks of het individu nauwelijks erkent, is daarentegen buitengewoon optimistisch ten opzichte van de erfelijkheid van de goede eigenschappen der „sociaalwenschelijken". Als zij zich maar ruim vermenigvuldigen, komt alles in orde! Hier echter gaat zijn optimisme te ver, want hij vergeet dat ook ten hunnen opzichte de wet geldt, dat de natuur altijd tot den norm tracht terug te keeren. Zij streeft naar vernietiging der hoogere, dat is meer-samengestelde eigenschappen, deze zijn zoowel op somatisch als op psychisch gebied van uit hun wezen vluchtig en voorbijgaand. „De eenvoud der psychische feiten levert de graadmeter voor hun kansen, overgeleverd te worden en bewaard te blijven; hoe samengestelder zij zijn, aldus Dürkheim, des te gemakkelijker vallen zij uiteen, omdat hun grootere samengesteldheid ze houdt in een toestand van veranderlijk evenwicht" 2).
In 't algemeen schijnt de natuur eerder te werken in de richting van 't beletten der toenemende vermeerdering van speciale eigenschappen en het zichversnellen van den vooruitgang in een bepaalde richting dan omgekeerd 3). Zij is van uit haar aard en wezen demokratisch. Door akkumulatie van eigenschappen ontstaat geen geslacht van reuzen of dwergen, in lichamelijk zoo min als in geestelijk opzicht. De onderzoekingen van Galton over de kleur van de oogen en de lengtemaat bij eenige opeenvolgende generaties hebben bewezen, dat de gemiddelden weldra de uitersten overwinnen. „Het centrum is bij den afstammeling niet in hetzelfde punt gelegen als bij de ouders: het keert tot het gemiddelde, tot het centrum-van-het-ras terug" 4). Het gewicht der algemeene trekken van de soort doet zich bij elke overdracht van het leven gelden en brengt de speciale trekken die het individu kan bezitten spoedig tot de norm terug 5).
De voorstelling van onbegrensde vervolmaking der soort door overdracht en akkumulatie van de goede eigenschappen der „sociaalwenschelijken", (en dat nog wel onafhankelijk van uitwendige invloeden!) gelijk wij die bij Prof. Steinmetz vinden, is dus niet in overeenstemming met wat de wetenschap onzer Qagen aanneemt. Trouwens het „zuiver houden" van de „besten en meest begaafden" (lees: de heerschende klassen) van de smetten der „minder-begaafden en onwenschelijken" (lees: de uitgebuite en onderdrukte klassen) zou, zoo het streng werd toegepast, voor de „sociaalwenschelijken" zeiven averechtsche gev°'gen hebben. Het zou leiden tot uitputting en ontaarding, slechts door bloedverversching te stuiten. Kruising is het middel bij uitnemendheid, aan uitgeputte
0 Baldwin, Entwicklung des Geistes, bl. 443.
2) Dr. A. A. Marie, op cit. bl. 4S,
3) Bouglé, bl. 56.
4/ Galton, Heriditary Genius, p. LXVIL 5) Bouglé, bl. 56.
14-0
variteiten nieuwe kracht en nieuwe vruchtbaarheid te geven. De endogamie der heerschende geslachten loopt op averechtsche selektie uit, de vorstenhuizen vertoonen, gelijk bekend is, de neiging uit te sterven of te degenereeren, evenals elke geslotene aristokratie i). Zoo de bloedvermenging al geen nieuwe smetten schept, heeft zij ongetwijfeld de werking bestaande te verergeren. Verfijning en snelle vermenigvuldiging sluiten elkaar uit. „De meest volkomene individuen worden ook de minst-vruchtbaren" 2).
Zoo zijn, oordeelt F. Galton, aan de „high-breeding," de teeltkeus door bloedvermenging, vele en onvoorwaardelijke grenzen gesteld, en met behulp van de volgende vergelijking verklaart hij waarom dit het geval moet zijn. Elk individu is het produkt van een groot aantal organische elementen van de meest verschillende soorten, zooals de eene of andere natie het produkt zou kunnen zijn van een groot aantal kasten die elk een bepaald bedrijf zouden monopoliseeren. In geval men een aantal van de meer nederige kasten, als b.v. de bakkers, de metselaars en desmeden uitbande, zou't zulk eene natie weldra slecht vergaan. Dit is nu wat geschiedt bij het fokken van zuivere rassen; men tracht dan sommiae eigenschappen aan te kweeken, en streeft er naar de andere zooveel mogelijk te verminderen" 3).
Niet de bloedsvermenging alléén, ook de levensomstandigheden der aristokratiën zijn natuurlijk verantwoordelijk voor het feit, dat zij in den regel ontaarden en uitsterven. De toestand van hoogen geestelijken druk waaronder een deel der heerschende klassen ten allen tijde geleefd hebben en in onzen tijd in dubbele mate leven, werkt zonder twijfel schadelijk op de nakomelingschap.
Niet een groote dosis intellektueele arbeid op zich zelf zoozeer is gevaarlijk voor het organisme, als haar gepaard gaan met bezorgdheid, onrust, afwisseling van hoop en vrees, kortom met een sterk emotioneel element. „In de emotie hebben wij de verderfelijke oorzaak van de nerveuse vermoeidheid te zoeken," zegt Dubois4). En juist die met voortdurende emoties gepaard gaande, het zenuwstelsel sloopende intellektueele inspanning, is in onze dagen onafscheidelijk van de maatschappelijke funkties van vele leden der heerschende klasse (vooral wanneer men ook de hoogere intellektueelen bij deze telt) zooals: financiers van alle gading, industrieëlen, kooplieden, journalisten, politici, enz.
Een dergelijk leven voert in vele gevallen tot „prikkelbare zwakke" van het zenuwstelsel, die ook wanneer zij ten gevolge van uitwendige invloeden ontstaat, de eerste kiem kan zijn, waaruit bij volgende generaties alle mogelijke psychosen voorkomen 5). De wetenschap van onze dagen, zegt A. Marie, neemt aan dat de degeneratie der nakomelingschap het gevolg kan zijn niet slechts van de ziekten der voorouders, maar ook daarvan dat zij hun initiatief in een verkeerde richting hebben gebruikt; zoo verklaart Maudsley dat de lieden die hun leven doorgebracht hebben met rijkdommen te vergaren in den regel niet vermogen een intellektueel-gezonde nakomelingschap te verwekken 6).
1) Men houde in 't oog dat ook hier de kracht der regressie het ontaardigs-proces stuiten kan. Ook onder de regeerende vorstenhuizen maakt, gelijk Prof. Kuhn opmerkt, een vroeger zeer diep geestelijk verval nog wel eens voor meer normale exemplaren plaats.
2) Carey en Spencer. Aang. bij Dr. A. Marie.
3) Galton. Inquiries into Human Faculty, bl. 306.
4) Op. cit. bl. 179.
5) Fr. Rohde, bl. 14.
6) Op. cit. bl. 153.
I4i
Evenwijdig met den verderfelijken invloed van de emotioneele over-inspanning van een deel der heerschende klasse, loopt voor een ander deel, die van hun sociaal parasitisme. Ook dit laatste is een direkte oorzaak van ontaarding, reeds door het feit dat zij tal van ondeugden aanmoedigt en van excessen in de hand werkt, die de gezondheid en de levenskracht van het ras bedreigen.
Dit brengt ons te midden van de sociale oorzaken der degeneratie bij de heerschende klassen. Wij kunnen de reeds genoemde nog aanvullen met het feit, waarop ik later bij de bespreking der kindersterfte terugkom, dat het innemen van een sociaal-bevoorrechtte positie in onzen tijd het kroost in hooge mate aan de natuurlijke teeltkeus onttrekt en behalve de goede, ook vaak de nauwelijks levenskrachtige zaden tot ontwikkeling doet komen.
In zooverre zij de klassen vermengt, gehoorzaamt de demokratie dus aan den wil der natuur, houdt de ontaarding tegen en werkt het ontstaan van nieuwe, gunstige variaties in de hand.
III. Ras en klasse.
Dit gezichtspunt brengt ons tot de kwestie van den samenhang tusschen „ras en klasse", die ook in zeker opzicht bij prof. Steinmetz de brug, de overgang vormt tusschen zijn beschouwing der erfelijkheid en die der selektie. Wel raakt hij ook deze kwestie slechts in 't voorbijgaan aan, maar hij stelt zich, zagen wij, toch haast zonder restriktie aan de zijde dier „naturalistische sociologen", die met behulp van schedelmetingen en statistieken klasse-heerschappij en klasse-onderdrukking als een natuurlijk, onveranderlijk resultaat van biologische verschillen voorstellen.
Wanneer inderdaad uit het verschil in schedelvorm en in aanleg tusschen de verschillende klassen bewezen kon worden, dat de heerschenden en uitbuiters in den regel tot een hooger ras, de onderdrukten en uitgebuiten tot een lager behoorden, dan zou de heerschappij der bourgeoisie niet slechts door de natuur gewild, maar ook een geluk voor den ontwikkelingsgang der menschheid en voor de lagere klassen zeiven zijn. Dan is de armoede van het proletariaat een niet-te-verhelpen gevolg zijner aangeboren minderwaardigheid. Dan is de eisch van politieke en sociale gelijkstelling redeloos: haar inwilliging zou beteekenen de door de natuur gewilde orde ondersteboven te keeren, met al de bedenkelijke konsekwenties daarvan.
Maar de poging der naturalistische sociologie, om het proletariaat in naam van de wetenschap tot eeuwige ellende te verdoemen, gelijk het vroeger daartoe verdoemd werd in naam van den godsdienst — die poging is sedert lang mislukt. De knechtschap van de groote meerderheid laat zich evenmin op biologische, als op ekonomische gronden rechtvaardigen. Dit is gemakkelijk aan te toonen.
In tweeërlei opzicht gebruikt de bourgeoisie de rasse-kwestie om haar heerschappij te rechtvaardigen, aan uitbuiting en verdrukking een glimp te geven van natuurlijke noodzakelijkheid. Zoowel de geweldadige verovering en onderdrukking van zwakkere naties, met inbegrip van de koloniale roof-en moordpolitiek, als de exploitatie der arbeidersklasse in eigen land krijgen dit karakter, wanneer men aanneemt dat de sociale minderheid van een aangeboren minderwaardigheid het gevolg is. Volgens sociologen als Seeck, Reibmayer, Lapouge, Collignon, Ammon, enz. ligt aan de historische ontwikkeling een biologisch proces ten grondslag en is de nationaliteiten- en klassenstrijd slechts de uiterlijke vorm, waarachter zich de strijd der rassen verschuilt. Zoo elk ras slechts de plaats innam die het toekomt, zouden alle sociale vraagstukken opgelost zijn. De leden
142
der heerschende klassen zijn tevens de „sociaal-wenschelijken", de „eugenische elementen", en hoe onbetwister hun macht, des te gunstiger de kansen der natie op welvaart en historische grootheid. Hoe zuiverder en onvermengder hun bloed, des te geschikter blijven zij om hun leidende rol te vervullen. Hoe sneller hunne vermeerdering boven die der „sociaal-onwenschelijken", des te beter de vooruitzichten van het ras. (Wij zagen echter, dat deze beide laatste postulaten elkander vrijwel uitsluiten )
Op de hypothese van de aangeboren meer- en minderwaardigheid der verschillende rassen, voorzoover die in de eigenschappen der verschillende natioliteiten aan 't licht zou komen, zal ik hier niet diep ingaan: het ligt buiten ons eigenlijk onderwerp. Slechts enkele opmerkingen om het tendentieuse karakter dezer reaktionaire wetenschap begrijpelijk te maken. Het aantal elementen waaruit de moderne naties bestaan is zóó groot en deze zijn zóódanig dooreengemengd, dat van „zuivere" rassen geen sprake meer kan zijn. In haar nationalistische vorm kan de theorie, die de historische ontwikkeling van biologische verschillen afhankelijk maakt, daarom niet meer ernstig genomen worden: zij is al te duidelijk met de feiten in strijd. „Toen het rasse-denkbeeld zich onder de leeken begon te verspreiden, was het reeds verbannen uit het studeervertrek der geleerden" i).
Alle naties zijn ontstaan uit de kruising van verschillende oorsprongen, alle zijn „bastaarden, honderdmaal bastaarden." 2) Tusschen ras en natie, bekent de anthropoloog Topinard bestaat in onze dagen niet het geringste verband meer. 3)
Ten opzichte der moderne naties van het westen, de wereld van het kapitalisme, heeft de bewuste theorie der „hoogere" en „lagere" rassen vrij wel afgedaan. Daarentegen handhaaft zij zich nog ten opzichte van de oostersche volken die nog in het stadium van voor-kapitalisme verkeeren, en van de afrikaansche negerstammen, die nog achterlijker zijn in ekonomische ontwikkeling. De veronderstelling van het bestaan van „lagere," tot dienen-bestemde rassen, die door den Europeaan voor hun bestwil als „onmondige kinderen" behandeld en opgevoed moeten worden, behoort tot de zedelijk meest weerzinwekkende verzinsels, waarmee het koloniaal kapitalisme gewelddadigheid, plundering, uitbuiting, massale menschenmoord der ekonomisch achtergebleven volken vergoelijkt. Helaas wordt het daarbij gesteund door die socialisten, welke, en dit ten spijt der meest-sprekende bewijzen van het tegendeel, o.a. het niet vatbaar zijn der Chineezen en Japanners voor vakorganisatie en socialisme blijven volhouden.
Zien wij nu de voor het proletariaat zoo gewichtige vraag onder de oogen, of werkelijk, in een en dezelfde natie twee anthropologische typen bestaan, waarvan 't eene in den regel bij de heerschenden, 't andere bij de onderdrukte klasse voorkomt. De anthroposociologie haalt voor deze bewering in hoofdzaak twee bewijzen aan. 't Eerste is ontleend aan statistische onderzoekingen over de veelvuldigheid waarin meer dan gewone aanleg onder de verschillende lagen der maatschappij gevonden wordt. Uit dergelijke onderzoekingen volgt doorgaans dat veel meer geleerden, letterkundigen, enz. in de bevoorrechte dan in de verdrukte
Ij .Al. Darlu, Discours au Congrès des Sociétés savautes van 189S, aangehaald bij Bouglé, bl. 38.
2) De Gobineau in zijn „Essai sur 1'inégalité de races humaines, bl. 217.
3) Eléments d'anthropologie générale bl. 213. Beide werken worden aangehaald bij Bouglé, bl. 38. Zie ook het hoofdstuk „Inflüence of man upon race" hij Galton, Inquiries into Human Faculty.
'■43
klassen geboren worden. Zeer natuurlijk, voegen wij er meteen bij. Hoe zou het anders kunnen! Hoe zou de vruchtbaarheid in talenten niet in het allernauwste verband staan met de sociale omstandigheden, en afhangen van de kans die deze bieden, de kiemen van aangeboren aanleg tot ontwikkeling te brengen? Zoo iets, dan hebben bedoelde statistische onderzoekingen juist dit aangetoond. Dezelfde statisticus, die uit het onderzoek van 6382 gevallen opmaakt dat de letterkundige aanleg in de bovenlagen der maatschappij 200 maal tot ontwikkeling is gekomen tegenover 1 maal in de benedenlagen — nl. Odin in zijn „Genèse des grands hommes" — voegt er onmiddellijk bij dat „de geestelijke vruchtbaarheid wisselt in verhouding tot de verplaatsing der ekonomische hulpbronnen, der politieke macht en der paedagogische voordeelen, zoodat zij precies evenredig is aan de middelen die iedere klasse ten dienste stonden om aan haar leden een passende opvoeding te geven." Zeer terecht werkt Bouglé hierbij nog op, hoe in oogenblikken dat de voegen der sociale orde kraken en de muren der klassescheidingen vaneen splijten, de mannen die de geschiedenis noodig heeft, bij geheele scharen plotseling uit de massaas der onterfden oprijzen. Zoo kwamen, gelijk bekend is, al die schitterend begaafde generaals der groote fransche revolutie, welke aan het hoofd van ongedisciplineerde boeren en burgers de welgedrilde legers van het reaktionaire Europa smadelijk op de vlucht joegen, uit de volksklassen voort. Lannes was de zoon van een stalknecht, Soult van een boer, Xe}' van een kuiper, Kleber van een metselaar, Hoche van een palfernier, enz.
En nu het schedelkundige argument voor de identifikatie van het hoogere ras met de heerschende, het lagere met de onderdrukte klasse.
De moderne anthropologïe verdeelt de menschen gelijk bekend in rond- en langwerpig-schedeligen (brachycéphalen en dolichocéphalen) en eene richting in haar kent aan de tweeden een zekere superioriteit van aanleg boven de eersten toe. Van het al dan niet bezit dezer natuurlijke, erfelijke en aangeborene superioriteit zou dan in laatste instantie de maatschappelijke positie afhangen.
Deze stelling heeft door het belangwekkende werk van den italiaanschen anthroposocioloog dr. A. Niceforo een geweldige knak gekregen. Zijn in 1905 verschenen boek „Les Classes Pauvres"; behelst voornamelijk de resultaten van het anthropologisch en sociaal onderzoek door hem in de verschillende lagen der bevolking van Lausanne gehouden. Deze onderzoekingen, die zich uitstrekten over: a. kinderen van arme ouders: l>. kinderen van welgestelde ouders; 1) £■ jonge arbeiders van 20—25 jaar. d. studenten der Universiteit, brachten de doorloopende meerderheid der kinderen en jonge lieden uit de bezittende klasse boven die uit de onterfde aan het licht op o.a. de volgende punten : lengtemaat, absoluut en betrekkelijk gewicht, omvang van de borst, kapaciteit der longen, spierkracht, weerstandsvermogen tegen vermoeienis, omvang van den schedel, hoogte van het voorhoofd, vermoedelijke kapaciteit der hersenen, gevoeligheid van de huid, van den smaak, het gehoor enz. (deze laatste onderzoekingen vonden niet op kinderen maar enkel op jonge arbeiders en studenten plaats.) Daarenboven vond Niceforo ook positieve teekenen van minderwaardigheid bij
I) Voor sommige doeleinden verdeelde Niceforo zijn materiaal-van-onderzoek niet in ïwee maar in drie groepen, nl. kinderen van arbeiders, van kleine burgers en van de eigenlijke bourgeoisie. En liet resultaat was, dat de kinderen der welgestelden bovenaan bleven voor alle lichamelijke kenteekenen, die der armen onderaan en die der middenklasse tusschen beide in. Sterker bewijs voor den invloed der sociale omstandigheden op de fysieke gesteldheid is wel niet noodig.
144
de groepen uit de arme klasse. Onder de jonge arbeiders nl waren de kenmerken der ontaarding in het gelaat dubbel zoo talrijk als bij de studenten;, ook die van de hand waren menigvuldiger; de lengte der armen in verhouding tot die der gestalte — wat evenzeer beschouwd wordt als een kenteeken van lichamelijke minderwaardigheid — was onder de eersten doorgaans grooter dan bij de tweeden.
En nu 't feit, waar het in dit verband in de eerste plaats op aan komt.' Niceforo strekte zijn onderzoekingen ook over den schedelvorm uit en vond ten eerste, dat onder beide maatschappelijke groepen, bij kinderen vau rijken en van armen, langhoofden en rondhoojden in ongeveer gelijke verhouding voorkwamen; 1} ten tweede, dat in hoogte van het voorhoofd, schedel omvang en vermoedelijke capaciteit der hersenen, de weigestelden beide van het brachycephale en van het dolichocéphalc type, de at men van beide typen overtroffen, (bl. 44—45). Hiermee is het dubbele bewijs geleverd, dat de maatschappelijke positie niet van bepaalde biologische kenteekenen afhangt, maar wel de fysiopsychische gesteldheid van de klasse-positie.
Van belang is ook nog, dat Niceforo voor zijn onderzoek naar de kenteekenen van ontaarding in het gelaat, uit de groepen van jonge arbeiders en studenten een aantal sujetten uitkoos, allen tot eenzelfde, het brachycéphale type, behoorend.
Na kort den invloed der volgende voorname levensvoorwaarden: de voeding, de woning, de overmatige arbeid en de atmosfeer der fabriek op het proletariaat nagegaan te hebben, komt Niceforo tot de volgende konklusie: „De lagere klassen bevinden zich in een toestand van lichamelijke minderheid tengevolge
der stoffelijke omstandigheden waarin zij gedwongen zijn te verblijven Zoo
ook het leger der armen een zeker aantal leden telt, wier ellendige toestand' het gevolg is hunner fysiek-psychische minderwaardigheid, zoo kan niet tegengesproken worden, dat de talrijke kenteekenen van ontaarding die ingedrukt staan in het organisme van de groote massa der armen, een gevolg, geen oorzaak,. hunner ellende zijn." 3)
Niceforo's onderzoekingen strekten zich ook uit over de psychische (moreele en intellektueele) minderwaardigheid der lagere klassen, die hij in nauwen samenhang brengt met hun fysiologischen toestand. Zijn konklusies op dit punt, zijn uiterst aanvechtbaar, daar hij ten eerste zijn materiaal koos onder ongetwijfeld gedegenereerde lompenproletariërs en ten tweede, den invloed der maatschappelijke faktoren op de moraal geheel voorbijziet. Maar dit neemt niet weg, dat de kunstmatig te weeg gebrachte fyzieke minderwaardigheid van het
1) Les classes pauvres, bl. 46, noot.
2) A. W. bl. 299.
3) Niet slechts anthropologisch, ook historisch is de bewering van het in 't algemeensamenvallen der hoogere en lagere klassen in eenzelfde natie met een hooger en lager ras. gemakkelijk te weerleggen, Voor wie erkent hoe iedere klasse opkomt als draagster eener bepaalde produktiewijze, een tijd van bloei doormaakt en ten slotte in den strijd met een nieuw opkomende klasse, die de draagster eener nieuwe produklic-wijze is, vervalt, ligt de ongerijmdheid dezer theorie er dik op. Een van beide : het „hoogere" en het „lagere" ras hebben zich vermengd, of zij hebben zich niet vermengd. Is dit laatste het geval, dan moesten dezelfde klassen le» allen tijde gehcerscht hebben. Heden heerscht de bourgeoisie,, maar zij deed liet niet eeuwig. In de middeleeuwen had de adel de teugels in handen; de kern der latere bourgeoisie werd gevormd door de stedelijke bui-gerijen; op enkele aanzienlijke „geslachten" na meest weggeloopen onvrijen, hoorigen. Dezen behoorden natuurlijk tot het „lagere" ras: door welke tooverij behoort dan haar sociale nakomelingschap, de bourgeoisie onzer dagen, tot het „hoogere"? Door bloedvermenging misschien met den adeli1 Daargelaten dat dit toch slechts in beperkte mate hel geval is, doet deze veronderstelling de geheele theorie ineenstorten. Zoo draait men in een kringetje rond.
145
proletariaat zeer zeker van invloed is op zijn geestelijk en zedelijk leven. Dit valt niet te loochenen voor wie erkent, in hoe nauw verband de gevoeligheid: zijner zintuigen tot het gevoels- en gedachteleven van den mensch staat. Het. wordt ook van soc.-dem. zijde in het minst niet geloochend.
Het is, meen ik, partijgenoot Lafargue, die met nadruk heeft gewezen op het feit, dat' de gedweeheid, de slaafschheid, de lijdzaamheid van het proletariaat,, grootendeels toe te schrijven zijn aan dien chronischen toestand van oververmoeidheid en ondervoeding waarin het verkeert. Vergelijk met de gedweeë onbewegelijkheid van groote deelen der proletarische massaas, ondanks alle redenen\ot opstandigheid, met hun onvatbaarheid voor voorbeeld en propaganda, eens de kortaangebondenheid en den rebellischen geest der middeneeuwsche gezellen! Het toegeven der afhankelijkheid van moreele toestanden en eigenschappen ook van fysiologische voorwaarden, komt ook allerminst in tegenspraak met een goed begrepen historisch materialisme, want immers het zijn juist de klasse-tegenstellingen die deze voorwaarden opwekten en in stand, houden.
Daar prof. Steinmetz op de z. n. psychische minderwaardigheid, m t bijzonder - als een echt bourgeois op de min-begaafdheid der lagere klassen wat aangaat de zoo gewichtige „ekonomische deugden," den nadruk legt, nog een enkele opmerking hierover. Deze nl., dat op dit punt niet de biologisch-fysiologische oorzaken, maar de maatschappelijke invloeden de hoofdrol spelen. Men kan desnoods aan Niceforo toegeven, dat de betrekkelijke zwakte der centra van onderdrukking in de hersenen, de armoede in de associatie der denkbeelden, van eenigen invloed kan zijn op de groote impulsiviteit der „lagere" klassen,, ofschoon ook hier zonder twijfel faktoren van omgeving en opvoeding een groote rol spelen. Maar in deze en andere fysiologische kenteekenen de voornaamste oorzaken van bepaalde sociale eigenschappen, als de onbezorgdheid,, het gebrek aan verantwoordelijkheidszin, spaarzaamheid enz., van het proletariaat te zien, dat is de oogen sluiten voor de werkelijkheid. De moderne proletariër bezit deze eigenschappen in geringe mate en telt ze met als deugden,, niet tengevolge van fysiek-phychische eigenaardigheden, maar door zijne klassepositie, nl. omdat hun bezit van niet het minste algemeen belang voor zijneklasse is. Bij uitzondering mogen zij enkele individuen tot voordeel strekken, in de overgroote meerderheid der gevallen zullen spaarzaamheid noch voorzichtigheid iets vermogen om zijn lot te verbeteren. De hopeloosheid, ondanks alle inspanning, soberheid en vlijt, tot een betere positie te geraken, is de ééne sociale oorzaak der zorgeloosheid van het proletariaat, zijn tekortschieten in „de zoo gewichtige ekonomische deugden". De andere is de zwaarte van den druk. waaronder het zucht, want „men moet over morgen niet spreken met hen,, die nauwelijks de hulpmiddelen voor 't heden bezitten". Het hart, door het tegenwoordige te zeer beklemd, vermag zich niet op de toekomst te richten:, de overmaat van bezorgdheid slaat tot zorgeloosheid om.
De maatschappij, niet de natuur, is verantwoordelijk voor de fysiek-psychische gesteldheid der armen, voor de brandmerken der ontaarding op hun lichaam, de kenteekenen der minderwaardigheid in hun bewustzijn gedrukt. Niet, althanszeker niet in de eerste plaats het ras, maar de klasse bepaalt het menschelijk, wezen. De klasse-heerschappij der bourgeoisie veroordeelt de groote massa niet slechts tot een leven van onzekerheid, afhankelijkheid en gebrek: zij vormt, of liever zij misvormt daarenboven de persoonlijkheid van den arme, zij stuit zijn groei, knaagt aan zijn gewicht, perst zijn schedel samen en drukt zijn voorhoofd in met de ijzeren banden van den nood. Zij verstompt zijne zintuigen tegenaandoeningen en vermindert zoodoende de gevoeligheid van zijn bewustzijn,.
146
verruwt en verarmt zijn ziel. verlaagt, afgezien van alle direkte sociale werkingen, langs zuiver-biologischen weg zijn gevoels- en gedachteleven.
De maatschappij verhindert de armen, stuk voor stuk, hoofd voor hoofd, tot de menschen te worden die de natuur hen bestemde te wezen
En wanneer de klasse-maatschappij haar afschuwelijk werk, van een deel der menschheid te vernederen en te verminken, volbracht heeft, wanneer zij een ras heeft geschapen waarin de „natuurlijke" verschillen uitgewischt en nieuwe, kunstmatige tot stand gebracht zijn, — dan komt de burgerlijke wetenschap en zooals de kapitalistische productiewijze de lichamen en de geesten heeft misbruikt om uit hen de meerwaarde te persen, misbruikt zij ze ten tweeden male om uit de kenteekenen hunner minderwaardigheid de zekerheid te distilleeren, dat die uitbuiting door de natuur was gewild.
Aan het „minderwaardige ras" dat zij zelve, de natuur ten spijt, gefokt heeft, legt de bourgeoisie met naïf scepticisme zijn eigen ellende op de schouders; bij •de uitbuiting en verdrukking voegt zij den smaad jegens de verdrukten en uitgebuiten door de onbarmhartige verminking hunner wezens, door haar zelve veroorzaakt, voor te stellen als van buiten-maatschappelijken oorsprong.
De experimenteele zoölogie leert dat men in korten tijd door middel van veranderde ' voeding, de lichamelijke gesteldheid van een ras in hooge mate veranderen^ het wezen, de vacht, tot op zekere hoogte zelfs de vorm van een diersoort wijzigen kan. Zoo nemen de slecht-gevoede runderen der Sologne in twee of drie generaties een verschillend aanschijn aan, wanneer zij naar de oevers der Loire overgebracht worden 1). Omgekeerd ontaarden organismen met minder snel, wanneer zij in slechtere levensomstandigheden verplaatst worden; wij hebben immers gezien van hoe grooten invloed de stofwisseling der ouders op de kiemen is- Aan de kapitalistische produktiewijze komt de treurige eer toe, levensvoorwaarden te scheppen, die de in den loop van vele geslachten opgegaarde levenskracht en stoerheid met haast ongeloofelijke snelheid vernietigen, zwakte en ziekelijkheid verspreiden onder lagen der bevolking, bij welke van oudsher lichaamskracht en gezondheid inheemsch waren. Het is de plattelandsbevolking, die ik hier bedoel. Deze toch, gedurende langen tijd een onuitputtelijk réservoir van lichamelijke kracht, waaruit de snel-opgeteerde der stedelingen ververscht werd, ontaardt zienderoogen, ten gevolge voornamelijk van een nieuw door de industrialiseering der produktie veroorzaakt verschijnsel: de door geen andere vetstoffen gekompenceerde achteruitgang in de voeding door de georganiseerde afvoer van melk en zuivel. Talrijke onderzoekingen hebben in de laatste jaren de schrikwekkend-snelle ontaarding eener vroeger gezonde en krachtige bevolking ten gevolge voornamelijk van de achteruitgang der voeding aan 't licht gebracht: elk hunner op zichzelf een voldoende weerlegging van prof. Steinmetz' oppervlakkige bewering der ondergeschiktheid van de uitwendige invloeden aan de „oorspronkelijke gesteldheid" van den mensch. In waarheid maakt, wat hij aldus belieft te noemen, n.1. de opgegaarde en overgebrachte werking van uitwendige invloeden op de voorouders, onder den invloed van ontoereikende voeding, gebrek aan rust, enz., maar al te spoedig voor een veranderde gesteldheid plaats.
Nieuwe sterke bewijzen daarvoor levert weer een onlangs in Duitschland verschenen geschrift, getiteld „Ernahrung und Lebenskraft der landlichen Bevólkeruug." De titel geeft het onderwerp aan. De bron is onverdacht: het bewuste werk
1) Le Bon, L'homme, I, bl. 199. Aang. bij Niceforo, bl. 296.
H7
toch werd uitgegeven door de „Zentralstelle für Volkswohlfahrt," die van „verkeerde theoriën," als socialisme enz. geen last heeft. De beweegreden tot dit onderzoek was de begeerte, de oorzaken te leeren kennen die tot de afnemingder geschiktheid voor den militairen dienst op het platteland leiden, ten einde van uit deze kennis de maatregelen te kunnen beramen om het verschijnsel te stuiten. Zooals men ziet, eene „staats-behoudende", in de oogen van Prof. Steinmetz, de verheerlijker van den oorlog, zeker hoogst loffelijke bedoeling.
In dit lijvig boeddeel worden nog andere symptomen van de ontaarding der plattelandsbevolking aangehaald dan dat de afneming der geschiktheid voor den militairen dienst onder haar sneller dan in de steden voortgaat. Zoo o.a. het feit dat de algemeene sterfte in de laatste jaren onder de stedelijke bevolking in hoogere mate dan onder de landelijke daalt, in afwijking tot wat in vroegere -perioden plaats vond.
Beide verschijnselen worden in hoofdzaak toegeschreven aan de ondervoedingder kinderen ten gevolge van de georganiseerde afvoer der melk naar de steden. Voor West-Pruissen wordt deze uitdrukkelijk gekonstateerd. Van Zwaben lezen wij, dat aan het onderwijspersoneel reeds sedert verscheidene jaren de slechte voeding der kinderen opvalt. Een groot deel der kinderen ziet bleek, is weinig ontwikkeld en in de school weinig tot opnemen in staat. Hun vergeetachtigheid is zeer groot. Het maakt den indruk, alsof het zenuwstelsel in 't algemeen door den slechten voedingstoestand geleden heeft (hieraan draagt waarschijnlijk voor een deel ook het alkoholisme schuld, door den „melknood" is het biergebruik veel grooter geworden, ook onder de kinderen).
De bevallingen, meldt een sedert langen tijd met de toestanden vertrouwd ambtenaar uit den Allgau, die vroeger doorgaans gemakkelijk waren, zijn thans meestal zwaar. De nieuw geborenen zijn zwak en onrustig, zij krijgen reeds in de wieg alkoholische dranken, daar de koemelk aan de boter- en kaasfabrieken wordt verkocht en slechts het allernoodigste overgehouden voor eigen gebruik. Vele kinderen blijven lichamelijk achter in groei en zijn geestelijk abnormaal, wat vroeger zelden voorkwam.
Uit Sachsen-Coburg wordt het volgende beeld geteekend van de fysiekpsychische toestand der boeren. „Inderdaad is het axioma van de gezondheid der boeren een dwaling. Zwakke gestellen, sluipende ziekten, vooral ook kanker, vele vrouwenziekten, matheid van het lichaam en daarmee samenhangend gering initiatief tot het invoeren eener intensivere bedrijfswijze, tot het baas worden van de grootere hoeveelheid arbeid — dit alles hangt niet voor het kleinste deel samen met de feitelijke ondervoeding die reeds in de eerste levensjaren begint." (Bl. 505).
Hoe kan er, vraag ik, sprake zijn van eenige „rasse politiek," eenige ernstige en stelselmatige „eugenese," zoolang de kapitalistische produktiewijze ook de meest stoere, in rechtstreeksche aanraking met de natuur levends deelen der bevolking ontaarden doet? En hoe kan tegenover dergelijke feiten een wetenschappelijk man in ernst volhouden, dat de erfelijkheids-faktoren ten opzichte van de vooruitzichten van het ras de uitwendige invloeden in belang verre overtreffen? Elke poging tot z.n. „rasse-politiek" moet, om iets te bereiken, 'naar uitgangspunt nemen van de „boter- en melk-politiek" waar de samensteller van het hier aangehaalde rapport een hoofdstuk aan wijdt. „Boter- en melkpolitiek" in de meest algemeene beteekenis, n 1. begrepen als verbetering van de levensvoorwaarden der uitgebuite klassen — dat is onder hel kapitalisme de eenig vruchtbare, de eenig niet-hersenschimmige rassepolitiek.
(Slot volgt).
Overzicht der Tijdschriften. l]
NEUE ZEIT, 13 Jan. 1911.
Hoe de militaire lastett de duitsche volkswelvaart drukken. Onlangs heeft een: duitsch professor, Ballod, beweerd, dat het duitsche volk de groote kosten van oorlog en marine gemakkelijk dragen kan, en dat de stijging dier kosten met 400 a 500 millioen mark Duitschland nog niet tot den bedelstaf zal brengen. In de „Neue Zeit" oefent Af. Nachimson op deze professorale bewering een. scherpe en degelijke kritiek. Ballod grondt zijn beschouwingen voornamelijk op de cijfers der pruissische vermogensbelasting. Het totaal der vermogens waarvoor belasting betaald wordt, bedroeg in 1895 63,857 millioen Mark en in 1908,1910 reeds 91,653 millioen Mark. In de jaren 1905—'07 was het 82,410 millioen. De gemiddelde jaarlijksche toeneming bedraagt dus, zoo zegt prof. Ballod, 30S1 millioen. Uit deze pruissische cijfers leidt de professor dan af, dat in geheel Duitschland de vermogens per jaar ten minste met 5000 millioen Mark (dus 5 milliard) toenemen! De oorlogsuitgaven kunnen er dus wel af, meent hij.
Nachimson wijst er ten eerste op, dat Ballod het gemiddelde der laatste drie jaren neemt, inplaats van dat der 13 jaren, waarvan hij cijfers geeft. Sedert 1895 berekend, nam het belastingplichtige vermogen slechts niet 2138 millioen Mark toe. Voor 't geheele duitsche rijk zal dit dan ongeveer 3' milliard worden.
Maar afgezien hiervan; de cijfers, die Ballod gebruikt, zijn op zich zelve geen maatstaf voor het werkelijk vermogen en zijn vermeerdering. Want in dezecijfers zijn de waarden van grond en bodem en die van aandeelen en effecten begrepen, waarvan de vermeerdering geen werkelijke vermogensvermeerdering is. Uit cijfers, te vinden in een artikel van Rothkegel in „Schmoller's Jahrbücher" 1910, leidt Nachimson af, dat in de jaren van 1902 tot 1910, de waardevermeerdering van het middelmatige en het groote grondbezit alleen 45.7 percent van de totale vermogensvermeerdering bedroeg. Trekt men de gemiddelde jaarlijksche waardevermeerdering van den grond van de gemiddelde jaarlijksche vermogenstoeneming af, dan blijft een aangroeiing van 1443 millioen Mark per jaar over. Brengt men nu nog in rekening, dat een deel hiervan waardevermeerdering van papieren is, dan blijft een werkelijke jaarlijksche aangroeiing van 1 milliard over Met 5/3 vermenigvuldigd, geeft dit over geheel Duitschland 1,7 milliard Mark per jaar. „Hiertegenover staan op de laatste rijksbegrooting 1.73 milliard militaire lasten!" Het schijnt dus alsof het militairisme de geheele jaarlijksche vermogensvermeerdering opslokt. Hier zijn de vermogens, die buiten de belasting vallen, weliswaar niet medegerekend, maar de verkregen uitkomst is toch reeds een ernstige waarschuwing.
Gewichtiger is nog de vergelijking van het totaal der inkomens met de uitgaven. Want de belastingen worden toch in den regel uit inkomsten en niet uit vermogens betaald. Het inkomen der pruissische belastingbetalers is in deJaren van 1903 tot 1909 met 4500 millioen Mark, of met ruim 750 millioen
1) Deze rubriek zal, met de hulp van verscheidene medewerkers, voortaan geregeld, bijgehouden worden.
149
s jaars toegenomen. Voor 't geheele Duitsche rijk geeft de vermenigvuldiging met 6/s een vermoedelijke jaarlijksche vermeerdering van 1250 millioen. „Wij zien dus, dat de militaire uitgaven de geheele aangroeiing van het jaarlijksche inkomen der burgers opslokken. Bijgevolg belemmeren deze uitgaven de economische ontwikkeling. Zij doen het duitsche rijk bij minder zwaar belaste landen, zooals de Vereenigde Staten, ten achter geraken."
Ballod beroept zich ook op de stijging der loonen en op de vermeerdering van het levensmiddelen-verbruik. Voor de loonen gebruikt hij de cijfers der ongevallenverzekering, die niet bruikbaar zijn. Maar in ieder geval geven deze cijfers voor de jaren van 1886 tot 1908 een loonstijging van slechts 48 percent, terwijl de uitgaven voor leger en vloot met 98 percent stegen, dus meer dan dubbel zoo snel! Het verbruik van levensmiddelen is evenwel in de laatste jaren aanmerkelijk verminderd, zooals Nachimson met cijfers betreffende rogge en tarwe laat zien.
Eindelijk stelt Nachimson tegenover de beweringen van prof. Ballod — prof. Ballod zelf! In „Schmoller's Jahrbücher" (1910) heeft deze een studie geschreven over de ontwikkeling der arbeidsproduktiviteit. Daaruit blijkt dat sedert de jaren omstreeks 1880 de vooruitgang in de arbeidsproduktiviteit, in 't eene vak grooter dan in 't andere, over 't algemeen gering is. In bijna geen enkele tak van nijverheid verdubbelde zij.
Zie hiertegenover nu de vermeerdering der kosten van oorlogstoerusting. In millioenen Marken bedroegen deze per jaar:
T T7i . t> ■ r a Schulddelging
Leger Vloot Pensioenfonds en rentgn
1S81—1885 374,1 42,9 19,9 14 4
1S91—1895 585,2 84,3 45.5 64.i
1901—1905 670,5 210,2 74,7 103,5
1907 808,3 2QI>3 IOÏ>i r48,4
Het totaal der uitgaven werd sedert 1881 drie maal zoo groot.
„Gaat het zoo door, dan moet ten slotte een economische achteruitgang het gevolg zijn. Zoo heeft reeds de nieuwe last van 500 millioen Mark hiertoe geleid, dat een groot deel van de boeren in 1908^09 hun jong vee hebben moeten verkoopen, wat mede bijdroeg tot den vleeschnood van heden. Iedere stap verder in deze richting zal het onheil vergrooten."
Over „De massa's en de leiders' schrijft de bekende vakvereenigingsman, A. von Elm, „Naar aanleiding van een reeks vergrijpen tegen de discipline en van een aantal pogingen tot plaatselijke scheuring in de vakvereenigingen, is in den laatsten tijd herhaaldelijk de vraag behandeld, hoe het mogelijk is in de toekomst zulke schadelijke gebeurtenissen te voorkomen. De een geeft de schuld aan de „leiders", d.w.z. aan de bestuurders der vakvereenigingen; de ander geeft de schuld aan het te zwakke besef der massa's van de absoluut noodzakelijke vakvereenigingsdiscipline."
Het tijdperk, dat economische worstelingen zich tot een enkele plaats beperkten is voorbij. Tegenover de groote centrale bonden der arbeiders staan de centrale organisaties der kapitalisten. „Hoewel bij deze laatsten de belangen-solidariteit dusver nog geen volmaakte was, zooals wij bij den strijd in de bouwvakken en bij dien aan de scheepswerven gezien hebben, zullen toch slechts weinige leidende vakvereenigingsbeambten de illusie koesteren, dat de nu nog bestaande gebreken in de hechtheid der werkgeversbonden niet overwonnen kunnen
iSo
worden. De hoop, om met een uitsluiting over een groot gebied of over het geheele rijk, de werkzaamheid van de centrale arbeidersorganisatie te kunnen verlammen, is door de kapitalisten volstrekt niet opgegeven; en deze hoop zal hen er steeds weer toe aanzetten, hunne organisaties te volmaken." De leiders der werkgeversbonden hebben met veel minder moeilijkheden te kampen dan de leiders der arbeiders. Het aantal kapitalisten in de bonden is betrekkelijk, gering; het is gemakkelijk in geheime bijeenkomsten de taktiek vast te stellen. Verzet van een aantal kleine fabrikanten is gemakkelijk te overwinnen, want zij hebben als kleine fabrikanten weinig in te brengen. Bij de arbeiders is het juist andersom. Zonder medewerking van zeer groote massa's is geen strijd te voeren. Maar aan groote massa's kan geen geheimhouding worden opgelegd. Daarom heeft de praktijk de vakvereenigingen gedwongen, de beslissingen in laatste instantie aan een klein aantal personen, in den regel aan de hoofdbestuurders, over te laten. Tusschen deze en de massa der leden kunnen nu gemakkelijk konflikten ontstaan. Want de massa is in den regel ten aanzien van de kansen eener staking optimistisch gezind. En de massa beschikt niet over alle gegevens,, waarop de beslissingen der bestuurders berusten.
Bij verscheidene konflikten tusschen bondsbesturen en stakers hebben deze,, hoewel de statuten uitdrukkelijk het tegendeel bepaalden, beslist verlangd, dat alleen aan hun zeiven de beslissing over aanvang en einde van stakingen zou worden gegeven. Dit werd gewoonlijk gemotiveerd met de „beginselen der demokratie". Het is totaal onjuist. Lokalen strijd te voeren, zouder gebruik te maken van de middelen van het geheele verbond, is bijna altijd onmogelijk; uit ieder plaatselijk geschil kan zich een strijd voor alle medeleden of voor een groot deel hunner ontwikkelen. Daarom moeten öf alle leden te zanten, öf hun gemachtigde vertegenwoordigers, ook bij lokale verschillen met kapitalisten de beslissingen in handen hebben. Nu is het nog nergens proefhoudend gebleken, om over het begin en de beëindiging van een strijd alle leden van een vakbond te doen stemmen." De leden zouden immers, vóór die stemming, een aantal dingen moeten weten, die in zulke omstandigheden niet openbaar gemaakt kunnen worden. Nergens voldeed dan ook het referendum betreffende deze dingen. In Engeland is het zelfs een belemmering geweest voor de inwendige versterking der vakvereeniging.
Er blijft een andere weg open. Die der beslissing door vertegenwoordigers. En dit is volgens Von Elm de beste weg. „De eenige weg," schrijft hij, „om de leden eener organisatie een echt medezeggenschap te verzekeren, is deze, dat een permanente commissie van vertegenwoordigers worde ingesteld, en het bondsbestuur verplicht worde deze commissie voor alle gewichtige beslissingen bij een te roepen."
„De keuze der afgevaardigden voor deze vertegenwoordiging, zou jaarlijks moeten plaats hebben; voor iedere afgevaardigde zou tevens een plaatsvervanger moeten worden gekozen. Aan dit vertegenwoordigend lichaam zouden in de eerste plaats alle rechten moeten worden overgedragen, die nu de algemeene vergadering bezit: keuze der leidende beambten en der kontrolekommissie, vaststelling der salarissen voor de beambten en wijziging der statuten. Zelfs in normale tijden zou de commissie eenmaal per jaar bijeen geroepen moeten worden, om de gewone zaken te regelen. Het bestuur zou echter in de statuten de plicht moeten zijn opgelegd, de commissie onmiddellijk bijeen te roepen, als er sprake is van een beslissing over strijd van grooten omvang. De praktijk zou spoedig uitwijzen, in welke omstandigheden bijeenroeping der commissie vereischt zou zijn.
„Een begin in deze richting is in de duitsche vakbeweging reeds gemaakt. De gezamenlijke bouwvakarbeidersbonden hadden voor den duur der laatste uitsluiting hunne algemeene vergaderingen permanent verklaard. De eind-
i8o
geslonken dat men uit Holland (Amsterdam) eenige diamantslijpers moest laten komen om hier de nijverheid weer op te beuren. Er waren toen nog maar 2 of 3 brillantslijpers te Antwerpen.
Tot 1872 d.w.z. tot aan het beroemde „goldene Zeitalter" van de diamantnijverheid, bedroeg het aantal der te Antwerpen werkende slijpers, snijders en klievers ongeveer 110, alles te samen.
Toen begon dat voorheen bijna uitgestorven kippenras gouden eieren te leggen, en wie wilde er niet van mee pakken.
Een tijdperk van sterken aandrang tot het vak begon, gelijk het verschil tusschen de cijfers van vóór 1872 en die van 1880 bewijst. Volgens een consulair verslag, opgemaakt door een zekeren August Roelants waren er in 1879 reeds 86 fabrieken met een IOOO tal werklieden, terwijl dit aantal voor 1885 reeds 1350 bedroeg.
Het was in de jaren tachtig weer ebbe in het bedrijf en een zeer langdurige ebbe ook, de mindere aanwas van werkkrachten getuigt er van. Alléén in tijden van welstand en bloei dringt een vloed van leerkrachten ons vak binnen.
Reeds vóór de jaren '80 was bij de Antwerpsche Diamantbewerkers het verzet begonnen tegen het „poolsche element." In 1878 had er een protestbeweging tegen de toelating van eenige Poolsche leerlingen plaats, waartoe ook de later alom bekend geworden leerlingkweeker Adolf Adler behoorde. Gedurende de jaren 1880 tot 1905, vormde zich het leger van kooplieden en juweliers behoorend tot het Poolsche element, die de geheele nijverheid zouden beïnvloeden en beheerschen.
Met een onverzetbaar doorzettingsvermogen en durf, iedere sentimenteele overweging verachtend, verrijkten zich die lieden, die nevens het groote transportkapitaal de fine fleur van de kapitalistengarde in Antwerpen vormen. Zij, de Poolsche en Russische emigranten uit Krakau en Wilna enz. hebben de Antwerpsche industrie op het peil gebracht waarop zij nu is. Zij hebben tevens lak aan alle regel en orde door de werklieden gewenscht. Is het bloei dan geneeren zij zich niet om het loon ongevraagd op te drijven, zelfs tot „uilenvangen" (zie bovengenoemd: verwisselen) aan te zetten.
Ze weten het dat ze bestolen worden; ze zijn er desniettemin rijk, schatrijk tegen in geworden.
Zoo schijnbaar solidair zij vroeger binnen de kring van hun „ghettogenooten" waren, zoo wantrouwend zijn ze jegens elkander.
Van de organisatie weten ze niets, en als ze nu en dan gedwongen worden, zich aan te sluiten duiken ze er zoo snel mogelijk weer tusschen uit.
Het zijn er maar enkelen uit dat gezelschap die overleg wilden en willen plegen met de arbeidersorganisatie. Deze groep die straal-arm, op schoen en slof (letterlijk!) te Antwerpen kwam en met allerlei
m
middelen er zich boven op werkte, kon niet genegen zijn het brengen van eenige regel en orde in den toegang tot het vak toe te staan. Daarnevens wekte zij bij de arme familieleden en kennissen in hunne geboorteplaatsen, die kennis kregen van dat „zuidelijk Jeruzalem' waar Josef, Aaron, Mozes enz. enz. schatten verdienden, een brandende
jalousie op. .
De vloed van Poolsche jongens kwam na 1900; benevens een aantal Russische armzaligen die een nieuw bestaan zochten.
Tachtig frank weekgeld is meer dan 4 of 6 roebel verdiend in de onder hoogst onhygiënische voorwaarden uitoefende huisarbeid in Wilna, Jekateranislow enz., evenals het vrije diamantslijpen beter is dan door den Galicischen sweater uitgemergeld te worden.
Het was en is niet de zucht om rijk te worden, anderen te benadeelen het was de strijd om een bestaan die deze lieden deed toestroomen. Met antiek-Hebreeuwsch instinkt, een „Tradition vieler todten Geschlechter", maakten zij zich meester van dit vak, dat het best loonend en het gemakkelijkst is, om met een beetje protectie vooruit te komen.
Dat de beweging van 1878 mislukte en mislukken moest begrepen deze leiders niet, een aantal zich intuïtief bedreigd gevoelde patroons die den werklieden-os voor hun karretje wilden spannen met een beroep op hun „vaderlandsch gevoel en eer".
Er kwam een vereeniging tot stand, geen vak- maar meer mutuahteits-organisatie, die later verdrongen werd door de in 1886 tot stand gekomen „Antwerpsche Diamantwerkersvereeniging '. Ook dit was geen vak- maar een gemengde beroepsvereeniging van patroons en werklieden eveneens met voornamelijk ondersteunings-karakter.
In deze vereeniging kwam de leerlingkwestie te voorschijn, maar ze miste de kracht er iets tegen aan te vangen. Eerst de éérste A D. B., 1889-90, onder leiding van Jef Groesser maakte de leerlingkwestie tot de spil van hare taktiek. Wij willen op ontstaan en karakter van dezen bij de werkliedenpartij aangesloten „Diamantbewerkerbond" (een 100-tal leden 1) niet ingaan, en bepalen er ons toe mede te deelen dat die eerste A D B. een zeer kwijnend bestaan voerde (gelijk de boe. Diam. bewerkersvereeniging te Amsterdam vóór 1894) en zich oploste in de genoemde Antw. Diamantbewerkersvereeniging
„mits deze vereeniging als eerste en voornaamste punt op haar programma zou zetten: afschaffing van de leerlingen!"
Dat deed deze en de fusie had plaats.
Op het Int. congres van Diamantbewerkers in 1890 te Charleville (Frankrijk) gehouden werd de leerlingkwestie aan de orde gesteld en na eenige inlichtingen van den afgevaardigde van St. Genis de volgende motie aangenomen :
182
„een voorrecht vragende voor de familieleden in eerste graad, verwerpt het congres dit voorstel en besluit bij eenparige stemmen tot het afschaffen van de leerlingen tot aan 't volgende congres en stelt tot diezelfde datum al de kwesties uit die hiervan afhangen i).
De Hanau'sche diamantbewerkers van dien tijd, geprononceerde sociaal-demokraten, besloten in 1891 :
,,für das Jahr 1891 keine Lehrlinge zu lernen. Solte in 1892 den Geschaftsgang einen besseren und die Nachfrage eine starkere sein, so könnte man diese Frage wieder zur Tagesordnung bringen." 2)
Hier werd dus deze kwestie van den „Aufschwung des Geschaftsganges" afhankelijk gemaakt.
III.
De besluiten van deze Internationale Congressen hadden, evenals dat van vele vroegere Soc. Int. Congressen de waarde van „wenschelijkheden" en curiosa zoolang er geen georganiseerde macht achter stond om ze te verwezenlijken.
Deze georganiseerde macht kwam eerst een 7-tal jaren later.
Desniettemin was reeds in 1893 in Antwerpen de wegzending van alle overtollige leerlingen een voldongen feit, dank zij het taai en volhoudend werk van Jef Groesser.
Wij hebben hier voor ons liggen een 3-tal brochures van Groesser uit die jaren, geschreven in opdracht van de genoemde Antw. Diamantbewerkers vereeniging. 3)
Een uittreksel te geven uit deze brochures zou ons te ver voeren. Het voornaamste argument waarop Groesser zijn eisch tot sluiting van het vak grondde was het surplus van werkkrachten in verhouding der industrie. En in alle varianten droeg hij dat thema voor.
Het gelukte Groesser en enkele zijner vrienden schot in de beweging te krijgen, en in 1893, nog vóór het ontstaan van den 2dea A. D. B., den tegenwoordigen, waren de leerlingen uit de Antwerpsche fabrieken verwijderd, terwijl de Amsterdamsche fabrieken nog krioelden van de fabriekzalen onveilig makende loop- en potjongens.
Met trots zeide dan ook de Antwerpsche afgevaardigde op het Int. Congres van 1894 te Antwerpen, „dat bij ons (hun) de leerlingkwestie was opgelost."
Helaas 1 de vreugde was van korten duur.
1) Verslag congres van Cliarleville verschenen in ,,Adamas", Internationaal orgaan van Diamantbewerkers 1890. nr. I.
2) Ibidem nr. 9 Duitsche correspondentie.
3) Deze vereeniging is beter bekend onder den naam der localiteit waar zij vergaderde : „Continental".
197
negatief dat is sekundair. Direkt daarentegen en positief, dus primair, zijn b.v. die" van funktioneele prikkelingen i). In de vele, schier onnaspeurlijke krachten, die leiden tot individueele variaties liggen de eigenlijk-scheppende oorzaken der ontwikkeling 2).
De selektie in een woord, is, volgens de uitdrukking van Cuenot „een zuiver konservatief proces; zij heeft geen andere taak dan om monsters, misschapen individuen en zeer ongunstige variaties, zooals b.v. de albinos dat zijn, weer te vernietigen Zij handhaaft de soorten in hun gemiddelden-staat, maar is onmachtig nieuwe voort te brengen." De wetenschap ziet zich meer en meer genoodzaakt de natuurlijke selektie - niet als een faktor der" natuur aan wien zekeren invloed toekomt - maar wel als voornaamste oorzaak van de evolutie deiorganismen los te laten 3). _
Ook de erkenning van het feit, dat de beste aanpassing aan de omstandigheden volstrekt niet altijd ontwikkeling, vooruitgang, beteekent, leert ons de selektie op haar juiste waarde schatten. Vele gevallen zijn bekend van plant- en diersoorten, (vooral onder de parasieten) die door middel van achteruitgang van degeneratie hunner organen zich hebben aangepast aan veranderde omstandigheden en zijn blijven bestaan. Zoo kunnen dus onder bepaalde omstandigheden, wezens zich aanpassen en als de „meest-geschikten" overblijven, door middel van het verlies van hoogere eigenschappen of organen. Zij zijn zooal de geschiksten, dan toch zeker de besten noch de sterksten, en hun overwinning beteekent geen vooruitgang voor de organische natuur. 4)
Ten slotte wil ik in dit verband nog wijzen op de totale uitschakeling, in het betoom van professor Steinmetz, van andere krachten in de natuur die de werkino van den strijd-om-het-bestaan aanvullen en begrenzen: van de sexueele teeltkeus ten eerste (waarop ik niet nader inga) die een aestetisch element brengt in de ontwikkeling der organismen, en van het wederzijdsch hulpbetoon [.waarover straks meer) dat in die ontwikkeling de moreele faktor vertegenwoordigt.
Overigens ontleent prof. Steinmetz, gelijk de naturalistische sociologen in 't algemeen, zijn toepassing op de maatschappij van den strijd-om-het-bestaan gelijk die in de natuur plaats vindt, niet zoowel aan Darwin als aan Herbert Spencer.
Darwin zelf stond geenzins op het standpunt dat het beginsel van den ondergang der zwakken door de natuurlijke selektie, die bij de dieren achteruitgang van het°ras verhoedt, klakkeloos op de menschelijke maatschappij behoort te worden overgebracht. Integendeel: hij liet altijd den mensch als een wezen met geestelijkzedelijke eigenschappen gelden, wiens ontwikkeling door het bezit dier eigenschappen, aan ten deele andere wetten dan de dierlijke gebonden is. In het 5de Hoofdstuk van „De afstamming van den Mensch" laat Darwin zich over wat prof. Steinmetz als „niet-kiezende, niet-onderscheidende sentimentaliteit veroordeelt nl. over de werkingen der toenemende verspreiding en verinniging van het medegevoel als volgt uit: „De hulp die wij ons gedrongen gevoelen aan de hulpeloozen te geven is voornamelijk een bijkomend gevolg van het instinkt van medegevoel, dat oorspronkelijk werd verkregen als een deel der sociale instinkten, maar later op de vroeger aangetoonde wijze teederder en over een ruimer kring verspreid werd. Wij zouden dit medegevoel ook met kunnen beperken, wanneer wij daartoe door de hardvochtige rede werden genoodzaakt,
1) C Rabl, „Ueber die zuchtende Wirkung funktioneller Reize," bl. 27, 28.
2) Zie Giard, les facteurs de 1'evolution, en Cuenot, 1'evolution des theoriestransformistes. Cope, The origin of the fittest, allen aangehaald bij Bouglé bl. 211 e. v.
3) Delage, aang. bij Bouglé. bl. 214.
4) Bouglé, bl. 210.
198
zonder dat het edelste gedeelte onzer natuur er schade door leed. De heelmeester mag zich harden terwijl hij een operatie doet, want hij weet dat hij tot het bestwil van zijn patiënt handelt, maar wanneer wij de zwakken en hulpeloozen opzettelijk veronachtzaamden, zou het alleen kunnen zijn om een onzeker toekomstig voordeel te verkrijgen boven een zeker en groot tegenwoordig kwaad. 1)
Dit klinkt een weinigje anders dan prof. Steinmetz' verachtelijk ter zijde schuiven der „niet-kiezende, niet onderscheidende sentimentaliteit" ter wille van toekomstige geslachten!
Niet Darwin, maar Spencer is het, die dergelijke „sentimentaliteit" uit den booze acht, Spencer die zijn sociologische theorie — een theorie van het burgerlijk individualisme - uitsluitend op den strijd om het bestaan — dat is op de kapitalistische konkurrentie — grondvest en den speciaal menschelijken faktor van bewust medegevoel volkomen uitschakelt. Van Spencer afkomstig is prof. Steinmetz' overtuiging van de weldadige werkingen van den bestaansstrijd voor het menschenras, van Spencer zijne opvatting van het medegevoel en de philantropie als in de meeste gevallen schadelijk en verkeerd.
Van socialistische zijde is meer dan eens op de vele zwakke plekken in deze beschouwingswijze gewezen, die feitelijk niet anders is als een wetenschappelijk verkleede lofprijzing van het kapitalisme. Zij ziet, ten eerste, het groote verschil voorbij dat tusschen de dieren en de menschelijke organisatie, de maatschappij bestaat. Zij laat verder de bijzondere kenmerken der kapitalistische maatschappij, nl. de uitbuiting van de proletarische klasse, buiten beschouwing, die maken dat in onze samenleving van een strijd om het bestaan, gelijk die onder dieren gevoerd wordt, waarin de sterksten en meest-begaafden zouden overwinnen, niet de minste sprake kan zijn. Kapitalisten en arbeiders zijn geen konkurrenien in den bestaanstrijd, de laatsten gaan niet te gronde omdat zij minder geschikt en ondeugdelijker zijn dan de eersten. Slechts de leden der bezittende klasse voeren onderling (door de konkurrentie) den bestaanstrijd, in dien strijd echter zien wij de zwaksten en minst geschikten niet als menschen, ahperscncn, ondergaan. Het zijn hun kapitalen, die door de grootere kapitalen hunner mede-bourgeois worden geslagen, deze gaan onder, houden op zelfstandig te bestaan; hun bezitters vervallen tot ekonomische afhankelijkheid. Wat de arbeiders aangaat, zij treden geenszins als konkurrenten der kapitalisten op; zij verkoopen dezen hun arbeidskracht, zij gaan arm en ellendig te gronde, niet omdat zij in den konkurrentiestrijd worden verslagen, maar ten gevolge der uitbuiting, 2) Prof. Steinmetz ignoreert volkomen de maatschappelijke oorzaken — alle uitloopers van deze ééne: de kapitalistische uitbuiting — die de vrije wedijver der menschelijke vermogens kunstmatig verhinderen en maken dat niet de „besten," noch de „kloeksten," noch de „meest-begaafden," maar eenvoudig de ekonomisch-meest-bevoorrechten de beste kansen hebben, te blijven leven en zich voort te planten.
Het sociale Darwinisme (bedoeld de zoowel mechanische als tendentieuse toepassing der strijd-om-het-bestaan theorie, in den vorm die Spencer haar gegeven heeft, op de maatschappij) is, gelijk Pannekoek in zijn zoo leerzame brochure „Marxisme en Darwinisme" aantoont, de verdediging van de meest krasse uitbuiting, van het zonder-erbarmen onder den voet loopen aller zwakken. Geweld is recht, dat is de inhoud van deze leer, het slagen bewijst de volkomenheid. Zij richt zich niet slechts tegen het socialisme, maar ook tegen alle sociale hervorming en alle philantropie, tegen elke poging de diepste ellende en de
1) De afstamming van den mensch, holl. vertaling, I, h\z. 246.
2) Zie hierover de brochure van Pannekoek „Marxismus und Darwinismus,"
212
hetzij overmatige of al te langzame vermeerdering der geboorten de gemeenschap met schade bedreigt. Wie, gelijk de schrijver van het artikel dat ons hier bezig heeft gehouden, de maatschappij beschouwt van af het burgerlijk klasse-standpunt, hij blijft ten volle den invloed ondergaan van de tegenstrijdigheid, het wankelen der moraal — en niet het minst der seksueele — onder het kapitalisme. Het gebrek aan gezag van de moraal eener maatschappij-vorm waarmee hij zich vereenzelvigt — een gebrek dat zelve het uitvloeisel der toenemende tegenstellingen tusschen de productiewijze en de maatschappelijke verhoudingen is, verhindert in zijn geest het opkomen van vertrouwen in de kracht der nieuwe zedelijkheid, der socialistische moraal die voor alle leden der gemeenschap, van-zelf-sprekend en onvoorwaardelijk zal zijn.
Het heden waarin hij vastzit belet hem in één woord, het morgen te aanschouwen.
Uit het heden de krachten der toekomst te zien opkomen — dat kan alleen de sociaaldemocraat. Alleen de sociaaldemocraat is zeker, dat zooals in de klassenlooze maatschappij van het verleden de openbare meening werkte als eenig en voldoend dwangmiddel, zooals in haar alles zijn gang ging zonder soldaten, zonder politie, zonder rechters, zonder regeering, zonder gevangenissen en'zonder processen, dit ook in de klassenlooze maatschappij der toekomst het geval zal zijn. Hij is zeker dat ook in haar die individuen, wier sociale gevoelens onvoldoende ontwikkeld zijn, de openbare meening niet zullen durven trotseeren, omdat het eenparig oordeel der maatschappij al te verpletterend werkt.
De sociaaldemocraat is van dit alles zeker, omdat hij de klassenlooze maatschappij der toekomst uit het heden, de socialistische uit de kapitalistische ziet ontstaan. Hij ziet in onze klasse-maatschappij met haar verbrokkelde en vaak tegenstrijdige zedelijkheid, een nieuwe moraal opkomen, die reeds thans, in den regel zonder dwangmiddelen, slechts door de macht der meening van de gelijken, de begeerte naar hun lof en liefde, de vrees voor hun minachting en hun blaam, de handelingen der individuen regelt, hen gebrek, gevangenisstraf, den dood zelfs, verkiezen doet boven de schande en ondragelijke vereenzaming van het uitgeworpen zijn door de makkers. Deze opkomende moraal is de proletarische. Omdat het proletariaat alle hoop draagt van de toekomst der menschheid, is ook vertrouwen in het proletariaat de voorwaarde tot vertrouwen in de menschheid der toekomst. Wrie dat vertrouwen niet bezit, moet gelijk Prof. Steinmetz, twijfelmoedig en pessimistisch voor het vraagstuk der toekomst van het menschenras blijven staan.
Het Kustverdedigingsontwerp en „onze" internationale positie
DOOR
W. VAN RAVESTEYN J R.
„Ik vrees, geachte heer, dat gij niet nauwkeurig onderscheidt tusschen juridieke en politieke vragen." (Prof. Mr. J. de Louter tot John Westlake).
Sinds eenige jaren is de kwestie van „onze" internationale positie niet van de lucht of van de dagorde, metereologisch of parlementair gesproken.
Het is begonnen met den Russisch-Japanschen oorlog en sinds dien zijn wij er niet uit gekomen.
Op 't ooo-enblik zitten wij er midden in, zoo in, dat sinds eenige maanden de Europeesche groote pers zich weer met „ons" bezighoudt Dit weet men, is altijd een evenement, op zichzelf er al op wijzend dat' er hier iets gewichtigs aan de hand is, zooals b.v. de geboorte van een nieuwe loot uit het aloude huis of een Rembrandttentoonstelling. Want in dit opzicht zijn wij nog altijd wat wij gedurende het grootste deel der 19e eeuw in eminente mate waren, een eenigszins raar volkje waaromtrent bij onze groote buren wel de meest verschillende doch toch overeenkomstige gevoelens bestaan in dezen zin, dat ze met goed weten, wat men eigenlijk aan ons heelt. Dit geldt voor den „man van de straat" der groote rijken, afgezien eigenlijk van klasseaanhoor.gheid of plaats in de sociale rangorde. Zelfs voor den gemiddelden sociaaldemocraat uit Duitschland of Frankrijk is het een feit, dat hij minder van ons weet en minder belang in ons stelt dan in de ontwikkeling van andere, ook kleine volken of bewegingen. De oorzaken zijn zeer ververschillend en ingewikkeld maar niettemin aanwezig. Doch sterkei . de politieke groote pers van Europa, zoowel de periodieke als die met op P-eregelde tijdstippen uitkomt, door dagbladen en tijdschriften zoo goed als door brochures en dikkere geschriften vertegenwoordigd, houdt zich, wil het mij schijnen, in normale tijden minder met
214
ons op dan met menig land en volk van geringere economische en wereldpolitieke beteekenis. En er moeten zoo eensklaps zich van die feiten opdoen, waardoor op de eenigszins nevelachtige plek, waar wij schijnen te liggen met ons lage land, een helderder licht valt om die internationale belangstelling in ons, per slot van rekening toch niet zoo onbelangrijk, bestaan te wekken. Toch niet zoo onbelangrijk bestaan, indien men even slechts deze onmiskenbare feiten in aanmerking wenscht te nemen, ten eerste dat ons land, afgezien van zijn zeker sinds een 40 jaar weer sterk toegenomen eigen economisch gewicht, nog altijd geografisch en bijgevolg strategisch in de positie verkeert, waarin de verplaatsing van den wereldhandel van de Middellandsché naar de Noordzee en den Atlantischen Oceaan en de verandering van Engeland van een agrarischen tot een handelsstaat in de 16e eeuw het hebben gebracht, een positie gewichtiger dan ooit geworden sinds voor de twee rivaliseerende wereldmachten der 18e eeuw, de niet minder sterke economische en maritieme wedijver van het Duitsche Rijk met het Britsche in de plaats is getreden. Van dat Duitsche Rijk, dat in de 17e en de 18e eeuw nog een niet bestaande factor in de internationale politiek was en dat nu in nagenoeg dezelfde verhouding tot ons land staat als de Fransche monarchie tegenover de Zuidelijke gewesten, die den benedenloop der Noord-Fransche rivieren Schelde en Maas beheerschen, stond. En evenmin onbelangrijk, wanneer men ten tweede in aanmerking neemt, dat wij door een noodlottigen samenloop van historische omstandigheden meer dan ooit belast zijn met het bezit dier overzeesche bezittingen, welke de roofzucht van een deel Hollandsche kooplieden ons volk op de schouders heeft geladen, een bezit, waaronder het reeds eenmaal is neergestort en waarvan wij slechts kunnen hopen, dat een goedgunstige historische conjunctuur in de toekomst ons zal verlossen, vóór onze bourgeoisie in de gelegenheid is ter wille van dit haar erfdeel ons volk ten tweeden male in 't verderf te storten. Die overzeesche bezittingen dan, ten minste de Aziatische, zijn zeker de Europeesche niet alleen, maar de belangstellende aandacht van al die wereldmachten waard, welker bezittingen er of aan grenzen of wier belangen over de geheele wereld verspreid liggen, van het Britsche, het Fransche, het Duitsche en Russische Rijk dus, zoo goed als van de Amerikaansche wereldmacht en de militaire monarchie der Japanners om niet te spreken van de wereldmacht der toekomst: het Chineesche Rijk. En die verhoudingen in aanmerking nemend, zou men haast geneigd zijn om de stilzwijgendheid die er in de groote Europeesche pers gewoonlijk omtrent ons land in acht wordt genomen, toe te schrijven eer aan een vaag gevoel voor het precaire en gevaarlijke dier verhoudingen dan aan gebrek aan inzicht in haar gewicht. Precair inderdaad en doornig is die positie, tenminste voor degenen
222
discussie zin — er nauwelijks kwestie van kan zijn of wij zullen als een gebied behandeld worden, waarover die mogendheid vrije beschikking heeft.
Gaan wij nu het ontwerp na in verband met het doel, waarvoor het heet ingediend: de noodzakelijkheid de neutraliteit beter te kunnen handhaven in geval van een Europeeschen oorlog. Het wetsontwerp wil voor dat doel een fonds stichten, waaruit globaal genomen 25 millioen beschikbaar zullen moeten worden gesteld voor versterking resp. stichtingvan forten, en 13^ millioen voor aanbouw van nieuw marine-materiaal. Van de genoemde 25 millioen is de bedoeling 5-1/4 millioen te bestemmen voor een modern pantserfort bij Vlissingen, de overige zijn bestemd voor verbetering van de forten te Helder, IJmuiden, Hoek van Holland en andere werken. Uit een oogpunt van internationale verhoudingen komen de laatste natuurlijk niet direct in aanmerking. Niet direct, omdat men van buitenlandsche zijde geen voorwendsels heeft om tegen de versterking van de posities, die andere deelen der kust of andere zeegaten en riviermonden beheerschen, te protesteeren. Hetgeen niet uitsluit, dat indirect de versterking van die posities in geval van een Europeeschen oorlog natuurlijk zeer goed de kansen vermeerderen kan, dat eenige mogendheid de behoefte gevoelt er zich van meester te maken 1). Het pantserfort bij Vlissingen echter raakt direct andere machten.
De regeering stelt dan, wat betreft de Wester-Schelde voor (artikel 13"): „aanbouw van nieuwe werken met het oog op de handhaving- der onzijdigheid op de Wester-Schelde en tevens tot aanvulling van de bovenvermelde verdedigingsmiddelen, ten einde die in behoorlijken staat van tegenweer te brengen in verband met de verbeterde middelen van aanval." En in de memorie van toelichting wordt verder gezegd, dat de bedoeling is: „onze onzijdigheid aan de zeezijde stipt te handhandhaven en daartoe aan ieder der strijdende partijen het in bezit nemen of gebruiken onzer havens, zeegaten en vaarwaters met beslistheid te kunnen ontzeggen." Handhaving der neutraliteit op de WesterSchelde is dus het doel van hetgeen het ontwerp beoogt: de oprichting van een fort bij Vlissingen. Handhaving van de neutraliteit. Wat wil dit zeggen ? Indien het wil zeggen, dat een land in staat moet zijn om zich overal en te allen tijde met succes te kunnen verzetten tegen elke poging van een mogendheid, die in oorlog verkeert met een andere, om die neutraliteit te schenden, bv. door troepen over het grondgebied van den neutralen staat te doen trekken of, in ons geval, oorlogsschepen de Wester-Schelde te doen opvaren, op straffe van in den oorlog te worden betrokken, dan is ons land daartoe niet in staat zoomin
1) Zie bv. de beschouwingen van den luit. ter zee v. Asbeck, later hier weergegeven.
223
als eenig klein land, ja abstract gesproken zoomin als welke staat ook. Wij behoeven ons maar even het geval te denken, dat Duitschland in een oorlog met Frankrijk en Engeland gewikkeld er strategisch belang bij heeft troepen te doen trekken door ons land, bv. door Limburg, dan zien wij onmiddellijk, dat Nederland machteloos zou zijn zich hiertegen te verzetten en dus in den oorlog zou worden betrokken. In het geval namelijk, dat wij hier stellen, dat Duitschland een overwegend militair belang heeft bij het schenden der neutraliteit. Dan is er slechts één waarborg mogelijk tegen die schending en wel dezelfde waarborg, die een groote mogendheid in zulk een geval heeft, namelijk materieele kracht. D.w.z. niet, dat Nederlandsche troepen in staat zouden zijn den Duitschen troependoortocht materieel te verhinderen op elk gegeven punt — in casu bv. Zuid-Limburg - maar wel dat de militaire macht van Nederland zoo groot zou zijn, dat het Duitschland's belang zou zijn die macht niet in haar geheel tegen zich te krijgen, Nederland m.a.w. niet tot vijand te krijgen en dus de neutraliteit van ons grondgebied te ontzien. De eenige mogelijkheid — behoeven wij het te
zeggen die er voor ons land bestaat die materieele militaire macht
te verkrijgen is de invoering van een stelsel, waardoor het geheele volk weerbaar wordt, het middel, dat in het sociaaldemocratisch program staat aangegeven als een volksleger en dat Bebel en Liebknecht zooveel jaren geleden reeds aanbevalen i) als het eenige doeltreffende om werkelijk de neutraliteit van ons land te handhaven. Versterkingen te land zijn voor de handhaving van die neutraliteit natuurlijk absoluut zinneloos, omdat ze slechts zin zouden hebben, indien men een soort van onschendbaren Chineeschen muur om het land kon oprichten — die dan ook nog slechts van waarde zou zijn bij beschikking over de noodige militaire krachten om hem te bezetten. Trouwens sinds de slooping van alle vestingwerken, die niet tot de stelling-Amsterdam of Holland behooren, d.w.z. sinds de jaren na 1840, berust de gedachte der mogelijkheid van handhaving der neutraliteit in 't geheel niet meer op versterkingen maar bloot en alleen op het leger. Wij zien nu af van het feit, dat dit voor zijn taak niet berekend is en in geval van een Europeeschen oorlog de mogelijkheid bestaat, dat het te zwak is om een der groote mogendheden te doen aarzelen het als vijand te krijgen door onze neutraliteit te schenden. Maar reeds tijdens den Fransch-Duitschen oorlog, de laatste maal, dat de handhaving onzer neutraliteit in de practijk maatregelen noodzakelijk maakte — de mobilisatie — vormden de versterkingen aan de grenzen geen deel meer van de materieele kracht, voor die handhaving in aanmerking
O Zie de Enquête over ons Militarisme, indertijd gehouden door het tijdschrift: „De Jonge Gids," en de antwoorden van Bebel en Liebknecht aldaar, 2e jaargang (1898), p. 62.
226
der neutraliteit voldoende heet. Wij zagen reeds, dat de handhaving der neutraliteit sinds 40 jaar het niet noodig heeft gemaakt één fort aan de Schelde te hebben tot werkelijke verdediging in staat. Maar hooren wij weer den generaal Snijders om ook de onzinnigheid van dit argument te begrijpen. Deze toont uitvoerig aan, dat de plicht tot handhaving der neutraliteit ook op de Schelde onmogelijk in zich kan sluiten de verplichting tot het bouwen van vaste versterkingen, dat het daarvoor voldoende is indien tegen een dergelijke macht, die de neutraliteit wil schenden, worde geprotesteerd.
„Wij moeten . . . aannemen, dat het kan gebeuren, dat een vreemde staat Vlissingen wil bezetten ongeacht onze neutraliteitsverklaring. Welnu, die staat gedraagt zich dan tegenover ons als vijand en wij moeten hem eveneens als zoodanig behandelen. Onze schepen — liefst pantserschepen, mèt en tot steun voor pantserbooten, torpedobooten en onderzeebooten — moeten hem op de Wester-Schelde verwelkomen, in elk geval — als er ten minste gelegenheid voor wordt gelaten — protesteeren, al is 't proforma tegen de voorgenomen schending en verder van zich afslaan met alle middelen, waarover ze beschikken; den vijand verliezen trachten te berokkenen zooveel ze kunnen en desnoods zich opofferen.
Wellicht bestaat ook de mogelijkheid dat op de reede van Vlissingen in de havens en meer bovenwaarts op de Schelde, zij op 't laatste oogenblik, wanneer blijkt dat de toestand het vereischt, automatische contactmijnen worden „gestrooid". . . .
Ook kunnen tijdig maatregelen worden voorbereid om te worden uitgevoerd als de toestand het vordert, om de havens, de hulpmiddelen van de werf enz. voor den vijand onbruikbaar te maken. En als er een landing dreigt moeten mobiele troepen naar Zeeland worden gedirigeerd, zooals reeds sedert 1870 in de bedoeling lag, ten einde 't zij die onderneming op de Walcherensche kust af te slaan, 't zij den opmarsch der reeds gelande vijandelijke troepen te stuiten en ze naar zee terug te werpen. Wij moeten dan in Zeeland optreden, zooals op elk ander punt, b.v. aan onze grenzen in Limburg, waar de neutraliteit niet zou worden geëerbiedigd. We zijn dan immers in oorlog met de mogendheid die dat onderneemt. Maar daarom gaan we toch nu geen forten bouwen."
Uit deze opmerkingen volgt dus, dat de beide gevallen, het opvaren der Schelde door een scheepsmacht tegen den wil der Nederlandsche regeering — tot steun van België met schending van onze neutraliteit — en het bezetten van Vlissingen al of niet met dit doel, beide te reduceeren zijn tot de schending der neutraliteit op alle andere punten, aan de landgrenzen. Dat dus voor handhaving van die neutraliteit niet noodig zijn, i" de forten, die de heer Snijders verwerpt, 2" de schepen, die hij wel noodig acht, doch die geen andere rol volgens hem te vervullen hebben dan ... te gronde te gaan bij wijze van nuttelooze opoffering, maar dat het ook voor dit deel van ons land uitsluitend en
Neutrale Opvoeding en de Schoolkwestie
DOOR
W. WOLDA.
I.
Het historisch materialisme — de door Marx en Engels gegrondveste moderne geschiedenistheorie — leert, dat de ekonomische struktuur der maatschappij de grondslag is, waarop zich de maatschappelijke instellingen verheffen, en dat zij in laatste instantie het ervaringsmateriaal levert, waaruit de geest zijn stelsels, de levens- en wereld beschouwingen, produceert. Het leert ook, dat, zoolang de mensch zich dit onverbrekelijk verband van zijn geestelijk en zijn stoffelijk bestaan niet bewust is, de ekonomische verhoudingen veranderen en een nieuwe maatschappelijke struktuur brengen, terwijl de verandering der ideeën en der maatschappelijke instituten met die evolutie geen gelijken tred houdt. De snelle revolutie van de techniek der voortbrenging eenerzijds, de befaamde traagheid van het menschelijk bevatten anderzijds, veroorzaken in de fazes der maatschappelijke ontwikkeling een tegenstrijdigheid tusschen het maatschappelijk zijn en het denken met zijn uitvloeisels, de bewust geschapen maatschappelijke instellingen. Nieuwe gedachten en opvattingen over het bestaan zelf breken zich slechts langzaam baan en voeren langen tijd een hardnekkigen strijd met de oude: het is de kamp der levensbeschouwingen, die ten slotte eindigt met de overwinning van het nieuwe geestelijk eigendom, waardoor dan de tegenstelling tusschen de ekonomische gesteldheid aan den eenen, de maatschappelijke bovenbouw en de geestelijke gesteldheid aan den anderen kant, in beider eenheid en overeenstemming is opgelost.
De oude wereldbeschouwing, die men het geestelijk beeld der oude maatschappelijke werkelijkheid zou kunnen noemen, heeft de strekking, te verhinderen, dat de nieuwe sociale realiteit wordt gezien en in haar wezen begrepen. Zij is als de benauwd-klamme atmosfeer van een potdicht gesloten huis, waarvan de bewoners niet begrijpen kunnen, dat daar buiten de boomen bloeien en de beken stroomen. En waar
246
geëischt, zal, denken wij, door niemand worden ontkend. Het Kongres van 1902 nu heeft in de meening verkeerd, dat in de schoolpolitiek een geval aanwezig was, waarin de partij de toepassing van haar beginsel moest wijzigen, ten einde te handelen in overeenstemming met haar hoogste beginsel dat voorschrijft alle middelen aan te wenden welke de bewustwording der arbeidersklasse kunnen bevorderen. De meerderheid der Partij, die zich met de groninger schoolmotie heeft vereenigd, meende, zonder zich over de toekomst uit te spreken, dat het niet bevorderlijk was voor den groei der beweging, den eisch der neutrale opvoeding in zijn meest onverzoenlijken vorm te proklameeren, en de verplichte neutrale school voor het volkskind op te eischen. Zij dacht een gematigden vorm voor haar streven te moeten aannemen, door te gemoet te komen aan de ideologische behoeften der geloovige arbeiders, hen aan te trekken, ze vatbaar te maken voor de socialistische propaganda, ook, om met hunne hulp het neutraal onderwijs op den duur te doen zegevieren. Terwijl de Partij op het standpunt bleef staan, dat de neutrale opvoeding voor het proletariërskind de eenig wenschelijke is, konstateerde zij :
„Dat een groot deel der arbeidende klasse in Nederland voor zijn kinderen godsdienstig onderwijs eischt", achtte zij het ongewenscht,
„het daarin tegen te werken, daar de sociaal-democratie de eenheid der arbeidende klasse tegen geloovige en ongeloovige kapitalisten op maatschappelijk gebied niet ter wille van theologische geschilpunten heeft te verstoren",
stelde
„aan de bijzondere school dezelfde materiëele eischen als aan de openbare, ook wat betreft de positie der onderwijzers, wier zelfstandigheid door den Staat moet worden gewaarborgd evenals de vrijheid van keuze der ouders",
en verklaarde zich
„alleen onder geheele voldoening aan deze voorwaarden voor maatregelen, welke de gelijkstelling van de bijzondere school met de openbare beoogen".
Het is de vraag, of deze „matiging" — om het feit nog een oogenblik zoo te blijven noemen — hier juist was. Want zij is op haar plaats alleen dan, wanneer zij tot gevolg heeft een verbreeding van het inzicht der arbeidersklasse, verheldering van haar begrip van de wapenen in den maatschappelijken strijd en van het wezen harer stoffelijke en geestelijke afhankelijkheid, toename van haar revolutionaire energie. Ook dus, wanneer haar daardoor inzicht in het groote belang van neutraal onderwijs wordt bijgebracht, en begrip van de strekking eener godsdienstige opvoeding in de school.
247
IV.
Van verschillenden aard zijn de tegenwerpingen, welke reeds zijn ingebracht tegen de bewering, als zou de groninger motie werkelijk een voor het bewuste proletariaat begeerlijk effekt sorteeren. Ook het hoofdargument, dat o. i. den doorslag pleegt te geven, n.1. dat indien onze Partij een onverzoenlijke houding tegenover het bijzonder onderwijs aannam, door eene voor de vrijheid strijdende proletarische organisatie de gewetensvrijheid van klassegenooten zou worden aangerand, is aan kritiek onderworpen. Wij kunnen en behoeven die bedenkingen hier niet weder aan te voeren en verwijzen slechts naar de plaats, waar zij in den jongsten tijd zijn te berde gebracht I). Wij willen, in overeenstemmingmet wat is voorafgegaan, hier alleen de vraag onder de oogen zien, en het antwoord er op trachten te vinden, of deze motie werkelijk het inzicht der arbeiders in de groote beteekenis der neutraliteit voor de opvoeding hunner kinderen helpt aanbrengen en versterken, of nieuwe lagen, n.1. nit het geloovige proletariaat daardoor beter vatbaar worden voor onze propaganda, en ook op hun beurt beter zullen begrijpen, dat de neutrale opvoeding voor hun kinderen de eenig wenschelijke is, wijl het proletariaat er naar streeft, het juk der overheersching af te werpen en een vriie menschheid te worden.
De partij zal eerst dan de volkomen gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs eischen en voorstaan, 2) wanneer aan het laatste dezelfde materieele en technische eischen worden gesteld, ook wat de vrijheid der ouders en der onderwijzers betreft als aan het eerste. Echter moet worden aangenomen, dat met deze vermelding nopens een bij uitstek praktische kwestie, als de motie behelst, de feitelijke mogelijkheid is uitgesproken, dat mettertijd openbare en bijzondere school inderdaad aan dezelfde eischen zullen voldoen. Met alleszins gewettigde objekties tegen deze meening kunnen wij ons hier niet bezighouden, doch wij beweren, dat zij aan de kern der kwestie, die wij gedurig op den voorgrond stellen, niet raakt.
Het is, hopen wij, uit het voorgaande duidelijk geworden, dat wij, proletarische partij, juist het neutrale onderwijs als politieleen eisch hebben te stellen, niet, omdat het stoffelijk beter wordt gevoed, technisch
1) Zie: „Weekblad". Nos. 53, 54, 59 en 98.
2) Het is nauwelijks noodig, hier te zeggen, dat het onderwijs op de openbare school lang nog niet beantwoordt aan het ideaal eener neutrale opvoeding. Echter kan dat ideaal daar dicht worden benaderd, en is er voor het proletariaat een onderscheid van hemel en aarde tusschen de opvoeding op het instituut der openbare school en die op de bijzondere christelijke en roomsche scholen, waar de jeugd systematisch wordt opgeleid in de vreeze Gods, 8
1902 1692 390,7
1903 2122 457,6 1004 2287 477
1905 2517 486,7 5
1906 2704 548,6 6
1907 4017 722,8 6
1908 5076 908,2 6
1909 5812 1120,8 7
0 Het opstel van Dr. Tesch („Tijdschrift v. h. Kon. Ned. Aardr. Gen/' Jan. 1911): Nederland als mijnbouwland is uitvoeriger maar bevat voor ons doel geen meerdere gegevens.
258
Onder mijnen in exploitatie wordt in bovenstaande tabel verstaan mijnen, die reeds een opbrengst aan kolen leveren. De werkzaamheden tot verkrijging van kolen en het te werk stellen van arbeiders beginnen natuurlijk reeds eenige jaren vóór dat de productie begint. Zoo gaat het dan ook niet aan de totale opbrengst der mijnen, waarvan op 't oogenblik slechts I sinds 30 jaar in exploitatie is, te deelen door het totale aantal arbeiders teneinde b. v. een inzicht te krijgen in den gang van de opbrengst per arbeider.
Wat wij echter uit bovenstaande cijfers wel zien, is dat in de laatste 15 jaar een inderdaad voor ons land zeer belangrijke uitbreiding van het werkelijk grootbedrijf in de streek, waar het hier omgaat, ZuidLimburg heeft plaats gevonden, een zeer belangrijke concentratie van arbeidskrachten ook. Men ziet, dat ook de grootte der mijnbedrijven aanmerkelijk is toegenomen. Terwijl de twee in 1880 geëxploiteerde mijnen slechts resp. 190 en 144 arbeiders telden, dus gemiddeld 170, tellen de 7 in 1909 geëxploiteerde er resp. 1258, 1152, 788, 573-979» 905 en 157, gemiddeld dus 830, terwijl de gemiddelde productie per mijn gestegen is van 37500 tot 160000 ton, niettegenstaande in 1909 enkele mijnen nog slechts zeer korten tijd in exploitatie waren en haar volle productie dus nog niet hadden bereikt.
De eene mijn, die reeds in 1880 geëxploiteerd werd, breidde in dien tijd haar productie uit van 38817 tot 243000 ton en haar personeel van 190 tot 1258 man. De tweede mijn, die in 1880 reeds geëxploiteerd werd, heeft van 1880 tot 1900 haar arbeidersaantal niet aanmerkelijk vermeerderd en is toen stopgezet. In het jaar 1900 begint de arbeid aan 3 nieuwe mijnen, terwijl een, die in 1895 begon ontgonnen te worden, toen reeds met 805 man 143000 ton produceerde en men kan dus zeggen, dat de snelle uitbreiding van deze jongste grootindustrie eerst dateert van den aanvang der tegenwoordige eeuw. Waar zij de eenige industrie is, die zich in ons land bezighoudt met de productie der grondstoffen, die de grootkapitalistische productie behoeft, zou dit feit op zichzelf reeds een sterke aanwijzing bieden voor Nederland's industriëele achterlijkheid of liever nog primitieve ontwikkeling. Maar om de Zuid-Limburgsche nog zoo jonge mijnindustrie, die overigens ongetwijfeld een toekomst heeft en pas aan het begin harer ontwikkeling staat, in 't juiste licht te zien, wat betreft haar verhouding tot de productie van ons land, moeten wij bovendien nog in 't oog vatten, dat deze jonge grondstof-industrie er wel is waar eene is op „Nederlandschen" bodem, d. w. z. binnen het grondgebied van den Nederlandschen staat, maar dat zij overigens veel meer is een klein onderdeel van hetRijnsch-Westfaalsche en Belgische kolengebied, zoowel economisch als geografisch. Economisch in dezen zin, dat zij tot nog toe voor den afzet van haar product in hoofdzaak aangewezen is op niet-Nederlandsche
259
verbruikers en ook in dezen zin, dat zij voor een belangrijk deel werkt met niet-Nederlandsch kapitaal. Terwijl de afzet naar het binnenland, die in 1900 bedroeg 108 duizend ton, in 1909 gestegen was tot 315 duizend ton, steeg de afzet naar het buitenland van 194 duizend ton in 1900 tot 731 duizend in 1909, een vooruitgang dus van resp. pl.m. 190 en pl.m. 290 pCt.
M. a. w. de eenige grondstofindustrie van het moderne kapitalisme is ten eerste in ons land nog maar van zeer kleine beteekenis, ten tweede nog pas een 1 O-tal jaren oud, en leeft ten derde zonder direct verband met de overige industrietakken.
Voor wij naar aanleiding van het nu gegeven globale overzicht der Nederlandsche industrie tot eenige conclusie komen in verband met de in het begin van dit opstel gestelde vragen, zij 't echter geoorloofd voor èèn bedrijftak het hiervoor meegedeelde nog aan te vullen met, resp. te toetsen aan, sinds dien bekend gemaakte gegevens. Wij bedoelen het bakkersbedrijf, waaromtrent in ons overzicht verwezen wordt naar elders reeds bekend gemaakte cijfers, die echter nu, voor zoover aanwezig, waardeloos zijn geworden door het interessante „Onderzoek naar de Bedrijfstoestanden in de Nederlandsche Broodbakkerijen", op last van het Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel ingesteld naar aanleiding van het wetsontwerp dit bedrijf betreffende. Indien het geknoei der diverse regeeringen met zoogenaamde sociale wetgeving weinig directe resultaten oplevert, kan het indirect ten minste dit goede gevolg hebben, dat wij, bij gebreke aan een algemeen overzicht over de ontwikkeling der industrie, zooals een bedrijfstelling die zou geven, nu in hun soort voortreffelijke monografieën krijgen voor afzonderlijke bedrijfstakken. Dit onderzoek dan leert ons wat betreft de concentratie in het bakkersbedrijf, dit onderdeel van de groote categorie der voedingsmiddelenindustrieën, het volgende.
Totaal bestaan er in ons land 14317 bakkerijen, waarvan 1150 inrichtingen, die uitsluitend koek, banket enz. vervaardigen en 13167 bedrijven, die in hoofdzaak brood vervaardigen met totaal 11814 patroons en 17592 gezellen. Hiervan zijn 3870, die bestaan uit alleenwerkende bakkers, dus 29,5 pCt. van alle inrichtingen en 13,2 pCt. van het totale personeel. Van de totale broodproductie leveren deze alleenwerkenden 13,5 pCt. Inrichtingen met hoogstens 2 gezellen zijn er 7956 of 60,6 pCt. van het totaal, 59 pCt. van het personeel omvattend en 49,7 pCt. van den geheelen meelomzet verwerkend. Inrichtingen met meer dan 2 en hoogstens 9 gezellen zijn er 1168 of 8,9 pCt. van het totaal, 18,4 pCt. van het personeel omvattend en met 4628 gezellen. Het „grootbedrijf" eindelijk, dat hier reeds geacht wordt te beginnen, waar 10 en meer gezellen zijn — en waar het broodbezorgen, een speciaal Nederlandsche kwaal, afgescheiden is van het broodbakken — omvat slechts 127 be-
2ÓO
drijven of i pCt. van het aantal met 9,4 pCt. van het personeel of 2757 arbeiders, die 17 pCt. van de broodproductie leveren. Nader gespecialiseerd blijken deze 127 bedrijven te kunnen worden verdeeld in 64 particuliere bakkerijen met 10 a 20 gezellen, 13 particuliere bakkerijen met meer dan 20 gezellen, waarvan 5 ingebracht in een naamlooze vennootschap, 29 broodfabrieken met meer dan 20 gezellen en 20 coöperaties met 351 gezellen. Indien men een iets minder „Nederlandschen" maatstaf aanlegde en het grootbedrijf eerst rekende te beginnen bij inrichtingen met meer dan 20 gezellen, wat toch zeker ook nog niet hoog was, zouden er dus slechts 29 inrichtingen onder vallen.
Men ziet dus, dat in dezen bedrijfstak het „grootbedrijf" nog een zeer ondergeschikte rol speelt. Indien men niet wist, dat er enkele beschuit en koekfabrieken waren, — waarvan 1, wegens de geringe hoeveelheid brood die zij bakt, in bovenstaand overzicht tot de inrichtingen met 1 of 2 gezellen is gerekend, maar die pl. m. 100 arbeiders telt — dan zou men zelfs geneigd zijn te zeggen, dat het grootbedrijf in dezen bedrijfstak nog nauwelijks zijn intrede heeft gedaan. Zeker is het, dat de concentratie er nog zeer gering is. Evenwel moet er rekening mee gehouden worden, dat voor bepaalde deelen van het land de verhouding tusschen wat hier grootbedrijf is genoemd — inrichtingen met 10 of meer gezellen — en het geheel, vooral wat betreft de productie, gunstiger is. Zoo worden bv. in de groote steden de verhoudingscijfers tusschen den omzet in meel der bakkerijen onder rubriek D — laatstgenoemde — tot het geheel van den omzet, voor Amsterdam, Rotterdam, den HaagUtrecht, Haarlem, Leeuwarden, Zaandam resp. 50,6 57,8, 72,0, 50,6 50,0 53,1, 48,4 pCt. In een aantal groote steden is de concentratie dus inderdaad een eind voortgeschreden.
De verhouding van de georganiseerden tot het aantal arbeiders bedraagt dus hier 1996 (in 1909) tot 17592 bakkersgezellen, vermeerderd met het personeel in de koek- banket en beschuitbakkerijen.
Volgens het kort verslag in de groote bladen heeft de Directeurgeneraal van den Arbeid in een bijeenkomst van het Koninklijk instituut van Ingenieurs gegevens medegedeeld over de nijverheid in ons land — de voordracht is nog altijd niet in haar geheel verschenen — waaruit het volgende blijkt. De percentages der fabrieksbevolking ten opzichte van het totale zielental bedragen slechts in weinige gemeenten meer dan 20 pCt.; slechts bij één enkele (Sas van Gent) 50 pCt. Verreweg het grootste deel van het land heeft een kleinere industriëele bevolking dan 5 pCt. Deze statistische gegevens zijn door den heer Van IJsselsteyn ontleend aan de opgaven, welke volgens de Veiligheidswet bij de Arbeids-
261
inspectie inkwamen. Verder werd er in dit verband gewezen op het groote verschil tusschen de cijfers die bij de volkstellingen van 1889 en 1899 werden opgegeven als aan te duiden de industriëele bevolking, en de cijfers, die volgens de statistiek der Arbeidsinspectie de fabrieksbevolking weergeven. Zelfs met eenige correcties van deze bereiken de cijfers der arbeidsinspectie nauwelijks 60 pCt. der cijfers van i8gg. Spreker vergeleek nu van enkele der 17 bedrijfsgroepen, waarin de industrie bij de volkstelling wordt ingedeeld, genoemde volkstellingen met die der Arbeidsinspectie, terwijl daarenboven laatstgenoemde nog zijn aangevuld door de cijfers der fabrieksbevolking, arbeidende in fabrieken met meer dan 10 personen, zoodat laatstgenoemde opgave min of meer de groot-industrie weergeeft. Bij elk dezer bedrijfsgroepen wordt uitvoerig stilgestaan. Zoowel de redenen, die tot het verschil in cijfers aanleiding geven als de verdeeling der verschillende industrieën worden uiteengezet, laatstgenoemde door grafische kaarten. Bij deze beschouwing werd de ontwikkeling van verschillende belangrijke industrieën geschetst en werd gewezen op tal van belangwekkende feiten in het bedrijfsleven.
Eindelijk wees spreker er op, dat, hoezeer talrijke gelukkige verschijnselen op dat gebied waren te boekstaven „een cijfer van ongeveer 300000 in de eigenlijke industrieën werkzame personen niet zeer belangrijk was". Aldus het vervolg van het krantenverslag omtrent 's heeren Van IJsselsteijn's mededeelingen.
Volgens het Centraal-verslag van de Arbeidsinspectie over 1909 waren er in alle fabrieken en werkplaatsen met 10 en meer arbeiders 300505 personen werkzaam. 1) Deze 300000 omvatten dus de eigenlijke fabrieksbevolking in den zin, aan dit woord volgens het boven genoemd verslagje gehecht.
Tellen wij aan den anderen kant de in de hierboven genoemde rubrieken van industrieën geschatte arbeidersmassa's op — er 10000 van de diamantindustrie aan toevoegend — dan komen wij ongeveer tot een zelfde cijfer namelijk pl. m. 303000. Het ronde getal van 300000 schijnt dus inderdaad ongeveer het aantal arbeiders aan te geven in ons land in „fabrieken" werkzaam, d.w.z. in inrichtingen waar 10 of meer arbeiders te werk worden gesteld, want voor zoover er in het laatste cijfer, verkregen door optelling van de hier genoemde schattingseijfers voor de verschillende groote nijverheidscategorieën (de industriëele categorieën + den mijnbouw) arbeiders uit de kleine industrie (die beneden de 10 arbeiders) opgeteld zijn, wordt dat bedrag zeker wel geneutraliseerd door de lacunes in de opgayen voor de afzonderlijke categorieën. Aangezien het cijfer van 300500 in alle bedrijven met
I) Centraal verslag der Arbeidsinspectie over 1909, pag. 210.
2Ó2
io en meer arbeiders werkzame personen vaststaat, is deze overeenkomst ongetwijfeld eenigszins een aanwijzing voor de globale juistheid van onze schattingen voor de afzonderlijke groote bedrijfscategorieën, de metaalnijverheid, de textielnijverheid, de papier- en stroocartonnijverheid enz.
Maken wij nu een overzicht op van het aantal arbeiders en het aantal bedrijven in de verschillende bedrijfsgroepen volgens de gegevens der Arbeidsinspectie betreffend den arbeidsduur, dan krijgen wij de volgende cijfers. Wij moeten daarbij in het oog houden, dat deze gegevens alle arbeiders opsommen werkzaam in de ondernemingen, doch slechts zoover deze onder de Veiligheidswet ressorteeren en 10 of meer personen in dienst hebben.
Er zijn dus bedrijfsgroepen, waarbij een groot deel of het grootste deel der arbeiders niet in de hieronderstaande cijfers is begrepen, doch dit gedeelte is dan toch soms vermeld.
Aantal Aantal Gemidd. Overige
be- per- per arDeiders.
drijven, sonen. bedriji.
Groep I Glas, kalk, aardewerk 731 31204 ± 42
„ II Diamantbewerking 93 6628 ± 71
„ III Drukkerijbedrijven 520 12851 ± 24
IV Bouwbedrijven 472 775^ ± 16 In't geheel zijn er on-
V Chemische nijverh. 186 8201 ± 44 gev. 15°°°° »n bouw-
„ VI Houtbewerking 1023 19234 ± 18 bedrijven werkzaam.
VII Kleeding 1241 24113 ±19 Totaal 91335 arb. vol-
„ VIII Kunstnijverheid 41 558 ± 13 gens de volkstelling
IX Lederbewerking 289 6166 ± 20 van 1889.
X Oer, steenkolen, turf 33 729 ± 22
XI Metaalindustrie 542 16797 ± 3* In't geheel 8218 perXII Machinefabrieken 354 23621 ± 66 sonen werkzaam. '„ XIII Scheepsbouw enz. 399 21472 ± 53 '„ XIV Papiernijverheid 243 8119 ± 33 XV« Vlasbewerking 129 2334 + 18 XV£ Textiel 622 47348 ± 76 „ XVI Gas, electriciteit 97 4349 ± 44 „ XVILz Bakkerijen 231 4693 ± 20 „ XVII£ Graanmalerijen 51 ^54 ± 3° „ XVIL Zuivelindustrie 170 4584 ± 26 „ XVUd Tabaks- en Sigarenfabrieken 673 18843 ± 28 „ XVIL Overige voedings- en
genotmiddelen 797 29357 ± 36
Totaal 8937 300505 240892 niet onder de veiligheidswet begrepen.
Wij zien dus, dat volgens deze statistieken van de Arbeidsinspectie de gemiddelden van het aantal arbeiders werkzaam in de ondernemingen met 10 of meer arbeiders in. de verschillende bedrijfsgroepen wisselen
263
van plm. 13 tot plm. 76, welk hoogste gemiddelde in de textielindustrie bereikt wordt.
In verband gebracht met het hierboven vermelde omtrent de textielnijverheid zijn bovenstaande cijfers ook niet onbelangrijk om onzen indruk omtrent den ontwikkelingsgraad der Nederlandsche industrie te helpen versterken.
Vergelijken wij het in deze statistiek vermeld aantal bedrijven en arbeiders onder de groep XVIIö : Bakkerijen met dat van het onderzoek omtrent de bakkerijen in engeren zin, den eenigen bedrijfstak, waar omtrent wij nu zooiets als een voldoende bedrijfstelling en voldoende kennis bezitten, dan blijkt tevens hoeveel duizenden arbeiders aan de bovengenoemde plm. 541000 ontbreken om een opsomming te krijgen van het totale aantal van de arbeiders onder al deze groepen ressorteerende.
Eindelijk kan ter vergelijking met de vorige statistiek nog de volgende vergelijking opgemaakt worden, eveneens ontleend aan de statistieken der Arbeidsinspectie (Centraalverslag p. 411), waar in de 3e kolom het aantal bedrijven genoemd wordt vallende alleen onder de Veiligheidswet en in de 5e die onder Veiligheids- en Arbeidswet, dus waar een krachtwerktuig of oven in gébruik is en een gemengd personeel van mannen en jongens of vrouwen en meisjes.
Groep I 731 31204 272 2305 657 31177
„ II Q3 6628 84 2058 79 4701
„ III 520 12851 124 888 610 13294
IV 472 7751 254 3330 302 4806
„ V 186 8201 261 3195 149 5986
VI 1023 19234 635 5056 843 17845
„ VII 1241 24113 85 588 1311 25075
VIII 41 558 13 93 31 530
„ IX 289 6166 124 1116 182 5527
X 33 729 28 475 16 285
„ XI 542 16797 348 2412 719 17148
„ XII 354 23621 269 3804 386 21019
„ XIII 399 21472 138 1770 312 20842
XIV 243 8119 35 1379 195 7133
XVa 129 2334 2919 5194 658 4395
„ XVt) 622 47348 50 468 498 47432
XVI 97 4349 235 4232 48 2867
„ XVIIa 231 4693 12087 24517 2979 11240
„ XVIU 51 1554 2557 6335 335 1364
» XVILr 170 4583 473 2659 239 4489
„ XVlId 673 18843 l63 r343 531 18600
„ XVlïe 797 29357 1346 10263 602 23968
8937 3oo5o5 22500 83480 11582 289433
Onder het aantal personen in de 6e kolom ressorteeren 34428 jongens van 12—16 jaar, 16613 meisjes van 12"—16 jaar, 38452 vrouwen boven
264
de 16 jaar en 4904 gehuwde vrouwen benevens 195036 onbeschermde personen (volwassen mannen en jongens boven de 16).
Het geringe aantal gehuwde arbeidsters is zeker ook een symptoom van de geringe ontwikkeling onzer industriëele verhoudingen. Volgens het onlangs gepubliceerde verslag van het onderzoek daarnaar ingesteld door de Arbeidsinspectie blijkt, dat eigenlijk gezegde fabrieksarbeid door de gehuwde vrouw slechts voorkomt in drie industriëele centra: Maastricht, Eindhoven en (een gedeelte van) Twente, doch dat het aantal gehuwde fabrieksarbeidsters over 't geheel zoowel ten opzichte van het totale vrouwelijke personeel als ten opzichte van alle industriëele arbeiders van uiterst weinig beteekenis is, namelijk slechts 5470 in 't geheele land, waarvan dan bovendien 2000 nog slechts in seizoenarbeid werkt — in conservenfabrieken, garnalenpellen, haringspeterij, steenfabrieken, suikerfabrieken of als waschvrouw.
De industriëele ontwikkeling van een land kan niet op zichzelf beschouwd worden, wanneer men hare beteekenis voor de productie en de maatschappelijke verhoudingen van dat land wil nagaan.
Het kapitalisme onderscheidt zich in de verschillende landen o. a. juist door de verschillende verhouding, waarin de groote vormen of sferen, die het kapitaal aannemen of innemen kan, tot elkaar staan. Zoo weten wij, b.v. dat de industriëele ontwikkeling in Frankrijk over het geheel genomen achter is gebleven bij die van het finantieele kapitalisme, het industriekapitaal bij het geldkapitaal. Zoo weten wij, dat de Duitsche economische ontwikkeling gekenmerkt wordt — in tegenstelling b.v. tot de Fransche — door de nauwe verbinding, die daar tusschen het finantieele kapitalisme en de industrie bestaat, wat de industriëele ontwikkeling over 't algemeen machtig ten goede is gekomen 1).
Voor ons land nu blijkt, wanneer men de verhouding tracht na te gaan, waarin de verschillende vormen van het kapitaal zich hier ontwikkelen, onmiddellijk de industriëele achterlijkheid bizonder duidelijk.
Zoowel de verhouding van het in industriëele ondernemingen die reeds den vorm van een naamlooze vennootschap — kapitaal in aandeden, welke vorm in ons land weliswaar gedeeltelijk nog de private onderneming kan vertegenwoordigen doch behalve voor enkele categorieën toch ook reeds in hoofdzaak de onpersoonlijke aanwijzing op een deel der winst vertegenwoordigt — als de verhouding van het bankkapitaal tot de industrie en de aard van dit laatste zijn in dat opzicht even teekenend.
1) Zie daarover het opstel van S. de Wolft" in den vorigen jaargang van dit tijdschrift.
2Ö5
Zien wij b.v. de beleggingen van Nederlandsch kapitaal, voor zoover die de oprichting van nieuwe naamlooze vennootschappen ten gevolge heeft, dan krijgen wij het volgende beeld over de twee laatste jaren.
In de jaren 1909 en '10 werden resp. opgericht 665 en 830 nieuwe naamlooze vennootschappen met een nominaal aandeelenkapitaal van 134,193 (in duizend gulden) en 181,189, waarvan geplaatst — dus nog niet eens geheel gestort — resp. 80,604 en 92,047-
Trekken wij van dit aantal N. V. af die categorieën, waaronder het grootste aantal N. V. valt, welk groot aantal echter tevens voor 't overgroote deel slechts een vorm uitmaakt voor gemeenschappelijke exploitatie door enkele personen van eenig klein kapitaal, belegd in een schip, een kleine bouwonderneming enz., dus de categorieën samengevat als: bouwmaatschappijen, scheepvaartmaatschappijen en handelslichamen, dan vinden wij in de overige categorieën ten minste een aanwijzing voor de verhouding waarin het kapitaal ten onzent belegging zoekt in de verschillende sferen.
Wij zien dan dat in 1909 en 1910 resp. in fabrieken belegd zijn de volgende kapitalen (in duizendtallen guldens):
Aantal Maatsch. Geplaatst Gestort Gemidd.
fabr. kapitaal. kapitaal. kapitaal. geplaatst.
a. suikerfabrieken 4—2 10250—3350 975.0— 3350 975°—'335° 2437—1675
b. bierbrouwerijen, meel en broodfabrieken 7—5 2891—480 2265—292 2265—292 323—58
c. chemische, gas-
en oliefabrieken 23 — 20 4066—4960 2757—2579 2754—2492 119—128
d. katoen-, wol ,en
garen fabrieken —4 —656 —151 —151 —38
e. steen-, ijzer-, en
werktuigfabriekenig—17 3104—3603 2057—2391 2057—2391 108—140
/. diverse 38- 62 3764—9418 2007—6479 19S1—6455 52—104
De geheele ind. 91 —110 24075—22467 18836 -15242 18807—15131 207 — 138
Het totaal der beleggingen in industriëele ondernemingen, voor zoover dit tot uitdrukking komt in de stichting van nieuwe fabrieksondernemingen die direct den vorm aannemen van N.V., of in de verandering van bestaande particuliere ondernemingen in maatschappijen op aandeelen, bedroeg dus voor de jaren 1909 en '10 resp. ƒ24075000 en ƒ22467000, wanneer men de nominale kapitalen in aanmerking neemt en ƒ 18807000 en ƒ15131000 voor zoover de werkelijk gestorte kapitalen betreft. Een daling dus in een tijd van herstel der economische conjunctuur en terwijl de totale som der in alle N.V. geplaatste kapitalen normaal toenam, evenals hun aantal 1).
i' Het aantal N.V vermeerderde van 683 in 1882 tot "486 in 1910 en de gemiddelde toeneming van liet aantal per twee jaar van 122 iil de iaren 1882—84 tot 1447 in de jaren 1908—'10.
266
Maar, afgezien van deze daling, die toevallig zou kunnen zijn, is de verhouding tusschen de in industriëele N.V. belegde kapitalen en die in andere sfeer belegging vonden teekenend.
In 1909 en '10 werden opgericht resp. in den vorm van N.V.
. , , Nominaal Geplaatst Gestort Gem.
Aantal. kapitaai kapitaal. kapitaal. geplaatst.
administratiekantoren, banken, cre-
dietvereenigingen 19—31 7160-15859 2582-5653 1882—4575 134—i»2 hypotheekbanken 2—4 4000-6075 1000-2017 200-1167 500-504 verzekeringmaatschappijen 17-18 2736-2250 1036-884 252-217 61-49 cultuur-, mijn-, pe-
troleumschappijen 54-82 40816-87561 28012-43667 26382-39257 537-532 De belegging in cultuur-, mijn- en petroleummaatschappijen, nieuwopgerichte wel te verstaan, bedroeg dus in 1909 40816 nominaal en 26382 werkelijk gestort, in 1910 resp. 87561 en 39257 (in duizenden guldens), een groote stijging dus. Eenzelfde stijging zien wij ook voor het nieuw-gefundeerde finantieele kapitaal, dat in de drie bovenste rubrieken is opgesomd. Weliswaar is daar het verschil — vooral bij de hypotheekbanken en de verzekeringmaatschappijen — tusschen het nominale en het werkelijk gestorte, dus belegde kapitaal zeer groot, doch men moet niet vergeten, dat in het „kapitaal" van dergelijke instellingen als hypotheekbanken lang niet de geheele hoeveelheid geldkapitaal uitgedrukt is, die zij opnemen en waarmee zij werken. Het o-rootste bedrag toch, dat zij opnemen, geschiedt in den vorm van obligaties en deze vorm van kapitaalsbelegging wordt hier dus niet vermeld en komt niet tot uitdrukking.
Resumeerende zien wij, dat ongetwijfeld, voor zoover het kapitaal, dat elk jaar in ons land naar nieuwe belegging zoekt, aan den dag treedt in nieuw gestichte maatschappijen op aandeden, de belegging in industriëele waarden daarbij een zeer ondergeschikte rol speelt.
Dit hangt ongetwijfeld ook ten nauwste samen met den aard van het bankwezen ten onzent.
Terwijl, zooals wij weten, in alle groote industriëele landen de band tusschen het finantieele en het industriekapitaal, tusschen de groote financiers en de grootindustrie, tusschen de magnaten van het geldkapitaal en de schoorsteenbaronnen steeds nauwer is geworden tot beider voordeel, en beide groepen in vele gevallen reeds tot een personeele identiteit hebben geleid in zooverre de leiders der groote credietinstellingen direct of indirect tevens de leiding in handen hebben gekregen van de grootste industriëele ondernemingen, terwijl omgekeerd de laatste weer in de leiding der groote credietinstellingen een invloedrijke positie bekleeden, is er in ons land van een dergelijken nauwen
26;
band nog geen sprake, ja vormen geld- en industriekapitaal, op een enkele uitzondering na, nog totaal verscheiden gebieden.
Wat ons bij een overzicht van het Nederlandsche bankwezen ook al weer in de eerste plaats treft is de geringe beteekenis der centralisatie.
Het overzicht van het Nederlandsche bankwezen, zooals dat in het meergenoemde verzamelwerk voorkomt van de hand van den bankdirecteur Mr. Dr. J. P. van Tienhoven, deelt de gegevens omtrent deze instellingen mee, voor zoover ze bekend zijn. Van de eigenlijk gezegde bankinstellingen geeft het overzicht dit staatje.
Aantal Bankinstellingen. ^pj[^{ Reserve. whist? Onkosten. Dividend.
8 Amsterdamsche 36916 8890 6805 2905 2394
7 Rotterdamsche 16472 2706 2476 711 1143
48 Provinciale H735 1894 2329 900 664,
ontleend aan de balansen, voor zoover die bekend gemaakt worden, in één jaar en natuurlijk weer uitgedrukt in duizenden guldens.
Hierbij zijn echter slechts 48 van de 82 bestaande provinciale bankinstellingen behandeld, aangezien de overige óf geen inlichtingen wenschten te geven öf geen balansen publiceeren.
De overzichtschrijver zegt van dit staatje: „Beschouwt men de kapitaalsverhoudingen, gaat men na, dat de Amsterdamsche banken met een gemiddeld kapitaal van ƒ4,600,000 werkten, de Rotterdamsche met ƒ 2,300,000 en de provinciale met ƒ 240,000, dan komt men tot de slotsom dat het provinciale bedrijf, zij het al loonend, kleinbedrijf moet heeten, terwijl het grootbedrijf zich vrij wel geheel in de beide genoemde steden concentreert, een conclusie, die steek houdt bij de doorlezing der betreffende verslagen." Doch gaat hij voort:
Men hoede er zich echter voor, uit een en ander tevens de slotsom te trekken, dat ook ten onzent de centralisatie van het bankbedrijf in de handen van enkele groote bankinstellingen een voldongen feit is. Immers dan zou men de eigenaardige overwegende beteekenis der firma in het Nederlandsche bankwezen verwaarloozen.
Men neme in aanmerking dat te Amsterdam 366 firma's waarvan 65 bankiers, te Rotterdam 48, in de Provincie 346 firma's werkzaam zijn.
Zeker, deze cijfers zonder meer zijn bedriegelijk, want de talrijke kleine firma's, die uitsluitend van den commissiehandel in effecten hun beroep maken, doen inzonderheid in de hoofdstad de verhouding tegenover de banken noodeloos ongunstig schijnen. Toegegeven mag ook worden dat enkele der Amsterdamsche en Rotterdamsche banken een overwegende positie hebben weten te veroveren op het terrein der groote kredietoperatiën. Maar, al kunnen hier uit den aard der zaak geen cijfers genoemd worden, talrijke firma's zijn aan te wijzen die op emissiegebied en in het commissiebedrijj de banken overtreffen. In de provincie althans worden de banken over de geheele lijn dooide privé-bankiers geslagen. Steden als 's Hertogenbosch en Arnhem,
268
waarnaast meerdere bankiershuizen geene of slechts een enkele kleine bankinstelling staat, zijn in dit opzicht typeerend.
De verklaring . . . ligt voor de hand. Ook ten onzent beheerschen drie factoren het bankwezen: beurs, handel en industrie. Anders dan in omliggende landen wordt hun beteekenis in deze rangorde uitgedrukt, terwijl de eischen, welke zij aan de kapitaalkracht der bankwereld stellen, daaraan juist omgekeerd evenredig zijn. Het vastleggen van reusachtige bankkapitalen in handel en industrie heeft ten onsent tot dusverre geen ingang gevonden. Vandaar dat zelfs de grootste onzer bankinstellingen met kapitalen werken, die in het buitenland geen indruk kunnen maken. Tengevolge van dit zeker zeer voorzichtige beginsel heeft de firma haar positie tegenover de Naamlooze Vennootschap met succes kunnen handhaven. Het blijft natuurlijk de vraag, of zich niet te eeniger tijd omstandigheden zullen voordoen, die tot wijziging dezer zakenpolitiek uitlokken.
Nog mag de aandacht gevestigd worden op een maatregel, waardoor zonder twijfel het provinciale bankwezen aan kracht gewonnen heeft. In 1903 heeft de provincie zich georganiseerd in den Bond voor den Geld- en Effectenhandel in de Provincie, te 's Gravenhage, in navolging van de reeds lang bestaande Vereeniging voor den Effectenhandel te Amsterdam en de Vereeniging van Effectenhandelaren te Rotterdam. De genoemde drie lichamen hebben ieder voor zich het bedrijf binnen hun ressort op vrijwel analoge wijze gereglementeerd en tot dusverre in onderling overleg somwijlen tegenstrijdige belangen weten te verzoenen. Onder den Bond, die bij de reglementeering zeker wel het meest in onderdeden afdaalde, ressorteeren nog talrijke plaatselijke provinciale vereenigingen. Het geheele doel dezer beweging is de uitschakeling van een ongebreidelde concurrentie en ongetwijfeld vindt de decentralisatie van ons bankwezen daarin een krachtigen steun. Mede tengevolge daarvan kunnen b.v. de filialen der groote Amsterdamsche banken in de provincie moeilijk vasten voet krijgen, want bij uniforme tarieven geeft thans de persoonlijke standing der plaatselijk van ouds gevestigde zaken den doorslag."
Men vergelijke deze ontwikkeling en dezen staat van zaken met die van Frankrijk, zooals die kort beschreven is in een opstel in dit tijdschrift, vorigen jaargang, of met die in Duitschland. waar de 8 grootste banken resp. werken met kapitalen van 200, 200, 170, 145, 160, 110, 80 en 85 millioen Mark, met deposito's van honderden millioenen en een omzet van 112 milliard voor de Deutsche Bank alleen, terwijl deze groote banken ook het geheele kleinere en verspreide bankwezen in de provincies beheerschen, en men heeft niet alleen een beeld van het verschil tusschen het achterlijke Nederlandsche financieele kapitaal en het Duitsche hoogontwikkelde, maar eveneens van het onderscheid tusschen de Duitsche en de Nederlandsche industriëele ontwikkeling.
Een geweldige industriëele ontwikkeling toch is in het moderne kapitalisme niet meer mogelijk zonder een hooge en geweldige gecentraliseerde ontwikkeling van het finantieele kapitaal.
Terug tot Marx
DOOR S. KOPERBERG.
„Het ware een dwaas ondernemen Marx en het geheele naturalisme van onzen tijd door Kant of Fichte, door Shelling of door Hegel te willen vervangen, maar, terwijl uit de levensbehoeften onzer maatschappij het socialisme ontstaat, hier als het dreigende geweld van.de proletarische massabeweging, ginds als een organiseerend opbouwen van nieuwe geconcentreerde maatschappelijke instellingen, wordt door de vraagstukken van de bewuste maatschappelijke vernieuwing op den meest reëelen bodem van den tijd de vernieuwing van het idealisme geeischt". l)
't Is nauwelijks een tiental jaren geleden, dat vanuit het burgerlijk kamp der economen, „het bankroet van het Marxisme", alom werd verkondigd. In eigen gelederen kwam opstand tegen het „dogmatisch Marxisme", en werd de vlag van het „Neo" Marxisme zegevierend in top geheschen. Op philosophisch terrein, riep men, „terug tot Kant", °P economisch gebied zwoer men bij Böhm-Bawerk.
Sinds dien tijd zijn een aantal jaren verstreken van geweldige economische- en maatschappelijke ontwikkeling, is de wetenschap van de sociale verschijnselen, de sociologie steeds meer tot bloei gekomen en desondanks heeft men in de plaats van het Marxisme geen theorie van het maatschappelijk gebeuren weten op te stellen, geen grondslag kunnen vinden van waaruit de sociale verschijnselen saam te vatten z'jn. „Maar mij wil het voorkomen," aldus een burgerlijk econoom, »,dat de wetenschap van de wording der samenlevingsvormen (sociologie) behoefte heeft aan leidende gedachten, aan een vastbepaald doel, wanneer zij uit voortdurende analysen tot de toch eindelijk den sluitsteen vormende synthese wil komen". 2)
Heeft men op philosophisch noch sociologisch terrein een synthese weten te vinden, op economisch gebied is algemeen verval waar te nemen.
1) Johann Plenge, Archiv fiir Soz. Wissensch. u. Soz. Pol., p. 35, Bnd. XXXI.
2) Leopold v. Wiese .. „ „ „ ,, 899, „ „ Neuere Soziologische Literatur.
17
270
De jongeren onder de Duitsche Historische school op economisch gebied keeren aan de archivarische studiën den rug toe, en roepen in koor het bankroet der idealistische geschiedenisopvatting uit, op theoretisch economisch gebied is de ebbe de vloed gevolgd en bestrijdt men zoowel van uit de Nieuwe Wereld 1) als in het Oude Europa de BöhmBawerk'sche grensnuttigheidsleer.
Het is niet onaardig om van uit burgerlijk kamp het ,,teru>De prijs veronderstelt de waar of de verandering van het goed in waar, veronderstelt dus een geschiedkundig bestaande maatschappij, waarin het chrematische verwerven van rijkdom plaats maakt voor de neiging goederen te bezitten als sociale macht, als de macht om over den arbeid van anderen te beschikken door het-bevredigen van behoeften van vreemden. De prijs veronderstelt een markt. De markt veronderstelt, dat de drager van het bedrijf tevens zijn werkzaamheid niet in die richting leidt, waardoor hij rijkdom als middel tot bevrediging zijner behoeften kan verwerven, maar zich meer stelt als doel, door hetwelk hij de vergrooting van zijn eigen macht in de maatschappij kan verwezelijken, wat zijn streven naar bezit eindeloos doet toenemen. 2)
„Het vraagstuk van den warenverkoop valt dus niet, zooals Menger met zijn tabellen bewijzen wil (ook Böhm Bawerk),—S. K.) samen met dat van de verdeeling der waar onder alle leden der maatschappij. En dit, omdat de economist niet uitgaat van de maatschappij der dingen, maar van de hoeveelheid van het goed voor de menschen, die hun vraag naar het goed, met den prijs er van, maar niet direkt met den nuttigheidsgraad van de waar vergelijken". 3)
Deze critiek is niet malsch en slaat den spijker op den kop. Niet alleen, dat hier de arbeidswaardeleer weer aanvaard wordt, dat daarnevens de ruilverhouding als een historisch gegeven aangenomen en van daaruit de arbeidswaardeleer gemotiveerd wordt, doch in het oogvallend is wel, dat deze burgelijke econoom hieruit verklaart en erkent, dat de klassentegensielling niet alleen een maatschappelijk feit is, maar als een economische noodzakelijkheid voortvloeit uit de struktuur der kapitalistische maatschappij.
Een andere grondslag, waarop de grensnuttheorie haar synthese der 'echtvaardiging van de kapitaalrente trekt, is ten eerste: de produktie°ttiweg in 't voortbrengingsproces, en ten tweede: de meerdere waarde van de toekomstige — tegenover de tegenwoordige goederen. „Het nadeel, dat met de kapitalistische produktiewijze verbonden is, ligt in een te groot verbruik van tijd. De langere weg die de produkten in deze produktiewijze maken, is winstgevend, maar tijdroovender, zij levert
') Archiv. v. Soz. Wissensch. u. Soz. Pol., Bnd. XXXII, p. 47-
2) Wem, p. 48.
3) Idem. p. 59.
272
meer of betere verbruiksgoederen, maar zij levert deze eerst in een lateren tijd. Deze zin behoort tot de fundamenten van de leer van het kapitalisme", i).
Ook dit wordt tegenwoordig sterk betwist, men ontkent, dat de productieweg in 't kapitalisme langer is, men verwerpt de rechtvaardiging van de kapitaalrente als een toekomstgoed met hoogere waarde. Zoo schrijft Dr. Otto Conrad, Böhm-Bawerk's stelling betreffende de grootere opbrengst van den kapitalistischen produktieomweg bestrijdende : „dat wat het kapitalistische produktieproces in werkelijkheid karakteriseert is dus niet de „tijdroovende produktieomweg", maar de verder teruggaande voorbereidende werkzaamheid voor het gereedmaken van het eerste tot verbruik geschikte produkt: „de voorbereidende arbeid". Daarom is het ook juister het winstgevende van de kapitalistische produktie niet af te meten naar den tijd, maar naar de hoeveelheid arbeid, die zij eischt". 2) Hier wordt niet alleen de genadeslag aan de B. B.'sche kapitaalrentetheorie gegeven, doch tevens, zij het in andere terminologie, meer gelijkend op die van Ricardo, Marx' leer van de heerschappij in het meer ontwikkeld kapitalisme van den dooden arbeid (constant kapitaal) over den levenden arbeid (variabel kapitaal) met huid en haar aanvaard. Zoo moeten zoowel de burgerlijk-economen, als de in het burgerlijk kamp gevluchte „Marxisten", onder den drang der tijden een „terug tot Marx", aanheffen.
1) Böhm-Baweik, Kapital und Kapitalizins II, p. 87.
2) Conrad's Jahrb. für Nat. Okon. u. Stat. III, F. Bnd. 41. p. 232—233.-
Talma's jongste faillure.
(Het ontwerp-ziekte-verzekering)
door
H. SPIEKMAN.
h
Het standpunt Op het congres der Sociaal-democratische Arbeidersder S. D. A. P. partij te Utrecht, in 1896, het eerste congres waaide Partij gelegenheid had, zich meer uitvoerig over hare roeping en houding ten opzichte der arbeidswetgeving van de zijde der burgerlijke regeeringen uit te spreken, nadat zij in ons land de sociaaldemocraten opnieuw tot organisatie op den grondslag van een zuiver sociaaldemocratisch program gebracht had, werd na eene inleiding over „den socialen arbeid der Regeering" een motie aangenomen, waarin het kongres als zijn meening uitsprak,
„tegenover dien arbeid geen algemeen principieel standpunt te kunnen innemen, omdat de regeeringsontwerpen in dezen geen geheel vormen, op geen vast principe berusten, en dus slechts op zichzelf kunnen worden beoordeeld,"
en verklaarde,
„steeds te zullen afwijzen die ontwerpen, welke de afhankelijkheid der arbeidende klasse verhoogen, en steeds zulke eischen te zullen stellen aan de door de regeering ontworpen voorstellen, dat ze zullen strekken om den invloed der arbeidende klasse te vergrooten, hare afhankelijkheid te verminderen, hare le venvoor waarden te verbeteren, en in 't algemeen hare macht als klasse te versterken."
Ik meen wel te mogen zeggen, dat sedert dien de Sociaaldemocratische Arbeiderspartij, zoowel in hare Kamerfractie, na dien tijd ver" °verd, als in hare houding buiten het parlement, aan de in deze motie neergelegde gedragslijn, in overeenstemming met de gedragslijn der jnternationale sociaaldemocratie, is getrouw gebleven. Èenerzijds gebroken hebbende met de anarchistische richting hier te lande in 1893, en 'n de internationale socialistische beweging op het Londensche congres Van 1896, die in het ijveren voor arbeidswetgeving langs parlementairen Weg geen middel voor het doel : de ontvoogding der arbeidersklasse erkende, wees anderzijds de S. D. A. P. even beslist af de verplichting Van te -zullen aanvaarden alles wat de regeering, hetzij die van 1896 of
274
welke andere ook, onder het étiquet: sociale wetgeving aan de arbeidersklasse mocht aanbieden. Het was der sociaaldemocratie immers noch om den naam, noch om het papier te doen; slechts het doel: de versterking, de toenemende onafhankelijkheid, de materieele en moreele verheffing van de arbeidersklasse, werd in het oog gehouden; en slechts wanneer dit doel met eventueele sociale wetten zoude worden gediend, volgde daarop en daarom, onder reserve van verbeteringen, de steun der sociaaldemocratie.
Krachtens dit standpunt heeft de S. D. A. P. in ons land de Ongevallenwet, van het eerste ontwerp af, gesteund; heeft zij zich, zonder de geringste geestdrift, verklaard vóór de wet op de Kamers van Arbeid ; heeft zij zich verklaard tegen de Wet op de Arbeidsovereenkomst; strijdt zij vóór een Wet op de Staatspensioneering, en zal zij, critisch bekijkende en toetsende aan de bovengenoemde eischen elk ontwerp wat eventueel nog geboden mocht worden, aan elke wettelijke verbetering, onverschillig door welke regeering voorgesteld, haren steun verleenen, zooals zij ook buiten voorstellen om, krachtens haar eigen programma en op grond van de meest op den voorgrond tredende nooden en ellenden des arbeidenden volks, voor bepaalde eischen op het terrein der arbeidswetgeving strijdt, en daardoor de regeeringen voortschuift.
De toestanden waaronder de arbeidersklasse leeft, zijn in zóóvele opzichten slecht, betreffen zoozeer het geheele maatschappelijke, geestelijke en intellectueele leven van allen, mannen, vrouwen en kinderen, die tot de arbeidersklasse behooren, dat met eiken wettelijken maatregel van bescherming, steun, verheffing, slechts ééne zijde, ja, slechts een geringe plek van dien toestand verbeterd wordt, en wij hebben, juist door de afhankelijkheid en zwakte naar alle zijden en de veelsoortige macht die de bezittende klasse op de arbeiders uitoefent, ook nog angstvallig te waken, dat wij met onze eischen buiten, en onze voorstellen in het parlement, ons blijven aanpassen aan wat de arbeidersklasse in bepaalde opzichten „verdragen" kan, m. a. w. ons wel ter dege aan te passen aan bestaande verhoudingen en omstandigheden; niet uit bescheidenheid, of reverentie voor het kapitalisme, maar omdat, met eischen die met deze werkelijkheid geen rekening houden, wij het doel voorbijstreven, en aan de altijd wakende en werkende reactie wapenen in de hand geven om de arbeiders tegen ons op te zetten, en onze machtsuitbreiding tegen te houden.
Zóó staan wij, met klare duidelijke, krachtige, practische eischen op het gebied der wettelijke arbeidersbescherming.
Zóó staan wij ook, op het gebied der arbeiders-verzekering met onzen eisch: staatspensioneering.
En zóó zal het ook niet moeilijk zijn, onze houding ten opzichte der ziekte-verzekering te formuleeren, wanneer eenmaal de commissie die is benoemd door het congres te Rotterdam om de Partij op dit punt voor te lichten, met haar rapport gereed is.
Er ligt thans echter bovendien een wetsontwerp vóór ons, en daartegenover is het, dat de Partij, indien even mogelijk in overeenstemming met de centrale der moderne vakvereenigingen, hare houding zal hebben te bepalen.
Want het betreft hier een groot, een veelzijdig, een diep ingrijpend
275
arbeidersbelang; een instituut, waarin de arbeidersklasse een reusachtige kracht kan vinden, één der krachten, die te samen aan hare vorming tot de machthebbende klasse werken; een instituut, waardoor zij, naast ■de leniging in den nood van de talloos velen die onder de huidige maatschappelijke omstandigheden door ziekte worden getroffen, ook meteen leert, de moderne wetenschap, de natuur, en de betere leefwijze, betere voeding, betere woning, door gemeenschapskracht aan te wenden ten bate van hen die er tot nu toe van verstoken waren.
Alzijdig is het lijden der arbeidersklasse in deze maatschappij, maar bitter vooral is het lijden, en bitter wordt de armoede en afhankelijkheid der arbeidersklasse gevoeld, bij ziekte. Wanneer eenmaal de arbeiders, in hun moeilijke levensomstandigheden geplaatst, door ziekte getroffen worden, dan is het lijden niet te overzien. En zelfs wanneer niet de man als kostwinner, maar de vrouw bedlegerig, en vooral wanneer zij sleepend ziek wordt, wat onder de arbeidersklasse helaas zoo dikwijls voorkomt, dan is het lijden van het gansche gezin even erg. Dan gaat alles er onder gebukt. Dan wordt het leven een last, die voortgesleept moet worden, zonder vreugden, zonder licht, met dubbel zware afhankelijkheid van particulieren; dan wordt het bestaan dikwijls een wanhoopstrijd, die de gezinnen, daardoor getroffen, op steeds lager peil doet neerzinken.
Zeker, ook daarin is, in den loop der jaren, voor velen verlichting gekomen. Juist omdat zij weten, met welk lijden en met welke ellende m het geheele gezin de ziekte van man, vrouw, of een der medekostwinnende kinderen gepaard gaat, hebben reeds duizenden arbeiders, trots hun armoede, zich in particuliere ziekenfondsen vereenigd, waardoor zij althans gedurende zekeren tijd tegen de ergste ellende beschermd zijn, en hebben in de steden en in de industriëele centra ook duizenden arbeiders zich door eene geringe contributie op genees-, heelen verloskundige hulp voor hunne gezinnen „geabonneerd". Dat zij daartoe kwamen, dikwijls zonder zich voor de verbetering van hun overigen maatschappelijken toestand als ze gezond zijn, de minste inspanning of opoffering te getroosten, bewijst, hoe juist het bittere lot der arbeiders onder vigueur van de huidige maatschappelijke omstandigheden ontzaggelijk wordt gevoeld; gevoeld en begrepen ook door de vrouwen, die voor déze contributiën het eerst zorgen, ook al zouden de kinderen en zij zeiven honger lijden 1 Daarnevens zijn er gekomen de „fabrieksfondsen", betaald gemeenschappelijk door ondernemers en arbeiders, meestal beperkt tot één bepaalde onderneming, waarbij den Werkgever, in ruil voor zijne bijdrage, een belangrijk aandeel in de leiding moest worden toevertrouwd. En vervolgens zijn er de particulier §eéxploiteerde ziekenfondsen, door verzekeringsondernemingen, opger'cht en geëxploiteerd ter wille van de winst, en zich ook niets anders en niets meer ten doel stellende. In de laatste jaren is daarbij, voor wat aangaat uitkeering eener ondersteuning gedurende een zeker aantal weken, nog gekomen de ziekte-uitkeering aan hare leden bij de moderne vakvereenigingen, die, als één der middelen waardoor aan de vakgenooten grootere onafhankelijkheid en materieele kracht verschaft Kan worden, tevens dient als bindmiddel aan de organisatie, ten einde °nder de weinig bewusten het verloop tegen te gaan.
Maar ach, alles wat tot nu toe op dat gebied bestaat, het is zoo
276
weinig, zoo onvoldoende, zoo geheel „noodmaatregel". Groote massa's arbeiders, losse arbeiders vooral, staan er nog buiten. Voor de landarbeiders, voor de seizoen-industrie-arbeiders die op de dorpen wonen, bestaat op dit gebied zoo goed als niets. En in de steden bedraagt het aantal arbeiders, die op een zekere geldelijke uitkeering bij ziekte aanspraak kunnen maken, nog niet de helft van het geheele aantal. Welk een zee van verdubbelde armoede, van verdubbelde afhankelijkheid en dubbel scherp lijden, nl. in tijden van ziekte, duurt voor de groote massa altijd nog voort, verergert hare afhankelijkheid, drukt haar ter neer, doet haar vreezen de vijandschap of zelfs maar de misnoegdheid van de machthebbenden, de werkgevers, de bestuurders van armenzorgvereenigingen en genootschappen, op wie ze in dagen van ziekte-nood zijn aangewezen. En hoe minimaal, hoe gering, hoe schamel is dan nog de hulp die geboden wordt, zoowel als de onderlinge steun die de arbeiders zich zelf verschaffen I Hoe dringend is hierin voor de arbeidersklasse verheffing en verbetering noodig, betere, meer rationeele hulp ; niet als een minimum van levensonderhoud, maar als eene redelijke voorziening in de behoefte gedurende den tijd dat de kostwinner niet werken kan, zonder dat, zooals nu — als ware de ziekte door strafmaatregelen te begeleiden — het gezin in honger behoeft te vervallen, of zich in schulden behoeft te steken, of wel de hand voor een aalmoes behoeft uit te strekken.
Maar er is meer. Het onvoldoende van den huidigen toestand zit niet alleen in de armoede in de gezinnen, wanneer er ziekte is. Het onvoldoende zit ook in de ontzettend geringe zorg die er aan de zieken wordt besteed, waardoor sleepende ziekten altijd weer nieuwe slachtoffers vragen, en onnoemelijk veel leed geleden en kracht verloren gaat, wat voorkomen had kunnen worden en behouden had kunnen blijven. Dat is geen verwijt, natuurlijk, aan de doktoren, die integendeel dit gemis, voor zoover zij hunne practijk ook vinden in de arbeidersklasse, wel wanhopig moeten gevoelen — tenzij ze er ten slotte gevoelloos voor worden — maar een gevolg van de verwildering die het kapitalisme in de maatschappelijke verhoudingen heeft aangericht. Is het niet krankzinnig, dat de uitkeeringen bij ziekte ophouden , . . na zekeren tijd? Dat de zieken, wanneer door vermindering in inkomsten de gezinnen toch reeds uitgeput zijn, aan hun lot worden overgelaten, of. . . aan het armbestuur worden toegewezen ? Is het niet verschrikkelijk, dat zwakken, voor wie verpleging in een rustig oord, en door voldoende passende voedingsmiddelen, genezing en nieuwe kracht zou brengen, gedwongen zijn, door armoede, in hunne krotten te blijven wonen, omgeven door alles wat neerdrukt, gepijnigd door ontbering? Is het niet ontzettend, dat de geneesheeren, „versterkende middelen" voorschrijvende, „rust en kalmte", dit moeten doen met de wetenschap, dat het toch niet gebeurt? Is het niet onmenschelijk, dat heele rijen krotten, vol vocht en stank, bestaan blijven, hoewel men weet dat zij bronnen zijn van ziekten, alleen omdat de overheid het geld er niet voor over heeft, betere woningen voor de armsten te bouwen ? Dat is alles de verwildering, die onder vigueur van het „bloeiende" kapitalisme is ontstaan. Zeker, wij erkennen gaarne, dat, door de ziekenhuizen in de groote steden, door liefdadige vereenigingen, door vacantie-koloniën enz. hier en daar, van enkele groepen, het ergste leed is verzacht.
277
Ons verwijt aan het kapitalistische maatschappijbeheer, dat het al deze ellende heeft veroorzaakt, of, waar het bestond, heeft bestendigd en verscherpt, blijft daarmeê onaangevochten. En zij die aan het hoofd staan dezer ziekenhuizen, zoowel als zij die aan de particuliere ondernemingen hun krachten wijden, zullen de eerste zijn om te erkennen, dat juist die arbeid, te midden van de woestenij die maatschappij heet, in zijne bedoelingen, gesteld ze zijn nog zoo goed, telkens weer wordt teleurgesteld, en zij de resultaten van hun werk telkens weer zien vernietigd juist door de werking der maatschappelijke wanverhoudingen zelf. Juist door den te vroegen terugkeer in de ellende, juist door het millieu waarin de half of driekwart „herstelde" kinderen of volwassenen moeten blijven verkeeren, ziet men den besten geneeskundigen arbeid weer vernietigd. Door dergelijken, partieelen, kleinen arbeid blijft de ellende der groote massa zoo goed als onaangeroerd, en juist doordat er geen verband bestaat tusschen ziekte-behandeling en uitkeering, en voortgezette zorg afwezig is, daarom is deze hulp zoo zveinig blijvend in hare resultaten.
Wij, sociaaldemocraten, kunnen en mogen niet anders, dan alles wat den toestand der arbeidersklasse, in ruimen zin genomen, betreft, in onderling verband beschouwen. Hulp, reeds nu, onder de huidige verhoudingen, en onder de kapitalistische heerschappij, onder den drang van wat dan ook tót stand gekomen, zal slechts gering kunnen zijn. Toch zal dit voor ons geen reden zijn, haar niet gaarne te aanvaarden, nadat wij al onzen invloed zullen hebben aangewend om haar breeder, rationeeler, dieper te doen zijn. Maar het moet een hulp zijn op goede grondslagen, waarop, naarmate de invloed der arbeidersklasse toeneemt, kan worden voortgebouwd; het moet een hulp zijn, die dit gedeelte van het lijden der arbeidende klasse in haar geheel omvat, die dus zich niet beperkt tot het op eenigerlei wijze verzekeren aan de arbeiders van een zeker bedrag, gedurende den tijd dat zij ziek zijn, maar die althans uitgaat van de erkenning, — een erkenning, die, zou men zeggen, niet te ontkomen is; die klaar, vierkant, voor iedereen voor de hand ligt — dat er tusschen de waarborg eener uitkeering in geld, en de behandeling der zieke, de goede genezing, de waarborg eener werkelijke hulp en van de meest noodzakelijke dingen die daarvoor noodig zijn, verband gelegd, en daaraan vastgehouden wordt. Wie de beklagenswaardige toestand der arbeidersgezinnen, in geval van ziekte, erkent als inhaerent aan hunne geheele sociale positie, als een logisch gevolg daarvan; wie niet alleen de ergere armoede bij ziekte, maar °ok de ziekte zelf, althans vele ziekten, en vele verergeringen en voorbeschikkingen, erkent als een sociaal kwaad, als een der vele „sociale nooden", waaronder de arbeidersklasse gebukt gaat, die mag ook niet volstaan met alleen een geringe hulp aan het gezin te bieden, in financieelen vorm, maar moet ook, van den aanvang af, uit dezelfde overweging, als een even groot belang, de hulp bij ziekte, de aanspor'ng tot voorkoming van ziekte, en de breede, sociaal-hygiënisch en wetenschappelijk van alle zijden als noodzakelijk erkende, voortgezette hulp bij ziekte, regelen. Wie dat niet doet, verricht niet alleen, gesteld het eerste ware redelijk goed geregeld, slechts half werk, hij sanktioneert, althans laat onaangeroerd, een der ergste misstanden, waaronder de arbeidersklasse lijdt, hij laat onaangeroerd een toestand van verwaarloozing, die, uit alle oogpunten bezien, even wreed is en even
278
schadelijk en pijnigend in zijn gevolgen, als de financieele armoede in de gezinnen.
Daar ligt dus de taak van de sociaaldemocratie reeds voor de hand: van den aanvang af hebben wij er op gestaan, hebben wij als voorwaarde te stellen aan elke wettelijke regeling tot het waarborgen van hulp aan de arbeiders in tijd van ziekte, dat daarbij van grond af aan de financieele hulp en de geneeskundige hulp, in den ruimen zin van ook voorzorg tegen ziekte en voorgezette hulp, in één geheel wordt saamgevat, en het instituut wat gecreëerd wordt, van den aanvang af op dat geheele gebied berekend is ; de stimulans voor hygiënische maatregelen, en de middelen om deze te bekostigen, eventueel zijn aangewezen, en de arbeiders zelf, op eenigerlei zvijze, zvorden opgevoed en al dadelijk betrokken in de leiding en gaandezveg uitbreiding van dat instituut.
Dit brengt ons vanzelf voor de vraag: moet deze hulp, door middel der wetgeving aan de arbeidersklasse geboden, voor tijden van ziekte, eene verzekering zijn, waartoe de arbeiders zelf premie meê moeten betalen, of wel moeten wij den eisch stellen, dat, terwijl de uitkeering zoowel als de hulp enz. worden betaald dóór de bezittende klasse, en dat wel publiekrechterlijk geregeld door middel van den staat, terwijl aan de arbeiders zelf de leiding moet zijn ?
De S. D. A. P. heeft nog geen gelegenheid gehad, zich over dit, ongetwijfeld zeer belangrijke punt uit te spreken. In ons strijdprogram staat wel, (punt XI), dat wij eischen:
„Kostelooze geneeskundige behandeling en verpleging bij ziekte
en bevalling," enz., maar omtrent de geldelijke uitkeering spreekt het program zich niet uit, en bovendien heeft den ontwerpers blijkbaar niet duidelijk voor den geest gestaan, hoe dit punt, hoewel volstrekt op den duur geen onmogelijke, en in zijn wezen stellig een puur en zuiver socialistische eisch, in de huidige omstandigheden en in een overgangsperiode als waarin wij thans verkeeren, ook met het oog op het corps geneeskundigen die alle voor eigen rekening, behalve die in de ziekenhuizen, de geneeskundige practijk beheerschen, verwezenlijkt zal kunnen worden. En juist omdat vooral van óns, sociaal-democraten, de aandrang moet uitgaan om uitkeering van geld en geneeskundige behandeling in den aangeduiden, ruimen zin als één geheel te behandelen, daarom moeten wij al dadelijk, voor het oogenblik, met het oog op de gegeven omstandigheden, op deze vraag een antwoord geven. En ons antwoord kan m. i. slechts aldus luiden: willen wij verwezenlijkt zien dat van den aanvang af de arbeiders in het instituut der ziekteverzekering medezeggenschap krijgen ; méér dan dat: willen wij verwezenlijkt zien, dat de arbeiders in dit, voor de arbeidersklasse zoo belangrijke instituut de leiding hebben, dan zullen wij inderdaad het stelsel van verzekering, met gedeeltelijke premiebetaling door de arbeiders, hebben te aanvaarden. Dit aanvaarden van het verzekeringsstelsel praejudiceert niets voor de toekomst; het is, immers, voor ons geen principe. Ons standpunt, voor zoover het noodzakelijk voortvloeit uit ons beginsel, is, natuurlijk, dat de bezittende klasse, in wier dienst en te wier behoeve de arbeidersklasse werkt en ontbeert, geheel de kosten heeft te dragen van alle
279
voorzieningen, omdat zij het is, die de rijkdommen der maatschappij, gewrocht door den arbeid der arbeidende klasse, in bezit heeft en er onrechtmatig van profiteert, in haar dienst ziekten ontstaan of bestendigd en verergerd worden, en door hare verwaarloozing van de arbeidersklasse zooveel moerassen van ellende ontstaan zijn. Maar overwegingen juist in het belang der arbeidende klasse, de politieke situatie in aanmerking nemende, en in het oog vattende wat noodig is om niet slechts aan de arbeidersklasse eenige materieele voordeden, maar ook zelfstandigheid, inzicht, kracht, medezeggenschap en leiding in het maatschappelijke instituut te verschaffen, uit overwegingen van klassebelang dus redeneerende, kunnen bij sommige takken dier overheidszorg wij soms genoodzaakt zijn, lasten voor de arbeidersklasse te aanvaarden.
Voorziening in het lot van den ouden arbeider en de oude arbeidster betreft slechts, voor zoover het den staat aangaat, geldelijke uitkeering. Daar ligt het voor de hand, dat, waar er geen verdere instituten met die uitkeering verbonden zijn, er voor de sociaaldemocratie geen reden is, ter wille van deze voorziening een last voor de arbeidersklasse te aanvaarden.
Voorziening in den nood der arbeiders bij werkeloosheid echter is verbonden met zooveel andere belangen, de kracht en de onafhankelijkheid der valide arbeiders betreffende, dat de klassebewuste arbeidersbeweging zich genoodzaakt heeft gezien, voor de voorziening in dien nood een nieuwe belasting op de arbeidersklasse, voorzoover het de verzekering betreft, te aanvaarden, ten einde daardoor de leiding, de toepassing, dier voorziening, in het belang der toekomst, der strijdvaardigheid en der kracht van de arbeidersklasse, te blijven beheerschen.
Zóó staat het, in de huidige maatschappelijke en politieke omstandigheden, óók met de ziekte-verzekering. Juist omdat de arbeidersklasse hierbij, in de dagelijksche toepassing, de leiding moet hebben, wil dit instituut niet slechts een armelijke hulp, maar een instituut tot hygiënische verheffing, blijvende en toenemende hulp en voorziening worden, daarom moet de sociaaldemocratie aanvaarden, dat deze voorziening geschiedt op den voet van verzekering, en dat de arbeidersklasse een deel der kosten draagt. Wij hebben daarbij het voordeel, dat wij ons daarin wat de betaling eener gedeeltelijke premie betreft, kunnen aanpassen aan bestaande toestanden, en des te sterker staan in het eischen niét alleen van de leiding der ziekteverzekering, maar ook in het eischen eener belangrijke bijdrage van den Staat, en van de werkgevers, van de laatsten ook naar mate het bedrijf meer of minder is gebleken, ziekten te bevorderen. In dit raam kunnen wij ook, wat beslist noodig is, de vrouwen in de verzekering betrekken, en ook haar de hulp en den steun, in geld en in behandeling, deelachtig doen worden. Zóó zal de sociaaldemocratie ook in den strijd voor déze sociale verbetering leiding kunnen geven, en den weg aanwijzen, die, paralel gaande met den strijd voor verheffing en verbetering en krachtsvorming op alle overige gebied, tot de bevrijding voert.
Talma's Thans komt het er op aan, een antwoord te vinden
Wetsontwerpen, op de vraag: welke houding hebben wij aan te nemen tegen de wetsontwerpen, door den minister van Landbouw, Handel en Nijverheid, den heer Talma, bij de Tweede Kamer ingediend, en op het °°genblik dat ik dit schrijf, reeds bij de Tweede Kamer in onderzoek ?
>,Minister Talma"! Hoezeer maken wij ons reeds vertrouwd met de
280
gedachte aan halfheid, aan angst-in-de-wetgeving, aan wanhopige pogingen om in de arbeidswetgeving eenigszins aan de arbeiders-eischen tegemoet te komen, en vertrouwd ook met de gedachte aan het oogenblik dat deze bewindsman als een niet bruikbaar element door de christelijke meerderheid in de Tweede Kamer en in de Regeering van zijn zetel afgezet zal worden, wanneer wij deze twee woorden uitspreken I
„Minister Talma!" Er ligt reeds bijna ironie in het uitspreken dezer woorden, want terwijl deze met gejubel begroete regeeringsman nog rondom in de wetsontwerpen zit, is zijn ministerieel graf reeds geopend.
Welk een impotentie! Ja, welk een dubbele impotentie 1 Eerstens voortvloeiende uit de politieke situatie waarvan deze regeering de uitdrukking is, en die als een vloek rust op alles wat zij onderneemt: de „harmonie", ook in de wetgeving, tusschen kapitaal en arbeid, onder christelijke leuzen. Deze regeering, gelijk trouwens met elke coalitieregeering uit de bourgeois-partijen het geval zou zijn, is geboren uit de negatieve leuze: „weerstaat het socialisme" en uit de leugenachtige leuze: „de belangen van arbeiders, middenstand en kapitalistenklasse — of, om in den term te blijven: „meer gegoede klasse", — zijn niet tegengesteld aan elkaar, maar zijn, bij verstandig beleid, te vereenen".
Aan Talma werd de taak opgelegd, dit coalitie-ideaal te verwezenlijken in de arbeidswetgeving.
Hoe jammerlijk staat hij thans machteloos daar.
De wijziging der Arbeidswet, zooals ze is voorgesteld, is het ergste en meest onbeteekenende lapwerk wat zich denken laat, gelijk ik in eene bespreking van dat wetsontwerp in De Nzenzve lijd uitvoerig heb aangetoond.
De invoering van den io-urendag ondervindt bij hem den felsten tegenstand, uit overwegingen '4 het belang, of in het vermeende belang, der ondernemers, en brengt hem in openlijke vijandschap, hoe men ook moge trachten dit te maskeeren, tot de christelijke arbeiderskringen, terwijl de arbeidersmassa die staat onder leiding van S. D. A. P. en Vakverbond hem dag aan dag aanwijst en veroordeelt als den pleitbezorger van de reactionaire elementen in de politiek, die zich speciaal als de vertegenwoordigers der belangen van de ondernemers gevoelen.
De Bakkerswet bevatte zelfs niet de meest elementaire arbeidsduurbeperking; op de eerste aanzegging der Kamer neemt hij 't ontwerp terug, brengt er eene arbeidsduur beperking in, maar laat er een arbeidsduur in toe van 12 en 16 uur aaneen, die alle karakter van bescherming mist, en een buigen is voor de allerachterlijkste toestanden.
De Stuwadoorswet, in ontwerp, is nog het beste exemplaar. Het vertoont krachtige forsche lijnen. Maar het vertoont ook de kenteekenen van een anderen vader: den Directeur-Generaal van den Arbeid, die, als deskundige op dit terrein, den slappen minister een ruggesteun is geweest. En bij de te verwachten critiek, en de nog te ontwerpen algemeene maatregelen van Bestuur, zal trouwens nog moeten blijken, of de minister ook hierbij niet ineen zakt!
En nu dit Ziekte-verzekerings ontwerp.
Of liever: een complex van drie ontwerpen: a. de Raden van Arbeid, die, als afzonderlijk geheel behandeld, ook afzonderlijk beschouwd moeten worden; b. het ontwerp-ziekte-verzekering; c. het schema in
28 I
welken geest de minister zich denkt dat tusschen ziekte-verzekering en ongevallenwet verband zal worden gelegd.
Natuurlijk behoef ik, indien ik meen dat de geheele opzet van deze ontwerpen, het onderling gelegde verband, het geheele geraamte, verkeerd is, niet te treden in eene beoordeeling van de détails.
Welnu, in die omstandigheid verkeer ik inderdaad, En indien het anderen gegaan is als mij, dan wordt de overtuiging, dat deze ontwerpen alle drie zoo scherp mogelijke bestrijding verdienen, gaandeweg versterkt, naarmate men herhaald en ernstiger studie van hen maakt en aan het huidige en toekomstige belang der arbeidersklasse toetst.
Op den eersten blik lijkt het sympathiek; een „Radenwet", van welke de uitvoering van deze en andere wetten zal worden gelegd in handen mede van de arbeiders zelf; een Ziekte-verzekering, waarvoor de werkgevers minstens de helft der premie betalen. Maar nadere kennismaking schenkt ons gaandeweg de overtuiging, dat die Raden slechts schijn-instituten, slechts anti-revolutionaire bedenkels, de ongeloofelijkste bureaucratische, misschien zelfs reactionaire elementen in de sociale wetgeving zouden worden. En het aangegeven uitgestippelde project tot wijziging van de Ongevallenwet is in alle opzichten te veroordeelen. De Raden Bezien wij de ontwerpen thans nader, en beginnen wij
van Aroeid. met de Raden van Arbeid. Wij dienen hierbij van den aanvang af in het oog te houden, dat in de laatste jaren, speciaal van anti-revolutionaire zijde, in den laatsten tijd door dr. Kuyper bij de algemeene beschouwing over de Staatsbegrooting voor 1911, en door den heer Van der Molen, redacteur van „Patrimonium", in genoemd blad en op verschillende vergaderingen, steeds natuurlijk in vage aanduidingen en algemeene termen, (meer heeft men daar blijkbaar voor de werklieden in die kringen niet noodig, om toch voor ernstig versleten te worden) de „organisatie van den arbeid" is besproken. Een bliksem-afleider, maar ach zulk een armelijke, van de socialistische beweging. De arbeiders en werkgevers, zoo heet het van die zijde, weten beter, elk voor zijn bedrijf, wat daarvoor goed, noodig en mogelijk is, dan de centrale wetgever. Op den duur moeten er colleges gecreëerd worden, voor elk bedrijf, of voor bepaalde bedrijfsgroepen, m wier handen de nadere vaststelling en uitwerking van bijzondere voorschriften is gelegd. Deze colleges zullen dan, onder erkenningvan elkanders gelijkberechtiging en onmisbaarheid, de sociale wetgeving dragen, levend doen worden, doen aanpassen, en op deze colleges zal °P den duur de geheele arbeidswetgeving komen te rusten.
Men voelt de bedoeling, of, om het populair te zeggen, de foef; bij 7-ulke lichamen is er van klassestrijd op den duur geen sprake meer; het is de belichaming der wederzijdsche harmonie, deze colleges nemen eenvoudig aan de socialistische beweging den wind uit de zeilen.
Och, natuurlijk behoeven we ons over deze goedkoope, frazeologische propaganda voor „organisatie van den arbeid" niet bezorgd te maken, "et is ijdel gepraat. De ondernemers, ook de christelijke, lachen er mee, en de christelijke arbeiders, voortgestuwd door de onverbiddelijkheid van het kapitalisme, zorgen wel, naar het verstandige socialistische voorbeeld, hunne organisaties op te bouwen en te versterken, zoodat straks deze leuze ook in de politiek zonder aantrekkingskracht zal weg sterven
282
De heer Talma echter meende heel pienter te doen, door zich nu eens uit te sloven, deze gedachte van christelijken huize om te zetten in werkelijkheid, en te belichamen in de Raden van Arbeid. Door deze Raden van arbeid, die hij niet bedrijfsgewijs, maar districtsgewijs heeft georganiseerd, zal nu in de eerste plaats de Wet op de Ziekteverzekering in de practijk worden uitgevoerd. Het gebied van eiken Raad, zoo zegt art. i, telt minstens 25000 inwoners. Er zullen echter ongeveer 80 van deze Raden komen, zoodat sommige van hen wel gebieden van 50000 en méér inwoners zullen bestrijken. Elk dezer raden is samengesteld (art. 1 der 2e afd.),
„uit een voorzitter, een plaatsvervangend voorzitter, en een gelijk
aantal gekozen werkgevers-leden, arbeiders leden," en plaatsvervangers voor beiden, bijgestaan door een jurist als secretaris. Voor deze raden bezitten alle werkgevers, en alle arbeiders behalve de losse (d. z. zij die korter dan 4 dagen bij een patroon werken), het kiesrecht en de taak dezer Raden is in 62 artikelen omschreven. Alles is minitieus geregeld : hoe de vergaderingen worden gehouden, welke, zeer ruime, bevoegdheden de voorzitters hebben, aan welke, niet geringe, academische qualiteiten de secretarissen hebben te voldoen. Het meest komen deze Raden overeen met de Raden van beroep voor de Ongevallenwet. Althans wat de samenstelling, en de, naar het zich laat aanzien nog al onbenullige positie der werklieden- en werkgevers-leden gedurende de zittingen en bij de verrichting der werkzaamheden aangaat.
De sociale taak dezer arbeidsraden is echter enorm veel grooter! Die taak is reusachtig 1 Daar verzinkt die van den Raad van Beroep gewoonweg bij in 't nietl Daar lijkt die der Kamers van Arbeid eenvoudig kwajongenswerk bij 1 En zelfs de Gemeenteraden, die immers slechts over bepaald gemeentelijke zaken, en over onderwerpen die, wijl lokaal, door den Raad kunnen worden beoordeeld, heeft te beslissen, hebben voortaan, met grooten eerbied tegen deze Raden van Arbeid, worden ze ingesteld, waartoe toch de eersten de besten verkozen kunnen worden, op te zien. Immers, art. 49 bepaalt:
„De Raad van Arbeid verleent zijne medewerking bij de uitvoering van wetten of algemeene maatregelen van bestuur den arbeid betreffende, welke die medewerking vorderen. Hij maakt daartoe de noodige verordeningen"
De Raad, uit leeken samengesteld, maakt dus de noodige verordeningen om de sociale wetten of bestuursmaatregelen uit te voeren. Hij voert zelfs rechtsgedingen, stelt salaris-verordeningen vast voor zijn personeel, oefent gezag uit in het geheele openbare leven. En als de Raad mocht „weigeren"? Of... door gebrek aan belangstelling, of wel gebrek aan tijd bij de leden, die immers particulieren zijn, den arbeid niet kan verrichten? O, daarin is voorzien, dan „voorziet de voorzitter daarin", (art. 50), die deze reuzentaak op z'n twee schouders krijgt. Men gelieve daarop wèl te letten, omdat deze voorzitter in de verdere plannen van den minister een belangrijke rol gaat spelen, De beklagenswaardige wezens die deze rol te vervullen krijgen, zullen n.1. niets minder zijn dan de „schakel" tusschen de Ziekteverzekering en de Ongevallenwet. Maar daarover later. Bepalen we ons voorloopig tot deze Raden van
283
Arbeid, wier taak opzettelijk geheel zelfstandig is omschreven, omdat... z'j niets minder dan de geheele sociale verzekering, en wie weet welke wetten nog méér, ter uitvoering op de schouders zullen krijgen. Deze Raden van Arbeid, zoo zegt de minister,
„zijn gedacht als toekomstige dragers van nog andere bevoegdheden dan die de Ziektewet, of andere wetten, arbeidersverzekering betreffende, hen toekennen.
De taak dezer Raden van Arbeid is dus voorloopig nog onbegrensd, maar zal in elk geval buitengewoon belangrijk zijn. Van die werkzaamheden is het beheer der Ziekteverzekering nog maar een onderdeel, °p den duur maar een gering onderdeel. Zij zijn bedoeld, niet om een technische rol te vervullen bij de functioneeringvan de Ziekteverzekering, maar als een heel nieuw soort organisme in het sociale leven naast de vakvereenigingen; de realiseering van het denkbeeld der anti-revolutionairen, althans het begin daarvan, tot „organisatie van den arbeid".
Dat zou de heer Talma nu eens eventjes doen.
Maar het zal elkeen, die hierover nadenkt, duidelijk zijn, dat hij hiermede een groote domheid heeft begaan 1
In de eerste plaats daarom, wijl zulk een „Raad van Arbeid", gekozen naar het stelsel van proportioneele vertegenwoordiging, en bevattende vier werkgevers en vier arbeiders, waaraan geen andere eischen zijn gesteld dan de daar even genoemde, absoluut niet bevoegd kan zijn om zulk een belangrijke taak uit te oefenen. Noch de werkgevers, nóch de arbeiders. Men geve zich toch rekenschap, wie er verkiesbaar zijn, en dus waarschijnlijk verkozen zullen worden, en wat hun als taak is toegewezen. Wanneer het den werkgevers ernst mocht Z1jn met deze Raden, dan verhindert niets hen, al ware het slechts voor deze gelegenheid, in eenigerlei onderneming eenige would-be-functies als werkgever te creëeren, en daarvoor personen te vinden, die eigenlijk tot taak hebben, in dien Raad van Arbeid de belangen der werkgevers te behartigen. En bovendien zijn er immers tóch wel onder de werkgevers, die tijd en bekwaamheid hebben, zich aan deze functie geheel te geven.
Maar de arbeiders? Men slaat eenvoudig de handen naar z'n hoofd van verbazing, wanneer men overweegt, welke arbeid aan de vier arbeiders in elk zoo'n Raad zal worden opgedragen. Allereerst houde '"en in het oog, dat de arbeiders in zulk een Raad geen bekwame leiders mogen kiezen, die, bezoldigd voor hun werk, daarvoor den tijd nebben, en zich er voor kunnen bekwamen ; neen, het moeten arbeiderseden zijn „in den zin der wet", d.w.z. arbeiders „in dienst bij een onderneming", . (art. 2), personen die „gedurende het laatste kalenderjaar bij voortduring werkgever of arbeider (zijn)", en binnen het gebied van den Raad wonen.
Het moeten dus arbeiders zijn in den zin van dag-, uur- of week°oners. Zij krijgen vergoeding voor verletten tijd, geen salaris. Zij moeten ... de heele ziekte-verzekering beheeren, staande onder controle van een, uit juristen, doktoren en verzekeringsspecialiteiten samengestelden Verzekeringsraad. Zij moeten ook de eveiitueele andere Wetten kennen. Zij moeten verordeningen mede ontwerpen en uitvoeren.
284
Straks zullen ze, bij de noodige „decentralisatie", ook de Ongevallenwet ter uitvoering opgedragen krijgen, mitsgaders de Ouderdoms- en Invaliditeits-verzekering plus de speciale wetten tegen speciale misstanden. En ze hebben een buitengewone verantwoordelijkheid, want de besluiten der Raden hebben bindende kracht! Zij bevelen en leiden enquêtes, zij zijn de uitvoerende en regeerende macht in de sociale wetgeving.
Kan dat alles ernstig bedoeld zijn ?
Ja, inderdaad, het staat gedrukt, zwart op wit.
Maar dat het eenvoudig een onmogelijkheid is, reeds physiek een onmogelijkheid, begrijpt ieder, die, als arbeider, wel eens in een Raad van Beroep, in een Gemeenteraad, in een Kamer van Arbeid, heeft zitting gehad.
De waarheid is, dat deze heele instelling eenvoudig bedrog, of wel een reusachtige vergissing zal blijken. De waarheid zou zijn, dat de arbeiders, wier tijd geheel door de zorg van het dagelijksch brood in beslag wordt genomen, er.... voor spek en boonen zouden zitten; dat, gesteld al dat deze daartoe ten minste in staat zouden zijn, de werkzaamheden geheel geschiedden, of althans pasklaar zouden worden gemaakt, door . . . voorzitter en secretaris, personen, omtrent wie men geen de geringste zekerheid zou hebben, dat ze voor hun taak waren berekend.
Het zou een bureaucratie worden, nog veel erger, en veel meer verwarrend dan thans bij de Ongevallenwet.
Het zouden doode lichamen worden, vormelijke college's, waarin de „arrebeiers" zich absoluut niet omtrent de aangelegenheden op de hoogte kunnen stellen, en, veiligheidshalve maar . . . met den president mee gaan.
Wij moeten ons, dunkt mij, tegen deze Raden van Arbeid, die iets schijnen te geven, maar die in de werkelijkheid niets geven, en integendeel de reactie in de hand zullen werken, zoo sterk mogelijk verzetten.
Wij hebben geen bezwaren tegen dergelijke colleges voor een bepaald bedrijf, als thans bijv. voor de Stuwadoorswet is voorgesteld, wanneer het een bepaald vak geldt, het terrein van den Raad tot de plaats zelf beperkt is, en aan de organisatie een rol is toegekend.
Hier zou echter een lichaam zonder ziel, een schijnvertooning, een dood en daardoor doodend element geboren worden, een gemakkelijke prooi voor de reactie, een waardeloos en misschien zelfs gevaarlijk instituut, een bron van nieuw wantrouwen en teleurstelling in de arbeidswetgeving.
Tegen een Raad van den Arbeid met deze bedoelingen ingesteld, moeten, m. i. niet alleen de sociaaldemocraten, maar ook de vakvereenigingen zich verzetten.
(Slot volgt).
Van spierwerktuig tot denkend wezen?1)
DOOR
Th. VAN DER WAERDEN.
, Uit deze ontwikkeling komt als (vijfde)
grondstelling der machine-techniek naar voren.Het gebruik van den mensch niet meer als spierwerktuig maar als denkend wezen binnen het raam der arbeidssplitsing,"
trof. Kammerer, Technik und Wirtschaft 3e jrg. p. 33.
fin het volgende zal de waarde van Prof. Kammerer's oordeel, zooals dat in bovenstaand motto is samengedrongen, worden onderzocht. Drie groepen arbeiders zullen daar worden genoemd: de geschoolde, de ongeschoolde, maar ook de „getrainde" arbeiders. De behoefte aan deze tusschengroep is ook in de jongste Duitsche publicaties gebleken, waar deze meer en meer in aantal groeiende categorie modern-industrëele arbeiders genoemd wordt: die der „angelernte Arbeiter."
Onder getrainden arbeid wordt verstaan die arbeid, welke door oefening, zonder voorafgaande opleiding, in enkele maanden doorgaans kan worden aangeleerd].
In het Januari-nummer 1910 van „Technik und Wirtschaft" beschrijft Prof. Kammerer de ontwikkelingsrichting der techniek. 2) Allereerst op het gebied der krachtwinning.
Door de grootte der stoommachine te vermeerderen werd zij voordeeïiger per P.K.: door de verlaging van de kosten van aanleg, van bediening en van toevoer en inbrengen der brandstoffen. De bedieningskosten werden allereerst verminderd door het zelfsmeren, maar van veel grooter beteekenis was de invoering van het zelf stoken (selbsttiitige Feuerung). Als voorbeeld noemt hij een ketelhuis, waar vroeger
1) Wij zijn in de gelegenheid enkele — op zichzelf een geheel vormende —-bladzijden °P te nemen van een binnen enkele dagen te verschijnen omvangrijke studie getiteld: ^Geschooldheid en Techniek." Op het werk in zijn geheel komen wij nader terug. Red.
2) „Technik und Wirtschaft" (1910), p. 1—34-
18
-
286
54 stokers en 2 meesterstokers noodig waren; door het in gebruik nemen van kettingroosters en toevoerbanden werden deze getallen veranderd in 20 stokers, 2 meesterstokers en 2 machinisten. Hierdoor verminderde het aantal „ungelernte" arbeiders van 54 op 20, het cijfer der „hochwertigen" arbeiders vermeerderde van 2 op 4.
Prof. Kammerer zegt hierbij, dat de ongeschoolde arbeiders door volkomener machines met hóóg-gekwalificeerde arbeiders vervangen werden. Ofschoon hier van sterke vervanging sprake is, dient opgemerkt, dat onder het moderner systeem toch nog 83 pCt. ongeschoold is. Een tweede punt, de „krachtverdeeling" gaat buiten ons onderwerp om. In de derde plaats spreekt de hoogleeraar over het winnen van ijzer en steenkool, het laatste geeft in zijn zigzagsgewijze reusachtige stijging een beeld van technische ontplooiing van Duitschland en Amerikt vooral, en van de schokken, die de crisissen teweegbrachten in het maatschappelijk leven.
Nu geeft het delven der steenkool niet veel van eenige machinale ontwikkeling te zien, daar dit werk nagenoeg geheel handenarbeid is gebleven. 1) Maar de productie van ijzer vertoont een beeld van gestadigen technischen vooruitgang met de machine als hulpmiddel. Het artikel vergelijkt dan met elkaar het „puddel" en het „peer"-proces, maar vooral het maken van Siemens-Martinstaal met en zonder kaden loskranen. De electrisch gedreven kranen zijn het middel geworden handenarbeid te vervangen. In hoeverre?
„Voor het laden van Martin-ovens waren 10 geschoolde en 36 ongeschoolde arbeiders noodig. Door het bouwen van een laadkraan werd hun aantal op 14 geschoolden en 2 ongeschoolden verminderd."
Hier is dus het aantal ongeschoolden tot op 12,5 pCt. verminderd, stellig een belangrijke daling, maar die toch nog niet het recht geeft van een totale vervanging te spreken.
Voorts valt het op, dat de hoogleeraar, hoezeer hij zich met de geweldige stijging der productie bezig houdt, en hiervan verbluffende cijfers, o. a. juist voor de ijzer- en steenkolen nijverheid mededeelt dit verschijnsel niet in verband brengt met de wijziging van het aantal handlangers. Daardoor wordt over het hoofd gezien, dat deze productie-vermeerdering kan leiden tot vergrooting van het totale aantal ongeschoolden, tegelijk met een sterke vermindering van het aantal ongeschoolden per bepaalde hoeveelheid product. Er doen zich immers gevallen voor, dat bij invoering eener technische verbetering, die ongeschoolde arbeid ten deele overbodig maakt, toch geen ongeschoolden worden ontslagen ; wanneer, de fabrikage namelijk tegelijkertijd sterk wordt uitgebreid*
1) Nog geen jaar nadat Kammerer's artikel verscheen, worden de voorboden van groote technische ontwikkeling, ook in deze industrie, in verschillende tijdschriften begroet. °
287
In die gevallen blijven er dus vele ongeschoolden in die productietakken werkzaam. Zoodat van een afnemen der handlangers tot „een verdwijnend klein deel der industriearbeiders" geen sprake behoeft te zijn. En er is geen sprake van, indien het aantal geschoolden in de minderheid blijft. Nu geven de voorbeelden van Prof. K. juist zoo n vermeerdering van geschoolden aan, waar naast de massa echter ongeschoold blijft. Het aantal geschoolden steeg in het ketelhuis b.v van 2 op 4, bij het laden van Martin-ovens van 10 op 14, en ook bij de later genoemde voorbeelden zullen wij zien, dat de toename der geschoolden nog maar zeer kleine getallen bereikt.
Het betoog van Prof. K. lijkt het sterkst, waar hij — en hiermee komt hij tot zijn vierde punt van behandeling — de metaalbewerking beschrijft in de trappen van haar ontwikkeling : kracht, nauwkeurigheid, zelfwerkzaamheid.
Bijvoorbeeld de draaibank. „De eerste ontwikkelingstrap werd gevormd, toen met de invoering der stoommachine de machinedraaibank ontstond. De ontwikkeling naar nauwkeurigheid begon met de invoering van den support en werd voltooid door de uitvinding van den revolverkop. De revolverkop vereischt slechts zuiver mechanische handgrepen, zonder gebruik te maken van bizondere bekwaamheid: hij verlaagt den draaier dus naar het schijnt tot handlanger. De conclusie is echter foutief. Want de arbeid aan de draaibank bestaat uit twee geheel verschillende werkzaamheden: uit het instellen der bank en uit het aanschuiven van het werktuig. De instelling is gelijk aan wat de draaier der gewone draaibank doet, met dit onderscheid, dat zij aan de revolverbank slechts één keer voor ieder soort werkstukken geschiedt, terwijl zij bij de gewone draaibank voor ieder werkstuk moet worden herhaald. De instelling moet bij de revolverdraaibank zeer zorgvuldig en nauwkeurig geschieden, vereischt dientengevolge een bizonder intelligent arbeider. Het toeschuiven daarentegen is zuiver handlangerswerk, dat door jongens wordt verricht. De derde ontwikkelingstrap — de zelfwerkzaamheid — werd door de constructie der z.g. automatische bank bereikt; zij wordt daar gebruikt, waar een werkstuk in groote hoeveelheden vervaardigd wordt. Het toeschuiven wordt bij den automaat door de machine zelf verricht, waardoor het handlangerswerk vervalt; het instellen daarentegen moet met bizondere zorg en overleg gebeuren door de z.g. richtmeester." (p. 17). 1)
~7yUeV^l zich herinneren, dat Prof. Kammerer in een ander geschrift (Zie „Verwante Gegevens") als zijne meening te kennen gaf. dat de stakingen van handlangers er toe geleid hebben machines te construeeren, voor welker bediening slechts weinige, maar hoogst geschoolde arbeiders noodig waren. Over dit stakingsverband wordt in „Technik u. Wirtschaft" niet meer gesproken. Wij wijzen er op, dat onze gegevens uit Amerika precies het omgekeerde betoogen, dat n 1. door de hooge loonen der geschoolden tot het bouwen van werktuigen werd overgegaan die door getrainden konden worden bediend, zelfs door ongeschoolden.
288
Hier wordt dus de indruk gewekt, alsof het einde der ontwikkeling (vaak al bereikt) de volkomen opslorping der ongeschoolden en het vereischt zijn van enkele hoog ontwikkelde arbeiders zal te zien geven Het gaat, zegt de schrijver, in de gansche techniek naar het verkrijgen der grondstof en het bewegen der werktuigen door natuurkracht, met uitschakeling daarbij van het menschelijke.
Is er nu voldoende grond om aan te nemen, dat de ontwikkeling b. v. van het draaiwerk over de gansche linie de revolverbank zal passeeren en in den automaat eerst haar eindpunt zal bereiken? Met volledige uitschakeling bovendien der handlangers?
De mogelijkheid zulker ontwikkeling stelt voorop, dat alle werk verricht zal worden als massa-werk, want alleen bij dat soort fabrikao-e kan de uiterst gesplitste arbeid, voor duizenden gelijke voorwerpen door een automaat worden overgenomen. Komen wij in de moderne' groote fabrieken, als die der rijwielen-, bouten en moeren-, en schroevenfabnkage, dan vernemen wij al dadelijk dat de „getallen" voor vele onderdeden of voorwerpen te klein zijn om het in werking nemen van automatische machines toe te laten. Dit geldt natuurlijk sterker in fabrieken van grootere machines, daar de vergrooting van den omvang van het fabrikaat doorgaans gelijken tred houdt met de afname der vervaardigde aantallen.
Bovendien leert het rapport der Pruisische Arbeidsinspectie, dat de strekking m haar terrein van onderzoek aanwezig is, zich meer en meer onafhankelijk te maken van geschoolden arbeid door invoering van Amerikaansche machines, die door ongeschoolden kunnen bediend worden En deze strekking is tegengesteld aan de door Prof. K. genoemde
Wij zagen verder uit de inlichtingen van Amerikaansche machinefabrieken, — waar toch de technische ontwikkeling het verst is voortgeschreden - dat ook op de fabrieken, die slechts één of twee typen machines maken en dus allereerst voor automatiseering in aanmerkinokomen eii „Hochwertigkeit" zouden moeten vertoonen, het percentage ongeschoolden juist zeer hoog is.
Dit brengt ons op de tweede vraag. Ook daar, waar de automaat de uiterst gesplitste werkzaamheden overneemt, kan toch in het algemeen met van arbeid van hoogere soort gesproken worden.
Als de automaat in het drukkersvak is de rotatiepers te noemen • de man, die haar bedient, moet zich een zeker soort algemeene technische vaardigheid hebben eigengemaakt; hij doet verder verantwoordelijk werk. Maar de^ eischen van scholing staan achter bij die van den vakman-drukker. Wij deelden zelfs een geval mede, dat een arbeider, d,e nooit in het drukkersvak geweest was, het werken met de rotatiepers aanleerde in den tijd, dat de machine werd gemonteerd en haar eersten proefdruk leverde. Echter zouden wij uit dit eene
289
voorbeeld niet willen afleiden, dat de man aan de rotatiepers geen „hochwertige" arbeider is. Zijn werk is door de bediening der ingewikkelde machine, die hij kennen moet, en door de verantwooidelijkheid, die op hem rust, van hooger soort, dan de getrainde arbeid in den regel is.
Een voorbeeld, dat dan ook scherper tegen de meening van Prot. K. ingaat, treffen wij in het weverijbedrijf: de wevers aan het automatisch getouw zijn in nog korter tijd getraind dan de gewone machinale wevers.
In vele andere gevallen is het bedienen van automaten (niet echter het stellen) handlangerswerk. De bediening der automaten, die schroeven of ventils maken, geschiedt door arbeiders, die in zeer korten tijd aan dit werk te trainen zijn. De arbeiders, die aan de automaten der gloeilamphulzen of in de munitiefabrieken staan, zijn even ongeschoold als zij, die de kleine revolverbanken bedienen. Hun werk is nietingewikkelder' geworden dan dat aan de machines, die de automaten voorafgingen.
Geschoold zijn alleen de stellers der automaten, maar de automaten hebben „de" ongeschoolden niet verdreven. (In een fabrieksdeel aan de Hembrug, waar bijna uitsluitend automaten staan, werd geschat, dat naast s ongeschoolden i geschoolde zou voorkomen, terwijl deze aantallen zich in drukke tijden zouden kunnen wijzigen in 10 en i. Een percentage geschoolden dus, liggende tusschen 9 pCt. en '7PCt)Juister lijkt ons dan ook het oordeel van Dr. Rathenau: „Het is zonder meer begrijpelijk, dat zulke machines (bedoeld zijn: de' automatisch werkende) door ongeschoolde arbeiders bediend kunnen worden en dat zelfs meerdere machines — soms 4-6, ja 10 machines — zooals wiel-fraismachines, schroevenmachines, automatische revolverdraaibanken, zonder bezwaar slechts het toezicht en de bewaking van een arbeider noodig hebben". 1)
En verder: „In alle werkplaatsen, in welke vele automatische machines staan, is het aantal geschoolde arbeiders: der draaiers, bankwerkers, schavers gering ten opzichte van dat der ongeschoolde arbeidskrachten, die na korten tijd „getrainden" zijn." 2)
En in aansluiting met het aangehaalde wijzen wij op wat - m een beschrijving der Wolfsche locomobielenfabriek (Maagdenburg-Buckau) — als het kenmerk der mechanische werkplaats wordt genoemd: „Hier draden alle inrichtingen het merk der socialisatie en der massafebrikage ... De moderne, gedeeltelijk uitsluitend voor hun bizonder doel geconstrueerde, ingewikkelde gereedschapswerktuigen functioneeren
1) Der Einflusz d. Kap.-u. Prod.-Vermehrung auf die Prod.-Kosten i. d. deutsehen MaschinenIndustrie (1906) p. 47.
2) ld p 49 De arbeidsinspectie van Minden deelt mee, dat ook daar een sterker st.es en bij de fabrikanten opkomt, om zich minder van scholing afhankelijk te maken door het gebruik „van vaak automatisch werkende machines voor deelbewerkingen, welker bediening geen menschen, die in langer leertijd gevormd zijn, behoeft." (R-Arbeidsblatt. V. p. 445»-.
290
nagenoeg geheel zelfwerkend en maken de fabriek van de meerdere of mindere bekwaamheid van den arbeider nagenoeg onafhankelijk." r) fabwt halfaUt°maten betreft: I" de electrische gloeilampen-
fabriek wordt de uiterst gesplitste arbeid wederom in nieuwere machines gecombineerd. Maar de nieuwe machines worden als regel opnieuw door „„sjes bediend, haar werk is niet anders van aard, eer is de traintyd bij de nieuwste korter dan daarvoor. Men kan met Dr. Rathenau zeggen, waar deze doelt op den arbeid van spoelen en draad wikkelen, ook van die ,n gloeilampen en telefoonfabrieken: „Eerst door de uitwadmg van zulke machines, welke slechts weinig of geen bewaking behoeven> is het mogelijk geworden de zeer goedkoope arbeidskracht^ de vrouwenarbeid, op groote schaal productief te maken." (p 4q)
Daarna komt het grondwerk aan de beurt. De ontwikkeling daarvan laat Prof K met een voorbeeld zien: vóór het gebruik van den baggermolen (excavateur) waren 25 man noodig, daarna slechts 8 van deze Handlangers en éen machinist. De besparing werd verkregen door uitschakeling der ongeschoolde arbeiders, wordt hierbij gezegd Wij nierken wederom op, dat het aantal ongeschoolden wel tot op een derde s onk, maar, aannemende dat Prof. K. den machinist hier terecht geschoold noemt, blijft het aantal handlangers nog 88 pCt. bedragen en klom het aantal geschoolden slechts van o op 1
De nu volgende bespreking van het verkeer geeft geen opmerkingen met ons vraagstuk verband houdende. Wel het transportbedrijf, dat dan aan de beurt is.
Het laden der steenkolen in de booten, die ze van Engeland en Schotland naar Hamburg brengen, geschiedde tot voor kort met behulp van stoomheren. Stoomkranen bewerkten het lossen naar de kade en vandaar werden de kolen door smalspoor naar hun bestemming gevoerd • Voor het laden der kolenbakken in de scheepsruimte was veel handlangersarbeid noodig.
Bij nieuwsten aanleg worden electrisch gedreven brugkranen toegepast, wier grijpers onmiddellijk in het scheepsruim pakken en die de geheele losplaats overspannen, zoodat de kolen uit den grijper onmiddellijk op den kolenhoop vallen. Dus geen scheppen en geen overladen op smalspoor meer. Vroeger waren 60 handlangers noodig- in hun plaats zijn twee kraanvoerders en twee aanwijzers aan boord gekomen De kraan ders moet£n voorzichtig en z.jn> ^ ^
wordt verder niets gezegd, alle vier worden echter geschoold genoemd Hier zou dus een absolute verdwijning der ongeschoolden bereikt zijn.'
^in::7T^ï:z veil* rcfurg-Buc,,au am ^ *■
speciale .achiae, de .ocoiS V 4 e^,^
2QI
De staduitbreiding en oorlogstechniek kunnen wij overslaan. Hierna komen nog enkele voorbeelden van vervanging van handlangers door enkele bekwame arbeiders aan volmaakter machines: vóór den bouw eener moderne kraan (met grijpers, tangen, of draagmagneten enz.) waren voor het lossen en laden van balken 130 handlangers noodig: daarna 38, plus 3 „hochwertige" arbeiders.
Door een kraan op een „walswerk" verminderde het aantal handlangers van 23 op 7. Het eerste voorbeeld gaf ondanks de sterkevermindering toch weer een resultaat van nog 92,7 ongeschoolden.
Bij het maken van lichtgas te Charlottenburg waren tot voor kort 89,4 pCt. ongeschoolden en 10,6 pCt. geschoolden in het bedrijf. Na technische vernieuwingen (kranen en watergasinstallatie) werden deze cijfers 88,3 en 11,7 pCt.
Tot slot wordt medegedeeld, dat bij het reinigen der tramrails m Hannover een wagen, bestuurd door een „hochwertigen" arbeider, het werk der handlangers overnam.
Wij hebben tegen al deze voorbeelden in de eerste plaats, zooals boven reeds werd opgemerkt, dit bezwaar, dat er voortdurend gesproken wordt van uitschakeling der handlangers, terwijl in den regel hun aantal wel, en vaak belangrijk, verminderde, maar van volkomen uitschakeling slechts bij uitzondering sprake was.
Zeer groot bleef het percentage ongeschoolden in het voorbeeld der Charlottenburger lichtfabrikage, waar 88,3 % ongeschoolden na de nieuwste techniekwijziging aan het werk waren. Bij het grondwerkvoorbeeld was dit 88 %; in het ketelhuis 83 %.
Waar volgens Prof. K's cijfers volledige uitschakeling plaats had, bij het railsreinigen en het kolenladen voor Hamburg, hebben wij tegen deze voorstelling bezwaar. Het is moeilijk vol te houden, dat de aanwijzers binnen boord en de bestuurder van den reinigingswagen „hochwertigen" arbeiders zijn moeten : de bestuurders van de motorwagens der trams in onze groote steden worden tot dit werk uit willekeurige normale arbeiders in een tijd van drie weken en korter getraind.
Ook bij het grondwerk en bij het besturen van electrische kranen wordt van het optreden van arbeiders van hooger soort gesproken. Wij hebben echter, waar gesproken werd van steenfabrikage, kunnen zien dat de bedienaar van den excavateur een jongen is, die slechts zeer eenvoudige handgrepen had uit te voeren. Verder werden de kraanbestuurders bij het lossen van kolen in de Rotterdamsche haven en bij het ijzertransport in de Leidsche grofsmederij ons opgegeven als ongeschoold of in enkele weken getraind, een kwalificatie, die ook naar eigen waarneming der werkzaamheden, juist is.
Met dit al ontkennen wij niet, dat in de door Prof. K. genoemde gevallen ongeschoolde arbeid werd opgeslorpt. Maar hieraan de conclusie
292
te verbinden, dat ongeschoolde arbeid bezig is te verdwijnen, en dat er geschoolde voor in de plaats treedt, is nog niet gemotiveerd.
Ui deze feiten en cijfers trekt Prof. K. de conclusie, dat de stijgino-
tlitlT d"°nSeSCkh0°lden Cn het Streven de g-aren van wikde 71 7, hetgeenfblJ deze arbeider* veel grooter zijn zou dan bij de geschoolden - af te wenden, tot de vervanging der handlangers hebben geleid Gevolg dezer ontwikkeling is dan thet gebruik van den mensch met als spinmachine, maar als denkend wezen binnen het raam der arbeidssphtsmg.» Het voornaamste middel hiertoe is de electrische krachtverdeelmg. De „mechaniseering- der menschen noemt hij een s ! uit den tijd der onvolkomen machinerie i)
Het komt ons voor, dat Prof. K. de ontwikkelingsrichting, die hij beschrijft, te algemeen en in zooverre onjuist heeft voorgesteld zelf! in de gevallen, die hij noemt.
Daarnaast laat hij nog zeer vele industrieën buiten beschouwing waarin van ontwikkeling i„ die richting nog niets te bespeuren valT W,j noemen b.v de spinnerij, de fabrikage van blikwarenf de schoen: makerij In enkele dezer is de splitsing pas begonnen en wordt juist
zztot^r'in het artikei ais -uit - —p-.n
Hiermede is echter niet gezegd, dat in de toekomst geen groote u tbrcding der massaproductie met overname van handenarbeid, zou te verwachten zijn. Maar wij zeiden het reeds: niet alle productie is op te voeren tot getallen, die naar automatische werkwijze dringen
on°sCreede: a ' H£ ™ * ^ven, ^ ^
ons reeds als werkelijkheid werd voorgesteld, ook dan zou het verheffend
beeld van den arbeidenden mensch als denkend wezen, in plaats van
SST ' KValSCh Zijn' ^ Z°nderen Wfj den -teiier van in " n eerd l 7 ^ ^ *** ^ de -^iders, die de
Men tn n V°rmen' ^ geeStd°°dende der machines over
ma" d ei 7 hun «beid het gejaagde van het vroegere
massa-deelwerk kan verhezen, niet dat het den inhoud waarover Prof Kammerer zich verheugt, krijgt.
dienaar is, maSr de J^t^l^r SChake'Wd .iie^ófr"11"'1 fÜr,S0da,Wi33e"SChaft" p. 8,o) zegt van dit artikel, dat de schilderij
"ekr ::^rr,rdee,s be,rekidng heert -——-
297
wij veel sneller dan in het buitenland, de welgeorganiseerde patroonsmacht tegenover ons vinden en bijgevolg zullen wij dus ook veel sneller in de richting der bedrijfs-organisatie moeten gaan, dan daar het geval is geweest, daar het immers juist de ontwikkeling der patroons-organisatie is die de bedrijfs-organisatie tot een noodzakelijkheid maakt.
Moeten we — vooral wanneer we zien dat het toch dien weg uit zal gaan — dan wachten tot we er toe gedwongen worden, of hebben we van stonde af aan te zorgen, dat dit middel om sterker tegenover de patroons te komen staan wordt gepropageerd en vooral aangewend ?
Ik meen het laatste.
Daarmede is evenwel de vakorganisatie nog niet waar zij zijn moet.
Nederland is een klein landje en het inrichten van de vakbonden, alleen naar het bedrijf, zou, bij het groote aantal bedrijven een groote reeks prutsbondjes kunnen doen ontstaan, die in den strijd tegen de ondernemers geen knip voor den neus waard waren, en tot een ander soort krachtsverspilling zouden leiden.
De verschillende bedrijven i) moeten naar hetgeen zij met elkaar gemeen hebben tot groote bonden worden vereenigd.
Voor het hebben van groote bonden — hier bedoeld als tegenstelling tot verschillende apart staande kleine — pleit zeer veel.
Ten eerste beteekent concentratie van vakbonden, dat procentsgewijze de bestuursinrichtings- en propagandakosten een zeer belangrijke vermindering kunnen ondergaan, waardoor meer geld voor den strijd beschikbaar blijft. Ook de leiding der bonden en van zijn onderdeelen zal er op vooruitgaan daar in ons land, juist omdat het klein is, uit den aard der zaak niet zoo gemakkelijk een voldoend aantal voor hunne zware taak berekende krachten te vinden zijn. Ten slotte zal de ontwikkeling der leden in 'n groote vakbond beter zijn, dan in kleine organisaties mogelijk is; een argument dat voor de omhoogstrevende arbeidersklasse, zeer belangrijk is.
Een praktisch voorbeeld aan het bouwbedrijf ontleend moge dit alles duidelijk maken.
Wij tellen in dat bedrijf zes bij het N. V. V. aangesloten landelijke bonden, te weten die der timmerlieden, stucadoors, loodgieters, schilders, steenhouwers en bouwvak-arbeiders (de laatste omvat metselaars, opperlieden, grondwerkers en aanverwante vakken). Deze zes bonden geven ieder een orgaan uit.
De kosten van die zes organen per jaar bedragen bij de huidige oplagen in ronde cijfers:
i) Vanzelfsprekend moeten alle bedrijven van eenzelfde soort in één bond zijn, daaraan behoeft geen woord verspild te worden. Wij bedoelen dus over samenvoeging van verschillende bedrijven tot één bond sprekende die van verschillende bedrijfsgroepen.
298
Timmerlieden. . , . /"21:2c Bouwvakarbeiders .
Schilders q~
Stucadoors "
Loodgieters ... " Steenhouwers. 250 —
Totaal . _ƒ 5210.
De opzichtersbond is, om hier niet ten a j
berekening buiten beschouwingX " ' redenen' bij ^
Voor die gelden hebben de Timmerlieden een week- de schilders en Bouwvakarbeiders een veertienrbac^r-t, a j , bcrmaers e" een maandblad. veert'endaagsch- en de andere drie organisaties
D.w.z.: Naar de resp. oplagen gerekend ontvangen: 3900 arbeiders een weekblad 4150 " ,< M-daagsch blad.
2250 „ - maandblad,
totaal 10300 exemplaren. Waren de bouwvakarbeiders nu alleen in één bond, en werd dien tengevolge slechts één blad uitgegeven dan zouden, gegeven de leden talhen van thans, roooo exemplaren zeker ruim voldoende "jD
De B^\aVrbne-dU ^ ^ ™" de k^en van
FinlTel dus FK ^ /47°° niet te boven B^an.
^nantieel dus een besparing van ƒ 500 jaarlijks.
uZzschU*! " ^ be^kste: 4iso arbeiders die thans een
oude7dan 11 r> ^ Wdke ^ maa"dblad «*™8°Z
zouden dan a^,^ een exemplaar thuis krijgen. &
Welk een som aan meerdere kennis, meer inzicht, grooter strijdlust en meer offervaardigheid dit kan beteekenen behoeft geen b toof
JÏÏ^ZÏZ het" bdangrijk zo„ Ha 1 g verzorgen van het vakblad. Ditzelfde werk
zou dan door eén persoon kunnen geschieden, waardoor dus vhf van Smaakt * arbeidsbe-ging beschikbaar heeft, dien baar
d r:ei raae: k rworden aan werk wat nu —ai * ^
aoor gebrek aan krachten moet blijven liggen.
* ^ *
nJ!? TU eChtCr' gdOOVen Wij' °ndanks de opgesomde voordeelen prakhsch onmogelijk blijken allerhande vakken in één bon"b„een te' brengen en vooral te houden, wanneer zulke groepen arbeide s "en gemeenschappelijke belangen hebben arbeiders geen
luk!tetbbdoor frriSChaPPdijke bdangen is dan ookdenatuurDe' vTaa/rdT V^" vakb°nd wordt bepaa.d.
om hetTaL vakb T ^ V°ld°ende bela«^n.eenheden zijn,
om het aantal vakbonden ïner in Nederland b.v. tot een twintigtal te
299
beperken. En dit is m.i. zeer goed mogelijk en ligt ook in de lijn der maatschappelijke ontwikkeling.
Sedert het kapitalisme het gildewezen overwon, is een van zijn kenmerken geworden, ongeacht en naast de steeds toenemende arbeidsverdeeling, het samenbrengen van vele vakken in één onderneming.
De aannemer en bouwer die een bouwwerk van het begin tot het einde klaarmaken, vervingen en vervangen steeds meer de metselaars en timmerliedenpatroons die ieder slechts een deel van het gebouw vervaardigen ; de smid maakt plaats voor de metaalfabriek, kortom, de enkelvoudige bedrijven worden meer en meer vervangen door de samengestelde.
De bedrijfsconcentratie (het samensmelten van vele kleine tot één groot bedrijf) heeft eveneens tot gevolg, dat steeds meerdere beroepen onder het ressort van één enkelen ondernemer komen, zoodat reeds uit de ontwikkeling van het kapitalisme zelf voortvloeit, dat vele groepen arbeiders welke vroeger de grootste belangengemeenschap — n.1. van één patroon of patroonscombinatie tegenover zich te hebben — misten, deze in steeds grootere mate deelachtig worden.
Ook de ontwikkeling van de patroonsorganisatie brengt in toenemende mate een belangengemeenschap.
De ondernemers van bedrijven welke reeds meerdere beroepen onder zich vereenigden, zoowel als degenen welke nog slechts één beroep uitoefenen, gaan in toenemende mate in één organisatie hun gezamenlijke belangen behartigen.
Dat zijn dus reeds twee belangen-eenheden die het verkrijgen van vele beroepen in één vakbond vergemakkelijken, of liever tot plicht maken.
Er zijn nog meerdere belangen-eenheden die voor diverse groepen arbeiders het zijn in één bond mogelijk maken.
Daar is b.v.: het ongeschoold zijn, de gemakkelijke vervangbaarheid, die groote groepen arbeiders op elkaar aangewezen doet zijn.
Ook het zich naar elkaar richten van de, of van een deel der arbeidsvoorwaarden kan voor sommige arbeiders-massa's de grondslag van samengaan vormen, en het is niet uitgesloten dat bij een dieper gaande studie van de beroepen van die soorten arbeiders welke geen der vier bovengenoemde belangen-eenheden met elkaar gemeen hebben, nog andere zullen blijken te bestaan, welke ook voor hen, zonder schade, het opgaan in één bond met andere groepen arbeiders mogelijk maakt.
Bij het beoordeelen van de vraag welke van de vier genoemde belangen-eenheaen den doorslag moet geven bij de beslissing tot welken bond een zeker vak behoort, gaan we uit van het beginsel, dat de vakbond welke op zich neemt een groep arbeiders te organiseeren wezenlijk sterker tegenover de betrokken patroon of patroonsgroep staat dan een andere bond zou kunnen doen.
325
Kautsky is nu van oordeel, dat in de natuur geen tendenz naar overbevolking bestaat, maar eene naar evenwicht tusschen vermeerdering en vernietiging. Dit wil zeggen: het aantal individuen van elke soort blijft, als men 't gemiddelde over een aantal jaren rekent, gelijk, zoolang zich de algemeene verhoudingen niet wijzigen. Dit leert, meent Kautsky, ook de waarneming daar waar in het leven der dieren niet door den mensch ingegrepen wordt.
„Mijne opvatting, dat de tendenz in de natuur niet op overbevolking, maar op evenwicht tusschen aanwas en vernietiging gericht is, werd verkregen door dat ik niet uitging van het individu, maar van het bevolkingsproces in zijn geheel.
„Het reproduktieproces van het totaal der organismen kan slechts duurzaam voortgaan, als er evenwicht bestaat tusschen vermeerdering en vernietiging; het kan slechts voortduren, als de etende organismen jaarlijks alleen de vermeerdering aan voedergewassen en dieren verbruiken, en niet de tendenz vertoonen meer voedsel te vereischen; het kan slechts voortduren, als de vruchtbaarheid van iedere soort zich aangepast heeft aan hare levensvoorwaarden, waartoe bij de dieren ook de vruchtbaarheid behoort van de organismen, die zij als voedsel gebruiken".
Zoowel wat het uitgangspunt, als wat de methode en het resultaat betreft, noemt Kautsky zijne bevolkingsleer geheel tegenovergesteld aan die van Malthus.
2. De historische bevolkings wetten.
Gaat men (zooals eenige van Kautsky's kritici) van de meening uit, dat de abstrakte bevolkingswet die van Malthus is, dan kunnen de historische bevolkingswetten niets anders zijn dan de uitdrukking der verschillende wijzen, waarop de tendenz naar overbevolking wordt tegengewerkt.
Van Kautsky's standpunt is de zaak geheel anders. Overbevolking en de strijd er tegen doen zich dan slechts als een der vormen voor, die de historische bevolkings wetten aannemen kunnen, maar volstrekt niet als den algemeenen vorm.
Drie voor de bevolkings-beweging belangrijke faktoren, de vruchtbaarheid, de sterfte en de voorraad der voedingsmiddelen, staan onder den invloed van de produktiewijze. Uit hunne gezamentlijke ontwikkeling vloeit de bevolkingswet voort, die dus allerlei vormen aannemen kan, daar deze drie faktoren in zeer verschillende kombinalies kunnen optreden. Er zijn produktiewijzen, die de vruchtbaarheid beperken, de sterfte verhoogen. Zij zullen de tendenz naar vermindering van volkssterkte opleveren, hoe het ook met de mogelijke voorraad levensmiddelen gesteld is. Een andere produktiewijze kan de vruchtbaarheid bevorderen, de sterfte verminderen. Hier hangt het van de snelheid af, waarmee de voedingsmogelijkheid groeit, of er overbevolking zal intreden of niet.
Ieder der drie faktoren hangt nu ook niet meer alleen van de verhouding der menschen tot de natuur, dus van de techniek af, maar ook van de verhouding der menschen onderling, van de maatschappij.
Slechts toevalligerwijs en bij uitzondering ontstaat uit het samenwerken dezer faktoren voor langen tijd een toestand van evenwicht. In den regel wisselen elkaar de tendenz naar ontvolking en die naar overbevolking af. Waar wij sedert de oudste tijden kindermoord, vruchtafdrijving en opzettelijke onvruchtbaarheid toegepast zien om overbevolking te beperken, geschiedt dit slechts zelden met maatschappelijke oogmerken, maar meestal met individueele.
Ten onrechte heeft Quessel aan Kautsky verweten, dat hij aan deze verschijnselen niet voldoende aandacht heeft geschonken, Wat Quessel zelf dienaangaande aanvoert, houdt niet overal steek. Zoo is het bijv. volstrekt niet waar, dat de oorlogen der nomadenvolken voornamelijk om weidevelden gevoerd werden Veelmeer komen de oorlogen tusschen de stammen en clan's voort uit de bloedwraak, die wel door de maatschappelijke verhoudingen bepaald wordt, maar zeker niet het gevolg van overbevolking is.
Kautsky staat eindelijk een oogenblik stil bij Quessel's bewering „dat de kapitalistische landbouw buiten machte is de aangroeiende bevolking een menschwaardig bestaan (zonder onder-voeding) te verschaffen — want daartoe zou de voortbrenging van dierlijke produkten (zooals vleesch, boter, melk, eieren en kaas) op eens driemaal zoo groot moeten worden gemaakt". Ziehier, zegt Kautskv, een „Verelendungs" leer, veel krasser dan de marxistische, waartegen Quessel c. s, zoo plegen te toornen. Deze bewering houdt immers niet alleen <'en sociale, maar ook een physieke „Verelendung" der volksmassa in!
32Ó
$, Dc overbevolking en de socialistische samenleving.
Tegenover Kautsky en Bebel, die meenen dat vrees voor overbevolking in het socialisme vooreerst niet behoeft te beslaan, heeft Quessel betoogd, dat over honderd jaar (in 2010) de socialistische gemeenschap reeds niet in staat zou zijn allen een menschwaardig bestaan te verschaffen, als de bevolking toenemen blijft gelijk thans.
Kautsky maakt in de eerste plaats bezwaar tegen de keuze van dit tijdstip. Indien het socialisme eerst in 2010 de overwinning zal te beurt vallen, hebben onderzoekingen van zijn bevolkingprobleem thans geen practisch nut. Zulke beschouwingen zijn slechts nuttig, als zij gelden voor een nabijliggenden tijd.
In de propaganda moeten wij kunnen betoogen, dat reeds nu het socialisme in staat is algemeene welvaart te verzekeren. Bovendien acht Kautsky de overwinning van het socialisme veel eerder dan in 2010 te verwachten. Thans reeds is de sociaaldemokratie de sterkste partij; spoedig zal zij de meerderheid des volks achter zich hebben. Lang vóór wij honderd jaar verder zijn zullen de verscherpte politieke en sociale tegenstellingen voortbestaan van het kapitalisme onmogelijk hebben gemaakt.
Ten tweede heeft Quessel de vermoedelijke bevolkingssterkte voor 2010 afgeleid uit de statistiek der jaren 1880-1900. Kautsky stelt, met zeer belangrijke beschouwingen omtrent de verschillende tempo's der volksvermeerdering in verschillende kapitalistische tijden, in het licht dat wij thans verkeeren in een periode van afnemende geboorten, die zich voortzetten zal. Hoewel dit algemeen erkend wordt en bekend is, hield Quessel er geen rekening mede. Evenmin houdt Quessel rekening met de emigratie.
Voorts berust Quessel's zwartgallige voorspelling op zijn wensch, dat de kinderen van elk gezin een afzonderlijke speelplaats van een halve hektare zullen bezitten. Als de menschen van de een-en-twintigste eeuw onvoorzichtig genoeg zijn, zich niet aan Quessel's advies te houden, maar dat der groote socialisten op te volgen die meenen, dat het evenzeer in het belang der moeders als in dat der kinderen is, als groote scharen van dezen op gemeenschappelijke speelplaatsen stoeien, is het met Quessel's voorspelling mis.
Quessel becijferde, dat voor speelplaatsen der kinderen 25 millioen hektaren noodig zouden zijn. Kautsky toont aan dat, zelfs bij Quessel's systeem, met 8 millioen hektaren zou kunnen worden volstaan, doordat de kinderen tusschen 2 en 8 jaar slechts 17 percent der bevolking uitmaken. Laat men in plaats van twee, twintig kinderen op een halve hektare spelen, dan zijn 1 millioen hektaren reeds voldoende. Voor den landbouw blijven dan 34 millioen hektaren over.
Quessel's voorspellingen behoeven ons dus niet de minste zorg te baren.
4. De wet van de verminderende grondopbrengst,
Hieronder verstaat men de leer, dat de opbrengst van den grond niet in dezelfde mate stijgt, als de op dien grond verrichte arbeid. Dat bijv. als 10 arbeiders een hoeveelheid produkt 100 voortbrengen, op denzelfden grond 20 arbei 'ers niet meer dan 180, 30 arbeiders slechts 240 voortbrengen kunnen.
Maszloff meent dat Kautsky deze wet miskent en het tegendeel ervan beweert.
In werkelijkheid zegt Kantsky de zienswijze te verdedigen, dat tusschen de hoeveelheid van den besteden arbeid en de grootte der vruchtbaarheid geen vaste verhouding bestaat, dat beide in verschillende richtingen veranderen kunnen. De stelling is daarom onhoudbaar, dat met toeneming der bevolking een relatieve vermindering van de vruchtbaarheid der akkers gepaard zou moeten gaan.
Er bestaat evenmin een „abstrakte" wet van de verminderende grondopbrengst als er een „abstrakte" wet van de overbevolking bestaat. Maar dit wil niet zeggen, dat een „abstrakte" wet van tegenovergestelde strekking zou bestaan. Kik geschiedkundig tijdperk heeft zijn eigene wetten.
Voor de kapitalistische produktiewijze kwam Kautsky tot de slotsom, dat zij de mogelijkheden van toenemende arbeids-produktiviteit in landbouw en nijverheid verbazend doet stijgen, tegelijkertijd echter belemmeringen dezer mogelijkheden te voorschijn roept, zoodat de tegenstelling tusschen mogelijke en werkelijke produktiviteit steeds grooter wordt
Het socialisme, dat de belemmeringen wegneemt, opent dus een tijdperk van langdurige stijging der arbeidsproduktiviteit in den landbouw.
327
5. De uitputting van den grond.
Maszloff heeft getracht met cijfers aan te toonen, dat bij toenemende dichtheid der bevolking de opbrengst van den grond wel stijgt, maar tegelijkertijd de productiviteit van den arbeid daalt. Kautsky laat zien, dat Maszloff's cijfers niet van de beste zijn. Maar ook als de cijfers juist waren, zouden ze nog niet bewijzen wat M. meent. Maszloff begaat verschillende fouten. Ten eerste leidt hij zijne conclusies betreffende de arbeidsproduktiviteit af uit de grootte der oogsten en uit de bevolkingsdichtheid, zonder de verschillen in vruchtbaarheid van den grond in aanmerking te nemen. Ten tweede neemt hij niet voldoende in aanmerking, dat de oogsten der verschillende landen uit een aantal graansoorten in verschillende verhoudingen bestaan. Ten derde verzuimt hij te rekenen met het percentage der bevolking in den landbouw werkzaam, welk percentage in verschillende landen zeer uiteenloopt (in Groot-Brittanië en Ierland 5 pCt, in Duitschland 16 pCt. der bevolking). Volgens Maszloff zou de landbouw in Duitschland meer dan dubbel zoo produktief zijn als in Engeland. In werkelijkheid is de Duitsche landbouw minder produktief dan de Engelsche.
Maszloff heeft zich op Amerika beroepen. In dat land met extensieven land bouw zijn de oogsten in verhouding overvloediger dan in Europa. Maar ten onrechte ziet Maszloff in dit feit een bewijs voor de superioriteit van het extensieve landbouwbedrijf. Wat in Amerika plaats heeft zegt Kautsky, is de meest intensieve roofbouw! Roekelooze uitputting van maagdelijken grond, bedreven met de nieuwste en beste machines. In korten tijd won de landbouwer oogst op oogst, zonder zich te bekommeren om bemesting of andere verbetering van den grond. Was de grond uitgeput, dan trok de landbouwer naar een andere streek om daar weer op nieuwen, niet-uitgeputten grond te beginnen.
Steilig levert zulk een landbouw ruimere oogsten op dan in Engeland, Frankrijk en Duitschland worden gewonnen. Maar dit is geen bewijs van grootere produktiviteit van den arbeid, enkel een gevolg van de verspilling der rijkdommen, die de grond opleveren kan. De Amerikaansche roofbouw is dus geenszins een bewijs van afnemende opbrengst van den grond bij meer intensieve bebouwing.
6. Het duurder worden der landbouwprodukten.
Het duurder worden der landbouwprodukten wordt door sommigen aangezien voor een bewijs van de verminderende grondopbrengst. De duurte heeft echter geheel andere oorzaken.
In Amerika daalde in het laatste kwartaal der vorige eeuw de prijs der levensmiddelen, doordat plotseling nieuwe spoorbanen groote gebieden met vruchtbaren grond voor de bebouwing ontsloten. Een wilde roofbouw begon, die echter niet lang duren kon, en nu vrijwel ten einde geraakt is, doordat de reserve-voorraden van onbebouwden grond verdwijnen. De prijzen der landbouwprodukten stijgen nu weer, en de organisaties der grondbezitters bevorderen deze stijging.
Tegelijkertijd stijgen de prijzen der landbouwprodukten ook, doordat de productiekosten grooter worden, nu men zich genoodzaakt ziet door zorgvuldiger bewerken van den grond zijn vruchtbaarheid te onderhouden.
De prijsstijging wordt bespoedigd, doordat kartellen en spoorwegmaatschappijen de arbeidsmiddelen en de vrachten duurder maken.
In Rusland drijft het absolutisme tot roofbouw, doordat het de boeren uitzuigt, zoodat deze verarmen en de kosten van behoorlijke bemesting enz. niet kunnen dragen. Het slechter worden van den grond taaakt de landbouwprodukten hooger in prijs.
In West-Europa werd sedert de jaren tusschen 1870 en '80 de prijs der landbouwprodukten omlaag gedrukt door de Amerikaansche konkurrentie. De prijsstijging van Amerikaansche en Russische granen heeft nu prijsstijging derWeslKuropeesche ten gevolge. Ook leidt de samentrekking der bevolking in de steden tot het grooter worden der onkosten in het landbouwbedrijf (meststoffen zijn minder gemakkelijk te krijgen). Voorts dragen de kartellen, die arbeidsmiddelen en meststoffen voor de landbouw leveren en deze zaken duurder maken, tot de verhooging der produktiekosten bij.
De duurte der landbouwprodukten komt dus geenszins voort uit een natuurwet van verminderende grondopbrengst, maar uit maatschappelijke verhoudingen, uit het kapitalisme.
328
7. De strijd tegen de duurte.
Hoe meer de duurte de volksmassa's kwelt, des te duidelijker moeten wij betoogen dat slechts de opheffing van het kapitalisme er het afdoend middel tegen is. Wij moeten overal propageeren de opheffing van het privaat grondbezit. Zelfs in partijkringen schrikt men hiervoor menigmaal terug. Men is bevreesd dat hierdoor de geheele boerenbevolking tegen ons in het harnas zal komen.
Kautsky meent dat deze vrees ongegrond is. Hij betoogt, dat men van de boeren zelfs minder tegenstand heeft te vreezen, als men met dezen principieelen eisch komt, dan wanneer men opheffing der beschermende rechten bepleit. Vooreerst beteekent het brengen van den grond in staatsbezit niet naasting zonder vergoeding, maar een oplossing waarbij geen enkele boer te kort komt. Evenmin beteekent het dat de boer zijn bedrijf vaarwel zeggen moet. Integendeel de voortbrengers van levensmiddelen zullen hun werk moeten voortzetten.
De verandering is, dat de boeren pachters van den Staat worden, en veel lagere pachten te betalen zullen hebben.
De staat reemt ook de hypotheekschuld over, en de eigen boeren die thans hypotheekrenten betalen, zullen den staat pachten te voldoen krijgen, die waarschijnlijk geringere bedragen bereiken dan de hypotheekrenten nu.
Met het overbrengen van den grond in staatsbezit zal het invoeren van hoogere bedrijfsvormen in den landbouw gepaard moeten gaan.
„Met deze denkbeelden de massa's vertrouwd te maken, hun aan te toonen, dat de sociaaldemokratie en zij alleen, de oorzaken van duurte en nood grondig en snel wegnemen kan, als zij het roer van den staat in handen heeft; wegnemen op zulk een wijze, dat niet alleen de proletariërs maar ook de met schulden belaste boeren er bij winnen en slechts de kapitalisten en grootgrondbezitters er bij verliezen; dat het vraagstuk van de wegneming van nood en ellende slechts een kwestie van macht is — dit aan te toonen, is een der voornaamste plichten onzer partij.
„Deze verheldering der denkbeelden wordt niet bevorderd, als wij eerst over honderd jaar op de overwinning der sociaaldemokratie rekenen, als wij de arbeiders bewijzen, dat hun nood toe te schrijven is aan het toenemen der bevolking en de daarmee samenhangende vermindering van de grondopbrengst.
„Zoo zijn deze kwesties voor ons geen akademische kwesties; het onderzoek ervan heeft een groote practische beteekenis juist voor de brandendste strijdvragen van onzen tijd."
J. W. A. i »
i) Noot der Redactie. Deze voorletters zijn bij vergissing weggelaten onder het Neue Zeit-overzicht in de vorige aflevering.
„Vrome Wenschen"
door F. v. d. GOES. (Vijfde Artikel).
L
De Teruggang der Huwelijken.
Bij het naderen van de kommunistische organisatie die de bewoners van deze wereld zal omvatten als samenwerkende en gelijkberechtigde leden, binnen welke geen tegenstelling van belangen en dus geen verschil van rang zal overblijven, bij het naderen van dit groote en universeele gezin, komt de instelling van het kleine, individueele gezin aan het einde van haar taak.
De heer De Vooys meent het omgekeerde te kunnen aantoonen o. a. -op grond van een door hem meegedeelde statistiek van huwelijksfrekwentie in de voornaamste Europeesche landen. Nu wil ten eerste het noodlot dat bij den heer De Vooys niet slechts de woorden, maar aetfs somtijds de cijfers geheel iets anders zeggen dan de steller heeft willen uitdrukken. „Van een vermindering der gezinsvorming, d. i. van het aantal huwelijken kan geen sprake zijn", lezen we. Doch uit de getallen zien we dat met uitzondering van Ierland, Oostenrijk en België, het eindcijfer overal lager is dan het begincijfer, en zelfs in alle landen, met de enkele uitzondering van Ierland, vrij wat lager dan het hoogste tusschencijfer. Dit laatste verschil is b.v. voor Engeland 15 per 10,000 inwoners, voor Duitschland 28, voor Frankrijk 14, voor Nederland 70, voor Zwitserland 8, voor Noorwegen 55, voor België 16, enz.
Zooveel is zeker, bovendien, dat althans voor sommige landen de achteruitgang van de huwelijksfrekwentie, zoover deze uit de algemeene cijfers valt af te leiden, door de kenners der bevolkings-statistiek als onbetwistbaar wordt beschouwd. Arthur Newsholme {The Elements of Vital Statistics, Londen 1899), Georg von Mayr {Statistik und Gesell-
21
33°
schaftshhre II, Freiburg 1897), ook Conrad (Statistik I, Jena 1900)* leggen de gegevens aldus uit. „In deze eeuw, zegt b.v. de laatste, schijnt het huwelijkscijfer ongetwijfeld langzaam verminderd te zijn." Von Mayr schrijft niet minder beslist :„ een vergelijking van de getallen over 1865/69, 1876/80 en 1887/91 doet zien dat over het geheel in statistisch gekontroleerde streken van de wereld, het algemeene huwelijkscijfer meerendeels dalende is." Newsholme doet opmerken dat in een groote 20 jaar, van 1873 tot 1895, m Engeland het verhoudingsgetal van 17.6 gekomen is op 15.0 — „een dergelijke afneming heeft zich ook in andere landen voorgedaan."
Inderdaad schijnt deze beweging nergens zich zoo duidelijk te vertoonen als binnen de grenzen van het Rijk, dat altijd den naam had voor de verschijnselen van de kapitalistische orde de beste waarnemingen op te leveren.
De schrijver van een recent werk over het onderwerp, Paul Mombert, [Studiën zur Bevölkerungsbewegung in Deutschland, Karlsruhe, 1907). oordeelt minder stellig wat de algemeenheid van den gang der beweging betreft. „In eenige Staten is een toeneming van de huwelijksfrekwentie te bespeuren, in andere daarentegen de neiging tot het omgekeerde." Engeland noemt Mombert in de eerste plaats onder die landen, Frankrijk volgt. Ook de Skandinavische landen, ook Hongarije, Saksen, Italië en Nederland. Het Duitsche Rijk als zoodanig rekent men niet tot deze rubriek. Toch gelijkt de daar bespeurde vooruitgang op niets zoozeer als op stilstand. Het tijdvak 1871/80 kan men overslaan, het bevat de exceptioneel hooge cijfers na den Oorlog. Maar ook het getal van 1861/70 is nog niet teruggekomen. Per 100,000 inwoners bedroeg het toen gemiddeld 850 huwelijken per jaar, over 1901/08: 800. Ware de frekwentie niet verminderd dan zouden thans ruim éen-en-dertig duizend huwelijken méér worden gesloten, b.v. in 1908 ongeveer 532,000 in plaats van 500,670.
Wat Engeland aangaat vindt men bij Malthus [On Population, boek II, hoofdstuk VII) dat in het begin van de 19e eeuw de huwelijksfrekwentie 8.09 7
00 was. Sedert, zegt Newsholme, was het maximum bereikt in het jaar 1873 : 8.8 °/00. Over 1901/04 was het nog slechts 7.8, een verhouding waarom ook de drie volgende jaren zich bewegen, welke vermindering van éen per "duizend over de tegenwoordige bevolking een verlies van 34,000 huwelijken per jaar uitmaakt — een absoluut en relatief ernstiger verlies dan in Duitschland met zijn zooveel grootere bevolking.
In het maandschrift van het Engelsch statistisch genootschap is het gevolg voor eenigen tijd in dezer voege meegedeeld. De indeeling van de volwassenen naar den burgerlijken staat is tusschen 1881 en 1901 gewijzigd geworden. De gehuwden boven 20 jaar zijn verminderd:
33i
607 700 m 1881, 584 in 1891, 576 in 1901. Dat men niet meer gezinsloozen of althans ongehuwden heeft geteld ligt aan het langer voortduren van de huwelijken ; weduwen en weduwnaren zijn van 137 tot 126 °/o0 teruggegaan. „Ook is het getal huwenden in elke leeftijdsgroep sedert 1881 gedaald, het sterkst in de jongste groepen." 1)
Men ziet dat ook op dit punt de vrome wensch van den heer De Vooys de vader is geweest van zijn verkeerde voorstelling.
De ware voorstelling, trouwens, van de beteekenis der gewijzigde huwelijksfrekwentie kan uit de algemeene cijfers bezwaarlijk worden opgemaakt. Het is nl. een bekende waarheid dat aan beide kanten van de groote klassescheiding de beweging niet de zelfde richting volgt. Wij zagen dat voor den heer De Vooys geen wezenlijk verschil bestaat tusschen het gezin in de eene en in de andere klasse. Doch het is juist dit karakteristieke verschil dat de ongelijksoortige beweging van de huwelijksfrekwentie veroorzaakt en daarin tot uitdrukking komt.
In de bourgeoisie ziet men de huwelijken zeldzamer en ook op hoogeren leeftijd dan vroeger gesloten worden. Een dergelijke strekking bestaat in de arbeidersklasse niet. In beide klassen werkt de kapitalistische produktiewijze die hen heeft geschapen, op het gezinsleven ongunstig. Doch niet in beide klassen op dezelfde manier. Bij de bourgeoisie vermindert hoofdzakelijk de kwantiteit, bij het proletariaat de kwaliteit. Het resultaat zichtbaar in het algemeene huwelijkscijfer van eenig land is dus niet een som, maar een saldo, de uitkomst van twee tegenovergestelde bewegingen. Alle vermindering der frekwentie kan op rekening van de kapitalistische klasse worden geschreven, alle vermeerdering op die van het proletariaat. Een groeiend cijfer kan aan toenemende frekwentie onder de arbeiders, maar ook aan een uitbreiding van hun aantal worden toegeschreven. Omgekeerd kan een dalend cijfer veroorzaakt worden door afnemende frekwentie onder de bourgeoisie, of wel door het relatief kleiner worden van hun klasse. Door een stijging van het saldo, teweeggebracht b.v. door voortgaande proletariseering der natie, kan de teruggang van het bourgeoishuwelijk verborgen worden. Omgekeerd bestaat de mogelijkheid dat deze teruggang het vermeerderen van proletarische huwelijken onzichtbaar maakt.
Teruggang van huwelijken in de kapitalistische klasse in den zin van verminderende frekwentie, is kennelijk het rechtstreeksche gevolg van haar toenemenden rijkdom. De kapitalistische produktiewijze, schrijft Elisabeth Gnauck—Kühne in haar werkje Die Soziale Lage der Frau (1895), „vermeerdert snel de welvaart, daarnlee groeien de eischen der beschaafde klassen, de hoogere eischen bemoeilijken het trouwen"
') Journal of the Royal Statistical Society for Jitne, 1909.
332
„De arbeider daarentegen, ziet in de vrouw een helpster die een loon verdient." Vermeerdering van de welvaart evenwel, is in het kapitalisme onafscheidelijk van het proletariseeren van grootere massa's der bevolking, zoowel in als buiten de werkplaats aan de kapitalistische uitbuiting onderworpen. Wij hebben gezien dat dit het zekerste middel is om de familiebanden los te maken, het gezinsleven aan te tasten. Terwijl dus de kapitalistische ontwikkeling aan den eenen kant de gezinsvorming bemoeilijkt, doet zij aan den anderen kant het gehalte van het gezinsleven ontaarden.
Zoover nog van een stijging der huwelijksfrekwentie kan worden gesproken, komt zij inderdaad thans uitsluitend op de rekening van de arbeidersklasse. Het ongunstige verschil van Engeland bij Duitschland kenmerkt blijkbaar twee achtereenvolgende tijdvakken van het kapitalisme. In het ekonomisch oudere land kan de vermindering van het huwelijkscijfer bij de bourgeoisie niet meer door de talrijke huwelijken van het proletariaat worden goedgemaakt. De jongere Duitsche bourgeoisie, mag men aannemen, bezit vergelijkenderwijs nog de stoutmoedigheid die onder de risiko's welke zij op zich neemt, ook het waagstuk van de gezinsvorming doet begrijpen. In ieder geval wijzen de algemeene getallen uit dat de beweging van het huwelijkscijfer in de arbeidersklasse nog den doorslag geeft. Over het geheele Rijk is er, zooals wij zagen, nagenoeg stilstand. ,,Over het algemeen, schrijft Paul Mombert, hebben zich in het getal huwelijken geen sterke veranderingen voorgedaan ; de voortdurende toeneming van de laatste jaren heeft geen grooten omvang bereikt."
Van meer belang, gelijk dezelfde schrijver nader aantoont, is de verandering in den leeftijd der huwenden. De gemiddelde leeftijd is gedaald, in de jongste groepen is de frekwentie het sterkst gestegen, i) In Engeland heeft het omgekeerde plaats, waarschijnlijk het meest karakteristieke punt van verschil. De huwelijksleeftijd, immers, is in de arbeidersklasse het laagst. Toeneming van jonge huwelijken is toeneming van arbeidershuwelijken. De beweging in tegenovergestelde richting onder de bezittende klasse in Engeland maakt zich voelbaar als een daling van de frekwentie, die in de laagste leeftijdsgroepen het sterkste is. In Duitschland blijven de arbeidershuwelijken den doorslag geven. Dit is zeker. Niet zeker is, schoon niet onwaarschijnlijk, dat de statistische
i) In Pruissen b.v. bedroeg in de jaren 1867—70 bij mannen de gemiddelde leeftijd 29.89 jaar; van 1901—04: 28.90; bij vrouwen: 27.22 en 25.70. In Beieren waren de gemiddelden van 1835—60: 32.4 en 29.4, voor 1881—85: 30.6 en 27.6. Van 1000 gehuwde mannen in Duitschland waren in 1880 onder 25 jaar oud: 20.1, in 1900: 24.5; tusschen 25 en 30 jaar; 104.2 en 117.1, enz. — Per 1000 inwoners van het Rijk waren getrouwd in 1880: 33S.5, in 1900: 346.8. In de steden was de verschuiving grooter geweest: 328.3 tot 345.3, veel geringer op het land: 344.1 tot 347.8.
333
uitdrukking van het overwegen der proletarische huwelijken door een vermindering van het bourgeoishuwelijk verzwakt wordt.
„De toeneming van de jongste leeftijdsklassen, schrijft Mombert, heeft over het algemeen plaats in de steden, bijzonder sterk vertoont zij zich in het Rijnsch-Westfaalsche industriegebied, minder sterk in de steden van het [agrarische] Oosten. Aldaar is op het platte land een min of meer belangrijke afneming aan te wijzen, omgekeerd in de plattelandsdistrikten van het Westen." .
Dit kan, zegt Mombert verder, niet het gevolg zijn van de klimmende frekwentie in de kapitalistische klasse. In het algemeen geldt de regel dat met vermeerderende welvaart het getal daalt en de leeftijd stijgt. Nu is juist gedurende de laatste tientallen jaren de welvaart in Duitschland sterk toegenomen. „Van waar deze schijnbare tegenstrijdigheid?" Wij weten dat de arbeiders het meeste en het jongste trouwen. „Nu hebben in de laatste tientallen jaren in Duitschland zoowel als in de meeste andere Staten vooral die beroepen zich belangrijk uitgebreid waarbij de laagste huwelijksleeftijd is aangetoond: de industriëele bevolking is ten opzichte van de landbouwende, en de onzelfstandigen zijn tegenover de zelfstandigen in getalsterkte gegroeid." B.v. zijn tusschen 1880 en 1900 de groepen die hoofdzakelijk de welgestelden omvatten, van 42.3 pCt. op 34.98 pCt. geslonken. De industriëele arbeiders stegen gedurende denzelfden tijd van 29 tot 40 pCt. „Deze ontwikkeling geeft dus van het dalen van den gemiddelden huwelijksleeftijd een zeer ongedwongen verklaring." De o.i. juiste, schoon niet uitgesproken gedachte van den schrijver is blijkbaar deze, dat de grootere welvaart als faktor die het trouwen doet uitstellen of ook wel geheel belet, tot de kapitalistische klasse beperkt blijft. Tot versterking van zijn opvatting vermeldt Mombert ten slotte het klimmen van den huwelijksleeftijd in Frankrijk en Engeland, „waar de industrialiseering in de laatste jaren minder snelle vorderingen heeft gemaakt dan in Duitschland."
Wij laten de huwelijksstatistiek hierbij rusten. In de klasse van de bourgeoisie is het huwelijk een instelling van weelde geworden, door de behoefte aan andere luxe tot zekere hoogte verdrongen. Op het papier van de statistiek blijven nog die soort van huwelijken de groote getallen leveren, waarvan enkel de kwantiteit belangrijk is.
II.
De Vernietiging van het Gezinsleven.
Niet de teruggang in getal, de vermindering in gehalte kenmerkt de geschiedenis der gezinnen in het proletariaat. De oorzaken hebben wij te voren aangeduid. Zij liggen uitsluitend in de levens- en arbeids-
334
voorwaarden van de maatschappelijke klasse, die, van eigen produktiemiddelen ontbloot, tot den verkoop van de arbeidskracht als eenig bestaansmiddel is teruggebracht.
Samuel Tayler Coleridge heeft reeds in 1795 den vervallen staat van de arbeidersgezinnen uit deze oorzaken verklaard.
„Huiselijke genegenheid, schrijft hij, berust op associatie van gevoelens. Wij hechten aan een voorwerp, indien zoo dikwijls wij het zien, een aangename gewaarwording bij ons wordt opgewekt. Maar, helaas, hoe kan iemand de teederheid van een vader en echtgenoot gevoelen, wiens loon nauwelijks genoeg is om in zijn eigen dringende behoeften te voorzien, en dientengevolge zijn vrouw en kinderen moet beschouwen, niet als deelgenoot en die zijn welverdiende rust verzoeten, doch als mede-eters, die zijn karigen maaltijd versmallen." 1)
Charles Lamb heeft in een van zijn uitmuntendste schetsen, geschreven in 1833, ons den indruk achtergelaten dien dit nieuwe schouwspel op de ontvankelijke gemoederen onder zijn tijdgenooten moest maken. „Er is een woning, die niet waarlijk een „tehuis" kan heeten, die van den zeer armen man." Niet de afwezigheid, maar de tegenwoordigheid van de huisvrouw drijft den man naar de kroeg. Inderdaad begint met de verscheuring van de oude gezinsbanden de geschiedenis van de volkskroeg als maatschappelijke instelling, en doet het alkoholisme, de gewoonte van en weldra de verslaafdheid aan het gebruik van sterken drank op de plaatsen van bijeenkomst die het huisgezin vervangen, zijn intrede.
„Van de vrouwen sprekende : „dat gelaat, vraagt Lamb verschoonend, „dat gelaat door gebrek versuft, waarin elke opgeruimde, elke vriendelijke trek reeds lang door den nood is uitgewischt — is dat een gelaat om bij thuis te blijven ? Heeft het meer van een vrouw of van een wilde kat ? Ach arm 1 het is het aangezicht van de vrouw zijner jeugd, dat hem eenmaal toelachte. Zij heeft het lachen verleerd. In welke genoegens kan zij haar deel erlangen, welke lasten kan zij helpen dragen ? O, het is een mooi ding te praten van een eenvoudig maal, met elkander genoten. Maar hoe, indien er geen brood in de kast is?"
Bijna nog meer dan op dat van de vrouw, drukt het ongetemperde gevolg van de kapitalistische uitbuiting op het lot van de kinderen.
„Het is niet 't minst schrikkelijke van dezen toestand, dat er geen kinderlijkheid is in hunne woningen. Arme menschen brengen of voeden hun kinderen niet op, zij sleuren ze op."
„ . . . Het kind der armen is opgesleurd, om te leven of te sterven, naar het uitkwam. Het had geen jonge droomen. Het werd in eens geworpen in de werkelijkheid des levens. Het kind bestaat voor de zeer armen niet als iets om mee te stoeien of te dartelen, het is
1) The Friend^ ed. 1890, bl. 220.
335
;nkel een mond meer om te voeden, een paar kleine handjes zoo spoedig mogelijk aan het werk te zetten. Eerst vraagt het zijn ouders, dan werkt het met hen samen, om brood.... De heele arme kinderen weten niet wat jeugd is...."
Toen, ruim dertig jaar daarna, de latere Fransche minister Léon Faucher, de stof verzamelde voor zijne Etudes sur l'Angleterre, in 1856 verschenen, vermeldde hij eenige gegevens over de ontaarding van het gezinsleven onder de lagere klassen, in die mate buiten Engeland niet dan zeldzaam, in eenige groote steden, aangetroffen. In de hoofdplaats van het bij uitnemendheid industriëele gewest, in Manchester waren gedurende het jaar 1842 niet minder dan 141 personen — in 1842 zelfs 200 — veroordeeld geworden wegens het verwaarloozen van hun kinderen. Van de 12 vrouwen die uit het personeel eener enkele spinnerij in den loop van één jaar waren getrouwd, hadden eer twaalf maanden waren voorbijgegaan, reeds vier zich van hun echtgenooten gescheiden. „Er zijn geen verplichtingen, er is geen opvoeding meer in de gezinnen." De moeders bedwelmen hun zuigelingen met opium. Van 407 gevallen van gewelddadigen dood zijn 110 kinderen verbrand door vuur of water. „In de arbeiderswijken te Glasgow, en men zegt dat dit ook in Manchester voorkomt, leven kinderen, geheel tot een dierlijk bestaan terug gebracht, die zelfs geen naam hebben ontvangen." Sterft, in Parijs, een derde van de bevolking in hospitalen of stichtingen van weldadigheid, in Manchester worden in zoodanige huizen meer dan de helft der kinderen geboren. „Te sterven en geboren te worden buiten het gezin, ziedaar twee feiten die ieder op zich zelf een aanklacht uitmaken tegen onze beschaving."
Doch dit alles, zal men zeggen, is lang geleden. Een kleine minderheid, wij ontkennen het niet, heeft sedert zich door eigen kracht kunnen opwerken tot een vergelijkenderwijs bevoorrechte positie, waarbij eenige trekken van het burgerlijk gezinsleven terugkeeren. Het effekt van de arbeidswetgeving, de werkzaamheid van openbare inrichtingen voor onderwijs enz, de invloed van de georganiseerde klassebeweging, zie daar andere faktoren van een zedelijke verheffing die ongetwijfeld veel van de vroegere bandeloosheid en ruwheid ook in het partikuliere leven van de werklieden heeft weggenomen. Doch hoe het overigens met de familiebetrekkingen in die klasse thans gesteld is, kunnen wij opmaken u»t eenige beschrijvingen, die, achtereenvolgens, drie der voornaamste rubrieken betreffen waarin het moderne proletariaat uiteen valt: de ongeschoolde werklieden uit de groote steden, de landarbeiders en het fabriekspersoneel.
Het aan een geleerd genootschap te Liverpool voor eenigen tijd uitgebracht verslag eener voor dat onderzoek benoemde kommissie, bevat mededeeling over den huishoudelijken toestand van gezinnen der
336
in de groote handelstad levende losse arbeiders, de haven of bootwerkers i). Somtijds wordt men getroffen, zeggen de samenstellers, door teekenen van hartelijke ouder- en kinderliefde — „maar, dan weer is de overwegende indruk, dat waar de strijd om het bestaan het nijpendst is, het gevoelsleven alleen voortduurt totdat het oogmerk is vervuld voor welk het door de natuur bestemd is : de echtelijke genegenheid niet langer dan tot de voortplanting een zekerheid is geworden, de ouderliefde enkel zoolang de hulpeloosheid van de kinderen ouderzorg onmisbaar maakt".
„De volkomen hartstochtelooze openhartigheid — vervolgen de schrijvers — waarmee de deugden en ondeugden van hunne mannen door de vrouwen besproken worden, en het huwelijk erkend wordt een mislukte proefneming te zijn, de afwezigheid van alle teekenen van gevoel bij het verhalen en beschrijven van sterfgevallen in het gezin, kunnen wel eens bedriegelijk zijn. De dikwijls getoonde onbekendheid met de verblijfplaats van getrouwde zoons en dochters, voornamelijk zoons, waarvan men gelooft dat ze in de zelfde stad wonen, maar „waar we in jaren niets van gehoord hebben", is somtijds een voorwendsel om navraag te beletten.
Dikwijls, echter, schijnen deze dingen duidelijk het gevolg van een zoodanig moorddadig ontberen en zwoegen, dat de levenskracht alleen nog voor de allernoodigste behoeften des levens in staat is zich in te spannen".
De materieele toestand, de mate van zelfstandigheid tegenover de patroons, en van een en ander de uitkomst, de kwaliteit van het gezinsleven, is voor landarbeiders in kapitalistische grootbedrijven te boek gesteld in een reeks artikelen uit voorname Engelsche tijdschriften, Nineteenth Century, Contemporary en Monthly, verzameld tot een bundel in 1908 verschenen. „Waar menschen bederven", waar zij vervallen en tot geestelijke ontbinding overgaan, is de onheilbelovende titel (2) — „Zonder huis of haard", het opschrift van een der stukken. Volkomen uitgeroeid is in deze landbouwdorpen, waar elke voetbreed gronds denondernemer toebehoort, waar geen baksteen overeind staat en geen grasspriet groeit die niet zijn eigendom is, de eeuwenoude gehechtheid van de arbeidende bevolking aan den bodem, de liefde voor huis en hof, de patriarchale samenhang van het gezin. De woningen zijn kaal en naakt evenals in de arbeidersbuurten van steden. De bewoners; verplaatsen zich even onophoudelijk als het fabrieksproletariaat.
Het houden van varkens of kippen is verboden. De kapitalistische ondernemer wil geen konkurrentie van zijn eigen personeel. In de tuintjes, zoover aanwezig, iets anders dan aardappelen te telen, loont de moeite niet. De arbeider kan ieder oogenblik, vrijwillig of gedwongen,
1) How the Casual Labourer Lives, Liverpool 1909.
2) Where Men Decay, A Survey of Present Knral Conditions^ by D. C. Pedder, Londen 1908^
S02
dezelfde stof behandeld wordt door een marxist van het gehalte van Hilferding.
We zullen in dit artikel ons niet kunnen bezighouden met alle bijzondere eigenaardigheden, die op dit gebied, in elk afzonderlijk land, door zijn eigen ontwikkelingsgeschiedenis van credietwezen en industrie, te vinden zijn. We kunnen niet meer doen dan de schijnbaar zelfstandige beweging van het geldkapitaal laten zien als samenhangend met de industriëele en commercieele beweging. Wat hier beschreven wordt is in sommige landen al werkelijkheid en zal in meerdere werkelijkheid worden. Ook van cijfers wordt hier geen of bijna geen gebruik gemaakt. Dit is des te minder noodig, waar in dit tijdschrift de twee artikelen van S. de Wolff over „Bank en Industrie in Duitschland" opgenomen werden waarin vele cijfers, die statistisch bewijzen wat hier theoretisch wordt uiteengezet.
We zouden — waar 't geldt een onderzoek naar 't wezen van het crediet en dit ten nauwste samenhangt met dat van het geld — moeten herhalen al wat Marx hierover heeft uiteengezet in het eerste deel van „Das Kapital" en in zijn „Zur Kritik der Politischen Oekonomie". We moeten daarvan echter ■—■ om niet al te veel plaatsruimte in te nemen — afzien en veronderstellen dus dat de lezer hierin geen vreemdeling is. We veronderstellen dat hij weet, wat Marx zegt over het ontstaan van het geld, over koop en verkoop in het vóór-kapitalistisch tijdperk, hoe het geld vervangbaar is door papieren ruilmiddelen, enz., en beginnen dus met de rol van het crediet en zijne instellingen. Het crediet dat noodwendig optreedt waar 't geld als betaalmiddel wordt gebruikt, waar waren verkocht worden en niet dadelijk betaald, waar het geld niet als circulatie- maar als betalingsmiddel optreedt, waar het als ideële waardemeter heeft gefungeerd. Zijn koopen en verkoopen onder dezelfde rij van personen geschied, zoo kunnen hunne schulden en te goeden elkander ten deele compenseeren, en moet alleen het resteerende in geld betaald worden. Bij zoodanige transacties krijgt men in plaats van directe betaling, een betalingsbelofte, een wissel b.v. Deze wissel fungeert dan onder dien kring van personen als betaalmiddel, als credietgeld, en is al lang vóór de kapitalistische maatschappij bekend, al wordt zijne beteekenis ook daar eerst van veel grooter belang dan vroeger. Juist in deze productiewijze toch worden de circulatieverhoudingen ingewikkelder, liggen de tijdstippen van in- en verkoop geheel uiteen. De functie die dit circulatie- of betalingscrediet uitoefent, is deze, dat de circulatie nu niet meer afhangt van de hoeveelheid goudgeld. Het goud behoeft, waar dit crediet bestaat, niet meer in levende lijve tegenover de waar komen te staan, 't is alleen nog maar noodig om de saldeering te bewerkstelligen. Bij toeneming van dit soort crediet worden instellingen noodig waar de wederzijdsche vorderingen en
5X7
Het door de meeste boeken opgegeven verschil tusschen N. V. en enkele ondernemer als zou de laatste iemand zijn die geheel bij de onderneming geïnteresseerd is, geheel zijn eigen meening kan volgen en veel verstand van het bedrijf heeft, terwijl men bij de N. V. te doen zoude hebben met allemaal mee te zeggen hebbende menschen, die maar weinig belang hebben bij en nog minder verstand hebben van hunne onderneming, is dan ook niet juist meer. De groot-aandeelhouder — b.v. een bank — heeft niet alleen zeer groot belang bij en verstand van het bedrijf, maar hij kan ook door zijn stemmenmeerderheid geheel handelen alsof er geen massa klein-aandeelhouders bestonden.
Het grootste verschil tusschen beide vormen van onderneming zit hierin dat de N. V. in alle opzichten de gegevens heeft om grootonderneming te zijn of te worden. Niet gebonden aan een begrensd kapitaal, zooals de gewone ondernemer, veel meer in de mogelijkheid haar kapitaal uit te breiden — èn door de uitgifte van nieuwe aandeelen èn door uitgebreid crediet — dan de eerste die daarvoor aangewezen is op de zelf-gemaakte winst plus op een vrij beperkt crediet, appelleerend aan 't kapitaal der gansche kapitalistenklasse, waardoor gebruikgemaakt kan worden van de beste en nieuwste machines en werkmethoden, de voordeelige conjunctuur snel en volledig kunnend benutten, vallen alle voordeden van het grootbedrijf haar ten deel. Zij kan nog leveren bij prijzen die niet meer bevatten dan kostprijs + rente, terwijl de gewone ondernemer moet hebben kostprijs + rente + ondernemerswinst zal hij blijven bestaan, Zoo werd zij de sterkste in den concurrentiestrijd, de eenigst mogelijke vorm vóór het bestaan van trusts en kartels, waarbij reuzenondernemingen als spoorwegen door particulieren konden worden geëxploiteerd.
Dat bij oprichting der N. V. de bank een groote rol zal spelen is vanzelfsprekend. Alleen al hare bekendheid in de financieele wereld maakt dat eene oproeping harerzijds tot deelname in een N. V. veel meer kans van slagen biedt dan wanneer een daar onbekend ondernemer hetzelfde doet. Haar groote kring van cliënten maakt ook de plaatsing van aandeelen oneindig gemakkelijker. Het emissie- en oprichtingsbedrijf is dan ook al meer en meer uitsluitend in handen van banken, gekomen speciaal van de grootbanken, daar 't hier betreft crediet op langen termijn.
Het oprichtings-, emissie- en de daarmee samenhangende bedrijven, noemt men de irregulaire bedrijven, in tegenstelling tot het verschaffen van circulaticie- en kapitaalcrediet die de regulaire heeten. De eerste zijn onder de volgende hoofdgroepen saam te vatten:
i°. de bank richt een totaal nieuwe maatschappij op tot uitoefening van een of ander bedrijf;
2°. ze zet een bestaande onderneming om in een N. V. Ze kan
33
5i8
daarin dan deelhebber worden. (Ze kan hier ook alleen optreden als bemiddelaar of organisator);
3°. de bank plaatst een staats, provinciale, gemeentelijke leening of de aandeelen of obligaties van een particuliere maatschappij, zorgt dus voor den verkoop aan allerlei kapitalisten (het zuivere emissiebedrijf) i). Hier geniet ze provisie.
Bij al deze drie betreft 't geen omzetting van braakliggend in functioneerend kapitaal, is 't geen leenen aan productieve kapitalisten, maar is 't omzetten of helpen omzetten van geldkapitaal in fictief kapitaal.
Waar we nu zagen dat eenerzijds de ontwikkeling van de industrie maakt, dat al meer en meer crediet wordt gevraagd voor vast kapitaal, voor langen tijd dus, waar anderzijds de bank gedwongen is te zorgen dat 't haar toevertrouwde geld zooveel mogelijk in vloeibaren vörm blijft, omdat de deposito's ten allen tijde opvraagbaar zijn, wordt 't voor de bank noodzakelijk de industrie te drijven naar den vorm die die beide tegenstellingen met elkaar verzoent. De N. V. lost deze tegenstrijdigheid op, want waar de markt voor N. V. aandeelen zich eenmaal heeft gevormd, waar deze aandeelen dus ten allen tijde weer in geld om te zetten zijn, kunnen ze gemakkelijk een bestanddeel van het bankkapitaal uitmaken. De bank stelt dus het geldkapitaal wat bestemd is om industrieel kapitaal te worden ter beschikking van de markt in den vorm van fictief kapitaal. Daar wordt geheel of gedeeltelijk voor rekening van de bank dit laatste verkocht en zij verdient de oprichterswinst. Niet alleen noodzakelijk dus, maar ook voordeelig is 't voor de bank zulke N. V. op te richten of om bestaande ondernemingen in die vorm öm te zetten. Ook de ondernemers zelve worden door de concurrentiestrijd gedwongen hunne ondernemingen in een N. V. om te zetten en zelfs heeft de bank de macht om hen die dit nog niet willen of behoeven, daartoe te dwingen, door hen crediet te weigeren en de verleende credieten terug te eischen. Deze nieuwe functies eischen, dat ook de bank een groot eigen kapitaal heeft en dus zelve bedreven wordt in de vorm van een N. V. Waarom? Omdat het fictieve kapitaal toch ook eerst verkocht moet worden, waarvoor een zekere tijd vereischt wordt. Zoo lang vloeit het geld dus niet bij de bank terug, ook zijn niet altijd de omstandigheden geschikt om deze papieren aan de markt te brengen, de bank moet dus het gunstige oogenblik kunnen afwachten en bovendien kan de wetgeving hierbij de bank hinderpalen in den weg leggen. De Duitsche wet b.v. schrijft voor dat wanneer een private onderneming omgezet wordt in een N. V. de aandeelen eerst een jaar na deze omzetting aan de beurs mogen worden gebracht. Daardoor is dus al voor dat jaar dit deel
i) Het tusschen haakjes geplaatste is voor ons onderwerp van minder belang.
525
De loonen zullen door hen worden gedrukt, en de groote massa van landarbeiders die voorhands nog op loondienst zijn aangewezen, zullen bij hun pogingen, om de arbeidersvoorwaarden te verbeteren, bij hen geen steun vinden. Dit klemt nog te meer waar waarschijnlijk naast de eischen van bezit, ook nog andere eischen voor 't verkrijgen van een zelfstandig bestaan zullen worden gesteld, zooals vlijtigheid en spaarzaamheid in Denemarken. Hiermee is de weg van allerlei willekeur geopend en de arbeider die eenmaal hoopt kleinbedrijver te worden zal bijv. niet te vinden zijn om met zijn makkers het werk te staken.
Hij mocht hierdoor eens blijk hebben gegeven niet „spaarzaam en vlijtig" te zijn.
Het kunstmatig kweeken van keuterboutjes verzwakt daarom de machtspositie der overige landarbeiders, belemmert hen in het veroveren van betere arbeidsvoorwaarden en is daarom voor hen nadeelig.
Nu wordt daartegenover wel beweerd, dat door het verwijderen van een aantal arbeiders van de arbeidsmarkt, de toestand der overblijvende automatisch (van zelf) zal verbeteren, maar dat is lang niet zeker en in alle gevallen eerst dan mogelijk als reeds het kleinbedrijf een groote omvang heeft aangenomen. Dat zal in de eerste jaren niet het geval zijn en de toestand van de groote massa der landarbeiders blijft dien tijd even slecht.
Bovendien is het voor de landarbeiders niet verstandig de verbetering van hun toestand te laten afhangen van toevallige omstandigheden, die zij niet in hun hand hebben.
Wanneer bijv. in een bepaalde gemeente of streek het kleinbedrijf zoo omvangrijk werd dat daardoor de loonen der anderen beduidend stegen, dan zou dat tengevolge hebben vestiging van arbeiders uit minder gunstige streken en het hoogere loon was spoedig weer tot het gewone peil teruggebracht.
Het kunstmatig vergrooten van het aantal zelfstandige pachters zal daarom aan enkelen eenige verbetering brengen, voor de groote massa is het nadeelig, omdat daarmee de éénheid wordt verbroken, en daar door de machtspositie van de landarbeiders verzwakt.
Zij zullen daarom verbetering van arbeidsvoorwaarden voor allen alleen kunnen verkrijgen door hunne organisatie sterk te maken.
Misdaad en Socialisme.
Tegelijk eene bijdrage tol de studie der criminaliteit in Nederland. door
Mr. W. A. BONGER.
I.
Men moet in de geschiedenis der socialistische beweging eenigen tijd terug gaan om de openlijk uitgesproken stelling bij hare tegenstanders — voegen wij er dadelijk bij: slechts een deel van hen, en dat wel het meest inferieure — aan te treffen, dat misdaad en socialisme in causaal verband staan. Het was in de periode, dat socialisten werden gedefinieerd als individuen, die alles gelijk op wilden deelen. In dit kader past wel de bewering, dat zij dit doel ook door diefstal wilden bereiken, desnoods met geweld, dat zij wraak wilden nemen op de gehate bezitters, en dergelijk fraais meer. Bewijzen voor de juistheid der stelling werden niet gegeven, pogingen daartoe treft men zelden aan; het was de tijd dat elk wapen, ook van dergelijk allooi werd aangegrepen, wanneer het maar doel trof: de goede gemeente angstig te maken voor het roode spook. Welke gevolgen dit soort van bestrijding, speciaal bij de rechtspraak had, kon men nog onlangs vernemen bij de herziening van het beruchte meineedsproces te Essen, toen de voor jaren veroordeelde vakvereenigingsleiders eindelijk gerehabiliteerd werden. Zij waren wel nooit veroordeeld geworden op de getuigenis van één gendarme — N.B. een totaal gedemoraliseerd individu — wanneer de brave juryleden niet geloofd hadden dat socialisten tot alle misdaden in staat waren, en zeker niet tegen een meineed opzagen!
Ter eere van de beoefenaars der criminalistische wetenschap — de eenige competenten ten deze — moet geconstateerd worden, dat op enkele hooge uitzonderingen na, bij hen deze uitingen niet aangetroffen werden. Wel werd door sommigen beweerd, dat het anarchisme niet alleen tot politieke, maar ook tot gewone misdaden voerde. Het was ten tijde der vrij talrijke anarchistische aanslagen in Frankrijk dat der-
527
gelijke uitspraken werden gedaan, voornamelijk gegrond op het feit dat een gewone grand-criminel als Ravachol (vroeger ook reeds de Oostenrijker Stellmacher) in zijn ijdelheid zich anarchist noemde om zoodoende zich door een aureool van belangrijkheid te omgeven. Doch ook hiervan is men terug moeten komen: al kan men wel theoretisch een verband leggen tusschen een individualistische leer als het anarchisme en de misdaad, in de werkelijkheid is van een algemeen causaal verband geen sprake. Hoe dit alles ook zij, dat serieuse criminalisten het socialisme als criminogeen beschouwden, was tot nu toe vrijwel onbekend.
Aan Holland komt de twijfelachtige eer toe, dit novum geproduceerd te hebben. Op het 6e crimineel-anthropologisch congres, voor eenige jaren te Turijn gehouden, heeft een Nederlandsch jurist van goeden naam, Mr. J. Slingenberg, rechter in de arrondissements-rechtbank te Amsterdam, in een rapport, getiteld ,,De criminaliteit en de klassenstrijd in Nederland'', de stelling verdedigd: ,,er bestaat een direct verband tusschen de criminaliteit en den klassenstrijd in dien zin dat hoe heviger deze strijd wordt, des te meer de criminaliteit vermeerdert" i).
De bewijzen die voor deze stelling worden aangevoerd — het rapport is op genoemd congres niet in behandeling geweest en er heeft dus geen discussie over plaats gehad — zullen wij achtereenvolgens behandelen.
Het eerste bewijs, het belangrijkste, waarop de overige in hoofdzaak gebaseerd zijn, is het feit, dat in de jaren 1897 en 1901, waarin algemeene verkiezingen plaats vonden, eene stijging der criminaliteit, in 1897 een vrij geringe, in 1901 eene vrij belangrijke, geconstateerd wordt.
Mr. Slingenberg geeft hierbij de volgende toelichting: „Deze coïncidentie stelt ons de vraag, of er een verband tusschen deze verkiezingen en de beweging der criminaliteit in de verkiezingsjaren zou kunnen bestaan. Voor zoover ik weet, heeft niemand —■ ten minste in Holland — op deze coïncidentie de aandacht gevestigd ; ik zal doen zien dat een dergelijk verband zeer goed verklaard kan worden. De verkiezingen veroorzaken een soort van maatschappelijke crisis, die aanleiding geeft tot een aantal psychologische crisissen bij de bewoners. Ik ben het geheel eens met wijlen den Heer Tarde, die in zijn rapport over „De criminaliteit en de oeconomische verschijnselen" voor het Ve internationale crimineel-anthropologisch congres te Amsterdam gehouden, de stelling heeft verdedigd dat maatschappelijke, politiek-godsdienstige crisissen criminogeen zijn. De vermindering der criminaliteit in tijden van oorlog en revolutie bestaat, naar het mij voorkomt, niet, doch is veroorzaakt doordat de dienst der justitie onderbroken is en dus een aantal misdaden noch ontdekt, noch vervolgd, noch gestraft zijn. Een
1) p. 115. Comptes-rendus du Vle congrès d'anthr. crim.
528
zwakkere politieke crisis, zooals door algemeene verkiezingen veroorzaakt wordt, die in Holland een zeer kalm verloop hebben en de verrichtingen der justitie ongestoord laten, geeft ons een goede gelegenheid het criminogene karakter van politieke bewegingen aan te toonen, en dat wel des te meer omdat zij de oeconomische toestanden niet wijzigen.
De klassenstrijd ontstaat en wordt sterker in den loop van crisisperioden en vormt dan een groot gevaar voor de publieke moraliteit. De leiders van de politieke organisatie der arbeidersklasse erkennen zelf dat de verkiezingscampagne hun een mooie gelegenheid biedt hunne oorlogskreten te doen weerklinken, en den klassenstrijd aan te wakkeren." i)
Het meest treffende in deze redeneering —- voor een oogenblik aangenomen dat de stelling; verkiezingen brengen vermeerdering van criminaliteit met zich, juist is — is wel de zekerheid waarmede beweerd wordt dat de klassenstrijd de oorzaak is van de misdaadstijging in 1897 en 1901. Van al het kwaad op aarde zijn de socialisten de schuld, schijnt voor Mr. Slingenberg een axioma te zijn. Waarom zouden er in verkiezingsjaren geen standjes tusschen liberalen en clericalen kunnen voorkomen ? Waarom zouden de beruchte bier- en jeneververkiezingen in het Zuiden niet een aantal vechtpartijen met zich kunnen brengen? Allemaal onzin, schijnt deze auteur te meenen: hem heeft de dichter van het schoone lied : „dat hebben de socialisten gedaan" naar het hart gesproken.
Wie de zaak met de noodige kalmte en nuchterheid beziet, moet het — geheel afgezien van de vraag der motiveering — hoogst onwaarschijnlijk voorkomen, dat de vermeerdering van de misdaad in genoemde jaren aan de socialistische verkiezingspropaganda te wijten zou zijn. Immers in 1897 was de S. D. A. P. slechts eenige jaren oud, de verkiezingsactie kon nog maar zwak gevoerd worden, zoodat niet meer dan ruim 13.000 stemmen (ongeveer 2 pCt. der kiesgerechtigden) op hare candidaten werden uitgebracht; in 1901 kon in bijna de helft der districten nog geen candidaat gesteld worden, en bedroeg het aantal socialistische stemmen ruim 38.000 (ongeveer 6 pCt. der kiesgerechtigden). Werkelijk geen getallen om uit te concludeeren dat de socialistische propaganda eventueel eene niet onbelangrijke vermeerdering der misdadigheid teweeggebracht zou kunnen hebben.
In de tweede plaats valt in het betoog van Mr. Slingenberg op, dat op grond van een tweemaal (zegge en schrijve tweemaal) geconstateerde coïncidentie tot een algemeen geldige wet wordt geconcludeerd. Volgens mijn weten bestaat in de geschiedenis der crimineele wetenschap van een dergelijke oppervlakkige wijze van conclusies trekken geen weerga. Men zou gemeend hebben dat Lombroso op dit terrein niet te overtreffen was. Mr. Slingenberg streeft hem ten deze verre
1) P. 113—114. Comptes-rendus.
529
vooruit. De Nederlandsche crimineele statistiek in haar tegenwoordigen vorm bestond, toen genoemd rapport verscheen, 8 jaar, eene voor dynamische studiën vrij korte periode. Het beste ware dus wel geweest, wanneer deze auteur met de publicatie van zijn ontdekking nog eenigen tijd gewacht had, hoewel toegegeven moet worden, dat dan ongelukkigerwijze de criminalistische wetenschap, te Turijn vergaderd, harer onkundig ware gebleven 1 Wil men echter op grond van een achtjarige observatieperiode per se conclusies trekken, dan dienen deze toch van elders bevestigd te worden. Naast de dynamica (bewegingsleer) bestaat immers ook een statica (geographie) van de misdaad. Is de socialistische propaganda misdaadverwekkend, dan moet dit — gegeven het feit, dat zij in de verschillende provincies zeer uiteenloopt — ook in de geographie der criminaliteit blijken. Van deze controleproef vindt men in het genoemde rapport geen spoor. Behalve de Nederlandsche crimineele statistiek bestaan er ook nog meerdere andere, die zelfs over een veel grooter aantal jaren loopen; een socialistische beweging ontbreekt in die landen evenmin, is zelfs van een veel grooter intensiteit en omvang dan de Nederlandsche. Ook deze onderzoekingen scheen Mr. Slingenberg geheel overbodig te vinden: Barbertje moest nu eenmaal hangen!
Ook sinds de publicatie van genoemd rapport voor het Turijnsche congres heeft de tijd niet stil gestaan, en zijn meerdere jaargangen der Nederlandsche crimineele statistiek verschenen; het verzuimde kan dus eenigszins worden ingehaald. In de volgende tabel wordt de loop der misdaad in haar geheel van 1896—1908 weergegeven.
TABEL I.
Veroordeelingen. Toename resp. afname. Jaar. j
Absolute getallen. Per 10.000 inwoners. Absoluut. %
I _ =
1896 15-589 3i-9 — —
1897 16.069 32.4 + °-5 + 1-5
1898 15.664 31.1 — 1.3 — 4-0
1899 I5-39I 30-2 —0.9 — 2.8
1900 14.488 28.2 — 2.0 — 6.6
1901 15-855 30-4 + 2.2 + 7.8
1902 16.306 30.7 + 0.3 + 0.9
1903 15-499 28.8 —1.9 — 6.1
1904 16.210 29.6 + 0.8 + 2.7
1905 15.262 27.5 —2.1 —- 7.0
1906 13-809 24.5 —3.0 —10.9
1907 i3-53i 23.7 —0.8 — 3-2
1908 14-917 25-8 + 2.1 + 8.8 1)
1) Ontleend aan en berekend volgens de Crimineele statistiek over 1908.
530
Bij de beschouwing van deze tabel moet in het oog gehouden worden, dat de crimineele statistiek loopt over de in een bepaald jaar onherroepelijk veroordeelden, niet over de in een bepaald jaar gepleegde misdaden. Een deel der misdadigers wordt in een jaar, volgend op dat hunner misdaad, eerst onherroepelijk schuldig verklaard, zoodat er in de statistiek steeds verschuivingen van het eene op het volgende jaar plaats vinden. In het algemeen doet dit niets ter zake, daar deze verschuivingen elkander opheffen, alleen moet er op gelet worden, dat wanneer in een bepaald jaar om de een of andere reden de misdaad eenigszins belangrijk toeneemt, zich dat gewoonlijk ook nog in het volgende jaar doet gevoelen i).
Gaat men den loop der algemeene criminaliteit in deze periode na, dan blijkt dat in het verkiezingsjaar 1897 (kamer, provinciale staten en 'gemeenteraden) een kleine stijging heeft plaats gevonden. Dat deze stijging gering was, wordt des te waarschijnlijker door de niet geheel onbelangrijke vermindering in het volgende jaar. In het verkiezingsjaar 1901 (kamer en gemeenteraden) treffen wij een vrij belangrijke vermeerdering aan, die zich in 1902 nog eenigszins doet gevoelen. De socialistische propaganda is onderwijl steeds krachtiger geworden, de verkiezingsactie in 1905 was intensiever dan de vorige, dus zal — aangenomen de juistheid van Mr. Slingenberg's stelling — de misdaad in dat jaar een grooten sprong naar boven maken. Es ware so schön gewesen, es hat nicht sollen sein. Het jaar 1905 brengt geen stijging, maar een scherpe daling, in het daarop volgende jaar door een nog scherpere daling gevolgd. De wet-Slingenberg, gebouwd op een tweemaal geconstateerde coïncidentie, is geen wet, maar slechts een vergissing! Van de drie verkiezingsjaren (kamer) geven twee een stijging, één een scherpe daling, alle jaren met verkiezingen voor de gemeenteraden (1899, 1903 en 1907) geven dalingen, eveneens die voor provinciale staten (1900, 1903 en 1906), bovendien geeft het jaar „der misdadige woeling" (1903) een belangrijke misdaadvermindering! Ten slotte, is de algemeene loop der criminaliteit een golvende, maar zeer besliste daling, wat met de bewering van onzen auteur eveneens in strijd is: de steeds belangrijker wordende socialistische propaganda zou geen daling maar een stijging moeten teweeg brengen!
I) Eenmaal het systeem der Nederl. crim. statistiek aangenomen — voor de studie deipersoonlijke gegevens der misdadigers (leeftijd, sexe, beroep enz.) is dit systeem ongetwijfeld het beste — is het volkomen begrijpelijk, dat de statistiek van een bepaald jaar loopt over de in dat jaar veroordeelde individuen, niet over de individuen, die in dat jaar de misdaad hebben gepleegd: de publicatie der statistiek zou dan vele jaren op zich doen wachten. Voor dynamische studiën blijft dit echter een nu eenmaal niet te ondervangen nadeel: de Engelsche statistiek, die de misdaden, bekend bij de justitieele organen, telt, is in dit opzicht de beste.
53i
Hoewel de overige bewijzen feitelijk gebaseerd zijn op de wet, die geen wet bleek te zijn, en dus van hun grondslag beroofd zijn, zullen wij ze desniettegenstaande hier achtereenvolgens behandelen ; wij zullen onzen tegenstander de volle maat geven.
In de eerste plaats dan: de recidive. De schrijver constateert, dat in de jaren 1897 en 1901, waarin de criminaliteit in haar geheel steeg, de recidivepercentage of slechts zeer gering toenam 1), of zooals in 1901 zelfs afnam, m. a. w. dat de toename der criminaliteit veroorzaakt wordt door een grooteren toevloed van vroeger nog niet veroordeelde individuen. Uit den aard der zaak zullen dan in de jaren, die volgen op degenen waarin de criminaliteit in het algemeen steeg, de recidivecijfers weer toenemen. De volgende tabel licht ons in omtrent de recidive.
TABEL II.
Individueele veroordeelingen van Op 10.000 inwoners
T Recidivisten. komen veroordeelingen
Jaar. fa
Niet-Recidivisten. - van recidivisten.
Absoluut. % van het geheel.
I
1896 10.668 4-921 31-6 10.1
1897 10.758 5-338 33-2 10.7
1898 9.935 5-729 36.6 11.4
1899 9-363 6.028 39.2 11.8
1900 8.649 5839 40.3 11.4
1901 9.501 6.354 40.1 12.2
1902 9-179 7-127 43.7 13-4
1903 8.838 6.661 43.0 12.4
1904 9.092 7.118 43.9 13.0
1905 8.431 6.831 44.8 12.3
1906 7.687 6.122 44.3 ro.9
1907 7-415 6.116 45.2 10.7
1908 8.150 6.767 45.4 11.7 2)
De voor de jaren 1897 en 1901 geconstateerde regelmaat is voorde volgende periode niet meer waar te nemen: het jaar 1904, waarin de criminaliteit in het algemeen stijgt (zie tabel I), doet de recidive eveneens toenemen, evenals het jaar 1908, hoewel in minder mate.
1) De stijging der recidivepercentages in de eerste jaren is voor een niet onbelangrijk deel toe te schrijven aan het feit dat men door zorgvuldiger waarneming clan vroeger weet wie recidivist is, en is dus slechts schijnbaar. De stijging in 1897 blijft dus werkelijk achter bij hetgeen verwacht kon worden.
2) Ontleend aan de Crimineele statistiek over 1908.
532
Ook het verkiezingsjaar 1905 vertoont, tegen de verwachting van Mr. Slingenberg, eene stijging der recidivepercentage. Toch komt zijn meening dat de vermeerdering der misdaad in bepaalde jaren vooral te wijten is aan de niet-recidivisten, op het oog beschouwd zeer acceptabel voor. Om de zaak met zekerheid uit te maken, zou men echter over een veel grooter materiaal moeten beschikken 1). Voor de kwestie, waarmede wij ons bezig houden, bewijst deze hypothese, gesteld zij is juist, niets. De redenen, waarom in de jaren 1897 en 1901 de misdaad toegenomen is, worden hierdoor niet opgehelderd. De bewering van Mr. Slingenberg: „De heviger geworden klassenstrijd was de reden, dat in deze jaren van politieke agitatie, een massa gelegenheidsmisdadigers in de handen der justitie viel, wat op zijn beurt oorzaak was dat de recidivepercentage verminderde. De criminaliteit vermeerderde in omvang, doch verminderde in ernst" 2) gaat uit van wat bewezen moet worden, en zegt dus niets.
Een verder bewijs voor zijn stelling ziet Mr. Slingenberg in den loop der overtredingen, die in de jaren 1897 en 1901 eveneens maxima vertoonen. „Zij zijn, zegt hij, de minder intense, maar zeer uitgebreide vorm waarin zich de criminaliteit vertoont" 3). Tot nu toe golden in de criminologie de overtredingen — met uitzondering van bedelarij en landlooperij — als volstrekt onbelangrijk en werden geheel verwaarloosd. N'en déplaise Mr. Slingenberg zal dat ook wel zoo blijven, daar ze met misdaad in den eigenlijken zin zoo ongeveer niets te maken hebben. Wij vermoeden dan ook dat het gebruik van deze cijfers — in de verkiezingsjaren 1897 en 1901 vertoonen zij nu eenmaal maxima — meer pour besoin de la cause geschiedt. Hoewel het verband bijv. tusschen de overtredingen van hen, die boomen voor een ander doel gebruiken als waarvoor zij geplant zijn, en den klassenstrijd niet overmatig duidelijk is, zal het toch wel bestaan, anders misschien nog wel gevonden kunnen worden.
Toevallig passeert Mr. Slingenberg bovendien hier weer een ongelukje : zijn stelling wordt door het verloop in de volgende jaren te niet gedaan, zooals uit de volgende statistiek blijkt.
1) Wij kunnen op deze kwestie hier niet nader ingaan. Oppervlakkig gezien, lijken mij de Duitsche cijfers de meening van Mr. Slingenberg te bevestigen.
2) Comptes-rendus p. 116.
3) Comptes-rendus p. 120.
S33
TABEL III.
Gevallen van Schuldigverklaring. Toename resp. afname.
Jaar. ~ " "
Absoluut. Per io.coo inwoners. Absoluut. %
_
1896 66.028 134-9 — ~~
1897 90.381 182.0 47-i 34
1898 96.864 192.2 10.2 5
1899 91.820 180.4 —11.8 — 6
1900 95.289 185.3 4-9 2
1901 101.113 193-7 8-4 4
1902 120.825 227.7 34-0 T7
1903 121.590 225.6 — 2.1 —0.9
1904 136.045 248.7 23.1 i°
1905 139-934 252.i 3-4 1
1906 142.106 252.3 0.2 0.07
1907 150758 264.0 ii-7 4
1908 161.031 278.3 14.3 5 O
De geregelde, bijkans niet onderbroken stijging wordt voor een groot deel verklaard door de vermeerdering van het aantal strafbepalingen in nieuwe wetten (bv. leerplichtwet, motor- en rijwielwet). Het jaar 1897 vertoont een zeer belangrijke, 1901 een niet belangrijke, 1905 een hoogst onbeduidende stijging! De jaren der gemeenteraadsverkiezingen 1899, 1903 („de misdadige woeling"!) en 1907 vertoonden of dalingen öf een geringe stijging. De grootste stijgingen na 1897 vertoonen de jaren, waarin geen verkiezingen plaats vonden nl. 1902 (leerplichtwet), 1904, 1898 en 1908!
Het volgende punt, waarop Mr. Slingenberg de aandacht vestigt, is de leeftijd der veroordeelden. In het feit, dat in het verkiezingsjaar 1901, het aandeel van hen, die boven 23 jaar 2) (eventueele kiezers) in verhouding tot hen, die beneden 23 jaar (niet-kiezers) oud zijn is toegenomen, ziet hij een bewijs voor de juistheid van zijn stelling over den invloed der verkiezingen.
1) Ontleend aan en berekend volgens de Crimineele Statistiek over 1908.
2) De crimineele statistiek maakt geen leeftijdgrens bij 25 jaar.
34
534
De volgende tabel ligt ons hieromtrent in.
TABEL IV.
Mannen. Vrouwen.
Jaar- beneden 23 jaar. 23 jaar en ouder. beneden 23 jaar. 23 jaar en ouder.
% % %
ïyui 30.86 69.15 24.07 75.02
X902 32.81 67.16 21.39 7854
1903 32.24 67.76 22.09 7792
5904 31-79 68.20 21.82 78.io
1UÜ5 32.13 67.84 21.67 78.25
beneden 21 j. 1) 21 jaar en ouder. beneden 21 jaar. 21 jaar en ouder.
1906 21.13 78.86 14.50 85.42
1907 21.18 7879 !6.37 83.63
1908 20.62 79.34 T407 85.93 2)
Het moet erkend worden, het geluk dient Mr. Slingenberg niet: het verkiezingsjaar 1905 logenstraft zijn stelling geheel. Daarin constateert men geen toename, maar afname der eventueele kiezers! Bovendien moet nog opgemerkt worden, dat bij de vrouwen, die aan het politieke leven toch nog in zeer geringe mate deelnemen, de percentage der groep ,,23 j. en ouder" in 1901 eveneens stijgt.
Gesteld echter, 1905 had op dezelfde wijze als 1901 eene stijging van nog niet 1 pCt. van hen gebracht, die op den leeftijd van kiezer zijn, dan zou men inderdaad een kniesoor en een bevooroordeeld sociaal-demokraat (zijn ze ooit niet bevooroordeeld?) moeten zijn om niet te erkennen dat dit een afdoend bewijs is voor het misdaadverwekkende in den klassenstrijd!
Uit het feit dat de verhoudingsgetallen voor de deelname der sexen aan de criminaliteit zich in den loop der jaren ten gunste van de vrouwen gewijzigd hebben, concludeert de schrijver eveneens tot de verderfelijkheid van het politieke leven voor de misdaad.
1) Vanaf 1906 geeft de crimineele statistiek als leeftijdsgrens 21 en vervolgens 30 jaar.
2) Ontleend aan en berekend volgens de Crimineele statistiek over 1902, 1907 en 1908. De optellingen van kolom 1 en 2, resp. 3 en 4 geeft in meerdere gevallen niet precies 100.00, in de crimineele statistiek heeft men niet of niet juist afgerond. In de tabel door Mr. Slingenberg op p. 122 Comptes-rendus gegeven, zijn de cijfers 65, 65, 68 (vrouwelijke criminaliteit voor de jaren 1900—1902) blijkbaar telfouten.
535
De gegevens omtrent deze kwestie zijn de volgende : TABEL V.
Individueele veroordeelingen. (Verhouding van elke sexe tot het totaal van beide).
Mannen. Vrouwen.
1896 89.6 IO.4
1897 90.0 10.0
1898 89.5 10.5
1899 9O.5 9.5
1900 91.3 ' 8.7
1901 9I.3 8.7
1902 91.4 8.6
1903 91.8 8.2
1904 91.3 8.7
1905 91.2 8.8
1906 91.2 8.8
1907 91.2 8.8
1908 92.1 7.9 1)
Naar aanleiding van deze feiten redeneert de schrijver als volgt: de vrouw neemt in steeds grooter mate deel aan het oeconomische en maatschappelijke leven, wanneer desniettegenstaande hare criminaliteit in verhouding tot die van den man daalt 2), dan moet dat liggen aan het feit dat zij niet deelneemt aan het politieke leven. — Men kan zich nauwelijks een typischer voorbeeld denken van het zich blind kijken op een bepaalde hypothese dan deze redeneering. In zijn ijver om het politieke leven van alles de schuld te geven, vergeet Mr. Slingenberg dat in bedoelde periode de deelname van de vrouw in het algemeen ook aan het politieke leven in zeer bijzondere mate is toegenomen en dat dit speciaal voor de socialistische beweging geldt. Waarmede dit bewijs (?) ad acta gedeponeerd kan worden!
Een verder punt van bespreking is het beroep der veroordeelden. De schrijver wijst op het feit, dat in het jaar 1901 (verkiezingsjaar) en het daaraan volgende, de geconstateerde toename van het aantal veroordeelden, vooral te wijten is aan de groep „handwerkslieden, arbeiders enz." en aan de groep „zonder beroep, en beroep onbekend," en
1) Ontleend aan de Crimineele statistiek over 1908.
2) Op dit interessante feit kunnen wij hier niet nader ingaan. Merken wij alleen op, dat het aantal vrouwen in de totale bevolking in verhouding tot dat der mannen ook afneemt, en de verbetering ten deele slechts schijnbaar is.
536
concludeert daaruit: „Het schijnt dus zeker, dat alleen de klasse, die den klassenstrijd voert, de klasse, wier politieke organisatie beweert zelfs uit den klassenstrijd voortgesproten te zijn en die hem tot het einde wil voeren, een grooter contingent aan de criminaliteit heeft opgeleverd in het verkiezingsjaar; terwijl de deelname der andere klassen geringer was. Men ziet dat politieke agitatie een tweesnijdend wapen is, dat hen wondt, tot wier bescherming het bestemd is." i)
Afgescheiden van de beoordeeling van deze bewering, zullen wij eerst nagaan, hoe het verdere verloop der feiten is geweest.
In 1905 hebben wederom verkiezingen plaats gehad, en zullen wij dus dit jaar met het voorafgaande en volgende vergelijken. (Zie Tabel VI).
De zoo stellig uitgesproken bewering van Mr. Slingenberg wordt door het verkiezingsjaar 1905 gelogenstraft. Absolute afname, zoowel bij de groote groep „handwerkslieden, arbeiders enz." (kolom 7) als bij de handels-, winkel- en huisbedienden" (kolom 5), die zeker tot het proletariaat behooren, en bij groep „zonder beroep, beroep onbekend" (kolom 11), waarmede volgens Mr. Slingenberg bij de vraag in kwestie ook rekening gehouden moet worden. Relatief een kleine stijging bij „handwerkslieden enz." (kolom 8), een daling èn bij „handels- enz. bedienden" (kolom 6) èn bij ;,zonder beroep enz." (kolom 12). Deze groepen worden in 1904 te zamen 74,9 pCt, in 1905 : 75,4 pCt., een hoogst onbeduidende stijging dus. De geringe relatieve stijging van de eerstgenoemde groep in 1905, wordt in de niet-verkiezingsjaren 1907 en 1908 öf geëvenaard of zelfs nog overtroffen.
De beroepsstatistiek der veroordeelden in Nederland — zooals de samensteller der crimineele statistiek zelf erkent, is zij nog zeer onvolledig — vertoont: 1° van jaar tot jaar zeer geringe schommelingen, 2° laat zij zien dat de overgroote meerderheid der veroordeelden „kleine luiden" zijn — de oppervlakkige meening van Garofalo en andere Italiaansche criminalisten, dat alle klassen der bevolking quantitatief op gelijke wijze aan de misdaad deelnemen, is reeds lang naar het rijk der fabelen verwezen —; 30 dat in jaren, waarin de misdaad, om welke reden dan ook, toeneemt, de arbeidersklasse voor dezen invloed het gevoeligst blijkt te zijn; 40 dat volstrekt niet gebleken is dat deze reden van vermeerdering in de verkiezingen gelegen is. In dit verband dient er op gewezen te worden dat in het verkiezingsjaar 1901 niet alleen de groep „handwerkslieden enz." een absolute en relatieve stijging vertoonde, maar ook de groep „zonder beroep enz.", d. w. z. degenen, die onder het niveau der arbeidersklasse gedaald is, het zg. lompenproletariaat. Het is over de grenzen van het belachelijke heen te meenen, dat deze groep van personen, waaronder wel geen enkele
1) Comptes-rendus p. 124—125.
537
>
W
<
I = ! f ! = "
i Personen in Zonder beroep,
... Handels-, Handwerks- ambt_ dienstj vagabondeerend Totaal
Landbouw, Kooplieden, winkel-, huis- lieden, vrije beroepen beroep, en
jacht, visscherij. ondernemers. bedienden. arbeiders, enz. em,_ onbekend.
Jaar. , „ ..
Absoluut. % ^^b^uTV Absoluut. I % Absoluut. % J Absoluut. | % Absoluut. % Absol.
^ 1^93 10.6 1.968 13-2 492 3-3 9-X2I 60.9 196 i.3 x;6o5 xo-7 14-975 I00-°
1905 1.389 99 1-874 13-3 409 2.9 8.735 62.0 198 i-4 M73 10.5 14.078 100.0
1906 1.350 10.4 1742 13.4 387 3.o 7-998 61.5 170 1.3 1-360 10.4 13.007 xoo.0
1907 x.29! 10.2 1.651 13.1 493 3-9 7.822 62.0 98 0.8 1.259 xo.o 12.614 100.0
1908 1.462 j 10.5 i.77o 12.7 534 3-8 8.796 63.0 150 r.o 1.245 9 13-957 ^
O
o%
a ba > a
"v JD
s
a
-o S
"S O
54i
een oprecht gemeend amende honorable. Niet onmogelijk dat hij slechts heeft willen schertsen — hoewel dit met den somberen toon, die uit zijn rapport spreekt, weinig strookt — en dat hij alleen bedoeld heeft te zeggen dat in verkiezingstijden vele malligheden worden gedebiteerd, speciaal bij de bestrijding der sociaal-demokratie, zoo zouden wij er willen bijvoegen. Mocht dit niet het geval zijn, dan aarzelen wij niet, zijn inzicht dat de kalme Hollandsche verkiezingen de krankzinnigheid vermeerderen, voor een nog grooter nonsens te verklaren dan men vaak in verkiezingstijden te hooren krijgt.
Overzien wij het geheel, dan blijkt dat de stelling: „verkiezingsjaren doen de misdaad toenemen" volstrekt niet bewezen is: Tabel I — de overige zijn maar bijwerk — toont dit zonneklaar aan. De fout, waarin Mr. Slingenberg vervallen is, bestaat uit het conclusies trekken uit een veel te klein getal waarnemingen: het maken van deze fout behoort tot de zekerste middelen de statistiek bij de leeken in discrediet te brengen. Had hij kalm zijn tijd afgewacht en op meerdere wijzen zijn hypothese getracht te verineeren, dan ware hem deze blunder gespaard gebleven. Het is echter — dit kan hem een troost zijn — de eerste maal niet dat de haast om de antipathieke sociaal-demokratie een hak te zetten, iemand's wetenschappelijke reputatie afbreuk doet.
(Wordt vervolgd.)
Sentimenteele Psychologie (II).
(Kritische beschouwing van Mr. Bongers Nieuwe Tijd-artikelen) DOOR
H. ROLAND HOLST.
C. De indeeling der karakters en de predispositie tot het Marxisme.
Malapert, wiens klassifïkatie wij verder volgen, gelijk wij het tot nu toe zijn analyse hebben gedaan, neemt de volgende 6 hoofdklassen van karakters aan: de apathischen, de affectieven, de intellektueelen, de aktieven, de evenwichtigen en de wilskrachtigen. Natuurlijk moet deze indeeling niet opgevat worden, in den zin van de uitsluitende of bijna uitsluitende heerschappij in bepaalde karaktertypen van een der drie groote menschelijke vermogens. Menschen, die louter gevoel, verstand of wil zijn, bestaan niet. Wel echter kan elk dezer krachten de rol spelen van de voornaamste veer, de eigenlijke motor te zijn, die aan het geheele wezen een bepaald rytme meedeelt en het in een bepaalde richting stuwt.
Laat ons thans deze verschillende karaktertypen beschouwen en tevens nagaan, of sommige hunner, en zoo ja welke, door een zekere overeenstemming van hun wezen met dat van het marxisme daartoe gepredisponeerd zullen zijn. Wij moeten daarbij natuurlijk niet vergeten, dat het behooren tot dezelfde karaktersoort, berustend op overeenstemming van temperament, vorm van den wil of geestelijken aanleg, geen zelfs zeer aanzienlijk rangverschil in fijnheid en diepte van gevoel en intellekt, dus in rangverschil tusschen de individuen uitsluit.
A. De Apathischen. Deze worden onderverdeeld in: i zuiver apathischen; 2 intelligent-apathischen; 3 apathisch-aktieven.
De eerste soort kunnen wij gerust buiten beschouwing laten; het zijn eenvoudig nulliteiten zonder meer. De tweede, de apathisch-intelligenten omschrijft Ribot als „redelijke karakters", met weinig spontaniteit en meer het verstand dan het gevoel volgend. Geestelijke aktieviteit kan voor hen „een geliefde bezigheid zijn, maar een onweerstaanbare roeping, een echte hartstocht is zij niet". In het algemeen is de aktiviteit weinig ontwikkeld; de wil kan „gematigd, bezonnen, gelijkmatio- en doorzettend tot hardnekkigheid toe zijn." Er is geen bepaalde reden waarom deze karakters wat het inzicht betreft, niet evengoed marxisten als revisionisten zullen zijn, dit hangt af van de aard van hun intellekt;
543
verder van het milieu en de omstandigheden. Maar tot de militante marxisten zullen zij nooit behooren; strijdnaturen zijn het niet, en hun neigingen zijn eenigszins gemakzuchtig. Een goed type van den hoogeren rang van intelligenten apathicus, met analytisch-doordringenden en kritischen geest, was Tak i).
De derde kategorie, de „apathisch-aktieven", komen overeen met hen die Ribot onder de „gemengde karakters" indeelt en omschrijft als passieve helden, menschen „van moreel temperament." Zij vormen den overgang tot de geëquilibreerde karakters; en ook tot de „Actifs lourds", de aktieven met flegmatisch temperament, die wij straks nader zullen omschrijven.
Nu komen wij tot klasse B, die der Affektieven, die weer in drie groote orden: sensitieven, emotioneelen en hartstochtelijken, wordt verdeeld. De eerste onderafdeeling van de orde der sensitieven, de „zuiver- of passief sensitieven," (Ribot noemt ze „de nederigen") kunnen wij weer buiten beschouwing laten. Het zijn zielige wezens, schuw en zwak; overdreven gevoeligheid, geborneerd verstand en volkomen gebrek aan wilskracht kenmerken ze. Hun domineerende noot is verlegenheid, vreesachtigheid en alle verlammende vormen van het gevoel. Dit is voldoende: guardi e passi — Marxisten schuilen hier zeker niet onder 1
Eerder zal men die vinden bij de tweede groep, de „sensitifs vifs", die Kant de „lichtbloedigen" noemt en Ribot de „sensitieven met snelle reaktie." Zij worden omschreven als opgewekt en levendig, zeer vatbaar voor genot en zich daartoe heenwendend als bloemen naar de zon, luchthartig, vlug van geest, doorgaans hun medemenschen welgezind en neigend tot optimisme. Tallooze graden en schakeeringen komen hier voor al naar de ontwikkeling van het verstand, de verfijning ende min of meer groote stabiliteit van het gevoel. Als superieure typen van het soort, elk een andere schakeering vertegenwoordigend, noemt Malapert Diderot en B. Constant. Zuiver zal dit type onder sociaaldemokraten weinig voorkomen: het is te genotzuchtig om aan de beweging deel te nemen. Maar vermengd met andere eigenschappen (b.v. aktiviteit) zeker. Onder de partijgenooten, van wie de „Leichtblütigkeit" niet het maar wel een karakter-kenmerk is, vinden wij zoowel marxisten (Albarda, Sneevliet) als niet-marxisten (Anseele, Duys). . . . Dat het bezit van dit temperament zijn dragers op de eerste rij onder de militante marxisten zou voeren en vooral doen blijven is niet waarschijnlijk. Zij zijn daartoe noch onverzettelijk van wil noch fel genoeg — Een weinig van deze „lichtheid" in de bloedsmenging zij overigens elk marxist toegewenscht 1
I) Waar liet wenschelijk is, voorbeelden te geven ter illustratie en deze het betoog versterken, heb ik niet geschroomd bepaalde personen, ook levende, bij name te noemen. Dit komt mij verkieselijker voor. dan zooals Boager in zijn beide artikelen doet, aanduidingen en toespelingen te geven, waaruit men raden kan wie hij bedoelt. Waar het personen betreft, die allen in het openbare leven staan en door hun optreden in de arbeidersbeweging algemeen bekend zijn zie ik niet in dat een dergelijk noemen van namen in een wetenschappelijk onderzoek ongeoorloofd zou zijn. Ik heb mij daarbij, meen ik, streng gehoed voor elke kwalifikatie die door een der genoemden als krenkend gevoeld zou kunnen worden, ook waar zij het met mijne klassifikatie hunner persoonlijkheid niet eens mochten zijn. Wat men van Bonger niet zeggen kan, die in zijn als psychologische studie bedoelde artikelen een element van moreele be- en veroordeeling mengt, dat er vreemd aan had moeten blijven. Om niet in dezelfde fout te vervallen heb ik de rol der aandriften (sociale neigingen, heerschzucht enz.) buiten beschouwing gelaten; de karakterisatie is daardoor natuurlijk onvolledig.
544
Nu komen wij tot de tweede orde van affectieven: de emotioneelen. Opgepast I hier moet het volgens Bonger van marxisten letterlijk wiemelen : al wat „radikaal" is, dringt op dit plekje bijeen. Ook deze zijn weer verdeeld in verschillende groepen; de eerste is die der „émotifsmélancoliques," wier hoofdkenmerk een „neiging tot zwaarmoedigheid" is. Wat bij hen overheerscht zijn de deprimeerende emoties, treurigheid, bezorgdheid, vrees, terneergeslagenheid en ook „de teedere
gevoelens wier nauw verband met zwakheid wij hebben opgemerkt."
Het intellekt, dat zeer sterk ontwikkeld kan zijn,. . . broedt bij voorkeur over zichzelf. ... De aktiviteit heeft groote schade geleden; er is sterke neiging tot rust, een toestand van uitputting, bijna totale afwezigheid van aktieve en zelfs reaktieve energie. ... de wil is week, soms zelfs komt werkelijke willoosheid voor, die een uitvloeisel is van depressieve gemoedstoestanden". . . .
Neen, hier vinden wij niets van onze gading, dit menschentype heeft te weinig merg, te weinig aktiviteit en wilskracht, is door zijn depressieve neiging te passief voor het marxisme ; het zal er eerder een afschuw van hebben; dit moeten gevoelssocialisten zijn: laat ons zien, of de marxisten onder de andere groep der emotioneelen, de „impulsieve of prikkelbare emotioneelen" schuilen. Ziehier, volgens Malapert hun voornaamste kenmerken. Emotiviteit is ook hun domineerende trek, maar zij is bewegelijker en meer bewogen door begeerte. De zenuwen zijn voortdurend in trilling, de gemoedsaandoeningen volgen elkaar op, de persoonlijkheid is aldoor diepgeschokt of in de wolken, kloppend van bezorgdheid of hoop, met plotselinge overgangen van geestdrift tot ontmoediging, dan overvloeiend van leven, dan ineengezakt, dan uitbundig vroolijk, dan vol sombere droefheid. Plotselinge, hevige, onberedeneerde sympathiën en antipathiën. Lichtgeraaktheid en prikkelbaarheid. Het verstand dat natuurlijk goed of slecht ontwikkeld zijn kan, mist in alle gevallen evenwicht en bezadigdheid. In deze kategorie vallen vele artiesten, ook uitvinders, menschen met nieuwe ideeën, utopische, paradoxale naturen — bezonnen denkers, helder-redeneerende en streng-logische geesten vindt men weinig onder hen. De aktiviteit is bij vlagen, wisselend, met tijdperken van volkomen neerliggenden wil, grillig, zonder vastheid, zonder doorzetting, overheerscht door gevoelsopwellingen. De pathologische uitwas van het type zijn de hysterici.
Malapert rekent tot een aparte groep der emotioneelen de „hartstochtelijken", die Ribot „hoogere sensitief-actieven" noemt. De hartstochtelijke is een mensch wiens diepe en vurige gevoeligheid geheel in ééne richting stroomt, hetzij min of meer koortsig, inwendig kokend, met hevige schokken — of integendeel met bestendigheid van ontwikkeling en eenheid in onstuimigheid. Het is het temperament der machtige en exclusieve liefde en haat. De gedachte kan zeer machtig en doordringend zijn, maar zij heeft „vooroordeelen en overdrijvingen die van een sterk gemis aan koel nadenken en evenwicht getuigen." De aktiviteit is doorgaans energiesch, maar gewelddadig, onstuimig, door de intensiteit van den hartstocht overheerscht. De hartstochtelijken zijn in staat tot machtige krachtsinspanning en opmerkelijke onverzettelijkheid. De overmacht van impulsiviteit geeft aan hun wil een trillende energie, maar heft grootendeels de kontroleerende en inhoudende kracht op, zij zijn geschapen meer
545
om anderen te regeeren dan om zichzelven te beheerschen. Natuurlijk is het werkelijk karakter uiterst verschillend al naar den hoogtegraad van het verstand en de natuur der aandriften (meer egoïstisch of sociaal). Ribot noemt deze groep gekenschetst door groote emotionaliteit, subtiliteit van geest en aktiviteit. In hun hoogere rangen plaatst hij de martelaren, de vurige helden, de groote revolutionairen en vele dichters en kunstenaars.
Wat ons bij deze omschrijvingen allereerst treft, is dat onder de groote katagorie der emotioneelen uitermate verschillende persoonlijkheden worden samengevat. Fouilléé die hen allen te samen onder het etiket „sensitifs a réaction durable et intense" of menschen van nerveus temperament tegenover de „sensitifs a réaction prompte maïs peu intense", de menschen met sanguinisch temperament, stelt, ziet hiervan zeer goed de reden. De lichtbloedigen, de apathischen, de wilskrachtigen, zij allen hebben onderling een zekere gelijkenis, maar de nerveusen zijn allen anders. „II y a des nerveux gais et des nerveux tristes".
Wanneer we de omschrijving die deze verschillende psychologen ons o-even van de groote kategorie der „impulsieve emotioneelen'1 (met inbegrip van de hartstochtelijken) met de karakterisatie der Marxisten door Bonger (die volgens hem allen tot dit type behooren) vergelijken, treffen ons twee dingen. Ten eerste, dat sommige van de kenmerken die hij op den voorgrond stelt, als steilheid, fanatisme, onpraktische zin, door "geen dezer vakgeleerden genoemd worden. Natuurlijk, want deze dingen hebben niet in de eerste plaats met de kwaliteit van het o-evoel of temperament te maken, maar met het verstandstype en den wil. Bonger moet ze tot uitvloeisels van het temperament rekenen, omdat hij den verstandelijken aanleg als een faktor bij de predispositie tot het Marxisme uitschakelt.
Maar daarnaast vinden we, 't kan niet ontkend worden, als kenmerkende eigenschappen dezer groep er verschillende, die Bonger aan de Marxisten, toeschrijft. En ik denk er niet aan te loochenen, dat men een aantal „radikale" sociaal-demokraten opnoemen kan, intellektueelen en arbeiders, die de kenmerken van het nerveuze temperament in meerdere of mindere mate bezitten. Maar wat ik beslist ontken is, zoowel dat bedoelde kenmerken uitsluitend of voornamelijk bij Marxisten voorkomen, als dat ze het overheerschende in hun karakter uitmaken.
Zuiver irritabele of impulsieve emotioneelen, d. w. z. menschen, waarvan deze gevoelskwaliteiten de hoofdeigenschappen zijn, bezitten weinig geschiktheid, om in de arbeidersbeweging op den voorgrond te komen : ze zijn daartoe niet taai, niet daadkrachtig genoeg. Daarentegen is het emotioneele temperament, hetzij lichter of donkerder gekleurd, min of meer naar 't hartstochtelijke overhellend, hier met meer wilskracht, daar met meer aktieviteit, ginds met sterker overheerschen van het intellekt verbonden, alweer niet het, maar een vast kenmerk van een aantal prominente figuren van beide richtingen, hoezeer onderling ook verschillend, in de sociaal-demokratie. Zoowel bepaalde „types intellectuels" als bepaalde „volontaires" zijn onder hen veel schaarscher. Men kan slechts weinige van de bekende sociaal-demokraten in binnen- en buitenland opnoemen, of zij bezitten als bestanddeel van hun karakter een zekere mate van
549
heid der bewegingen van het bewustzijn geeft bij hen aan de tegenstrijdige gevoelens en ideeën gelegenheid zich door associatie te ontwikkelen en de impulsies van 't eerste oogenblik in evenwicht te houden" zegt Fouilléé en voegt er bij „zij loopen langzaam warm, maar houden lang hnn warmte". Wibaut behoort tot dit type van actieven, met een dosis impulsieve emotionaliteit vermengd. Ook Singer, meen ik, moet ertoe behoord hebben. Als marxisten zal, natuurlijk, hun strijdlustigheid en vaak ook strijdvaardigheid geringer zijn dan die der hartstochtelijk wilskrachtigen. (Vgl. b.v. Singer met Bebel in het duitsche partijleven).
De „klasse der evenwichtigen" kunnen wij met stilzwijgen voorbijgaan: waar het hoofdkenmerk evenmaat van de verschillende psychische funkties is, hetzij deze zeiven middelmatig of superieur zijn, kan men moelijk van bepaalde predispositie spreken. Malapert noemt als typen van het superieure soort o. a. Rafael, Goethe en Buffon. Onder de bekende sociaaldemokraten komt er waarschijnlijk 't dichtst bij, maar naar 't hartstochtelijke overneigend, August Bebel.
Ten slotte de „ Volontaires", voor ons een uiterst belangrijke categorie. Zij worden, zagen wij reeds, onderscheiden in beheerschers van zich zeiven en mannen van de daad. Natuurlijk is deze scheiding in zoover kunstmatig, dat de beide elementen die den wil vormen, nooit afzonderlijk zullen voorkomen. Maar wél kan hij voornamelijk hetzij kracht van zelfbeheersching dus meer negatief, hetzij explosief, dus meer positief zijn en naar mate 't een of 't ander 't geval is, zal de energie zich op verschillende wijze uiten. Als strijdkarakters gepredisposeerd tot het marxisme zijn vooral de wilskrachtigen van het explosieve i) soort. Zeer verschillend al naar de hoogtegraad en vorm van hun intellekt en het overheerschen in hen van egoïstische of sociale instinkten, hebben de „volontaires" allen gemeen, zegt Malapert, uit te munten door karakter en mannelijkheid. „Zij kunnen de ondeugden hunner deugden bezitten, ongemakkelijk, heerschzuchtig zijn, autoritair en streng voor anderen, van een koppige eerlijkheid en niet zonder droogheid en hardheid, zij kunnen weinig liefde inboezemen, maar des te meer achting: men gevoelt op hen te kunnen en met hen te moeten rekenen". Is hun explosieve wil en buitengewone energie geënt op een hartstochtelijk temperament (dat vaak samengaat met groote verbeeldingskracht en ruim meegevoel) dan zullen zij in het openbare leven bij uitstek geschikt zijn de massa's in beweging te brengen en mee te sleepen. Types in de mternationale socialistische bewegingen van deze groep zijn: Lassalle, Gorter. Is het temperament minder vurig, de geest minder subtiel, meer enkelvoudig van aanleg, zijn plooi in zekeren zin van den hardnekkigen wil zeiven ontvangend, zijn verbeelding en meegevoel beperkter, dan krijgen wij de onbuigzame, steile persoonlijkheden, „sektariërs" noemt Bonger ze, die onbedwongen door moeilijkheden en tegenwerking, geen gevaren achtend, geen moedeloosheid kennend, zich zeiven niet sparend en anderen niet ontziend, de tot het uiterste volhardende apostelen van een beginsel zijn. In de sociaaldemokratie vindt men ze uitsluitend aan de^ zijde van het marxisme; het is onmogelijk, zich dergelijke karakters als revisionisten voor te stellen — niet wègens hun emotio-
I) Hieronder moet niet vrrstaan worden dat de wil zich per se uit in heftige vormen, maar dat hij vooral gericht is op het bedwingen of veranderen der omstandigheden.
35
S5o
naliteit, maar in zekeren zin omdat een menigte indrukken, die de vveeker was van andere menschensoorten telkens vervormen, afstuiten op het staal hunner wilskracht. Hyndman, Guesde, Wijnkoop, zijn onder de sociaaldemokraten typen van deze groep karakters. Eveneens een zuiver type van den onbuigzamen willer is Domela Nieuwenhuis.
Opmerkelijke gevolgen ten slotte heeft het bezit van een sterk wilsvermogen voor de socialistische arbeiders. Wij zagen hoe onontbeerlijk dit vermogen tot de psychische funktie van oplettendheid en tot ijver is. Tot het doordringen in de theorie van het wetenschappelijk socialisme, in de marxistische gedachtegangen dus, zijn beide onmisbaar. Oplettendheid echter wordt door vermoeienis en uitputting in hooge mate verzwakt en tegengewerkt i). Vandaar de bijzondere moeilijkheid voor arbeiders, na hun afmattende dagtaak hun gedachten te vestigen op theoretische uiteenzettingen. Hiertoe is een ijzeren wilskracht noodig. Daar de oplettendheid altijd samenhangt met begeerten, neigingen, kortom met het affektieve leven, is naast wilskracht een vurig temperament de hoofdvoorwaarde voor arbeiders tot het overwinnen van de belemmering der afmatting, dat is tot het verkrijgen van theoretische kennis. Zoo zijn dus de wilskrachtige en vurige karakters onder de arbeiders dubbel gepredisponeerd tot marxisme of radikalisme: ten eerste als strijdnaturen, ten tweede omdat de kracht van hun wil en de hartstochtelijkheid van hun neigingen hen (bij gelijken verstandelijken aanleg) eerder in staat stellen dan de minder-wilskrachtige karakters tot de kennis door te dringen die het fundament van het marxisme is 2) Hun marxisme is gelijk men zegt „ueberdeterminirt".
Het resultaat van dit psychologisch, geheel theoretisch en abstrakt onderzoek, waar ik opzettelijk de inwerking van elke konkreete omstandigheid van tijd en plaats nog buiten hield, is tot dusver meer negatief dan positief. Wij kunnen het als volgt samenvatten: van uitsluitende predispositie van één bepaalde klasse van karakters tot het marxisme is geen sprake. Integendeel kunnen zeer verschillende menschen-type er toe aangetrokken worden, het marxisme heeft met onzen Lieven Heer gemeen rare kostgangers te hebben. Deze aantrekkingskracht voor zeer uiteenloopende naturen is gemakkelijk te verklaren uit de verschillende elementen van denken en voelen, realisme en idealisme, positieve kennis en geestdrift, analyse en synthese, theorie en praktijk! begrip en strijd, die in het marxisme ineenvloeien.
Van deze elementen zullen sommigen vooral op de verschillende groepen behoorend tot het „type intellectuel," anderen op de in de eerste plaats hartstochtelijke en wilskrachtige karakters inwerken: bij
1) Zie Ribot, Psychologie de 1'attention, bl. 141 en 153
2) Natuurlijk beweer ik niet dat ieder arbeider, die zich marxist noemt, die kennis bezit Waar het marxisme officieel als de heerschende richting is erkend, zooals in Duitschland en vroeger in enkele afdeelingen der S. D. A. P., kan de groote hoop der niet wilskrachtige karakters en der „routiniers" (gewoonte of automatische denkers) er toe behooren. Waar net 111 de minderheid is, zullen vooral in tijden van heftigea strijd der richtingen vurige temperamenten somtijds ook zonder het inzicht in zijn gedachtegangen er toe aangetrokken
551
beide, echter vooral bij de eersten, waar het intellektueelen, bij de laatsten, waar het arbeiders aangaat, kan men bepaalde predispositie aannemen. Wat de emotioneelen betreft, het zuivere type hiervan, de z.g. „gevoelsmenschen", worden niet aangetrokken maar sterk afgestooten door het marxisme. Bij de groote kategorie der menschen, waarvan een emotioneel-irritabel temperament niet het karakter uitmaakt, maar een onderdeel daarvan is, kunnen wij noch van bepaalde predispositie, noch van afgestooten worden, spreken. Hoe beter ontwikkeld in hen bepaalde facetten van het intellekt, hoe vuriger en wilskrachtiger hun aanleg is, des te meer echter zal ook bij hen een predispositie bestaan. Niet dus tengevolge van, maar ondanks hun emotiviteit.
Dit voorloopig resultaat is, gelijk men ziet, in merkwaardige tegenstelling tot Bongers bewering. Juist de psychische vermogens die volgens hem hier geheel buiten spel blijven, intellekt en energie, vonden wij bij de predispositie van belang te zijn; en daarentegen blijkt juist het gevoel, dus het vermogen dat hij als absoluut beslissend voor de selektie aannam, daarvoor van weinig gewicht, een „quantité négligeable."
Wij hebben echter tot nu toe ons onderzoek, op het voetspoor van Bonger, uitsluitend „statisch" gevoerd, d. w. z. het karakter beschouwd als een vaststaand ding, een onveranderlijke kategorie. Thans willen wij doen, wat hij verzuimd heeft, n.1. ook de „dynamische" zijde van het vraagstuk belichten. Ons psychologisch onderzoek zou inkompleet en misleidend zijn zonder een hoofdstukje over de veranderlijkheid en de ontwikkeling der karakters, zooals deze ontspruit uit de bewegingswetten van het bewustzijn en de invloed der omstandigheden. Eerst daarna kunnen wij onze eindkonklusies trekken.
V.
De transformabiliteit van het karakter.
Verandering, beweging, is het wezen zoowel van het psychische als van het physieke leven. Absolute onveranderlijkheid bestaat niet: ook de aard van den meest vasten onwrikbaren mensch maakt een voortdurende evolutie door. Het karakter is tegelijk het-blijvende-in-ons en het vloeiende, tegelijk vast en stroomend : wij zijn niet eens en voor goed, wij zijn in voortdurende wording.
Niet de oppervlakte alleen, ook de grond van ons wezen, de materie zoowel als de vorm, is aan wisseling onderhevig. Nieuwe neigingen ontstaan in ons, oude sterven af; psychische functies wijzigen zich; hun verhoudingen en groepeeringen veranderen: zoo worden wij „een nieuw wezen" en voelen ons na een zeker tijdsverloop in menig opzicht vervreemd van ons oude ik.
Deze eeuwige beweging en verwording is, gelijk ons bewustzijn zelf, de resultante van de eigen wetten of algemeene bestaanswijzen van dat bewustzijn èn van de inwerking van het leven of den kosmos daarop.
Afgescheiden van de normale physiopsychologische ontwikkeling die de mensch van zijn geboorte tot zijn dood doormaakt, zijn de voor-
554
dat dit algemeene de betrekkelijke gelijkmaking door maatschappelijke invloeden, der meest uiteenloopende aanleggen is). De dagelijksche ervaringen der arbeidersklasse, de tweevoudige verhouding waaronder zij leeft tot de verdrukkers en tot de lotgenooten, wekken in haar niet maar bepaalde wijzen van denken, een eigen levens- en wereldbeschouwing op, maar versterken bij haar leden sommige eigenschappen en neigingen, doen andere verzwakken. Kautsky toont in zijn „Ethiek" aan hoe oorlogen onder bepaalde omstandigheden een faktor kunnen zijn tot versterking der sociale neigingen tusschen de leden van een groep. Dit doet ook de strijd der arbeidersklasse. Daarbij werkt het socialistisch ideaal als een prikkel, de spanning van den wil te verhoogen, de aktiviteit te vermeerderen, en de kritische en analyseerende zijde van het verstand op te wekken. Zoo worden de arbeiders in en door den strijd tot „nieuwe menschen."
Evengoed als de plaats eener klasse in het maatschappelijk ontwikkelingsproces een faktor van haar karaktervorming is, evengoed, ofschoon doorgaans in zwakkere mate, zijn gemeenschappelijke invloeden dit, die een kleinere groep treffen. Zij kunnen zijn beroepsinvloeden : er is een algemeene geestelijke fysionomie — d.w.z. iets gemeenschappelijks, door 't leven in hen gekweekt, bij alle verscheidenheid, — van den boer, den zeeman, den schoolmeester, den officier, enz. Maar ook andere sociale invloeden dan die van 't beroep kneden de was der uiteenloopende aanlego-en tot gedeeltelijk-overeenkomstige lijnen. O.a. doet dit de bepaalde positie eener gesloten optredende groep op politiek, godsdienstig, wetenschappelijk of artistiek gebied, het feit nl. van haar meerderheid of minderheid zijn.
Er zou een belangwekkende psychologische studie te schrijven zijn over o\& fysionomie der minderheid. De overtuiging, het recht aan zijn zijde te hebben, maar dit niet te zien erkend, — de begeerte dezen toestand te veranderen, en in de pogingen daartoe voortdurend te worden gedwarsboomd ; — de onmacht zich te kunnen doen gelden tegenover de stoffelijke en geestelijke wapenen van de meerderheid, den tegenstander, —: ziehier eenige van de dagelijksche psychische ervaringen der leden' eener minderheid als zoodanig, die niet kunnen falen de groepeerinoen sterktegraad hunner geestelijke funkties te beinvloeden. En rekenen wij daar dan nog bij spot en smaad, vervolging en onderdrukking (gehoond en gesmaad om haar onverstand, domheid, eenzijdigheid enz. door de meerderheid wordt de minderheid altijd, vervolgd en onderdrukt doorgaans in zoover deze eerste er de macht tot heeft) dan krijgen wij vrijwel het komplex van omstandigheden dat zoowel de selektie als de gemeenschappelijke karaktervorming der minderheid eenzijdig beïnvloedt en vaak de trekken in haar wezen opwekt, door de meerderheid als fanatisme en sektarisme gebrandmerkt. Slechts zeer weinige menschen komen als „fanatieke sektariërs" ter wereld; zij worden dit door de inwerking van het maatschappelijk milieu. De onbeminnelijke karaktertrekken en eenzijdige gesteldheden die men fanatisme en sektarisme noemt, zijn meestentijds reaklies van den sterk-willenden, harlstochtelijkvoelenden en daadkrachtigen, tot een „minderheid" behoorenden mensch op de pijn, die hem door de meerderheid wordt aangedaan, i)
i) Natuurlijk moet men onderscheiden tusschen een minderheid en een meerderheid die absoluut-vijandelyk, zonder band van gemeenschappelijke belangen, tegenover elkander staan,
555
Een kleine psychologische uitwijding over de wijze van reageeren der verschillende karakters op pijn veroorzaakt door een uiterlijke oorzaak zal dit duidelijk maken. Deze reaktie zal, kort uitgedrukt, meer de vorm van „toornige emotie" (woede, wrevel, haat, enz.) aannemen, naarmate de wil van nature krachtiger en onverzettelijker, het temperament hartstochtelijker is. Grievende en onrechtvaardige behandeling miskenning hunner bedoelingen, loochening van de redelijkheid van hun wil en de gelijkwaardigheid hunner argumenten, bespotting hunner zwakheid, — zij mogen flegmatische en geéquihbreerde karakters niet uit hun evenwicht brengen, — lichtbloedigen de aandoeningen die dit alles in hen opwekt van zich kunnen afschudden door een korte, hevige reaktie, — intellektueele typen ze in zekere mate overwinnen door& het begrijpen der oorzaken van wat de „meerderheid" de „minderheid" aandoet, — op andere klassen van karakters, en juist op hen die in elke minderheid doorgaans veelvuldig zullen voorkomen, zal die behandeling, bijna onafscheidelijk van het lot „minderheid" te wezen, sterk inwerken. Waar de emotionaliteit meer tot het melankolische 'type neigt, zal het waarschijnlijk tot een algemeene depressie van den gevoelstoon komen, de aktiviteit zal afnemen, de energie gedempt worden. Anders bij de wilskrachtigen en vurigen. Verdriet (evenals schrik) onderstelt het gestuit worden van het wilsvermogen, de eenige wijze waarop de emotioneele zijde onzer natuur dit handhaven kan, haar eenig mogelijk wilskrachtig antwoord op pijn is toorn of woede. „Dit affekt veronderstelt niet het gestuit worden van den wil, het gaat samen met den onbelemmerden loop van het wilskrachtig vermogen 2). Naarmate dus energie meer een hoofdtrek van het karakter is, zal de reaktie op pijn, door anderen veroorzaakt, meer de vorm van toornige emotie aannemen (afgescheiden van de kracht der sociale aandriften in den aanleg).
Herhalen de aanleidingen tot toorn zich gedurig, dan wekken zij ten slotte in het bewustzijn iets blijvends, n.1. het gevoel van haat. „Om een o-0ede hater te zijn (beter: te worden H. R. H.) zegt Bain, behoeftÖmen slechts oploopend van natuur (irascible) te wezen (deze vorm van reaktie is natuurlijk nauw verwant aan de irritabele emotionaliteit die wij als een bestanddeel van het temperament van zeer verschillende karakters leerden kennen) en in verhoudingen te leven die ons vaak in aanraking brengen met wie ons pijn doen." Partijzucht, meent deze
(zooals tijdens de godsdienstoorlogen en heden in den klassenstrijd) en een minderheidmeerderheid die ondanks hnn relatieve vijandelijkheid te samen een groep (doorgaans een strijdende groep) vormen. De vormen van hoon en smaad zul en m dit laatste geval bikker kunnen zijn, onderdrukking en vervolging zelfs geheelachter»ege kunnen Wijven De geboden van kameraadschap werken dan als een rem, die de vrije ontwikkeling der heerschzuchtige tendenzen in de meerderheid tegenhoudt. . t
In 't eerste dezer gevallen, dus waar meerderheid en minderheid absoluut vijandig tegenover elkander staan, geven doorgaans sociale motieven (klassebehoeften en belangen) den doorslag, of men tot de eene of andere zal behooren. Natuurlijk is, vooral zoolang de minderheid nog zeer klein is, ook in deze gevallen de psychische gesteldheid van invloed. Ei zijn „oppositioneele" naturen (zoo» el de organisatie van het verstand =ds het wilsvermogen speelt hierbij een rol) die v oorbeschikt zijn tot een minderheid te behooren en zich slechts hierm thuis voelen. Waar minderheid en meerderheid lesamen een strijdende groep vormen, dus ver bonden zijn door gemeenschappelijke belangen, zal men afzonderlijk elk konkreet geval moeten onderzoeken om teknnnen beslissen, of de sociale invloeden het hoofdmotief vormen, de psychologische komplementair zijn, dan wel andersom, tot welke van beide de persoonlijkheid behoort.
2) Bain, The emotions and the will, bl. 173.
556
schrijver, is een van de voornaamste soorten van haat. „Onder den invloed van dit gevoel worden menschen aangedaan op alle wijze waarin een sterke emotie tot uiting komt. Hun geluk ontspruit voor een deel uit hun gevoelens van gramschap, zij worden in hooge mate tot handelen aangezet door het uitzicht op deze vreugde. Zij houden dit gevoel vast met verstandelijke argumenten, hun geest is veelvuldig bezig met de voorwerpen ervan. Ten slotte neigen zij er toe van de andere partij te gelooven al wat met hun haat samenstemt en haar vleit. Het zich vereenigen in sekten of partijen is de voedingsbodem van een groot aantal gevoelens; eensdeels de sympathiën van kameraadschap, aan de andere zijde even natuurlijke uitbarstingen van haat opwekkend. Vandaar het feit, dat de verhouding der menschen tot hun partij of sekte, hetzij religieus, politiek, of wat ook, in den regel een van de groote belangen van hun leven vormt. Het bestaan van den geest van sectarische bitterheid door alle tijdperken der geschiedenis door bewijst hoe diep geworteld de hartstocht van den haat in den mensch is." i)
In dit verband moet ik nog op een bijzondere bestaanswijze van het gevoel wijzen, die ik tot nu toe niet genoemd heb, maar niet geheel kan voorbijgaan, omdat zij waarschijnlijk van grooten invloed op het karakter is. Het is de z. n. „mémoire affectieve", het vermogen van het gevoel, met de voorstelling van het verleden, tevens de aandoening te doen herleven die oorspronkelijk daarmee verbonden was. Ribot, die aan de vormen en de verschillende sterktegraden van dit vermogen bij een groot aantal personen een speciaal onderzoek gewijd heeft, kwam tot de konklusie, dat volstrekt niet alle emotioneele naturen het in gelijke mate bezitten. Ieder kent, merkt hij op, de menschen die tot in de grondvesten van hun wezen trillen van verdriet, vreugde, liefde, verontwaardiging. Zij schijnen er voor langen tijd door bezeten te moeten zijn, maar eenige weken later blijft er geen spoor van over. De emoties glijden langs hen af als een zomer-onweersregen lano-s de daken." 2).
Gelijk Ribot opmerkt, moet het bezit of het gemis van het gevoelsgeheugen (amnestie affectieve) van grooten invloed op het gedrag zijn, want daar lust en onlust de sterkste motieven zijn die ons tot handelen brengen, zal de invloed van dit deel der persoonlijke ervaring, de ondervonden pijn en vreugde als een faktor van karakter-vorming en als regelaar van onze gedragingen, zwakker of machtiger zijn, naarmate het gevoels-geheugen zwakker of sterker in ons ontwikkeld is.
Hierbij is het dan nog, zooals makkelijk valt in te zien, lang niet onverschillig of de smartelijke, dan wel de vreugdevolle emoties krachtig herleven. Ook degenen, die een hooge mate van mémoire affective bezitten, wijken in dit opzicht sterk van elkander af, wat natuurlijk van grooten invloed is op den gevoelstoon en daardoor op de levensbeschouwing.
Het lijkt mij waarschijnlijk, dat de bij uitstek militante en onvermoeide strijders in de rijen der sociaaldemokratie, in den regel zouden blijken een hooge mate van „mémoire affective" te bezitten. Dit ver-
1) Bain, bl. 184—185.
2) Ribot, La psychologie des sentimeuts.
557
mogen toch doet het socialistisch ideaal eerst in de persoonlijkheid leven en stralen, het houdt in haar hart de groote ontroeringen vast door de hoogtepunten der beweging opgewekt, de heerlijke momenten dat het bewustzijn der eenheid, de zoetheid der broederschap en de zekerheid van den eindelijken zegepraal het wezen doorstroomde. En dit vermogen maakt ook de heugenis brandend en snerpend van geleden onrecht, van doorgemaakte ellende in tijden van strijd of krisis, van machtelooze woede tegen de politieke en ekonomische overmacht der verdrukkers. Zij, bij wie de emoties beklijven, zullen de felste en vurigste strijders voor het socialisme zijn, omdat de groote ideeën van den proletarischen klassenstrijd in hen onophoudelijk gevoed worden door een ondergrondschen stroom van gemoedsleven, die hun wil aanwakkert en hun verstand scherpt.
Maar het bezit van dit vermogen brengt natuurlijk bij de leden eener „minderheid" ook mee het blijven voortleven van de toornige emotie, door het machtsmisbruik, de verongelijking, de smaad en de hoon i), hun door de meerderheid aangedaan, opgewekt. Bij hen, die de „mémoire affective" in 't bijzonder voor smartelijke emoties bezitten, zoodat elke herinnering van het ondervonden onrecht de gevoelsreaktie daarop weer wakker roept, zal deze reaktie zich met dubbele kracht als haat in het bewustzijn vastzetten.
Is dit eenmaal het geval, dan wordt elk oordeel over de voorwerpen van den haat natuurlijkerwijze sterk gekleurd door den gevoelstint. „De nerveuze energie pakt zich samen in bepaalde deelen van de hersens, de gedachten slaan dientengevolge een vaste richting in. Gedachten van een bepaalde kategorie ontstaan gemakkelijk, terwijl andere uiterst traag tot stand komen. In zulk een toestand is de geest niet langer in evenwicht; oordeel en overtuiging zijn vatbaar tot verwrongen en scheef
worden Een gezond oordeel onderstelt, dat aan de overwegingen
naar elke zijde de waarde wordt toegekend, die hun toekomt en dit is slechts mogelijk wanneer de zenuwkracht in gelijke intensiteit overal heen stroomt en aldus de toestand in 't leven geroepen wordt die men koelbloedigheid, volkomen evenwicht van den geest en het zenuwstelsel noemt. Een emotie, een bijzondere opwinding, een idee dat zich heeft vastgezet, zij allen verhinderen den geest, zich de verschillende belangen op gelijke wijze voor te stellen, en elk genomen besluit is partijdig en eenzijdig" 2).
Voor de zwakke, meer passieve kategoriën van emotioneelen die hun aandoeningen in depressieve toestanden ontladen, beteekent het bezit van „mémoire affective" de bestendiging van deze toestanden; maar wie, begiftigd met energie, aktiviteit en een vurig temperament, tevens zoo georganiseerd is, dat zijn aandoeningen als een altijd borrelende stroom in hem leven, die zal, waar hem pijn wordt gedaan en onrecht geschiedt, onherroepelijk de bewerkers van die pijn en teweegbrengers van dat onrecht gaan haten, met al de gevolgen van dien.
*
1) Dit zijn natuurlijk alles ook uitingen van haat, maar wij laten de psychologie meerderheid hier rusten.
2) Bain loc. cit. bl. 331.
558
De geestelijke fysionomie eener minderheid hangt echter niet uitsluitend van de mate en de vormen van onderdrukking, in één woord van het gedrag der meerderheid af: van zeer grooten invloed zijn ook hare vooruitzichten.
Aktie, arbeid, inspanning, is alleen vreugdevol onder bepaalde voorwaarden. De voornaamste zijn : belangstelling voor het doel van de inspanning en geleidelijk naderkomen tot dat doel. De vruchtbaarheid van inspanning en moeite wekt de aangename „emoties van de vervolging." Het is niet noodig tot ons geluk, dat het doel nabij en gemakkelijk bereikbaar schijnt; wij kunnen het vèr af weten, kunnen inzien er nog door veel moeilijkheden en smart van gescheiden te zijn en toch blij gestemd zijn, mits wij voelen te vorderen. Het bewustzijn zal „gelukkig en tevreden zijn door de idee alleen, wanneer deze gepaard gaat met het naderen der werkelijkheid" i). Een minderheid die haar macht, haar invloed voelt toenemen, het uur ziet naderen waarop zij meerderheid worden zal, proeft zoetheid van geluk te midden van smaad en vernedering en dit geluks-gevoel zal haar verbittering jegens den tegenstander verzachten, toorn, wrok en haat inperken en vaak terugdringen 2).
Maar wanneer het doel ondanks al ons ploeteren niet nader komt, wanneer geen zichtbare, duidelijke vooruitgang te zien valt, dan wordt alle overige pijn vermeerderd met die van vergeefsche inspanning, „een van de ellenden der eerste verdoemenis." Dan wordt alle aangedane onrecht duizendmaal bitterder, alle hoon grievender gevoeld, want dan ontbreekt de zoete ster, die ook over de duisterste nacht van 't gemoed een zachte helderheid uitgiet: de hoop. Dan komt de eigenlijke werking, de ware funktie van pijn: de energie te dempen, eerst tot uiting.
Het zijn de sterkste karakters, die ook in zulke omstandigheden overeind blijven; de helden van den wil, de harten van ijzer, de onbuigzame en onversaagde naturen. Aktief te blijven, de innerlijke kracht in daden te doen uitstroomen ook wanneer de hoop verduisterd is en voetstap zich aan moede voetstap rijt, zonder dat het doel schijnbaar meer nabij komt, zonder duidelijke teekenen van vooruitgang, het is een van de grootste dingen die de mensch vermag. De vroegere geloovige volbracht dit door de kracht van zijn godsvertrouwen, de zekerheid dat zijn zaak Gods zaak was. De moderne, wetenschappelijk-geschoolde sociaaldemokraat vertrouwt even vast in de eindelijke overwinning: het is de kennis, die hem staande houdt.
Maar dit bewustzijn, deze gedachte, heft de (neerslaande of prikkelende) werking der onbevredigende werkelijkheid, het telkens gestuit worden van de „emoties van vervolging", de ellende van vergeefsche inspanning, niet geheel op. Kleine groepen, tegen een overweldigende meerderheid een langen, in dezen zin „hopeloozen" strijd voerend (nl. wat aangaat het oogenblikkelijk en zichtbaar succes), maken onvermijdelijk psychische ervaringen door, die sommige kanten van het karakter buitensporig uitgroeien, andere uitdroogen doen; worden door de macht der uitwendige invloeden verwrongen tot eenzijdige menschen. Willen
1) Bain 221.
2) Dit psychisch feit is naast de invloed van het deterministisch denken, de reden van de gematigdheid der strijdende — en de edelmoedigheid der overwinnende arbeidersklasse.
559
zij blijven staan, blijven handelen met onverminderde energie, dan moeten zij op de pijn die hun wordt aangedaan reageeren door toornige emotie, i) Zij moeten haten, op straffe van ophouden strijders te zijn.
Maar de strijd eener „minderheid" tegen een „meerderheid" onder dergelijke omstandigheden, zonder oogenblikkelijk uitzicht, niet verzacht door hoop en niet bestraald door geluk, die strijd versterkt niet slechts bepaalde groepen van gevoelens in de strijdenden, zij verzwakt ook onherroepelijk andere. Een zekere mate van geluk is noodzakelijk tot het gevoelen van broederschap en alle met haar verwante emoties. „Wanneer ons eigen lot ontbloot is van vreugde, of wel wij door oefening in ascetisme weinig prijs stellen op de blijheid des levens, ontvalt ons de grondslag der sympathie". 2).
De hardheid tegen hem zelf en tegen anderen die de militant der strijdende „minderheid" behoeft, de voortdurende spanning van zijn wil tegen de vijandelijkheid der hem omringende wereld, de ellende der vergeefsche inspanning, dit alles maakt dat in zijn bewustzijn een felle en droge hitte heerscht, waarin de teedere bloem der sociale gevoelens verschrompelt. In hem verdroogt de menschelijke zijde zijner godsdienstige of sociale idealen: hun vuur verzengt meer dan het verwarmt.
Tengevolge van de wet van aanpassing, vindt voortdurende wisselwerking plaats tusschen zijn verstand en zijn gevoel: terwijl dit laatste de kritische neigingen van den geest, de neiging tot tegenspraak enz. aanwakkert tot bedilzuchtigheid toe, ontwikkelt de geest voor zijn deel steeds grooter virtuositeit in 't opsporen van de zwakheden en fouten in de gedragingen van den tegenstander, die 't zelfgevoel der leden van de vervolgde „minderheid" in al sterker mate opwekken.
De verzwakking der sociale neigingen, de aanwakkering van het kritisch vermogen, de overmatige spanning van den wil, verklaren het feit hoe bij kleine strijdende minderheden op politiek of godsdienstig gebied, waarvan men verwachten zou dat hun leden onderling door de nauwste en innigste broederlijkheid verbonden waren, integendeel vaak ook onbeteekenende meeningsverschillen de scherpste vormen aannemen,
Zoo ontstaat, bij de groep gelijk bij de persoonlijkheden die haar vormen, het eenzijdig karakter, door den vijand voor sektarisch en fanatiek gescholden, door den vriend als heroïsch verheerlijkt. Niet alle klassen van karakters zijn vatbaar voor deze vervorming, het resultaat van vele bittere ervaringen: de meeste geven den strijd op, lang eer het zoover gekomen is. Maar die den vuurproef doorstaan, zullen in en door hem iets gemeenschappelijks verworven hebben, dat zich doorzet ten spijt van alle oorspronkelijke verschillen. Onbeminnelijk en vaak onrechtvaardig, partijdig in hooge mate en niet meer tot onbevangen oordeelen in staat, samengegroeid met hun zaak, wier
1) Dit geldt natuurlijk in mindere mate voor de ,,types intellectuels" dan voor de andere klassen van karakters. Maar zonder sterk bestanddeel van aktiviteit en wilskracht in hun natuur, zullen deze niet tot een strijdende minderheid blijven behooren: Daarenboven zijn die types intellectuels, wier verstandelijke organisatie kritisch en tot tegenspraak geneigd is, doorgaans in sterkere mate tot de emoties van haat dan tot die van liefde gepredisponeerd.
2) Bain, bl. 119.
S6o
vooruitgang en zegepraal al hun geluk is, waarvoor hun alles geboden en alles geoorloofd schijnt, zich zeiven in niets sparend en niemand in iets ontziend, zijn zij in de sterke eenigheid van hun wil, in de machtige eenzijdigheid die hun schild, hun borstweer tegen de hardheid der werkelijkheid is, een tragisch produkt van oorspronkelijken aanleg (hardnekkigen wil, enkelvoudig, dogmatisch i) verstand, krachtige hartstochten) en bepaalde omstandigheden (verdrukking en vervolging, strijd zonder succes), die hen vrijer en alzijdiger uit te groeien ontzegden.
(Slot volgt).
I) In tegenstelling tot „twijfelzuchtig".
Het Vereenigmgs- en Stakingsrecht van het Spoorwegpersoneel
DOOR
H. SNEEVLIET.
„Maar hem die strijdt in d'eerste rij, hem vinden des vijands kogels ook het eerst: geweld staat klaar te grijpen naar uw strot, de heeren bonden Uw handen met koorden van staal."
Christaloff tot den afgevaardigde der transportarbeiders in „Opstandelingen."
De debatten, in den loop van Mei in onze 2e Kamer gevoerd over het vereenigingsrecht van het spoorwegpersoneel, zijn niet zoo onbelangrijk als de organen der burgerlijke pers over het algemeen hun lezers willen doen gelooven. Het ontslag van een wegarbeider der Hollandsche Spoor was de directe aanleiding tot de gevoerde discussies, waarbij openlijk en van verschillende kanten de wenschelijkheid is uitgesproken van een nieuwe beperking van het vereenigingsrecht voor arbeiders in publieken dienst in het algemeen, spoorwegarbeiders in het bijzonder. Het was den vrijzinnigen democratischen professor Treub beschoren een soort van theoretische motiveering te geven van de behalve door hem door vele andere en andersdenkende Kamerleden gevoelde wenschelijkheid. En met genoegen kweet hij zich van deze taak, gaf den Kamerleden een gratiscursus over het vakvereenigingswezen, over de politieke neutraliteit der vakvereenigingen, over het klassenstrijdbeginsel en wat dies meer zij. Zijn Hooggeleerde deed dat op de van hem bekende wijze en de conclusie, waartoe hij kwam, was kort saamgevat deze: „Mogen al de vakvereenigingen in het gewone bedrijfsleven vrij worden gelaten in het voeren van hun strijd als stuk-klassenstrijd, in het ontleenen van hun geestelijke wapenen aan de klassenstrijdstheorie... Anders de vakorganisatie van ambtenaren en semi-ambtenaren. Die vrijheid kan hun niet worden gegund, omdat aan den eenen kant zich bevindt de Staat zelf, vertegenwoordigd door de Regeering of door den chef van een of ander Departement en anderzijds een vereeniging, opkomend voor de belangen van een groep arbeiders. Eenerzijds dus het algemeen belang en anderzijds een misschien op zich zelf zeer beteekenend belang van een bepaalde groep, maar toch een bijzonder belang. En nu geldt in ons geheele staatsrecht, in ons geheele maatschappelijk leven, dat daar, waar het bijzonder belang komt te staan, tegenover het algemeen belang, het bijzondere belang voor het andere moet wijken." De Staat, de representant van het „algemeen belang" dus, kan niet
562
dulden organisatie van zijn ambtenaren, die zich voor verbetering van hun positie aaneensluiten en den strijd van hun organisatie in samenhang met, als onderdeel van de geheele arbeidersbeweging zien.
Ziedaar de hooge wijsheid, waartoe deze ideoloog uit het kamp der bezitters, deze verdediger van een volgroeid kapitalisme, dat door zijn kinderziekten en de onvolkomenheden, die daarvan het gevolg zijn, heen is, deze temperaar van den klassenstrijd komt. Als temperingsmiddel voor de groote en groeiende groep van ambtenaren en semi-ambtenaren een ontrechting bij de wet, een beperking van het recht van organisatie. En natuurlijk is het dat deze raad uit dien hoek, den bijval vindt van alle organen der bezittende klasse, welke bijzondere belangen van bepaalde groepen van bezitters zij ook mogen voorstaan. Neen er is nog geen maatregel in dien geest in uitzicht gesteld. De Minister van Waterstaat verklaarde zelfs riet zoover te willen gaan als de vrijzinnige democratische temperaar van de bewegingsvrijheid der arbeiders in publieken dienst.
Het denkbeeld is echter geopperd. Het hangt van den loop der gebeurtenissen in het spoorwegbedrijf af (alleen in dit bedrijf is van een organisatieleven van eenige beteekenis sprake), of het in wettelijke bepalingen zal worden vastgelegd. Een nieuw conflict in het spoorwegbedrijf, het behoeft nog geen staking te wezen, een lijdelijk-verzetbeweging b.v. die juist in dat bedrijf zoo doeltreffend werken kan, al doet slechts een klein deel van het personeel van den uitvoerenden dienst daaraan mede,... of zelfs dat nog niet, een snel toenemen van omvang en invloed der moderne vakvereeniging in dit bedrijf zal voldoende zijn om de parlementaire machine in een even snel tempo als in 1903 aan 't werk te krijgen, om een denkbeeld, als door den heer Treub geuit, in een wet vast te leggen.
De ervaring in ons eigen land heeft geleerd, dat men dien weg wel uit wil. In een land van zwak economisch leven en als gevolg daarvan van weinig schokkende uitbarstingen van strijd leeft die machtige episode uit de ontwikkelingsgeschiedenis onzer arbeidersbeweging thans nog sterk genoeg na om makkelijk de stemming te weeg te brengen voor een verderen uitbouw der Aprilwetten van 1903, dat merkwaardig stuk „sociale wetgeving" van het kabinet-Kuyper. Toen is het begin gemaakt. Toen werd de vakvereeniging van het spoorwegpersoneel beroofd van dat scherpe wapen, dat door haar einde Januari nog maar kort en plaatselijk was gehanteerd, maar lang genoeg en met kracht genoeg om groote ontsteltenis teweeg te brengen bij spoorweg-directies en regeering. Toen werden zware gevangenisstraffen in het Strafwetboek opgenomen tegen den staker in het spoorwegbedrijf.
Nu de dwangwetten niet die uitwerking hadden, welke men toen had gehoopt, nu desondanks de vakorganisatie, de zelfstandige, de in samenhang met de algemeene arbeidersbeweging optredende, weer is opgekomen, aan leden en aan kracht wint, nu wordt al vast op de mogelijkheid van completeering dier wetten gedoeld, nu wordt een bepaalden weg aangewezen. Het is een merkwaardige bijdrage tot de kennis van burgerlijk democractische practijken, de moeite van het onthouden waard, dat de heer Treub den weg aanwees, die naar Pruisen en Hongarije voert.
Het verschijnsel van een beperking der rechten van arbeiders in publieken dienst, van spoorwegarbeiders in het bijzonder, is internationaal. Niet alleen de bourgeoisie van Nederland verlangt staatshulp tot verzekering van het spoorwegverkeer. Niet alleen zij haakt naar een zoodanige regeling van stakings- en vereenigingsrecht der spoormannen, dat zij op generlei wijze last ondervinden kan van het georganiseerd streven naar verbetering, dat van deze groep arbeiders uitgaat.
563
Al is in ons land door ligging, sterke handelsbeweging enz.^ et spoorwegbedrijf van gansch bijzondere beteekenis, in alle min of meer kapitalistisch ontwikkelde landen, is die beteekenis groot genoeg om het spoorwegpersoneel onder uitzonderingsbepalingen te stellen, zijn vereeniging met de overige arbeidersorganisaties te bemoeilijken, te voorkomen dat het zijn voor het geheele bedrijfsleven zoo onmisbaren arbeid opschort, hetzij in het eigen groepsbelang, hetzij in het algemeen klassenbelang der arbeiders.
Ook de spoorwegarbeiders, hun organisaties, zijn zich hun groote sociale beteekenis ten volle bewust. In dit opzicht was de afgevaardigde der transportarbeiders van „Opstandelingen" niet alleen vertegenwoordiger der Russische collega's, waar hij zeide:
,,Wij voelen ons geroepen vlak vooraan
te staan in 't groote worst'len, felle stooten
te voeren, op te vangen van des vijands
slagen den felsten schok." Nog op het Congres der Internationale Transportarbeiders-federatie te Weenen in 1908, werd met het oog op de toepassing van het stakingsrecht en van het lijdelijk verzet in een resolutie uitgesproken: „Door de maatschappelijke beteekenis zoowel als de staatkundige der spoorwegen is de verantwoordelijkheid van de leiders der organisatie in ieder land in het belang der spoorwegmannen een zoo groote, dat strijdmiddelen als staking en lijdelijk verzet slechts in het alleruiterste geval kunnen worden toegepast", en bij de toelichting dezer resolutie werd volkomen terecht gezegd, dat de uitwerking van een spoorwegstaking van die eener algemeene werkstaking weinig verschilt.
De Kamerdiscussies zullen de belangstelling der lezers van dit maandschrift hebben gaande gemaakt in het kennis nemen van de bepalingen, welke in verschillende landen zijn voorgesteld tot regeling dezer materie. Vooral in de laatste jaren is de wetgeving van veel landen verrijkt met uitzonderingsvoorschriften tegenover het spoorwegpersoneel. Dezelfde oorzaken hadden veelal dezelfde gevolgen. En of daar in een bepaald land het z g. behoud de teugels van het bewind in handen hield, dan wel of het meest konsekwente radicalisme zelfs ministerieel „socialisme" (wij denken aan de tijdelijk verduisterde ster aan den Franschen politieken hemel, den „piek pocket d'état" Briand) regeert, de bijzondere belangrijkheid van de diensten der spoorwegarbeiders vond overal dezelfde waardeering, die hen tot staatsburgers van den tweeden rang maakte, waarmee lang niet overal (ons eigen land is een sprekend bewijs) een behoorlijke verzorging van de materieele belangen dezer categorie ontrechten gepaard ging.
Op het Kopenhager Congres der Internationale Federatie van Transportarbeiders (23—26 Augustus 1910) was aan het lid van den Centralen Raad Louis Brunner te Berlijn opgedragen een referaat te houden over: „Stand, toepassing en invloed van de internationale wetgeving op de sociale positie van het spoorwegpersoneel en hun rechtspositie." De nuttelooze en weinig verkwikkelijke besprekingen over de algemeene zeeliedenstaking namen zooveel tijd in beslag, dat van de bedoelde inleiding niets kon komen. Terecht vond de Centrale Raad het door Brunner verzamelde materiaal belangrijk genoeg om het in een brochure te verwerken en het is aan deze brochure „Das Koalitionsrecht der Eisenbahner" (Verlag; Courier G. m. b. H, Berlin S. O. 161, dat we het onderstaande feitenmateriaal ontleenen.
Niet doenlijk is het op deze plaats een volledig overzicht te geven. Wij moeten ons tot de voornaamste landen bepalen en kunnen ook daarvan niet woordelijk de betrekkelijke wetsartikelen opnemen. Door Brunner wordt geconstateerd, dat
S64
de wettelijke maatregelen zich in twee richtingen bewegen : of er worden scheidsgerechten en verzoeningsraden in het leven geroepen, die de stakingen verschuiven, verbieden of onmogelijk pogen te maken, of wel men poogt de spoorwegarb.iders meer en meer het karakter van ambtenaren te geven en hen daarmee af te zonderen van hun klassegenooten in het particuliere bedrijf.
Duitschland.
In naam bestaat hier het vrije vereenigings- en vergaderingsrecht, aan ieder bij de grondwet gewaarborgd- Sedert 1908 geldt een rijksvereenigingswet, die ieder ingezetene het recht geeft zich te organiseeren voor doeleinden niet in strijd net de strafwetten. Het is echter voor zoover het 't spoorwegpersoneel raakt een papieren vrijheid, in de praktijk van zoo weinig waarde, dat in Pruisen met zijn leger van spoorwegmannen en zijn sterk ontwikkelde arbeidersbeweging en sociaaldernocratie geen moderne vakorganisatie van spoorwegarbeiders tot stand komen kon van eenige beteekenis. Met ministerieele besluiten wordt het organisatierecht van den spoorwegman over de Duitsche grenzen gebannen. Het lidmaatschap van de bij het Duitsche Transportarbeiterverband aangesloten Rijkssectie van spoorwegarbeiders is voldoende in Pruisen en Saksen om den betrokkene aan den dijk te zetten. Met uitzondering dezer moderne vakvereeniging, die echter invloedloos is, zijn de talrijke vereenigingen van spoorwegmannen geheel van de genade des ministers en der spoorwegautoriteiten afhankelijk. Zij zijn met toestemming van den minister in het leven geroepen en staan onder controle en voogdij der Regeering. Op die wijze is ook de bij de internationale transportarbeidersfederatie aangesloten vereeniging van Zuidduitsch spoor- en postpersoneel oorspronkelijk opgericht Deze heeft in Beieren eenige bewegingsvrijheid gekregen en zich geleidelijk aan de hooge voogdij onttrokken. Sociaaldemocraten hebben er de leiding en dat is tot dusver geduld.
Doch ook daar zijn vooral de Centrummannen aan het werk om die organisatie aan spoorwegpersoneel onmogelijk te maken, pogen zij op de Beiersche regeering invloed uit te oefenen, opdat ook in Beieren Pruisisch zal worden gesproken. Het orgaan van de Rijkssectie behoort tot de voor het spoorwegpersoneel verboden lectuur. Van Regeeringswege wordt in Pruisen en Saksen stelselmatig propaganda tegen haar gevoerd, o. a. door de verspreiding aan een tweemaal per maand verschijnend orgaan: „Die Eisenbahh', waarin zonder ophouden de moderne vakorganisatie en de sociaaldemocratie worden aangevallen en als staatsgevaarlijk worden afgeschilderd. Zonder dat bepaalde wetten bestaan tegen het vrije vereenigingsrecht der spoorwegarbeiders, is toch alle bewegingsvrijheid voor hen afwezig en zijn zij door de vervolging der zelfstandige vakvereenigingen geheel buiten het gemeenerecht gesteld. Het zal in Duitschland tot de taak der georganiseerde industriearbeiders behooren „Am Tage nach der Revolution" aan die honderdduizenden van spoormannen de bewegingsvrijheid te geven, die het jonkerregitnent hun onthield.
Hongarije.
Als in Duitschland is het ongeveer in Hongarije. In den loop van 1907 is daar de vervolging van de spoorwegorganisatie aangevangen. Om de stakingen in het spoorwegbedrijf onmogelijk te maken diende de regeering in dat jaar twee wetsontwerpen in, waarvan de eene de salarissen van het spoorwegpersoneel en de tweede hun rechten en plichten regelde. Deze laatste wet strekte zich over alle spoorwegen uit. Voor de toepassing der strafwetten worden de spoormannen als publieke beambten beschouwd. Daarmee is meteen vastgesteld, dat
565
O De 5e groep laten wij hier weg, daar hare totaal-cijfers voor sociologische onderzoekingen geen beteekenis hebben, de 4e groep (politieke delicten) is te klem om voor eene berekening p. 10.000 in aanmerking te komen.
596
Wanneer men nu nagaat, hoe het verloop der criminaliteit in de verkiezingsjaren geweest is, dan blijkt, dat in 1897 een onbelangrijke stijging der oeconomische delicten, een nog onbelangrijker der misdrijven uit wraak enz., en een daling der sexueele criminaliteit plaats vonden. In 1901 steeg de oeconomische misdaad vrij belangrijk, stegen de sexueele delicten zeer onbelangrijk, en daalden (of bleven hoogstens gelijk) de misdrijven uit wraak. In 1905 daalde de oeconomische criminaliteit scherp, daalde eveneens de 3e kategorie, en namen de sexueele misdrijven toe (wie het verband weet tusschen deze misdrijven en verkiezingen, mag het zeggen!). Van eenige regelmaat is dus geen sprake; arme wet-Slingenberg 1
Wij zullen nu kortelings trachten na te gaan welke de werkelijke factoren zijn, die de betreffende veranderingen hebben veroorzaakt. Eerst de oeconomische criminaliteit, waarvan tabel XI de volledige cijfers geeft. Reeds een oppervlakkige beschouwing van deze cijfers en de conjunctuur, doet het verband tusschen beide verschijnselen zien. Een feitelijke hoog-conjunctuur heeft deze periode alleen gehad in de jaren 1905 —1907, de oeconomische criminaliteit daalt dan eveneens sterk, bereikt in 1907 haar laagste punt; in October 1907 breekt een hevige crisis uit, die zich over het geheele jaar 1908 uitstrekt, begeleid door een scherpe stijging der oeconomische delicten. De periode vóór 1896 was slecht geweest, in de nu volgende jaren komt eenige verbetering, in 1901 weer door eene depressie gevolgd, de betreffende criminaliteit vertoont in die jaren dan ook eenige teruggang om in 1901 weer te verslechteren.
In tabel XII plaatsen wij naast de relatief-cijfers voor „diefstal" —■ het meest door gelegenheidsmisdadigers gepleegd, en daarom een voor de conjunctuur zeer gevoelig delict — eenige cijfers ter aanduiding van den loop der oeconomische gebeurtenissen. De beste cijfers hiervoor zijn die der werkeloosheid, op de wijze zooals de Engelsche board of trade die publiceert, de graadmeter bij uitnemendheid van de oeconomische toestanden, wanneer men deze in verband brengt met de misdaad. Voor Nederland ontbreken echter deze cijfers, en moeten wij ons dus met andere, minder beteekenisvolle tevreden stellen. Wij kiezen daarvoor de prijs van het geld en de scheepvaartbeweging. De disconto-cijfers zijn jaar-gemiddelden en drukken dus slechts op grove wijze de intensiteit van het oeconomische leven uit, bovendien spelen hierbij ook andere factoren dan de conjunctuur een rol; evenmin zijn de scheepvaartcijfers ten deze de volmaaktheid.
597
TABEL XI. Oeconomische Misdrijven.
Jaar. ~ o Ö TJ | j§ * u S .3 .f & % m "I H
^ M g > s&s gis1 ö s ^|
•s o ^ "S > °
x896 2i8i| 88o 1737 9" "4 1*88 I 128 6 19 4 80 3 10 11 4 W W
1901 1857 683 1758 1029 99 1 276 ii5 8 10 4 45 3 ^ 5 | xi "4 ^7
1902 1806 751 1749 841 84 320 124 6 16 6 63 9 6366
1903 1534 688 I742 803 125 3o7 123 IJ 18 6 59 5 .9 i Ij x 732g
1904 1939 694 X812 940 X24 399 X07 xo 14 10 57 3 6 II33 663I
1905 1496 559 1825 910 122 376 97 15 21 11 47 i025 5g47
1906 1282 458 1733 7f Xi5 40X 86 li 9 6 47 X 5 4 57o6
1907 1389 354 1739 767 154 364 78 18 21 5 59 5 7 „ ?82 6433
1908 1663 350 2006 826 154 420 92 18 26 2 59 3 1
598
TABEL XII.
Scheepvaart-beweging-.
Diefstal per Wissel- -j=
Taar I onnenmaat „,
■> ioo.ooo disconto ^er ingeklaarde ioename resp. afname,
inwoners. Ned. Bank. schepen in ! ', '
i.ooo.ooo W. absoluut %
1896 35.2 3.03 22.3 — _ -
1897 33.6 3.13 24.O 1.7 7
1898 36.I 2.60 24.6 0.6 2
1899 33-9 3-58 26.7 2.1 8
1900 29.8 3.61 26.7 0.0 0
X90I 33 4 3-23 26.4 —0.3 — 0.1
x902 32.7 3.— 26.9 0.5 0.1
!903 32.0 3.40 29.8 2.9 10
1904 32.8 3.23 30.8 1.0 0.3
1905 32.6 2.68 33.2 2.4 7
1906 30.5 4.11 36.0 2.8 8
1907 30.2 5.10 39.0 3.0 8 J98 34-4 3.38 36.8 —2.2 — 5 1)
Vergelijkt men den loop der diefstal-cijfers met de andere reeksen, dan blijkt het volgende. Zooals gezegd, was de periode vóór 1896 uit een oeconomisch oogpunt slecht, en verbetert daarna nog slechts langzaam: correspondeerende hooge criminaliteitscijfers. In 1897 een niet groote verlevendiging, eene daling der misdaad (zooals uit tabel XI blijkt, was de geringe vermeerdering der totaal-cijfers te wijten aan de sterke toename der belastingovertredingen, die met de conjunctuur wel niet veel verband zullen houden), in 1898 weer eene vermindering van het tempo der oeconomische activiteit en een correspondeerende vermeerdering van de diefstal. De jaren 1899 en 1900 brengen betere toestanden met de bekende gevolgen, op het einde van 1900 verslechtert de situatie (dit is waarschijnlijk de oorzaak waarom de scheepvaartcijfers voor het geheele jaar niet stijgen) en voert in 1901 tot een bepaalde depressie 2): scherpe stijging van de misdaad. Het jaar 1902
1) Met uitzondering van de eerste kolom ontleend aan en berekend volgens de Jaarcijfers 1905 en 1909.
2) Mr. Slingenberg heeft zich ook de vraag gesteld of de vermeerdering der criminaliteit m de jaren 1897 en 1901 soms aan eene verslechtering der oeconomische toestanden te wijten is, en deze vraag ontkennend beantwoord. Zooals wij zagen is dit voor 1897 niet onjuist, voor 1901 echter een positieve vergissing, die bij eene zelfs oppervlakkige kennis der conjunctuur had kunnen vermeden worden. Zijn wijsheid heeft Mr. Slingenberg uit de Jaarcijfers geput, immers hij zegt: „Wanneer men de Jaarcijfers voor het Koninkrijk der Nederlanden (1904) raadpleegt, ziet men dat noch de in die jaren uitgesproken faillissementen, noch het bedrag van het saldo der ingeschreven en doorgehaalde hypotheken maxima, maar in tegendeel minina vertoonen. Dat is ook het geval met Nederlandsche
658
Anderzijds, echter, is de Engelsche vakbeweging zulk een belangrijk deel, en ongetwijfeld zulk een onontbeerlijk deel, van de internationale vakbeweging, en zal zij daarvan zulk een belangrijk deel blijven uitmaken, dat het voor de Nederlandsche vakvereenigingen van het hoogste belang blijft hare verdere ontwikkeling te volgen. Industrieel, immers, blijft Engeland nog volkomen zijn positie als eerste mogendheid onder de Europeesche handhaven. De bevolking van de steden neemt ontzettend snel toe en van de industriesteden het meest.
In 1861 waren er nog slechts 70, in 1901 reeds 216 steden van meer dan 20,000 inwoners. In 1861 leefden er 7,354,182 personen in de steden, of 3ÓV2 pCt. der bevolking; in 1901 echter reeds 18,940,066 personen, dat was 58,2 pCt. der bevolking. En welk een reusachtig aantal arbeiders is in de verschillende takken van industrie werkzaam! Blijkens de laatste beroepstelling — in 1901 — waren alléén bij het mijnwezen werkzaam bijna 800,000 arbeiders; bij de textielnijverheid 1,155,000 personen, waarvan 663,000 vrouwen; bij de metaalnijverheid 1,237,000, waarvan 63,000 vrouwen; om van andere industriën verder maar te zwijgen. Welk een reusachtige toekomst is daar, in dat kapitalistisch zoo hoog ontwikkelde land, nog voor de vakbeweging weggelegd!
In de internationale vakvereenigingsstatistiek over 1908 wordt het aantal der in handel, industrie en verkeer werkzame personen opgegeven als te bedragen omstreeks 12,000,000 personen (waarvan 4,000,000 vrouwen) tegenover slechts 2,050,000 in den landbouw. Daarvan zijn er georganiseerd in handel, industrie en verkeer 2,400,000. Deze georganiseerden zijn - en dat is mede een derzwakke zijden van de- Engelsche vakbeweging — verdeeld over 1175 centrale bonden en 18,363 lokale vereenigingen! Nu hebben gedurende de laatste maanden van 1910 in de Engelsche industriëele centra zich gebeurtenissen voorgedaan,., die er onmiskenbaar op wijzen, dat er een geweldige inwendige omkeering gaande is, die als eene reactie tegen verouderde instellingen en begrippen mag. worden beschouwd, en het uitzicht geeft, dat wanneer eenmaal deze beroering naar buiten treedt, haar resultaat zal zijn: een algeheele opwerking der vakbeweging naar een hooger sociaal-democratisch peil, en inniger samenhang met: de vakbeweging in andere landen.
Op de gebeurtenissen zelf kom ik nog terug.
Er zij thans slechts aan herinnerd, dat zoowel de reusachtige strijd aan deEngelsche scheepswerven, als de langdurige staking van de mijnwerkers in. Wales, ware rebelliën zijn geweest tegen bestaande, wèl omschreven arbeidsovereenkomsten, gericht speciaal tegen de bureaucratie in de vakbeweging, en ... deze rebellie met succes bekroond is geworden; dat er in midden-Engeland een staking uitbrak, gericht tegen de al te groote inspanning bij den arbeid, waaraan de arbeiders, niettegenstaande hun betrekkelijk korten arbeidstijd, onderworpen waren en dat speciaal bij de conflicten onder de spoorweg-beambten en bij de staking in Zuid-Wales een revolutionaire, half-anarchistische geest aan den dag trad, geheel vreemd aan den geest van het Engelsche Trades-unionisme gelijk het sedert 1868, d. i. sedert de wettelijke erkenning, is gekweekt geworden.
Het is, m. i., onze taak, deze verschijnselen nader te bezien, en de oorzaken er van op te sporen. Vooral, nu opnieuw in den laatsten tijd van de zijde zoowel der christelijke vakvereenigingsmannen, als b.v. door Prof. Treub in de Tweede Kamer, de Engelsche vakbeweging ons ten voorbeeld is gesteld geworden als eene die, „zonder zich op het standpunt van den klassenstrijd te stellen", haar doel tracht te bereiken, of eene die „ontoegangelijk blijkt voor de socialistische leeringen", is het noodig, onzerzijds deze jongste gebeurtenissen in de Engelsche vakbeweging na te gaan. Het zal dan blijken, dat deze beteekenen: een doorbreken van de socialistische opvattingen in de vakbeweging; een door-
659
breken op abnormale wijze, wel-is-waar, omdat de leiding in vele vakvereenigingen zich niet tijdig aan deze nieuwe omstandigheden heeft weten aan te passen, maar daarom ook des te meer overweldigend, elementair.
In de eerste plaats blijkt uit de cijfers omtrent de werke wer s a ingen stakingen en uitsluitingen over de laatste jarenreeks, dat en ui s ui ingen. er^ yoor net tQt cjgze nevjge conflicten kwam, een sterke neiging aanwezig was, althans bij de besturen van de vakvereenigingen, om de oplossing van conflicten te zoeken door vergelijk, liever dan te vertrouwen op het wapen der werkstaking. Dat blijkt uit de cijfers van het ledental, de uitgaven voor verschillende doeleinden, en het aantal, den omvang en den afloop den werkstakingen.
Het vorige jaar verscheen vanwege het Engelsche arbeidsbureau een statistisch overzicht der vakbeweging over de jaren 1898—1907, waaruit wat het ledental aangaat, een geweldige stijging blijkt.
JAAR.
I Metaal Gez. Bouw- Mijn- bewerkers Textiel- Transport- Overige ledental en , , - aller vakvakken, werkers. Scheeps- industrie, bedrijven, bedrijven, vereenibouwers. gingen.
1898 232,040 366,731 312.444 240,895 H7,957 388,464 1,688,531 1907 193,190 703,344 376,805 354,427 238,813 j 540,167 j 2,406,740
Speciaal de laatste jaren is de toename zeer sterk geweest. Van 1904 tot 1907 nam het ledental der vakvereenigingen met meer dan 500,000 toe, waarvan de mijnwerkers-organisaties met 200,000 leden, die der textiel arbeiders met 90,000 leden, die der spoorweg-beambten met 60,000, die in de metaal-industrie met 30,000. De organisaties in de bouwvakken liepen met 12,000 terug, maar dit kon aan de stijging in het algemeen nauwelijks eenige afbreuk doen.
In dezelfde verhouding als het ledental nam ook het vermogen der vakvereenigingen toe. Sedert 1904 bleek het gezameüjke vermogen der vakvereenigingen, waarover deze statistiek liep, in de centrale- of bondskassen met i.000000 pSt. te zijn toegenomen. Op 31 Dec. 1907 hadden de 100 grootste vakvereenigingen te samen 60 pCt. der leden omvattende, een gezamenlijk vermogen van 5,637,661 pSt., d.i. ruim 77 sh. per lid. Naar verhouding van de vakvereenigingen in andere landen beteekent dit een geweldige financieele kracht!
Maar nu blijkt het, dat juist in deze zelfde periode de uitgaven voor stakingen voortdurend minder, en die voor ondersteuning voortdurend hooger zijn geworden en wel in de volgende verhouding:
JAAR.
Ondersteuning bij j Werkloozen Andere I Salarissen. Ad-
werkstaking, ondersteuning. ondersteuningen, ministratie enz.
Bedrag
in P.-St.
pCt. der gezamenlijkeuitgaven.
Bedrag
in P.-St.
pCt. der gezamenlijkeuitgaven.
Bedrag
in P.-St.
pCt. der gezamenlijkeuitgaven.
Bedrag
in P.-St.
pCt. der gez. uitg.
1898 326,428 22,1 233,613 15,9 607,840 41,1 308,456 20,9 !907 133,363 6,5 405,668 | 22,7 j 975,297 1 47,4 1 479,829 1 23,4
Gemiddeld.
182,104 10,3 401,818 22,8 781,809 44,2 401,756 22,7
66o
In 1908 bedroegen de uitgaven voor werkstaking enz. wel-is-waar 609,000 p.St, door enkele groote conflicten maar in 1909 daalde dit bedrag alweder eensklaps tot 155,000 p.St., dat was slechts: 5.8 pCt. van alle uitgaven.
Gemiddeld hebben — om een andere jarenreeks te nemen — van 1900 tot en met 1909 de 100 sterkste vakvereenigingen van hunne uitgaven besteed gemiddeld voor:
Ondersteuning bij: Werkstaking: Werkeloosheid: Ziekte, enz.: Administratie: 10.2 pCt. 26.6 pCt. 4i-9 pCt. 21.3 pCt.
Ook uit deze cijfers blijkt duidelijk, welk een gering deel harer uitgaven de Engelsche vakvereenigingen besteden aan de werkstaking.
Dit algemeene verschijnsel verdient daarom de aandacht, omdat daaruit de tegenwoordige revolutionaire stemming onder de Engelsche arbeiders verklaard moet worden.
In onmiddellijk verband hiermee staat de sterke neiging De bemiddeling bij bi: de Engelsche vakvereenigingen, die een harer kenLoonconflicten. merken steeds geweest is, en ongetwijfeld ook mede 'verklaard moet worden uit den aard van het Engelsche volk op het gebied der sociale beweging, om n.1. door onderling overleg, bemiddelling, scheidsrechterlijke uitspraken, haar doel te trachten te bereiken. Nu is op zichzelf de staking volstrekt geen doel, maar slechts een middel tot het doel: de voortdurende lotsverbetering voor de arbeidersklasse, natuurlijk voor zoover deze onder den invloed staat van de vakvereenigings-actie. En wanneer hetzelfde doel bereikt kan worden door andere middelen dan werkstaking, dan spreekt vanzelf, dat de vakvereeniging niet kan en niet mag vasthouden aan de staking om haar zelfswille, een strijdmiddel, hetwelk aan de arbeiders zoo ontzaggelijk veel offers kost, met altijd nog maar wisselende kansen. Door deze overweging geleid, heeft immers ook de Duitsche vakbeweging ten slotte, na veel tegenstand in eigen kring, het instituut der collectieve arbeidsovereenkomsten aanvaard. Maar met de Engelschen staat het anders.
In de eerste plaats is het instituut der scheidsrechterlijke uitspraken nog geheel iets anders dan dat der collectieve overeenkomsten. Bij volmaakte werking van beiden, verdwijnt, kan althans gedurende somtijds een reeks van jaren verdwijnen, de staking als strijdmiddel. Maar bij de collectieve arbeidsovereenkomst, veroverd en gehandhaafd door de macht der vakvereeniging, is deze gedwongen, zich voortdurend te houden op voet van gewapenden vrede, en zich steeds op ernstige conflicten voor te bereiden; de collectieve arbeids-overeenkomst is geen tegenstelling tot staking, het is een vrede, waarbij de hand elk oogenblik aan het gevest van den degen geslagen, en bij elke vernieuwing van de overeenkomst het wapen getrokken kan worden.
Scheidsrechterlijke uitspraak, bemiddeling als systeem, wettelijke regeling van dit instituut, beteekent: het afleggen van dat wapen, het afstand doen van dat strijdmiddel; het aanvaarden van een instituut, hetwelk in de plaats zou moeten komen van de staking.
En juist voor dat instituut voelen talrijke elementen in de Engelsche vakbeweging zeer veel. Ik behoef er maar aan te herinneren, hoe Ben Tillet, een der leiders van de transport arbeiders, jaar op jaar op de congressen van de Trade Unions terugkomt met zijn voorstel inzake de verplichte arbitrage bij arbeidsconflicten, gelijk het reeds in het Australische Gemeentebest functioneert. In de tweede plaats zij er op gewezen, hoe juist in Engeland meermalen door de vakvereenigingen de bemiddeling van het Arbeidsdepartement wordt inge-
661
roepen, om staking door scheidsrechterlijke uitspraak te beslechten. Sedert 1900 is de invloed van de scheidsrechterlijke beslissingen voortdurend toegenomen, gelijk uit het volgende overzicht kan blijken, gevende de cijfers omtrent het aantal geschillen en daarbij betrokken arbeiders, welke door arbitrage eindigden:
. , . Aantal arbeiders ,,nWl Aantal arbeiders
Aa"f rechtstreeks a«dSuen rechtstreeks
geschillen. er b;j betrokken. gescmuen. er bij betrokken.
1900 ... 30 8,741 190S ... 25 6,978
1901 ... 37 14,924 '9°6 ... 46 io,777
1902 ... 27 3018 T9°7 ■ ■ • 45 13.296
1903 ... 28 4.492 1908 ... 56 158,276
1904 .. . 28 21,118 1909 • • ■ 63 79.273
Hoewel derhalve de beëindiging van conflicten door arbitrage nog maar een betrekkelijk sering aantal van het geheele getal der stakingen betreft, is er toch in deze jarenreeks een voortdurende toename in de gebruikmaking van dit middel te constateeren. Daarnaast valt ook te constateeren een voortdurende toename van het aantal stakingen die door „schikking" eindigden, waaruit dezelfde neiging tot minnelijk overleg, althans bij de besturen, sprak. En opmerkelijk is daarbij, hoe juist de jaren 1908 en 1909, vlak voorafgaande aan de gebeurtenissen in 1910, bijzonder ongunstige cijfers te zien geven:
Ten gunste Ten gunste B;. Ten gunste Tenminste ^
arbeiders, ondernemers. bescbikkillS- arbeiders, ondernemers. besdllkkinS-
1900 30.1 27.5 41-9 '9o5 24.7 34.o 4i-2
1901 27.5 34-7 37-3 !9°6 42-5 24.5 330
1902 31.8 31-8 361 1907 32.7 27.3 40.0 ,903 31.2 481 20.07 1908 8.7 25.7 65.6 1904 27.3 4i.7 30.9 1909 'W 22-2 660
Duidelijk doen derhalve de cijfers, hoe ook gegroepeerd, ons zien, hoe m ae laatste jaren in voortdurend sterkere mate de bemiddeling en de arbitrage toepassing vond; maar tevens, hoe daarmee de strijdkracht der vakbeweging terugoing Maar juist daaruit moet het elementair verzet der arbeiders verklaard worden tegen deze vakvereenigingstaktiek, die den strijd met machtmiddelen, waarbij de arbeidersmassa's zoo noodig in het veld worden gebracht, scheen te willen vervangen door een bureaucratisch „arbitrage"-apparaat, zonder leven, zonder uitzicht, zonder sentiment.
Het laatste sterke voorbeeld op dit gebied is hetgeen is gebeurd met het spoorweg-personeel. In .906 zette de Engelsche vakvereeniging van spoorwegpersoneel een beweging op touw voor lotsverbetering van alle branches. Deze beweging greep met groote kracht om zich heen, zoodat het m 1907 kwam tot een -eweldige spanning tusschen de organisatie van het Spoorweg-personeel, onder leiding van den liberalen vakvereenigingsleider Richard Bell, en de Directiën der Spoorwegmaatschappijen in Midden-Engeland, die weigerden, met de organisatie in onderhandeling te treden. Het scheen op staking te zullen uitloopen, totdat... Lloyd George, de Arbeidsminister en uitvoerder der wet op de „Boards of Conciliation and Arbitration", tusschenbeide kwam en de strijdende partijen tot elkander wist te brengen, op den grondslag van het voorstel dat er scheidsrechterlijke Comité's zouden worden gesticht, aan welke de geschillen omtrent loon en arbeidsduur voorgelegd zouden worden ter beslissing, genaamd „Railway conciliation Boards". Krachtens deze scheidsgerechten was, hoewel de wet aan de spoorweg-arbeiders in Engeland de staking
48
en dat haar betrekking tot het kapitaal een indirekte dienst is, is juist de oorzaak die haar taak drukkender en pijnlijker maakt. De kapitalist behoeft voor de huismoeder geen fabrieksreglement of werkrooster te maken, geen bazen of opzichters te bekostigen. Zij meent haar hopeloos dagwerk, het onophoudelijk wederom vullen van de door het kapitaal geledigde vaten der menschelijke arbeidskracht, gedreven door haar plichtsbesef van vrouw en moeder te verrichten. Zij bespeurt de reden niet waarom juist haar bezigheid, haar nooit rustende inspanning slechts zoo zelden eenigen blijvenden welstand, een overschot boven de noodzakelijkste behoeften, eenige vastheid voor de toekomst, een spaarpenning, een kapitaaltje schept. Zij beseft niet dat zij inderdaad enkel werkt voor het kapitaal, dat naarmate zij haar gezin beter, dat is zoo goed mogelijk van zoo weinig mogelijk geld weet te doen leven, de kapitalist hiervan de voordeelen plukt, en de opbrengst van haar arbeid enkel bijdraagt tot zijn spaarpenningen en zijn kapitaal.
Want dit is niet te zien door wie binnen de muren van de woning blijft. De man en de kinderen staan tusschen den kapitalist en de vrouw. Zij denkt dat zij voor hen, niet voor hem werkt. Omdat de produkten van haar arbeid, de gerechten voor den schralen maaltijd, het lapwerk voor de kleeding, niet voor het lichaam van den patroon, maar voor de lichamen van zijn knecht en van zijn toekomstige knechten zijn bestemd, gelooft de vrouw dat zij met den patroon niets te maken heeft. Door den schijn misleid ziet zij niet dat het omgekeerde de waarheid is. Dat, als zij er niet was om voor niemendal te werken, de kapitalist een hooger loon zou moeten betalen. Dat de toestand waarvan niet alleen zij zelf, maar ook haar man en kinderen de plagen en de lasten dragen, de kapitalist enkel de winsten en de lusten geniet, mede door haar werk, door de vervulling van haar taak in het huishouden bestendigd wordt. Zij weet niet dat de huishoudelijke arbeid van de vrouwen in haar klasse een bron is van ellende, zoo overvloedig en onuitputtelijk als haar toewijding zelve. Zij weet niet dat zij, door in huis te blijven, zich zelf en de haren dagelijks tekort doet. Zij weet niet dat het huisgezin van den arbeider een maatschappelijke instelling is ten bate van de kapitalistische klasse, ten nadeele van het proletariaat. De vrouw zal dit eerst gaan weten wanneer zij in direkte aanraking komt met het kapitaal, den kapitalist ontmoet in de werkplaats.
De kapitalistische moraal, trouwens, met haar verheerlijking van de oppassende, werkzame, zuinige huisvrouw, die zoo geen weelde, dan toch eenige welvaart, en althans orde en tevredenheid om zich heen weet te verspreiden, bevat een onmiskenbare waarschuwing. De zedeleer van een klasse pleegt niet te roemen wat haar geen voordeel brengt
Doch achten wij dan, zal men wellicht vragen, deze deugden ook niet heilzaam voor de arbeiders zeiven, voor de leden van het gezin
49
waarvan nu eenmaal de huisvrouw de verzorgster is? Het maakt toch ongetwijfeld een zeer merkbaar verschil in den toestand van een gezin of de vrouw slordig en lui is of niet. Wij antwoorden, dat juist dit verschil in eigenschappen als een oorzaak ten goede voor de arbeidersklasse zich doet gelden. De ijverigen en knappen zouden geen wil hebben van hun deugd, als er ook niet vele ondeugdzamen waren. Er is, op een gegeven tijdstip binnen een bepaald terrein van de kapitalistische exploitatie een gemiddelde van huisvrouwelijke deugd. De waarde van de arbeidskracht, weet men, wordt bepaald door de hoeveelheid arbeid gemiddeld noodig tot de voortbrenging van de levensmiddelen die de arbeider verbruikt. Wij zagen dat die arbeid gedeeltelijk buiten en gedeeltelijk binnen het gezin wordt verricht. Alleen de arbeid buiten het gezin, wijl alleen deze arbeid warenwaarde voortbrengt, komt bij de bepaling van de waarde der arbeidskracht in aanmerking. Toch kan die waarde-produceerende arbeid, welken door den kapitalist moet worden betaald, geringer zijn naarmate meer arbeid binnenshuis wordt uitgevoerd. De kapitalist betaalt b.v. de dagwaarde van de arbeidskracht tegen b.v. twee gulden, indien voor dit bedrag, alle faktoren in aanmerking nemende, de bedoelde hoeveelheid arbeidskracht gemiddeld kan worden geleverd. Waarom kan de kapitalist volstaan met ƒ 2.— te betalen? — omdat, naar wij onderstellen, de vrouw door haar huishondelijken arbeid de gebruiksnuttigheid van de gekochte goederen nog aanzienlijk verhoogt. Moest de arbeider alles als waren koopen dan zou hij niet twee, maar b.v. drie gulden noodig hebben.
Om de hoeveelheid aangeschafte waren te doen strekken tot het levensonderhoud, moet b.v. 12 uur daags onbetaalde arbeid binnen de woning verricht worden. Deze twaalf uren arbeid vertegenwoordigen een hoeveelheid huishoudelijken arbeid van gemiddeld gehalte en intensiteit. Deze twaalf uren arbeid levert de gemiddelde huisvrouw, op een gegeven oogenblik en in een bepaalde streek. Indien zes uur het gemiddelde was, zou de kapitalist in plaats van ƒ 2.— arbeidsloon, ƒ 2.50 moeten betalen. Naar het gemiddelde regelt zich het loon, zoowel wat den arbeid binnen- als dien buitenshuis betreft. Nu stijgen echter vele vrouwen boven, en blijven vele andere beneden het gemiddelde aan bekwaamheid, toewijding enz. De eene vrouw weet met dezelfde twee gulden vrij wat meer te doen dan de andere. Is twaalf uur arbeid van doorsneegehalte de norm waarnaar het loon zich regelt, dan zal de vrouw die langer of beter werkt een ongewone welvaart, of althans een ongewone netheid doen heerschen in haar gezin. De vrouwen die korter of minder goed werken, vervallen in een andere afwijking van den regel. Doch juist de omstandigheid dat er zoodanigen zijn, bepaalt het gemiddelde. Daarom, immers, kan het loon niet dalen onder de genoemde som van/2.—, dat met de gemiddelde inspanning van de huisvrouwen
4
5 o
voldoende is. Het loon kan op den duur niet blijven op een laagte zoodat het bij gemiddelde inspanning van de huisvrouwen onvoldoende zou zijn. Hoe hooger, aan den anderen kant, deze gemiddelde inspanning stijgt, des te lager het geldloon dalen kan. Dat bij een gegeven loonshoogte, sommige bijzonder werkzame en nauwgezette vrouwen iets meer kunnen doen genieten door man of kinderen, hebben zij derhaive te danken aan de aanwezigheid van de anderen, wier mindere ijver enz. het geldloon op een zeker gemiddeld peil helpt handhaven. Werden allen of werd de groote meerderheid zoo braaf dat de arbeidstijd die als regel aan de huishouding ten goede kwam belangrijk toenam, zoodat het gemiddelde zich naar boven verplaatste, steeg die tijd b.v. tot 18 uur, (een onderstelling die niets buitensporigs bevat) dan zou de kapitalist in ons voorbeeld met ƒ1.50 zijn arbeiders kunnen beloonen. Niet vreemd, dus, dat onder de deugden welke de kapitalistische klasse eert, ook de deugd van werkzaamheid in huisvrouwen pleegt gevonden te worden.
Ons, echter, geeft deze laatste uiteenzetting, waarvan de juistheid door honderd gevallen uit de werkelijkheid tc staven is, het recht om te besluiten dat het nadeelige effekt van het arbeidershuisgezin als maatschappelijke instelling vooral door de aanwezigheid van de goede huisvrouwen wordt versterkt.
III.
Van het door den heer De Vooys ingenomen standpunt is, zooals wij in ons vorige artikel hebben aangetoond, de omkeering door het kapitalisme in dit gezinsleven teweeggebracht onopgemerkt gebleven. Voor hem is het arbeidersgezin in zijn samenstelling niet principieel van de burgerlijke gezinnen te onderscheiden, tenzij dan dat het er zuiniger toegaat. Dit gezin wordt nu door den fabrieksarbeid enz. van de huisvrouwen bedreigd, en het ware te wenschen dat men dit door den wetgever kon doen beletten, een geneesmiddel dat, zooals wij gezien hebben, de heer De Vooys zich enkel verstout toepasselijk te verklaren in gevallen waar het haast niet noodig is.
De heer De Vooys heeft evenmin iets bespeurd van de totaal nieuwe en speciale funktie welke het kapitalisme aan het arbeidersgezin heeft opgedragen, waarvan het de werkplaats tot reproduktie van de arbeidskracht heeft gemaakt. Een gemeenschap voor verbruik, zegt de heer De Vooys, wiens ekonomisch onderscheidingsvermogen zelfs zulke duidelijke en treffende kenmerken als van het verbruik in de arbeidersklasse over het hoofd ziet. Verbruik, meent hij, is verbruik. Het eenige verschil dat hij opmerkt is een verschil van hoeveelheid. In het huishouden van de arbeiders is minder te verteren dan in het huis-
5i
houden van de bourgeoisie. Waarom dit zoo is, waarom het verbruik van de arbeiders zich in verreweg de meeste gevallen bepaalt tot het hoog noodige, waarom de behoeftigheid het kenmerk van hun levenswijze is, schijnt den heer De Vooys niet te interesseeren. Het schijnt zelfs in het geheel geen vraag voor hem te zijn. Gelijk reeds te voren opgemerkt, is de eenige maatschappelijke tegenstelling welke hij laat gelden die van arm en rijk, welke dan ook voor hem een natuurlijke en eeuwige, de grondleggende en beslissende tegenstelling is. Zijn ekonomisch onderscheidingsvermogen weegt enkel de beurzen. Niet de plaats door de klassen bij het produktieproces ingenomen bepaalt de mate van hun bezit, algemeener, hun plaats in de maatschappij, — omgekeerd regelt zich volgens deze opvatting hun ekonomische positie naar hun maatschappelijke, die in laatste instantie een finantieele positie is. Vandaar dat de schrijver in het verbruik van de arbeidersklasse enkel een kwantitatief verschil weet te erkennen, dat hem als karakteristiek van een ekonomische funktie: de voortbrenging van de waar arbeidskracht volkomen ontgaat. Vandaar ook dat hij geen principieele veranderingen en verschillen in het gezinsleven en de gezinsbetrekkingen weet te onderscheiden. En vandaar dat hij in de toekomst een herstel en een voortzetting van het gezinsleven op den ouden voet meent te mogen verwachten, wanneer de zwakke zij van het arbeidersbestaan, het geldgebrek, door de aktie voor hooger loon maar eerst een beetje flink verholpen is — zoodat de mannen hun vrouwen weer kunnen thuishalen.
In het hoofdstuk over „De Wijziging in de maatschappelijke beteekenis van het gezin", het derde van zijn preadvies, zet de heer De Vooys de door ons bestreden opvatting uiteen.
Van het erkennen van eenig kwalitatief verschil, gebaseerd op ekonomische tegenstelling, tusschen het huisgezin in de arbeiders- en in de kapitalistische klasse is geen spoor te vinden. „Het gezin" dat hij op het oog heeft is het gezin in het algemeen. Daar althans in de kapitalistische maatschappij het gezin als een onderscheidslooze, voor alle groepen der bevolking gelijksoortige instelling niet bestaat, is hetgeen de heer De Vooys bedoelt geen werkelijkheid, maar slechts het fantasiebeeld zijner kleinburgerlijke voorkeur. Zoover dit beeld naar de werkelijkheid is ontworpen vertoont het de trekken van het gezin in de bourgeoisie, waarop alleen zijn omschrijving als gemeenschap voor verbruik toepasselijk kan heeten. En niet alleen dat de heer De Vooys uit eigen wetenschap de klassetegenstelling in het gezinsleven niet weet af te leiden, hij vermag ook over de wetenschap van anderen enkel nonsens te debiteeren. „Voor de moderne, Marxistische sociaaldemokratie", redeneert de schrijver, „is het gezin, uitsluitend voor het verbruik, een maatschappelijk verschijnsel van zeer ondergeschikte be-
4*
52
teekenis." Dat het gezin, een gemeenschapsvorm waartoe, welke de inhoud dan ook moge zijn of worden, een zeer groot gedeelte der individuen in iedere klasse behoort, voor de sociaaldemokratie een „ondergeschikt verschijnsel" zou zijn, zal wel geen enkel verstandig mensch op de enkele verzekering van den heer De Vooys willen gelooven. Voor hem, echter, is dit „te begrijpen." Immers de sociaaldemokratie, zegt hij, „is geheel gebaseerd op een theorie over het kapitalistisch produktieproces. »Dit laatste is zonder twijfel geen gelukkige voorstelling van het feit dat de sociaaldemokratie, voor zoover zij een ekonomische leer is, en die leer ook over het kapitalistische produktieproces handelt, inderdaad over die produktiewijze een „theorie" bevat, welke theorie, juist wijl zij over een bepaalde produktiewijze handelt, van de ekonomische leer de „basis" uitmaakt. Doch wel groot moet de theoretische verwarring zijn bij dezen schrijver die als een zeer bijzondere misvatting aanmerkt, dat bij een theorie die over een produktiewijze handelt, d. w. z. een historisch bepaalden vorm van produktie, het „verbruik" alleen dan en in zoover in beschouwing komt, als het zich historisch van het verbruik onder andere produktiewijzen onderscheidt, dus door de produktiewijze bepaald wordt. De ekonomie bemoeit zich evenmin met het arbeidsproces als zoodanig, als met de konsumtie in engeren zin. Dit zijn onderwerpen van de technische wetenschappen, van de warenkennis, van de fyziologie. De ekonomie vraagt enkel naar de verschillende vormen die in den loop der geschiedenis het arbeidsproces aanneemt, en naar de maatschappelijke kondities waarop individuen en klassen bij het verbruik te pas komen. Zoo is, gelijk misschien de heer De Vooys thans zelf wel zal willen erkennen, de historisch bepaalde konditie op welke het proletariaat tot de konsumtie van arbeidsprodukten wordt toegelaten, in hooge mate karakteristiek voor de kapitalistische maatschappij. Terwijl bovendien de konsumtie van het proletariaat, als produktie en reproduktie van de arbeidskracht, een onmisbaar uitgangspunt vertegenwoordigt van het kapitalistische produktieproces. Welbeschouwd derhalve kan de heer De Vooys van de „Marxistische sociaaldemokratie" voor het eerst van zijn leven nog vernemen hoe gewichtig althans dit verbruik voor „het kapitalistische produktieproces" is, hoe belangrijk dus ook de instelling van het gezin in welks midden het verbruik nog altijd grootendeels plaats vindt.
„Doch al verliest, vervolgt de schrijver de boven geciteerde plaats, „het gezin zichtbaar voor de produktie elke waarde, er is geen enkel „teeken dat dit voor het verbruik der maatschappelijke goederen het „geval is. Integendeel richt het gezin zich in stijgende mate in naar „een regeling van dat verbruik, waardoor het welzijn en het levensgenot van de leden meer en meer wordt bevorderd." Hoe dwaas het
116
opmerkelijker, echter, dat aan zijn woorden op deze plaats de door ons onderstelde zin moet worden gegeven. Want daarmee veroordeelt de heer De Vooys het geheele systeem van hervormingen in dit artikel aangeduid als het meest werkzame middel om door tusschenkomst van de staatsmacht de stoffelijke omstandigheden van het arbeidersgezin te verbeteren. Op een vorige bladzij heeft de schrijver zooals wij zagen een paar zaken van dezen aard even genoemd, met de overigens juiste opmerking dat de arbeiders er geen geld voor hebben. En zelfs op deze plaats van zijn betoog, waarvan de taak der overheid het speciale onderwerp is, gaat de preadviseur zoo goed als stilzwijgend dit zeer belangrijke onderdeel van haar taak voorbij, een onderdeel in ieder kapitalistisch land door de politieke arbeiderspartij — en niet door haar alleen — „voorgesteld", waaraan een begin van „toepassing" in menig land reeds is gegeven.
Erger dan stilzwijgend, mogen we zeggen. Immers van het rijke hervormingsprogram dat den gezinsarbeid zooveel mogelijk bedoelt over te brengen en zoodoende den verpletterenden druk op de huisvrouwen te verlichten, dat, in verband met een bijzondere bescherming ook van de arbeidsters in de werkplaats, de arbeidersvrouwen in de gelegenheid wil stellen, voor zoover zij dat zelf nuttig oordeelen, onder betere voorwaarden in die werkplaats haar brood te verdienen, vrijer en flinker naarmate zij minder door de uitbuiting in het gezin geplaagd zullen zijn — van dit rijke hervormingsprogram vermeldt de heer De Vooys enkel de inrichting van fabriekslokaliteiten waar de moeders hun kroost „persoonlijk zoogen" kunnen, en verder de kleine-kinderbewaarplaatsen, of crèches. Het eerste geeft „slechts een gedeeltelijke verbetering", zegt hij. Tegen de „crèches", heeft voor eenigen tijd Heyermans „ernstige bezwaren in het midden gebracht", hetgeen De Vooys niet belet te getuigen dat ze „uitstekende diensten bewijzen". Inrichtingen zonder „bezwaren" of die meer dan een partieele verbetering zullen opleveren, heeft wel niemand zich onder de heerschappij van het kapitalisme voorgesteld Doch dit is uitsluitend een kwestie van machtsverhoudingen. Er is geen enkele reden om te twijfelen aan de mogelijkheid van gemeentewege den huishoudelijken arbeid als publieke diensten zoodanig te organiseeren, dat het samenleven van man, vrouw en kinderen bevrijd zal zijn van de zorgen en de plagen die thans het arbeidersgezin kenmerken als het tooneel van meest de meedogenlooze uitbuiting.
Wij komen hiermede aan de geestelijke en zedelijke zijde van het gezinsleven in het proletariaat, het laatste en meest belangrijke onderwerp.
Internationale verhoudingen.
DE DUITSCH-RUSSISCHE OVEREENKOMST
DOOR
W. VAN RAVESTEYN Jr.
Hoewel zij nog niet officieel bekend gemaakt is, lijdt het geen twijfel meer of een overeenkomst tusschen Duitschland en Rusland betreffende het nabije en midden-Oostenis tot stand gekomen of zoo goed als perfect.
Die overeenkomst betreft ongetwijfeld in de eerste plaats de „belangen" der beide staten in Perzië, het vroegere wereldrijk, waar sinds een eeuw en meer reeds de beide moderne wereldrijken, het Russische en het Britsche, een van hun wrijvings- en botsingsvlakken bezitten. Maar het eigenaardige karakter der internationale verhoudingen is in onzen tijd, den tijd der wereldpolitiek, meer dan vroeger ooit het geval was, van dien aard, dat overeenkomsten tusschen twee of meer der groote, de wereld beheerschende staten, nooit op zichzelf staan en nooit zonder verband met de verhoudingen tot de andere wereldmachten kunnen worden beschouwd of begrepen. En zoo is de Duitsch-Russische overeenkomst, welker beteekenis op zichzelf men niet behoeft te overschatten, van grooter belang, indien men haar beschouwt in het historische en politieke verband, waardoor zij samenhangt met de verhoudingen der wereldmachten in 't algemeen in den pas verleden tijd en de waarschijnlijke ontwikkeling dier verhoudingen in de naaste toekomst.
Gaan wij eerst de overeenkomst na volgens den tekst die na de eerste bekendmaking door een Engelsch blad in de Europeesche pers is verspreid en die hoogstwaarschijnlijk niet te veel zal afwijken van den waren I). Zij luidt dan:
I. De Russische regeering verklaart zich bereid de voltooiing van den Bagdad-spoorweg niet tegen te werken. Zij verbindt zich ook aan de deelneming van buitenlandsch kapitaal aan die onder-
i) Zoo luidt althans het oordeel van een groot deel der toonaangevende Duitsche, Fransche en Engelsche bladen.
8
I2S
nauwer is geworden niet alleen, maar ook sinds de politieke spanning tusschen de regeering der Fransche Republiek en de Duitsche regeering zoo goed als geheel is opgeheven, thans en in de naaste toekomst ongetwijfeld veel meer kans op verwezenlijking. Mogelijk is zij zelfs reeds volledig verkregen — en behelst de Russisch-Duitsche overeenkomst niets anders meer dan de onmisbare diplomatieke toestemming van Frankrijk's bondgenoot en grooten schuldenaar, Rusland, tot een door de geldkapitalisten beider landen reeds getroffen overeenkomst. Men zie voor die waarschijnlijkheid het artikel: Internationale verhoudingen in het Februari-nummer 1910 van dit tijdschrift. Als „voorbehoud" bij deze haar toestemming stelt de Russische regeering de vrijwel overbodige clausule, dat „van haar geen financieele offers zullen worden verlangd." Financieele offers van het bankroete Tsarenrijk, dat steeds moeite heeft voor zijn eigen ondernemingen de noodige millioenen uit de beurzen der Europeesche kapitalisten bijeen te graaien en dat nu al weer op uiterst sluwe wijze een nieuwe groote staatsleening op de Fransche markt voorbereidt, verwacht niemand zeker voor een onderneming als den Bagdad-spoorweg.
Het volgende artikel bevat de overeenkomst tusschen de beide regeeringen betreffende, de noodzakelijke aaneensluiting van den Bagdadspoorweg met de spoorwegen, die Rusland zich voorstelt te kunnen bouwen in het deel van Perzië, dat volgens het Engelsch-Russische verdrag aan zijn invloed is prijs gegeven.
Dit gedeelte wordt begrensd door een lijn, die van de poorten van den Zagros, Kasri-Tsjirin, waar een van de twee of drie groote toegangswegen tot het lranische plateau begint, getrokken is over Kermanchah, Ispahan, Yesjd naar het Zuid-Oosten en die zich vervolgens naar het Noord-Oosten over Kasjh naar de Russisch-Afghaansche grens uitstrekt. Welke spoorlijn in Perzië hier bedoeld wordt, is uit den bovengenoemden tekst van het verdrag alleen niet op te maken — Sadije is een naam die geen licht geeft — doch doet ook voor ons doel niet ter zake.
Beide voorgaande artikelen kunnen als concessies van Rusland aan Duitschland worden opgevat, doch het spreekt vanzelf, dat daartegenover andere van Duitschland aan Rusland moeten staan, gegeven het beginsel van het „do ut des," dat de verhoudingen tusschen de groote mogendheden bepaalt.
De concessies van Duitschland liggen dan ook in de twee volgende artikelen. Duitschland verbindt zich volgens die artikelen geen andere spoorwegen te zullen aanleggen dan den eenen zijtak van de Bagdadlijn, die de verbinding zou vormen tusschen Bagdad en het punt, waar de Russische invloedssfeer in Perzië begint — Kanikin (Hanneguin) — Kasri—Tsjirin —, dien zijtak eventueel door te trekken naar de Russische grens, dwz. in verbinding te brengen met de Russische
126
Transcaucasische spoorwegen en doet dus blijkbaar afstand van het bij de concessie van den Bagdad-spoorweg verkregen recht om de zijlijn Mosoel—Erbil te bouwen, die zijn invloed in het hart der Noordelijke Perzische provincies zou brengen. Maar Duitschland verbindt zich, mag men veronderstellen, tot meer. Niet alleen dat het den uitsluitenden invloed der Russen in Noord-Perzië op politiek, strategisch en economisch belang erkent — dit zou geen concessie zijn doch slechts de erkenning van een ook door geen van de andere mogendheden betwisten stand van zaken — doch het ziet ook nog eens en explicite af „van het najagen van eenigerlei concessie" op welk gebied ook, hetzij in eigen voordeel of in dat van anderen, ten noorden van een lijn, die schijnbaar en op het eerste gezicht slechts Perzische gebieden omvat en ongeveer, niet geheel, samenvalt met de door het Russisch-Engelsche verdrag erkende invloedssfeer van Rusland in Perzië. Doch indien men die lijn doortrekt op Turksch gebied, zal men zien, dat zij èn den zijtak Mosoel—Erbil en de gebieden ten noorden van den Bagdadspoorweg begrenst. Indien deze niet-uitgesproken bedoeling in het verdrag mede aanwezig is — niet uitgesproken, omdat Duitschland ten opzichte van het Turksche Rijk onmogelijk dergelijke bepalingen op papier zou kunnen geven — dan beteekent dit dus, dat Duitschland nogmaals afziet van het bouwen van lijnen in die streken van KleinAzië en Armenië, welke Rusland als gebied voor zijn penetratie gereserveerd wil zien.
Evenwel: dit behoeft niet. Indien het verdrag niet onuitgesproken ook nog deze laatste strekking heeft, is het toch reeds een zware benadeeling van de Turksche belangen, omdat het de zijlijn Mosoel— Erbil en andere eventueele zijlijnen naar het noorden in den steek laat. Dat Duitschland verder Perzië totaal overlaat aan den Russischen invloed, die het tracht te verworgen, is nauwelijks als een concessie op te vatten en spreekt geheel vanzelf. Perzische revolutionnairen en constitutionalisten, die gedurende het vorige jaar wellicht op die Duitsche hulp verwachtingen hebben gebouwd, zien dan nu in, hoe weinig grond dergelijke verwachtingen onder de voeten hadden.
Vraagt men nu, welke van de beide edele spitsbroeders bij deze overeenkomst het meeste gewonnen heeft, dan behoeven wij nog niet aan te nemen, wat op het eerste gezicht juist schijnt, dat Rusland bij deze nieuwste diplomatieke paftij de winnende hand heeft gehad. Inderdaad schijnen op het eerste gezicht de concessies van Duitschland aan Rusland veel waardevoller dan omgekeerd. Maar de vraag is, welke veranderingen in de verhoudingen tot andere mogendheden de DuitschRussische overeenkomst, gesteld zij luidt als tot nog toe wordt aangenomen, begeleiden. Zonder dit te weten, kan de overeenkomst niet geheel op haar beteekenis worden geschat. Dit alleen kunnen wij met
12,7
eenige zekerheid reeds zeggen, dat i°. in ieder geval de diplomatieke en financieele hindernissen, die aan den bouw van het tweede groote stuk van den Bagdad-spoorweg in den weg stonden, blijkens deze overeenkomst belangrijk schijnen te zijn verminderd, ja misschien geheel uit den weg geruimd, 2°. dat het Turksche Rijk meer dan ooit van alle kanten besprongen wordt door zijn belagers, Oostenrijk en Rusland in het Westen en Noorden, Engeland in het Zuiden. Het eerste feit beteekent, dat in ieder "geval, ondanks pogingen tot overeenstemming, ook de Duitsch-Engelsche tegenstelling weer een verscherping belooft te zullen ondergaan, want hoe meer de Bagdad-spoorweg zijn verwezenlijking nader komt, hoe meer zal blijken, dat tusschen de belangen van het Duitsche en het Engelsche imperialisme in die streken op den duur een verzoening moeilijk denkbaar is.
Het tweede feit zal de Jong-Turken, hopen wij, meer dan ooit leeren, dat slechts in de versterking niet alleen van de militaire, maar ook van de economische krachten van het rijk der Khaliefen, economische krachten, die schuilen in de massa's der boeren, hun eenige hoop gelegen is en niet in de hulp van het Europeesche kapitalisme, van welken vorm of van welke macht ook.
Burgerlijke en proletarische wetenschap over „de toekomst van ons ras"
DOOR
H. ROLAND HOLST.
Inleiding.
In „De Gids" van Oktober 11. heeft professor G. Steinmetz in een opstel „De Toekomst van ons ras" getiteld, eenige beschouwingen gehouden en meeningen geuit over ten deele dezelfde vraagstukken, die Kautsky behandelt in de laatste hoofdstukken van zijn zoo belangrijk geschrift „Vermehrung und Entwicklung in Natur und Gesellschaft." De lezers van „De Nieuwe Tijd" zijn met den inhoud van Kautsky's jongste werk in hoofdtrekken bekend, door het voortreffelijk overzicht dat onze geestverwant W. van Ravesteyn er van gegeven heeft in de November-aflevering van dit tijdschrift. Er zou dan ook geen reden zijn, om na van Ravesteyn's artikel op het boek van Kautsky terug te komen, ware prof. Steinmetz' artikel niet geschreven. Maar dit laatste biedt een zoo schoone gelegenheid, om, ten eerste het sterk tendentieuse karakter der z. n, , naturalistische sociologie" aan te demonstreeren, ten tweede, door vergelijking met het werk van den grootsten levenden soc.-dem. theoretikus, aan te toonen hoe de burgerlijke wetenschap vrij wel radeloos staat tegenover dezelfde biologischsociologische verschijnselen, wier oplossing door nieuwe, uit de maatschappelijke ontwikkeling ontspringende krachten de proletarische vooruitziet, dat ik niet kan besluiten, mij haar te laten ontgaan. Ik wil daarom het artikel van prof. Steinmetz eenigszins uitvoerig beschouwen. In het eerste deel van die beschouwing zal ik mij meer speciaal bezig houden met de weerlegging zijner sociologische toepassing van biologische wetten en aantooneD, hoe tendentieus, dat wil zeggen ingegeven door de — waarschijnlijk onbewuste — neiging een reaktionair standpunt in het maatschappelijk leven te verdedigen, zijne voorstelling is. In het tweede deel zal ik door vergelijking met het geschrift van Kautsky duidelijk maken, hoe het klassestandpunt van den burgerlijken geleerde er hem toe brengt, in tegenstelling tot den sociaal-demokratischen, de toekomst van het menschenras zeer pessimistisch in te zien. Ten einde niet in herhalingen te vervallen van wat door van Ravesteyn reeds gezegd is, zal ik bij deze verge" lijking in den regel naar zijn artikel verwijzen en dat slechts hier en daar aanvullen.
I. Overzicht en algemeene geest van Prof. Steinmetz' artikel.
Wij beginnen met een algemeen overzicht van den inhoud van professor Steinmetz' artikel. Hij leidt dit in met een kleine beschouwing over de macht der erfelijkheid. Alle menschen zijn verschillend; de oorzaken dier verschillen
129
zijn: ten eerste de invloeden van voor de geboorte, d.w.z. de erfelijke aangeboren eigenschappen van lichaam en karakter; ten tweede, de invloeden na de geboorte, als opvoeding en omgeving. „De vermogens, het gedrag, de praestaties van het volwassen individu worden allen zoowel door de aangeboren eigenschappen, den aanleg, als door de opvoeding van het leven bepaald. De mensch op een gegeven oogenblik is het nauwkeurig produkt van beider gecompliceerde en voortdurende wisselwerking van af de geboorte." Wat de erfelijkheid der verworven eigenschappen aangaat, pleit, meent de schrijver, veel voor Weismanns ontkenning dier erfelijkheid, „maar toch neigen de tegenwoordige biologen er toe met Darwin Lamarcks leer gedeeltelijk aan te nemen." Zij achten echter een lange herhaling bij vele geslachten noodig, willen de verworven eigenschappen op de nakomelingen overgaan.
De macht der opvoeding wordt gewoonlijk overschat. Twee geheel anders aangelegde naturen groeien in een geheel andere richting, ook al worden ze in precies dezelfde maatschappelijke en geestelijke verhoudingen groot gebracht „Nooit werd een talent door opvoeding verkregen." Alle organen van het lichaam zijn verschillend bij verschillende individuen, zeer waarschijnlijk ook de hersenen. „Dat verkeerde theoriën het anders zouden verlangen weegt hier zeker niet tegen op. Tot die theoriën behooren het optimistische radikalisme en vooral het socialisme; de aanleggelijkheid behoort tot zijn principieele illusiën, en is waarlijk zijn theoretisch postulaat" (prof. Steinmetz haalt als bewijs van deze bewering Bebels „Die Frau und der Sozialismus" aan). De aaneenschakeling van al die verschillende aangeboren aanleggen door de afstamming, het geheel dier erfelijkheidsmassa vormt het ras. Verbetering van het ras komt o.a. tot stand, doordat zijn meerwaardige leden de grootste nakomelingschap achter laten; degeneratie, rasseverslechtering door het omgekeerde. Zoo een volk al leefde in de verwerkelijkte utopie, maar zijn verkeerde en minderwaardige leden lieten evenveel of meer nog net levensvatbaar kroost achter dan de „sociaal wenschelijke klassen" dan zou dat volk tóch achteruitgaan en het ras zou bederven. Wanneer, omgekeerd, een volk van algemeene armoede en groote onwetendheid zich alleen voortplantte door de sterksten en begaafdsten of dat dezen zich veel talrijker vermenigvuldigden dan de minder begaafden, dan zou dat een krachtig gelukkig volk worden. „Ik noem dit ook een mooie en blijde overtuiging, dat het meer aankomt op den mensch en zijn oorspronkelijken aanleg dan op het voedsel van zijn geest en zijn maag."
Dit alles zijn echter maar voorbereidende opmerkingen: professor Steinmetz' opvatting van het erfelijkheids-vraagstuk in verband met de evolutie der menschheid vormt nog slechts den onder- of achtergrond van het probleem, dat hij in het opstel wat ons hier bezighoudt onderzoekt. Dat probleem is de vaststelling der omstandigheden, die in de huidige maatschappij de erfelijkheidszeving bepalen. Hoe zeeft nu onze tijd? Wie zal door hare mazen vallen? Wie blijft er over om de toekomst van het ras te vormen? Anders uitgedrukt: wie zal overwinnen in den strijd om het bestaan?"
De schrijver wijst bij de beantwoording dezer vragen allereerst op de bekende verschijnselen van late huwelijken bij de mannen der middel- en hoogste klassen en vermindering van het kindertal. Als de oorzaken hiervan noemt hij: de trek naar de steden, emigratie naar de koloniën, uitstel van trouwen uit begeerte naar weelde en rijkdom of door de hooge eischen van het beroep aan den man gesteld. En daar volgens sommige biologen de lagere klassen die wel vroeg trouwen en in sterker mate toenemen dan de hoogere, minder begaafd van aanleg zijn dan deze laatsten, zouden er dus een grooter aantal minder begaafden dan meerbegaafden komen. „Wanneer het nu waar is, dat de lagere klassen in
130
't algemeen minder begaafd van aanleg zijn dan de hoogere wat zeer wetenschappelijke mannen als Schallmayer, Hertz, Buschan enz. aannemen, en wat zeker hoogst waarschijnlijk genoemd moet worden, zoo wij slechts de zeer gewichtige ekonomische deugden bij die begaafdheidsschatting genoegzaam in rekening brengen, dan is het wel van belang wat Haycraft ons voorrekent, dat de afstammelingen van den boerenarbeider in eenige generaties een heel wat grooter deel der bevolking bedragen, dan die van den industrieel of van den medicus."
Een andere oorzaak van het laat- of niet trouwen en den achteruitgang van het ras (door vermindering van het kindertal) ziet professor Steinmetz in het feminisme, „meer een noodweer dan een ideaal," gelijk hij zich uitdrukt. Feminisme leidt tot neo-Malthusianisme. Zoodoende worden de betere en meer begaafde vrouwen uit de voortplanting uitgeschakeld. In „de amerikaniseerins van het gezin, door feminisme, vrouwen-arbeid, coöperatief huishouden, belangstelling van de vrouw buitenshuis," ziet prof. Steinmetz „een zeer groot gevaar voor onze maatschappij" dat „in de eerste plaats het nageslacht der kloekere vrouwen" bedreigt, dus juist dat waarop wij langzamerhand leeren den hoogsten prijs te moeten stellen."
Weer een oorzaak dus van verminderde voortplanting der „sociaal-wenschelijken,'' die de overwinningskansen der onwenschelijken vergroot. Door drang naar weelde komen kleine gezinnen, uit kleine gezinnen komen zwakkere, minder energieke personen voort. Sommigen beperken het kinderaantal uit gezondheidsredenen of uit fijngevoeligheid, n.1. uit medelijden met hun kinderen, die de hardheid van het leven zullen leeren kennen.
Zoo werken allerlei redenen samen, om de beperking van het kindertal te bevorderen. „Het schijnt, dat de verspreiding van welvaart, de algemeene beschaving, het demokratisch streven naar even voornaam leven als de anderen, alle volken op zekere hoogte gekomen tot dit hulpmiddel van het neo-Malthusianisme doen grijpen."
Ligt in de beperking van het kindertal al op zichzelven een gevaar van achteruitgang van het ras, andere maatschappelijke factoren werken in dezelfde richting. In de eerste plaats de prostitutie en haar gevolg: de venerische ziekten. Dan de vooruitgang der medische wetenschap, samengaande met de verhooging en verspreiding van het altruïsme.
Door haar ingrijpen worden de levens van tallooze zeer zwakken en niet-vitalen behouden. Aan de medische wetenschap danken zij „hun voortbestaan tot eigen ellende en misdaad, hun voortbestaan tot zij weer het leven kunnen schenken aan even ellendigen."
Zoo b.v. de erfelijk-belasten met tuberculose. „Zoo lang de wetenschap overtuigd blijft, dat deze ziekte toch vooral op erfelijken aanleg berust, zoolang is onttrekking der zieken aan den natuurlijken droevigen afloop van hun ellendig noodlot toch eigenlijk een roekelooze bedreiging ja benadeeling der volksgezondheid en van het ras."
De ongeschiktheid van vele vrouwen om hun kinderen te zoogen wordt langzamerhand ook erfelijk en heeft zoowel achteruitgang van het ras als groote kindersterfte tengevolge. Deze kindersterfte moet bestreden worden, maar eigenlijk moet zij toch niet te zeer bestreden worden, want zij is eene „wieding der menschheid door de natuur." Haar te bestrijden is feitelijk de selektie der sterkeren tegen te houden.
„Het spreekt toch van zelf, dat ceteris paribus het zwakkere kind eerder voor aanvallen bezwijkt dan het sterkere en dat de ongunstige dispositie der jeugd ook in het verder leven toch eerder een nadeel dan een voordeel is."
i3i
Uit de beschouwing van deze en eenige soortgelijke verschijnselen trekt de schrijver dan de volgende konklusie: „Alle hygiène die verder gaat dan de bestrijding van de te erge vijanden van ons geslacht, die dus ook de essentieelerfelijk-zwakken beschut en in het leven houdt, heft het onontbeerlijk privilegie der aangeboren kracht op; zij vermeerdert de zwakte tegelijk met de zwakken, zij bedreigt de toekomst van het ras en werkt dus anti-sociaal."
Van deze „blinde hygiène" vraagt hij „of zij ons laatste woord is"; in haar ziet hij niets als een „wreede weekhartigheid" ten koste van het nageslacht, die de „vermeerdering der minderwaardigen" in de hand werkt. Hij „durft niet verlangen dat wij ons medisch en hygiënisch werk zullen staken," maar toch ... in den grond van zijn hart verlangt hij dit wèl. Want „iedere gevoelsneiging, ieder sociaal plan, iedere utopie moet getoetst worden aan de eischen van het ras."
Brengt een zekere mate van kuituur, vraagt prof. Steinmetz, altijd rasbederf mee? En zijn antwoord luidt somber: denk aan het ondergaan van de groote kuituurvolken: de Grieken en Romeinen, aan het verminderen der geboorten bij het Fransche volk.
Of hij dan in het geheel geen lichtpunten ziet, geen krachten hoegenaamd aanneemt, die de tendenzen tot achteruitgang van het ras kunnen doorkruisen of tegenhouden ? Ja en neen- Wel noemt hij eenige omstandigheden die de rasbedervende mogelijk min of meer zullen kunnen bestrijden, maar ze schijnen zóó zwak, zóó onbeteekenend, dat het geen oogenblik bij den lezer van het artikel kan opkomen, daarvan in ernst het gestuit worden van de gewichtige maatschappelijke oorzaken der degeneratie van het ras te verwachten. Uit een korte opsomming zal dat blijken. Als een der krachten die in de richting van bestrijding der degeneratie werkzaam zijn, beschouwt professor Steinmetz ... het Protestantisme. Vroeger gingen velen van de besten in het klooster en werden zoo onttrokken aan de voortplanting: in het protestantisme is niet alleen, deze averechtsche selektie opgeheven maar zelfs door een gunstige beweging vervangen: denk aan het talrijke kroost der protestantsche geestelijken, en de vele uitnemende mannen en vrouwen daaruit gesproten, zegt prof. Steinmetz en wij ademen weer wat vrijer. Verder zullen vrijer Malthusianisme en vrijer huwelijk op den duur belangrijke gevolgen hebben. „De prostituee en de vrijwillige coelibatair onttrekken zich en hun eigenschappen aan het ras, beide oefenen daarmee een zekere selectorischen invloed uit, haast geheel voordeelig wat de eerste betreft, voor den tweeden ook voor een deel." Ook de langdurige of voortdurende verwijdering uit de maatschappij van misdadigers en drankzuchtigen zal het ras ten goede komen. Misschien zal de „nietkiezende, nietonderscheidende sentimentaliteit" van nu, plaats maken voor een echter en grooter altruisme dat zal leiden tot „het beramen van plannen en maatregelen die berusten zullen op juiste schatting van ieders waarde en van de beteekenis van ieder leven in het samenspel van allen." Ook zal het langzaam groeiend biologisch en psychologisch inzicht maatregelen aan de hand doen tot bevordering van de welvaart van het ras: „vermeerdering van wetenschap is wat wij in de eerste plaats behoeven." — Maar zullen deze maatregelen ook uitgevoerd worden ? Prof. Steinmetz kan dat niet waarschijnlijk achten, want, vraagt hij twijfelmoedig, „is van de massa-heerschappij wel ooit eerbiediging van eugeneten, bevordering van eugenese te verwachten, beperking van de woekering der zwakken en ongewenschten ?"
En wederom aan het slot: „Zal zij (nl. de hoogere beschaving) de steeds meer falende natuurlijke selektie weten te vervangen door even doeltreffende
132
opzettelijke teeltkeuze? Zal zij de juiste maatregelen hiertoe weten te vinden Zal zij ze durven en willen toepassen? Met deze weinig-hoopvol gestelde vragen eindigt de schrijver zijne beschouwing.
Het artikel van prof. Steinmetz richt zich feitelijk doorloopend tegen de demokratie in het algemeen, en slechts op een enkele plaats rechtstreeks tegen de sociaal-demokratie. Maar nochtans levert het in een klein bestek een typisch staaltje van de wijze, waarop, met behulp van wat E. Bouglé, de schrijver van het in vele opzichten voortreffelijk werk „La démocratie devant la science" „naturalistische sociologie" betitelt, d.w.z. van een rauwe en mechanische toepassing der biologie op de menschenlijke samenleving, de sociaal-demokratie voor het forum der wetenschap gedaagd en veroordeeld wordt. Immers, zij is de eenige strijdbare en konsekwente voorvechtster der eischen van maatschappelijke gelijkstelling, waartegen de ook door prof. Steinmetz vertegenwoordigde richting in de sociologie zich keert.
In ons land is, voor zoover ik weet, nog slechts zelden de natuurwetenschap tegen de sociaal-demokratie te hulp geroepen. En als natuurlijk gevolg hiervan, zijn de argumenten der „naturalistische sociologie" tegen de politieke en ekonomische demokratie van onzen kant nog weinig onder de oogen gezien, i) Toch zijn die argumenten m. i. bestemd, in den strijd der heerschende klasse om het behoud der macht — voor zoover die strijd met geestelijke wapenen wordt ge streden — een belangrijke rol te spelen. Voor dat deel der bourgeoisie, dat uit traditie of neiging nog niet besluiten kan, de vluchthaven van den godsdienst binnen te loopen, wordt de fatsoeneering der natuurwetenschap tot een werktuig in den strijd der klassen eenvoudig onmisbaar. Immers, de ekonomie vermag haar niet meer te helpen: de ekonomische ontwikkeling toch verloopt in groote lijnen geheel en al volgens de door Marx gestelde prognose: de koncentratie der bedrijven, de akkumulatie der kapitalen, de snellere toeneming van het proletariaat dan die der bevolking, blijken uit elke statistiek. De maatschappelijke ontwikkeling zelve schiet bres na bres in de wallen der burgerlijke ekonomie : hare dienaren zijn genoodzaakt geweest, zich ter verdediging van de klasseheerschappij der bourgeoisie, in den voorloopig nog min of meer bomvrijen toren der psychologie terug te trekken. Dit toch en niets anders is de beteekenis der „grensnuttigheidstheorie." — Intusschen is een ander deel der bezetting ijverig in de weer, een nieuwen ring van wallen op te werpen, nieuwe, aan de natuurwetenschap ontleende argumenten tegen de eischen der arbeidersklasse op te stapelen. Aan ons de taak ook in die wallen bres te schieten, de waardeloosheid dier argumenten aan te toonen.
Drie hoofdgedachten der biologie zijn het voornamelijk, welke de „naturalistische sociologie," tegen de eischen van politieke en ekonomische gelijkheid in 't veld brengt. De eerste is het beginsel der erfelijkheid, het nadruk leggen op haar macht en haar beteekenis voor den mensch, op de gevaren die het ras bedreigen, wanneer zijne minwaardige elementen zich onbelemmerd voortplanten en met meerwaardige vrijelijk vermengen. Men kan deze tendenz of richting met Bouglé de „anthroposociologie" noemen. De tweede hoofdgedachte is die van den strijd om 't bestaan. Het „sociale Darwinisme" tracht
i) Een uitzondering hierop vormt Pannekoek, maar zijn zoo leerzaam geschriftje over „Marxisme en Darwinisme" verscheen tot nu toe enkel in 't Duitsch.
*33
ons de wenscheiijkheid inteprenten, ter wille van het ras dien strijd in alle vrijheid tusschen de leden der menschengemeenschap te laten heerschen, aan de natuurlijke selektie den vrijen loop te laten. De derde hoofdgedachte, of „eigenlijke organische theorie," is de direkte gelijkstelling der menscheumaatschappij met een dierlijk organisme, dat slechts door steeds-toenemende differentie zijner verschillende deelen, achteruitgang van het geheel voorkomt. 1) Zoo worden dus in drieledig opzicht van stellingen der natuurwetenschap en biologische wetten, sociale gevolgtrekkingen afgeleid. Daar echter prof. Steinmetz alleen de erfelijkheidsleer en den strijd om het bestaan in het geding brengt, zal ik mij eveneens daartoe beperken en op den z.n. „organische theorie" niet nader ingaan.
Alvorens verder te gaan moet ik echter eerst den zonderlingen uitval van pro.. Steinmetz tegen het socialisme beantwoorden, dat dit met volkomen miskenning van de resultaten van het biologisch onderzoek, de „aanleggelijkheid" van alle menschelijke wezens tot „theoretisch postulaat" zou hebben. Dit verwijt is ongeveer even juist als het zou zijn te zeggen, dat het socialisme tot theoretisch postulaat de gelijke lengtemaat of de gelijkheid in aanschijn en wezen van alle menschen heeft.
Zijn „theoretisch postulaat" is aan de ekonomie, aan een bepaalde graad van de ontwikkeling der produktiewijze, ontleend, niet aan eenig abstract natuurrecht. En wat de aangeboren menschelijken aanleg betreft, zoo houdt het staande:
i°. dat niet deze, maar de maatschappelijke omstandigheden in de kapitalistische maatschappij in den regel voor lot en loopbaan van den mensch beslissend zijn;
2°. dat ondanks alle individueele schakeering, alle fijnere ongelijkheden, een algemeene gelijkheid van aanleg van alle normale menschen bestaat, die een alzijdige ontwikkeling hunner lichamelijke en geestelijke vermogens mogelijk maakt en hen in staat stelt zoowel hersen- als handenarbeid te verrichten.
Niets anders beweert ook Bebel in de door prof. Steinmetz waarschijnlijk bedoelde passage van zijn werk , Die Frau und der Sozialismus." 2) Geenszins spreekt Bebel daar van een absolute gelijkheid van aanleg: integendeel, hij konstateert letterlijk „dat de aanleg der individuen voor de meest-uiteenloopende beroepen verschillend is." Dat hij Helvetius bijvalt waar deze meent „dat de groote meerderheid der wei-georganiseerde (d.w.z. normale) menschen met vrij wel gelijken graad van verstand geborgen wordt" is toch heel wat anders dan het postuleeren van een „absolute gelijkheid van aanleg." De bewering van Helvetius komt volkomen overeen met het resultaat der anthropologische onderzoekingen, geformuleerd in de bekende (ook in partijkringen door het artikel van Bonger over marxisme en revisionisme thans bekende!) wet Galton-Quetelet, dat de overgroote meerderheid der individuen in lichamelijk als in geestelijk opzicht om het gemiddelde heen schommelt, en de afwijkingen daarvan, hoe grooter zij zijn, des te zeldzamer voorkomen. 3)
Wanneer Bebel verder in de bewuste passage zijn verwachting uitspreekt, dat
1) Bouglé op. Cit. bl. 36.
2) Prof. Steinmetz citeert uit den vierden druk, die niet ter mijner beschikking is, ik uit den 5osten bl. 405.
3) Ook het biologisch onde-zoek komt tot de konklusie dat ..hoe groot de beteekenis van dit individueele (aangeboren) verschil, bijv. waar het onzen geestesaanleg betreft, uit een zedelijk of maatschappelijk oogpunt dikwerf schijne, zoowel de redeneering als de ervaring dwingt te erkennen, dat het steeds van zeer ondergeschikten aard moet zijn. Want elke diepergaande qualitatie^e afwijking doodt de kiem of maakt haar althans voor paring ongeschikt" (Herediteit en Pessimisme, van Prof. C. H. Kuhn; „de Gids", 111- 19°°)-
134
„de verschillen in de prestaties der individuen in de socialistische maatschappij' gering zullen zijn," noemt hij als oorzaak van die verwachting dan ook niet de aanleg-gelijkheid maar, naast het feit dat allen zich in gelijke levens-voorwaarden ontwikkelen, dit andere, dat een ieder daar naar neiging en begaafdheid werkzaam zal zijn — dat is dus juist het tot zijn-recht-komen van de aanlegongelijkheid!
Overigens, zoo prof. Steinmetz meent, dat de aangeboren physiopsychische ongelijkheid-in-gelijkheid, de gelijkstelling der individuen voor vele praktische doeleinden uitsluit, dan moet hij zich niet keeren tegen de toekomst maar tegen het heden, dan moet hij de school, het examenstelsel, de fabriek, de militaire dienst en tal van andere maatschappelijke instellingen aanvallen, die alle zoowel kinderen als volwassenen behandelen als gelijken-van-aanleg zonder zich om individueele ongelijkheden te bekommeren. Ongetwijfeld zal de socialistische maatschappij èn bij het onderwijs, èn in de sfeer van den arbeid veel meer rekening kunnen houden met de verschillen van aanleg, veel meer kunnen individualiseeren dan de burgerlijke doet.
Gaan wij nu verder met de beschouwing van Prof. Steinmetz' artikel. Wat daarbij in 't algemeen voornamelijk opvalt is, naast zijn treffend gebrek aan dialektisch inzicht, (waarop ik later terug kom), zijn stoutweg negeeren van de sociale oorzaken in sociale aangelegenheden. Wel begint hij met de uitspraak, dat de mensch het produkt van aangeboren eigenschappen, opvoeding en omgeving is, maar komt hij tot de beschouwing der konkreete verschijnselen, dan rept hij over deze laatste, over de sociale omstandigheden, met geen woord meer. Bij de opsomming der oorzaken van degeneratie, die de toekomst van het ras in gevaar brengen, wordt de allervoornaamste, n.1. het geheel der levensomstandigheden van de arbeidende klasse, eenvoudig uitgeschakeld. Zelfs waar de schrijver naar aanleiding van de natuurlijke selektie, verschijnselen als kindersterfte en tuberkulose, die in het allernauwste verband staan met den toestand van het proletariaat, ter sprake brengt, wordt die toestand volkomen genegeerd. Met voorbijzien van wat hij op de eene bladzijde schrijft over de gevolgen van den trek naar de steden, de emigratie enz. d. w, z. van sociale faktoren, die biologische verrichtingen als geslachtsgemeenschap en voortplanting beinvloeden, schijnt prof. Steinmetz op de volgende bladzij te veronderstellen, dat de menschheid leeft in den natuurstaat, en kwam slechts onze „blinde hygiène" niet tusschenbeide, de natuurlijke selektie ongetwijfeld voor het overleven der „besten en meest geschikten" zorgen zou. Wat prof. Steinmetz ons voorzet, is naturalistische sociologie van het zuiverste water, onmiddellijke en onvoorwaardelijke toepassing van erfelijkheids-leer en selektie-begrip op de maatschappij.
II. De erfelijkheidsfaktoren.
Wat nu in de eerste plaats die erfelijkheidsleer aangaat, moet men den schrijver verwijten haar eenzijdig beschouwd, er slechts de elementen aan ontleend te hebben, die in zijn betoog pasten. Prof. Steinmetz aanvaardt, in overeenstemming met den tegenwoordigen stand der biologie, de hypothese van Weismann over het niet-erfelijk zijn der verworven eigenschappen, echter begrensd door deze andere stelling, dat langdurige inwerking der z. n. uitwendige invloeden op vele geslachten deze eigenschappen wèl erfelijk kan maken. Ondanks dit gematigd-Weismanniaansch standpunt echter, ademt het artikel een zeer sterke minachting voor de uitwendige invloeden op het individu en op de nakomelingschap. De machtspreuk „dat het meer aankomt op de oorspronkelijke gesteldheid van den mensch dan op het voedsel voor zijn geest en zijn
'35
maag" — met andere woorden dat de invloeden der omgeving, vergeleken bij die der erfelijkheid, uiterst onbelangrijk zijn — stelt, en dit is doorloopend de geest van het artikel — de invloeden van vóór en die van na de geboorte op geheel ondialektische wijze tegenover elkaar. Prof. Steinmetz vat beide op als tegenstellingen — wat ze ten deele maar ook slechts ten deele zijn; — hij vergeet, dat beide in de werkelijkheid in een hoogere eenheid worden opgelost, daar in haar geen volstrekte tegenstellingen bestaan. Hij ziet voorbij dat aan den eenen kant de erfelijke toestanden, volgens de zeer juiste opmerking van een fransch psychiater, zeiven niets anders zijn als uitwendige invloeden, door de voorouders ondergaan en overgebracht, i) terwijl aan de andere zijde deze invloeden in sommige gevallen het organisme vermogen te beïnvloeden, ook zonder dat zij gedurende vele geslachten worden herhaald.
f eitelijk nadert de empirische biologie steeds meer tot het standpunt, de overerfelijkheid van verworven eigenschappen onder bepaalde omstandigheden te 'erkennen. In elk geval twijfelt zij er niet meer aan, dat elke variatie, elke afwijking van het type het gevolg is van uitwendige invloeden, die op de kiemen hebben ingewerkt. Weismann zelf is, na een tijdlang gemeend te hebben, dat kiemen wel konden verdwijnen of sterven, maar overigens onaantastbaar waren voor eiken uitwendigen invloed, tot de overtuiging gekomen, dat zij tengevolge van wijzigingen in de stofwisseling kunnen worden gemodificeerd. Verworven eigenschappen of veranderingen in den aanleg kunnen dus op de nakomelingschap overgaan, wanneer de modifikaties niet slechts op de organen, maar ook op de determinanten, niet slechts op het lichaam, maar ook op de voortplantingsprodukten hebben ingewerkt. 2) Ook de meest intransigente Weismannianeri nemen met langer een volstrekte scheiding aan tusschen het individueele, voorbijgaande, en het blijvende, erfelijke deel der organismen. De kwestie, welke elementen wel, welke niet bij machte zijn, de voortplantingsprodukten te beïnvloeden, is nog niet uitgemaakt; even weinig als de vraag, welk deel der kiemen (kern alléén of zoowel kern als protoplasma) de erfelijkheids-drager is. In den ïaatsten tijd zijn door Oscar Hertwig proeven genomen met radiumpreparaten op kikvorschen, waaruit bleek, dat ei en sperma de werking van radium, waaraan zij blootgesteld zijn geweest, op de nakomelingschap overdragen. Hertwig meent, dat dit evenzeer mogelijk kan zijn met andere invloeden, b.v. chronisch misbruik van alkohol.
Het schijnt zeker, dat de stofwisseling van het organisme tin hooge mate inwerkt op de kiem. Darwin stelt de „direkte variabiliteit," n.1. de invloed van veranderde levensvoorwaarden op de voortplantingsorganen, naast de direkte. Ook Weismann neemt aan, dat het begin eener variatie onafhankelijk is van selektie en berust op de onop'ioudelijk-terugkeerende kleine onregelmatigheden v'an de voeding der kiem. 3) Wanneer de uitwendige invloeden slechts het soma 'nodificeeren dan leiden zij tot voorbijgaande, niet-overerfelijke variaties, maar beffen zij de kern, dan worden zij overgebracht op de volgende generatie.
') Dr. A. A. Marie, La psychologie collective normale et morbide comparée, bl. 266.
2) Proeven, door Brown Séquard op marmotjes genomen, wier nek-zenuwen op een bepaalde wijze beschadigd werden, hadden bij de nakomelingschap verschillende pathalogisehe 'oestandtn van de huid ten gevolge. Weismann zelf nam proeven op een vlindersoort, die gewoonlijk roode vleugels heeft; onder den invloed van hooge temperaturen, teelde hij een Va"eteit met zwarte gevlekte vleugels, evenals die voorkomt in wanne landen. Planten, wier levens-omstandigheden veranderd worden, wijzigen hun weefsel-struktuur in hooge mate, enz.
3) Das Keimplasma, bl. 566, aangehaald bij Fr. Rohde, „Ueber den gegenwürtigen Stand 8er Frage nach dem Entstetmi und Vererbung individueller Eigenschaften und Krankheden."
i5i
beslissing over het resultaat der onderhandelingen met de ondernemers werd niet door de besturen, maar door de vertegenwoordigers der bouwvakarbeiders genomen." J. W. Albarda.
In DER KAMPF van Januari geeft Karl Renner een beschouwing over: Openbare woningzorg. Een oud Engelsche spreuk zegt: ,,Mijn huis is mijn burcht", hiermede wordt de vóór- en beginkapitalistische periode gekarakteriseerd, voor het toenmalig klein-burgerlijk economisch systeem bevatte het de waarheid. De handwerker, de kleine zelfstandige ondernemer was bezitter van huis en hof, hetwelk diende voor zijn gezin en bedrijf. In deze afzonderlijke familieburcht leidde hij een zelfstandig en economisch onafhankelijk bestaan.
Het meer ontwikkeld kapitalisme treedt hier onteigenend op, vernietigt het kleinbezit, weg is nu tevens de afzonderlijke familiewoning, en inplaats daarvan komt de huurwoning en de huurkazerne.
Het woningkapitaal is een deel van het maatschappelijk kapitaal, waarmee het bouwt om ter beschikking te stellen luxe- en armoêwoningen. Het is samengesteld uit twee elementen: grond- en bouwkapitaal en herinnert aan twee verschillende maatschappijvormen of wel het verbindt twee methoden van uitbuiting : die der agrarische grondrente en van de industriëele kapitaalwinst.
Huizen worden oud en bouwvallig, daarbij geldt ook hier de maatschappelijke wet: verdringing van het klein- door het grootbezit, maar gelijk elders, ook hier houdt zich een oude instelling „in naam" op de been, en zoo is het kleine huiseigendom grootendeels door hypotheek belast. Het één zoowel als het ander maakt dat het leenkapitaal hier een belangrijke rol vervult. „Zoo is het woningkapitaal de vleeschwording der kapitalistische drieenheid : winst, leenen grondrente. De door geen hypotheek belaste woningeigendom draagt alzoo een drievoudig masker: het hoogmoedig gelaat van den grondbezitter, de schraapzucht van den ondernemer en de roofsnavel van den rente-woekeraar". Deze drieeenheid: grondbezit, bouwkapitaal en hypotheekmacht, leeft ten koste van de millioenen arbeiders die grond onder de voeten en een dak als bescherming boven het hoofd willen bekomen.
Niet altijd hebben bovengenoemde drie deelen in het woningkapitaal gelijke belangen; gesteld het stedelijk grondbezit kartelliseert zich, dan leidt dit tot grondwoeker, daar het het bouwland braak laat liggen om de prijzen te doen stijgen, in dit geval huilt het bouwkapitaal tranen met tuiten, omdat het geen behoorlijke winst kan maken, dan brult het leenkapitaal van woede, daar het geen belegging kan vinden. De twee laatsten trekken nu ten oorlog tegen de tyrannie van het feudale grondbezit en stellen als politieke eisch: landnationalisatie. Of het leenkapitaal belegt zijn geld in Amerikaansche fondsen en leent alleen uit tegen hooge rente; grondbezitters en bouwspeculanten trekken ter kruistocht tegen 't woeker-leenkapitaal en eischen: staatscrediet; of het leenkapitaal is bereid tegen matige rente kapitaal ter beschikking te stellen, doch grondbezit en bouwspeculatie beleven te gelijker tijd slechte tijden (?) dat wil zeggen de huurders hebben geen geld om hun huur te betalen en kunnen dus niet wonen en veel woningen staan leeg, dan zet het leenkapitaal een groote mond op en eischt betere zaken, vrije ontwikkeling of staatsmonopolie. Ondanks deze twisten om 't grootste deel van den buit, beramen zij steeds plannen om de buit opnieuw en grooter binnen te halen, zij weten de woninghuur op te drijven en berooven de arbeidende klasse van nog een deel van haar schamel inkomen, laten haar 't gelag van den strijd betalen.
Het woningvraagstuk bestaat dus voor de burgerlijke politici uit een grond
152
«een bouw- en een credietvraagstuk, de arbeidende klasse stelt daarentegen het algemeen woningvraagstuk. Het proletariaat verkoopt zijn arbeidskracht per •week en krijgt per week z'n loon betaald, daarom kent het bijna algemeen slechts de weekhuur, d. w. z. in tijden van ouderdom- invaliditeit- ziekte en staking, aanzegging tot ontruiming met acht dagen. Bij dit alles is de in gewone tijden „normale" toestand de krot — en éénkamerwoning. In het gunstigste geval komt de staat en gemeente, — gedreven door de belangen van het zich uitbreidend kapitaal en onder den dwang van de steeds machtiger arbeidende klasse — met wening- en sanitaire verordeningen, wat meestal nog een woningnood ten gevolge heeft en de arbeidende klasse wordt op straat geworpen. Zoo wordt bewaarheid het gezegde van Marx, dat het kapitalisme zijn slaven niet kan herbergen.
Het kapitalisme kan de woningnood der proletarische massa slechts verergeren, nooit opheffen. Hier helpt alleen 't socialisme. Zooals het socialisme in het algemeen, zoowel einddoel van de arbeidersbeweging en toekomstige regeling van de maatschappij als levendige werkzaamheid in het tegenwoordige is, zoo zal het socialisme ook nu in :t woningvraagstuk werkzaam zijn. De arbeidersklasse stelt als eisch, dat de staat het woningkapitaal de teugels aan legt, zij drijft de bourgeoisie door haar machtsvorming er toe ook in deze iets voor haar slaven te doen. Winden de industriëélen zich op voor land nationalisatie, de agrarische klein-burgers voor staatscrediet en komt hierbij de bureaucratie op voor woning- en gezondheidsinspectie, alleen het proletariaat eischt de werkelijke algemeene woninghervorming. „In de proletarische klasse treedt het socialisme als coöperatie gedachte op, als georganiseerde zelfhulp der arbeidende klasse- De arbeiders vereenigen zich in bouwvereenigingen, dus eigenlijk woningcoöperaties, die den gewonen huurder, het beheerschte uitbuitingsobject van den huisbezitter veranderen in medebezitter en medegenieter van het coöperatief eigendom."
De woningcoöperatie splitst zich in huur- en bouwcoöperatie, de laatste is het meest doortastend, toch zijn haar grenzen gesteld in onze kapitalistische maatschappij. Zij lijdt gestaag aan kapitaal nood. Zonder kapitaal is grond noch bouwmateriaal te verkrijgen, hier leidt de sociaal democratie de burgelijke hervormings eischen in haar bedding : het gemeentelijk socialisme moet helpen aan billijken bouwgrond, de staat moet billijk crediet helpen verschaffen, de bureaucratie zal bouwplannen en woningtoezicht moeten helpen verkrijgen. •Eerst op dezen grondslag kan een woningcoöperatie gedijen en staat zij voor de vorming van de toekomstmaatschappij boven de huurcoöperatie. Huur- en bouwcoöperatie zijn als woningcoöperatie één, deze laatste tot ontwikkeling te
i brengen is alleen de arbeidende klasse gegeven.
Hetzelfde nummer van Der Kampf, bevat een deel van een wetsontwerp door
■ onze Fransche veteraau Vaillant bij het Fransche parlement ingediend, waarin verband wordt gelegd tusschen De duurte der levensmiddelen en het vaststellen der loonen. We nemen hieruit 't volgende over.
„Het loonminimum, dat niet gereduceerd mag worden, is voor één derde vast, voor twee derden van het bedrag in grootte wisselend. Voor deze twee derden moet het gelijken tred houden met de in den regel wisselende posten voor woning, verwarming, verlichting en voeding (brood-vleesch-melk-suiker enz.) van welke de detailprijzen, door voor dit doel speciaal distriktsgewijze ingestelde slatistische bureaus moeten worden vastgesteld. In ieder kwartaal moet een uitspraak van de kamers van arbeid der betrokken streek vaststellen of de detailprijzen gestegen zijn; in dit geval moet de kamer van arbeid de twee in
, groote wisselende deelen van het loon van de arbeiders en beambten vaststellen."
[53
In de toelichting (blz. n van het wetsontwerp) zegt Vaillant: „De kracht der vakorganisatie kan slechts met moeite het loon op die hoogte houden, die noodig is om den arbeider goed te voeden. Voor de groote massa der ongeschoolde arbeiders blijft dit loon tengevolge van de inspanning der ondernemers en de hulp van den staat onder het noodzakelijk bestaansonderhoud. De indirecte belastingen, in 't bijzonder de belastingen op levensmiddelen en de invoerrechten, verzwaren de kosten van het levensonderhoud, die nog meer gedrukt worden door den vooruitgang van de kapitalistische productiewijze, door de concentratie van het kapitaal, door de kartels en trusts, speculatievereenigingen, die door een opdrijving van hun groote dividenduitkeeringen de prijzen in de hoogte drijven.
Het voortdurend duurder worden der levensmiddelen is één der karakteristieke ontwikkelings verschijnselen van de kapitalistische productiewijze op haar tegenwoordige trap van ontwikkeling.
Verder werkt de vermindering van de geldwaarde. Tengevolge van de voortdurende vermindering der productiekosten van het goud, daalt ook zijn koopkracht en daarmee de koopkracht van het loon, zoodat het werkelijke loon voortdurend geringer is dan het oorspronkelijk vastgestelde nominaal of geldloon.
Zoo wordt het een noodzakelijkheid dat de vakvereenigingen hun loontarieven met de behoeften van het arbeidersleven in verband brengen, dus dat een loonminimum vastgesteld wordt, dat de materieele bestaankosten van den arbeider verzekert. S. Kopkrberg.
UIT DE ORGANEN DER TRANSPORT-ARBEIDERS.
In den Eisenbahner, het centraalorgaan van het Oostenrijksche Spoorwegpersoneel van 10 Januari komt een artikel voor getiteld „leiders en massaas", over hetzelfde thema als door von Elm in de „N. Zeit" wordt behandeld. De schrijver meent, dat deze aangelegenheid van groote beteekenis moet worden geacht buiten Duitschland, ja nog van meer beteekenis dan voor Duitschland zelf, wijl de arbeiders daar ook in vakaangelegenheden een groote mate van rijpheid hebben verworven. Wantrouwen in de leiders overgebracht in de vakorganisaties moet deze groot nadeel doen. Want heeft iedere vertrouwenspost in de beweging een groote waarde, zeker is dat met dien der vertrouwensmannen der vakvereenigingen het geval en dat in de eerste plaats met hen, die in toonbewegingen leiding geven en onderhandelingen voeren. Natuurlijk is de moderne vakvereeniging demokratisch, niet alleen door de gelijkstelling der leden, waar het aanspraken op ondersteuning geldt, maar vooral ook door de voor ieder lid aanwezige mogelijkheid kritiek uit te oefenen en invloed op de leiding van den vakbond te doen gelden. Aan de demokratie wordt niet tekort gedaan, wanneer de door de leden zelf aangewezen leiders als pleitbezorgers der arbeiders optreden. Dit geeft natuurlijk groote voordeelen aan de georganiseerden. De ontwikkeling in het maatschappelijk leven bewerkt dat in toenemende mate voor den ondernemer diens organisatie optreedt. Het onderhandelen met de werkgevers eischt daardoor meer inzicht, grooter onafhankelijkheid dan ooit. De routine is een belangrijke factor. Bovendien houden de vertrouwensmannen voeling met de betrokken arbeiders, daar deze immers uit hun midden aan de vakvereenigingsleiders eenige personen toevoegen, die hen mede bij de onderhandelingen vertegenwoordigen.
Het vertrouwen van de leden der organisatie in de beambten en leiders mag niet worden verzwakt. De arbeidersklasse is als onderdrukte klasse van nature
154
al wantrouwend. Zij laat zich makkelijk te^en haar leiders opzetten. De gele vakvereenigingen pogen dat doorloopend in de hand te werken en weten daarmee haar lastgavers — den patroons — aangenaam te zijn.
Herhaaldelijk lukt het. Zelfs de Engelsche vakbeweging is dit wantrouwen niet bespaard gebleven ondanks haar voorbeeldige „opvoeding en demokratie'". In Oostenrijk worden in den nationaliteitenstrijd, waaronder de vakvereenigingen lijden, zelfs door sociaaldemokraten de vakvereenigingsbestuurders der centrale organisatie als „betaalde agenten" gesmaald en op die wijze de positie der vakvereenigingen bedreigd.
De bezittende klasse toont zich ook in dit opzicht wijzer dan de arbeiders. Waarom zouden de ondernemers er zich zoo lang tegen verzetten, dat gesalarieerde bestuurders namens de arbeiders onderhandelen? Niet zonder reden gebruiken de werkgeversorganisaties daarvoor van haar kant bezoldigde bestuurders en gesalarieerde juristen. Is het in dit verband niet opmerkelijk, dat de Duitsche regeering de handhaving van het wetsontwerp in zake de kamers van arbeid afhankelijk stelt van de uitschakeling der vakvereenigingsambtenaren voor de verkiezingen dier lichamen.
Een verkeerde opvatting der uitlating van Bebel is in de vakbeweging hoogst schadelijk. De verhouding van leiders en massaas is hier een zeer bijzondere. Zeker is het in iedere demokratische organisatie geboden kritiek op de leiders uit te oefenen, hen aan een geregelde maar oprechte en opbouwende kritiek bloot te stellen. Wantrouwen van ander soort bederft niet alleen het leven der leiders, maar vermindert noodwendig de weerkracht der vakvereenigingen.
In twee beiangrijke artikelen van hetzelfde orgaan behandelt de redacteur Frans Lell de „strijdvragen tn het christelijke vakvereenigingskampl' De duitsche christelijke vakbeweging kent twee stroomingen: de z.g. Katholieke vakafdeelingen met een uitgesproken reactionair klerikaal karakter en de richting Miinchen--Gladbacb, interconfessioneel, welke vooruitstrevende neigingen vertoont. Hoewel beide groepen in het leven werden geroepen om de ontwikkeling der socialistische vakbeweging te bemoeilijken, bracht de praktijk de z.g. „vrije"' christelijke vakvereenigingen meermalen tot handelingen, die den machthebbers maar matig bekoorden. Op het bekende congres dezer vakvereenigingen te Zürich kwam de strooming naar links duidelijk tot uiting in de rede van den heer Giesberts, die zich tegen de voogdij der bisschoppen met kracht verzette.
De klove in het kamp der christelijke vakvereenigingen werd sedert aanmerkelijk dieper. Vindt de interconfessioneele richting sterken steun bij den kardinaal Fischer, van Keulen, zijn Breslauer collega Kopp wil slechts van de zuiver katholieke vakbonden weten, wat al direct daaruit te verklaren is, dat de arbeidersbevolking in het westen van Duitschland met zijn hooge industriëele ontwikkeling wat meer noodig heeft, dan het achterlijke Opper-Silezie, waar het klerikalisme nog hoogtij viert.
De sympathiën van den paus zijn voor de zuiver katholieke, reactionaire richting en hoewel het hoofd der kerk de uiteenzettingen van den kardinaal Fischer over de inrichting en werkwijze der interconfessioneele vakbonden welwillend aanhoorde, hij bleef bij zijn standpunt: de interconfessioneele vakvereeniging wordt slechts geduld, de zuiver katholieke door hem begeerd. Het Duitsche werkgeversblad „die Post" poogt de kerkelijke autoriteiten tot een vijandig optreden tegen de eerstgenoemde op te hitsen; constateert dat de
155
interconfessioneelen slechts in naam van de sociaaldemocraten verschillen, waar „de agitatorische methoden der massa-beweging, de ophitsing tegen de ondernemers en de bestaande maatschappelijke orde" in wijde kringen van industriearbeiders van West-Duitschland heeft bevorderd. Tegenover dit streven constateert het werkgeversorgaan met vreugde ,,de sterke tegenstrooming van positief-geloovige en monarchistisch-conservatieve richting" der katholieke vakvereenigingen.
Een Oostenrijksche kerkelijke autoriteit, professor der moraaltheologie te Innsbruck, Jozef Biederlack, komt in een boekje getiteld: „Theologische vragen over de vakbeweweging" de werkgevers te hulp. Onvoorwaardelijk erkent hij het recht van paus en bisschoppen om de ontwikkehngstendenzen in de vakbeweging te beïnvloeden en om hun stem te verheffen tegen het eischen van „onrechtmatig hooge loonen" en het gebruiken van onzedelijke middelen als den boycot van bepaalde zaken of personen, aan welke stem ieder katholiek gehoor dient te geven. De christelijke zedenwet, wier inhoud natuurlijk door paus en bisschoppen wordt bepaald, is de eenige maatstaf ter beoordeeling van het optreden der vakvereeniging. „Het is het bevel van Rome voor de zwenking naar het kamp der arbeidersvijanden en der reactie."
In het orgaan der Duitsche modern-katholieken „Das nette Jahrhundert" wordt omtrent de pauselijke zienswijze inzake de interconfessioneele vakbeweging nog nader meegedeeld, dat deze richting slechts voorloopig geduld wordt, dat reeds een encycliek tegen haar op de schrijftafel van den paus gereed lag, dat het bezoek van kardinaal Fischer slechts een uitstel voor anderhalf jaar kon besverken, en de sterkste factor voor dit geringe succes nog was de boodschap welke Pater Spahn overbracht, dat namelijk het ontbinden der katholieke volksvereeniging en een verbod der interconfessioneele vakvereenigingen de vernietiging beduidde van den eenigen dam tegen den stijgenden rooden vloed.
Natuurlijk zien de aanhangers der interconfessioneele richting het gevaar en Pogen zij zich daartegen te beschermen, door in het „Centraalblad der christelijke Vakvereenigingen" te getuigen van hun waarachtigen christelijken zin en hun innigen afkeer van de sociaaldemocratie. Zij wijzen daarbij op de'zinsnede Uit hun program, dat zij nl. slechts lotsverbetering der arbeiders begeeren op den bodem der bestaande maatschappelijke orde. Zij onderschrijven het dogma van den klassenstrijd niet, integendeel verklaren zich bereid daartegen beslist stelling te nemen en spreken het vertrouwen uit, dat de werkgevers zullen inzien, dat hun eigen belang'mebrengt de taak der interconfessioneelen niet te bemoeilijken.
„Inplaats van eigen rechten te verdedigen komt de gang naar Canossa." De meest weerbaren onder de christelijke vakvereenigingen zijn onder den druk Qer kerkelijke hiërarchie terecht gekomen in het leger der arbeidersvijanden en der zwartste reactie.
De Courier, het transportarbeidersblad der Duitsche organisatie, dat een oplage van 150,000 nummers bereikte, drukt in het nummer von 29 Januari een Petitie af van het Centraalverbond van Duitsche werkgevers in de transporthandels- en verkeersbedrijven aan den Duitschen rijksdag, waarin aangedrongen wordt op een sterkere wettelijke bescherming van arbeidswilligen. Hoe gaarne °ok de werkgevers allen strijd met hun arbeiders zouden vermijden, dit is onmogelijk waar de laatsten niet slechts ten opzichte van de loonen te hooge eischen stellen maar de werkgevers ondergeschikt willen maken aan de sociaaldemocratische vakvereenigingen. Het vrije vereenigingsrecht wordt door deze gemaakt tot vereenigingsplicht en zoowel ongeorganiseerden als christelijken en leden der Hirsch Dunckersche organisatie staan aan het ergerlijkst terrorisme bloot.
Met weduwen- en weezenverzorging en ziekteondersteuning op zeer onvol-
156
doende financieele basis worden de leden gewonnen, die daarna onder deü invloed der roode pers komen en worden opgehitst. Een scherper controle op sociaal democratische en „speciaal" op vakvereenigingsbladen is beslist noodzakelijk. De arbeiders laten zich door onverantwoordelijk handelende leiders in den strijd drijven. De sterke aaneensluiting der werkgevers vermindert de schadelijke gevolgen van het optreden der vakvereenigingen. Doch alleen door wettelijke bepalingen tot betere bescherming der werkwilligen en door schadevergoeding bij contractbreuk zijn voldoende waarborgen te krijgen tegen het drijven van de sociaaldemocratie. Het transportbedrijf kan door zijn natuurlijke uitgebreidheid op wegen, stations, havenwerken, enz. nooit voldoende politiebescherming krijgen. De strafwet moet hulp bieden. Het posten worde verboden, daar de instructies der vakbonden aan de posten het gewenschte effekt uitwerken en iedere gewelddaad wordt vermeden, d.w.z. iedere daad van zichtbaar geweld — doch indirect wordt natuurlijk wel geweld gepleegd tegen werkgevers en werkwilligen.
Gewezen wordt op Moabit, dat wel duidelijk zou hebben bewezen, hoe onvoldoende de wetgeving thans is. Als daar dreigbrieven aan de rechtbank werden gericht, het gerechtsgebouw speciaal onder bescherming moest worden gesteld, getuigen uit vrees voor de socialisten niet de waarheid durven zeggen, dan blijkt wel hoe urgent deze zaak is geworden. Nog in deze zitting van den Rijksdag moet tot verandering der strafwetgeving worden besloten en de bescherming van den arbeid met alle middelen, waarover de staatsmacht beschikt, worden verzekerd. De werkgevers beschouwen deze aangelegenheid als een levensvraag. Afwijzende iedere uitzonderingswet, achten ze een gezamelijk optreden van alle burgerlijke partijen tegen de terreur der vakvereenigingen gewenscht. Waar in het buitenland de militairen worden opgeroepen om de werkenden te beveiligen, wordt in Duitschland slechts de politie gebruikt, die tegen de moeilijke taak veelal niet is opgewassen.
De werkgevers, in het adresseerende verbond vereenigd, kunnen zelfs geen dag hun bedrijf stop zetten zonder het algemeen belang zwaar te schaden. Het transportbedrijf kan geen hoogere offers meer dragen. H. Sneevliet.
Socialistische ontwikkelingsarbeid in Duitschland.
DOOR
P. VOOGD.
I.
Waar in ons land op het gebied der systematische arbeidersontwikkeling nog ongeveer alles gedaan moet worden, daar zullen ondervindingen en lessen'uit die landen, welke reeds een aanvang gemaakt hebben zoowel met de theoretische en praktische opleiding van agitatorische, vertegenwoordigende en besturende krachten als met de ontwikkeling der groote arbeidersmassa, zeker welkom zijn.
Allereerst eenige mededeelingen uit Duitschland.
De Duitsche sociaal-democratische partij en ook de Duitsche vakvereenigingen hebben steeds veel gedaan voor de sociale en politieke ontwikkeling der arbeiders. Om slechts een enkel ding te noemen: de partij-pers brengt voortdurend aan hare lezers in bevattelijke artikelen socialistische scholing en er is bijna geen vakvereeniging, die er niet een meer of minder uitgebreide bibliotheek op na houdt.
Intusschen — tot voor eenige jaren geschiedde het ontwikkelingswerk slechts te hooi en te gras; systeem was er niet in en ook van samenwerking op dit gebied tusschen partij en vakbeweging was zoo goed als geen sprake.
Bremen was de eerste plaats, waar men de zaak anders aanpakte.
Heinrich Schulz hield in de soc.-dem. vereeniging een inleiding over kunst, wetenschap en klassenstrijd. Hij bepleitte, dat de arbeidersorganisaties zich zouden losmaken van burgerlijke ontwikkelingsvereenigingen en zelfstandig het werk van scholing en bewustmaking ter hand zouden nemen.
Met algemeene stemmen werd een resolutie aangenomen, die aldus luidde: „Kunst en wetenschap kunnen zich in de burgerlijke maatschappij met vrij ontwikkelen. Beide zijn in haar uitingen en in haar vertegenwoor-
i58
digers op meer of minder duidelijk zichtbare wijze beïnvloed door deburgerlijk-kapitalistische grondslagen van de huidige maatschappelijke orde. De klassebewuste arbeiders moeten daarom bij de bevrediging van hun behoefte aan kunst en wetenschap er voor oppassen, dat zij niet onder den dekmantel van „vrije" wetenschap en kunst misbruikt worden voor de politieke bedoelingen van hun burgerlijke tegenstanders.
Het is daarom wenschelijk, dat de klassebewuste arbeiders zelfstandigdoelmatige organisaties in 't leven roepen om den wetensdrang der arbeiders en hun behoefte aan kunst te bevredigen en in de juiste banen te leiden.
Eerst in de socialistische maatschappij is de vrije ontwikkeling van kunst en wetenschap en een innig deelhebben — zoowel actief als. passief — van het volk aan kunst en wetenschap mogelijk.
Het zoo spoedig mogelijk vei wezenlijken van de socialistische maatschappij door een zoo krachtig mogelijk gevoerden klassenstrijd op elk gebied is dus ook in 't belang van kunst en wetenschap."
Verder werd besloten, dat het bestuur der soc.-dem. vereeniging zich met den Bremer Bestuurdersbond in verbinding zou stellen om te beraadslagen over een organisatorische samenwerking der beide lichamen voor het beoogde doel. Het resultaat was de oprichting in 1905 van de eerste Duitsche commissie voor arbeidersontwikkeling.
Het voorbeeld in Bremen werd al spoedig door andere plaatsen gevolgd. Op dit oogenblik bestaan er in Duitschland ongeveer 200 van zulke „Bildungsausschüsse", waarvan het overgroote deel gesticht is door de voor dit doel samenwerkende plaatselijke centrales van partijen vakafdeelingen.
De oprichting van de Bremer ontwikkelingscommissie viel in een tijd, dat de algemeene vraag der volksopvoeding in de kringen der soc.-dem. arbeiders en arbeidsters levendig werd besproken. De brutale aanslag der Pruisische reactionnaire regeering, die door een wijziging der schoolwet het volksonderwijs meer en meer onder de macht der geestelijkheid bracht, had ten gevolge, dat de belangstelling der arbeiders in onderwijszaken zeer toenam.
En ook de vrouwelijke partijgenooten gingen zich druk met de kwestie der opvoeding bezighouden. In haar orgaan „Die Gleichheit" werd uitvoerig over „jeugd en socialisme" gediscussieerd, op openbare en huishoudelijke vergaderingen, op bijzondere tournée's spraken deskundigen zich er over uit.
Het is dan ook geen wonder, dat in 1906 de partijdag van Mannheim het vraagstuk in zijn geheeleu omvang aan de orde stelde. Met Duitsche grondigheid werd daar het thema sociaal-democratie en volksopvoeding door Heinrich Schulz en Clara Zetkin besproken. De eerste stelde het klassekarakter der volksschool in het licht, gaf als doel der
•59
opvoeding aan „het ontwikkelen van den geestelijken en lichamelijken aanleg van alle menschen tot de grootst mogelijke volmaaktheid", bewees, dat dit doel slechts in het socialisme bereikt zou kunnen worden en stelde de eischen op, die reeds onder het kapitalisme door de groeiende kracht der arbeidersbeweging geheel of gedeeltelijk zouden kunnen worden verwezenlijkt.
Clara Zetkin besprak de huiselijke opvoeding. Zij stelde den eisch, dat de partijgenooten hun kinderen in den geest eener socialistische wereldbeschouwing hebben op te voeden en schilderde de wijze, waarop dat zou kunnen gebeuren. Om deze gewichtige taak naar behooren te kunnen vervullen — zoo was de gang van haar betoog, dat zij wegens lichamelijke oververmoeidheid op den partijdag zelf niet ten einde kon brengen, doch welks lijn men kan volgen in de in 't protokol gepubliceerde stellingen, die haar bij haar redevoering tot leiddraad dienden, — moeten de partijgenooten zichzelf theoretisch-socialistisch verder scholen en door strenge zelfbeheersching aan hun karaktervorming arbeiden.
Van de partij verlangde zij voor dit doél medewerking en steun door behandeling in de pers van onderwerpen, de opvoeding en het onderwijs rakende en door het scheppen van een socialistische kinderlitteratuur.
Haar vijfde stelling luidde:
„Het proletariaat is de drager van een bijzondere, geheel op zichzelf staande levensbeschouwing, die weliswaar de konsekwente verdere ontwikkeling is van de hoogste wetenschappelijke en artistieke idealen van onzen tijd, maar een scherpe tegenstelling vormt met de burgerlijke levensbeschouwing en dus ook met de hedendaagsche burgerlijke wetenschap en kunst, die een duidelijk klassekarakter vertoonen. Met het oog op zijn historische taak kan daarom het proletariaat de burgerlijke geestesbeschaving niet zoo maar overnemen, maar moet er de waarde aan toekennen, die overeenkomt met zijn eigen levensbeschouwing. In deze feiten ligt de reden, waarom ook de welmeenendste en op zichzelve verdienstelijke pogingen van burgerlijke kringen om te komen tot verheffing van de volksontwikkeling op het gebied van wetenschap en kunst, slechts een betrekkelijke waarde bezitten. De sociaal-democratie kan daarom aan dat streven geen deel hebben; echter ziende de dringende behoefte der breede massa's aan ontwikkeling staat zij sympathiek tegenover deze pogingen, voor zooverre ze niet bewust worden verlaagd tot middelen, om het klassebewustzijn van het proletariaat te vertroebelen en de kracht van zijn klassenstrijd te verzwakken.
Voor haarzelf ontstaat echter de taak, in steeds meerdere mate voor de alzijdige verdere vorming van haar leden te zorgen en wel in de eerste plaats voor hun theoretische scholing door stelselmatig onderwijs in de beginselen van het wetenschappelijk socialisme.
Als middelen komen in aanmerking: het stichten resp. het verder
i6o
volmaken van arbeiders-ontwikkelings-instituten, het organiseeren van systematisch gerangschikte cursusreeksen, het houden van lees- en discussieavonden, het verspreiden der litteratuur van het wetenschappelijk socialisme, het behandelen van theoretische vraagstukken in de dagbladpers.
In de partij kan de artistieke zin worden opgewekt en gekweekt door goedverzorgde uitgaven van herdenkings- en feestgeschriften en geïllustreerde publicaties, door het uitgeven van waardevolle ontspanningslectuur en van platen naar schilderijen van groote meesters, door het houden van concerten, voordrachten, gemeenschappelijke bezoeken aan musea, enz., door inleidende artikelen in de pers, door een oordeelkundig en doelmatig inrichten der feestelijke samenkomsten."
Ten slotte verlangde zij een commissie uit theoretici en praktici bestaande, die een centraal punt voor de ontwikkelingspogingen zou moeten zijn en wier taak o. a. zou moeten bestaan in het opstellen van programs voor cursusvergaderingen en cursusreeksen, het aanwijzen van litteratuur, op een bepaald onderwerp betrekking hebbende, het inrichten van een sprekersdienst voor ontwikkelingsdoeleinden, het geven van advies voor het organiseeren van ontwikkelende of artistieke bijeenkomsten.
II.
DE CENTRALE ONTWIKKELINGSCOMMISSIE DER PARTIJ.
Discussie had er over de beide redevoeringen, de stellingen en de voorstellen niet plaats. Dit was onmogelijk geworden doordat het tweede referaat niet geheel was gehouden. De partij besloot daarom redevoeringen, stellingen en voorstellen te verwijzen naar een ontwikkelingscommissie van zeven personen. Het partijbestuur benoemde tot leden dezer commissie de partijgenooten David, Heimann, Korn, Mehring, Schulz, Vollmar en Zetkin. Bebel vertegenwoordigde het partijbestuur in deze commissie, waarvan het bezoldigde secretariaat aan Schulz werd opgedragen.
Om te weten te komen in welken omvang en op welke wijze door de Duitsche arbeidersorganisaties ontwikkelingsarbeid werd verricht, begon de commissie met het verzenden van een vragenlijst aan de bestuurdersbonden, de hoofdbesturen der vakvereenigingen en de vrouwenorganisaties.
Uit de ingekomen antwoorden bleek, hoe noodzakelijk de instelling van deze commissie was geweest en welk een uitgebreid veld van werkzaamheid voor haar lag.
En ook nog uit iets anders was duidelijk gebleken, dat de steeds betere doordringing der arbeidersmassa met de grondbeginselen der sociaal-democratie een levensbelang der partij genoemd moest worden.
iói
In December 1906 werd de eisch der Duitsche regeering, haar ten behoeve der koloniale politiek in Zuid-Afrika een buitengewoon crediet van 29 millioen Mark toetestaan, door een Rijksdagsmeerderheid, bestaande uit Centrum, Sociaal-democraten, Welfen en Polen, verworpen.
Bülow, die den tegenstand der hofkringen tegen zijn persoon wilde breken, achtte het oogenblik gunstig om zijn geschokt gezag door een krachtig optreden tegen de „anti-nationale" partijen te herwinnen.
Hij ontbond den Rijksdag.
Nieuwe verkiezingen werden uitgeschreven, die weldra bijna uitsluitend een anti-socialistisch karakter kregen.
Een ongekend hevige campagne werd door de vereenigde burgerlijke partijen (met uitsluiting van het Cemtrum) tegen de sociaal-democraten gevoerd.
Het Duitsche kiezersvolk werd in alle toonaarden verzekerd, dat de uitbreiding van den kapitalistischen invloed in Afrika zulk een bij uitstek nationaal belang was. De sociaal-democraten, die steeds principieel de koloniale politiek, welke neerkomt op onderdrukking en uitbuiting van vreemde volken (in dit geval de Hottentotten en andere Zuid-Afrikaansche stammen) hadden bestreden, werden voorgesteld als de vijanden des volks.
Alle mogelijke middelen als ambtelijke pressie, geldelijke bijdragen van industrievorsten en beurskapitalisten, tot de laagste als stelselmatig verspreide laster werden tegen de gehate rooden aangewend. Het gevolg was, dat de groote nog politiek ongeschoolde massa in een roes van chauvinistische geestdrift tegen de sociaal-democratie te hoop liep.
Onder deze omstandigheden brachten de „Hottentottenverkiezingen" van 1907 aan de Partij een vrij groot verlies aan zetels.
De Rijksdagsfractie slonk van 81 op 43 man. Wel wist de partij nieuwe medestanders te winnen — het totaal aantal stemmen steeg zelfs met een kwart millioen — maar dit feit viel niet te ontkennen: verschillende kiezers, die tot dusverre de partij trouw gesteund hadden, hadden zich onder den invloed der nationale, anti-sociaaldemocratische regeeringsagitatie en van den tijdelijk goeden gang van zaken in landbouw, handel en nijverheid van haar afgewend. Het bleek, dat deze vroegere aanhangers der sociaaldemocratie nog niet voldoende 111 de sfeer der socialistische gedachtenwereld gebracht waren. En de opgedane ervaring werd een spoorslag voor de partijgenooten, nog ijveriger dan vroeger te werken aan de versterking van hun organisaties en aan de vorming en scholing van zichzelf en hun geestverwanten tot waarlijk bewuste strijders.
De Ontwikkelingscommissie der Duitsche partij heeft hen daarbij trouw geholpen. Ze ziet nu terug op een ruim vierjarige werkzaamheid.
IÖ2
Van den beginne af heeft zij zich niet beschouwd als een bureaucratisch centraal bestuur, dat den ontwikkelingsarbeid der partij overal naar een bepaald systeem en naar van te voren vastgestelde lijnen eenvormig heeft te regelen, maar als een adviseerend en helpend lichaam, dat rekening moet houden met de verschillen, die in de onderscheiden streken van Duitschland bestaan zoowel op economisch en politiek gebied als in den geestelijken toestand der arbeiders.
Deze opvatting van haar taak heeft veel bijgedragen tot een natuurlijken groei der ontwikkelingsorganisaties. In de groote steden zag men het eerst de noodzakelijkheid van den door de partijcommissie ijverig gepropageerden ontwikkelingsarbeid in, maar ook in vele kleinere plaatsen ontstonden al ras de reeds boven besproken „Bildungsausschüsse", comité's, gevormd uit gedelegeerden van de plaatselijke partij- en vakorganisaties, welke comité's om hun vrij en beweeglijk karakter en het groot aantal arbeiders, waarmee zij in voortdurend contact staan, in heel Duitschland op dit terrein als de beste vorm van locale organisatie vrijwel algemeen zijn geworden.
Gaan we nu eens na, wat de ontwikkelingscommissie van het tijdstip harer oprichting af deed.
In haar eerste samenkomst op 13 December 1906 besloot de commissie eenstemmig de stellingen van den Mannheimer partijdag als leiddraad voor het practisch werk te aanvaarden.
In overeenstemming met deze werden als voortdurende taak van de commissie beschouwd:
het opstellen van programs voor cursusvergaderingen, cursusreeksen, onderwijscursussen en artistieke bijeenkomsten;
het uitgeven van een lijst van boeken, die in 't bijzonder voor arbeiderskinderen geschikt zijn;
het samenstellen van bibliotheken;
het uitgeven van nieuwe en het doen herdrukken van goede oude propagandageschriften;
het inrichten van een sprekersdienst voor cursusvergaderingen en het steunen van en opwekken tot het houden van tentoonstellingen en andere werkzaamheden op kunstgebied.
REIZENDE CURSUSSEN.
Het inrichten van z.g. reizende cursussen was een der eerste maatregelen der commissie. Een geldelijke vergoeding voor het houden van deze voordrachten werd vastgesteld en eenige wetenschappelijk geschoolde partijgenooten stelden zich beschikbaar om als reizende leer-aren op te treden.
Dr. Hermann Duncker en Otto Rühle behandelden 1907—1908 de onderwerpen „De geschiedenis der maatschappelijke ontwikkeling" en
i63
-„Het wetenschappelijk socialisme". De cursusreeksen omvatten 8 avonden en werden gemiddeld door 88 pCt. der deelnemers geregeld bezocht. In niet minder dan 29 plaatsen werden deze cursusreeksen gehouden. Ze droegen nu eens het karakter van algemeene cursussen, toegankelijk gesteld voor een groot aantal bezoekers, dan weer van kleinere onderwijscursussen van hoogstens 50 deelnemers, die door middel van een delegatiesysteem waren aangewezen en met wie meer intensief gewerkt kon worden.
Uit het groot aantal aanvragen bleek, dat deze „reizende curcussen" tegemoet kwamen aan een behoefte in de partij, zoodat aan de bovengenoemde partijgenooten nog werden toegevoegd Jul. Borchardt met het onderwerp: De grondbegrippen der Staathuishoudkunde, Max Schütte (Geschiedenis en program der partij), Hermann Wendel (Partijgeschiedenis) en Hermann Muller (Vakvereenigingswezen).
In het eerste jaar werd in 't geheel aan 5493 arbeiders deze ontwikkeling gebracht.
Sedert heeft zich de wetenschappelijke cursusreeks in Duitsche arbeiderskringen volledig ingeburgerd. In groote steden als Berlijn, Hamburg, Bremen, Leipzig, München, Neurenberg, weet men zich met eigen krachten te helpen. Voor de kleinere zorgt op aanvrage de ontwikkelingscommissie. De kosten worden door deze commissie en de plaatselijke afdeelingen gezamenlijk gedragen.
Treffend is het te zien, welke financieele opofferingen de arbeiders in kleine plaatsen zich soms getroosten om aan deze cursussen deel te nemen. Toegangsprijzen van 1 en 2 Mark voor een cursusreeks van acht avonden zijn niet zeldzaam.
Onderwerpen, die dikwijls behandeld worden, zijn behalve de reeds genoemde: De geschiedenis van het socialisme, het Erfurter program, het historisch materialisme, de theorieën en programs der burgerlijke partijen.
Partijgenoot Graf houdt natuurwetenschappelijke cursussen met lichtbeelden over de geschiedenis der aarde, de raadselen des levens en van oerdier tot mensch.
Door de vier vast aangestelde reizende leeraren Duncker, Rühle, Borchardt en Graf werden in het vorig jaar in 115 plaatsen 128 cursussen gehouden op 682 avonden; in 't geheel namen aan deze door de centrale ontwikkelingscommtssie georganiseerde cursussen 24 360 personen deel, waaronder 1775 vrouwen.
Dit jaar worden de cursussen, wat de behandelde stof betreft, voor een deel ondergeschikt gemaakt aan de komende verkiezingen. De cursussen over de theorieën en de programs der burgerlijke partijen, °ver de inleiding in het wetenschappelijk socialisme, de eischen der sociaal-democratie, wat de sociaal-democraten zijn en wat ze willen,
164
zullen zeker wel in hooge mate bij de deelnemers het inzicht van de beteekenis der verkiezingen verdiepen en het strijdvuur aanwakkeren.
Op elk der gehouden cursussen worden zorgvuldig statistische gegevens verzameld omtrent aantal en leeftijd der deelnemers, hun lidmaatschap van partij- en vakbeweging, het aandeel, dat ze nemen in het ontwikkelingswerk. Door deze statistiek worden zij, die deze cursussen moeten organiseeren, gedwongen, meer zorg aan de voorbereiding ervan te besteden dan anders wel het geval zou zijn. En bovendien zijn de uitkomsten der statistiek van beteekenis voor degenen, die het verdere ontwikkelingswerk in hun plaats ter hand willen nemen.
Overal in Duitschland zijn de cursusreeksen met grooten bijval ontvangen. Zij worden in steeds toenemende mate verlangd en de uitwerking wordt zeer geroemd. In 't bijzonder is de behoefte aan het lezen van geschriften over onze beginselen en wat er mee in verband staat, zeer toegenomen; de deelnemers schaffen zich na afloop van den cursus lectuur over het behandelde onderwerp aan.
In verschillende plaatsen gevoelen vele deelnemers behoefte na het: eindigen van de cursusreeks in kleineren kring nog eens nader op de behandelde stof in te gaan. Zij blijven in lees- en debatingclubs nog eenigen tijd samen om onder leiding ongedwongen met elkaar te discussieeren. In die kleine samenkomsten bleek dikwijls, dat arbeiders, die nog nooit in een vergadering hadden gesproken, discussieerden met kennis van zaken en blijk gaven, de voordrachten met ingespannen aandacht te hebben gevolgd. Dat door dit werk het partijleven aaa opgewektheid toeneemt, spreekt vanzelf.
WINTERPROGRAMS.
Eiken zomer verschijnt vanwege de Centrale Ontwikkelings-commissie een boekje met wenken en adviezen voor de plaatselijke comité's en vereenigingen, die de taak van den ontwikkelingsarbeid op zich hebben genomen. Dit boekje bevat uitvoerige mededeelingen over de organisatie van lokale ontwikkelings-commissie's, waardoor het oprichten en leiden van dergelijke ontwikkelingsinstituten zeer wordt vergemakkelijkt en tevens eenheid wordt gebracht in de verschillende pogingen, die op dit gebied worden aangewend. Bovendien worden er verschillende programs voor gezellige en artistieke samenkomsten in afgedrukt. Ook komt er een werkplan in voor, dat door de plaatselijke commissie's als grondslag kan worden genomen bij het voorbereiden van het ontwikkelingswerk in hun omgeving gedurende den komenden winter.
i6$
GESCHRIFTEN VOOR DE JEUGD.
Met medewerking van een aantal bevoegde partijgenooten uit heel Duitschland werd een lijst opgemaakt van boeken, die voor de kinderen van proletarische ouders in 't bijzonder geschikt geacht werden. Aanvankelijk (in 1907) bestond de lijst uit slechts weinig nummers, in 't geheel 83, gerangschikt naar de verschillende leeftijden. De lijst, die met Kerstmis 1909 uitkwam, telt er 355. Alle boeken zijn nauwkeurig onderzocht door drie verschillende personen. De titels der beste en goedkoopste zijn in de lijst van een sterretje voorzien, om er de aandacht op te vestigen. Ook is bij eiken titel een korte karakteristiek van het boek gevoegd om de ouders bij de keuze een handje te helpen.
Zoo is deze lijst een gids geworden door den chaos van boeken voor de jeugd, die jaarlijks verschijnt en vele produkten bevat, die om hun vergiftige strekking een gevaar zijn voor den geest van het jeugdige proletariaat.
Een krachtig middel tevens in den strijd tegen zenuw- en zinnenprikkelende lectuur, die door kapitalistische hebzucht en reclame den arbeiders wordt opgedrongen.
Om de in de lijst genoemde goede boeken bij de arbeiders bekend te maken, stellen omstreeks Kerstmis ontwikkelings-commissie's in verschillende plaatsen zich in verbinding met den partijboekhandel en organiseeren een tentoonstelling van goede geschriften voor de jeugd;
De Centrale Ontwikkelingscommissie helpt hen daarbij door allerlei raadgevingen omtrent de wijze, waarop zoo'n tentoonstelling dient te worden ingericht.
De boeken, die op de tentoonstelling worden besteld, worden door den partij-boekhandelaar geleverd. De korting, die deze toestaat, wordt besteed voor de kosten der tentoonstelling. De niet gekochte boeken worden verloot of tegen verminderden prijs aan de plaatselijke jeugdbibliotheek afgestaan. Statistisch wordt vastgesteld, hoeveel en welke geschriften er verkocht worden.
MODEL-CATALOGI.
Ook op het gebied van het bibliotheekwezen geeft de Centrale Commissie leiding en hulp. Catalogi voor arbeidersbibliotheken worden door haar opgesteld, die als voorbeeld dienen voor organisaties, die een boekenverzameling wenschen te bezitten. Daarbij is door een concentrische samenstelling rekening gehouden zoowel met de beperkte middelen, waarover zwakke afdeelingen slechts beschikken, als met de grootere uitgaven, die sterkere organisaties zich kunnen veroorloven.
i66
Zoo zijn er 10 catalogi samengesteld van boeken, die gezamenlijk 10, 25, 50, enz. tot 500 Mk. kosten.
Ook voor organisaties, die al een bibliotheek bezitten, hebben deze catalogi waarde. Zij kunnen er uit zien, welke belangrijke boeken hun nog ontbreken, welke dus het eerst voor aankoop in aanmerking komen. Menig partijgenoot heeft bovendien in zoo'n catalogus een bruikbaren gids, als hij een met zijn financieele draagkracht overeenstemmende verzameling socialistische litteratuur wenscht. De catalogi worden door de arbeidersorganisaties vaak aangevraagd en hebben reeds in vele plaatsen er toe bijgedragen, het bibliotheekwezen te regelen en systematisch te ordenen.
WERKZAAMHEDEN OP KUNSTGEBIED.
Op aansporing van de commissie verbinden sommige lokale ontwikkelings-commissie's aan de tentoonstelling van kinderboeken er een van zvandplaten.
Het streven naar kunstgenot, dat in de rijen der arbeiders is ontwaakt, in 't bijzonder naar een smaakvolle versiering van hun woning, heeft de Commissie aangemoedigd, door het uitgeven van een boekje met reproducties van fraaie lithografieën en andere platen. In dit werkje {Künstlerischer Wandschmuck, Eine Anregung und ein Verzeichnis, Berlin 1909) worden tevens de namen der uitgevers en kunstenaars, de titels, prijzen en afmetingen der wandplaten aangegeven. Het verschijnen van het werkje is nog van te recenten datum om reeds te kunnen beoordeelen, in hoeverre het de gunstige uitwerking heeft gehad, die de commissie er zich van voorstelt.
Een ander terrein, dat men gaat ontginnen, is het tooneel. Goede uitvoeringen van de uitstekendste produkten der dramatische litteratuur hebben een buitengewoon opvoedenden en ontwikkelenden invloed en kunnen er toe bijdragen, de smaakverwildering tegen te gaan, die een betreurenswaardig gevolg is der uitvoeringen van vele tooneelvereenigingen om van die der talrijke tooneelclubs van dilettanten niet eens te spreken.
De Commissie wekt daarom voortdurend de lokale comité's op, zich met goede vaste tooneelgezelschappen, of voor dit doel samengestelde ensembles te verstaan over goedkoope Zondagmiddagopvoeringen van zorgvuldig uitgezochte stukken. Deze volksvoorstellingen zijn in vele steden van Duitschland onder de arbeiders zeer geliefd.
Voor eenige jaren is de commissie begonnen met het uitgeven van inleidingen van drama's en opera s. Deze worden door de beste litteratoren in de partij geschreven. Zij spreken tot den arbeider, die de
rf>-
voorstelling bezoekt, in eenvoudige taal over den dichter, de historische en litteraire beteekenis van het stuk, verklaren hem de handeling, de karakters der personen, de zielsconflicten. Deze inleidingen worden aan ieder, die een toegangskaart heeft besteld, een tijd voor de opvoering gratis toegezonden, opdat hij zich van te voren met inhoud en beteekenis van het stuk vertrouwd kan maken, waardoor voor hem de waarde van de opvoering belangrijk wordt verhoogd.
Een kleine dertig beroemde drama's en opera's zijn reeds op cleze wijze bewerkt. We noemen er hier slechts eenige: Nora en Een vijand des volks, van Ibsen; Nathan de Wijze en Minna van Barnhelm van Lessing; Faust en Egmont van Goethe; De Roovers en Wilhelm Teil van Schiller; Hamlet en Koning Lear van Shakespeare; Maria Magdaïena van Hebbel; De Wevers van Hauptmann ; Tannhauser van Wagner; Fidelio van Beethoven.
De door de Commissie uitgegeven „winterprograms" bevatten voorts een reeks van wenken en raadgevingen aan degenen, die artistieke €7i gezellige bijeenkomsten willen organiseeren.
Op vele zoogenaamde „kunstavonden" der arbeidersorganisaties is de kunst ver te zoeken. Allerlei minderwaardige prestaties worden — dikwijls uit onbekendheid met de eischen, die men aan de inrichting van zulke avonden stellen moet en stellen kan, — den arbeiders als kunst opgediend. Daar worden programma's uitgevoerd, die een bonte mengeling zijn van de meest uiteenloopende nummers. Werkelijk hoogstaande kunstuitingen vindt men er soms naast laag-bij-de-grondsche en dikwijls smakelooze café-chantantvoordrachten. Dilettanten en andere „artisten" trachten de arbeidersorganisaties te misbruiken voor hun onbeholpen of schadelijke „kunstproeven" ; ze laten zich daarbij, gebruik makende van de onervarenheid der besturen op dit gebied, vaak duur betalen. Of wel — behulpzame kunstenaars, die echter geheel buiten het voelen en denken der arbeiders staan, stellen voor het bestuur programma's op, die voor een uitvoering van een strijdbare organisatie ten eenenmale ongeschikt zijn. De Centrale Commissie biedt ook hier weer de helpende hand.
Ze dringt er bij de betrokken vereenigingen of commissie's op aan, zich bij het voorbereiden van een kunstavond tot beroepskunstenaars te wenden en dan een program samen te stellen, dat een goed passend geheel vormt.
De Commissie stelt zich beschikbaar voor het mededeelen van adressen van werkelijk beproefde krachten en geeft door het publiceeren van verschillende model-programs leiding en steun.
Zij wijst er op, dat eenheid in de programs te verkrijgen is door ze te groepeereu om een dichter of misicus, door b.v. een Heine- of Beet-
i68
hovenavond te geven, of wel door een herfst- of zomerfeest te houden en de proletarische wereldhistorische gebeurtenissen te herdenken.
Een heele reeks van raadgevingen maken dengenen, die de voorbereiding van zulke artistieke bijeenkomsten ter hand nemen, de taak gemakkelijk.
Zoo b.v.: Stel Uw programs voor den komenden winter vroeg samen; ga na, of dan ook de geboorte- of sterfdag moet worden herdacht van een dichter of musicus of van een beroemd strijder voor de arbeiderszaak ; organiseer uw kunstavonden niet, om uw kas te stijven, waardoor het gehalte van het aangebodene zou kunnen lijden; houd voeling met de in uw plaats bestaande goede arbeiderszangvereenigingen; versier de feestzaal op eenvoudige wijze; let op de akoustiek van de zaal; verbied het rooken en bedienen; laat uw programs op geruischloos papier en smaakvol drukken.
Ook voor een goed en oordeelkundig besteden der voor het doei uitgetrokken gelden worden nuttige aanwijzigingen gegeven.
De verschillende lokale commissie's hebben blijkens het verslag aan den Partijdag te Maagdenburg op kunstgebied in den laatsten tijd reeds aardig wat gepresteerd.
Geconstateerd moet worden, dat de hulp en de opwekking, die van de Centrale Commissie in dezen uitgaat, aan het werk in de verschillende plaatsen zeer ten goede is gekomen, al zal het nog heel wat moeite kosten, eer op dit gebied over het algemeen van een bevredigenden toestand mag worden gesproken.
HET ONDERZOEK NAAR HET WERK DER PLAATSELIJKE COMMISSIE.-.
Dit onderzoek werd het vorig jaar ingesteld als gevolg van eenopdracht, door het congres van Leipzig in 1909 aan de Centrale Commissie gegeven.
Van de 362 vragenlijsten, die naar 341 verschillende plaatsen en de 46 lijsten, die naar de Hoofdbesturen der landelijke en provinciale organisaties werden gezonden," kwamen er 249 lijsten uit 240 plaatsen terug.
Dat naar sommige plaatsen meer dan een lijst gezonden moest worden, komt daarvandaan, dat daar geen centraal punt voor het ontwikkelingswerk bestond. Zoo is b.v. in Berlijn de ontwikkelingsarbeid niet gecentraliseerd, maar wordt dit werk door verschillende instituten verricht, (o. a. Arbeiterbildungsschule, Freie Volksbuhne, Bildungsverein für Frauen und Madchen).
Uit de gegevens, die het binnengekomen materiaal opleverde, zij het volgende meegedeeld:
Van de 187 „Commissie's voor Ontwikkelingsarbeid", die geantwoord hadden, waren er 172 door de plaatselijke partij- en vakbeweging gesticht-
169
Een aantal van deze commissie's hielpen tevens bij de organisatie en ontwikkeling der jeugdige arbeiders. De 1 50 plaatsen, die mededeelingen over hun uitgaven deden, hadden dat jaar gezamenlijk 508566,92 Mk. (dus 305140 gld.) besteed. De inkomsten vermelden 138 plaatsen. Zij bedroegen te zamen 475515 Mk. (285309 gld.).
Het spreekt van zelf, dat in verreweg de meeste plaatsen de uitgaven grooter zijn dan de inkomsten. De tekorten worden uit subsidies en contributies gedekt.
Hoe groot de financieele bijdragen van partij- en vakbeweging waren ia het jaar, waarin het onderzoek plaats had, wordt door 69 plaatsen bericht. De totaal-som is 64393.85 Mk. (38636 gld.); bij 83 ontwikkehngscommissies werd zooveel gegeven als er elk jaar noodig werd geacht of wel werd het ontstane tekort gedekt.
Deze cijfers krijgen beteekenis, als men bedenkt, dat de gelden uitsluitend door de arbeiders zelf worden opgebracht. Geen Carnegies of ontwikkelingsfondsen komen hun te hulp.
In 139 plaatsen werden te zamen 272 cursusreeksen gehouden; onderwijscursussen voor een kleinen, maar uitgelezen kring van deelnemers (eenigszins te vergelijken met den „propagandistencursus", die gedurende de laatste maanden te Amsterdam onder leiding van Mendels en Polak gehouden wordt), in 12 plaatsen 18 met totaal 673 deelnemers.
In 132 plaatsen werden verder 562 cursussen gehouden, die slechts een enkelen avond duurden.
Aan de cursusreeksen en onderwijs-cursussen namen in 't geheel 32.143 personen deel. De meeste belangstelling bleek te bestaan voor staathuishoudkunde, de natuurwetenschappen, geschiedenis, socialisme en sociale wetgeving. Hierbij komen nog de 36 wetenschappelijke „reizende cursussen," die in 34 plaatsen door de Centrale Commissie verden gegeven, n. 1. 4 over staathuishoudkunde met 691; 5 over geschiedenis der economische ontwikkeling met 382; 2 over socialisme met 98; 18 over het Erfurter Program met 15545 1 over de burgerlijke partijen met 178 en 5 over natuurwetenschappen met 1103 deelnemers.
Het eindresultaat is derhalve, dat in 185 plaatsen 324 cursusreeksen werden gehouden. Het totaalcijfer der deelnemers aan de 285 cursussen, waarover hieromtrent gegevens verkregen waren, is 36-644-
Bedenkt men, dat deze cursusreeksen gewoonlijk 8 avonden omvatten, dan kan men eenigszins nagaan, welk een som van ontwikkeling en inzicht in dat eene jaar aan de Duitsche arbeidende klasse langs dezen weg werd verschaft.
Omtrent de artistieke samenkomsten deden 174 plaatsen mededeelingen. In 't geheel werden er 532 gehouden en wel 97 z-g- dichteravonden, 135 muzikale soirées en matinées, 180 declameer- en kunst-
i86
van af (datum nader te bepalen) tot i Januari 1903 geen leerlingen meer tot het diamantvak toe te laten, alle leerlingen, die niet zelfstandig voor minstens één molen kunnen verstellen, of niet zonder onmiddellijk toezicht voor de molen minstens in kruis kunnen slijpen, of die niet zelfstandig een steentje kunnen snijden, van de fabrieken en werkplaatsen te verwijderen en behoudt zich voor, deze termijn van vijf jaren, zoo noodig en wenschelijk nader te verlengen".
Deze resolutie werd op het te Antwerpen gehouden Int. Congres in 1897 (20—22 Sept.) bijna onveranderd aangenomen.
De innerlijke en uiterlijke kracht en macht van den A. N. D. B. gaf zekerheid dat zij ook opgevolgd zou worden.
In Antwerpen was het nimmer pluis, met uitzondering van vóór het bestaan van den A. D. B in 1893. Er was en bleef een surplus van nieuwe werkkrachten in verhouding tot de schommelende toestand in ons vak, waarin de tijden van werkeloosheid langer duurden dan die van bloei.
IV.
Heeft het regelen van den toegang tot het vak een rechtsgrond?
Voor wij de historie zelve vervolgen, rijst de vraag op: Hoe is het de diamantbewerkers mogelijk geweest een maatregel uit te voeren, die in zulk een volkomen tegenstelling staat met de bandeloosheid der kapitalistische produktie?
In een onlangs gevoerde polemiek tusschen H.P. en de Amsterdamsche correspondent van De Nieuwe Rotterdammer over de onrechtvaardigheid van het leerlingstelsel, beriep zich H. P. op de noodzakelijkheid van dat in 1897 genomen besluit en motiveerde die door te wijzen op de inkrimping van ruwproduktie en verkoop door „De Beers Comp."
Maar, meenen wij, de daad van De Beers is niet de eigenlijke oorzaak van de leerlingen-politiek van den A. N. D. B. Hoogstens kan men zeggen, dat die aan den Bond het voorbeeld gaf, waarnaar hij handelde. De ten-uitvoerlegging van het besluit heeft tot oorzaak het voortdurende afwisselen van goede en slechte tijdperken in ons vak, de zeer sterke schommelbeweging die daarin bestaat.
Zoo voor en in 1897 een zelfde gunstige conjunktuur als van af 1904 tot nu geheerscht had, het leerlingbesluit (en althans een zoo scherp leerlingbesluit) zou niet genomen zijn, en nog zekerder niet uitgevoerd zijn geworden. Er was niets aanlokkelijks in ons vak met zijn 3-4 maanden „slapte" in het jaar; er waren dan nog betere d.w.z. gunstiger bestaanscondities aanbiedende vakken.
Want, het theoretisch absurde van de belemmering van den toegang tot het vak (van kritisch-socialistisch standpunt bezien) nog even terzijde
i87
latend, moet het toch voor de buitenstaanden wel verbazingwekkend zijn, dat wat aan geen vakbond ter wereld mogelijk was in de kapitalistische maatschappij der 19e eeuw door de diamantbewerkers volbracht werd.
Ook andere groote vakbonden, vooral in Engeland en in Amerika, hebben hardnekkige pogingen in het werk gesteld om, zoo al niet een volmaakte sluiting of wering, dan althans een regeling in den aanwas van leerlingen te treffen. Het is echter geen vakvereeniging in de 19e eeuw gelukt, dit door te zetten.
Indien het praktisch-wel mogelijk geweest ware, dan moest het althans aan de machtige engelsche machinenbouwers en typografen gelukt zijn in de bloei-periode van de engelsche industrie. Het heeft waarlijk aan te veel theoretische dogmatiek der leiders niet gelegen, evenmin als het aan te veel theoretische schwiirmerei der duitsche vakvereenigingsleiders te wijten is, dat zij geen ernstige poging in die richting waagden. Zij weten, dat het een met de kapitalistische concurrentie in flagranten strijd zijnde maatregel zou zijn, die niet gelukken kan.
Noch in Duitschland, noch in Oostenrijk, noch in Denemarken is in dit opzicht iets ernstig gepoogd. Trouwens uit de litteratuur over het vakvereenigingswezen blijkt dit volkomen, ze bestaat in enkele artikeltjes en dan nog oppervlakkige.
De duitsche vakbewegingsleiders hebben van de mislukking der Engelschen geleerd.
Het is een praktische onmogelijkheid in de kapitalistische maatschappij, omdat niet slechts de patroonsklasse zich in de exploitatie van haar kapitaal-bezit niet laat binden aan een regeling van het getal producenten, maar evenzoo omdat binnen het sociaal worstelpark van vrije concurrentie de arbeidersklasse en de kleine burgerij zich die bestaanswapenen tracht te veroveren die zij machtig kan worden om den strijd met succes te voeren.
Een wering van overtolligen en een regeling van het getal werkkrachten was mogelijk binnen de muren eener stedelijke produktie der middeneeuwen (13e en 14e eeuw); en dan nog slechts wanneer de industrie (handwerk) de voornaamste faktor in die stad was, d.w.z. als de handel niet de boventoon voerde.
In het begin-tijdvak van de industrie als vrij-handwerk was zulk eene regeling der werkkrachten, voortvloeiende uit de algemeene regeling van het handwerk die beperking van de mededinging insloot, organisatorische noodzakelijkheid.
Zoodra het produktie-terrein zich verruimde, kwam het, gelijk wij uit de bronnen dier dagen zien, tot een onophoudelijk inbreuk maken op de beperking van het getal producenten, voorgeschreven in keuren en ordonnantiën.
i88
De opkomst van het kapitalisme in den handel scheurt „de keuren" van een.
De periode der manufaktuur had reeds opruiming gehouden, terwijl de groot-industrieele produktie iedere wettelijke of andere regeling wegmaaide.
En zeer zeker is de regeling van het getal producenten voor de kapitalistische exploitatie, die steeds bedacht is en moet zijn op vergrooting van haar afzetgebieden, een belemmering. Daarnevens veroorzaakte die kapitalistische ontwikkeling met haar mechanisch en elektrotechnisch produktie vermogen een overboord werpen van de menschelijke arbeidskrachten, een in de laatste jaren weer meer zichtbaar worden van de toeneming van het aantal ongeschoolden in het arbeidsproces, (om van andere faktoren te zwijgen) die tot gevolg hebben dat een groot deel der menschen hopeloos uitziet naar een geschikt beroep voor hunne kinderen. Hebben deze „recht" tot beroepskeuze?
De socialistische rechtsnorm antwoordt: ja! De vakvereeniging, in casu onze bond, antwoordt: Wij kunnen op straffe van ondergang dat niet toelaten.
Het „recht op een vak" is volgens onze socialistische rechtsbeschouwing «"«aantastbaar, iedere belemmering daarvan ten voordeele van een bepaalde groep, is het stellen van het groepsbelang boven het algemeen belang, i)
Hier wonen twee zielen in onze borst: ons persoonlijk (groeps) belang en het algemeen belang. Leuk bedacht is de opmerking van onze leiders (vooral Romeo opereert daar veel mede) dat het leerlingstelsel niet onsocialistisch is, want — let opl — in de socialistische maatschappij zal toch een regeling van den toegang tot het vak zijn!
Zeker zal die er zijn... in de socialistische maatschappij!
Maar, leven wij al in die maatschappij ?
Dat is de kwestie!
Wij leven in de kapitalistische wanorde, en de proefneming reeds nu een toekomstige regeling in te voeren loopt praktisch uit op de bevoorrechting van een groep boven andere groepen van menschen.
De aanvoerders van dit argument vergeten: dat het niet verkrijgen van een bepaalde bestaansbron den mensch in onze kapitalistische wanorde tot honger en ellende doemt,
terwijl:
Zij die in de toekomstige socialistische maatschappij afgewezen worden voor een of ander vak, geen vrees voor materieele ondergang behoeven te hebben !
Nog al: een beetje anders, niet waar ?
i) Zie Karl Kautsky, Het Erfurter Program, pag. 170—l7i.
i8q
Daarom mist de sluiting van het vak iedere theoretische rechtvaardiging; en het bewijst de juistheid van deze theorie dat de praktijk de onmogelijkheid van deze houding aantoonde.
V.
Dat onze theorie een volkomen weerspiegeling van de praktijk is, ?eert ons de geschiedenis van het leerlingstelsel in onze industrie tot heden.
Zooals wij zeiden was ons vak aan onafgebroken sterke schommelingen onderworpen, waarbij de slechte tijden veelvuldiger waren en langer duurden dan de goede. De volkomen wering van leerlingen in Amsterdam (in Antwerpen nagenoeg tot 1900) bracht langzamerhand een beperking van het getal werkkrachten. Zóó, dat de verruiming van het afzetgebied der produktie de vraag naar een grooter getal deed ontstaan dat er niet was.
De bijna 4 maande langen strijd der Amsterdamsche diamantbewerkers in 1904, zal ieder nog geheugen. Het ging van de zijde der patroons om een grooter getal leerlingen.
De wering verdween; de regeling begon. De produktie sloeg wijdere vleugels uit, en het te kleine getal om aan de groote vraag te voldoen was er niet. De vraag naar arbeidskrachten overtrof verre
het aanbod. ,, , ,
De prijs van de arbeidskracht steeg; steeg hoog, zoo hoog, dat de heeren patroons een contralet vroegen om aan de z.g.n. absurde eischen der werklieden paal en perk te stellen. Een contrakt dat tegen de tijd van de krisis, 1907-1908, tot hun geluk! reeds vervallen was.
De werklieden hebben dus de vruchten van de beperking van het getal ondervonden. In Amsterdam echter was door de kracht en voorbeeldige organisatie der werklieden, en het bestaan der A. J. V een regeling getroffen. Door een samenloop van gunstige omstandigheden: een welgezinde publieke opinie, een sterkere arbeidersbeweging in den rug en niet gedwangbuisd door een middeleeuwsch wetsartikel 310, kon die regeling grootendeels gehandhaafd blijven. Niet aldus in Antwerpen!
Een in-rotte pers; een vervuilde en geestelijk gedegeneerde arbeidersbeweging; een brusk-winst najagend handelskapitalisme; een zeer laag peil van onderwijs, en last not least, het beroemde knevelartikel 310! Een waar Damocles zwaard 1
Ziedaar een complex van faktoren die te samen een milieu vormen waarin Herculeskracht en bij wijze van zeggen, Salomo's wijsheid vereischt wordt om een ontwikkeld en gediciplineerd arbeidsleger te vormen.
H P schreef onlangs de reeds klassiek geworden karakteristiek „Bij God en in Antwerpen is alles mogelijk". Hij veroorlove ons de op-
190
merking dat Gods mogelijkheden verre beneden de Antwerpsche mogelijkheden blijken te zijn.
Scherper dan in Amsterdam woedt in België de strijd tot het in bezit nemen van een nog goede bestaansbron. Reeds noemden wij het bandeloos-poolsche element op 't stuk van regel en orde.
Reeds in 1894 ontstonden in enkele „Buiten" (dorpen) in België fabriekjes, maar eerst na de staking voor den 9-urendag in 1901 vermeerderde die plattelandsche industrie in ergerlijke mate; en eerst in de jaren 1004—05, de groote bloeiperiode, nam zij een schrikbarend karakter aan.
Er zijn lieden (een troep deugnieten tegelijk) die in een verkiezingscampagne voor de Bondsraad van den A. D. B. de leden diets maakten dat, werden zij gekozen, de buitenindustrie opgeruimd zou worden. Er is een socialistisch renegaat, door de patroons gekocht om een onderkruipersbond te vormen, een burgerlijk-ploertige „penny a liner" die de leiders van den A. D. B. de schuld geeft van den groei der buitenindustrie.
Ik wil niet betwisten dat, met wat minder struisvogelpolitiek en wat tijdig en grondig onderzoeken, deze plattelandsche industrie in wat minder snel tempo zou gegroeid zijn, misschien zelfs nooit zulk een omvang gekregen zou hebben.
Het laatste blijft echter een veronderstelling.
Maar aan de leiders de schuld geven van de buiten-industrie zou, primo, maatschappelijke ontwikkelingsverschijnselen tot persoonlijke daden stempelen, en secundo, een volkomen bewijs van onkunde dier verschijnselen aan 't licht brengen.
Het is in één enkele zin door het echtpaar de Webb's zeer juist gezegd :
„In een bedrijf dat opschiet in alle hoeken en gaten van de industriëele wereld zou het 't vernuft van den schrandersten vereenigingsambtenaar te boven gaan om eenige daadwerkelijke controle op den toegang tot het vak te houden", r)
Nu, dat is letterlijk zoo in de belgische diamantindustrie, uit alle hoeken en gaten, schieten de diamantslijpers, snijders en klovers als paddestoelen op.
De diamantindustrie is in België alom door het land verspreid, langs de Leie, aan de boorden van de Maas, le pays noir (de Walenstreek), in de heerlijke Ardennen, in de gehuchten, in de kloosters en, les extrêmes se touchent, in de joodsche miniatuur kerkjes.
Maar erger dan in de z.g.n. Buiten, is de binnensteedsche klandestienen industrie. In de voorsteden van Antwerpen, Borgerhout en
1) S. en B. Webb. Theorie en Praktijk van het Britsche Vakvereenigingswezen", dl. 2, pag. 442.
Berchem bijv., waar elke regeling van arbeidsvoorwaarden onmogelijk te controleeren is, krioelt het: een huisindustrie zooals er in de diamantindustrie nimmer was.
De bloei, de welstand onzer industrie heeft voor de werklieden wel eenige jaren profijten opgeleverd, maar de reflekties daarvan in de andere kringen der belgische arbeidersklasse, waar nog schrikkelijk lage loonen en lange werktijden bestaan, doen haar gevolgen gevoelen in de jalouzie de métier.
Ieder wordt tegenwoordig slijper, zegt men in-Antwerpen.
De vraag is gerechtvaardigd: zullen wij instaat zijn dit proces te beletten, of, „hat der Mohr seine schuldigkeit gethan ?" kan de leerlingwering en -regeling thans verdwijnen?
Er zal te Frankfurt een Int. Conferentie over deze kwestie plaats hebben; zal daar waarlijk de profeet opstaan die een redmiddel weet te vinden? Eén feit staat vast: de Amsterdamsche leden hebben, ondanks hunne begrijpelijke tegenstand, goed gezien het laatste bestuursvoorstel aan te nemen, om binnen 2 jaar (in plaats van gelijk bij contrakt bepaald werd binnen 4 jaar), 2000 leerlingen toe te laten.
Het verzet tegen een overvleuging van de Amsterdamsche industrie is een daad van welbegrepen organisatorisch belang. Want de A. N. D. B. weg of geslonken is niet alleen van plaatselijke en landelijke, maar zou een feit van internationale beteekenis zijn, dat de organisatie van Diamantbewerkers als een onherstelbare ramp zou treffen.
Januari—Februari 1911.
2 34
zijn culminatiepunt bereikt. In Amerika worden jaarlijks 15.000—30000 meisjes ingevoerd en in New-York alleen leven 100000 vrouwen van prostitutie' In de Ver. Staten leven meer dan een millioen vrouwen van 't geen zij door hunne lichamen verdienen. Als arbeidster heeft zij geen waarde, en laat men haar aan haar lot over, als jonge en mooie prostituee stijgt zij tot een „koopwaarde" van 400—2000 dollar 1 Steeds moeten er weer gerecruteerd worden, want hunne beste jaren zijn gauw voorbij en velen uit de Staatswerkplaatsen worden hiertoe gedreven door de daar heerschende onzedelijke toestanden en door de ellendige werkloonen.
Het December-nummer van ditzelfde tijdschrift opent met een artikel van John Kenneth Turner: „The American partners of Diaz". Hij wijst op den invloed van de Ver. Staten in Mexico, zoowel van kapitalistische zijde als van den kant der regeering. Hierdoor is er arbeidersellende door den lagen loonstandaard, èn onderdrukking van Mexico's nationaliteit en steun van Diaz tegen smeulend verzet. 1) Als men aanmerking maakt op het Mexicaansche bestuur, luidt het antwoord: „er zit 900.000.000 dollar Amerikaansch kapitaal in Mexico". Dit verklaart waarom Diaz de Ver. Staten naar de oogen ziet en afhankelijk is van de in zijn land bestaande machten.
Amerikaansche trusts (koper, olie, suiker, rubber, spoorwegen) hebben groote macht in Mexico en maken dat land afhankelijk van de Ver. Staten. Deze ontvangen 80 pCt. van de Mexicaansche uitvoer en leveren 60 pCt. van de invoer. De totale handel loopt over 75.000.000 dollar 's jaars.
De Ver. St. overheerschen Mexico niet door hun verstandelijk overwicht, doch door hun enorm veel grootere financieele draagkracht.
De V. S. hebben ontzettende gruwelen begaan aan de Yaquis, die zij tot slaven maakten en naar Yucatan voerden. Maar deze feiten werden door de pers verborgen gehouden en het bestaan van slavernij in Mexico werd brutaalweg geloochend Uit Mexico worden deze slaven voor ƒ25.— per stuk als arbeiders verkocht. Met vereenigde kracht van de Ver. St. en Mexico worden stakingen bloedig onderdrukt. Door ingewikkelde financieele transacties (waarvan schrijver bijzonderheden geeft) zijn de Mexicaansche spoorwegen in handen van Amerikaansche combinaties gekomen en keeren nu een groot dividend uit. Dat gaat nog zoolang Diaz aan 't hoofd staat, doch mocht de werkelijke opbrengst niet voldoende zijn om 4V2 pCt. uittekeeren, dan zullen de spoorwegen ook officieel Amerikaansch bezit worden.
Nu hebben de Ver. St. nog geen belang bij de annexatie van Mexico: de slavernij daar is te voordeelig en zou onder Amerikaansche vlag allicht minder bloeien.
Maar zoodra er een opstand uitbreekt tegen Diaz, zullen de Ver. St. hem ter hulp komen en zal de dag van de annexatie van Mexico niet ver meer zijn.
S. B.
In de SOZIALISTISCHE MONATSHEFTE van 9 Februari 1911, schrijft Wilhelm Kolb een artikel onder het opschrift nEinzeln oder Koalierf'. De komende Rijksdagverkiezing is van algemeen-politiek belang, de strijd zal wel
1) Gelijk ouze lezers weten, is dat verzet nadat dit artikel geschreven werd, in lichte laaie uitgebroken. (Red. A'. Tl).
235
hoofdzakelijk gericht zijn tegen de rechtsche partijen, tegen het zwartblauwe blok. De komende verkiezing zal daarom van algemeen politieke beteekenis zijn, omdat gelukt het, dit reactionaire blok te vernietigen, de verdere politieke ontwikkeling vrij baan kan breken.
De vraag dient gesteld te worden, of een koalitie tusschen liberalisme en socialisme mogelijk is, gezien de huidige situatie van dat deel der burgerlijke klassen, dat zich onder de liberale vleugel geschaard heeft. Staat men op het standpunt van de besluiten van Dresden, Nürnberg en Maagdenburg, zoo is deze vraag reeds uitgesloten; maar is het wel zonder compromis mogelijk, behalve aan partij politiek, ook mee te doen aan de algemeene rijkspolitiek? Gesteld de Sociaal-Democratie zou door toevallige omstandigheden de meerderheid behalen, zou dan, gezien de economische structuur van het tegenwoordige Duitschland, de partij haar politieke actie niet moeten doen steunen op de maatschappelijke eischen van het kapitalisme.
„Ook als zij in de meerderheid kwam, zou aan de Sociaal-Democratie niets anders over blijven, dan met hervormingen te beginnen en successievelijk de kapitalistische puinhoop op te ruimen. Met de onteigening der eigenaars moet men uiterst voorzichtig te werk gaan, nog langen tijd zal ook onder sociaaldemocratisch régime de kapitalistische uitbuiting moeten blijven bestaan".
Wat zal nu onze houding dienen te zijn, nu de kans,- dat wij de meerderheid behalen, vrijwel uitgesloten is. „Het is toch duidelijk geen andere, dan de volgende: in de eerste plaats de gedachte aan een plotseling inéénstorten der tegenwoordige maatschappij geheel los te laten, en den weg der hervormingen, die in enkele gevallen nu reeds betreden wordt, met bewustzijn te blijven volgen; verder toe te geven, dat de principieele onderschatting der bestaande orde, doel- en zinloos is, kortom, als consequent hervormende partij te handelen en ook te verschijnen".
Het is voor de Sociaal-Democratie noodzakelijk de punten vast te stellen, die een verbond met de burgerlijke partijen bij de komende verkiezing mogelijk maken. Het zijn in de eerste plaats hervormingen op militairistisch gebied. Het verwerpen van het militairisme in zijn geheel, is even doelloos als de gansche taktiek der conservatief-radikalen in de partij, die dan ook haar politieke macht verlamt. Ook op agrarisch gebied kunnen eischen gesteld worden, die voor eene koalitie een grondslag vormen. De Duitsche partij zal echter, als de Italiaansche partij, op den duur een minimum-program dienen op te stellen, waarmee het grootste deel der liberale kiezers kan instemmen. Laat zij dit na, dan zal misschien het zwart blauwe blok gebroken worden, doch een nieuw meer vrijzinnig blok zal ontstaan en de partij buiten de algemeene rijkspolitiek gehouden worden.
In hetzelfde nummer schrijft Hermann Mattutat over: Nachtarbeid en rusttijd in het bakkersbedrijf.
In de laatste jaren gaat de strijd van de arbeidersklasse in de vakbeweging grootendeels om verkorting van den arbeidstijd. Hierin heeft de vakbeweging, bijna algemeen, meer resultaten bereikt, dan op wetgevend terrein. De regeeringsmachine schrijdt zeer langzaam voorwaarts. Meestal is een 9 a 10 urige arbeidsdag en beperking van overuren en nachtarbeid verkregen. Zondagsrust is bijna over de gansche linie veroverd. Doch meestal is deze algemeene verhooging van het levenspeil der arbeidende klassen buiten het bakkersbedrijf omgegaan. In Duitschland is door de wet van 4 Maart 1896 voor de arbeiders- en leerlingen
236
in 't bakkersbedrijf de werkdag op 12 uren, voor Zondag en feestdagen op 10 uur gesteld, maar niettegenstaande deze wetgevende bepalingen, is een werkweek van 82 tot 84 uren, zonder vrije rustdag een gewoon voorkomend verschijnsel. De wettelijk vastgestelde 10-urendag is voor het bakkersbedrijf een ideaal. ' \
Welke nadeelen een langen arbeidstijd voor de arbeidende klasse heelt is algemeen bekend, welke nadeelige gevolgen nachtarbeid voor de arbeiders m het bakkersbedrijf heeft, wordt algemeen onderschat. Onderstaande cijfers uit de ziektenstatistiek van de Berlijner en Dresdener ziekenkassen belichten vrij duidelijk den stand van zaken voor het bakkersbedrijf.
Dresden Berlijn.
,_ , Gemiddeld /deken- Vnn , Gemiddeld zieken-
77 dagen per lid en ^n,iek° dagen per hd en
leden zieken per jaar "eken per Jaar
1898 28.5 5-2 33-5 8.1
1899 29.1 5° 32-5 ö-4
1900 31-4 4-9 280 "**
1901 32.S 5-5 37-5 9 »
1902 340 5-6 32-5 9|
1903 41.S 6 5 33 5 96
1904 380 7-3 32.8 10.4
1905 ..... 42.0 7-° 3!-5 9 Ö
1906 420 7-5 32-7 IO-5
1907 48.0 7-7 31-4 9-9
1908 49-o 8.8 45-2 i5o
In 1905 is door heel het rijk een petitionnement gehouden en aan den Rijksdag aangeboden, waarin gewezen werd op de bestaande misstanden in het bakkersbedrijf en-een 36-urige rustdag gevraagd werd- Tegen deze rechtmatige eisch kon de regeering niet stil blijven zitten en toen een wetsontwerp, om hierin tegemoet te komen, werd ingediend, is er onder de bakkerspatroons een algemeene tegen-agitatie op touw gezet. In Juli 1908 hielden zij te Hamburg een congres, waarin deze zaak behandeld werd. Een dier tegenstanders sprak daar o.a.: „Wij moeten ons eerst eens afvragen, waarom eischte men eigenlijk een rusttijd van 36 uren. Mijne Heeren, een verstandig denkend mensch, die bakker wil zijn, hij zij knecht of meester, zal zulk een domheid in het algemeen niet bij de regeering indienen. 36 uren rust in de week. Waarom 36? Hebt u mijne heeren 36 uren vrij in iedere week? Heeft uwe familie 36 uren vrij? Hebt u op Zondag niet meer te doen dan die knechten? De heele familie is in beslag genomen, de knechts hebben om 8 uur 's morgens rust. Deze eisch is slechts gesteld als agitatiemiddel. Men weet het zelf in de kringen dergenen, die dit voorstel gedaan hebben, dat het nimmer doorgaan kan en doorgaan zal. Men heeft de motie slechts gesteld om voortdurend te kunnen ophitsen. Mijne heeren, wilt nu aannemen, dat de 36-urige rustdag werkelijk wordt ingevoerd, zoo zou ik willen vragen of deze knecht daarvoor loon wil hebben. Gewis, wil hij de kost hebben als hij die anders ook in huis geniet. Ook dat is zeker. Dat wil hij hebben, maar hij wil 36 uren niets doen. Het aantal uren is in ieder geval daarom gekozen, opdat de knecht zich in de laatste 12 uren van de groote vermoeienissen der eerste 24 herstellen kan".
S. K.
238
ia de klassenmaatschappij en den klassenstaat, waarin wij leven de oude ekonomische toestand de macht een klasse nr den schoot wierp die in het ekonomisch proces de leidende was, daar zal zij deze macht wenschen te konserveeren, lang nadat de ekonomische bas» van haar bestaan is omgewenteld, en zij sociaal overbodig is geworden. Naast d geweldige maatschappelijke instellingen, die zij heeft geschapen of van andere klassen geërfd en haar belangen aangepast -leger, justitie, politie - zijn het de opvoedingsinstituten, kerk en school, die de bourgeo L heeft vermeesterd, ten einde daarmee de volksmassa geestelijk naar haar belangen te kneden en in geestelijke onderworpenheid te houden. Ook wat de ^aangaat, is zij alleen de geestelijke verzorgster des volks, meer echter nog wat de school betreft - wijl zn de opvoeding bezorgt van het aankomend geslacht, dat in het in ontwikkeling verst .evorderd ekonomisch milieu is geboren en getogen - zal de heerLende klasse met alle kracht in het uitsluitend beat wenschen te blijven van de autoriteit, de macht te bepalen en te gebieden, m welken geest het onderwijs - in zijn ruimsten zin - zal worden gegeven. Angstvallig zal zij er voor waken, dat geen invloeden m de Lhool en het onderwijs doordringen, welke haar klassebelang, m dit o-eval de geestelijke onderworpenheid van het opgroeiend geslacht, Tegenwerken. Zoo men het nog niet wist, dan heeft de ervanng deilaatste jaren ten onzent wel geleerd, dat de bourgeoisie voor cleze invloeden een fijnen neus heeft.
Gelijk bekend, is, wat wij hier aangeven, de maatschappelijke grond van de „Hetze" der vereenigde bourgeoisie tegen de moderne onderwijsbeweging, in den Bond van Nederlandsche Onderwijzers belichaamd. Nieuw is deze beweging, in zooverre als zij, door haar standpunt te bepalen tegenover de politieke instellingen, welke de bourgeoisie, ter bevestiging harer macht over de arbeidende klasse, reeds aan de jeugd als de meest bevorderlijke voor het geluk der natie wil doen aannemen, ineens den werkelijken toestand helder heeft belicht. Zoolang de radikale paedagogie slechts de volksschool zonder godsdienst voorstond, kon ' althans de godsdienstlooze bourgeoisie haar bijstemmen kon de godsdienstige kleine burgerij, zij het met tegenzin, haar praktijk in de school verdragen. Toen zij echter verklaarde, aan de eeuw.ge waarachtigheid der burgerlijke staatsorde en het goed recht harer geëerbiedigde ornamenten niet meer te gelooven, en daarom haar lofzangen te willen weren uit de opvoeding van het kind, dat over haar bestaansrecht met oordeelen kan, toen begreep de bourgeoisie van alle kleur waar zn aan toe was. Toen verging ook den heer Treub het geloof ,n z n geestelijke sociologie, volgens welke de ideëele ontwikkeling ten slotte de maatschappelijke werkelijkheid bepaalt en schaarde hij zich me instemming aan de zijde der reaktie, die de kracht dezer werkelijkheid
244
dat ze de hoogste zedelijkheid als een ijdele en bespottelijke illusie leert beschouwen i), veroorzaakt integendeel, dat zij voor haar mede wordt een spoorslag tot grooter energie in haar wereldverlossenden kamp. Dat verwachten wij, „grove materialisten", van de kracht der zedelijke ideeën !
Wel verre dus, dat de erkenning van het nauw verband tusschen, ja, de eenheid van de wereldbeschouwing der sociaaldemokratie, en het radikalisme der theoretische paedagogie, die „slechts" naar de psychologische eischen eener natuurlijke opvoeding vraagt, een tegenstrijdigheid zou brengen tusschen dit nieuwe standpunt en de zedelijke opvoeding der schoolgaande jeugd, bestaat niet alleen deze tegenstelling niet, maar erlangt de moreele vorming door dat gewonnen inzicht haar juiste maatschappelijke waarde en waardeering. Ook in dit speciale opzicht — wij hadden het in den aanvang van dit opstel over de algemeene noodzakelijkheid, dat de „uitsluitend-theoretische" paedagogie tot sociaal bewustzijn geraakt, naast de kennis van haar wetenschappelijk vakstandpunt tot die van haar maatschappelijk standpunt — blijkt het noodig — dat zij den dialektischen aard van alle dingen leert begrijpen. Het zijn de organen der bourgeoisie van alle schakeering — welke nota bene bij monde van haar „geleerden" a la Treub een dialektische ontwikkeling van het Bestaande met een ijver, een betere zaak waardig, trachten weg te cijferen —, die de dialektische natuur van het neutraliteitsbegrip onmiddellijk hebben gevoeld, toen Ossendorp te Leiden preciseerde, wat hij onder neutraliteit in de opvoeding verstond. Welke verschillende opvattingen zij overigens omtrent de bijzondere manier, waarop de kapitalistische uitbuiting moet worden gaande gehouden, mogen huldigen, alle begrepen zij direkt, dat de neutrale opvoeding in dezen zin slechts die klasse bevredigen kan in wat zij paedagogisch als juist erkennen moet, die als haar algemeen doelwit de beëindiging der kapitalistische uitbuiting zelve gesteld heeft. Daarom moest de bourgeoisie, de dialektiek aan den lijve gevoelend, en daarnaar zich, in haar aktie, van haar zijde volkomen juist, richtend, zich tegen de opvattingen, door den Bond van Nederlandsche Onderwijzers, bij monde van zijn voorzitter verkondigd, verzetten. 2) — Het was inderdaad de historische ervaring, die haar dialektiek instampte!
De Bond echter, en zijn toonaangevende propagandisten en werkers,
1) Dit verschijnsel alleen doet zich voor in de kringen van een opgroeiend geslacht, dat tot een ondergaande klasse behoort. Zoo bij de in Nietzsche zwelgende burgerlijke jeugd!
2) Wij laten daar, dat de leidende organen in den Bond, weldra zuinigjes teruggekrabbeld zijn. Wie mocht ook verwachten, dat zij in eens de kleinmoedigheid van het radikale kleinburgerdom zouden afschudden?
245
zelf voor 't overgroote deel sociaaldemokraten, zijn tot dit inzicht nog niet gevorderd. Deels uit taktische overwegingen, grootendeels echter uit vrees, — die aan 't ontbreken van het inzicht, dat wij pogen aan te brengen, ontsproten is — het onbevlekte vaandel van den „neutralen" Bond te bezoedelen, weigeren zij, hun eenheid te proklameeren met de strijdende klasse van het proletariaat. Hun naaste taak echter — wij herhalen het — is, zich tot dialektische bewustheid op te werken, d.i. maatschappelijk stelling te nemen tegenover hen, die den geest van het kind met hun reaktionaire ideologieën willen vergiftigen, hun „nieuwen schoolstrijd" te zien als een onafscheidelijk deel van den grooten maatschappelijken bevrijdingsstrijd der arbeiders. Dialektisch bewustzijn doet onmiddellijk de posities op elk bijzonder terrein van deze groote worsteling zuiver stellen, gelijk de bourgeoisie bewezen heeft, die, zoodra zij het dialektisch proces aan eigenen lijve ontwaart, het gevoel harer eenheid, harer klassesolidariteit en wezenlijke gemeenschap van klassebelangen in een daad praktisch omzet. Groeiend dialektisch inzicht ontsluiert elke tegenstelling, welke tot nog toe in den nevel der burgerlijk-radikale begripsvaagheid gehuld bleef, en maakt de posities en verhoudingen der menschen in den grooten socialen strijd vóór of tegen de kapitalistische overheersching klaar als de dag. En tevens verschaft het als gevolg daarvan het juiste begrip van de middelen, welke behooren te worden aangewend, om op elk speciaal gebied van den strijd — ook op dat van het onderwijs — het ideaal in werkelijkheid om te zetten. Dus is de eerste konsequentie, waartoe de tot dialektisch begrijpen geraakte moderne onderwijsbeweging, die de Bond van Nederlandsche Onderwijzers vertegenwoordigt, besluiten moet, haar eenheid met de strijdende proletarische klasse met de daad te volvoeren.
III.
Wij zouden ons tot deze schier zuiver-theoretische beschouwing voorloopig hebben bepaald, indien de redactie van dit tijdschrift ons niet had verzocht, met het oog op de aanstaande behandeling eeniger op het onderwijsvraagstuk betrekking hebbende moties en voorstellen op het Kongres der S. D. A. P. er eenige praktische overwegingen aan toe te voegen.
De politieke organisatie van het Nederlandsche proletariaat strijdt voor neutrale opvoeding, vrij van alle politieke en godsdienstige dogma's, d. w. z. zij acht het noodzakelijk, dat het openbaar neutraal onderwijs het bijzonder, godsdienstig en nederlandsch-kapitalistisch getinte geheel vervangt. Dat dit streven, uit de maatschappelijke stelling van het proletariaat voortspruit, en door de voorwaarden van zijn strijd wordt
300
Zoo lijkt mij b.v. verkeerd dat de arbeiders van een fabriek waarvan de meerderheid uit ongeschoolde arbeiders bestaat, in een bond van ongeschoolden worden ondergebracht, wanneer op diezelfde fabriek een belangrijke groep geschoolde arbeiders is, die van zelf sprekend tegenover den patroon veel krachtiger kunnen optreden.
Dit in het oog houdende, zal de eerste genoemde der belangen-eenheden, in de meeste gevallen den weg aan kunnen wijzen die tot het vormen van een bond ingeslagen moet worden, zulks vooral, omdat de tweede en vierde der genoemde belangen-eenheden bijna altijd met de eerste samen zullen vallen.
De tweede, derde en vierde kunnen als grondslag van samengaan dienen voor die bedrijven, welke, of geheel uit ongeschoolde arbeiders bestaan, of te klein zijn om het bestaan van een afzonderlijken vakbond te wettigen.
Weliswaar zullen er onder de laatste enkelen zijn waarbij een kleine bond toch een zeer sterke positie kan innemen, — bij technisch zeer moeilijken arbeid b.v.; maar deze zullen zonder nadeel voor zich in een grooteren maar minder sterk staanden bond onder gebracht, enorm veel meer tot versterking der arbeidersklasse bij kunnen dragen dan in hun eigen bondje. In dit geval dient het belang der klasse deze groepen van arbeiders er toe te brengen van het hebben van een eigen bondje af te zien.
Het valt niet te ontkennen dat voor het bovenstaande geheel bereikt is, nog heel wat moeilijkheden zullen opgelost en vooral vooroordeel en eigenliefde overwonnen zal moeten worden.
Dat mag ons er evenwel niet van terughouden, datgene te doen wat in het belang der arbeidersklasse, gezien de ontwikkeling der patroonsorganisatie in Nederland, noodig is.
Naar onze overtuiging zal alleen, wanneer de Nederlandsche vakbeweging bewust en vooral stelselmatig en krachtig op een dergelijke concentratie van vakbonden aanstuurt — daarbij rekening houdend met het hebben van een voldoend groot terrein van werken voor iederen vakbond afzonderlijk, — de nadeehge positie waarin de georganiseerde arbeiders hier te lande tegenover de patroonsorganisatie staan ten hunne gunste veranderen.
De concentratie zal zeker niet in eens kunnen gaan; maar voor 't oogenblik ziet men op dat gebied noch eenige vaste lijn, noch een sterk of zelfs maar matig sterk streven ter plaatse waar zulks vandaan moet komen: bij de leiding der Nederlandsche vakbeweging.
Daarin moet verandering komen. De achterlijkheid der Nederlandsche vakbeweging maakt het tot een gebiedenden eisch.
Over de psychologie van „den goeden toon"
door
Mr. W. A. BONGER.
In haar kritiek op Untermann's „Die logischen Mangel des engeren Marxismus" (zie „Nieuwe Tijd" XV, p. 815 v.v.) komt Mevrouw Roland Holst te spreken o. a. over wat men kan noemen „de psychologie van den goeden toon". Werd mij slechts de keuze gelaten tusschen haar meening en die van Untermann, dan schaarde ik mij zeker aan haar zijde. Untermann's inzichten in dit vraagstuk schijnen mij — zijn boek heb ik niet gelezen, doch zijn opinie is voldoende op te maken uit genoemde kritiek — van een meer dan gewone naïveteit op psychologisch gebied. Toch komt het mij voor dat ook haar meening slechts gedeeltelijk juist is en eene niet onbelangrijke aanvulling behoeft. Waar dit vraagstuk niet alleen theoretische beteekenis heeft doch ook praktisch van belang is, veroorloof ik mij — in afwachting van „de demonstratie aan mijn artikel, „Marxisme en revisionisme" hoe men de psychologie niet toepassen moet", die mij door p. R. H. in uitzicht werd gesteld — eenige opmerkingen te maken. Enkele herhalingen zijn hierbij onvermijdelijk, omdat haar opinie door mij voor een groot deel onderschreven wordt.
De vraag is de volgende.
Hoe komt het dat de voorvechters der sociaal-demokratie in hun strijd tegen tegenstanders, ja zelfs ook tegen medestanders bij theoretische of taktische geschillen, somtijds zeer fel persoonlijk te werk gaan, een wijze van doen, die men op grond van de leer, die zij aanhangen niet zou verwachten ?
Over deze laatste woorden allereerst eenige opmerkingen. Zuiver gesteld luidt de vraag: handelt een determinist (het geldt niet alleen marxisten, maar alle deterministen) per se inconsequent, en is zijn gedrag per se afkeuringswaardig, wanneer hij in een strijd persoonlijk wordt? Deze vraag moet pertinent ontkennend beantwoord worden. Wie anders meent heeft van het determinisme een geheel onjuiste voorstelling, waarschijnlijk voortvloeiende uit een gemis aan
312
inzicht omtrent de verhouding tusschen voelen en denken. „Alles begrijpen is alles vergeven" in den stricten zin van het woord is geen deterministisch adagium. Wie begrijpt waarom een „grand criminel" (een zeer ernstige misdadiger) misdeed, en waarom zijn tegenhanger, „homo nobilis" (de edele mensch) zich opofferde, stelt hen daarom niet gelijk, doch verafschuwt den eerste en bewondert den tweede. Wie — om een ander gebied te noemen — begrijpt waarom iets mooi is, heeft daarom nog niet zijn schoonheidsgevoel verloren, etc. De determinist zoo goed als de indeterminist heeft zijn sympathiën en antipathiën, en er is geen enkele reden om aan te nemen dat de eerste volgens zijn leer feitelijk verplicht zou zijn steeds zijn gevoelens te verbergen. Het is een monsterachtige fantasie, te meenen dat de mensehen door hun steeds aangroeiende kennis, bloedelooze, schimachtige verstands wezens zouden moeten worden I
Toch is er natuurlijk — en vooral in theorie — een groot verschil tusschen indeterminist en determinist. De indeterminist, d. i. de overgroote meerderheid van alle menschen die ooit geleefd hebben en nog leven, ziet bewust of onbewust in de menschelijke handelingen uitingen van den vrijen wil, en is dus uit den aard der zaak geneigd, zoodra deze handelingen hem nadeelig of antipathiek zijn, dit alles aan de persoon, waarmee hij in aanraking komt, te wijten: zijn reactie op deze handelingen draagt dus daardoor gemakkelijk een persoonlijk karakter. De determinist staat — ik herhaal: vooral in theorie — er anders tegenover. Hij begrijpt i°. dat de omstandigheden op den menschelijken wil een nauwelijks te overschatten invloed hebben, en dat dus vele menschelijke handelingen in geen enkel opzicht aan het individu geweten kunnen worden. Dit inzicht neemt de antipathie, die vele handelingen verwekken, niet weg — het verstand kan nu eenmaal het gevoel niet verdrijven •— doch verzacht het oordeel, ontneemt er het scherpe, het persoonlijke aan. Op deze handelingen slaat de volgende passus uit het genoemde artikel van Mevr. R. H., die dit volkomen juist samenvat, voorzoover het de sociaal-demokratie betreft: „Het aantoonen der ekonomische verhoudingen en de met hen samenhangende klasse-belangen als een faktor, die in hooge mate het denken en handelen der individuen beïnvloedt, vermag de gevoelens van haat en verontwaardiging, die het optreden der onderdrukkers bij de onderdrukten wekt, zeker te temperen. Hoe bewuster de arbeider, hoe meer zijn denken beïnvloed wordt door de wetenschap die hem verklaart waarom en waardoor de kapitalistische klassen de elementarische geboden der menschelijkheid dag aan dag met voeten treden, hoe meer hij in één woord marxistisch geschoold is, des te meer zal hij, afgezien van individueelen aanleg, in de individuen de personificatie van ekonomische kategoriën kunnen zien, des te minder zich door haat en wrok jegens personen laten meeslepen" (p. 818).
3T3
2°. Begrijpt de determinist ook dat in gevallen, waarbij volgens het spraakgebruik „een persoonlijke factor" in het spel is i), het individu in kwestie zijn bijzonderen aanleg (in ongunstigen zin) niet gekozen heeft, maar ongevraagd op den levensweg medegekregen heeft. Dit inzicht neemt de antipathie, die de daden van dergelijke individuen verwekken in geen enkel opzicht weg, verzacht alleen het oordeel — hetzij dan ook in geringer mate dan bij de sub i° genoemde kategorie, waar het persoonlijke geheel op den achtergrond staat. Naast de verwekte antipathie ontstaat daardoor bij den determinist ook de mogelijkheid medelijden met deze individuen te gevoelen, die met een zoo ongelukkigen aanleg ter wereld zijn gekomen. Praktisch uit zich dit alles bij den determinist in het niet willen toegeven dat de opgewekte gevoelens van haat zich ook in handelingen omzetten: de reactie tegen deze handelingen zij slechts een bewuste, d.w.z. moet alleen in een noodzakelijk verweer bestaan, waarbij de belangen van hen tegen wie dit verweer gericht is, niet uit het oog behoeven verloren te worden.
Alvorens tot de beantwoording der vraag over te gaan, nog één opmerking. Wie, zooals Untermann meerdere voorgangers der sociaaldemokratie in hun optreden tegen tegenstanders kritiseert, moet overtuigd zijn, op straffe van anders in hooge mate onbillijk te. zijn, dat er tusschen strijd voeren als aangevallene en als aanvaller een groot verschil bestaat. Het karakter van den aanval, en de wapenen waarmee hij gevoerd wordt, bepalen voor een groot deel den aard en de verdedigingsmiddelen van het verweer. Men heeft mooi eischen, dat iemand zich uitsluitend van een „nobel" wapen als de degen bedient! Wie zoo spreekt, vergeet dat de degen alleen een goed wapen is als de tegenstander hem ook hanteert en bereid is volgens de regels van de kunst te vechten. Tegen een aanval met een knots baat een „fijn" wapen al zeer weinig, en wie zóó aangevallen wordt is bijkans wel gedwongen naar „grover" middelen om te zien. Wie zich opmaakt om bijv. Marx om zijn „grofheden" of ,,persoonlijkheden" te bekritiseeren, mag zich wel terdege rekenschap geven, op welke wijze de overal verjaagde en belasterde balling vaak is aangevallen I
Al zijn dus de gevallen, waarin den socialistischen woordvoerders terecht een felle, persoonlijke strijdwijze verweten wordt, niet zoo talrijk als wel wordt beweerd, ontkent kan evenmin worden dat sommigen 2)
1) De z.g. „persoonlijke factor" is wetenschappelijk gesproken niets anders als een van het gemiddelde belangrijk afwijkende aanleg. De erkenning van dit onomstootelijke biologische feit is niet in tegenspraak met het historisch materialisme. Immers ook op deze individuen hebben de omstandigheden een overwegenden invloed. (Zie hierover uitvoerig mijn „Criminalité et conditions ëconomiques").
2) Op namen en gevallen in concreto wordt hier natuurlijk niet ingegaan. Eén opmerking moet mij van het hart: het is m.i. zeer onbillijk Kautsky met bijv. Mehring of Luxemburg
Overzicht der Tijdschriften.
In het Meinummer van DER KAMPF, schrijft Matthias Eldersch over: „De sociale Verzekering en de ontbinding van het huis van afgevaardigden".
Reeds 10 jaren lang strijdt men in Oostenrijk om de erkenning en het totstand-komen van sociale verzekering, in het bijzonder van de Ouderdoms- en Invaliditeitsverzekering.
Reeds in 1904 onder het ministerie Koerts dwong de arbeidende klasse hem met een program voor den dag te komen. Drie jaren lang werd dit ontwerp in verschillende vaklichamen en vaktijdschriften besproken en eerst in 1908 bracht de regeering het tot een nieuw, voor behandeling dienend, ontwerp. Dit ontwerp bedreigde de arbeidende verzekerden met een groot nadeel: de verzekerde zelfstandigen werden niet alleen onder de verzekerden opgenomen, maar kregen zelfs een overwicht in de verzekeringsorganisatie.
Irj 1908 drongen de soc. dem. op spoed aan en om de soc. verzekering tot een beslissend einde te brengen, stelden zij voor, een commissie voor soc. verzekering te benoemen. Aldus geschiedde en deze parlementaire commissie bracht een compromis-ontwerp tot stand, dat weer door de laatste ontbinding van het parlement vernietigd werd.
De beraadslaging der commissie leverde genoeg resultaat voor de soc. dem. op, om enkele punten hiervan te releveeren.
Zij stelden o.a. voor: losse arbeiders(sters) en zij die in dienst staan van meer dan één patroon in de verzekering op te nemen. In plaats van het regeeringsvoorstel, dat ieder die méér dan ƒ1200.— inkomen per jaar heeft, buiten de verzekering sluit, stelden de soc. dem. voor, dit bedrag te verhoogen tot/1800.-.
De zelfstandige grens was op ƒ 1200.— gesteld, de soc. dem. stelden voor, renteniers met méér dan ƒ600.— inkomen, geen staatsbijdragen te geven. Verplichte bijdragetijd bij de ouderdoms-verzekering van de zelfstandigen werd op 500 weken gebracht, tevens werd op initiatief van de soc. dem. aangenomen, om de onzelfstandigen in ieder geval hun uitkeering te waarborgen, ook indien de werkgever in gebreke blijft zijn verplichtingen na te komen.
De ongevallenverzekering gaf aanleiding om vele gevaarlijke bedrijven te doen
589
opnemen onder de reeds bestaande wet: o. a. bouwbedrijven, zoo werd na hevigen strijd de ongevallen premie op / 2.50 per dag vastgesteld bij een loon van ƒ4.— per dag, zoo ook om ondersteuning te geven aan zwangere vrouwen, 4 weken voor hunne bevalling, bedragende een 35-voudige ziekenuitkeeriDg, eveneens invoering van een zoogtijd met verhoogde uitkeering.
Vooral voor de spoorwegarbeiders had de regeering veel verslechteringen op 't oog, die door de soc. dem. verhinderd werden, zelfs werd in één geval op hun initiatief aangenomen, dat alleen bij uitkeering van het volle loon bij ongevallen géén ziekengeld uitgekeerd zou worden. De heftigste strijd ging om het eigen-beheer in de verzekeringsorganisatie. Door toevoeging van zelfstandigen, door een hiermee in verband staand slecht proportionaal kiesrecht wilde men trachten den invloed der arbeidersverzekerden te verzwakken. De komende stembusstrijd, besluit het artikel, moet er voor alles om gaan, ten eerste, de sociale verzekering over het doode punt heen te helpen, ten tweede elke achteruitgang van eigen-beheer en bestuur bij de verzekeringsorganisatie te verhoeden.
In de SOZIALISTISCHE MONARTSHEFTE van 14 Mei (het particulier orgaan der Duitsche revisionisten) schrijft Leonida Bissolatiover: „Hetdeelnemen van socialisten aan de regeering."
De Maartcrisis in de Italiaansche parlementaire-politiek en de daaruit ontstane twistspraak over deelname aan de regeering door een socialist, is reeds van ouden datum. De kabinetsformeerder G. Geolitti, gaf den koning te kennen, ook Bissolati uit te noodigen deel uit te maken van 't te vormen kabinet. Bissolati bedankte hiervoor om strikt persoonlijke redenen, en niet omdat hij van oordeel was, dat zijn lidmaatschap van de partij hiermee in strijd zou wezen. Daarom wordt nu in de soc. pers- en organisatie door de radikalen zijn houding aangevallen en afgekeurd; men zegt de sociaaldemocratie is in wezen republikeinsch en laat niet toe deel uit te maken van een monarchalen staat, noch de verantwoordelijkheid te dragen voor de kapitalistische maatschappij. De reformisten staan hier lijnrecht tegenover, en zijn het vrijwel in deze eens, alleen is het voor hen de vraag of de weigering van schrijver van dit artikel om deel uit te maken van de regeering te rechtvaardigen is, terwijl anderen, in principe voor deelname, den tijd hiervoor nog niet gekomen achten.
In Italië is reeds voor 10 jaren de strijd hierover aangevangen, immers reeds toen onstond onder het ministerie Pelloux, de coalitie van reactionairen en klerikalen, een coalietie tusschen burgelijke hervormers en socialisten, eindigend met de overwinning der burgerlijke hervormers, die de regeering machtig werden.
Sinds het ministerie Zanardella, dat de socialisten hebben verdedigd en hun vertrouwen schonken, staat een hervorming van de kiesrechtwet van 1882 als urgent in de parlementaire politiek, juist hierom nu heeft men gemeend Bissolati een plaats in 't ministerie te moeten inruimen.
5Qo
Bissolati is om zijn kiesrechtplannen bekend, en Zanardelli verklaarde zich met de door hem uitgewerkte hervormingen eens. Allen die onderwijs genoten hebben zouden op hun 21e jaar 't kiesrecht krijgen en anderen, ook analphabeten, op hun 30e jaar, dit zou de basis zijn waarop een socialist in een burgelijk ministerie zitting kon nemen. Bissolati meende om persoonlijke redenen, dit te moeten weigeren, behalve de critiek op zijn houding van de radicalen was daarmee de kwestie niet opgelost. In deze situatie nam het partijbestuur bijna eenstemmig de volgende resolutie aan : „Overwegende, dat in de besluiten op de partijdagen en in de zittingen van het partijbestuur dte vooraf gingen, als hoofdeisch, de verovering van het algemeen kiesrecht gesteld werd, hetwelk door de Italiaansche arbeiders en in het bijzonder door de arbeiders in het Zuiden als een onmisbaar wapen geeischt wordt dat het aan het proletariaat mogelijk moet maken zijn wil te doen kennen, en naar het parlement een eerlijke vertegenwoordiging te zenden, zooals die uit de verhondingen van het land voorkomt; overwegende, dat slechts door de verovering van het algemeen kiesrecht, in het parlement een ernstige arbeidswetgeving, vermindering van militaire lasten, en de vernieuwing van het gansche politieke leven in Italië bevochten kan worden, beschouwt het partijbestuur — terwijl de beslissing over de vraag van de deelname der socialisten aan de regeering en de omstandigheden, onder welke deze deelname eventueel voorkomen mag, tot een buitengewonen partijdag verschoven zullen worden — het toch als zijn plicht zijn meening over de persoonlijke handeling van den afgevaardigde Bissolati, gedurende de laatste minister-crisis te kennen te geven, daar het het al te gemakkelijke redmiddel verwerpt, hem persoonlijk de verantwoording van zijn daden over te laten. Het partijbestuur verklaart, dat de verovering van het algemeen kiesrecht een zoo revolutionaire daad is, dat evenals deze een geweldadige actie van het proletariaat kan rechtvaardigen, zij ook een openlijke persoonlijke daad rechtvaardigt, die bij uitzondering de gewone vormen van de partij-discipline overschrijdt, voor het overige echter er op gericht is, de wapens te veroveren, die voor het berechten van de eischen der partij beslissend zijn; overwegende, dat deze hervorming zonder de door de partij in het land gevoerde agitatie, zonder Bissolati's logisch ingtijpen bij de laatste crisis en zonder de ondersteuning van de tegenwoordige regeeringsrichting door de socialistische fraktie niet als hoofdpunt van het regeeringsprogram opgesteld zou zijn geworden, besluit Bissolati's houding goed te keuren, die hij uitsluitend in het belang van de partij en voor het bestwil van het proletariaat innam, en billijkt de door de fraktie besloten ondersteuning van het ministerie."
Bissolati besluit zijn artikel „de gansche fraktie — met uitzondering der weinige bovengenoemde — besloot door haar votum het ministerie Giolitti te ondersteunen en droeg juist mij op, in dezen zin in de Kamer te spreken."
S. K.
59i
UIT DE ORGANEN DER VAKBEWEGING.
In het CORRESPONDENZBLATT der Generalkommission van de Duitsche Vakvereenigingen bespreekt Rob. Schmidt het artikel van den heer Dr. Friedensburg, gewezen voorzitter der Senaat van het Rijksverzekeringsambt, over de arbeidersverzekering. De bedoeling van dezen schrijver is het zijn indrukken van een 20-jarige ervaring te geven om aan te toonen, hoe slecht de sociale-verzekering werkt. Allereerst omdat zij de Duitsche industrie te zwaar belast. De uitgaven voor dit doel zijn van 2.57 Mark in 188S per verzekerde op 7.40 Mark in 1908 gestegen. De maat van wat door de industrie kan worden gedragen is daarmee vol, ja overschreden. De noodzakelijkheid van verlaging der uitkeeringen daarmee aangetoond. Geheel ten onrechte is naar het oordeel van dezen man van ervaring zooveel medelijden gewekt met de nagelaten betrekkingen der omgekomenen in de Radbodmijn. Niemand die er toen over dacht de arbeidersverzekering te gedenken, welke plotseling tot hooge uitkeeringen werd gedwongen.
Wat er van het neerdrukken der Duitsche industrie door de uitkeeringen aan de arbeiders waar is, blijkt duidelijk als men weet dat de Duitsche uitvoer van 1888 tot 1908 steeg van 3.652.900.000 Mark op 6.398.600 000 Mark, een stijging sterker dan eenig ander europeesch land bereikte. Bij de vergelijking der uitkeeringscijfers per hoofd, verliest de heer Friedensburg geheel uit het oog dat de verzekering nog te jong is, dan dat stabiliteit in de uitkeeringen kon worden verkregen.
Verder becritiseert de bestrijder van de sociale verzekering den invloed der Sociaal-Democraten in de ziekenkassen. Deze kassen worden in landen met poolschsprekende bevolking eveneens benut voor staatsvijandige doeleinden.
Absoluut verkeerd acht hij de luxueuse inrichtingen tot verpleging van verzekerde arbeiders. Zij krijgen daar eten en drinken, hebben daar slaapgelegenheden, welke ze zelfs in hun droomen niet gekend hebben. Dat wekt ontevredenheid, doet het verblijf in de ziekenhuizen enz. aanlokkelijk schijnen, naar terugkeer verlangen als naar de vleeschpotten van Egypte. In de rechtspraak betreffende de verzekering merkt hij sociale neigingen op, die hem bedenkelijk voorkomen en dat waar steeds aan den letter wordt vastgehouden, in den regel alle gevoel bij het uitspreken van een oordeel ver te zoeken is. Tegen de hooge uitkeeringen voor gedeeltelijke ongeschiktheid wordt gefulmineerd en er op gewezen, dat een arbeider die een dergelijke uitkeering ontvangt, veelal meer verdient, dan hij vroeger genoot, waarbij geheel uit het oog verloren wordt, dat indertijd de loonen in verschillende vakken stegen als gevolg van de acties der vakvereenigingen om de nadeelen der prijsstijging te equivaleeren.
Hoe oppervlakkig en eenzijdig de deskundige kritiek op de uitwerking der sociale verzekering is, bewijst de vergelijking die de heer Friedenburg maakt om de toeneming der ongevallen te constateeren. In '86 werden 100,159 ongevallen aangemeld en had in 100.40 uitkeering plaats; in 1908 waren deze cijfers 662.321 en 142.965. Dat is voor den schrijver voldoende om vast te stellen, dat de sociale
6oo
speciale redenen te wijten zijn; dat in 1905 de hoog-conjuiictuur inzette is buiten twijfel), die tot October 1907 duurde: lage misdaadcijfers, laagte-punt in 1907. Dan zet de bekende hevige crisis in, die de misdaad scherp doet stijgen (bijna 14 pCt.)!
Het parallelisme is dus frappant, en bevestigt volkomen alle vroegere ervaringen. In dit verband kan ik er aan herinneren, dat voor de volgende landen deze causaliteit bewezen is: Baden, Beieren, België, Duitschland, Engeland, Frankrijk, Italië, Nederland, Nieuw-Zuid-Wales, Pruisen, Rusland, Saxen, Servië, Wurtemberg, Zürich. Wat Nederland betreft, toonde ik in mijn werk „Criminalité et conditions économiques" (p. 623) aan, dat daar in de periode 1860—1891 de curve van de diefstal die der broodprijzen volgde. Aan het einde van deze periode was dit verband niet meer zoo duidelijk als aan het begin, waarschijnlijk een gevolg van het feit dat Nederland meer en meer een industrieel land werd. Nu is ook het bewijs geleverd, dat vanaf 1896 de oeconomische criminaliteit de algemeene conjunctuur volgt.
In de navolgende tabel geven wij de volledige cijfers omtrent de sexueele criminaliteit.
juiste graadmeter zijn: de jaren van voorspoed 1905—1907 geven N. B. een sterke stijging (1907 record jaar!). Niet de Nederlandsche, maar de Noord-Amerikaansche conjunctuur bepaalt of er veel of weinig emigratie is; is de toestand in de Vereenigde Staten gunstig, dan is er eenige toevloed van landverhuizers, in depressietijden vermindert deze toevloed zeer belangrijk. Dit is ook zeer begrijpelijk. Emigratie is geen teeken van voorspoed, maar ook niet van het diepste gebrek; wie geen spaarduitje heeft, wordt in de V. S. niet toegelaten. Degenen die door een crisis broodeloos worden, emigreeren zelden.
4e. Inleg-saldo der Rijkspostspaarlank. De jaren 1897 en 1901 geven vrij hooge cijfers,, wie hier echter uit concludeert, dat daarom deze jaren gunstig waren, vergist zich zeer: hij heeft zich door de heeren oeconomische Schönredner in de luren laten leggen. Het zijn niet in hoofdzaak de arbeiders, die sparen — maak eens een vuist, als men geen hand heeft —■ maar het grootste deel van het zóó belegde kapitaal behoort aan de bezittenden. Wie genoemde cijfers nauwkeurig beschouwt, ziet dat bij gunstige conjunctuur het saldo niet. toeneemt, maar afneemt, m. a. w. dat dan geld aan de spaarbank onttrokken wordt, omdat elders hooger rente kan gemaakt worden, en omgekeerd!
Over de verder nog door Mr. S. genoemde oeconomische symptomen, nl. het aantal ondersteunde armlastigen en de prijzen der levensmiddelen gaan wij niet nader in. De annenstatistiek in Nederland is van een algemeen erkende onbetrouwbaarheid en onbelangrijkheid. De prijzen der levensmiddelen kunnen wij hier niet vermelden — Nederlandsche indexcijfers bestaan niet — dit zou ons in deze toch reeds te uitgebreid geworden weerlegging van Mr. S.' oeconomische inzichten te ver voeren. De bewering van Mr. S. dat deze prijzen — de vraag geheel daargelaten in hoeverre zij in het tegenwoordig stadium voor de'oeconomische criminaliteit van beteekenis zijn — in genoemde jaren in het algemeen niet hooger zijn dan in voorafgaande en volgende jaren, spreek ik, speciaal wat 1897 pertinent tegen. De algemeene tendenz der levensmiddelenprijzen in de genoemde periode was stijgende, dat zal wel geen enkele deskundige tegenspreken.
Alles samengenomen, een crisis-specialiteit kan men Mr. S. niet noemen !
6oi
TABEL XIII. Sexueele Misdrijven.
Vleesche-
Feitelijke Hjkegemeen- Ontucht
Openbare aanrandi Verkrach- schap met door ouders, TotaaL
Jaar. schennis der ^ ° tmg enz. vrouwen onderwijzers
eerbaarheid. eerbaarheid. beneden enz.
16 Jaar-
1896 I 137 27 55 ■ 7 I 4 230
1897 1 in 29 58 8 5 211
1898 129 45 36 3 2 215
1899 95 ' 36 58 4!9 202
1900 76 45 °5 5 1 *92
ioo 1 88 49 48 9 9 203
1902 118 53 69 5 4 249
1903 99 46 52 3 5 205
1904 110 43 86 11 8 258
1905 141 54 83 7 6 291
1906 ! 102 41 79 6 9 237
1907 ; 81 50 84 7 ! 8 230
1908 I 87 36 98 I 13 10 244
De loop van ieder delict afzonderlijk is met dien der anderen niet zeer in overeenstemming: het eene daalt als het andere stijgt. De cijfers zijn waarschijnlijk te klein om eenige conclusie uit de beweging dezer misdrijven te trekken. De totaal-cijfers (zie tabel X) vertoonen geeneriet verband met de, conjunctuur. Het voor andere landen soms geconstateerde parallelisme, n.1. gunstige conjuctuur en vermeerdering van sexueele criminaliteit gaat voor deze periode in Nederland niet op 1).
Wij komen nu tot de derde groep, de misdrijven uit wraak enz.,. waarvan in de volgende tabel de volledige cijfers.
Bijzonder frappant blijkt uit deze tabel - vooral als men rekening houdt met eene bevolkingsvermeerdering van ruim 18 pCt. — het gunstige verloop van deze groep van misdaden, waardoor de algemeene ervaring uit andere landen daaromtrent bevestigd wordt 2). Het totaal dezer delicten daalt bijna ononderbroken (zeer geringe stijgingen in 1897, 1902 en 1908), in twaalf jaar eene daling van 4.25 per 10.000 inwoners, d.w.z. van ruim 26 pCU Dit geldt ook voor bijna alle misdrijven op zich zelf beschouwd; bijzonder sterk is de daling van „mishandeling,' n.1. van 8,3 per 10.000 inwoners op 5,2, d.w.z. van ruim 37 pCt.;
1) De maatschappelijke factoren die de sexueele criminialiteit veroorzaken liggen zeer diep. en veranderen slechts in lange perioden. De kwestie, welke de factoren zijn, dle de beweging dezer delicten in kort tijdverloop (van maand tot maand enz.) veroorzaken stel de mijj voor binnen kort te behandelen.
2) Zie „Criminalité et conditions économiques" p. 693.
602
TABEL X'l V. Misdrijven uit wraak enz.
^ Belening Huisvrede- . d^ ^^j* ^Wede, Mishandeling. ^ Bedreiging. Totaal.
ö enz. ^ & handeling.
1896 845 375 78 1052 1004 4138 388 71 7951
1897 926 347 93 949 1230 4130 451 55 8181
1898 857 300 66 937 1103 3936 370 54 7623
1899 782 315 92 905 1069 4009 423 95 7690
1900 730 322 87 901 1166 3712 432 78 7428
1901 740 257 86 921 1112 3639 372 88 7215
1902 894 256 79 909 1265 3700 459 92 7654
1903 781 299 84 874 1192 3748 434 80 7492
1904 806 248 66 878 1042 3428 368 81 6917
1905 701 257 72 809 1108 3328 363 87 6725
1906 693 277 75 , 745 1209 3070 377 74 6520
1907 747 239 61 686 1318 2958 330 65 6404
1908 781 291 81 803 1423 3076 379 92 6926
6o3*
ook het ernstigste delict „gequalificeerde mishandeling" vertoont eene afname, hoewel minder regelmatig en minder groot. Alleen doet „wederspannigheid," hoewel in het algemeen dalende, voor de vier laatste jaren eene niet onbelangrijke stijging zien.
De redenen van deze daling worden ons uit de volgende tabel duidelijk.
TABEL XV.
„. , .. Alcohol-consumptie p. hoofd der bevolking p.„pnta„e vao
Misdrijven uit * ^ L Z TnallZbl
wraak enz. . net anaipnaDe
laar. „ mnnn —i tisme onder de
p. 10.000 Gedistilleerd TJ. recruten.
rnwoners. (veraccijnsd). j B,er" recruten^
1896 16.13 ? ? 4-7]
1897 " 16.34 8.44) 30.11) 4-o
1898 15.02 8.27 8 24 31-78 3.6 34
1899 14-96 8.o5r24 32.05P1- 9 2.8
1900 14.34 8.23! 30.82) 2.3)
1901 r 13-70 8.15) 31.83) 2-3!
1902 14.31 7-98 88 30.27 8o . 2.1 r r
1903 ; 13-79 7-82 7-° 30.43P 2.0
1904 12.55 7-6o' 30.70) 2.1)
1905 12.02 7-39i 29.66) 2.4)
1906 , 11.49 7.38 6 29-73 28.66 J' 1.9
1907 11.14 7-27r 28.55 1.9
1908 11.88 7.02) | 26.71] i-6J 1)
Uitgaande van het vaststaande feit, dat het bijna uitsluitend de onbemiddelden, de onbeschaafden zijn, die zich aan deze misdrijven schuldig maken 2) — men bedenke bijv. dat van de 379 '™ ^08 veroordeelden wegens gequalificeerde mishandeling, 3, zegge drie, middelbaar en 1, . zegge één, hooger onderwijs hadden genoten — blijkt, dat de vermindering van het alcoholgebruik, in het bijzonder van het gedistilleerd, en de verhooging van het geestelijk peil, zooals dit uit de vermindering van het analphabetenpercentage op te merken valt — ik kom op deze verschijnselen nog aan het slot van mijn artikel terug — deze soort van misdaad hebben doen teruggaan.
Volledigheidshalve geven wij nu ten slotte de cijfers over de politieke misdrijven (zie blz. 604) en de dan nog resteerende, quantitatief en/of qualitatief onbelangrijke delicten.
Deze getallen zijn te klein om daaruit eenige apologische conclusies te trekken. Van eenig speciaal verband met verkiezingen of conjunctuur blijkt niets: zelfs de politieke misdrijven — een quantité negligeable in Nederland — nemen in de verkiezingsjaren niet toe.
1) De drie laatste kolommen ontleend aan en berekend volgens de Jaarcijfers over 1901 en 1909.
2) Zie „Criminalité et conditions économiques" p. 685 vv.
604
TABEL XVI. Politieke Misdrijven. Diverse Misdrijven.
Politieke Misdrijven. II Diverse Misdrijven. ,
9 .ij h? " ' « •' ■ M ^ 1 li ö
S 6j« m m Mts .S S g g . m «-o o
|g* ff li I S lf.9 ° Q — 0 |§ °a
Jaar.
1896 15 2 17 3 40 26 : 20 20 26 48 23 12 6 6 64 294
1897 2 1 3 9 35 15 29 7 24 87 26 11 5 3 91 342
1898 1 1 2 1 9 20 18 0 29 110 23 12 6 4 78 3io
1899 1 1 2 1 16 29 15 10 18 100 32 6 6 6 87 326
1900 0 0 0 0 23 26 22 27 18 96 19 10 4 3 66 314
1901 000 o 13 22 18 9 27 130 21 13 6 0 86 345
1902 3 0 3 0 12 21 23 10 34 115 18 12 2 4 57 308
1903 5 0 5 1 14 21 28 16 33 126 12 11 6 3 69 340
1904 0 2 2 0 13 26 21 8 17 259 31 12 10 4 68 469 o5 1905 1 0 1 1 16 31 45 9 24 .160 27 20 5 1 91 430
** I906 I O I O 14 21 19 12 15 121 23 15 <) I 52 302
1907 0 1 1 ü 5 30 17 5 20 66 21 14 7 o 88 273
1908 1 12 1 9 34 17 5 29 95 22 23 11 5 101 352
De herziene Arbeidswet
DOOR
J. H. SCHAPER.
De omvang van het ontwerp.
Den April j.1. nam de Tweede Kamer der Staten-Generaal met 81 teo-en i stem het wetsontwerp aan, dat heeten zal de „Arbeidswet 1911 " Wanneer ook de Eerste Kamer dit wetsvoorstel aanneemt — en daarop is wel kans - dan is hiermede een tweede algemeene herziening onzer arbeidswetgeving, voor zoover deze zich beweegt op louter beschermend terrein, tot stand gekomen. Van een nieuwe arbeidswet is intusschen, al zou de naam aanleiding geven om dit te vermoeden, ceen sprake. Daarvan heeft men kunnen gewagen in 1889, toen de Kinderwet-van Houten, van 19 Sept. 1874, vervangen werd door een wet tot bescherming van vrouwen, jeugdige personen en kinderen. Thans echter is van een grooteren opzet, van een principiëele verbetering der Arbeidswet van minister Ruys van Beerenbroek, niets te bespeuren.
Het eenige, wat daarvoor zou kunnen doorgaan, is de toevoeging der veenderijen "aan het gebied der arbeidersbescherming. Met den geheelen landbouw, den tuinbouw, den boschbouw en de veehouderij V1el de veenderij tot dusver buiten de arbeidswet. En dat, terwijl reeds in 1890, ter celeo-enheid der vermaarde arbeids-enquête, de groote misstanden die hier heerschen waren bekend gemaakt, de regeering in 1888 deze arbeid tenslotte in haar gewijzigd ontwerp had betrokken en in 1904 minister Kuyper dien zelfs in zijn ontwerp-bepalingen tot „bescherming van den arbeid" had opgenomen. Het zware werk, b.v. het vervoer van natte turf, aan kinderen opgedragen, schreeuwde om tusschenkomst door den wetgever; evenals het misbruik, van de krachten van zwangere vrouwen gemaakt. Toch had de huidige minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, de heer Talma, dezen tak van bedrijf met in zijn ontwerp opgenomen.
6o6
In artikel i was het, met de slechts van verre aan dit bedrijf verwante landbouwbedrijven, botweg uitgesloten.
In de Memorie van Antwoord werd door hem de opneming nog afgewezen met den dooddoener, dat de arbeid in de venen (benevens die in den boschbouw) meer overeenkomst heeft met dien in den landbouw, dan met dien in de industrie. Een gelukkig tijdig ingediend sociaal-demokratisch amendement was noodig om den minister een nieuw onderzoek te doen instellen. De ruiterlijke erkenning, dat het dat voorstel was, hetwelk hem tot dit onderzoek deed overgaan, strekt den minister tot eer; doch is het intusschen voor dezen christen,,hervormer" niet teekenend? Is het niet kenmerkend voor zijn beleid, dat hij niet eigener beweging deed, wat toch eigenlijk voor de hand lag bij dengeen, die het eenigszins ernstig meent met de verbetering onzer arbeidersbescherming? De heer Talma kon nu niet op goede gronden het sociaaldemokratisch voorstel bestrijden; na onderzoek door den direkteur-generaal van den arbeid „ontzonk hem het materiaal" om te betoogen, dat de veenderij in de Arbeidswet niet kan worden opgenomen, en daarom moest ze dan in 's hemelsnaam maar in de wet worden begrepen! i) Dit alleen bewijst reeds de weinige geestdrift, die de bourgeoisie koestert voor de bescherming der arbeiders tegen de uitbuiting vanwege het kapitalisme in allerlei vorm. Nog sterker evenwel is, dat eenige Unie-liberalen, om van sommige „christenen" nog niet eens te spreken, als de vrijzinnige heeren Roessingh en Lieftinck, zich heftig tegen de opneming der veenderijen verzetten en dat hun voorstel, om deze er weer uit te lichten, de stemmen kreeg van „vooruitstrevenden" als de heeren Smeenge, Smidt, Dolk en Verhey. Dit reaktionaire voorstel viel intusschen met 39 tegen 19 stemmen.
Van opneming van den landbouw in dit ontwerp kon, zooals het er tenslotte lag, geen sprake zijn. Het was een onbegonnen werk om er mee te komen, rekening houdende met hetgeen bij eene mondelinge beraadslaging in de Kamer nu eenmaal kan worden bereikt, wanneer een ontwerp vóórligt in een zekeren vorm. De heeren Teenstra en andere vrijzinnig-demokraten deden een poging om althans de kinderen in de Arbeidswet te doen opnemen. Het is echter te betwijfelen of deze poging ernstig was bedoeld en meer was dan een schijnbeweging. Zóó slordig was dit voorstel, mede onderteekend door een nauwgezet jurist als mr. Drucker, geredigeerd, dat het zelfs het te werk stellen van
I) Een eigenaardig gerucht van achter de schermen der politiek luidt aldus, dat de katholieken woedend waren, dat minister Talma hun niet had bericht, een veenderijamendement te willen overnemen, opdat zij een dergelijke aanvulling hadden kunnen voorstellen. De heeren waren niet dapper genoeg om zulk eeD voorstel zonder een dergelijke wenk in te dienen!
6io
den nachtarbeid te verbieden. Maar minister Talma stelde in art. 2bis yan het ontwerp dezen leeftijd op 77 jaar, na welken leeftijd deze jongens kunnen arbeiden zoolang ze willen. In Denemarken, Zweden,. Noorwegen, Frankrijk, Engeland en Zwitserland worden zij tot den18-jarigen leeftijd min of meer beschermd, om van sommige Amerikaansche staten nog niet te spreken. Reeds in 1887 — Duys weeser in de Kamer op — werd door de toenmalige Staatskommissie de leeftijd van 18 jaren als grens noodig geoordeeld, terwijl zelfs de toenmalige regeering dienovereenkomstig haar ontwerp formuleerde. Maar minister Talma weerde het sociaal-demokratisehe amendement af! Toch meenden eenige kerkelijke afgevaardigden, blijkbaar niet zonder overleg met den minister, iets te moeten doen om aan een zuivere stemming over het sociaal-demokratisehe voorstel te ontkomen. Gevoelden zij zich niet verantwoord tegenover hunne meer demokratisch aangelegde „vrienden" buiten de Kamer? Hoe dan ook, te elfder ure dienden tien heeren, met mr. Aalberse als eerste onderteekenaar, een amendement in op artikel 4 van het ontwerp, om de daarin vervatte woorden „jeugdige personen" te vervangen door: „personen beneden 18 jaar", enz. Aldus zouden, krachtens dat artikel, niet slechts de officieel als jeugdige personen gestempelde kinderen, beneden 17 jaar, kunnen worden beschermd, doch ook personen beneden 18 jaar, dus 17-jarigen. Terwijl nu het sociaal-demokratisehe amendement werd verworpen met 42 tegen 30 stemmen, werd het katholieke zonder hoofdelijke stemming aangenomen. Art. 2bis (3) blijft nu tot de „jeugdige personen" rekenen personen van 13 tot en met 16 jaar,, art. 4 (5) beschermt ook de 17-jarigen. Het artikel, daarop betrekking hebbende, luidt nu als volgt:
„1. Bij algemeenen maatregel van bestuur wordt voorgeschreven, dat bepaalde soorten van arbeid of arbeid onder bepaalde omstandigheden door personen beneden achttien jaar en, in fabrieken en werkplaatsen, door vrouwelijke personen van achttien jaar of ouder, opgrond van gevaar voor de gezondheid, de zedelijkheid of het leven, niet mogen worden verricht of slechts mogen worden verricht onder de bij dien algemeenen maatregel gestelde voorwaarden.
2. Een voorschrift, als bedoeld in het eerste lid, kan tot personen beneden achttien jaar, tot vrouwelijke personen van achttien jaar of ouder of tot een gedeelte dier groepen van personen worden beperkt."
Dit artikel is allerminst zonder belang. De algemeene maatregel van bestuur, gebaseerd op het tegenwoordige artikel 4, is van tamelijk veel beteekenis. Het koninklijk besluit van 10 Augustus 1909 {SM. no. 290) bevat b. v. een verbod van een aantal werkzaamheden, als te zwaar tillen, trekken, duwen, dragen enz., gevaarlijke kunstverrichtingen, arbeid in verband met ontplofbare stoffen, elektrische geleidingen, werktuigen
6u
enz., voor personen beneden 16 jaar. Voorts verbod van loopwerk tusschen 9 uur 's avonds en 7 uur 's morgens, arbeid bij het maken van putten, het bewerken van steen, het arbeiden op schepen in aanbouw en op daken en goten van meer dan 4 Meter hoogte, bij krachtwerktuigen, motoren of stoomketels of als stoker, enz., alles voor jongens beneden 14 jaar. Een aantal soorten van arbeid, gevaarlijk voor de gezondheid, worden krachtens dit kon. besluit voor jeugdige personen en vrouwen verboden, en andere werkzaamheden worden slechts onder vrij zware voorwaarden toegestaan. Zoo moeten jeugdige typografen gekeurd worden, aleer zij vergunning bekomen hun arbeid te verrichten. Maar het niet geringe nadeel van de opneming der 17-jarigen wèl in art. 4 (5), doch niet in de rubriek „jeugdige personen" is, dat zij daardoor niet onvoorwaardelijk vallen onder de beschermende bepalingen van art. 5 (6), nl. ten opzichte van den arbeidsduur, en evenmin onder de bepalingen ten aanzien van de Zondagsrust en de rusttijden. De minister kan voor hen voor sommige schadelijke of gevaarlijke werkzaamheden bepalingen vaststellen, ook ten aanzien van den arbeidsduur, doch hij behoeft het allerminst en het ontwerp bedoelt het ook niet. En dit bewerkstelligde Mr. Aalberse, de man van de 10-urenmotiel Want indien deze katholiek, poseerende voor sociaal hervormer, onvervaard in de bres had gestaan voor hetgeen door de soc. dem. Kamerfraktie werd gevraagd, minister Talma zou schier genoodzaakt zijn geworden de 17-jarigen als „jeugdige personen" te stempelen. Maar wat hij en de zijnen deden, deden ze nog onder pressie vanwege de sociaal-demokraten, die met hun voorstel ook de tolk waren van de christelijke en katholieke textielarbeidersbonden en van het Bureau der Roomsch-Katholieke Vakorganisatie, die uitdrukkelijk den 18-jarigen leeftijdsgrens verzochten! Bovendien maakte de minister door de instelling van een vierde kategorie personen kinderen, 2°. jeugdige personen, 30. vrouwen en 40. 17-jarigen) zijn wet onnoodig ingewikkeld en de paperasserie voor de werkgevers nog omslachtiger dan ze reeds is, doordat op de arbeidslijsten enz. nu ook de 17-jarigen afzonderlijk moeten worden genoemd. Is dus in dit opzicht in vergelijking met de bestaande arbeidswet zeer zeker verbetering aangebracht, deze had zeer veel grooter kunnen en moeten zijn, en ten aanzien van de-17-jarigen hangt hier alles af van hetgeen de minister in zijn algemeenen maatregel van bestuur zal gelieven te zetten.
Een poging om het kinderverbod uit te breiden tot den 14-jarigen leeftijd mislukte; dank ook de tegenwerking van kerkdijken en oudliberalen, die het desbetreffende amendement met 32 tegen 20 stemmen deden verwerpen. Officieel deed dienst het bezwaar, dat de kinderen zouden moeten „leegloopen" van hun 12e tot hun He jaar, als met tegelijkertijd de leerplicht werd verlengd. Natuurlijk bestond dit bezwaar.
6l2
Doch het was minder groot dan het bezwaar, dat kinderen van beneden 14 jaar reeds door het kapitalisme worden geëxploiteerd; en bovenal stond er tegenover, dat bij aanneming van het amendement de Leerplichtwet veel spoediger dan nu zou zijn herzien. De heer Van der Molen, antirevolutionair schoolopziener, rekende echter uit, dat de uitbreiding tot den 14-jarigen leeftijd voor het Rijk 3I/2 millioen, voor de gemeenten ii/2 millioen en voor de bizondere scholen 8/4 millioen gulden zou moeten kosten. En daar minister Heemskerk wel de millioenen gebruiken kan voor meerdere gaven aan de bizondere scholen, terwijl ook overigens het geld wel gebruikt kan worden voor een nieuwe legerinrichting en nieuwe kustforten en oorlogschepen, was dit klinkende argument afdoende i
Maar zelfs de 13-jarige leeftijd is niet vaststaande als grens voor den kinderarbeid. Het zal zeer lang duren eer overal het 12-jarige kind „een geschikte gelegenheid tot het ontvangen van onderwijs vóór des namiddags 5 uur" zal kunnen vinden. Het schoolhoofd of de burgemeester behoeft slechts een ontkennende verklaring af te geven en de weg tot exploitatie van den aankomenden proletariër staat open. Volgens het oorspronkelijk ontwerp moest de werkgever dit nog zelfstandig aantoonen, en in vele gevallen zou hij zijn winstgrage vingers er niet aan hebben durven branden. Maar op aandrang der reaktie werd hem dat zeer gemakkelijk gemaakt, en wanneer men Ter Laan hoort over de schooltoestanden ten platten lande en tegenwoordig zelfs leest van gebrek aan scholenbouw te Amsterdam, dan begrijpt men wat er terecht zal komen van het verbod van kinderarbeid zelfs tot den 13-ja.rïgen leeftijd, met den uitweg, door art. 17 (22) gegeven! En alweer; het Bureau der R. K. Vakorganisatie vroeg verbod tot 14 jaren! Voor de rest is van dit geval nu blijven hangen een motieKetelaar omtrent wijziging der Leerplichtwet om tot den 14-jarige leerplicht te komen, en werd van den ministertafel een vage belofte omtrent een herziening dier wet vanwege Van Heemskerk gedaan. Doch de sociaal-demokratisehe Kamerfraktie zegde toe een wetsvoorstel tot verlenging van den leerplichtigen leeftijd, welk voorstel het ontwerp tot invoering van den 10-urendag zal vergezellen. De Kamer kan dan wederom over deze zaak oordeelen, zij het niet op initiatief eener regeering, die zich nu eenmaal niet geroepen acht, de volkontwikkeling te bevorderen.
De arbeidsduur.
De voornaamste bepalingen van het ontwerp zijn vervat in artikel 5 (vermoedelijk in de wet art. 6). Het is een artikel van 14 leden en regelt den dagelijkschen arbeidsduur, benevens de dispensaties en het overwerk. De bestaande wet verbiedt, zooals men weet, vrouwen
645
weifellooze beslistheid der jeugd, haar onstuimige zekerheid van oordeel, haar rustelooze energie. Hun aktiviteit blijft ongebroken, hun kracht tot strijden voor het ideaal en het beginsel verslapt nimmer. Maar onverdraagzaamheid jegens alles en iedereen, wat niet past in hun gedachte-stelsel, hun wereldbeschouwing, is in hen niet toe- maar afnemend, naarmate de lijnen van dat stelsel met 't klimmen der jaren vaster en vaster in hun hersens wordt geprent. Zij worden heftiger, steiler, naarmate zij ouder worden. Bij de meeste groote leiders van geestelijke, politieke en godsdienstige bewegingen, de meeste groote denkers, hervormers en revolutionairen, die een rijpen leeftijd bereiken, komt duidelijk de ontwikkeling in de eene of andere richting aan den dag.
Tusschen beide in staan natuurlijk allerlei overgangsvormen, er buiten echter staan zij, die in hun daadkracht worden getroffen, zonder in wijdheid van inzicht en ruimheid van meegevoel te groeien. Dit zijn de eigenlijke impotenten, de verzuurden, die, machteloos de tegenstellingen van het leven, hetzij door de daad op te heffen, hetzij intellektueel te doorzien en zoodoende ideëel te overwinnen, zich wreken op hun eigen tekortschieten door machteloos cynisme.
De bedoeling van deze studie is geen treurzang te zijn, noch een strijdschrift. Zij tracht niet, bij de lezers van den Nieuwen Tijd ontroering op te wekken over het tragische in het lot der Nederlandsche marxisten, de eenzijdige ontwikkeling hunner persoonlijkheden, het verspillen, in overspanning of verslapping, van waardevolle eigenschappen, kostbare neigingen en vermogens, kostbaar bovenal voor een strijdende beweging. En evenmin tracht zij, verontwaardiging op te wekken jegens de leiders der „meerderheid", wier woorden en daden in de harten der verongelijkte en verdrukte „minderheid" de daemonen van toorn, wrok en haat hebben opgeroepen. Hare bedoeling is niet anders dan den psychologischen ontwikkelingsgang der verschillende typen van marxisten belichten, begrijpelijk maken hoe het zóó moest worden en ook geworden is, het besef te wekken der innerlijke noodzakelijkheid van het gebeurde. Dan kunnen wij het verbroken evenwicht, de eenzijdige ontwikkeling, den verwrongen aanleg en de verloren vermogens betreuren, maar onze ontroering wordt getemperd door het bewustzijn van de onvermijdelijkheid van dit alles. Wij weten, dat de ontwikkeling der socialistische beweging zich slechts kan doorzetten ten koste der individueele, dat zij het offer der persoonlijkheid vraagt, somtijds óók in den zin van het harmonisch uitgroeien der krachten van deze. En wij zien het verbreken van het evenwicht in de personen, gelijk in de groep, als een noodzakelijke fase in de ontwikkeling van het socialisme, een fase die eenmaal — voor dit geslacht of een volgend, wat maakt het uit? — tot weder-vereeniging der uiteenloopende aanleggen op een hooger plan, en harmonisch zich uitleven der verschillende vermogens in het individu voeren zal.
653
reformisme te verklaren, zij is er niet minder betreurenswaardig om. Want meer dan iets anders heeft deze afmattende en prikkelende taktiek, het voortdurend afleiden van de aandacht van de hoofdpunten, van de zakelijke verschillen, het diskrediteeren van de marxistische propaganda door onzuivere middelen, den strijd der meeningen vergiftigd, onder de marxisten de eenen tot moedeloosheid gebracht, bij de anderen wrok en haat gewekt, emoties die dan natuurlijk weer hun eigen strijdwijze beïnvloedden, een billijk oordeel over den tegenstander in den weg stonden, en een hatelijken en vijandelijken toon bevorderden. Want, zooals Bonger zeer terecht opmerkt „het. karakter van den aanval, en de wapenen waarmee hij gevoerd wordt, bepalen voor een groot deel den aard en de verdedigingsmiddelen van het verweer."
Ten slotte nog deze opmerking naar aanleiding van eenige door Bonger genoemde reformisten (Adler en Vandervelde) als modellen van goeden toon. Voor zoover ik weet, hebben deze partijgenooten zich in t algemeen in de polemiek met medestrijders inderdaad van persoonlijkheden weten te onthouden. Men vergete echter niet, dat in de landen waartoe zij behooren een marxistische oppositie van eenig belang tegen de reformistische partijleiding tot dusver nog niet bestond. In België is deze in den laatsten tijd aan 't opkomen, en 't trof ons, hoe Vandervelde's antwoord op het uitstekend, niet slechts door en door zakelijk, maar van persoonlijke hoogachting doortrokken geschriftje van Brouckere en de Man „Die Arbeiterbewegung in Belgien" onmiddellijk aan Vandervelde in zijn antwoord in de „Neue Zeit" een onaangenaam persoonlijken toon ontlokte, i) Verder speelt hier ook zeker de psychologische gesteldheid van deze beide leiders een rol. Hoe verschillend zij onderling mogen wezen, toch behooren beide tot de z.g. „staatslieden" in de sociaal-demokratie, d. w. z. tot de kategorie van invloedrijke personen in haar, die zich onderscheiden door gematigdheid, bedachtzaamheid, plooibaarheid, het verlangen en het vermogen meer door schikking en overleg dan door strijd hun doel te bereiken en de tegenstellingen zooveel mogelijk te verzoenen. Dat het bezit van deze eigenschappen hen in velerlei opzicht geschikt maakt om als partijleiders op te treden, is zeker; zij bezitten den takt en de bekwaamheid om de verschillende elementen waaruit de partij bestaat (men denke aan de nationaliteitskwestie juist in Oostenrijk en België) langen tijd bij elkander te houden. Het vermijden van scherpe polemiek en sterke maatregelen tegen leden van de partij-minderheden (hetzij marxisten, of syndicalisten, nationalisten enz.) is zoowel een uitvloeisel hunner geestesgesteldheid als een bestanddeel van hun stelsel.
Tegenover de voordeelen die het optreden van personen als Adler, "Vandervelde, Völlmar, enz. voor hun partij heeft, staan echter noodzakelijkerwijs de volgende nadeelen. Ten eerste zullen zij zoolang mogelijk
i) In de Leipziger Volkszeitung van 27 Juli klaagt de Belgische korrespondent, in een beschouwing over de bloktaktiek der partij, er over, hoe nu de tegenstellingen tusschen marxisten en revisionisten scherper worden, bij de meeste leiders der meerderheid een neiging zich vertoont, de oppositie, die de ontwikkeling naar het liberaal-socialistisch blok zoekt te verhinderen, met alle middelen den mond te snoeren. De zakelijkheid en broederlijkheid, die de partij-debatten tot nu toe doorgaans kenschetsten, nemen meer en meer af; in den algemeenen raad wordt aan de redenaars der oppositie eenvoudig door geschreeuw het spreken onmogelijk gemaakt, enz. En het zijn heusch praktici, «leiders der massa", die zoo optreden!
654
het tot uiting komen der verschillende richtingen en stroomingen in de sociaal-demokratie verhinderen, een scherp uiteenvallen daarvan in meerderheid en minderheid met alle middelen trachten te vermijden. Dit is b.v. hun rol op het internationaal socialistisch Kongres te Kopenhagen geweest, dat geheel in het teeken stond der ,,staatslieden-wijsheid". Zoo worden de bestaande verschilpunten verdoezeld, wordt het bereiken van klaarheid tegengehouden en de vrije ontwikkeling der gedachten, dat wil zeggen de aanpassing van het denken aan de ekonomische, politieke en sociale evolutie, in de sociaal-demokratie belemmerd. En ten tweede, zal een dergelijke overgroote zucht tot vrede naar binnen, bijna altijd gepaard gaan met neiging tot samenwerking met „vooruitstrevende" burgerlijke groepen, reformistische neigingen, kortom in den strijd naar buiten, i)
Dat men als partijleider, onnoodige scherpte, zoowel als hatelijkheid en persoonlijke polemiek in de geschillen met medestrijders vermijden en voor de partij-eenheid waken kan, zonder tot 't ras der verschillen-verdoezelende partijleiders-staatslieden te behooren, bewijst het voorbeeld van Bebel. Hij heeft het verstaan, bij alle zorg voor de eenheid der partij, op beslissende momenten den strijd tegen neigingen en denkwijzen, noodlottig voor den klassenstrijd van het proletariaat, met volle scherpte en somtijds zeer groote felheid te voeren.
VIII.
Slotconclusie.
In zijn werkje over „La logique des sentiments" onderzoekt Ribot, met de fijne waarnemingsgave die hem kenmerkt, in hoeverre ook de schijnbaar-verstandelijke redeneering door het gevoel wordt beheerscht, en toont aan, hoe menigvuldig de affekten, zoowel in het individueele als in het sociale leven, de logica op hunne banen meevoeren. Een van de essentiëele kenmerken dezer „sentimenteele logica" (in den zin van: door het affekt beheerschte) is, volgens hem, haar uitsluitend of grootendeels gevormd worden uit concepten en oordeelen, min of meer sterk met emotioneele bestanddeelen doormengd.
Naast de zuivere — hartstochtelijke, aanklagende en rechtvaardigende — vormen der affektieve of sentimenteele redeneering, bestaan natuurlijk ook gemengde. In deze laatsten is de logica ten deele rationeel, zij past tot op zekere hoogten de kategoriën en het mechanisme der rationeele logica toe, maar wijkt er van af waar zij dit voor hare doeleinden noodig heeft. In dergelijke overgangs-vormen is het rationeel geraamte der redeneering zwak en vol gaten, en deze zwakheden worden dan door de weelderige uitwassen der gevoels-logica bedekt en overwoekerd.
Het groote, algemeene beginsel, dat alle, ook de gemengde vormen der gevoels-logica beheerscht, is het doelbeginsel. Van uit haar wezen is zij teleologisch. Haar geheele redeneering is op een van te voren
i) Wij stellen natuurlijk Adler in dit opzicht niet met pur-sang revisionisten als Vandervelde en Völlmar op één lijn.
665
instantie een uitspraak te verkrijgen, die de vakvereeniging aansprakelijk stelde voor de schade ingevolge de staking en het posten, en hoewel in hoogere instantie deze uitspraak werd vernietigd, werd zij door het Huis der Lords, dat is in hoogste instantie, bevestigd 1 De Vakvereeniging van Spoorwegbeambten werd aansprakelijk gesteld voor de schade, die de maatschappij beweerde, te hebben geleden door het posten op een harer zijtakken, door een daar geplaatst bondsbestuurder met succes georganiseerd, en werd de Spoorwegvereeniging tot eene schadeloosstelling, van 20,000 pd. st. en bovendien 3000 pd. st. proceskosten, veroordeeld.
Deze uiting van reactie had een geduchte verwijdering tengevolge tusschen de Engelsche vakvereenigingen en de Engelsche bourgeoispartijen. De oogen gingen open! Het besef dat de arbeidersklasse niet alleen op industrieel, maar ook op politiek terrein den klassenstrijd moet voeren, en in dien strijd staat tegenover alle burgerpartijen, begon met elementair geweld tot de massa der arbeiders door te dringen. Maar juist op dat terrein werd toen, en is sedert, het gemis aan opvoeding van de vakvereenigingen in de leer van den klassenstrijd, het gemis aan scholing in den klassenstrijd, die voor het strijdende proletariaat nu eenmaal onvermijdelijk is, maar al te zeer gevoeld. Dat gemis heeft zich gewroken 1
Tot aan het tijdstip van het zich ontplooien De socialistische beweging der scnerpe reactie onder de Engelsche bouren de arbeiderspartij. geoisie, in de tweede helft der negentiger jaren, tot aan welke periode de groote massa der Engelsche, in vakvereenigingen georganiseerde arbeiders onverschillig of vijandig stond tegenover de sociaaldemokratie, bestonden er vier socialistische groepen: 1°. de „Socialdemocratic Federation", onder leiding van Hyndman en Quelch, opgericht in 1881, met de „Justice" als orgaan; 2". de „Fabian Society", in 1884 opgericht, onder leiding van het echtpaar Webb en Bernard Shaw, een vereeniging van socialistische letterkundigen en wetenschappelijke sociaalpolitici, doch geen proletarische strijdorganisatie: 30. de „Clarion Fellowship and Scouts', alweer geen eigenlijke politieke strijd-organisatie naar ons begrip, maar meer een algemeene socialistische propaganda-vereeniging, die, geschaard rondom het populaire weekblad „The Clarion", onder redactie van Robert Blatchford, vooral met gevoels-argumenten de goede zaak tracht te bevorderen; 40. de „Independant Labour Party" gesticht in 1889, onder leiding van Keir Hardie, die, juist met het doel om daardoor de massa der vakvereenigingsmannen tot zich te trekken, de naam „Socialistisch" afwees, maar zich overigens ten doel stelde, op een ongetwijfeld socialistisch program, en voorts voor een aantal practische punten: 8-urige werkdag, staatspensioneering, algemeen kiesrecht enz., de vakvereenigingsmannen te organiseeren, daartoe beschikkende over het weekblad „Labour Leader".
Was in deze periode de laatstgenoemde partij, de „Labour Party", verreweg de grootste, en scheen deze, door haar sterke aanpassing aan de eigenaardigheden der Engelsche arbeidersklasse, wel de aangewezene, om de strijd-organisatie te worden tegen de machtige bourgeois partijen waaraan de arbeidersklasse toen plotseling zoo sterk de behoefte gevoelde, (zij telde ongeveer 100,000 leden, verdeeld over ongeveer 200 afdeelingen) toch was er geen sprake van, dat zij alléén den reusachtigen politieken strijd, die in Engeland zoo enorm duur is, zou kunnen voeren; en zoo gebeurde datgene, wat, onder de gegeven omstandigheden, voor de hand lag: onder den drang der omstandigheden werd in 1890 de Arbeiderspartij gesticht, d.i. een samenvoeging van de socialistische partijen 1) mèt
1) De S. D. F. scheidde zich echter weer af, toen bleek dat de Labour Partij meer enmeer tot een politiek aanhangsel werd der liberalen. (Red. zV. Tl)
666
•de Trades Unions tot ééne groote federatie, onder bewaring van elks onafhankelijkheid en zelfstandigheid, maar met het doel, door gemeenschappelijk optreden en gemeenschappelijk dragen van kosten zich een eigen vertegenwoordiging in het parlement te verschaffen. Daartoe werd een fonds gesticht, waarin elk der aangesloten vereenigingen per lid een zeker bedrag had te storten, waaruit zoowel de verkiezingskosten als het salaris der parlementsleden moesten worden betaald. En inderdaad bleek al spoedig, dat onder de Engelsche arbeidersklasse de behoefte aan een zelfstandige arbeidersvertegenwoordiging in sterke mate bestond. Toen in 1906 algemeene verkiezingen plaats hadden, werd de conservatiefreactionaire regeering verjaagd, en werden ... ineens 29 leden der „arbeiderspartij" in het parlement gekozen. Dat was een schoone overwinning! Maar er was een schaduwzijde. De „arbeiderspartij", d. w. z. de federatie van vak- en socialistische vereenigingen die deze verkiezing der candidaten als speciale ,,arbeiders"-candidaten had bewerkt, en daarmee plotseling voor geen geringe parlementaire verantwoordelijkheid was komen te staan, had, juist omdat zij uit zoo verschillende elementen werd samengesteld, hare grenzen van toelating zoo ruim mogelijk moeten stellen. Voor toelating tot de parlementaire groep der arbeiderspartij, waartoe vurige sociaaldemocraten zoowel als zeer gematigde, neutrale vakvereenigingsmannen behoorden, werd de onderteekening eener zeer vage verklaring geëischt, luidende als volgt:
„De arbeiderspartij streeft er naar, eigen candidaten voor het parlement te doen verkiezen en in het parlement een eigene, zelfstandige arbeiderspartij te vormen. De kandidaten en de leden der fractie van de arbeiderspartij zijn verplicht, zich aan dit doel te houden en de besluiten der fractie op te volgen, voor hunne kiezers slechts als leden der arbeiderspartij op te treden; zich streng ervan te onthouden, met eene andere fractie of candidaten daarvan samen te werken of wel de belangen daarvan te bevorderen, en de candidaten die door de arbeiderspartij erkend zijn, niet te bestrijden. De candidaten der arbeiderspartij verplichten zich, ingeval zij verkozen worden, zich bij de arbeiderspartij aan te sluiten."
Zooals met ziet, heeft men zich hier van strikt socialistische verklaring zorgvuldig onthouden. Een program hield de federatieve arbeiderspartij er verder niet op na. Het kernpunt was: de onafhankelijkheid van andere partijen. Vanaf dat oogenblik traden, behalve de 26 gekozenen van 1906, ook een aantal parlementsleden tot de fractie toe, die tot op dat oogenblik hadden behoord tot een der beide andere groote politieke groepen, meestal tot de liberale partij. Zoo behoorden na 1906 tot de fractie „Arbeiderspartij" in het Lagerhuis b.v. zoowel de liberale vakvereenigingsleiders Richard Bell van de spoorweg organisatie en Shackleton van de textielarbeiders, als Victor Grayson, de heftige woord-revolutionair, en Pete Curran, van de marxistische S. D. P. Tezamen vormden zij in het parlement de „arbeiderspartij". Maar persoonlijk, of althans naar groepen, stelden zij zich voor de meest van elkaar verschillende, zeer uiteenloopende programma's verantwoordelijk. Tot welke gevolgen dit moest leiden, laat zich licht denken. De arbeidt} s-overwittning bij de verkiezing van iqoó was aan de arbeidersklasse toegevallen, zonder dat er eene voldoende sterke, eensgezinde sociaaldemocratische Partij was, om deze overwinning volkomen te beheerschen, en in staat om de gevolgen daarvan te dragen. De „arbeiderspartij" werd een mengsel van liberale, louter-vakvereenigings-, en socialistische afgevaardigden, de laatste nog weer van de meest verschillende nuauces, niet op één principieel program gebonden; met het gevolg, allereerst, dat de liberale vakvereenigingsleiders, tot dat oogenblik in innige verhouding staande tot de liberale partij, in wier politieke school ze waren opgevoed, gedwongen werden door de achter hen staande organisaties die hen betaalden, sterker de socialistische richting op te gaan als ze eigenlijk voor hunne persoonlijke
667
overtuiging wilden. Terwijl de uiterste linkerzijde, Grayson, Quelch en anderen, de „arbeiderspartij'' juist veel méér in socialistische richting wilden stuwen dan haar karakter haar veroorloofde....
Z edaar het begin van de herhaalde conflicten die sedert dien in de Engelsche arbeidersbeweging hebben plaats gevonden ; alles een gevolg van de onnatuurlijke, maar door de politieke gebeurtenissen als opgedrongen samenstelling der „arbeiderspartij", waarvan zich herhaaldelijk ook in de vakbeweging de gevolgen doen gevoelen.
Tot welk een absurde dingen de geschetste verhouding leidde, bleek o.m. — om maar iets te noemen — uit de aansluiting van de Federatie van mijnwerkers.
Deze Federatie met ruim 600,000 leden, die al sinds jaren de verkiezing van een 15-tal afgevaardigden voor het parlement in de mijnwerkers-districten weet te bewerkstelligen, en ook in 1906 weder dit aantal afgevaardigden naar het parlement zond, besloot in Mei 1908 bij meerderheid van stemmen, (nadat een vroeger voorstel in dien geest al eens verworpen was geworden) tot aansluiting bij de arbijderspartij, waarmee tegelijkertijd was uitgesproken, dat hare 15 parlementsleden zich ven de liberale club moesten afscheiden, en zich bij de fractie van de arbeiderspartij moesten voegen.
Zoo ging het ook met andere vakbonden die een of meer vertegenwoordigers voor hunne rekening als parlementsleden hadden weten te doen verkiezen, o.m. Richard Bell van de Spoorwegmannen en Shackleton van de Textielarbeiders, die tot vóór het referendum bij de liberale parlementsfractie behoorende, dóór deze uitspraak hunner vakvereeniging genoodzaakt werden, tot de arbeiderspartij over te gaan. Bij den één mag het geweest zijn in overeenstemming met de gewijzigde inzichten en de toenemende socialistische overtuiging; bij verschillende was het een overgang „op bevel", niet van harte, wellicht tegen eigen, zij het ook onjuiste, overtuiging. En de gevolgen van dezen abnormalen, onnatuurlijken toestand zijn dan ook niet uitgebleven.
Het beruchte Osborne-vonnis is van deze, straks geschetste
Het Osborne- srtuatje een der gevolgen geweest; het naar buiten treden vonnis. eener onderlinge verdeeldheid, die uit het boven geschetste verloop der dingen noodzakelijk meest volgen. Om de, door dit vonnis in de Engelsche vakbeweging gewekte beroering te begrijpen, moet men alweder de geschiedenis van deze zaak althans in hoofdzaak kennen. Art. 16 van de Trade Union van 1876, waarin voor het eerst de wettelijke erkenning der vakvereenigingen werd uitgesproken, en onder vigeur van welke wet de vakvereenigingen ook -thans nog leven, luidt als volgt:
„De uitdrukking „Trade Union" beteekent eenigerlei vereeniging, hetzij van tijdelijken of van standvastigen aard, voor de regeling der verhoudingen tusschen werklieden en patroons, of tusschen werklieden onderling, of tusschen patroons onderling, of voor het opleggen van beperkende voorwaarden aan de leiding van eenig bedrijf of eenige zaak".
Het is wel onbetwistbaar, dat in deze wettelijke omschrijving van de taak der trades-unions uitsluitend en alleen sprake is van de economische, de onderlinge verhoudingen tusschen ondernemers en arbeiders, betreffende de arbeidsvoorwaarden.
Tot nu toe echter was er nimmer eenig bezwaar tegen gemaakt, dat de Engelsche vakvereenigingen zich niet beperkten tot de bemoeiing met de „arbeidsvoorwaarden" in engeren zin, maar ook in zeer sterke mate zich begaven op politiek terrein, door uit hare kassen verkiezingen te bekostigen, actie te voeren voor arbeidswetgeving in het algemeen, en eventueel de gekozenen mede uit de kas der vakvereenigingen te mainteneeren. Niet alleen hadden de
668
leden, zooals trouwens voor de hand ligt, daartegen nimmer eenig bezwaar, maar ook de justitie had nimmer ook maar in de geringste mate daarbij van eenige bemoeiing doen blijken.
....Totdat na de geschetste ommekeer vanaf 1899, en daarna de aaneensluiting der vakvereenigingen met de socialistische groepen tot eene „onafhankelijke arbeiderspartij," plotseling deze politieke bemoeiingen de aandacht trokken.
De vakvereenigingen die zich bij de arbeiderspartij aansloten, bestemden een deel van de verplichte bijdragen der leden voor de kas der arbeiderspartij, — ten einde de hooge verkiezingskosten te betalen, en de parlementsleden, die in Engeland geen vergoeding genieten, te kunnen onderhouden, — en dit gaf in het begin van 1908 aan zekeren Osborne, hoofdkruier aan het station Clapton te Londen, in dienst bij de Great Eastern, en lid vande „Amalgamated Society of Railway Servants," de vakvereeniging van spoorwegpersoneel onder leiding van Richard Bell, die zich bij de arbeiderspartij had aangesloten bij meerderheid van stemmen, aanleiding om bij de justitie de vraag aanhangig te maken, of hij inderdaad verplicht kon worden, aan het verkiezingsfonds van zijn vakbond een shilling bij te dragen. Osborne meende van niet, en noemde de bepaling in de statuten, die de vereeniging machtigde, ook voor vertegenwoordiging in het parlement te ijveren, onwettig, getoetst aan de wet van 1876. Men heeft deze Osborne nooit anders beschouwd dan een creatuur, door grooote werkgevers en teleurgestelde burgerlijke politici gebruikt om de vakvereeniging van het terrein van den politieken strijd terug te dringen. Want miste eenmaal de „onafhankelijke arbeiderspartij" den plnancieelen steun der vakvereenigingen, dan zou zij onmachtig zijn geworden, ja, met lamheid zijn geslagen. Osborne zelf verklaarde, gedreven te zijn door de overweging, dat het program der arbeiderspartij een socialistisch karakter had, en hij als anti-socialist, niet wilde verplicht worden, als lid der vakvereeniging, óók voor een socialistische vertegenwoordiging te betalen. Osborne werd in eerste instantie, door den rechter Neville, in 't ongelijk gesteld, kwam in beroep bij het Hof van Appèl, en nadat de „Master of Rolls," zooals de titel luidt van den president-rechter -in dit hof, als zijne meening had uitgesproken, dat het beslist ongeoorloofd was, volgens de Trades Unions Acts van 1&71 en 1876, aan de statuten een artikel toe te voegen als het genoemde, vcreenigden zich ook de andere rechters van dit Hof met deze uitspraak, en werd een beroep op het Huis der Lords, de allerhoogste instantie, niet toegestaan.
Hiermee was onverwacht, door eene uitspraak in hoogste instantie, de geheele politieke actie der vakvereenigingen op losse schroeven gezet; veroordeeld als onwettig, onmogelijk geworden, zoodra slechts een of meer leden eener vakvereeniging zich er tegen gingen verzetten. Ja, zelfs het bestaan der Arbeiderspartij zélf stond op het spel, want zonder de geregelde bijdragen der vakvereenigingen kon zij niet bestaan!
De uitspraak van het Hof bracht hevige beroering onder de Engelsche vakvereenigingen te weeg, en reeds dadelijk naar het bekend worden daarvan werd, op Zaterdag 28 November 1908, een groote vergadering bijeengeroepen, waar verschillende leiders de hoop uitspraken, dat, nu de verplichte bijdragen voor de vakvereenigingen onmogelijk waren geworden, de leden der Trades Unions thans door vrijwillige bijdragen de arbeiderspartij zouden steunen. Tevens zou dan worden getracht, om de Trades Unions Act zoo spoedig mogelijk gewijzigd te krijgen, terwijl Richard Bell, een der sprekers, en, naar men zich herinnert, een vroeger liberaal Va.ratx\iè, uit wiens vakbond de zaak juist opgeworpen was, aan de uitersten der socialistische fracties voor de voeten wierp, dat door hunne schuld deze enorme moeilijkheid was gerezen, daar zij zich voortdurend tot
669
aanvallen hadden laten verleiden tegenover hem die niet door dik en dun met hen mee wilde, i)
Zóó was de groote parlementaire federatie aangeduid als Arbeiderspartij, door haar direct en bloc betrekken der Vakvereenigingen in den politieken strijd, niet slechts in ernstige moeilijkheden geraakt, maar ook woelde de verdeeldheid m eigen gelederen.
De boven geschetste moeilijkheden in de De revolutionaire uitingen politieke arbeidersbeweging, gevolg van het in de Vakbeweging. gemis eener stevige, bewuste, ééne sociaaldemokratische arbeiderspartij, vielen samen met of werden althans spoedig gevolgd door, eene op verschillende punten en op verschillende wijzen uitbrekende spontane ontevredenheid onder verschillende sterk georganiseerde arbeidersgroepen met de tot nu toe gevolgde vakvereenigingstaktiek. Van de toenemende neiging bij de besturen der vakvereenigingen om door scheidsgerechten en minnelijk overleg de conflicten in den industriëelen strijd tot een einde te brengen, heb ik in het eerste gedeelte van dit artikel, aan de hand der cijfers, reeds gewag gemaakt. Maar er is nog een andere omstandigheid, waarop de aandacht gevestigd moet worden. De „collectieve arbeidsovereenkomsten" in Engeland zijd van geheel anderen aard dan die in Duitschland en Scandinavië. Verreweg de meeste dezer laatste zijn aangegaan na 1899, door sterk gecentraliseerde vakbonden,. gereed voor den strijd, en krachtig en bekwaam genoeg om eene loyale naleving dezer overeenkomsten te waarborgen. In Engeland is het anders. Daar dateeren de overeenkomsten, die thans als „collectieve overeenkomsten" in de statistiek prijken, meestal uit het begin dar negentiger, voor een deel zelfs uit de tachtiger jaren, en betreften geheel verschillende arbeidsverhoudingen, die daarin slechts vaag zijn vastgelegd. Volgens opgaaf van het Labour Department van den Board of Trade bestonden er in 1909 in Engeland en Wales 1696 collectieve arbeidsovereenkomsten, n.1. 30 contracten tot vaststelling van de loonschalen (slidingscales; op zich zelf reeds een beginsel hetwelk door de moderne klassebewuste vakbeweging niet aanvaard wordt); 363 contracten betreffende stukloontarieven (waaruit blijkt dat de Engelsche vakbeweging de groote waarde voor de arbeiders van tijdloon tegenover stukloon nog niet voldoende beseft), en 1103 contracten tot vaststelling van overige arbeidsvoorwaarden. Onder deze contracten vallen ongeveer 2,400,000 arbeiders, maar nu lette men op, hoe in Engeland in dezelfde bedrijven somtijds groote aantallen contracten bestaan, n.1. 56 in de mijn- en steengroeven-industrie, 92 in
1) In het laatst van Mei 1911 is door den Engelschen Minister van Binnenlandsche Zaken, Churchill, bij het Lagerhuis een wetsontwerp ingediend, hetwelk ten doel heet te hebben om aan den toestand, die voor de vakbeweging ontstaan is sedert het Osborne-vonnis geveld werd. een einde te maken. Het geeft echter niet datgene, wat de Arbeiderspartij heeft gevraagd. Volgens het ministerieele voorstel mogen de vakvereenigingen, buiten en behalve de zuiver industriëele aktie, ook voor politieke hervormingen strijden, en daarvoor punten in haar program opnemen, echter onder bepaalde voorwaarden. Zoo zal de verplichting worden opgelegd, om over ieder programpunt en iedere resolutie waarin een politieke eisch ligt opgesloten, eene geheime stemming te houden; en elk dezer voorstellen moet At absolute meerderheid der leden op zich vereenigen. Verder moeten alle geldelijke offers voor politieke doeleinden uit een zelfstandig daarvoor bestemd en beheerd fonds komen: en ieder lid moet het recht hebben, te verlangen dat hij (zij) van het geven van bijdragen voor dit fonds wordt vrijgestetd. Zóó zijn er nog tal van beperkende voorschriften. Op vrijheid, om naar eigen believen op te treden en met haar eigen gelden te handelen, gelijkt dit nog niet veel!
Me Arbeiderspartij heeft ten opzichte van dit voorstel nog geen stelling genomen.
724
deze instituten eerst merkbare gevolgen op dit gebied zullen hebben, wanneer zij krachtig ontwikkeld zijn, behoeft geen betoog.
Ten slotte eenige opmerkingen over de z.g. geweldscriminaliteit. De gunstige gevolgen der socialistische beweging hiervoor zijn wel het sterkst. Ook voor deze soort van criminaliteit —■ voornamelijk dan de ernstige vormen ervan — is een bepaalde predispositie bij een aantal individuen aanwezig. Deze predispositie ligt grootendeels niet op moreel gebied, deze individuen zijn volstrekt niet alle slecht van karakter; zij hebben echter wel een gering vermogen zich te beheerschen, zij hebben een geringe secundaire functie, zouden de psychologen zeggen. Noch vóór de misdaad, noch na het ondergaan der straf vormen zij, zooals een belangrijk deel der ernstige eigendoms-delinquenten, een afzonderlijk deel der bevolking. Meest komen zij voort uit de bijzonder slecht gesitueerde arbeidersbevolking. Deze soort van misdaad hangt voornamelijk af van het beschavingspeil der arbeiders. Van welke eminente beteekenis hiervoor de arbeidersbeweging is, spreekt van zelf. Wij plaatsten in de tabellen XV en XXII naast de betreffende misdaadcijfers, die van het alcoholgebruik en het analphabetisme, wij hadden er ook de • statistiek der groeiende arbeidersorganisatie aan toe gevoegd, wanneer zij slechts van jaar tot jaar in die periode volledig bekend ware geweest. Zij is het, die de lust tot beschaving onder de arbeiders weet wakker te roepen, zij is het voornamelijk die het alcoholmisbruik tot staan, ja zelfs tot teruggang heeft gebracht.
De krasse beschuldiging, dat het socialisme de misdaad vergroot, werpen wij ver van ons: ook op dit gebied is het geen kracht ten kwade, maar slechts ten goede.
733
de werken der kuituur gebruikt, zij bleven hun slang of hun gans i) aanbidden, en van de priesterlijke theologie onbeinvloed. 2)
Het theologisch werk, dat in de centra der priesterheerschappij tot stand kwam, bestond in de verbinding tot een stelsel van wat op de verschillende natuurgoden betrekking had. Wij beroeren hier een tweede belangrijker punt: het voor de ontwikkeling van den godsdienst kenmerkend streven der heerschende kasten (priesterschap, koningschap, adel), aan den dienst der tallooze kleine goden een eind te maken en een monotheïsme te stichten. Het is een verschijnsel, dat de heer Boeser meermalen vermeldt met de karakteristieke bijvoeging, dat staatkundige motieven aan dit streven ten grondslag lagen. Het schematische en enumeratieve van zijn behandelingswijze doet aan den lezer echter het gewicht ervan totaal ontgaan en stempelt daarom dergelijke vermeldingen tot waardelooze frasen.
Wij hebben gezien, hoe door de maatschappelijke ontwikkeling in Egypte de tendenz naar een centraal gezag ontstond. De uitbreiding van het rijk naar het noorden, d. i. de verovering van tot nu toe zelfstandige vorstendommen, die leenstaatjes, nomen, werden, later de veroveringen naar buiten, die grootendeels door de behoefte aan slaven voor de bouwwerken werden bepaald, versterkten dit streven in enorme mate. Om de staatkundige eenheid te grondvesten en de geestelijke onderworpenheid aan het centrale gezag, den Pharao, te bewerkstelligen, was het noodig, de politieke macht der priesterkaste, waaruit de Pharao en de krijgsliedenkaste zelve waren voortgekomen, in de gouwen te breken en een nationale priesterschap te vormen, welker ekonomische belangen aan de oppermacht van den Pharao gebonden waren. 3) Het is een lange worsteling, waarvan 't begin door de verdichting reeds aan de regeering van den eersten koning, Menes, wordt toegeschreven 4) en welke onder die van Psamtik I (pl.m. -700) nog voortduurde. Al dien tijd moest het streven der staatsmacht en der staatspriesterschap zijn, den kultus van één hoofdgod, (met of zonder enkele bijgoden) waarvan het vorstengeslacht heette af te stammen en waarmee de plaatselijke goden werden geïdentificeerd, te bevorderen, en den godsdienst, tot nu toe dienstbaar aan de heerschappij der lokale priesterkasten, tot staatsgodsdienst te maken. Waar dezelfde historische omstandigheden optreden, wordt hetzelfde streven waargenomen, en het voorbeeld van Ramses II (pl.m. -1350), die de tempels der plaatselijke goden afbrak om bouwstoffen voor de tempels zijner „lievelingsgoden" te hebben, 5) staat niet alleen : het wordt door vele Romeinsche keizers uit den tijd van Hadrianus ijverig nagevolgd. 6) Waarom deze bestrevingen geen doel treffen konden, en het „kunstmatig" monotheïsme door de volksmassa niet
1) Dr. Boeser, pag. 9. Van de ellende der arbeidende kasten geven sommige papyrosrollen ontroerende schilderingen. Zie daarvoor: Maspero: „Du genre épistolaire", p. 50 etc.
2) De officiëele vereering van dieren als inkarnaties van godheden, (sperwer, kat, ichneumon, hippopotamos, krokodil) en met een eigen eeredienst (Apisstier, de ram te Mendes, enz.) is natuurlijk van dit primitieve fétichisme de „beschaafde", vertheologiscerde verschijning. Egypte was bijzonder rijk aan diersoorten. Zie: Maspero: „Geschichte der mörgenl. Völker'^ pag. 9—It. Ook: H. O. Lange: „Die Aegypter", pag. 110 in Chantepie de la Saussaye's „Lehrbuch etc", waarvan het boekje van den heer Boeser grootendeels een letterlijk résumé is!
3) Talrijk zijn de schenkingen der Pharao's aan de trouwe priesterschare gedurende het Nieuwe Rijk (pl.m. -1600 663.) Zie H. O. Lange, t.a.p. p. 152.
4) B.v. door Herodotos en Diodoros beide.
5) H O. Langec t.a.p. p. 115.
6) Zie daarvoor o.a. Bruno Bauer: „Christus und die Casaren" en Kautsky: „Der Ursprung des Christenthums", p. 179—183.
734
werd aangenomen, hebben wij hiervoor trachten aan te geven. Het feudalisme bovendien, de tamelijke zelfstandigheid der nomen-vorsten, hield de plaatselijke officiëele eerediensten overeind. Altemaal tendenzen, die de doorvoering van het door het centralisme bepaalde monotheïsme onmogelijk maakten; faktoren, welke in elke leenmaatschappij zich doen gelden, waardoor b.v. ook de middeleeuwsche boer zijn hoop van het tegenwoordige en het hiernamaals uitsluitend op zijn heilige stelde. Alleen, wanneer men deze dingen in het oog wil houden, krijgen de mededeelingen van den heer Boeser eenigen zin. (Men zie, wat gezegd wordt aangaande de goden Rê, Ptah, Amon, Odiris, Aton, Sebek, den hoofdgod onder de „beroemde" 12e en 13e dynastiën, en Chnum).
Op grond van de fundamenteele gebreken, welke wij toelichtend hebben aangewezen, mag men beweren, dat het werkje van den Leidschen auteur volkomen waardeloos is voor wie het openslaat om iets wijzer te worden dan hij gisteren was. Bijzonder blijkt dat ook — wij kunnen daarop niet al te zeer ingaan — in de tweede helft van 't boekje, waarin de schrijver zich alle moeite geeft, zooveel mogelijk mee te deelen omtrent de voorstellingen over het leven na den dood, de behandeling der dooden, de inrichting der graven, de theologie en kosmogonie, zooals zij door de priesterschap werden in elkaar geflanst, de eeredienst en de magie.
Men mag alweer vragen, wat „ons beschaafd publiek" 1) — waartoe wij zoo vrij zijn, de arbeidersklasse te rekenen — met deze als droogzand aaneenhangenden ballast moet uitvoeren, als men op pag. 35, waar onze auteur Lange weer letterlijk naschrijft, leest: „Zij (de priesterlijke theologie met den natuurkultus, zonnen-, sterrendienst enz. W.) werd officieel erkend, want haar doel was eenheid in het godsdienstige, evenals de macht des konings politieke eenheid beoogde. Hoever haar invloed ging, weet men niet. Onder het volk is die waarschijnlijk niet groot geweest" 2) De spekulatieve theologie met haar mythen en ceremoniën, die in de groote centra Memphis en Heliopolis ontstond, was het produkt eener „hoogere kuituur", waartoe heerschende kasten, in het bezit en het genot van den maatschappelijken rijkdom, zich opwerken. Zij was er op berekend, eensdeels de spekulatieve behoeften dier groepen te bevredigen, anderdeels, den oorsprong en de bestemming van den mensch, in het belang van de macht der maatschappelijk heerschenden, met het geheimzinnige en vreeswekkende te omgeven. Haar wortels — het is waar — staken in het volksgeloof, maar doodenvereering en mummificeering 3) de uitingen van den oerouden „Ahnen-Kultus", lang verweven met den fetichistischen natuurdienst, gingen met de primitieve voorstelling over de ziel gepaard, welke alle wilde volken hebben. 4) Men kan veilig zeggen, dat de geheele spekulatie over de vier deelen van 's menschen wezen en hun bestemming, het werk der theologie
1) Aldus de uitgevers! In de spraak der burgerij schijnt dit te heeten, dat deze lektuur voor arbeiders niet passend is. Met welke konklusie wij althans akkoord gaan.
2) Wij kursiveeren, want de heer Boeser heeft hier ook nog onjuist vertaald. Lange schrijft: „Waarschijnlijk drong die tot de massa des volks niet door". Lange: t.a.p. pag. 142-
3) Wanneer men hieronder ook het natronniceeren en in linnen wikkelen van de dooden der arbeidende klassen rangschikt.
4) Het volksbegrip over de ziel (Ka) is wel te onderscheiden van het theologische begrip (Ba). Het eerste was het oeroude. „De voorstellingen over den Ka liggen ten grondslag aan de doodengebruiken." Zie Lange, t.a.p. p. 133.
735
is. Met het eenvoudige volksgeloof hangt ook de eenvoudige moraal samen, die slechts de plichten tegenover de afgestorvenen, de ouden en wijzen, en de behoeftigen voorschreef.
Wij hebben gepoogd, in dit korte bestek de richting aan te geven, waarin o. i. een werkje, dat ontwikkelende lektuur wil bieden in zake godsdienstwetenschap, zich bewegen moet. Wij gingen van de gedachte uit, dat het vooral de arbeiders zijn, die aan een litteratuur op dit gebied behoefte hebben, welke verhelderend werkt op hun geest, d. i. hun de beteekenis doet begrijpen van een ideologie, die noodzakelijk voor de onderdrukking der massa's heeft gediend. En van „zuiver wetenschappelijk standpunt" mag men evenzeer een methode eischen — zij kan slechts de materialistische zijn — die de hoofdzaken van de bijzaken doet onderscheiden, het verband tusschen de feiten aanbrengt, ze uit algemeene grondbeginselen verklaart, en het verstand niet met een overstelpende en grootendeels nuttelooze feitenmassa vermoeit. Het zijn de omgekeerde eischen, waaraan de brochure van den heer Boeser voldoet.
Iets over De Machine
DOOR
F. VAN DER GOÊS (Slot).
V.
Een argument door sommige pleitbezorgers van het kapitaal blijkbaar voor onweerlegbaar gehouden, is vervat in de vraag of men dan werkelijk de massa van fabrieksarbeiders in groote steden en industriëele streken ziet lijden aan geestelijk verval, zij bij de plattelandsbewoners of bij de handwerkslieden in verstandelijke ontwikkeling merkbaar achterstaan ?
Nemen wij voor de afwisseling een universiteitsprofessor aan gene zijde van den Oceaan, den titularis aan de Yale-hoogeschool, New-Haven. In zijn algemeen werk over ekonomie, 1896 verschenen, bespreekt de schrijver in het hoofdstuk „Machine en arbeid", de kwestie die ons bezighoudt. „Minder gemakkelijk" dan eenige andere dikwijls uitgesproken aanklachten — het boek van Hadley 1) is ook naar den vorm doorgaans een pleidooi — kan, zegt hij, „de grief dat het fabriekstelsel de strekking heeft den arbeider van zijn onafhankelijkheid te berooven, ter zijde gesteld worden.
„De verdringing van verstandelijken door mechanisch uitgevoerden arbeid is dikwijls een ernstig euvel van de hedendaagsche voortbrenging. Niet alleen werden persoonlijk verkregen bekwaamheden als die van de handwevers in het begin van deze eeuw door de invoering van nieuwe machinerie overbodig gemaakt, maar groote groepen van menschen die vroeger nuttige burgers waren, worden uit hun bestaan gedrongen door den druk van de hedendaagsche konkurrentie.. . . Het valt niet te ontkennen dat de arbeid steeds meer in onderdeden gesplitst wordt, en dat veel van zijn werkzaamheden geestelijk een beperkenden invloed uitoefenen op den modernen arbeider". (T. a. p., blz. 350) 2).
1) Arthur Twining Hadley, Economics; New-York en Londen, 1896.
2) Dictionary of Folitical Economy, Londen 1900. Skitled Labour, II, 528.
737
Echter heft het kapitalisme zelf, meent de schrijver, dit nadeel weer op. „Wij mogen veilig ontkennen dat deze verandering een verstandelijken teruggang veroorzaakt onder de massa". „Hetgeen wij aan gelegenheid voor reizen en voor verschillende vermaken gewonnen hebben, weegt ruimschoots op tegen het verlies van gelegenheid tot verandering in bezigheden". De bewoners van steden genieten meer afwisseling dan de landbouwende bevolking. „De overgang van handwerk tot fabriek levert, in weerwil van de daarbij betrokken gevaren, voor het algemeen een aanwinst op, niet slechts in stoffelijken rijkdom maar ook in omvang en gehalte van beschaving". Aldus de Amerikaansche hoogleeraar wiens gedachte wij in de woorden van Marshall kunnen formuleeren: „het is de eentonigheid van het leven, veel meer dan de eentonigheid van den arbeid die te vreezen is; eentonigheid van arbeid wordt eerst dan een zeer groot bezwaar wanneer zij eentonigheid van leven tengevolge heeft."
Het argument is overgenomen door den samensteller van het artikel over Geschoolden Arbeid in het Engelsche staathuishoudkundig woordenboek, onder redaktie van Inglis Palgrave. Aan de boven geciteerde werken van den onvermijdelijken Marshall en Prot. Nicholson ontleent hij de gronden voor de optimistische beschouwing:
„Anderen, gaat hij voort, houden deze beschouwing voor veel te gunstig. Zij zijn van oordeel dat in het algemeen, onder het stelsel van uitgebreide arbeidsverdeeling dat het gebruik van samengestelde machinerieën medebrengt, — deels als oorzaak, deels als gevolg — de fabrieksarbeider niet opgeleid wordt tot een juist begrip van de bewerking waarvan zijn werk slechts een onderdeel uitmaakt; dat zijn arbeid daarom eentonig is en den geest onvervuld laat; dat de gewoonte van zich te regelen naar de automatische beweging van de machine de strekking heeft den geest te doen verstompen; en dat in zoover als de machine de oefening van de spieren en de bekwaamheid voor handwerk vermindert, zij de verschillen in bekwaamheid bij fabrieksarbeiders uitwischt en het algemeene peil verlaagt".
„Een kern van waarheid" kan de schrijver aan deze opvatting niet ontzeggen. Doch om aan haar algemeene geldigheid te gelooven, meent hij, zouden wij, als gevolg van de toepassing der machine, de industriëele wereld zich moeten zien splitsen in twee zeer ongelijke helften: „de weinige bezitters, toenemende in kennis en beschaving, de menigte der slaven, wegzinkende in ruwheid en onkunde." Hij wil niet ontkennen dat verschijnselen die op het laatste sterk geleken, zich inderdaad hebben voorgedaan, nl. in de overgangsperiode van de Engelsche ekonomische geschiedenis, met het vervallen van de oude bepalingen die het handwerk beschermden, terwijl de moderne arbeidswetgeving nog moest toonen wat zij vermocht. Sedert, echter, is de
738
wending ten goede onmiskenbaar. De algemeene verstandelijke ontwikkeling van het proletariaat wordt blijkbaar door de machine eerder bevorderd dan tegengehouden. Op de hoogere beschaving van den modernen arbeider heeft zij geen vat.
„Doch hoedanig de direkte invloed van de machine op de bekwaamheid van den fabrieksarbeider moge zijn, besluit de schrijver, het kan niet worden betwijfeld dat de tegenwoordige nijverheid — zoowel oorzaak als gevolg van de machinerie — en haar groote steden, onderlinge afhankelijkheid van industrieën, en toenemende samengesteldheid van het leven, veel grootere bekwaamheden en geestelijke bedrijvigheid eischt van den gemiddelden burger."
De tegenstrijdigheid gelegen in het effekt van de kapitalistische industrie op het arbeidersintellekt, ziet men, wordt door de aangehaalde auteurs gevoeld maar niet opgelost. Van dit samengestelde effekt is het bestanddeel dat den arbeiders ten goede komt niet gelegen in den aard van den arbeid, die hoofdzakelijk machinale arbeid is, als zoodanig. Dit maakt het beslissende en kenmerkende verschil uit bij vroeger. Indien thans de arbeider nog eenige vreugde in het leven schept, en zijn geestesbeschaving weet te verhoogen, heeft hij daarbij niets te danken aan den aard van zijn beroepsbezigheid. Het geschiedt meestal in weerwil van die bezigheid, slechts in zoover hij zich aan haar nadeeligen invloed weet te onttrekken. Alleen wanneer de arbeider voor zich het antwoord heeft gevonden op de vraag waarom en waarvoor hem deze arbeidsiasten worden opgelegd, kan de reaktie ten goede haar weg vinden. Doch dan ontspringt niet de nuttige werking uit de eischen die de arbeid aan hem stelt, maar uit de vragen die zij doen opkomen, aan den tegenstand dien zij wekken.
Ten gevolge van de andere eischen die voorheen het handwerk stelde, deelde het ook aan de werkers iets meê. Het schonk aan de massa van het arbeidende volk een eeredienst van den arbeid, gevierd in de kerken, waar ieder gilde haar altaar had opgericht, gewijd aan den heilige die het vak in den hemel vertegenwoordigde en op aarde beschutte; gevierd ook in feesten, onafscheidelijk van de emblemen van den arbeid, die de vakgenooten vereenigden en waar de arbeid werd gehuldigd. De techniek van den machinaal verrichten en veelvuldig verdeelden arbeid weet alleen van eischen. Zij verhoogt voortdurend de intensiteit van een inspanning die geen bevrediging schenkt, die afmat zonder te vervullen, die neemt zonder te geven. Zij maakt van den arbeid afkeerig, zij heeft het ontstaan of de uitbreiding van speciale klasseondeugden ten gevolge.
Zóó, een toestand bedoelende die vroeger beter was, en waarin het kapitalisme een groote verandering heeft gebracht, schreven de auteurs van het Kommunistisch Manifest de beweringen, voor de juistheid
739
waarvan Van der Waerden nieuwe bewijzen heeft gebracht. „De arbeid heeft alle zelfstandigheid van karakter verloren." „De arbeiders zijn nog enkel aanhangsels der machine." „Er worden van hen slechts de eenvoudigste, eentonigste en gemakkelijkst te leeren handgrepen gevorderd." Ook Kautsky, in het Erfurter Program, spreekt vergelijkenderwijs. „Een nieuw soort arbeid is ontstaan, zegt hij, de arbeid aan de machine."
„De machine berooft den arbeid van allen geestelijken inhoud. De arbeider aan de machine heeft niet meer te denken, niet te overleggen, hij heeft de machine willoos te gehoorzamen. Zij schrijft hem voor wat hij te doen heeft, hij wordt haar aanhangsel."
„Het eerste gevolg van de eentonigheid en geesteloosheid van den arbeid is dat de geest in den arbeid gedood schijnt te worden." Maar dan gebeurt iets anders. Het verdere gevolg is dat hij zich voelt gedreven tot verzet tegen de overmatige verlenging van den arbeidsduur.
„Arbeiden nl. is voor hem niet gelijkluidend met leven. Het leven begint voor hem pas als de arbeid is afgeloopen. Voor arbeiders wier leven en arbeid één is, kan vrijheid van arbeid een vrij leven beteekenen. De "arbeider die enkel leeft wanneer hij niet arbeidt, kan een vrij leven slechts bereiken door bevrijding van den arbeid .... Dit is een van de sterkste motieven tot den strijd om verkorting van arbeidstijd voor den modernen proletariër, waarvan de boeren en handwerkers van de oude soort geen begrip hebben. Het is niet een strijd om kleine ekonomische voordeelen, om eenig hooger loon, om het getal der werkloozen te verminderen. Al die oorzaken werken mede, maar inderdaad is het een strijd om het leven." (bl. 173).
De revolutionaire arbeidersbeweging bedient zich niet van de eigenschappen die de machinale arbeid in het leven roept, maar van de krachten die hij vrij laat.
„De geestelijke vermogens van den arbeider, schrijft Kautsky, worden niet als bij andere werkers door de beroepsbezigheden uitgeput; zij liggen veeleer zoolang ongebruikt. Te machtiger daarom is de drang naar geestesbezigheid buiten den arbeid, indien eenigszins mogelijk. De dorst naar weten bij het proletariaat is een treffend verschijnsel van de tegenwoordige maatschappij .... Doch eerst in het socialisme zullen de bronnen geopend worden die dezen dorst kunnen stillen. De kapitalistische produktiewijze wekt bij de arbeiders de begeerte naar kennis welke eerst de socialistische zal vervullen." (bl. 174—75).
De strijd tegen geestelijke „Verelendung", dus, ontstaat, naar deze voorstelling, uit de omstandigheden waaronder in het kapitalisme de uitbuiting wordt gedreven. Haar gunstige werking bestaat hierin dat de arbeiders worden gevormd niet tot beter bruikbare sujetten voor de exploitatie door het kapitaal, maar tot meer geschikte leden van een hoogere samenleving.
...
74Q
VI.
De plaatsen die Van der Waerden in het overzicht van „den stand van het vraagstuk" uit het Kapitaal van Marx aanhaalt, zijn ontleend aan een paragraaf, de vierde van het dertiende hoofdstuk, getiteld „de Fabriek". Inderdaad vindt men hier, waar Marx de fabriek als moderne werkplaats, als een gereede instelling tot produktie beschouwt, welker historische wording tevoren is beschreven, de uitspraken die zijn meening over de punten in kwestie het duidelijkste en het volledigste weergeven. Op deze punten beantwoordt, blijkens het onderzoek door den schrijver uit zijn school ingesteld, de werkelijkheid nog geheel en al aan het beeld door Marx in deze bladzijden geschetst.
Den algemeenen gedachtengang — opdat de lezer zich overtuige in welk verband met de overige trekken van het geheel de speciale citaten over de ontscholing bij Marx voorkomen — laat zich als volgt samenvatten.
Technische grondslag van de arbeidsverdeeling in de voorafgaande kapitalistische periode, de Manufaktuur, was de bekwaamheid van den handwerker in het gebruik van zijn werktuig bij het hem toegewezen onderdeel van het produktieproces. Met de toepassing der machine — instrument dat werktuigen in beweging brengt — gaat de bekwaamheid van den arbeider als op het levenlooze voorwerp over. De Manufaktuur kent, naar hun verschillende bekwaamheden geschikt, een rangorde van arbeiders. De machinerie stelt daarvoor een andere onderscheiding in de plaats. Zij schept een onderscheidslooze massa van bedienaren der machine aan den eenen kant, wederom in eigenlijke machine-arbeiders en handlangers gesplitst, en aan den anderen kant een naar getalssterkte betrekkelijk onbeduidend personeel, belast met de kontrole over de gezamenlijke machinerie : eenige werktuigkundigen en andere vakmannen. Nog een verdeeling van arbeid door de machine geschapen berust niet, zooals te voren, op het kunstmatig aangekweekte onderscheid tusschen arbeiders naar hun bekwaamheid, maar op de natuurlijke verschillen van leeftijd en geslacht.
Machinale arbeid moet vroegtijdig worden aangeleerd. De arbeider moet zijn eigen beweging regelen naar de gelijkvormig onafgebroken beweging van het zelfwerkende instrument. Wel moet over de verschillende bestanddeelen van het machinale stelsel het arbeiderspersoneel groepsgewijs .worden verdeeld. Maar dit stelsel heft de noodzakelijkheid op, die in de Manufaktuur bestond, van deze verdeeling te bestendigen door voortdurende toewijzing van dezelfde verrichting aan denzelfden arbeider. De beweging gaat niet uit van den arbeider, dus kan de bemanning van de machinerie afwisselen zonder dat de arbeid behoeft stil te staan. En zoo snel wordt op jeugdigen leeftijd het fabriekswerk
74i
aangeleerd dat daarmee bovendien de noodzakelijkheid vervalt een bepaalde klasse van arbeiders uitsluitend tot fabriekswerk te bestemmen. Althans de diensten der handlangers zijn wegens hun volkomen eenvoudigheid vatbaar voor onophoudelijke vervanging van de daarmee belaste personen.
Inderdaad is de nieuwe arbeidsverdeeling in de fabriek de voor de arbeiders ongunstige herhaling en bevestiging van de arbeidsverdeeling in de manufaktuur, welke laatste door de machinerie technisch verstoord wordt. De levenslange hanteering van een werktuig voor onderdeden verandert in de levenslange bediening van een machine voor onderdeden. De machinerie wordt gemisbruikt om den arbeider zelf van kindsbeen af te veranderen in het deel van een zoodanige machine. Niet alleen worden aldus de voor de reproduktie van de arbeidskracht noodige kosten aanzienlijk verlaagd, maar tevens voltooit zich de onzelfstandigheid van ieder afzonderlijken arbeider tegenover het geheel der fabriek, dus tegenover den kapitalist.
De arbeider in de fabriek gebruikt niet meer het werktuig, hij bedient de machine. Thans moet hij een beweging volgen welke hij vroeger meêdeelde. Het levende toestel van de Manufaktuur is vervangen door een levenloos toestel, onafhankelijk van den arbeider, dat hem als levend aanhangsel opneemt. Het veelzijdige gebruik der spieren maakt plaats voor een uiterste inspanning der zenuwen. Alle vrije lichamelijke en geestelijke werkzaamheid houdt op. Zelfs de verlichting van den arbeid verhoogt de plagen van den arbeider, daar de machine niet hem bevrijdt van den arbeid maar den arbeid van zijn inhoud berooft. In het kapitalisme is het steeds de arbeidsinrichting die over den arbeider beschikt, maar eerst met de machinerie verkrijgt deze betrekking technisch tastbare werkelijkheid. Thans gevoelt de arbeider gedurende het arbeidsproces zelf dat het arbeidsmiddel hem als kapitaal beheerscht. Alle geestelijke krachten van het produktieproces zijn kapitaalmachten geworden. Wat 'beteekent nog de vaardigheid der individueele werklieden, elk in hun gespecialiseerd onderdeel, bij de wetenschap, de heerschappij over de natuur en het bevel over den maatschappdijk-massalen arbeid, belichaamd in het machinale stelsel en allen tesamen bij den kapitalist, den ondernemer, berustende 1 De arbeidskracht is nog slechts een waar van geringe waarde. De kennis van den arbeider is een in het produktieproces volkomen ondergeschikte faktor.
Ook nog op andere wijze maakt zich de overmacht van het kapitaal in de fabriek aan den arbeider voelbaar. De technische onderwerping van den arbeider aan den gelijkvormigen gang van het arbeidsmiddel en de samenstelling van het arbeidslichaam uit individuen verschillend naar geslacht en leeftijd, scheppen een volledige fabriekstucht, waarvan de handhaving aan een bijzonder lichaam van opzichters is toever-
742
trouwd — de kapitalistische karrikatuur eener maatschappelijke arbeidsregeling noodig gemaakt door de koöperatie in het groot en het gebruik van gemeenschappelijke arbeidsmiddelen. De zweep van den slavendrijver wordt vervangen door het fabrieksreglement, op eigen gezag door den meester vastgesteld.
De koöperatie van vele arbeiders heeft reeds lang vóór de invoering van machines geleid tot besparing van gemeenschappelijk gebruikte arbeidsmiddelen, o. a. van de arbeidsruimte. In de fabriek komt deze bevoordeeling van den eigenaar der produktiemiddelen tot volle ontwikkeling. Stelselmatig wordt de arbeider beroofd van de meest onmisbare levensvoorwaarden, van het genot van ruimte, licht, lucht, veiligheid van gezondheid en leven.
Hoe de fabriek met haar door eenige natuurkracht gedreven, ten opzichte van den arbeider derhalve automatisch bewegende machinerie, aldus tot de kapitalistische werkplaats bij uitnemendheid gerijpt is, leest men bij Marx in de voorafgaande paragrafen van dit hoofdstuk. De ontscholing van den arbeid die de fabriek kenmerkt is, zooals men ziet geen op zichzelf staand, als min of meer toevallig te beschouwen euvel. Zij is de technische uitdrukking van de onderworpenheid en hulpeloosheid van den arbeider, met de uitbreiding van de machinerie in de fabriek volledig geworden.
Het zijn niet de technische uitvindingen geweest die het fabriekswezen en de grootindustrie in het leven hebben geroepen. Omgekeerd heeft hetgeen op een bepaald tijdstip van haar historie de kapitalistische produktie als technische eischen stelde, aan de ontwikkeling van het machinewezen den stoot gegeven.
Dit tijdstip was bereikt toen de produktie met soortgelijke doch meer beperkte hulpmiddelen dan de machine niet meer kon voldoen aan de door haar zelf geschapen behoeften. De machine is een arbeidsmiddel dat den arbeid produktiever maakt, d. w. z. iri denzelfden tijd een grootere hoeveelheid waren levert. Elke machine, echter, ooit uitgevonden of althans praktisch toegepast, was door een kapitalist besteld en gekocht geworden. De kapitalist vraagt niet naar de grootere hoeveelheid waren, hij vraagt enkel naar de grootst mogelijke meerwaarde of winst. Aan deze vraag, en aan deze alléén, heeft het arbeidsmiddel te voldoen dat voor den kapitalist uitgevonden, dat door hem zal worden toegepast. De machine voldoet aan de voorwaarde; de arbeider die met de machine een grootere hoeveelheid waren dan vroeger produceert, ontvangt van dit arbeidsprodukt daarom geen grooter deel; het overblijvende grootere deel behoudt de kapitalist. De machine, dus, is een middel om meerwaarde te produceeren.
Soortgelijke hulpmiddelen heeft de industriëele kapitalist reeds vroeger in het werk gesteld. Zoodra hij, als bezitter van geld en van relaties,
743
als kenner van markten en van behoeften, van handel en van verkeer, als de vertegenwoordiger van het kapitaal, van het beginsel en de wetenschap der winstmakerij, zoodra de koopman op het voor hem nieuwe gebied der produktie vasten voet had verkregen tegenover de representanten van handwerk en kleinbedrijf, heeft hij zijn voordeel gezocht in de toepassing van arbeidsmiddelen die de opbrengst van den arbeid deden toenemen. Voorzoover de koopman ook handel drijft in opzettelijk voor hem geproduceerde goederen, zien wij hem een aan zijn rijkdom en positie verschuldigden invloed verkrijgen op de producenten. De handelaar die de gereede goederen van de kleine producenten opkocht, nadat hij hun de grondstof verkocht had, begint werkers in zijn dienst te nemen, aan wie hij de grondstof uitdeelt om voor zijn rekening, tegen een bepaald arbeidsloon, te verwerken. De dan volgende stap op den weg naar de moderne fabriek vereenigt deze reeds van het kapitaal afhankelijk geraakte arbeiders onder één dak, de eerste werkplaats onder het direkt bevel van den kapitalist. In deze werkplaats vindt men vooreerst geen andere arbeidsmiddelen dan de reeds door de vroeger zelfstandige handwerkers gebruikte. Toch verschaft de vereeniging van vele arbeiders den ondernemer de voordeelen van de grootere produktiviteit door hunne samenwerking verkregen.
Belangrijkste van deze voordeelen is de verdeeling van den arbeid door de gelijktijdige beschikking over een grooter getal arbeiders mogelijk. Hetzij de werkplaats der Manufaktuur vele arbeiders opneemt die hetzelfde of iets soortgelijks doen, hetzij ze arbeiders van vele verschillende bedrijven vereeftigt, het gevolg is in beide gevallen een specialiseering van den arbeid en van den arbeider, die tegelijk met de andere voordeelen van de koöperatie den kapitalist ten goede komt. In het eerste geval worden eenvoudig de verschillende verrichtingen waaruit het geheele proces bestaat, van elkander losgemaakt en ieder aan een afzonderlijken arbeider toegewezen. Voortaan maakt niemand hunner meer het geheele werkstuk. In plaats dat zooals vroeger b.v. een naaldenmaker twintig verschillende verrichtingen achtereenvolgens uitvoert, voeren thans twintig naaldenmakers gelijktijdig ieder een andere verrichting uit. In het tweede geval ondergaat de bezigheid van de handwerkers door de samenwerking aan de produktie van een en hetzelfde artikel, een wijziging die hun op het verlies van het eertijds zelfstandig en volledig ambacht komt te staan. Zoo ging voorheen een koets achtereenvolgens door de handen van wagenmakers, smeden, schilders, stoffeerders enz. Een koets uit het atelier van den nieuwen ondernemer, is het produkt van lieden die nog slechts timmeren, smeden, schilderen enz. aan koetsen.
In beide gevallen, dus, is van de nieuw ingevoerde arbeidsverdeeling
744
het gevolg dat iedere afzonderlijke verrichting de specialiteit wordt van een bijzonderen arbeider. Daarmee verandert de arbeider in een bewerker van onderdeden en gaat bij hem de algemeene vakbekwaamheid verloren. De bewerking van onderdeden waaruit voortaan de arbeid bestaat is de herhaling van enkele weinige operaties. Ook de arbeidsmiddelen zijn niet meer de oude handwerktuigen van vroeger. De timmerlieden, de smeden, de draaiers, de stoffeerders, die zich bedienden van dezelfde gereedschappen voor verschillende bewerkingen, worden nu bewapend met een verschillend werktuig voor iedere andere verrichting. Aldus ontstaan speciale gereedschappen in groote menigvuldigheid. De hamer, b.v. wordt dermate gedifferentieerd dat men de soorten weldra bij honderden telt.
Dit alles, ziet men, is de machinerie nog niet, maar gaat reeds op de machinerie gelijken die zij voorbereidt en aankondigt. Door de arbeidsverdeeling in de manufaktuur wordt de arbeider vernederd en het arbeidsmiddel verheven. De voordeelen geniet uitsluitend de kooper van de arbeidskracht, de bezitter van de arbeidsmiddelen, de vertegenwoordiger van het kapitaal.
De overgang van manufaktuur naar moderne industrie is zoowel een voltooiing als een omwenteling. De toenemende overvloed van produktie zoekt naar nieuwe markten welke, eenmaal gevonden, behoeften scheppen die de manufaktuur niet meer kan bevredigen. Een nog grootere produktiviteit van den arbeid wordt vereischt Reeds is het arbeidsmiddel vereenvoudigd, verbeterd en vermenigvuldigd. Reeds bestaat de arbeid in het gebruik van de gespecialiseerde werktuigen, verdeeld over evenzeer gespecialiseerde arbeiders. En reeds beschikt de arbeider nog enkel over een groote vaardigheid in het gebruik van de tot bewerking van onderdeden gewijzigde gereedschappen.
Op twee hoofdpunten, echter, is dit stelsel nog onvolmaakt. Opdat de arbeidsproduktiviteit zich geheel kunne ontwikkelen, moeten twee belemmeringen worden weggenomen. Het is nog altijd de arbeider zelf die zijn werktuig hanteert. Doch een arbeider kan slechts éen werktuig tegelijk in beweging brengen, hoe groot zijn vaardigheid en dus de snelheid van de beweging moge zijn geworden. Gevraagd, dus, een instrument dat met verscheidene werktuigen tegelijk kan werken. Dit instrument, in de tweede plaats, moet sneller kunnen werken dan de mensch. De machine is het die aan beide voorwaarden voldoet. Het nieuwe arbeidsmiddel vervangt den arbeider, die een enkel werktuig hanteert, door een toestel van een aantal werktuigen, bewogen door een zelfde drijfkracht De spierkracht van menschen en dieren, de kracht van water en wind, worden, als drijfkracht van de machine, allengs vervangen door het vermogen dat een onderdeel van de machinerie zelf voortbrengt, de kracht van stoom enz.
745
Deze voltooiing van het arbeidsmiddel der manufaktuur brengt tegelijkertijd een omwenteling in het wezen van dit arbeidsmiddel en daarmee van de bestaande arbeidsverhoudingen voort. De moderne industrie is niet slechts de uitbreiding maar ook de revolutie van de vroeg-kapitalistische produktiewijs. In deze revolutie worden alle beperkingen van de nog op handwerk berustende produktiewijze opgeheven. Immers vervalt het handwerk zelf. Hoe zeer ook verdeeld en gespecialiseerd werd de arbeid nog verricht door handwerkers wier persoonlijke bekwaamheid, hoezeer bepaald tot de bewerking van onderdeden, een element van beteekenis in het produktieproces bleef. In de revolutie van de manufaktuur gaat juist de indeeling van het arbeiderskorps naar de tallooze bijzondere funkties die de produktie noodig maakt, verloren. Verloren gaat dus ook de zelfstandigheid die de arbeider als handwerker tegenover het kapitaal nog had weten te bewaren. Ongeschoolde arbeidskrachten kunnen thans bij groote massa's tot de machinale werkplaats worden toegelaten, onder welke nieuwe krachten allereerst de niet tot den arbeid opgeleide of onvolwassen gezinsleden van den arbeider, de vrouwen en kinderen, behooren.
Welke funktie overigens door de machinaal geproduceerde machine —■ zelf eerst het produkt van handwerk, een tak van produktie ook weldra door de machine, haar produkt, omgewenteld, — in het kapitalisme vervuld wordt dat door de toepassing van dit arbeidsmiddel tot volledige ontwikkeling is gekomen, kan hier niet verder worden nagegaan. Wij zijn thans teruggekeerd tot het uitgangspunt van dit hoofdstuk, de machinale fabriek, waarin het produktieve arbeidsmiddel, uit het streven naar eindelooze vermeerdering van de kapitaalwinst geboren, tegenover den arbeider verschijnt als een wapen in de hand van den kapitalist, dat op hem bij iedere schrede de overmacht van het kapitaal doet gevoelen.
VII.
Te laat om door Van der Waerden te worden gebruikt, zijn, in den loop van het vorige jaar, de eerste banden verschenen van een nieuwe reeks monografién over arbeidsvoorwaarden en arbeiderstoestanden in het moderne grootbedrijf i). Aan het slot van de inleiding verwijst de schrijver naar deze door den ,,Verein für Sozialpolitik" uitgegeven werken, waarvan de samenstellers herhaaldelijk ook over het door Van der Waerden behandelde vraagstuk te spreken komen. Zij spreken zoozeer in zijn geest dat wij deze aanvullende bladzijden niet beter weten te besluiten dan met een beknopt overzicht van de betrokken plaatsen.
i) Auslese und Anpassung der Arbeiter in den verschiedene Zzueigen der Groszindustr>e; Leipzig, 1910.
47
746
Een der beide bundels bevat een uitvoerige studie over de Ber-' lijnsche machine-industrie. Het door de schrijfster Dr. Dora Landé ontworpen beeld van de positie der arbeiders in de machinale nijverheid bevestigt op alle punten de voorstelling van Marx, die wij in het kort hebben samengevat.
Het handwerk is uit de machine-industrie zoo goed als verdwenen. De eerste machines waren noodzakelijk produkten van handwerk. Doch deze periode was van korten duur. Voor zijn arbeidsmiddel bij uitnemendheid kan het kapitalisme niet lang afhankelijk blijven van een produktiewijze door dit arbeidsmiddel omgewenteld.
Met het handwerk is ook voor een groot deel de geschoolde arbeid uit het vak verdwenen. ,,In de nieuwe fabrieken komt nog slechts aan het begin en aan het slot van de machinale bewerking de arbeid van den bekwamen werktuigkundige te pas". En deze arbeid stelt thans minder hooge eischen dan tevoren het handwerk stelde. „De vroegere handenarbeid van deze groepen wordt steeds eenvoudiger en gemakkelijker gemaakt door machinale hulpmiddelen."
„Alle andere arbeiders bij den machinebouw zijn, evenals dit een eeuw geleden gebeurde bij de textielindustrie, niet slechts de bedienden van machines, maar meestal van zeer speciale en automatisch werkende machines geworden en verrichten dag in, dag uit hetzelfde onderdeel der bewerking. Het geheele verschil bestaat nog enkel in de vormen en afmetingen van de werkstukken. De machinale arbeid daaraan is naar zijn technisch karakter steeds hetzelfde, de machines in alle moderne fabrieken zijn hoofdzakelijk slechts naar den omvang van elkaar onderscheiden. En dikwijls weet de arbeider nauwlijks of hij het onderdeel van een werktuig, van een stoommachine of van een grootschen vuurtoren vervaardigt. „De technische grondslag — aldus citeert de schrijfster den maker van Het Kapitaal — is weggenomen waarop de arbeidsverdeeling in de manufaktuur berust."
Daarmee is ook de ekonomische en maatschappelijke positie van den arbeider blootgesteld aan een voortdurende verzwakking, die, hetzij geleidelijk, hetzij met stooten, b. v. bij werkstaking of andere loonbeweging, steeds voortkomt uit de invoering van verbeterde machines, waarbij ongeschoolde of slechts afgerichte („angelernte") arbeidskrachten de plaats innemen van den bekwamen vakman. „Een zoodanige overgang tot ongeschoolden, en vooral tot vrouwenarbeid, heeft in de laatste jaren in honderdtallen Berlijnsche machinefabrieken plaats gevonden."
Welk algemeen effekt dit onophoudelijk streven naar een grootere produktiviteit van den arbeid, in den konkurrentiestrijd der kapitalisten de leidende gedachte en het dwingende doel van iederen afzonder-
747
lijken ondernemer, op den staat van den arbeider uitoefent, deelt ons de schrijfster in haar slotwoord meê.
Op de verdringing van de vakbekwaamheid is een sterke neiging tot gelijkmaking van de loonen gevolgd, waardoor vele rubrieken van geschoolde werklieden zijn getroffen. De misbruiken van het stukloonstelsel, door de machinerie bevorderd, en een der middelen om de dure en snel verouderde machines voordeelig te kunnen toepassen, verzwaren den druk. De bediening van de machines, hoewel zij geen vakkennis eischt, vermoeit zoowel het lichaan als den geest, eischt steeds grootere inspanning. De loonstandaard van de geschoolde arbeiders — de
metaalbewerkers en machinebouwers zijn krachtig georganiseerd ■ is
niet laag. Doch bij de beoordeeling van de cijfers moet in 't oog worden gehouden dat indien loonen van 2000 Mark per jaar voorkomen, dit jaarbedrag, trouwens alleen door een klein getal der best betaalden genoten, door invallen van ziekte en werkeloosheid dikwijls sterk wordt versmald. Niet meer dan een derde tot de helft van de Berlijnsche metaalbewerkers kunnen op een vol jaarloon rekenen. Ook duurt de leeftijd van volle werkzaamheid en dus van vol loon, ook in dit vak niet lang. Na 50 jaar is er voor den arbeider geen brood meer te verdienen. De massa komt niet hooger dan 1500 M. Lager dan 1000 M. beteekent gebrek aan het noodigste. En nog worden de eenigszins voldoende loonen alleen door voortdurend overwerken verdiend. Waar, in de beste grootbedrijven, de arbeidsduur, noodig gemaakt door de intensiteit van den arbeider en door een langen strijd afgedwongen, beperkt is tot 8 a 91/2 uur, heeft de invoering van het stelsel der dubbele of driedubbele ploegen de voordeelen der beperking gedeeltelijk opgeheven door de verplichting van regelmatig terugkeerenden nachtarbeid en sterk afwisselende werktijden.
Volgens den schrijver van een andere bijdrage maakt de thans in de typografische werkplaatsen veelvuldig aangetroffen zetmachine een uitzondering op den regel. Het verwijt dat zij den arbeider veroordeelt tot eentonigen en geestdoodenden arbeid, gaat, meent hij, in dit geval niet op. Evenwel, ongerekend de fysieke nadeelen van oververhitte werkplaatsen en algemeene stoornissen van het zenuwstelsel, vertoont de toepassing van deze nieuwe uitvinding in vele opzichten de uit andere bedrijven bekende gevolgen. Zoo zij het handwerk niet vervangt door een volkomen inhoudsloos bedienen van machines, maakt zij dit machine-zetten tot een veel meer beperkte specialiteit. „De vroegere grootere onafhankelijkheid en vrijheid van beweging der afzonderlijke personen is bekort". „Na langdurigen machinenarbeid hebben de zetters de vaardigheid van het handwerk doorgaans verloren". „Zoodra zij ouder worden trachten zij tot een rustiger, minder intensieve bezigheid terug te keeren". „De kansen om zelfstandig te worden of zich door
748
ander werk te verbeteren, zijn vervallen". Daarbij moet op een voortduren van den overigens gunstigen materieelen toestand niet te vast worden gerekend. De volkomen bekwame machine-zetters waren tot dusver tamelijk schaarsch. Het toenemen van de gelegenheid tot opleiding, het te verwachten verlies van een vakmonopolie, zal, als altijd en overal, de waarde van deze geschoolde arbeidskracht doen dalen. „In Berlijn, waar de aanbieding van geoefende zetters zeer sterk is, begint deze daling zich reeds te doen gevoelen". Van 1906 op 1908 is het gemiddelde loon ongeveer gelijk gebleven: 44.32 M. tegen 44.62 M. — schoon in het tusschenliggende jaar het loontarief met 10 percent verhoogd werd. Ook hier is de verkorting van den arbeidsdag — 30 pCt boven, 60 pCt. onder 8 uur — door de patroons met de invoering van meer ploegen beantwoord. „De onregelmatige levenswijze, de nachtarbeid bij kunstlicht en als oorzaak van gebrek aan slaap werken hoogst schadelijk".
Wat eindelijk de zetmachine en haar werking op het gehalte van den arbeid betreft, verdient nog de volgende opmerking van den schrijver de aandacht.
„In de plaats, zegt hij, van een grooter getal met bepaalde eigenschappen is een aanzienlijk geringer getal arbeiders met andere eigenschappen en andere behoeften gekomen,"
Zoo heeft dan ook, mag men besluiten, de zetmachine bijgedragen tot de vermindering van het getal geschoolde arbeiders in de typografie, die niet meer, zooals deze schrijver zich uitdrukt, de kunstvaardige werkers in den vroegeren typografischen zin zijn, doch veeleer werktuigkundigen, „door het machinale bedrijf tot geheel andere menschen gemaakt".
Technies-ekonomies Overzicht
door
Th. VAN DER WAERDEN.
de machine in de landbouw.
Ofschoon de betekenis van de machine in de landbouw nog verre bij die in de nijverheid achter staat, neemt zij toe en komt voor de sociale en techniese zijde meerdere belangstelling op, ook in ingenieurskringen. Daarvan getuigt o.m. een artikel in „Technik und Wirtschaft" (Juli en Aug.) van de Berlijnse hoogleraar Dr. Gustav Fischer, waaraan wij hier enkele bizonderheden ontlenen.
De invoering der machine in de landbouw dateert van het begin der vorige eeuw, toen men in 't Engelse grootbedrijf met mechanies zaaien en dorsen, en spoedig daarop met mechanies maaien, een aanvang nam, hier en daar werd de stoommachine al bij het dorsen toegepast. De machine kreeg echter eerst na het midden der vorige eeuw betekenis, toen de trek van landarbeiders naar de steden zoo belangrijk werd, dat de werkzaamheden op het land krachten te kort kwamen; van dien tijd af aan werd de toepassing der machines, die inmiddels, door Engelse proefnemingen vooral, in hoge mate verbeterd waren, een noodzakelikheid.
Deze beide factoren: de trek naar de stad en de volmaking der landbouwwerktuigen, werken nog steeds met volle kracht, zodat het beeld van de landbouw nog altijd sterk veranderend is. Zo neemt nog steeds de oppervlakte land die bewerkt wordt toe, maar veel sterker de opbrengst van de grond: vergelijkt men de gemiddelde opbrengst der belangrijkste kuituren in Duitsland in de jaren 1885 —1889 met die in de jaren 1905 —1909, dan blijkt de toename in tonnen voor graan, aardappelen en hooi resp. te zijn 41,11, 54,77 en 33,56 pCt. In dit percentage voor aardappelen zit de betrekkelik sterke toename van het aantal bebouwde hektaren (13,29 pCt. in hetzelfde tijdsverloop). Het cijfer dat 't duidelikst een verblijdende toename van bodemopbrengst en indirekt de betekenis der landbouwtechniek, machine, kunstmest,
7SO
afwatering enz. doet blijken wordt wel verkregen, wanneer men de opbrengst per hektare in dezelfde twee periodes met elkaar vergelijkt:
Opbrengst per Hektare. Vijftal jaren Graan Aardappelen ~Ho~öi dz. dz. dz.
1885—1889 f 13T4 üyïj 32,7
1905—1909 | 18,2 139,0 | 43,4
Toename in „ .. I
percenten. | 35.82 36,68 , 32,72
In tweeërlei opzicht wijzen deze cijfers op een toenemende behoefte, aan arbeidskracht. Aan de ene kant kan de aangewezen toename alleen bij intense bewerking van de grond bestaan, anderzijds is meer werk gekomen voor de oogst en zijn bewerking. Des ondanks ging het aantal landarbeiders (Duitsland 1882—1907) achteruit (alleen steeg het aantal medewerkende familieleden sterk); vooral het aantal mannelijke proletariërs nam af. Seizoenarbeiders uit Polen, Hongarije, Galicië enz., voornamelijk voor de teelt van aardappelen en bieten overkomende, voorzien onvoldoende in de behoefte; evenmin wijzen de pogingen de landarbeiders vast te houden en te binden aan een lapje grond op veel succes.
In hoeverre kan de machine hier invloed oefenen?
Prof. Fischer gaat de verschillende machines voor ploegen, zaaien, eggen, mesten, maaien, binden enz., na, waarbij hij uitvoerig uiteenzet hoevele faktoren, in het bizonder in de landbouw, maken dat slechts onder velerlei voorbehoud een schematiese berekening mogelik is. 1) En niet eens voor alle machines (bijv. de aardappelrooimachine). Het resultaat der berekening wordt in deze zin besproken:
„Uit het voorgaande blijkt, dat wat aan geld bespaard wordt door het aanwenden van machines in de landbouw slechts gering is en in ieder geval niet met de verhoudingen ■ in de industrie te vergelijkenis. Ook in de grootste bedrijven kunnen de machines slechts korte tijd worden benut, en hun prijs van aanschaffen beïnvloed daardoor de arbeidskosten te zeer." Maar: „Van groter betekenis dan vermindering der arbeidskosten is het besparen van arbeidskrachten." Dit geldt natuurlik vooral voor die machines, welke in de tijden van arbeidsophoping kunnen worden toegepast, in de eerste plaats de maaimachines. Hierbij is het arbeids-,,besparen" van grote betekenis, daar 1 machine door 1 man bediend 8 zeisen vervangt; de zelf bindende maaimachine wordt door 1 koetsier met helper bediend en vervangt
1) Naar het resultaat der berekeniog, in een gedetailleerde tabel neergelegd, verwijzen wij de landbouwkundige lezer (Juli-nummer p. 458). Zij zou voor ons doel te ver voeren.
75i
7 a 8 arbeiders en even zoveel vrouwen. Van belang zijn evenzeer de machines voor het afladen van hooi, waarbij reeds werktuigen van 6 paardenkracht dienst doen en een bijna automaties vullen der hooischuren bewerken kunnen. De tijd van laden (bergen) is hier tot een zesde of een zevende verkort: één man bedient, 4 a J man verdelen het hooi in de schuren.
Men ziet hieruit dat niet alleen de meerbesproken stoomploeg — die trouwens om de kosten van het aanschaffen alleen in grote bedrijven (meer dan 170 H.A.) of in combinatie van bedrijven rendable is — op grote schaal arbeiders vervangen kan. Daarbij komt nog een strekking meermalen door Marx met betrekking tot de machine genoemd ; prof. Fischer omschrijft het aldus: „Zonder de verschillende oogstmachines zou het gevaar voor een staking van arbeiders buitengewoon groot zijn, want het staat vast, dat de bedrijfsleiders in de oogsttijd vrijwel weerloos staan tegenover de eisen der arbeiders. Tot dusverre zijn slechts enkele gevallen voorgekomen waarin landarbeiders getracht hebben door staking in deze kritieke dagen overdreven (I) eisen door te zetten, maar de mogelikheid bestaat, dat ook eenmaal de landbouw, zoals de industrie, in loonkampen zal betrokken worden. Hij zal des te beter toegerust zijn, naarmate hij gemakkeliker arbeiders door machines vervangen kan." 1) (p. 461).
In het twede artikel wordt in het bizonder aangetoond, dat de zaaien drillmachines evenals de meststrooier wel voordeliger kunnen worden aangewend dan de menselike arbeidskracht, maar dat het voordeel niet zeer groot is en zeer moeilik precies in cijfers is uit te drukken. Op de hoeveelheid benodigd zaad kan naar schatting 1/s worden uitgespaard door de drillmachine. 2)
De belemmeringen die de doordringing der krachtwerktuigen in de landbouw ontmoet, zoals de hoge kosten van aanschaffen, het gedecentraliseerde werk-terrein, de gevoeligheid van motoren bij het uit den aard der zaak ruwe transport, hebben mede tot oorzaak dat de machine de verschuivingen in klein-, midden- en grootbedrijf geringer beïnvloed heeft dan in de industrie het geval is.
Anderzijds, waar de machine in de landbouw veelal optreedt als gevolg van gebrek aan arbeiders — zooals boven werd omschreven —heeft zij als regel niet de strekking bij haar optreden werklozen te maken. Een uitzondering dient intussen gemaakt voor de dorsmachine; deze heeft door haar geweldige capaciteit aan het dorsen de gehele
1) Men ziet hier weer een Her vele gevallen dat de „neutrale" wetenschap zich onbewust aan de zijde der machthebbers plaatst.
2) De drillmachine is een rij- en zaai-machine; zij heeft een vorentrekker die op verschillende diepte te stellen is, een draaiend schijfje lepelt uit de voorraadbak het zaad dat aldus regelmatig in de voren valt; de achterkant van de vorentrekker dekt het zaad weer toe.
752
winter door een einde gemaakt en aan vele arbeiders daardoor het winterwerk benomen.
Gaat men tenslotte aan de hand der Duitse statistiek na hoeveel machines in 1882 en in 1907 werden gebezigd, daarbij bedenkende dat voor kleine- en middenbedrijven vaak het huren van machines voorkomt, dan vinden wij dat het aantal bedrijven waarin met een stoomploeg wordt gewerkt gedurende het tijdvak 1882—1907 gestegen is van 836 op 2992. In 1882 werkten 63,842 bedrijven met zaaimachines, in 1907 waren er 206,914 breedzaaimachines, terwijl nog 83,125 bedrijven met drill (zaai)machines werden opgegeven (16 staten ontbreken hier echter, zodat het cijfer zeker dubbel zo groot moet zijn). Het aantal bedrijven waarin maaimachines werken klom van 19,634 tot 301,325. Voor stoomdorsmachines steeg het cijfer van 75,690 op 488,867 ; van andere dorsmachines van 298,367 op 947,003. Daarbij komen nog aardappelrooi- en aardappelpootmachines enz. sedert de laatste jaren de ontwikkeling aftekenen.
In zijn konklusie zegt Prof. Fischer nogmaals kortweg, dat de machine in de landbouw minder nadelig met het oog op verdringing van arbeidskracht en minder waardevormend is dan de machine in de industrie; daartoe is hare betekenis te gering. „Maar waar alleen met haar hulp de bereiding van plantaardige en dierlike voedingsmiddelen op de tans bereikte hoogte kan worden gehouden en zeker nog kan worden opgevoerd, neemt zij in het ekonomies leven van Duitsland en van alle overige beschaafde landen toch een zeer bemerkenswaardige plaats in. Het zou een dankbare, hoewel zware taak zijn, eens te onderzoeken, hoe groot de maatschappelike betekenis der landbouwproduktie voor industrie en handel is "
Nasprokkeling
DOOR . J. SAKS.
Iedereen draagt zijn gebrek In een broodkorf op zijn nek. Daarom kan hij 't zelf niet zien Maar hij toont het andren liên. . . .
I.
Het geldt hier een naprocesje uit de boedelscheiding van een paar jaar geleden; een hangprocesje zooals men merkt. Wanneer ik even het geheugen van den lezer zou mogen opfrisschen, het ging zóó: naar aanleiding van een terloops door Kautsky gemaakte opmerking dat de S. D A. P. de marxisten uitsloot, had Bonger de Neue '.cit verrijkt met een tegenspraak van die bewering en daaraan o.a. een paar aanmerkingen vastgeknoopt, waarover hem door schrijver dezes nadere opheldering werd verzocht. Zij luidden aldus:
i°. De Tribunisten meenen, dat het met het Marxisme onvereenigbaar is, rekening te houden met het door historische faktoren bepaalde karakter van een volk.
In 't bijzonder, om redenen in het Meinummer van den veertienden jaargang van dit tijdschrift uiteengezet, toonde ik mij belangstellend naar de nadere toelichting van deze stelling, terwijl ik tevens nadere inlichting verzocht over deze andere, inhoudende dat de Tribunisten
20 typische sektariërs zijn d.w.z. menschen, die van partijgenooten eischen, dat zij het in alles eens zijn ook in temperamentkwesties.
Ten opzichte van de overige in het duitsche stukje vervatte stellingen, bepaalden wij ons in 't voorbijgaan tot de opmerking, dat ook over andere daarvan veel te vragen zou vallen Wij wezen deze punten intusschen even weinig aan als wij deze vragen in werkelijkheid stelden. Wij voor ons zouden al zeer voldaan zijn geweest, wanneer Bonger ons het bewijs der twee nadrukkelijk aangewezen, voor ons zoo raadselachtige stellingen, in 't bijzonder dat der eerste had geleverd. Maar, zooals hij in zijn geruimen tijd later verschenen stukken antwoordt, hij kon dit niet „zonder een aanloop te nemen". En welk een aanloop, en welk een naloop nog daarenboven, heeft hij zich veroorloofd: begonnen met de kritiek eener brochure van Pannekoek, waarvan het verband met zijn twee stellingen, laten wij zeggen: niet direkt in 't oog valt, eindigt hij met een kritiek
754
te geven op en een gedragslijn te ontwerpen voor Het Weekblad, dat nauwelijks verschenen tijdens zijn uitvallen in de Neue Zeit, zoo onschuldig was omtrent tribunistische feilen als een pasgeboren kind. Langs deze om- en bijwegen heeft hij een resultaat bereikt waarover wij ons, hoeveel ongevraagde moeite hij er aan besteed en hoeveel onverwachte nieuwe stellingen hij er in geopperd heeft, niet voldaan, waarvoor wij hem zelfs niet dankbaar kunnen zijn. Te minder, omdat hij naast alles wat hij op deze wijze heeft gemist, het bewijs zijner stellingen niet alleen niet heeft gegeven, maar dit door hem zelf gestelde doel zelfs niet heeft trachten te bereiken. Bonger heeft in verband met en naar aanleiding van deze stellingen allerlei nieuwe beweringen gelanceerd, allerlei nieuwe vonnissen uitgesproken, maar even weinig als hij zijn stellingen zelf in zijn toelichting ergens duidelijk herhaalt, even weinig heeft hij ze, naar mijn meening althans, anders „toegelicht" dan door nog gewaagder beweringen. Om Buiksloot te bereiken is hij een lange dwaaltocht door het Gooi begonnen en len slotte aangeland in Durgerdam. En onderweg is hij niet alle slooten op de meest practische en gebruikelijke manier gepasseerd.
Een lang antwoord als het zijne had a priori groote kans een zwak antwoord te zijn. De Tribunisten achten het met het Marxisme onvereenigbaar rekening te houden met het volkskarakter; zij eischen van partijgenooten dat deze het in alles eens zijn, ook in temperamentskwesties: — ziedaar twee stevige, duidelijke stellingen tot speciale karakteriseering van een reeks sociaaldemokraten. Van de „toelichting" zou men verwacht hebben, dat zij uit de eigen beweringen dezer vroegere partijgenooten het bewijs had geleverd. Niet waar, de Tribunisten zelf zijn met het „toelichten" van wat hen als sociaaldemokraten kenmerkt alles behalve zuinig, en alles eerder dan schaarsch met het uitwerken en toepassen hunner eigen stellingen omtrent „partijgenooten" in 't bijzonder en „marxisme" in 't algemeen. Elke andere buiten dezen rechten weg van het bewijs uit hun eigen woorden, 'liep groot gevaar den slechten weg te zijn. Bonger kiest een zeer indirekten. De Tribunisten of liever de „radikalen" — want wat hij omtrent de bijzondere fractie had beweerd, wordt onderscheidingloos overgedragen op de geheele fractie der „marxisten" — zij zijn, naar hij ons omstandig uiteenzet, menschen van een bijzonder slag; hun algemeene kenmerken zijn zus en zoo. En zonder intusschen zelf deze conclusie te trekken ontvangen wij iets als een bewijs zijner beweringen in de conclusie die hij ons suggereert: menschen van dit kaliber hebben ongetwijfeld de meeningen die ik hun heb toegeschreven. De „toelichting" zijner stellingen is op deze wijze een requisitoir geworden tegen de menschen wien hij ze toedichtte. Een „psychisch" requisitoir: het bijzondere slag waartoe wij heeten te behooren is geen bijzonder gunstig slag, de „radikalen" behooren tot het „emotioneele type" der menschen Althans dit is de karaktertrek die door hem het breedst is uitgewerkt. Nu heeft mevrouw Holst aan haar wensch „de psychologie" te behandelen, op zoodanige wijze gevolg gegeven, dat wij ons voorloopig althans omtrent deze kwestie van psychische belasting niet zeer ongerust maken; verbeeld u, dat wij in onze gezamenlijkheid, werkelijk zulke onmogelijke lui waren als Bonger beweert, dat zou wat geweest zijnl Het schijnt met dit „emotioneele type" van Bonger niet geheel in orde te zijn en met ons zeiven in evenredigheid niet onbelangrijk beter. Kan men het ons euvel duiden dat wij nu hem, die zijn oordeel over ons heeft gevormd, mede door ons jarenlang „scherp" aan te kijken, op onze beurt en naar aanleiding van de wijze waarop hij is geraakt tot deze en andere voor ons zoo ongunstige oordeelvellingen, eens wat nader in oogenschouw nemen ? Wat hij-zelf en gros heeft ondernomen verdient zeker door ons en détail toegepast zijnerzijds geen afkeuring.
755
II.
Het begin is al zoo zonderling; in 't bijzonder voor iemand die zal voortgaan met de marxisten als ..individualistisch" te brandmerken en zal eindigen met hen wegens de onvriendelijke gevolgen van hun gebrek aan sociaal gevoel tot een „mea culpa" te inviteeren. „Er zijn velen onder de intellectueelen" — aldus vangt hij aan — „die de zaak revisionisme-marxisme buitengewoon belangrijk achten, met ware hartstocht werpen zij zich op alles wat er bij behoort, of erbij gehaald kan worden. Als er maar een „geval" zich voordoet, krassen direct de pennen op 't papier ..." — Oho, vader! zijn onze pennen zóó slecht? —. „De indruk dringt zich op, dat een nieuw „geval" zeer welkom is, zoo welkom dat als het er niet was, het toch wel uitgevonden had moeten worden." Mentor Bonger, ge insinueert als een.. . enfin als een „radikaal". „Tot deze personen behoor ik niet." Dank, o Heer... „Onder de vele oorzaken van de „steeds stijgende afkeer" waarmede het „kauwen en herkauwen van de vraag revisionisme marxisme" hem vervullen, „zijn wel de belangrijkste, dat de theorie in dit stadium der kwestie weinig of niet door deze discussies gediend wordt en tegelijk de praktijk, de beweging zelve in haar groei er door belemmerd." Compliment aan Saks, die met Vliegen verdacht wordt van de lust om waar de gelegenheid zich voordoet over deze kwesties „populieren te doen opschieten". „Mijne verontschuldiging voor het zelf er aan meedoen is, dat ik door de vraag van Saks ertoe gedwongen wordt; immers blijf ik hem een antwoord schuldig dan laad
ik den schijn op mij met de zaak verlegen te zijn " Niet dat Bonger hard is
voor mij, maar dat hij zoo onmeedoogend is voor zich zeiven, zou ik hem willen verwijten. Hoe, hij oordeelt dat de theorie weinig door deze discussies gediend wordt, de beweging erdoor belemmerd zelfs en toch, alleen om den schijn van verlegenheid te mijden en ondanks eigen stijgenden afkeer, begint hij er een, waar om zoo te zeggen het eind van weg is! Maar is er iets meer „individualistisch", onsociaal, is er iets monsterlijker, iets „radikaler", iets „tribunistischer" dan een dergelijke handelwijze! Waar is de psychologie die zoo iets duisters verlicht, zoo iets wonderlijks ontwart, zoo iets duivelsch verklaart? Is het Satan zelf die hier zijn handwerk drijft, is 't Lucifer, wiens eigenliefde hem tegen 't hoogere in 't harnas jaagt? Integendeel, het is onze vriend Bonger, dien men, alvorens aan eigen verdediging te denken, hier al dadelijk tegen zichzelven in bescherming moet nemen. Komaan, loopt het wel zoo'n vaart met die schadelijkheid, waar ge eenige pagina's verder (pap. 615) verklaart dat „al ware er ook nooit een wolkje aan den theoretischen hemel geweest, toch de tegenstelling reformisme en anti-reformisme zou zijn ontstaan en even sterk geworden als zij is;" en vooral: is het wel zoo erg met dien „stijgenden afkeer", waar uw eigen productie met dien beweerden afkeer ertegen in evenredige mate schijnt te stijgen ? Wie dwong u ertoe, toen ge een enkele bewering van Kautsky wiidet rectificeeren, om tegelijkertijd met tien andere beweringen in een buitenlanusch tijdschrift van wal te steken? En wat mag u hebben genoopt, in plaats van een tweetal daaruit zoo kort mogelijk te behandelen, met een ander dubbel tiental onder zeil te gaan? En wat heeft u bezield om ten slotte met een verhandeling over den goeden toon, naar aanleiding van een andere ondergeschikte bewering, opnieuw het vuur te openen, het vuur dat voor de theorie geen nut en voor de beweging schade heet op te leveren? Waartoe die voortdurende zelfkastijding? Of staat de zaak juist andersom en hebt ge inplaats van steeds uw afkeer te overwinnen, misschien voortdurend moeten zwichten voor uw lust om eens te uiten wat „op 's herten grond" lag en was 't „vergeefs geperst"?... Welnu, ons „emotioneelen" is het nooit anders gegaan. In deze materie althans, kunt ge, naar 't mij voor-
756
komt, „de psychologie" veilig thuis laten. Misschien hebben wij een streepje meer op onze kerfstok; in elk geval hebt ge getoond best mee te kunnen doen, ge zijt „so ziemlich eingeteufelt", al zijt ge mogelijk nog niet aan ons „fanatisme" toe. Onder collega's geen complimenten.
III.
Bonger zet zijn aanval in met een kritiek op een brochure van Pannekoek. Dat zou ons koud kunnen laten, temeer omdat er later gelegenheid te over is om ons warm te maken. De door Pannekoek behandelde punten zijn andere dan de stellingen van Bonger; en bovendien luidt een der nieuwe, dat de marxisten of de „radikalen" het „nooit over de eene of andere kwestie geheel eens waren"; daarentegen, en passant opgemerkt, wordt in zijn Neue-Zeitstellingen onder de „Tribunisten" een partijgenootschappelijke overeenstemming vastgesteld. Wij zouden dus deze kritiek, evenals zoovele andere punten uit Bonger s uiteenzettingen kunnen passeeren, ware het niet dat zij voor ons van eenig belang was omdat en voorzoover zij sommige opmerkingen bevat die in nader of verder verband staan met factoren althans uit het tweetal in 't geding staande beweringen. Onder de elementen die de reformistische of de marxistische strooming in de socialistische arbeidersbeweging veroorzaken en die hun sterkte wijzigen, worden genoemd: de gunstige of ongunstige economische en politieke toestand of veranderingen in den toestand van het proletariaat. Deze opvatting van Pannekoek, die met onzen criticus zeker wel iedereen zal onderschrijven is volgens Bonger niet onjuist, maar zij is zeer incompleet, zelfs noemt hij haar „simplistisch". De „complementaire psychologische" behoort ernaast geplaatst te worden. Zij voert hem tot een conclusie (pag. 618) die hem naar zijn meening in staat stelt de oplossing te leveren van een belangrijke en door Pannekoek niet behandelde kwestie. Deze „vestigde de aandacht op de twee extremen van éénzelfde deel van het psychisch leven, n. 1. de gevoelsfeer." Bonger zelf ziet „naast deze antithese op sentimentsgebied" ter verklaring van de tegenstelling reformisme-radikalisme, nog een ander doorslaggevend verschil van psychischen aard, blijkend uit het „niet te ontkennen feit dat de socialistische parlementsleden, gemeenteraadsleden, kortom degenen die geroepen zijn de praktijk te beoefenen, voor het overgroote deel reformisten zijn en dat de theoretici vooral de antireformisten uitmaken. Deze tegenstelling is dus blijkbaar het zeer gewone, algemeen menschelijke conflict tusschen praktijk en theorie, tusschen doen en denken." Als aanvullende causale factor ter verklaring van de tegenstelling reformisme-radikalisme wordt hier dus, zonder nadere verduidelijkende uitwerking helaas, het „algemeen menschelijk- conflict praktijk-theorie of doen-denken geïntroduceerd.
Deze verklaring geldt tevens als proef op de som van eenige voorafgaande opmerkingen, die de „complementaire psychologische" beschouwing-zelve voorstellen. Zij komt hierop neer, dat alle individuen van een soort (ook de menschen) wat iedere eigenschap betreft, steeds op dezelfde wijze varieeren. De dragers van het gemiddelde van deze eigenschap overtreffen verre in aantal de uitersten van negatieven en van positieven aard, die op den door dit gemiddelde voorgestelden regel aldus slechts uitzonderingen vormen. Ook op psychologisch gebied geldt deze wet, die in de bekende lijn van Quételet — een liggende „vleeschhaak" — haar graphische voorstelling vindt. Reformistisch en anarchistisch of radikaal nu, zijn, zielkundig gesproken, twee dergelijke uitersten, twee dergelijke „extreme varianten." „Aan de eene zijde staan de z. g. praktisch aangelegden, de menschen die vóór alles willen handelen, en van hun arbeid resultaat willen zien, kortóm realiteitsmenschen; aan de andere zijde
757
staan de weinig practisch aangelegden, die de wereld der verbeelding belangrijker achten dan de realiteit, kortom, de fantasten; tusschen hen beide in ligt de groote massa der in dit opzicht gemiddelde menschen." Het bestaan en de groei resp. afneming van reformisme en radikalisme word hier dus in direktoorzakelijken samenhang gebracht met twee correspondeerende uitersten van onsentimenteelen aard, die hun dragers eenerzijds stempelen tot realiteitsmenschen anderzijds tot fantasten
Een nadere bespreking van het vraagstuk, in 't bijzonder voorzoover het onze eigen, nationale beweging betreft, entameert Bonger in het volgende artikel. Hij behandelt het in den vorm eener beantwoording van de vraag, waarom in ons land de tegenstelling reformisme-radikalisme zulk eene, in andere landen onbekende, scherpte heeft bereikt? En opnieuw ziet hij zich genoopt de oorzaak ervan aan te wijzen in verschillende psychische factoren. Eerst geeft hij een „verklaring" van de „reformistische zijde:" hier vinden wij genoemd als de factoren van belang: het feit allereerst dat Holland „een veel minder hoog ontwikkeld economisch leven heeft, dat de tegenstelling tusschen kapitaal en arbeid er minder sterk is, het industriekapitaal er een veel kleinere rol speelt dan bijv. in Duitschland; dat het politieke leven er hooger ontwikkeld en de vrijheid om beweging voor de arbeiders er grooter is dan daar: allemaal redenen die maken dat het karakter der arbeidersbeweging in Holland minder radikaal en meer reformistisch getint is dan in Duitschland, waarheen hare critici steeds de blikken wenden." Tevens zien wij door den schrijver gereleveerd als aanvullende en afsluitende verklaring, het feil van den hollandschen volksaard, minder practisch dan de engelsche maar meer dan de duitsche. „Het kan door niemand ontkend worden, dat de theoretische zin, de lust tot bespiegeling bij Hollanders veel zwakker, de practische zin, de neiging om direct resultaat te bereiken, daarentegen veel sterker ontwikkeld is dan bijv. bij de Duitschers." Hiermede — want de andere faktoren waarvan zij gewaagt worden als ongeldig verworpen — is de „reformistische zijde" volgens Bonger „verklaard".
„Meer moeilijkheden" aldus vervolgt hij zijn betoog „levert het op de radikale zijde te verklaren." Als uitgangspunt daarvan stelt hij de verklaring voorop dat men het hier niet met den regel, maar met de uitzondering te doen heeft, met algemeene oorzaken als de bovenbehandelde weinig kan expliceeren en dus op andere wijze te werk moet gaan. En inderdaad gaat de schrijver hier op andere wijze te werk. Hij begint met de schifting te maken onder de marxisten en hen te onderscheiden als „intellektueelen" en „arbeiders", welke eerste na een paar opmerkingen werden losgelaten om de laatsten te onderzoeken. Hun getal heet niet groot te zijn en er „valt niets bijzonders van hen te zeggen." Zij onderscheiden zich wat hunne sociale positie betreft niet van de andere arbeiders. „Wij hebben dus blijkbaar te doen met een maatschappelijk feit, waarbij de sociale factoren, die het veroorzaken, zoo zwak zijn, dat zij alleen de speciaal gepredisponeei den treffen en met zich mede voeren, en de groote massa (d.w.z. de meerderheid van een groep, onafhankelijk van iedere speciale predispositie) niet of nog niet aangetast hebben." Welke is nu deze voorbeschiktheid, deze bijzondere aanleg tot het marxisme? „De vraag, door welke predispositie kenmerken zich de „radikale" arbeiders, zal door vele theoretici in een handomdraaien beantwoord worden." Daarentegen moet men bij Bonger eenige blaadjes omdraaien vóór men de definitieve slotsom van dit nieuwe onderzoek bereikt. Dit loopt aanvankelijk over de vraag of deze arbeiders behooren tot het „intellektueele type", of zij zich kenmerken door de hoedanigheden van verdraagzaamheid, van kritischen zin voor eigen meening, van een trachten zich in de meening van anderen in te denken; of zij nog al eens twijfelen vóór
758
hun meening gevestigd is. Welnu, het tegendeel blijkt het geval te zijn en wat als „een afdoend bewijs" geldt voor hun ongeschiktheid om als vertegenwoordigers van dit type aangemerkt te worden: deze „radikalen" zijn het over een of andere kwesties nooit geheel eens. Men moet het dus „op het gebied van het karakter" zoeken. Zijn de radikalen de meest energieken en opofferingsgezinden van hun groep? Ook hierin kan het verschil tusschen de leden der oude partij en de nieuwe niet gelegen zijn. „Het benoodigde quantum energie" was niettegenstaande hun uittocht „ruimschoots voorhanden." En „een onverdacht getuige in deze materie", v. d. Goes gaf aan de leden der S. D. A. P. in het „Weekblad" van 28 Juli 1909, een getuigschrift van loffelijk gedrag dat niets te wenschen overliet. Een en ander zijn zij dus niet; maar wat zijn zij dan wel? Er blijft geen andere veronderstelling over dan dat de speciale predispositie gelegen is ... in den gevoelssfeer. Hier enkel vindt de schrijver — tot verwondering misschien der lezers van zijn eerste stuk — een verklaring, die hij „bevredigend" noemt. „De personen in kwestie behooren tot het emotioneele type, tot de gevoelsmenschen, zooals ze in het dagelijksch leven genoemd worden." Hun „meest in 'toog vallende eigenschap" is „het intense gevoelsleven". Zij kenmerken zich door ,een levendige fantasie", door „gemis aan practischen zin" en door „vaak bewogen te worden door hevige sympathien en antipalhien". Voorts is het bij „de gevoelsmenschen dat de tallooze nuanceeringen en schakeeringen" worden opgemerkt die Bonger te voren bij de marxisten aanwees. En ten slotte wordt van wie (nog) niet overtuigd is aan de juistheid van bovengeschetst „psychologisch inzicht" in overweging gegeven „de beteekenis van het — in de geschiedenis wel zeer zeldzame — feit na te gaan, dat de meest in 't oog vallende figuren der marxistische richting in Nederland beroemde dichters zijn, d.w.z. personen die zich van de overige menschen vóór alles onderscheiden door een bijzonder krachtig gevoelsleven." De radikale zijde is nu ook verklaard. Tout finit par des chansons, zouden wij zeggen, wanneer de ernst van de diagnose en het ontmoedigende van haar resultaat niet elke scherts tot een ongepastheid stempelde. En wanneer wij buitendien met onze „beroemde dichters" werkelijk aan het einde onzer rampzalige praedisposttie waren- Maar met bovengenoemde trekken zijn wij „nog slechts zeer onvolledig geschetst." Wij zijn „fanatici" omdat wij ons „weinig verdiepen in de meening van anderen" — nu, dat heeft anders nog al geschikt, dunkt me — „verdraagzaam zijn wij „allerminst", ons-zelf „critiseeren" wij „weinig of niet' en wij zijn ten slotte ook nog „fel in onzen toon" tegen iedereen. Alles saamgenomen, als ik Bonger wél begrijp, kenmerken wij ons door „steilheid". En een andere — gelukkig de laatste — „zijde van het steile
karakter" is „het individualisme" Met een en ander hebben wij den psychologi-
schen doop ontvangen en komen er uit te voorschijn als natte, zwarte poedels. Ook mevrouw Holst meent dat er „rare kostgangers" onder ons zijn. Maar welk een kosthuis hebben zij dan ook gekregen, die het ongeluk hadden in een groep als die der „radikalen" of in een partij als de S. D. P. terecht te komen 1 Het zachtste wat er zich van zeggen laat is wel, dat men er in den aap gelogeerd is.
IV.
Wanneer wij nu het geheele psychologische dossier van het „radikalisme" in oogenschouw nemen, dan mag ons allereerst de rijkdom van zijn inhoud treffen. En niet alleen de rijkdom maar ook de verscheidenheid. „Die Menge thut es", zegt Bonger; intusschen, niet altijd. Deze verscheidenheid juist zal eenig wantrouwen in de betrouwbaarheid van het onderzoek doen verontschuldigen, voorzoover zij niet enkel op verschil berust, maar bovendien met tegenstrijdigheid,
759
of in elk geval met te groote heterogeniteit verband houdt. De resultaten van de eerste en die van de tweede beschouwing door Bonger voorgedragen, komen ons voor, elkander niet te dekken. Aanvankelijk werden „reformisme'' en radikalisme" voorgesteld als twee „extréme varianten", twee psychische „uitersten"; de „radicale zijde ', het linker uiterste van de lijn van Quételet werd daar voor gesteld als bezet te zijn met „weinig practisch aangelegden, die de wereld der verbeelding belangrijker achten dan de realiteit, kortom de fantasten". Vervolgens werden zij geïdentificeerd met de menschen der „theorie" en beleefden wij de gelijkstelling van „theoretisch" en „fantastisch", van „de wereld der verbeelding" en die der „theorie". Een en ander stempelt de „radikale zijde" intusschen uitdrukkelijk als een „uiterste" van niet-sentimenteele, intellektueele natuur. Maar in het tweede onderzoek wordt deze faktor tot onze bevreemding even uitdrukkelijk uitgeschakeld en de eigenaardigheid van het „uiterste" door de „radikalen" voorgesteld, blijkt hierin te bestaan dat zij gevoelsmensellen zijn, het „emotioneele type" vertegenwoordigen. Terwijl ten slotte als kenmerken van dit gevoelstype weer het intellektueele kenmerk eener „levendige fantasie" terug keert. Nu moeten wij op gezag van psychische deskundigen misschien wel aannemen, wat door ondeskundigen, in elk geval in deze materie weinig getrainden, herhaaldelijk is beweerd in minder „wetenschappelijke" termen, dit namelijk, dat de „radikalen" in 't algemeen een verkeerde, onbehoorlijke, bijzonder ongepaste en sommigen hunner zelfs een verboden psyche meedragen. Maar welke combinaties van minderwaardig kaliber men ook in hen meent te moeten aanwijzen, zij kunnen toch, naar het mij voorkomt, niet tegelijkertijd in de eerste plaats uitersten van fantasie en van emotionaliteit tegelijkertijd zijn. Fantasten, theorie-verliefden en gevoelsmenschen te zijn afzonderlijk en uitsluitend of tegelijkertijd en gecombineerd — soit; het is wel erg, in het oog van de andere zijde vooral, maar de „radikale zijde" is er eenigszins aan gewoon geraakt, dat hun gemis aan „praktischen zin" hun in deze vormen onder het oog werd gebracht. Maar zelfs waar „de wetenschap" het ons verzekert kunnen we niet aannemen, dat wij „extréme varianten" van het een in de eerste plaats zoowel als van het ander in de eerste plaats zijn. Er mogen dan „rare kostgangers" onder ons zijn, maar zelfs die loopen niet in zeven slooten tegelijk.
Er zijn meer dingen, die ons niet geheel en al in den haak schijnen. Zooals wij zagen „verklaart" Bonger ,,de reformistische zijde" zonder op eenige moeilijkheid te stuiten, „in een handomdraaien" om zijn eigen woorden te gebruiken, typographisch uitgedrukt: in één pagina. „De radikale zijde" daarentegen wordt in zijn tweede artikel van meet af geacht niet verklaarbaar te zijn met behulp van de „algemeene oorzaken" die den schrijver voor de reformisten toereikend bleken. Bij de marxisten „heeft men niet met den regel, doch met de uitzondering te doen" ; men moet met haar „dus op een andere wijze te werk gaan". Men zou zoo zeggen dat men het hier minder te doen heeft met „regel" en „uitzondering" dan met „meerderheid" en „minderheid"; men zou meenen, dat deze minderheid — die geen sociale, nationale rariteit, maar een onderdeel van een internationale strooming van groote beteekenis en kracht voorstelt — uit de „algemeene oorzaken" van economischen en politieken aard met behulp waarvan Bonger de verklaring der reformisten in een ommezien klaarspeelt, toch niet zoo geheel onverklaarbaar is; — intusschen, niet wij hebben stellingen te verdedigen of verklaringen te geven, wij hebben alleen onze ontvankelijkheid en onze welwillendheid te toonen bij de argumenten die Bonger aanvoert voor zijn stellingen. En dus voegen wij ons uit kracht van gewoonte onder de uitzonderingswet waaronder hij ons stelt. Maar alles in 't fatsoenlijke! Wij zagen dat „de psychologie" hem dienstig was om ons te over-
760
laden, - zij schijnt tegelijkertijd het middel om de reformisten te ontlasten. Deze geluksvogels vormen hier den „regel", maar in zijn eerste artikel fungeerden zij broederlijk tegenover de radikalen als „uitzondering" mede. Zij vormden de bezetting van het andere uiterste der lijn van Quételet, als „extréme varianten" van het groote tusschenstuk der gemiddelden. Waar is nu deze rechtervleugel der menschen van psychisch-tegengestelden aard ten opzichte van de „fantasten" gebleven? Van het „uitzonderingskarakter" dezer „uitersten" vernemen wij bij de nadere toepassing der in dit eerste artikel uitgewerkte algemeene wettelijkheden, zoo teleurstellend weinig. Bonger geeft op zijn manier een verklaring van de tegenwoordige reformistische richting der meerderheid van de Hollandsche sociaaldemokraten •, maar tegenover de heillooze werking van de „radikaal' of „anarchistisch" aangelegden der minderheid, vernemen wij niets van de rol, de beteekenis, den invloed der „realiteitsmenschen" in de Nederlandsche beweging. Geen wonder, zou men zeggen, dat ge zoo spoedig klaar zijt met uw „verklaring" van den regel, ge laat het halve werk minstens in den steek. De verklaring van Pannekoek was immers „zoo incompleet in haar simplisme" dat het noodzakelijk was de „complementaire psychologische" er aan toe te voegen; en daartoe behoorde voor de verklaring van het reformisme volgens uw nadrukkelijke voorstelling en uitdrukkelijke meening immers de psychologische uitzonderingsaanleg eener uitzonderingsgroep. Hoe staat het hiermede in Holland; vormt het misschien zelf een „uitzondering" op den „regel" dien ge in uw eerste artikel hebt gesteld en is voor onze beweging enkel de linker helft van de wet van Quételet geldig? Wij hebben alle respekt voor „de psychologie" en voor „de sociologie", daar niet van ; en wij zijn voor het ontvangene u niet weinig dankbaar, maar wanneer zij degelijke toepassingen veroorloven kunnen zij ons weder gestolen worden. Te eerder in dit geval, omdat Holland in stede van het gunstige terrein voor een dergelijke raadselachtige exceptie te zijn, veeleer het klassieke gebied schijnt tot toepassing van den regel en tot verwerkelijking van de wet. Immers, uw tweede artikel — nu in deze materie de „extreme variant" van het eerste — opent met de verzekering dat juist hier „de tegenstellingen binnen de sociaaldemokratie een in andere landen ongekende hoogte hebben bereikt." Hic Rhodus ... welk een buitengewone gelegenheid om de „complementaire psychologische" verklaring van de tegenstelling reformisme-radikalisme te leveren, zou men zeggen ; zoo ergens dan zal hier, waar het reformisme de „regel" is geworden de „extreme variant" der reformistische uitzonderingspsyche tot verklaring worden gebezigd. Maar gij, Bonger, gaat juist „op andere wijze te werk" en laat op, voor ons leeken onbegrijpelijke wijze, dit psychische „uiterste" den dans ontspringen; zij bezorgt u geen „moeilijkheden" en gij haar niet. Het is het oude liedje : onder de oude wetenschappen ging men „op andere wijze" met ons „te werk" en onder de complementaire psychologie dito dito. Met dank voor uw vriendelijkheid .. - maar wij voor ons hebben niet de minste voorkeur door deze eenkennige, jonge kat in plaats van door den ouden „demokratischen" kater gebeten te worden.
V.
Van de tegenstelling reformisme-radikalisme uit, gescheiden en verbonden tevens „door de groote massa der in dit opzicht „gemiddelde menschen" wordt door den schrijver de verklaring van het „volkskarakter" ondernomen. Van deze groep vermeldt hij, dat „de direkte omstandigheden" er „een grooten invloed op hebben; op de realiteitszielen en de phantasiezielen, op die beide „extremen, heeft het indirekt milieu b.v. geestelijk leven in andere landen een zeer belang rijken invloed. „Werken deze omstandigheden" gaat hij voort — de bedoeling
7öi
is blijkbaar de „direkte omstandigheden" — gedurende lange tijden, dan vormt zich een bepaald volkskarakter". Hier zijn wij alzoo gearriveerd bij het element waaromtrent Bongers stelling luidde, dat de „Tribunisten" er geen rekening mee wilden houden omdat zij dit met het marxisme onvereenigbaar achtten. Van dit „volkskarakter" verhaalt ons de schrijver dat „geen menschenmacht, allerminst wanneer deze bestaat uit betoogen en redevoeren, er een ook maar eenigszins belangrijke wijziging in kan brengen". En verder dat het z i. niet is „te loochenen dat bijv. in Engeland het karakter van het geheele volk zeer sterk naar het practische neigt" en dat „dus ook de arbeidersbeweging per se dezen stempel draagt". Hiermede is de kwestie van het volkskarakter afgedaan. „Het ligt geheel buiten het kader van dit artikel en buiten de competentie van zijn schrijve om een verklaring te geven' buiten de door ons geciteerde. Wij maken van harte deze woorden tot de onze. In goede eendracht, als vrienden in den nood, bieden wij allebei den lezer onze attestatio paupertatis aan. Het is niet vroolijk voor u, leergierige lezer, maar waar niet is ... Intusschen, wat Bonger ons op dit terrein biedt is niet zio aanlokkelijk, dat het naar meer doet verlangen. Het is — om het bij dit eene geval te laten — het is mij b v. zeer duister gebleven hoe ter verklaring van het reeële reformisme en radikalisme in de socialistische arbeidersbeweging, de hoofdfactor der „maatschappelijke omstandigheden" zich verhoudt tot de „complementaire" der speciale psychische faktoren. Door deze laatste heet een „volkskarakter" te ontstaan „waarin geen menschenmacht, allerminst wanneer deze bestaat uit betoogen en redevoeren, een ook maar eenigszins belangrijke wijziging kan brengen" En dit „volkskarakter" aldus ijzervast gefundeerd, dient dan weder tot verklaring der eigenaardigheid van de socialistische beweging. Maar hoe rijmt het zich nu, dat eenerzijds „geen menschenmacht" in bijv. de „practische" tot het reformisme voorbestemmende neiging van zulk een volk een ook maar eenigszins belangrijke wijziging kan brengen en dat anderzijds, mét Pannekoek, de vader dezer nieuwe stelling van meening is, dat voor 't geval „de bourgeoisie" reaktionnair zich gaat gedragen of niet verder wil gaan met sociale wetgeving de revolutionnaire faktor in het volk weer de overhand gaat nemen en de reformistische neigingen verzwakken en door de revolutionnaire overwonnen worden ? Het weinige en het vage, wat ons de schrijver van dit „volkskarakter" in zijn aard en zijn vorming vertelt, wel verre van ons met eigenaardigheden er van in kennis te stellen, die van een vermeldingswaardig belangrijken invloed zijn op den aard der arbeidersbeweging, wijst op de veranderlijkheid der arbeidersbeweging onder alle volken ondanks hun „karakter".... In zijn tweede artikel, dat voor Holland de bijzondere toepassing belooft te geven van de algemeene opmerkingen hier gemaakt, ontvangen wij opnieuw de verzekering van den bij uitstek practischen aard der Engelschen, met bijvoeging dat de Hollanders zich evenzeer daardoor kenmerken, zij het dan „in mindere mate" en dat hun „theoretische zin, de neiging om direkt resultaat te bereiken daarentegen veel sterker ontwikkeld is dan bijv. bij de Duitschers". Dit alles kan, zooals hij voortgaat te beweren „door niemand ontkend worden". Wij wagen intusschen de opmerking dat wij huiverig zouden zijn het te bevestigen. „De krachtig oplevende vakbeweging van het oogenblik, na een periode van, in verhouding tot de economische ontwikkeling, abnormale zwakte, draagt er het hare toe bij. deze neiging te versterken". Blijkbaar heeft hij het hier over de Hollanders, maar hij zou het ook over de Duitschers en niet minder over de Engelschen kunnen hebben. De „volkskarakters" voorzoover zij er zijn en wij er voor de taktiek der socialistische arbeidersbeweging mede te maken hebben, schijnen inderdaad een groote overeenkomst te hebben hierin althans, dat zij, in tegen-
48
762
stelling tot de eene bewering en overeenkomstig het andere voorbeeld van Bonger, bijzonder gevoelig voor allerlei invloeden zijn.
Maar bepalen wij ons tot het door Bonger ontleedde „volkskarakter". Het vindt zijn ééne psychologische uitlooper in het emotioneele, fanatieke, individualistische en speciaal onpractische „karakter" der marxistische of radikale, aan het anarchisme verwante groep der sociaal-demokratie. Als kostbare steun voor deze stelling zagen wij het feit aangevoerd dat het overgroote deel van de „parlementsleden, gemeenteraadsleden, kortom degenen die geroepen zijn, de praktijk te beoefenen" niet tot deze radicalen behooren. De opmerking is reeds door Mevr. Holst gemaakt, dat de schrijver door zijn bekrompen opvatting van het begrip „practisch" op zeer willekeurige, maar niet minder voor het reformismezelf karakteristieke wijze, hier allerlei belangrijke vormen van sociaaldemokratische praktijk uitsluit. Een feit is, dat de marxisten in de S. D. A. P. vóór het begin van 1909 — op deze namelijk hebben zijn stellingen in de Neue Zeit betrekking — tot de ijverigste leden behoorden, werkzaam in alle vormen der praktijk: en dat „de theoretici" die volgens Bonger vooral de „anti reformisten" uitmaakten een uiterst gering percentage ervan vormden. Waar het hier echter hoofdzakelijk op aankomt is dit: de marxisten waren evenzeer in functie als de anderen in de verschillende vormen van „de praktijk" waarbuiten Bonger slechts „de bespiegeling" vermeldt en zij waren er in een percentage van hun getalssterkte, dat voorzoover het mocht verschillen van dat der reformisten, er zeker niet beneden bleef uit oorzaken van emotioneelen, contemplatieven, fanatieken of individualistischen aard. Maar — en hier komt de andere kant van dit kostelijk veelzijdige begrip „practisch" in het licht — misschien bleek hun bovengeschetste rijke uitzonderingsaanlep in de uitoefening dezer fttnetiën zelve? Hier is het Bonger, die zich hier schrap zet met de op de latere pag. 755 gemaakte opmerking die ons hier van dienst is als tegenwerping: dat deze marxisten zich naar „de algemeene opinie", niet „door een zoo geheel andere praktijk" van de reformisten onderscheidden. „Dan wordt er schromelijk overdreven, zeggen de arbeiders" volgens Bonger.
De marxisten schijnen dus niet minder „praktisch" dan de reformisten, althans volgens Bonger-zelven niet zooveel minder of anders praktisch dat men de psychologie van het gematigd dolhuis noodig heeft om hen te „verklaren". Hebben de marxisten aldus, afgaande op wat de schrijver over hun praktijk vermeldt, voldoende deel aan de deugden der reformisten, de reformisten zijn naar het ons voorkomt niet voldoende vrij gebleven van de ondeugden der marxisten om tusschen beide fracties zoo „steile" onderscheidingen te maken, zoo emotioneeloverdreven „psychologische" kloven te constateeren. Het behoeft geen betoog dat zij de marxisten zoo niet overtroffen dan toch zeker geëvenaard hebben in alle onaangename eigenschappen, die door den schrijver zoo overdadig aan de linkerzijde zijner lijn van Quételet worden gedeponeerd; het behoeft geen betoog, dat wat aangaat gebrek aan verdraagzaamheid en andere aangename deugden, onze engelen van revi's behoorlijk mee kunnen doen en hebben gedaan; geen betoog omdat iedereen en zijzelf incluus er van overtuigd zijn en omdat wie er nog niet van overtuigd is er door mijn voorbeelden niet van overtuigd zou worden. Dat zij door den bank „intellektueeler" of „energieker" zijn wordt door Bonger-zelf ook niet beweerd. De speciale kenteekenen overigens die hem uit de verlegenheid helpen bij zijn „psychologische" klassificatie der marxisten als vertegenwoordigers van het „emotioneele type'' vindt hij immers terug bij de reformisten; zou hij althans gevonden hebben wanneer hij had gezocht; ja zelfs heeft hij ten deele gevonden zonder ze evenwel bij zijn objectieve systematiek te gebruiken. Hij betoont zich bijv. (pag. 757) bijzonder ingenomen
763
met zijn vondst, dat de marxisten geen eenwezig, op alle punten overeenstemmend geheel vormen — een opmerking die vooral na de scheiding aan kracht heeft gewonnen ; inderdaad zijn er marxisten in soorten en graden. Maar bestaan deze bij de reformisten minder? Van zijn vondst dat de Sozialistische Monatshefie het reformistisch hoofdorgaan, een heterogene verzameling van de meest verschillende meeningen en opvattingen te genieten geeft — pag. 612 — maakt hij geen verder gebruik. Wil hij wellicht beweren, dat de „reformistische zijde" in ons eigen land, met wier „verklaring" hij zoo spoedig gereed is, opmerkenswaardige „uitzondering" is op den regel der verscheidenheid, die hij in het internationale orgaan der algemeene richting aanwees? O, wanneer Bonger eens wat minder „objectief" de linkerzijde zijner lijn van Quételet wilde onderzoeken en wat minder subjectief den rechterkant ervan wilde verwaarloozen, welke verrassingen zouden hem wachten; en de minste daarvan zou wellicht niet deze zijn: dat hij deze laatste inderdaad kon missen voorzoover hij de cliënten van den „regel" broederlijk naar den linkerkant van de „uitzonderingen" kon laten verhuizen 1 Ook ten opzichte van de liefhebberij tot „bespiegeling", waarmede hij den „theoretischen zin" identificeert bij zijn opmerkingen over de verschillende „volkskarakters" (pag. 749). Zijn het niet de overvloedige „bespiegelingen" van Bernstein in 't bijzonder waarmede de geheele revisionistische kampagne is ingezet, versterkt door de „bespiegelingen" van Millerand en Jaurès, waarmee het reformisme in broederlijk verband is geopend; en is er een ijveriger „bespiegelaar" ten onzent aan te wijzen dan Vliegen, altijd gereed met een nieuwe phantasie, die door de „praktijk" der werkelijkheid gister weerlegd was of morgen weersproken werd, altijd te vinden voor een nieuwe stelling, waarvan hij het bewijs schuldig bleef uit goed en zelden bedrogen vertrouwen dat de andere „zijde" hem wel eerstdaags het tegenbewijs aan de hand zou doen ? Is het niet „de lust tot bespiegeling" onzer onvermoeide reformisten die de praktijk van het laatste dozijn jaren hebben gemaakt tot één groote ontgoocheling en het terrein hunner successen tot een kerkhof van jonggestorven „blijde verwachtingen?" Ook ten opzichte van de aan het „volkskarakter der Hollanders" weinig inherente bespiegelingslust schijnen reformisten en marxisten elkander niet zooveel te verwijten te hebben, dat het Bonger zou zijn geoorloofd hen als psychologische regel en uitzondering te behandelen. De bijzondere voorkeur waarmede hij de reformisten, de in den kijker loopende partijdigheid waarmede hij de radikalen bejegent, vinden hare uitdrukking en hare verklaring in de eigenaardige wijze waarop hij hun inzichten formuleert. Door de laatsten voor te stellen als degenen die ten koste van „het onmiddellijk bereikbare" bij alles „het einddoel" op den voorgrond plaatsen; door de eersten te schetsen als degenen die de noodzakelijkheid van hervormingspolitiek „met nadruk betoonen," terwijl zij even „sceptisch zijn wat het doel der beweging betreft" als de andere ten opzichte van „het actueele" — door deze even gebrekkige als ten opzichte van het radïkalisme in 't bijzonder, onjuiste karakteriseering wordt het verbeeldingselement — en ten opzichte hiervan bepalen wij onze critiek — eenerzijds evenzeer overdreven als anderzijds verkleind. Wanneer hij ter voorkoming van subjectieve misvatting wil nagaan wat de reformistische zijde wil in verband met wat zij ziet, hoe haar inzicht en in verband daarmede hare voornemens en welke in verband met deze voornemens hare voorstellen, niet tot hervormingspolitiek maar tot een bijzondere hervormingspolitiek zijn; wanneer hij dus uit authentieke bron het reformisme wil leeren alvorens het te doen kennen, laat hij dan de kennismaking zoeken of hernieuwen met wat onze reformisten-zelf daaromtrent hebben doen blijken; met wat de van theoretischen zin minder dan — naar zijn eigen harde oordeel — van theoretischen aanleg ontblootte
764
partijvoorzitter en hoofdredakteur Vliegen in den loop der jaren in verschillenden vorm en op verschillende wijze als de ware en wenschelijke klassenstrijdwijze heeft gepredikt en voorbereid. Althans dit zal hem dan niet kunnen ontgaan of ontgaan zijn, dat het toekomsttl&mtnt in het reformisme een niet minder belangrijke rol speelt dan in het marxisme, dat de bespiegeling dezer- en generzijds krachtig werkzaam is, dat niet de feiten zoozeer, maar de voornemens inzonderheid de brandpunten van strijd zijn geweest; van noodzakelijken en wenschelijken, hoezeer dan van door zijn overdrijving, schadelijken strijd. En hij zal merken dat de tegenstelling niet is noch is geweest sterke „betooning" of een even sterk scepticisme ten opzichte van „het einddoel," bespiegeling en theoretische zin ten opzichte van dit einddoel contra practischen zin en neiging tot verovering van het onmiddellijk bereikbare, — maar dat het conflict zich het meest karakteristiek heeft uitgedrukt in de bespiegeling wederzijds van den gang der maatschappelijke, der ekonomische en politieke ontwikkeling in de naaste toekomst, in een veel naderbij gelegen toekomst althans aan waarin iemand, wie hij ook zij, denkt aan de verwerkelijking van het „einddoel"; en dit conflikt was even onvermijdelijk als wenschelijk, hoezeer het door zijn overmatige scherpte tot schadelijke, althans tot onaangename gevolgen heeft geleid. Deze strijd, dit conflikt, zij waren onvermijdelijk en wenschelijk tevens omdat en voorzoover zij uitingen waren van verschillende wetenschappelijk bedoelde socialistische opvattingen, van verschillende concepties omtrent maatschappelijke ontwikkeling in de richting van „het einddoel", waarin het element der „bespiegeling" niet wordt gemist, waarin de verbeelding niet wordt geschuwd, waarin de gave der voorstelling van de toekomst als een noodzakelijk element van socialistische opvatting daadwerkelijk zoo niet uitdrukkelijk wordt erkend. De conceptie moge gebrekkig zijn, gebaseerd als zij is op een zeer onvolkomen of onjuiste kennis der sociale ontwikkeling; zij moge in verband daarmede, door volslagen misvatting omtrent „het onmiddellijk bereikbare" tot zeer schadelijke gevolgen kunnen leiden; zij moge in haar vooze optimisme ten opzichte van onmiddellijk succes de „practische zin" tot de signatuur van allerlei teleurstellende linkschheden en ontmoedigende onhandigheden verlagen; — zij is niettemin om haar voorstellingselement, om haar bespiegelingskarakter, om haar verbeeldingsfaktoren, uitgaande van de werkelijkheid, gericht op , het einddoel" en zich fixeerend in een beeld der nadere of naaste toekomst, een blijk van socialistische bedoeling en socialistische methode. Konflikten op dit gemeenschappelijk terrein zijn binnen zekere grenzen wenschelijk als blijk van socialististische methode in dienst van socialistisch streven, zij zijn evenzeer onvermijdelijk tengevolge van den te grooten eenvoud der voorstelling van het, slechts in algemeene trekken te kennen, einddoel en de te groote verscheidenheid der voorstellingsmogelijkheden van de, evenzeer slechts in algemeene trekken kenbare, ingewikkelde werkelijkheid; „want wij kennen ten deele en wij profeteeren ten deele."
Maar deze conflicten verscherpen zich allicht tot een gevaarlijken graad, waar zij vermengd worden met het element, dat door Bonger als het criterium van reformisme wordt aangegeven; de strijd wordt gemakkelijk van een verwoestende hevigheid waar hij gevoed wordt door een fractie, die naar zijn voorstelling zich kenmerkt door een groot scepticisme ten opzichte van „het einddoel", een sterke afkeer tegen „bespiegeling", een heftige schuwheid tegen de verbeelding en in dit verband een practischen zin en een zeer geprenonceerde neiging voor het onmiddellijk bereikbare. Naar zijn voorstelling is dit het karakteristieke van het reformisme, in werkelijkheid zijn het de kenmerken van een arbeidersbeweging die ligt op de grens tusschen sociaal- en
765
vrijzinnig democratie zoo zij haar niet reeds overschreden heeft; in zijn poging tot scherpe onderscheiding tusschen marxisme en reformisme, het eerste te ver naar links drijvend, werpt hij het andere op een hoop met vrijzinnig demokratische VVerkliedenverbonders, vol ijver voor arbeiderswetgeving, steeds in 't harnas tegen inbreuken op de kapitalistische moraal, partijgangers voor de politieke rechten der arbeidersklasse; stevig en betrouwbaar als arbeidersvrienden, maar niet minder verbeten tegen alles wat deze grens overschrijdt; niet minder afkeerig tegen alles wat de sociaaldemokratie op algemeen maatschappelijk en internationaal terrein aan verdere opgaven stelt en aan ruimere eischen omvat; vol gerechtvaardigde sympathie voor allen „kleinarbeid" maar als de dood voor alle „bespiegeling", reformistische zoowel als marxistische. Lieden, in één woord die van de sociaaldemokratische arbeidersbeweging een „poel" zouden maken: het emotioneele woord is ontleend aan Mr. Troelstra, of om met Bonger te spreken: realiteitsmenschen, bij wie de „emotioneele" „individualistische" aanleg even weinig gegeven of uitgesloten is als bij de tegenvoeters. Ontwijkt de reformistische vleugel der sociaaldemokratie niet het gevaar van den direkten of indirekten invloed van dit element in de arbeidersbeweging en weert zij zich niet voldoende tegen de innige verbroedering met dezen bondgenoot tegen het radikalisme, dan zal, waar een zwaren, gemeenschappelijk onderganen, samenpersenden druk van bourgeoiszijde ontbreekt, enkel een krachtige en vertrouwenwekkende leiding kunnen bewerken dat Appingedam en Parijs zich met Leipzig verdragen en kunnen verhinderen dat de spanningen
zich verhoogen tot brekens toe Ziehier de vage omtrekken, die aangedikt
en afgeschaduwd door de concrete lijnen van bijzondere menschen en toestanden, een meer gelijkend beeld onzer partijontwikkeling kunnen leveren, dan de anti-radikale karikatuur door Bonger uitgevoerd.
VI.
Wanneer dus het „hollandsche volkskarakter" is zooals Bonger het ons schetst; wanneer het afkeerig is van of althans weinig begeerig naar bespiegeling, begaafd met geringen theoretischen zin, gericht op „de praktijk" en zeer geneigd om direct resultaat te bereiken — welnu, dan loopt het bij de reformisten evenzeer gevaar als bij de radikalen. Althans wanneer wij aannemen, dat de eenen zoowel als de anderen in werkelijkheid socialisten zijn en dus aan den „theoretischen zin" niet minder dan aan zijn „praktische neigingen" zekere eischen stellen. In dat geval toch is de afstand tusschen den burgerlijken of kleinburgerlijken zin van den niet-socialist en de socialistische denk- en gevoelswijze zoo groot dat het onderscheid tusschen reformistische en radikale psyche er bij vervalt. De vraag is evenwel of het „hollandsche volkskarakter" door Bonger op de juiste wijze is geschetst. Wij hebben voor zoover het de socialistische arbeidersbeweging betreft in den loop der jongste geschiedenis te doen gehad met zoo verschillende en in hun verschil zoo afwisselende volkskarakters, dat wij de relatieve zekerheid bewonderen waarmede de schrijver de nationale psyche en speciaal het arbeiderskarakter definieert. Wij zijn getuige geweest van karakteruitingen der Amsterdammers zeer verschillend van die der Rotterdammers, wij kennen de wisselende psyche der Friezen, wij hebben eens door een onverdacht getuige hooren gewagen van een bijzonderen Zeeuwschen karakteraanleg en zijn sterk geneigd het Appingedammer volkskarakter voor even bijzonder als belangrijk te houden. Zij-alle te zamen geven heden ten dage aan de sociaaldemokratische arbeidersbeweging een overwegend reformistisch cachet. Maar is dit een bewijs dat het nederlandsche volkskarakter uit kracht van zijn al-
766
gemeenen aard zich door zijn geringe lust tot bespiegeling en zijn sterke neigingen tot de vormen van reformistische beter dan tot die van marxistische praktijk en bespiegeling leent? Bonger schuwt „een speciaal historisch onderzoek" op dit terrein en ook wij zijn er niet op verzot en zeker minder toe verplicht dan hij. Maar toch willen wij zijn belangstelling vragen voor het feit, dat de S. D. A. P. zelve gedurende de eerste jaren van haar bestaan er blijk van gaf, dat het „hollandsche volkskarakter" volstrekt niet onvereenigbaar is met een bespiegeling en een praktijk die sterker naar de tegenwoordige marxistische dan reformistische aardden. Wij willen er hem tevens op wijzen dat de sociaaldemokratische beweging hier te lande een tijd van sterken bloei beleefde toen met een meer marxistische algemeene praktijk dan heden, in 't bijzonder een meer marxistische bespiegeling gepaard ging; toen er een marxistischtheoretischen zin werd gekweekt, die bij hemzelven vrucht heeft gedragen. Wij willen er hem vervolgens aan herinneren, dat er kort vóór de oprichting der S. D. A. P. een socialistische arbeidersbeweging bestond met meer dan zesduizend leden, die volgens zijn eigen beschouwingen in de door ons behandelde artikelen, met het tegenwoordige marxisme meer trekken gemeen had dan met het reformisme en die niet door het „anarchisme" kweekende reformisme, maar door gebrek aan marxistische praktijk en bespiegeling is te gronde gegaan.... Wij willen hem ten slotte wijzen op een algemeen feit in direkt verband met wat hij omtrent de durende eigenaardigheid van „het hollandsche volkskarakter" zegt, met wat hij vermeldt omtrent den geringen aanleg tot „bespiegeling" en den overwegend praktischen aard van ons volk, waardoor ook hier de arbeidersbeweging per se dezen stempel draagt (pag. 618). Er is in Nederland buiten de min of meer socialistisch-gezinde en socialistischhandelende, een proletarische beweging van zeer afwijkenden aard; er is een belangrijk deel der arbeidersklasse, sterk van de uitsluitend door onzen psycholoog beschouwde verschillend, niet minder deelachtig evenwel aan het „hollandsche volkskarakter" ja, in hooger mate misschen de drager der „historische", door „eeuwenlange invloeden" gevormde eigenaardigheden der nationale psyche dan de nederlandsche socialisten: wij bedoelen het godsdienstiggezinde proletariaat. Bonger kent het natuurlijk en zelfs heeft hij het niet vergeten, zooals zijn pleidooi voor de „Groninger motie" ons leert; maar vergeten heeft hij het, waar het een streep zou hebben gehaald door de psychologische rekening waarvan de marxisten de kosten te dragen kregen. Volgens zijn voorstelling (pag. 758) heeft „de godsdienst geen bekoring meer" dan voor „de speciaal mystisch-aangelegden". Wij laten natuurlijk deze als vele andere van zijn beweringen waarop wij niet nader ingaan, voor zijn eigen rekening; wij willen er enkel op wijzen dat in het land waar de gehechtheid aan den godsdienst nog zoo sterk is als hij-zelf het voorstelt, in het land der kerkelijke heerschappij, de fraaie harmonie die hij vindt tusschen het beweerde „praktisch" zijn der reformisten en den „praktischen", met verbeeldings- en gevoelselementen karig bedeelde volksaanleg, ten overstaan van den beweerden „mystischen aanleg" van een speciaal onder de „historische invloeden" staand, het reformistisch proletariaat in getalsterkte overtreffend gedeelte der natie, van meer verbeeldingskracht getuigt dan men bij den gemiddelden reformist zou veronderstellen; en onzen psycholoog zeiven onder verdenking van een gevaarlijke neiging tot het geheimzinnige en raadselachtige zou brengen, ware het niet dat in zijn requisitoir tegen de marxisten deze proeve van „psychologische" en „sociologische ' verklaring tevens zoo bijzonder „praktisch" zich tegen hen liet aanwenden, eenerzijds waar zij in den schoolstrijd den quasi-mystieken aanleg der kerkdijken, anderzijds waar zij in den partijstrijd den quasi praktischen zin der reformisten minder
767
eerbiedigen, dan dezen aangenaam is gebleken en door dezen oorbaar is geacht.
Het komt ons voor, dat het voorbeeld door Bonger zelf geleverd niet geheel past bij de les die hij den arbeiders geeft van zich in 't bijzonder toe te leggen op „de psychologie"; tot goed begrip der partijtegenstellingen is zij tot dusver minder dienstig gebleken dan tot strijdmiddel tegen een bepaalde fraktie en juist door haar gebrekkige ontwikkeling is deze wetenschap m 't bijzonder geschikt tot — in dit geval onbewuste — tendencieuse en subjectieve „verklaringen". De meening is overigens geoorloofd, dat de wetenschap die de arbeiders in deze partijkwesties beoefend hebben, in stichtelijke navolging van de voorgangers, maar al te zeer deze „psychologie" is geweest en dat Bonger uilen naar Athene wil zenden. Met verbazing ontmoet men — en passeert men evenals zoovele andere — de opmerking bij hem dat het, den marxisten alweder, speciaal zou ontbroken hebben aan „zakelijk, onpersoonlijk optreden" in den „strijd met tegenstanders": hun die voortdurend deze tegenstanders vóór en na de Utrechtsche resolutie hebben verzocht deze zakelijkheid en deze onpersoonlijkheid nu toch eens te willen betrachten. Niet: deze „radikale" meening is verkeerd op deze of die gronden, maar: die „radikaal" deugt niet: — ziedaar de maar al te veel door de reformisten beoefende oorlogstaktiek, door hun verdediger Bonger ten slotte op zoo „onpersoonlijke, zakelijke" wijze toegepast, dat men van de meeningen der marxisten zeer weinig verneemt — en dit onvolledige is nog ten deele onjuist — maar van hunne personen des te meer. En deze taktiek is het juist die zich hierom zoo gemakkelijk tot de demagogie leent, omdat zij zich aansluit bij de „psychologische" praktijk van zeer vele arbeiders-zelf, voor wie het volgen van tal van zakelijke discussies dikwijls niet gemakkelijk of aangenaam, en bij wie het volgen van hun gewoonte om hun min of meer onberedeneerde intellektueele voorkeur en afkeur om te zetten in persoonlijke sympathien en antipathiën, des te gebruikelijker is. — Maar afgezien van wat de arbeiders aan deze „wetenschap" in 't bijzonder kunnen hebben, is het mij raadselachtig wat „de wetenschap" in 't algemeen naar Bongers meening bij hen kan teweegbrengen en welken invloed zij — niet uitoefent maar — kan uitoefenen op de praktijk. Ook hier ontmoet men bij hem stellingen die mijns inziens zeer tegenstrijdig zijn. Op pag. 615 heet het, ten opzichte van den wetenschappelijken strijd: revisionisme (in tegestelling van reformisme) marxisme : „al ware er ook nooit een vuiltje aan den theoretischen hemel geweest, toch zou de tegenstelling reformisme en anti reformisme ontstaan zijn en even sterk zijn geworden als zij is. Wie anders meent overschat den invloed der theorie op de groote massa in sterke mate"... Hier wordt dus elke invloed van de wetenschap op den gang van zaken radikaal ontkend, blijkbaar in verband met de opvatting van den schrijver, dat deze invloed zich af laat meten naar den rechtstreekschen invloed van „de wetenschap" op de massa der arbeiders-zelf. Op pag. 622 daarentegen wordt „de wetenschap" gekwalificeerd als een „zeer machtig wapen, te machtiger waar zij niet vermengd wordt met de speciale gevoelens en neigingen van hen, die haar beoefenen." Wij zijn met Bonger overtuigd van het eerste en zelfs door Bonger van het laatste deel zijner opinie. „Ook in de kwestie der geschillen in de sociaal-demokratie kan de wetenschap — de psychologie in 't bijzonder — van eenig nut zijn," vernemen wij verder, in strijd naar het ons voorkomt met zijn meening van eenige pagina's te voren. Maar, voegt hij er aan toe: „dat zij echter in staat zou zijn groote groepen der bevolking in een richting te voeren tegenstrijdig aan hare belangen is een meening" die naar de zijne van een buitengewoon groote „naïveteit op psychologisch gebied" getuigt. En als voorbeeld haalt hij aan, dat bijv. waar een vakvereeniging in staat is „het vak te sluiten,
768
tot groot nadeel voor de overige arbeiders", dat ook „zonder eenigen twijfel in de praktijk zal gebeuren" en dat „de wetenschap" hiertegenover volslagen machteloos zal staan. Waar dus het advies van „de wetenschap" niet geheel samenvalt met de directe stoffelijke belangen van een of ander fraktie der arbeiders, daar is haar invloed nihil; en waar zij er wel mee samenvalt, kan zij natuurlijk ook wel gemist worden en is het niet om maar ondanks haar advies dat gehandeld wordt. Ik moet erkennen, dat het mij niet heel duidelijk is welke nu eigenlijk de rol is van „de wetenschap", en waarop ten slotte de meening van den schrijver berust dat zij een „zeer machtig wapen" is in den „maatschappelijken strijd", waar hare invloed volgens zijn voorstelling zoo volslagen wordt geneutraliseerd door „de speciale gevoelens en neigingen" van hen, niet ditmaal, door wie maar van hen voor wie zij — in casu : de wetenschap van zijn klassenstrijd, van zijn strijd als klasse — beoefend wordt. Bovendien erken ik — de schrijver zij mij genadig 1 — dat naar mijn meening de historische en de actueele werkelijkheid, n'en déplaise zijn psychologie en zijn historisch-materialisme, leeren dat „de wetenschap" wel degelijk, zij het dan niet duurzaam, in staat is „groote groepen der bevolking in een richting te voeren, tegenstrijdig aan haar belangen''. En ik voeg er bij, hoe het is uit kracht mede van deze, mijn „groote naïveteit op psychologisch gebied" dat ik het van belang, zij het dan van zeer bescheiden belang acht, zijn „wetenschap", zijn „psychologie" en zijn „historisch materialisme" te bespreken, daar zij medetellen onder de faktoren, geëigend een groote groep der bevolking te weerhouden een richting te volgen in den klassenstrijd, die met hare duurzame belangen overeenkomt; daarvan te weerhouden niet zoozeer omdat de directe invloed van zijn of van mijn woorden op de massa van eenige beteekenis zou zijn, als wel omdat zij behooren tot die, gewoonlijk zeer indirekt door middel van allerlei tusschenelementen werkende faktoren, die de geestelijke en de sentimenteele atmosfeer eener beweging scheppen — Voor 't overige is in dit bijzondere geval van Bonger's speciale aanbeveling der „psychologie" voor de studierooster van het proletariaat, mijn advies even overtollig als het zijne : de arbeiders zullen het nauwelijks vernemen en zoo al, hun gewone dieet van dezen aard zeker niet overschrijden. Alles heeft nu eenmaal zijn maat en zijn tijd en ons proletariaat is, naar het mij voorkomt, van wetenschappelijke opgaven vooreerst voldoende voorzien; noch de psychologie van Bonger, noch het Esperanto van Bleeker, welke aanlokkelijkheden zij mogen bezitten, schijnen mij bijzonder urgent In elk geval, niet beide tegelijk, dunkt me het mocht niet hotten. Wanneer men nagaat, wat door geleerde partijgenooten in den loop der jaren al zoo is aanbevolen als bijzonder nuttig of onmisbaar voor den arbeider, dan voelt men de neiging in zich opkomen, met een variatie op de bekende woorden van Figaro te vragen: hoevelen hunner, te oordeelen naar de hoeveelheid wetenschap die zij in hem vergen, waard zouden zijn zelf arbeider te wezen ? {Slot volgt).
De Stakingen in het Transportbedrijf
door
H. SNEEVLIET!
I.
Inleiding.
Een tijdperk van heftige beroeringen, omvangrijke, dikwijls ook langdurige conflicten tusschen kapitaal en arbeid beleven wij. Ongunstig voor de sociale harmonie-apostelen, die den „Zusammenbruch" constateeren kunnen van hun zoete theorieën van tempering der klassentegenstellingen onder het volgroeid kapitalisme, welke menig strijder in de arbeidersbeweging onzeker maakten en zelfs soms totaal van de wijs
|brachten. Men behoeft het niet meer te voorzeggen, dat de tegenwoordige periode van opbloei in zaken zich kenmerken zal door geweldige economische oorlogen. Geen land, waarin het kapitalisme hoogtij viert, bleef in de laatste jaren voor gioote bewegingen gespaard. De Zweedsche uitsluiting in 1909, de strijd der mijnwerkers van Zuid-Wales, der textielarbeiders van Lancashire en der ketelmakers van de werven aan de Tyne en de Clyde, de bouwvakuitsluiting in Duitschland, de metaalbewerkersuitsluiting momenteel in Leipzig, de toerustingen voor den strijd, die in 1913 in de houtindustrie moet worden uitgevochten, de spoorstaking in Frankrijk, de dreigende spoorstaking in Italië, welke alleen door belangrijke concessies werd afgewend, de uitsluiting in Noorwegen, de stakingen in het transportbedrijf in Holland, België en
|Engeland... even zooveel feiten, die bewijzen, dat wij in een periode
ƒ zijn gekomen, waarin de strijd om lotsverbetering der arbeiders zich
! vooral in den vorm van massa-bewegingen uit.
Iedere periode van opbloei was er een van bewegingen om meer loon. Maar was vroeger het wapen, partieele staking, door de vakvereenigingen met veel succes toe te passen, was het zelfs tot een vaste leerstelling geworden in de vakvereenigiiigstaktiek, dat iedere staking zoo klein mogelijk in omvang moest worden gehouden, wijl de ervaring had geleerd, dat in den guerillaoorlog een verheffing van het levenspeil der arbeiders het best kon worden verkregen ... de opkomst der ondernemersorganisaties, nationaal en internationaal, maakte het steeds moeilijker de partieele staking te gebruiken.
770
„Zeker brengt de maatschappelijke ontwikkeling de tendenzen voort om de stakingen te lokaliseeren en te beperken, maar deze tendenzen worden weer , door andere doorkruist. Het is niet te loochenen, dat de uitbreiding der stakingen in het algemeen niet af- maar toeneemt. De oorzaken zijn de uitbreiding der groot-industrie die steeds grootere arbeidersmassaas samenbrengt, zoowel als het ontwaken dezer massaas. die wel is waar nog niet door de vak- en politieke organisaties zijn opgeslurpt, maar toch in den klassenstrijd getrokken worden." (Henr. Roland Holst, „Algemeene werkstaking en sociaaldemocratie". Duitsche uitgave, blz. 19).
Van de tendenzen, die de loonbewegingen massaler maken, werkt thans de organisatie der ondernemers het sterkst. De macht der patroonsbonden groeit zienderooge.
( „Nog gemakkelijker —' zoo lezen we in Gorter's vertaling van Kautsky's „Weg naar de macht" op blz. 116 en 117 — dan de vereeniging van patroons in kartellen en trusts, tot het hooghouden van de prijzen, geschiedt de vereeniging in organisaties om de arbeiders er onder te houden. Op het laatste gebied kennen zij geen konkurrentie. geen geschillen, daarover zijn het allen eens. Dan voelen niet alleen alle patroons van denzelfden tak van industrie hetzelfde belang, maar ook allen van de verschillende takken van industrie. Al staan zij op de waarenmarkt als kooper en verkooper nog zoo vijandig tegenover elkaar, op de arbeidsmarkt vereenigen zij zich broederlijk als : koopers van dezelfde waar, de arbeidskracht."
In den tijd van slapte, die achter ons ligt, spanden de patroons overal hun krachten in om de vakvereenigingen te verzwakken. Waar zij zich sterk genoeg voelden, bonden zij als in Zweden den strijd over de geheele linie tegen de vakvereenigingscentrale aan. Het middel : sympathie-uitsluiting stuitte bij hen op geen enkel bezwaar, wanneer hun de toepassing winstgevend leek. De eenige beperking, die zij zich zeiven oplegden, vloeit — als bij de Duitsche bouwvakuitsluiting het geval was — uit onvolkomenheid in eigen organisatie voort. En terwijl zij met de vele middelen, waarover zij beschikken, trachten de moeilijkheden uit den weg te ruimen, die de toepassing van hun machtsmiddelen speciaal voor de kleinere werkgevers met zich brengt, organiseeren zij tevens het arbeidersverraad, formeeren zij uit den neerslag der samenleving, uit de chronisch werkeloozen, hun onderkruipersbrigaden, welke ten allen tijde gereed worden gehouden om belangrijke diensten aan den vijand der arbeidersklasse te bewijzen; storten zij hun donaties in de kassen der gele vakvereenigingen, waarin de leden worden opgevoed in de theorie der gemeenschappelijke belangen van arbeiders en werkgevers, worden zelfs centrale bonden van anti-sociaaldemocratische vereenigingen opgericht, welke noodwendig een remmenden invloed op de actie der bonafide vakvereenigingen moeten uitoefenen, een factor van niet geringe beteekenis. 1)
Waar de vakvereenigingen zwak zijn dwingt de patroonsorganisatie haar tot vervangen der taktiek van stakingen door een taktiek van onderhandelen, een verdragspolitiek, welke de uitbreiding van den in' vloed der vakvereeniging veelal zeer bemoeilijkt. Het middel staking
1) B.v. In „Der Bund" orgaan van de Duitsche gele arbeidersvereenigingen van 23 Juli 1911, welk blad versierd is met de schoone spreuken „Door eendracht tusschen de arbeiders en werkgevers naar vereenigden, voor allen vruchtdragenden arbeid" en „Door verwerving van eigendom en bezit naar ware vrijheid en zelfstandigheid der werkers", wordt melding gemaakt van de oprichting van een Centralen Bond van gele zeelieden-vereenigingen, aan wier invloed wordt toegeschreven, dat de Duitschers niet meededen aan de stakingsbeweging.
77i
raakt op den achtergrond, wijl men de uitsluiting van patroonszijde vreezen moet.
Waar daarentegen de vakvereeniging een geduchte macht werd, als in Duitschland, Engeland, de Scandinavische landen, daar vindt het koortsachtig zich toerusten voor den oorlog, hetwelk wij bij verschillende mogendheden waarnemen, zijn tegenhanger in de voorbereidingen voor den economischen oorlog bij de patroonsorganisaties eener-, de Vakvereenigingen anderzijds. De tijd van opbloei moet door de arbeiders .worden benut om loonsverhooging te bevechten. En die loonsverhooging 'is noodzakelijk, nu de duurte overal haar noodlottigen invloed uitoefent. De algemeene oorzaken, die dit verschijnsel verwekten : de concentratie in de bedrijven en tengevolge daarvan het op den achtergrond raken der concurrentie, de toenemende invloed van het bankkapitaal, de snelle stijging van den goudvoorraad, zij vinden in landen als Frankrijk en Duitschland nog versterking in de belastingpolitiek der regeering. Tegen de vermindering van de koopkracht der loonen, tegen de absolute verarming der arbeiders gaat het. Zij moeten in den strijd, waar zij kans zien te winnen.
De organisatie der productiekrachten in de saamgetrokken bedrijven, de syndicaten en de trusts, bracht niet de regeling van de productie, welke de samenleving bewaren kon voor de tijdperken, waarin ,,de ellende van den overvloed" zich het duidelijkst demonstreert — n.1. voor de crisissen. De organisatie der werkgevers aan den eenen kant en der werknemers andererzijds, kon evenmin verwezenlijken de hoop van hen, die dachten dat daarmee een periode van sociale vrede, van wederzijdsch zich verstaan, van collectieve verdragen en scheidsrechterlijke beslissing zou aanbreken, maar moest juist het aanzijn geven aan een scherper, verwoeder strijd.
Bittere ontgoocheling moet het conflict in het Engelsche transportbedrijf aan de vredepredikers hebben gebracht. Juist naar Engeland in het bijzonder — de Anglo-Saksische landen in het algemeen — wezen zij, wanneer de revolutionaire sociaaldemocraten van den onverzoenlijken klassenstrijd spraken. In Engeland bestond geen klassenstrijd. In Engeland was de arbeidersklasse ontoegankelijk voor socialistische leerstellingen. Tot heil van het land werkten patroons en arbeiders samen. En juist Engeland heeft een elementaire uitbarsting beleefd, die het land, zooals de liberale „Daily News" schreef „aan den rand van den burgeroorlog" heeft gebracht; het land met de, van burgerlijk standpunt bezien, model vakvereenigingen, die van vredelievende beslechting der geschillen systeem maakten.
Niet alleen voor de harmoniepreekers van burgerlijken huize en die uit de rijen der arbeidersbeweging zelf is het van groot belang hierover zijn gedachten te laten gaan. Voor ieder strijder in de vak- en politieke organisatie geldt het te pogen een juist inzicht te krijgen in de beteekenis van wat in Engeland is geschied.
Was Engeland niet het voorbeeld voor inrichting en opbouw der organisatie? Waren de Engelsche theoretici der vakorganisatie, de. Webb's, geen autoriteiten van internationale beteekenis? Werden niet van Engeland overgenomen de kassenvormingen, de ver doorgevoerde discipline? En thans Engeland het terrein van massabewegingen, van algemeene disciplinebreuk, van solidariteitsstakingen! Met den hoofd-
772
artikelenschrijver uit de „Frankfurter Zeitung" van 19 Augustus jl., den christelijk-nationalen arbeiderssekretaris Anton Erkelenz, zien wij de oudere en jongere leiders der Engelsche vakbeweging in een zeer bijzondere positie.
„De ouderen, die met passer en duimstok uitrekenden, hoever zij met hun eischen mochten gaan om in vrede tot een resultaat te komen, staan als de ] kip, die men eendeneiers heeft gegeven om uit te broeden, aan het water en zien het einde der wereld naderen".
En de jongeren? Hun stemming geeft de heer Erkelenz weer met de uitspraak van een dier Engelsche leiders zelf:
„Het onbepaalde gevoel der massa is zoo dikwijls tegenover de berekening van den leider bewezen juister te zijn, dat het bijna onmogelijk is een bepaalde grens aan te geven, binnen welke in alle gevallen aan de discipline moet worden vastgehouden".
Welk een onzekerheid blijkt, uit een uitspraak als deze, zich te hebben meester gemaakt van hen, die door jarenlange ontwikkeling der vakorganisatie geleerd hadden, dat het vakvereenigingswerk langs zorgvuldig afgebakende paadjes ging.
En er is in het Engelsche transportbedrijf in een paar weken van strijd — gevoerd tegen alle regelen der „moderne" vakvereenigingskunst in — een overwinning bevochten, waarvan de beteekenis moeilijk te overschatten is. Hierover later meer.
Het geldt voor den vakvereenigingsman zich niet tevreden te stellen met een zoo weinig nuchtere uitspraak, als wij van den redakteur der „Vakbeweging", J. Oudegeest, aantroffen in het blad van 1 Sept. j.1.:
„Toch weten we een en ander van deze geschiedenis en het vervolg van dit artikel zal leeren, dat het eenerzijds maar lak is, wanneer onze anarchistische vrienden praten van directe actie en anderzijds, dat het een wonder mag heeten (cursiveering van ons H. S.) dat in Engeland nog de voordeelen werden behaald, die men verkregen heeft, gezien de zeer onverantwoordelijke wijze, waarop de belangen der zeelieden door hun internationale vertegenwoordigers zijn in de waagschaal gesteld".
Ook al komen er wonderen aan te pas, deze verklaring van het groote gebeuren in het Engelsche transportbedrijf lijkt ons wel wat al te goedkoop. Zij mag indruk maken op dengene, die niets wetende „van deze geschiedenis" met eenig respect de verzekering in ontvangst neemt: „Toch weten we een en ander" van wat er gebeurd is,—■ voor hem die werkelijk wat af weet van de voorbereiding der staking en niet aan uiterlijke bijkomstigheden haken blijft, doch verband zoekt tusschen de groote uitbarsting en de economische gesteldheid van Engeland, kan het op zijn zachtst genomen alleen verbazing wekken j op een zoodanig oordeel te stuiten. In het vervolg van dit artikel zullen we in de gelegenheid zijn na te gaan, in hoever de „internationale vertegenwoordigers" der zeelieden de belangen dezer arbeiders lop „zeer onverantwoordelijke wijze" in de waagschaal stelden. Bijna ridicuul wordt de ijver om de superioriteit van eigen strijdmethode te verdedigen, als men leest „dat in Engeland nog de voordeelen werden behaald, die men verkregen heeft" en men vergelijkt die uitspraak met den lofzang op de resultaten der Rotterdamsche staking, welke ook wij niet onderschatten, maar die toch werkelijk niets beteekenen in
773
vergelijking met wat de Engelsche transportwerkers hebben doorgezet i).
In een zeer belangrijk artikel van partijgenoot Wibaut, getiteld „Een menschenleeftijd kapitalisme in Engeland", verschenen in die „Neue Zeit" van 19 Juni jl. (al vroeger in de „Nieuwe Tijd" van Januari en Februari 1910) kunnen we een reeks van gegevens vinden, die ons duidelijk maken, waarom juist Engeland zoo sterk door groote economische bewegingen in beroering wordt gebracht. Bedoeld artikel spreekt ons van de groeiende productiviteit van den arbeid, van den buit der kapitalisten en van het magere deel, dat den arbeider toevalt uit de stijgende nationale welvaart. Wij achten het gewenscht hier eenige cijfers te releveeren. De internationale staking der zeelieden toch heeft groote internationale beteekenis gekregen, niet zoo zeer als een eerste pogen om tot een algemeene actie van de arbeiders in een bepaald bedrijf over de geheele kapitalistische wereld te komen, dan wel doordat zij is uitgegroeid tot een nationale staking van alle transportwerkers in Engeland, het maatschappelijk leven van dat land ten diepste beroerend. En juist daarom is het van belang ons op de hoogte te stellen van de economische verhoudingen van het Britsche rijk.
Omtrent de toenemende productiviteit in verschillende takken van industrie vernemen wij het volgende:
Inhoud der
Verwerkte Geprodu- I[zer- en Verwerkte nieuw ruwe katoen ceerde staalproductie wo] gebouwde Hetzelfde
In de jaren per hoofd kolen per samen per hoofd schepen (zeil-
der bevolking hoofd per hoofd en stoom) per hoofd.
in duizenden
Pond. Ton. Tonnen. Pond. Tonnen.
1875—1879 36.3 3.99 0.22 14.21 435 0.013
1890—1894 41.7 4.72 027 16.35 7.35 0019
1905 —1908 42.6 5.79 0.36 17-07 961 0.022 Toename
in procent 17.% 45 63 20 121 70
De waarde van in- en uitvoer (beiden na aftrek van doorvoer) bedroeg:
Per hoofd der bevolking. Invoer. Uitvoer.
in 1875—1879 114 gulden 72 gulden
„ 1905—1908 142 „ 101 „
Dat deze stijgende productiviteit den bezitters geen kwaad gedaan heeft, blijkt uit de conclusie, waartoe onze partijgenoot komt:
„Op dezen grondslag staat dus voor 1875—'79 tot 1905—1907 eene toeneming van de aangeslagen inkomsten uit Handel en Nijverheid met 92 percent".
Dit laatste cijfer gold de gezamenlijke industrie- en handelskapitalisten, de kapitalistische klassen in haar geheel kon op een aanwas van het inkomen van 40 percent rekenen. Hoe het de arbeidersklasse ging ?
1) Waar we het verloop der beweging in Holland behandelen, zullen wij ons hebben bezig te houden met de „problemen" in verband met de staking voor de Hollandsche beweging gerezen: de steunkwestie en de verhouding der vakorganisatie tot de politieke organisatie der arbeiders.
774
Van de beweging der loonen volgen hier ook enkele der vele cijfers die Wibaut verschafte. De gemiddelde looncijfers voor de arbeiders', werkzaam in den landbouw, de kolenmijnen, het textielbedrijf, de bouwvakken en metaalbewerking saaien, zien er, als wij voor het eind van 1900 het cijfer 100 aannemen, als volgt uit:
0 , Landbouw inbegrepen Zonder den landbouw
ï!£-,79 87.31 g57l
1890-94 9030 80.73
I9°°, 100- IOo"
i9°s-o8 99.o8 99;o?
Een vermeerdering dus van gemiddeld 13 percent.
Wanneer van burgerlijke zijde over de welvaart der Engelsche arbeidersklasse wordt geschreven, dan vergelijkt men de jaren 1850 en 1907 en constateert: de loonen gingen 80 percent omhoog. De kwestie is, dat m de jaren van 1850—1875, toen Engeland nog een gunstige uitzonderingspositie op de wereldmarkt innam en de vakvereenio-ino-en op veel minder sterken tegenstand der ondernemers stuitten dan& in den lateren tijd, de loonen veel sterker toenamen (ruim 61 percent) dan in de 33 jaren tusschen 1875 en 1908 verloopen.
En dat de stijging met 13 percent absoluut niet beteekende, dat dus ;de welvaart der arbeidersklasse zooveel grooter was geworden het blijkt uit de stijging der prijzen van levensmiddelen over het tijdvak 11895—1908, zoodat Wibaut zijn oordeel samenvattende aan het slot van zijn artikel constateert, dat zelfs de in de vakorganisatie vereenigden ;de strijdbaren dus uit de Engelsche arbeidersklasse aan absolute verwarming ten prooi waren: „Een overzicht van hetgeen de georganiseerde arbeiders 111 Engeland in de laatste vijf-en-dertig jaren hebben kunnen bereiken, levert een nieuw bewijs van de onhoudbaarheid van het kapitalisme. Zijn neerdrukkende werking tegen de opstijging der arbeidersklasse als geheel wordt niet zwakker, maar sterker".
En naast de georganiseerde arbeiders, de geschoolden leeft in Engeland een bevolking van 5 a 6 millioen ongeschoolden, met hun gezinnen een 20 millioen inwoners van het Britsche rijk vertegenwoordigend Weerloos zijn zij tegen de kwellingen, die het kapitalisme over de arbeidersklasse uitstort. In hun krotwoningen vaii de havensteden en industriecentra leven zij hun kleurloos bestaan, verstompt door alcoholmisbruik, zonder idealen. De blijde boodschap van verlossing die het socialisme den werkers brengt, konden zij niet verstaan. Hoe zou hun de eenheid van alle werkers mogelijk lijken, welke immers de voorwaarde is voor een succesvolle worsteling tegen het monster kapitaal terwijl de geschoolde arbeiders hen als minderwaardigen behandelen hen aan hun droevig lot overlieten, zich niet als de klassegenooten dezer werkers voelden, en deze het evangelie van de sociaal-democratie voor zich met gesproken achtten? Hadden bijvoorbeeld de Eno-elsche vakvereenigingsmannen den strijd voor het kiesrecht niet onmiddellijk als een gewonnen zaak beschouwd, nadat zij, de geschoolden, het kiesrecht hadden verworven?
Niet straffeloos is zoo groote verwijdering gebracht tusschen hen, die op elkanders hulp waren aangewezen. De verbeterde machines maakten allengs den arbeid der ongeschoolden waardevoller in dezelfde
775
mate, als zij dien der geschoolden aan waarde ontnamen. De machine oefende zoo haar nivelleerende werking uit en beroofde den geschoolden arbeid van zijn gunstige uitzonderingspositie. En nu stonden door de politiek van verwaarloozing de mannen van den vierden en vijfden stand ver van elkander, terwijl in hun arbeid al meer overeenkomst kwam.
Hoe de Engelsche vakvereenigingen al minder opgewassen bleken tegen den toenemenden en georganiseerden weerstand der patroons, dank zij voornamelijk haar gildeachtig karakter, is door partijgenoot Spiekman duidelijk aangetoond in het vorig nummer van dit tijdschrift. Versplinterd als zij waren, in hun vrijheid van beweging belemmerd door de collectieve contracten, die niet meer als eertijds bewijs waren van de macht der arbeiders, maar veel eerder op knellende banden geleken, waaraan geen ontkomen was, moest het ook aan haar leden duidelijk worden, dat het voorbij was met de groote successen, vroeger in den strijd bereikt en dat het al bezwaarlijker zou zijn de verkregen positie te handhaven, tenzij de vakorganisaties haar gildeachtige inrichting en haar verouderde strijdwijze prijsgaven om te worden massale vereenigingen van arbeiders van een zelfde bedrijf, bereid tot het voeren van klasseactie, bereid tot het brengen van toenadering tusschen de aristocraten van den arbeid en de ,,unskilled labourers", de groote massa van ongeschoolden. Bewerkte de machine die toenadering eenerzijds. de algemeene duurte werkte in denzelfden geest, revolteerde vooral de afgestompten en aan zich zelf overgelatenen buiten de vakorganisatie ; van de zijde der socialisten geschiedde het mogelijke om de Engelsche arbeiders van de noodzakelijkheid van een aaneengesloten optreden te overtuigen, al deden zich daarbij het gemis' aan eenheid in de socialistische politieke beweging en van een eigen onafhankelijke socialistische dagbladpers als groote hinderpalen voelen.
II.
Voorbereiding der Zeeliedenstaking.
Met name in het. transportbedrijf was de toestand der arbeidersklasse hand over hand verslechterd. De in de Shipping Federation georganiseerde patroons van het zee-, haven- en ook spoorwegtransport vormen een der machtigste patroonsbonden van de wereld. Aan haar was 't gelukt den invloed der arbeidersorganisaties vooral in het zee- en havenbedrijf meer en meer te verkleinen. Een reeks van maatregelen, aan elkander passend, schakelde de vakvereenigingen als medebepalende factor meer en meer uit. Alhoewel nog groote reeders (als bijvoorbeeld de Atlantische Combinatie te Liverpool) buiten de federatie stonden, 13,000,000 ton van de Britsche scheepvaart was in haar handen. Het vaste contract, dat de leden der Federatie met hun arbeiders aangingen, het dwangcontract, dat ook in Hamburg en Amsterdam navolging heeft gevonden, brengt den arbeider, die zoodanige „overeenkomst" moest .aangaan in een toestand van slavernij. De Engelsche contractwerker is meteen ingelijfd in de Free Labour Association, de onderkruipersorganisatie, welke ook vóór de internationale verbinding der werkgevers, aan de buitenlandsche collega's haar goede diensten bewees, o. a. bij de stakingen in Rotterdam, Hamburg, Duinkerken en Havres.
776
Zonder de „ticket" (arbeidskaart) der federatie, geen werk op de inschrijfkantoren van haar leden. Bij het uitreiken der tickets, die het geheele signalement van den tot het werk toegelatene aangeven, is een zorgvuldige schifting en een uitschakeling der vakvereenigingsleden mogelijk. De half jaarlijksche vernieuwing der arbeidskaart, waarvoor de arbeider telkens een sixpence stort, maakt verwijdering uit de gelederen makkelijk, wanneer dit gewenscht mocht blijken. Ook het geneeskundig onderzoek, ingesteld door geneesheeren der Federatie en op hygiënische gronden verdedigd, opent een weg tot veel en velerlei willekeur.
In het eind van 1909 kwam het op initiatief dezer Engelsche Scharfmachers-organisatie tot een bespreking van afgevaardigden uit Duitschland, Noorwegen, Zweden, Denemarken, Holland, België, Frankrijk en Amerika en werd definitief tot de vorming der Internationale Shipping Federation besloten. Het uitgesproken doel: een neerslaan van alle acties door de zeelieden enz. begonnen om lotsverbetering te verkrijgen. Vooral in het transportbedrijf springt de noodzakelijkheid van internationale samenwerking van patroons zoowel als van arbeiders in het oog, immers in dat bedrijf worden overwonnen de twee machten „ruimte en tijd" en ontspringt uit internationale aansluiting de kracht, die noodig is om ook voor onderdeden bepaalde resultaten te bereiken. In het internationale gezelschap bleef de Engelsche patroonsbond toonaangevend. Zijn praktijken vonden algemeenen bijval. Hoever onder het bewind der internationale patroonsvereeniging het reeds gekomen is met de afhankelijkheid der werkers, aan welken willekeur zij reeds zijn overgeleverd, de leider van den Duitschen Zeeliedenbond Paul Muller kon het in den „Seemann" van 10 Juni j.1. aantoonen door het afdrukken van een zwarte lijst van arbeiders, welke de afdeeling Reederij der DuitschAmerikaansche-Petroleum-Maatschappij van aanmonstering had uitgesloten. De lijst, die 164 namen bevatte, prijkte met aanduidingen als: „Aartssociaal-democraat"; „oproerkraaier"; „een groote ophitser en waarschijnlijk agitator voor den Zeeliedenbond"; „waarschijnlijk lid van den Zeeliedenbond"; „zeer rood", enz. enz.
Geen wonder dat onder een zoodanige overheersching van de patroons de positie van de zeelieden in het algemeen en die der Engelschen in het bijzonder ongunstig werd. Het gebruik van goedkoope kleurlingen in de Engelsche scheepvaart neemt hand over hand toe. In 1896 waren 27,836, in 1906 al 38,386 Aziaten op Engelsche schepen werkzaam; Un 1909 was dit cijfer tot 43,960 gestegen; hoezeer deze goedkoope werkkrachten de loonen drukken behoeft niet nader te worden aangetoond. De loonen varieerden in de verschillende havens voor gewone zeelieden en stokers tusschen £ 3.10 en £4.— per maand, maar waren dikwijls niet hooger dan £ 3.— of ongeveer ƒ 9.— per week. Aan boord van het schip bestaat een toestand van onderdanigheid, die slavernij nabij komt. Zware boeten worden voor lichte vergrijpen geheven. Het voedsel en het verblijf aan boord laten veeal zeer veel te wenschen over. „The Lancet", een medisch blad van algemeene bekendheid, gaf over de verblijfplaatsen aan boord het volgende oordeel:
„Dringende behoefte bestaat er voor de zeelieden aan beter ingericht logis, badkamers en waterclosets. De waterclosets met permanente doorspoeling, moeten worden ingevoerd en zoo ingericht en verlicht, dat zij zindelijk kunnen
777
worden gehouden. Op stoombooten moet badgelegenheid worden gegeven, zoodat geen stoker zich vuil naar het verblijf behoeft te begeven. Wat de verblijfplaatsen zelf betreft, deze konden beter in het achterschip zijn, hetwelk meer en meer gebruik wordt. Doch er zijn slechts weinig verblijfplaatsen die niet overvol zijn, bedompt, donker en smerig — bedompt en smerig wijl zij te overvuld en te donker zijn, bovendien slecht geventileerd en onvoldoende verwarmd."
Wanneer men daarbij bedenkt, dat de bemanning zoo klein mogelijk moet worden gehouden, veel onbetaald overwerk heeft te verrichten, dat het sterftecijfer tengevolge van ongevallen gedurende de laatste 10 jaar varieerde van 6.40 tot 4.11 per 1000, terwijl voor de Engelsche mijnwerkers die cijfers 1.30 tot 1.32 bedroegen, dat de sociale wetgeving veelal zeelieden buitensluit, dan kan men zich verklaren, dat de ontevredenheid onder de Engelsche zeevarenden steeds grooter werd en dat ondanks de gebrekkige organisatie een oproep tot den strijd tegen den
f machtigen vijand sterken weerklank moest vinden.
De tijd daarvoor werd gunstig toen de periode van neergang plaats maakte voor een van stijgende conjunctuur. Wij beschikken niet over cijfers, die den opbloei van de Engelsche scheepvaart aangeven. Maar zoowel het verslag der Kamer van Koophandel te Rotterdam, als dat der Reedersvereeniging te Hamburg geven een indruk van den opbloei, welke ook in de reederij algemeen merkbaar was. Terwijl over 1908 te Rotterdam werden ingeklaard 8248 schepen en in 1909 dit aantal 8773 bedroeg, was over 1910 dit cijfer tot 9630 gestegen en bedroeg de tonnenmaat der ingeklaarde schepen niet minder dan 10,976,507.
I Het Rotterdamsche verslag spreekt over de „gunstige resultaten", met
• welke de vaste zeevaartlijnen werkten, terwijl ook de algemeene vracht-
1 vaart „meer bevredigend" was dan vorige jaren.
De Hamburgsche reeders noemen het tijdvak 1 Juli 1910—1 Juli 1911 :
„Voor de zeevaart in het algemeen een periode van verheugende levendigheid. Onder den invloed van het levendige verkeer is ook de werkzaamheid in den scheepsbouw in Engeland zoowel als in Duitschland toegenomen. De talrijke opdrachten komen voornamelijk van de reederijen der vaste lijnen: ook 't meerendeel der Duitsche lijnen heeft zich in staat gezien, opdrachten voor nieuw aan te bouwen schepen te verstrekken."
De bloei gold ook de tramp-reederij (ongeregelde vaart) en de zeilvaart.
Er is dus reden, vooral op grond van het Hamburgsche verslag, ook van een bloeitijdperk der Engelsche scheepvaart te praten. Trouwens de zeeliedenorganisatie, wier leider Havelock Wilson in het begin van 1910 zijn campagne voor een zeeliedenstaking begon, had er voor het voeren van zijn agitatie zeer zeker rekening mede gehouden, dat de slapte in zaken tot het verleden behoorde.
Het is nu gewenscht even stil te staan bij een overzicht der arbeidersorganisatie in het zee- en haventransport, voornamelijk voor zoover het de landen betreft, welke als direct gevolg van de actie der Engelsche zeelieden in de stakingsbeweging betrokken werden; naast Engeland, België en Nederland en in mindere mate Amerika. Volgens de officiëele gegevens van den Centralen Raad der Internationale Transportarbeiders Federatie, waren de zeelieden in die landen georganiseerd als volgt:
49
778
ENGELAND. Aantal leden.
National Sailors and Firemens Union 6000 leden
Huil Marine Sailors and Firemens Union 500 „
National Cooks and Stewards Union (Liverpool) . . 1500 ,,
AMERIKA.
International Seamen's Union 15000 „
BELGIË
Zeemansvereeniging 500 „
HOLLAND.
Algem. Nederl. Zeemansbond (aangesloten bij de I.T.F.) 1200 „ \ „Volharding" te Rotterdam (niet „ „ „ „ ) 500 „
Van de landen, welke niet aan de staking deelnamen, heeft Duitschland een zeeliedenorganisatie met een 10600 leden, Frankrijk twee organisaties, waarvan de grootste 3248 betalende leden had; Denemarken twee, waarvan de grootste 1600 betalende leden telde en Oostenrijk 1200 georganiseerden over 3 bonden verdeeld.
Wat nu de havenwerkers aangaat, hun organisatie maakt al niet veel beter figuur dan met de zeelieden het geval is. Bij de Internationale Transportarbeiders Federatie waren aangesloten :
In Organisatie. Ledental.
Engeland. . National Union of Doek Labourers in Great Britain
and Ireland - 13,000
Doek, Wharf, Riverside and General Workers' Union
of Great Britain and Ireland 6,570
Amerika . . International Longshoremen's Association of America. 15,000
België. . . . Dokwerkersbond „Willen is Kunnen" 1,350
Holland . . Nederlandsche Scheeps- en Bootwerkersbond . . . 800
Uit de rapporten in het overzicht der organisaties in het transportbedrijf van den Centralen Raad der Internationale Transportarbeidersfederatie over de jaren 1908 en 1909, vernemen wij nog een en ander omtrent den toestand der organisaties en de moeilijkheden, waarmee I deze te kampen hebben. Zoo deelt Benn Tillett omtrent de Engelsche i havenarbeiders mede, dat deze nog veelal in afzonderlijke groepen I vereenigd zijn, hetwelk een ernstige bemoeilijking van het vakvereenigingswerk te weeg brengt. De achteruitgang van de Engelsche scheeps ■ bouwnijverheid in de crisisjaren heeft het aanbod der werkkrachten in : de havens belangrijk vergroot, waardoor de positie der eigenlijke havenarbeiders ernstig wordt bedreigd. Van de zijde der patroons wordt door methodische verbetering van arbeidssparende machines in dezelfde richting gewerkt. Van dien invloed der arbeidsparende machines maken ook de Belgische en Hollandsche berichten melding. In het rapport omtrent de beweging der Hollandsche havenwerkers over de genoemde jaren van de hand van Spiekman lezen wij, dat van vooruitgang door middel van de arbeidersorganisaties verkregen geen sprake was.
Wij meenen met deze gegevens een indruk te hebben gevestigd van den gebrekkigen toestand, waarin de organisaties der zee- en havenarbeiders verkeerden, welke ernstig bezwaar tegen een algemeene
779
beweging, als door den voorzitter der Engelsche zeeliedenorganisatie gewenscht geacht, alleszins wettigde.
Zooals wij reeds opmerkten, ving Havelock Wilson in het voorjaar van 1910 de campagne voor een stakingsbeweging aan. Reeds op het Weener Congres der Internationale Transportarbeidersfederatie van 1908 was door den Amerikaan Furuseth een internationale actie der zeelieden verdedigd, voornamelijk gericht tegen de wettelijke achterstelling van deze categorie van arbeiders. Het denkbeeld van Wilson .vond direct steun bij Furuseth; beiden verdedigden de zienswijze, dat ,een stakingsbeweging der zeelieden internationaal moest zijn, wilde zij jkans van slagen hebben en maakte er in Engeland en in Amerika 'propaganda voor. Met ingang van 1 Juli 1910 begon Havelock Wilson jeen propagandatocht door geheel Engeland en het blijkt weldra, dat :zijn optreden door de belanghebbenden met groote sympathie wordt begroet. In een strooibiljet ter voorbereiding van de eerste meeting te Liverpool lezen wij, dat de Engelsche zeeliedenorganisatie op 16 Juli 1910 aan alle reeders de volgende voorstellen deed toekomen:
1 °. Een uniforme loonschaal voor alle havens en een minimum loon.
2e. Een bemanningsschaal voor de zeelieden aan dek, in de machinekamer en in het kombuis.
3e. Het recht van vertegenwoordiging der zeelieden bij de onderteekening van het contract (bij de aanmonstering).
4e. Het recht om 2/s der gage aan het eind van iedere maand te vorderen.
5e. Afschaffing van de Tickets der Shipping Federation en van de verplichte inschrijving op de kantoren der federatie.
6e. Afschaffing van het geneeskundig onderzoek en van den Federatiestempel als bewijs van de keuring. I Naast deze eischen kwam nog vooral de wensch naar voren om ; een nationalen verzoeningsraad in te voeren voor de zeelieden als voor het Engelsche spoorwegpersoneel sedert 1907 bestonden.
Mededeeling wordt in hetzelfde strooibiljet gedaan van het voornemen op het Internationale Congres der Transportarbeidersfederatie te | Kopenhagen de internationale staking aan de orde te stellen. Op 30 Juli '1910, den datum waarop uiterlijk het antwoord van de reeders werd ingewacht, was van 70 scheepseigenaren bericht ingekomen, waarvan ihet meerendeel had te kennen gegeven niet tot een bespreking van de gedane voorstellen te kunnen overgaan, daar zij gebonden waren door de voorschriften van hun reedersfederatie. Uit een vertrouwelijk schrijven van den leider van den patroonsbond Cuthbert Laws aan de aangesloten leden blijkt het bestuur van dien bond zich op het standpunt te plaatsen, dat de „zoogenaamde Zeemansbond" te weinig beteekent om nota te nemen van zijn verzoeken. Op 28 Juli 1910 ontving de Engelsche minister van Handel, Sydney Buxton, een deputatie van een 100-tal parlementsleden en afgevaardigden der zeelieden uit verschillende havens, namens welke laatstgenoemden Wilson de noodzakelijkheid van de instelling van een verzoeningsraad bepleitte, voor welk verzoek de minister zijn medewerking toezegde.
Op het Kopenhager Congres van Augustus 1910 verdedigden daarop Wilson en Furuseth het plan eener internationale zeeliedenstaking, nadat beiden eerst hadden gepoogd een conferentie van zeelieden der
780
verschillende landen bijeen te roepen buiten den Centralen Raad der Intern. Federatie om, ten einde daar de vertegenwoordigers der zeelieden voor een staking te winnen. Vond het, met het oog op de zwakte der organisatie van de arbeiders, avontuurlijke plan, den steun van den Hollandschen zeeliedenbond en van België, scherp werd het door de Duitschers en Oostenrijkers bestreden. Het resultaat der discussies was de toevoeging van een commissie van 4 zeelieden aan den Centralen Raad der I. T. F. om tot een gemeenschappelijk program van verbeteringen voor de zeearbeiders te geraken.
In een bijeenkomst van den Centr. Raad met afgevaardigden der zeeliedenorganisaties van Holland (Zeeliedenbond), België, Denemarken en Engeland, November 1910 te Antwerpen gehouden, werd de internationale staking der zeelieden opnieuw besproken en werd namens eerstgenoemd college door Paul Muller een referaat gehouden naar aanleiding eener voorgestelde resolutie, die lotsverbetering der zeelieden noodzakelijk vond, de billijkheid van het verlangen der zeelieden erkende daarvoor het middel staking toe te passen, vooral waar de vereenigde reeders den strijd provoceerden, een internationale staking gerechtvaardigd achtte om den ruil van onderkruipers tegen te gaan en meer kracht bij te zetten aan de actie, doch die tevens behalve een gunstige conjunctuur in scheepvaart, een sterk financieel weerstandsvermogen der organisatie als voorwaarde voor het welslagen stelde en met het oog op den winter en den stand der organisaties het tijdstip der staking wilde verschuiven, om inmiddels aan den uitbouw der zeeliedenbonden te werken.
Van andere meening bleek Wilson, die thans aan de reeders verzoeken om lotsverbetering wilde doen, om in het voorjaar zoo noodig den strijd te beginnen. Aan zijn zijde stonden ook nu de afgevaardigden der drie andere landen. Een definitieve beslissing omtrent het proclameeren eener staking viel nog niet, daar op voorstel van den C. R. werd besloten in de verschillende landen eischen aan de reeders voor te leggen om dan in een nieuwe bijeenkomst in het voorjaar van 1911 rapport uit te brengen omtrent de resultaten.
Na de November-conferentie zette Wilson zijn veldtocht onder de zeelieden voort. Hooghartig had de Engelsche Patroonsbond den minister Buxton doen weten van een Nationalen Verzoeningsraad voor het zeeliedenbedrijf niet gediend te zijn. In een 300 vergaderingen tusschen Juli 1910 en voorjaar 1911 bepleitte Wilson de zaak der zeelieden en ^ spoorde hij hen tot den komenden strijd aan. Vage geruchten deden 1 zoo nu en dan de ronde door de pers. Vlugschriften werden verbreid door een (officieel niet bestaand) „Comité voor de Internationale Stakingsbeweging" geteekend. Schril gekleurde platen moesten tot het hart der zeelieden spreken. Er werd gedoeld op groote stakerskampementen waar de zeelieden zich aan sport zouden wijden. Zoowel „der Seemann" (van de Duitsche organisatie) als de Centrale Raad der I. T. F. kwamen tegen de publicaties van het „Internationale Comité" op. Uit het verslag der voorjaarsconferentie (12, 13 en 14 Maart) te Antwerpen gehouden en uitgeschreven door de I. T. F., waar Denemarken, Engeland, Duitschland, Zweden, België, Noorwegen en Holland (ook de niet bij de I. T. F. aangesloten „Volharding" van Rotterdam) vertegenwoordigd waren, blijkt dat direct na de bespreking van November, Wilson zich in verbinding
78i
had gesteld met de afgevaardigden der landen, die voor een actieve beweging bleken te zijn, en zonder naar zijn meening in bevoegdheden van den Centralen Raad te treden, het bedoelde internationale comité had gevormd. Hij was hoopvol gestemd over de resultaten der zeeliedenactie en verwachtte de sympathiestaking der Engelsche havenwerkers.
De Duitsche zeeliedenbond heeft succes gehad met de verzoeken om loonsverhooging en om betere uitbetaling der overuren, aan de reeders gedaan. De verbeteringen zijn wel niet contractueel vastgelegd, doch van dien aard, dat er van een staking der Duitsche zeelieden geen
sprake zal zyn, al zal de fiond zoowel moreel als nnancieei steunen. /Zweden en Noorwegen maakten reserven ten opzichte der staking, wijl
wat het eerste land betreft de naweeën der uitsluiting zien nog doen gevoelen, en wat Noorwegen aangaat een wetsontwerp is ingediend, dat aan veel grieven der zeelui tegemoet komt. De Rotterdamsche Volharding zal overeenkomstig de beslissingen in November genomen, eischen bij de reeders indienen.
Het resultaat der besprekingen werd saamgevat in een eenstemmig aangenomen verklaring van den Centralen Raad, luidende :
„De besprekingen der conferentie van zeelieden van 12 en z? Maart ipu hebben tot resultaat gehad, dat aan een algemeene toepassing van een alle naties omvattende zeeliedenstaking momenteel niet kan worden gedacht. De conferentie geeft echter alle organisaties der zeelieden het recht, op zichzelf of gemeenschappelijk de maatregelen te nemen, die ze noodzakelijk achten, om hun eischen door te zetten. Daarbij is er echter op te letten, dat publicaties en verklaringen uitgaande van een eventueel te vormen comité geen twijfel laten, door wie het comité gevormd is en tn wiens opdracht het handelt. Het verstrekken van inlichtingen aan den Centralen Raad over alle maatregelen waartoe iedere organisatie verplicht is, wordt door deze verklaring op geen enkele wijze beperkt en moet nauwkeurig geschieden f
Het principe eener internationale staking verworpen, maar het optreden van het uit de verschillende landen saamgestelde comité gesanctionneerd en den steun ook van moderne vakorganisaties als de Duitsche zeeliedenbond, toegezegd. De Centrale Raad zich niet vijandig stellende tegenover de beweging, hoeveel er in opzet en voorbereiding mocht wezen, dat den voorzichtigen vakvereenigingsman van vrees zou kunnen vervullen. ' De voorstanders van de staking lieten er geen gras over groeien. Reeds den I4en Maart confereerden zij in Antwerpen over de nu te ; nemen maatregelen. Aanwezig bleken te zijn : De Sailors' and Firemen 'Union van Engeland (o.a. vertegenwoordigd door den scheepsprediker .Hopkins, die Havelock Wilson trouw ter zijde had gestaan bij zijn propaganda-arbeid), de Alg. Nederl. Zeeliedenbond, de Noorweegsche /en de Belgische zeelieden-organisatie, twee Deensche bonden en Zweden. '■ Tot voorzitter en eere-secretaris van het internationale comité werden resp. , Wilson en Hopkins benoemd. Vastgesteld wordt, dat als algemeene j eischen naar voren zullen worden geschoven de afschaffing der geneeskundige keuring door een dokter van den patroonsbond en verbetering . van logies aan boord. Op voorstel van Zweden (geen „syndicalist", die het voorstel deed) werd nog besloten, dat eventueele onderhandelingen in eenig land onmiddellijk zullen worden gestaakt op verzoek van het comité, als blijkt dat uit het land onderkruipers naar elders gezonden worden.
782
\^LTet°ZhbleVen °"ve,rZetteI^- Een intera^ionaal besluit - zoo istddee schenen .7 ^..^ °P de v™ elk land afzonderlek gestelde eischen m te gaan. Zy namen blijkbaar de dreigende stakW met ernstig en meenden hunnerzijds genoeg te doen door een n.Ll r-fS campagne tegen Havelock Wilson in J^oS^^S^S^ touw te zetten. In het buitenland werden de vffitï^ door de reedersvereenigingen onder de zeelieden gebracht maar de uitwerking scheen niet te wezen, zooals de reeders heThzddTn ZZcht Van welk gehalte deze strijdmiddelen der machtige transpor^ waren mag wel uit het volgende citaat blijken, dat wi^an eearS in het Duitsche reedersorgaan ,,Hansa" van 24 Juni ontleenen '
endat oudefi%%^S^t^^^iakt uit E« komt
gecompromitteerd persoon aan >t hoofd der sUkers.»"6^118 ^ Z°° d,kwijis En verder :
rvSrêg,"op touw heeft gezet ten e-de «s JSiSs^oiïssiffi
Den ien Mei viel de beslissing in een vergadering van het Zeelieden comitee waar ook de Duitsche Zeeliedenbond en de Centfale Raad der 1.1. F. vertegenwoordigd waren. Om twee redenen wees de Internationale Patroonsfederatie de verzoeningsraden af-
l . wijl de eisch was gesteld door onverantwoordelijke personen-
2. omdat er geen grieven bestonden, die een schikking noodig maakten op de wijze als was voorgesteld
Men besloot de patroonsorganisatie een ultimatum te stellen en te vragen hetzij directe onderhandeling met het internationale comitee of vleid lZde i)k\hehandeliaS ^r grieven, waarvoor dan de patroon vryhed moesten krijgen om eventueele concessies te doen Al het
vlttff'pr^'K^r udC Staking tC VermiJden- Niet onmogende Ia zehn/der0011?^ ^ hernieuwde schriJven °P * een bewijs%an aarzeling der arbeiders; zy wisten immers niet, dat onvoorwaardelijk 14 Juni Engeland, Antwerpen en Amsterdam benevens Denemarken n
omvZeZn° f)" gaan' alSr!°0r l5 Md gCen bevredigend antwoord was ontvangen. Opnieuw zei Duitschland zijn steun aan de stakers toe.
Op voorstel van Wilson zou het Comité van Actie in een stakingscomité worden omgezet, als het tot den strijd kwam en werd voor d t
var rif F1" fVn P',aatf ^ H°pkinS t0t Secretaris ben°emd Damm van de Engelsche zeelieden-organisatie.
patroon^ en De"e",arken kwam hf nog tot een schikking tusschen patroons en arbeiders, waarbij enkele niet onbelangrijke voordeelen moesten worden gekocht door een collectief contracf, voor 8 jaar af
783
te sluiten. De internationale patroonsbond antwoordde niet. En zoo brak 14 Juni de staking in Engeland, België en Amsterdam uit; ook in Rotterdam, waar de „Volharding", die los van het komité, „geheel zelfstandig" was opgetreden, denzelfden datum had uitgekozen voor het proclameeren van den strijd. Hoewel voor Amerika geen vertegenwoordiger in het stakingscomité zittting had, vond ook daar, op de Atlantische kust, de strijd navolging en brak bij verschillende kustvaartondernemingen de staking uit. De lang voorbereide beweging was een feit geworden, zij het dan in bescheidener vorm, dan zich de propagandisten hadden voorgesteld 1).
III.
Landen niet direct bij de stakingsbeweging betrokken, of waar het niet tot een staking kwam.
Duitschland. „In Duitschland, Frankrijk, Spanje, Italië, Denemarken, Noorwegen, Zweden, Rusland, ja zelfs in de Vereenigde Staten zijn tot dusver generlei storingen voorgekomen en deze zijn naar de omstandigheden te oordeelen ook nauwelijks te verwachten, als niet het onverwachte gebeuren zal en de engelsche staking door een nieuwe toegeeflijkheid der groote lijnen van Engeland met een algeheele overwinning
1) De lezer, die van het bovenstaande kennis nam, veile nu een oordeel over de apodiktische uitspraak van den redakteur der .,Vakbeweging", J. Oudegeest, in die kwaliteit voorlichter van het kader der moderne vakorganisatie, dat „op zeer onverantwoordelijke 'wijze" door „de internationale vertegenwoordigers" der zeelieden de belangen van deze categorie arbeiders in de waagschaal zouden zijn gesteld. Wie zijn die zondaren? De Centrale Raad der I. T. F., die door zijn steunbeweging de medeverantwoordelijkheid aanvaardde ? Of de Duitsche Zeeliedenbond? Of wel de organisaties die de staking proklameerden ? Het „bewijs" voor de stelling wordt geleverd door een persoonlijken aanval op den scheepsprediker Hopkins, welke kant noch wal raakt. Zoo lezen we onder meer schoons in het blad van 1 September:
„Toen het op vechten aankwam ging de geestelijke heer loopen. Hij stelde voor een afzonderlijk stakings-comité te benoemen met een eigen secretaris. Blijkbaar wilde deze geestelijke regisseur, nadat hij het stuk en scène gezet had, liever achter de coulissen naar het spel kijken. Zoodoende had hij dubbel voordeel van de geschiedenis. Tegenover de reeders kwam hij, de scheepsprediker, als man des vredes te staan, daar hij rmmers de laatste poging tot onderhandeling had gedaan, tegenover de zeelieden was hij de man, die de staking had bevorderd. De oude taktiek van de kerk: eenerzijds den pitroon en anderzijds de arbeiders zooveel mogelijk tot vriend te houden." Tot die mededeeling komt iemand, die met veel moeite achter de schermen kon kijken... en 't dus wel weten zal. In den persoon Hopkins moest de heele beweging ridicuul gemaakt en getroffen worden.
Wat lezen we echter in de „Justice" — het sociaaldemokratisch orgaan — van I Juli in een vergaderingsbericht van Cardiff?
„De stakende zeelieden en stokers hielden een mooie meeting in het Cathayspark j.1. Zondag. Kapitein Tupper, Vader Hopkins en anderen spraken een enthousiaste en sympathieke menigte toe." (Spatieering van ons, H. S.).
En daarna in „Justice" van 8 juli een overzicht van de staking te Southampton:
„Ik wil in het bijzonder melding maken van het prachtige werk gedurende den strijd gedaan door V a d er Hopkins en Mrs. Palmer, het socialistisch lid van de Board of Guardians."
Wat blijft daar over van de voorstelling. Hopkins, de vriend der reeders? Niet veel, en te groote ijver om de zaak der moderne vakbeweging te dienen speelde hier den criticus der internationale zeeliedenbeweging parten. Moge het geval den schrijver leeren bij bestrijding van andere opvattingen minder zijn kracht te zoeken in het aantasten van personen... vooral waar de kans daarbij groot blijkt te zijn zoo ver mis te slaan en zoo grof onrecht te plegen.
784
der zeelieden en havenwerkers eindigt. Dan zou natuurlijk er ook in de overige landen op gerekend moeten worden, dat de zeelieden met looneischen bij de reeders komen, wat bij niet-inwilliging waarschijnlijk stakingsbewegingen tot gevolg zou hebben." Zoo oordeelt de Duitsche „Arbeitgeber-Zeitung" van 2 Juli j.1. en dit blad kent terecht invloed toe aan groote loonbewegingen in een bepaald land op de arbeidsverhoudingen aldaar. Tegelijkertijd poogt het echter aan zijn lezers duidelijk te maken, dat de loonsverbeteringen in de Duitsche havens m het voorjaar ingevoerd, geheel „vrijwillig" door de reeders zijn gegeven. Los van den drang door de Duitsche zeelieden-organisaties op de patroons uitgeoefend, los ook van den invloed, dien de propaganda voor de internationale zeeliedenstaking m Engeland en eeni°-e andere landen op de heeren reeders had. Ook al hadden de patroons een maar zeer gering idee van den omvang, die de staking zou aannemen, toch zal bij het indienen der eischen, door den Duitschen zeeliedenbond gesteld, de overweging gegolden hebben, dat een aansluiting van de Duitsche zeelieden bij de stakingsbeweging moest worden voorkomen. Nadat in het najaar van 1910 te Stettin een verhooging der gage met 5 mark per maand was verkregen door een staking moest in Flensburg sterken drang op de reeders worden uitgeoefend ter verkrijging van een uurloon van 40 in plaats van 30 pfennio- voor overwerk. Te Hamburg, Bremen en Lübeck veranderden de vereenio-de reeders plotseling van houding, en zulks tegen de besluiten der Internationale Shipping Federation in. 1 Januari 1911 voerde de NoordDuitsche Lloyd een verhooging der gage in. Hamburg kwam tot een loonsverhooging van 3-7 Mark en een vaste vergoeding voor overwerk van 40 pfenmg; dit laatste geschiedde ook in Bremen, Bremershaven en Lubeck. De ingevoerde verhoogingen beliepen respectievelijk van 3—5, van 3—10 en 5 Mark. Aan al deze verbeteringen was een optreden der vakorganisatie voorafgegaan, ook al wordt van de daken verkondigd, dat de reeders de verbeteringen geheel ongedwongen toestonden. Direkt verkeer tusschen de transportkoningen en de organisaties bestaat met. De verhoogingen zijn dus niet contractueel vastgelegd, maar des ondanks is het verkregen succes niet onbelangrijk. Len 24000 zeelieden genieten er een loonsverhooging van 44 Mark per jaar door. Ook werd in Hamburg aan het verzoek der vakorganisatie gevolg gegeven om een commissie van onderzoek te benoemen, die een enquête zal instellen naar de praktijken, welke bij aanmonstering bestaan en naar de kost aan boord der schepen. Deze successen van de stille actie der Duitsche organisatie deden haar bestuur besluiten met deel te nemen aan de stakingsbeweging van het internationale zeehedencomité, een besluit dat ongetwijfeld de positie der Hollandsche stakers (zoowel in Rotterdam als in Amsterdam) als ook der Belgische belangrijk heeft verzwakt, daar nu zonder bezwaar de Duitsche onderkruipersbrigaden naar de Hollandsche en Belgische havens gezonden konden worden.
Denemarken. Terwijl de beide zeeliedenbonden op de conferenties te Antwerpen zich zonder eenig voorbehoud aan de zijde van Wilson plaatsten en zich voor de stakingsbeweging verklaarden, is het nog na 1 Mei tot een schikking tusschen de Deensche reeders en deze orga-
794
mingspartij, „politiek" in den goeden zin, voorzichtig en reëel geworden als prima industriewaarden. Zelfs Bebel, de vurige en onverzoenlijke, de vernietiger van het revisionisme bij zoovele gelegenheden en in zooveel glanzende ruiteraanvallen, tracht men een pluim op de muts te steken. En zien wij de reformistische pers, dan vinden wij daar, alleen luider en grover, een zelfde overwinningsgehuil. Van 13 a 14 leidende reformistische organen der Duitsche partijpers hebben wij de overzichten omtrent Jena II in hoofdzaken kunnen volgen in „Vorwarts" en „Leipziger Volksz." en een zelfde melodie klinkt daaruit op: de Marxisten •— hyperradicalen betitelt men in die kringen hun meest strijdbare elementen en ook anaicho-syndicalisten is een niet ongewone kwalificatie voor mannen en vrouwen als R. Luxemburg, C. Zetkin, Lensch, redacteur van de „Leipziger" en Henke van de „Bremer Biirgerzeitung, ja zelfs voor Ledebour, die nog-enkele maanden geleden in de zaak der ontwapeningskwestie scherp tegenover de „Leipziger Volksz." stond — zijn geslagen : gebleken is, hoe klein hun invloed op den Partijdag werkelijk is, de leiding der Duitsche partij is aan hun handen ontrukt en een nieuwe, groote meerderheid, waarin ook de Zuidduitschers zijn opgenomen, is eensklaps tot stand gekomen. Ja, welke consequenties sommige reformistische organen aan Jena II vastknoopen, kan misschien niet duidelijker blijken dan uit dit citaat, ontleend aan het persoverzicht van een Zuidduitsch orgaan, de „Volkswacht" te Freiburg i. Br., waarin W. E. o. a. schrijft:
In 't bizonder met betrekking tot de Marocco-kwestie was helderheid noodzakelijk. Verschillende uitingen van partijbladen en op vergaderingen werden door onze tegenstanders aangegrepen om er de geheele partij verantwoordelijk voor te maken. Gelijkberechtigdheid in Marocco voor Duitschland eischen wij: dat moest uitgesproken worden. Noodzakelijk was ook, dat het spook der algemeene werkstaking verjaagd werd. . . . Bebel verklaarde ook, dat wij niet tegen elke koloniale politiek zijn, doch tegen een politiek, bij welke de inboorlingen uitgebuit, geknecht of zelfs uitgeroeid worden. De houding der partij is, terwijl zij alle internationale verplichtingen nakomt, toch geenszins anti-nationaal. Daarmee kunnen de tegenstanders niet (meer) aankomen. . . .
En in de „Volkswtlle" te Hannover, eveneens een bekend revisionistisch orgaan, heet het o. a., nadat R. Luxemburg als „de booze geest der sociaaldemocratie" gequaüficeerd is: ten scherpste teruggewezen werden . . . „degenen, die met de sociaalrevolvtionnaire massa-actie een gevaarlijk spel dreven. De druk van den sociaalrevolutionnairen vleugel is opgeheven. De nieuwe taktiek, die de partij opgedrongen zou worden is in den Orkus geslingerd."
Welk een door Gods genade gelukkige wending voor de revisionisten,
795
in den tijd van één jaar. Te Maagdenburg de revisionisten verpletterd door het radikale blok onder aanvoering van dezelfde sociaalrevolutionnaire, booze geesten, die nu in den Orkus geslingerd zijn! En, wonderlijke verandering ook in 6 jaren na Jena. Toen de massa-staking aanvaard. Nu, na zes jaar van onophoudelijken groei en machtsaanwas der partij, na een toeneming van hare organisatorische kracht met meer dan 100 pCt. i), en in een tijdvak van sociaalrevolutionnaire beroeringen en bewegingen door heel Europa, tot in het conservatieve Engeland toe, diezelfde massastaking veroordeeld door denzelfden man, die haar toen inleidde! Ja, nog meer, het bovengeciteerde kleine Zuid-duitsche orgaan flapt 't er driest uit, maar anderen laten het tusschen de regels doorschemeren: de Duitsche sociaaldemocratie, die jaren geleden reeds het imperialisme en de koloniale politiek veroordeelde, — niet de uitwassen van die verschijnselen, maar het imperialisme en de koloniale politiek, — omdat zij het kapitalisme bestrijdt, waarvan deze beide legitieme zonen zijn, zou nu, blijkens Bebel's uitlatingen, beide hebben erkend en slechts in haar uitwassen bestrijden, het standpunt hebben aanvaard, dat Bernstein nog onlangs in het hoofdorgaan der Duitsche Partij zonder tegenspraak mocht ontwikkelen, dat de arbeidersklasse ook wel belang heeft bij een expansie van het Duitsche kapitalisme naar Marocco en elders!
Deze en dergelijke uitingen van de reformistische pers te citeeren is voldoende om aan te toonen, dat ook bij haar, evenals bij de burgerlijke democratische organen de wensch in dezen weer eens de vader van de gedachte is geweest en dezelfde oppervlakkigheid bij de beoordeeling der verschijnselen wordt aangetroffen als bij de burgerlijke collega's. Niet verwonderlijk trouwens, waar het revisionisme slechts leeft uit en bestaat door eenzijdige, oppervlakkige waarneming der maatschappelijke verschijnselen.
Draagt dus de beoordeeling van het jongste congres te Jena dooide burgerlijke en de revisionistische pers het stigma der onwaarachtigheid te duidelijk, moeilijker wordt het, het ware karakter van dezen partijdag vast te stellen, wanneer wij zien, dat ook het oordeel der Marxistische organen vrij aanmerkelijk uiteenloopt. Trouwens: hoe zou dit anders mogelijk zijn, waar wij weten, dat Jena II zich, zooals nog nooit te voren op een partijdag 't geval was geweest, gekenmerkt heeft niet door een botsing tusschen reformisten en radicalen, maar tusschen de radicalen onderling? Bewijst dit, in de geschiedenis der Duitsche partijdagen, volkomen nieuwe feit, niet reeds, dat Jena II in de ge-
ij Iltt ledental der Duitsche partij bedroeg in igoó, het eerste jaar, waarvoor na de herziening der organisatie op het congres van 1905, algemeene gegevens beschikbaar zijn: 384.327, nu, blijkens het laatste verslag 836,562.
796
schiedenis der Duitsche en dientengevolge van de internationale sociaaldemocratie waarschijnlijk blijken zal, een der allergewichtigste congressen te zijn geweest, een nieuw tijdvak in de ontwikkeling der partij ingeleid te hebben?
De heftige botsing tusschen de radicalen onderling, zeiden wij, kenmerkte dit congres. Dat het tot een botsing moest komen, stond na hetgeen aan den Partijdag voorafgegaan was vast. Wij behoeven slechts te herinneren aan de meeningsverschillen tusschen Marxisten, zooals die reeds het vorige jaar en in versterkte mate dit jaar aan den dag waren getreden, waarvan ook in dit tijdschrift eenige malen 't een en ander is gezegd. De kwestie der taktiek, te volgen in den strijd tegen het Pruisische drieklassenkiesrecht, de vraag omtrent de strijdwijze bij de a.s. Rijksdagverkiezingen, en vooral die van de mogelijkheid tot beperking der krijgstoerustingen hadden personen en organen der meerderheid in de Duitsche Partij herhaaldelijk reeds tegenover elkander gesteld. Daarbij kwam enkele maanden voor dezen Partijdag de houding door het Partijbestuur ingenomen ten opzichte van de Marocco-crisis en de internationale politiek, een houding, die publiek werd gemaakt door de daarop door R. Luxemburg uitgeoefende kritiek met wat zich daaraan vastknoopte. Na dit alles was het onmogelijk, een botsing te ontgaan. De radicale pers is éénstemmig, mag men zeggen, van oordeel, dat de houding van het P. B. in zake de jongste Marocco-crisis afkeuring verdiende. De partijbladen te Hamburg, Braunschweig, Stettin, Königsberg, Bremen, de „Markische Volksstimme", de bladen van Elberfeld, Solingen, Erfurt, Gotha, Frankfurt, Halle moesten met de Leipziger vooraan na den partijdag constateeren, dat er inzake het optreden tegen het imperialisme een betreurenswaardig gemis aan initiatief bij de hoogste leiding der Duitsche Partij gedurende een volle maand (Juli) te constateeren viel; ja zelfs in de ,,Neue Zeit" schreef Kautsky (No. 49 van 8 September:
„Talrijker dan de kritieken op hetgeen het gedaan heeft, zullen de aanmerkingen zijn, op wat het P. B. niet gedaan heeft. Het afgeloopen jaar bood menige gelegenheid tot groote partijacties en agitatie, die 'tzij verzuimd of niet genoegzaam of te laat aangegrepen is."
Of het aangaat het P. B. van schuld voor dit gemis aan initiatief en dit verzuimen van de gelegenheid om partijacties enz. tijdig te beginnen vrij te pleiten door te wijzen op zijn onvoltalligheid en overlading met werk, is zeker sterk te betwijfelen. Immers: uit den door R. Luxemburg in de „Leipziger Volksz." gepubliceerden brief van een lid van het Duitsche P. B., Molkenbuhr, aan het I. B., welke brief later als een private meeningsuiting is gequalificeerd — wat natuurlijk aan zijn beteekenis niets wijzigt — bleek, dat althans verschillende invloedrijke
797
leden van dit lichaam de Marocco-crisis en het imperialisme opzettelijk, met het oog op de komende Rijksdagverkiezingen, niet te zeer op den voorgrond wenschten gesteld te zien.
Bij deze leden — en waarschijnlijk bij het geheele college — was het dus in Juli, onmiddellijk nadat de Duitsche kanonneerboot naar Agadier was gezonden, niet overlading met werk of iets dergelijks maar gemis aan inzicht in de beteekenis van hetgeen zich op het gebied der buitenlandsche politiek voltrok, waardoor de gelegenheid om een actie tegen het imperialisme internationaal en nationaal op touw te zetten, een volle maand en meer werd verzuimd.
Kritiek op deze handelwijze of liever op dit gebrek aan optreden van de opperste leiding der Partij moest dus op den Partijdag plaats vinden. Dat die kritiek van radicale zijde moest komen sprak ook vanzelf, aangezien de revisionisten, althans de consequenten, van het imperialisme en de koloniale politiek op zichzelf in 't geheel niet afkeerig zijn, doch slechts de uitwassen daarvan veroordeelen. De Marxistische kritiek moest zich dus richten tegen het radicale partijbestuur en, wanneer wij de beteekenis van dezen partijdag na willen gaan, dan moeten wij hierop vooral letten, dat zich in deze kritiek — afgezien van haar onmiddellijke gevolgen — de verandering in den inwendigen toestand der Duitsche Partij zoowel als in de omstandigheden, waaronder zij heeft te strijden, weerspiegelt.
Jena I stond onder den invloed der Russische Revolutie, die na de nog min of meer gebrekkige en betrekkelijk onbeteekende massastakingen in andere landen (België, Italië, Zweden, Nederland, Spanje) voor 't eerst heel de geweldige wereldschokkende kracht toonde, die het wapen der massastaking in de handen der arbeidersklasse, zelfs van een industrieel nog zoo weinig aaneengesloten land als Rusland kon uitoefenen. Maar hetzelfde jaar 1905 toonde tevens voor de eerste maal sinds lange jaren aan West-Europa zelf de gevolgen van een wereldpolitiek, die de kapitalistische expansie over heel de wereld sinds, laat ons zeggen, het einde der 90er jaren van de 19e eeuw tengevolge begon te hebben. Nog donderde als 't ware in de verte de echo van het kanon, waardoor de ondergang van de Russische hoop op de suprematie te land en ter zee in Noordelijk Oost-Azië en den Noordelijken Grooten Oceaan, was bezegeld, de echo van Tsoe-sjima, of Europa zelf voelde aan den lijve, dat het oorlogsgevaar, waarover de Europeesche burger en de Europeesche arbeider in de laatste jaren in de kranten zooveel interessants had gelezen — sinds 1895, den JapanschChineeschen oorlog toch had het moderne geschut nauwelijks korte poozen gerust — ook voor de middenpunten van het kapitalisme niet meer een schouwspel, maar een vreeselijke werkelijkheid was geworden, waarmee men voortaan rekening zou moeten houden. De verschuiving
50*
793
van het evenwicht in den Grooten Oceaan bracht onmiddellijk na den val van Port Arthur, vóór de definitieve vernietiging van Rusland's vloot dus, reeds een verschuiving der machtsverhoudingen in het nabije Oosten en in Europa zelf mede. De zaken van het Uiterste Oosten wijzigden zich, maar dit ging niet, zonder dat ook de zaken van het Oosten, de Oostersche Kwestie een ander aanzien kreeg. In 1904 hadden Engeland eu Frankrijk de overeenkomst gesloten, waarbij zij hun koloniale geschillen afwikkelden. Engeland legde de hand op Egypte, den toegang tot Indië; Frankrijk verwierf de vrijheid om zijn Noord-Afrikaansch Rijk aan te vullen met Marocco. De verzwakking van Rusland, Frankrijk's militairen bondgenoot te land had in 't voorjaar van 1905 tengevolge, dat het Duitsche imperialisme een schrede voorwaarts deed in de richting, die het als zijn toekomstige en speciale expansiesfeer beschowde : Aziatisch Turkije en de daad, die Europa het begin dezer actie kenbaar maakte, was Wilhelm's rede te Tandzjer in Maart. 1905, waarbij hij Marocco zijn keizerlijken steun toezegde. Oogenblikkelijk maakte zich met die daad de spanning, door de machtsverschuiving in Oost-Azië aan de overige lagen der politieke atmosfeer meegedeeld, aan heel Europa merkbaar. Frankrijk, op het vasteland geïsoleerd door Rusland's militaire machteloosheid, zag zich genoodzaakt de bruskeering door Duitschland gelaten te ondergaan. De conferentie van Algeciras kwam, ter meerdere verwarring van het groote publiek, bijeen, maar van dat oogenblik af was het duidelijk, dat het imperialisme, welks politieke gevolgen zich tot nog toe beperkt hadden tot de randen der beschaafde wereld, de Europeesche kapitaalsmachten met een even groote onvermijdelijkheid naar een wereldbotsing voerde, die ook in Europa uitgevochten zou moeten worden, als, op oneindig kleiner schaal, de koloniale rivaliteit tusschen Engeland en Frankrijk in de 18e eeuw, zoowel op de Europeesche slagvelden als in de Indische zeeën, zoowel aan den Ganges als aan de Mississippi beslist was. Van het jaar 1905 af week ook het oorlogsvaar nog slechts bij korte tusschenpoozen, telkens als een onweer, dat zich eiken dag zwaarder en zwaarder aan den horizon oppakt na 's nachts geweken te zijn, weer opschuivend. Heel den winter van 1908 — 09 was het niet van de lucht, nadat de Turksche revolutie in Juli als een bliksemstraal uit helderen hemel neergedaald was en 1911 bracht wat ons allen nog versch in 't geheugen licht. 1)
Opmerkelijk is nu evenwel, dat Jena I, zoo duidelijk als het den invloed der Russische revolutie vertoont, zoo weinig van een inwerking der gebeurtenissen op het gebied der Europeesche en wereldpolitiek laat bespeuren. De resolutie omtrent de massa;staking keerde, vooral
1) Dit artikel was geschreven, toen de aanval van Italië op het Turksche Rijk, onmiddellijk gevolg van de Marocco-crisis en oneindig ernstiger van beteekenis dan dit spiegelgevecht, heel de wereld duidelijk kwam maken, waarom het sinds 1905 feitelijk gaat.
799
als men Bebel's referaat erbij in aanmerking neemt, haar spits geenszins tegen het imperialisme en de dreigende gevaren, die dit, ook reeds blijkens de gebeurtenissen van het jaar 1905, voor het proletariaat meebracht, maar tegen één speciaal geval van binnenlandsche politiek: de mogelijkheid, dat de heerschende klassen, indien de sociaaldemocratie te machtig werd, de hand zouden slaan aan het bestaande, hoezeer reeds zoo ongelijke, kiesrecht voor den Rijksdag. In dat geval, betoogde Bebel, behoorde het Duitsche proletariaat voor geen middel terug te deinzen om zich tegen dezen aanslag op het fundament van al zijn overige politieke rechten te verzetten. M. a. w. de groote meerderheid der Duitsche partij was zich in 1905 van het reeds zoo nabije gevaar door de imperialistische ontwikkeling nog nauwelijks bewust. Dat het imperialisme met al zijn gevolgen reeds toen de buitenlandsche politiek volkomen beheerschte, dat werd wel erkend en was wel bekend. Maar dat het imperialisme reeds toen in toenemende mate de geheele politiek, ook de binnenlandsche, niet alleen overschaduwde, maar geheel vormde, dat al de politieke verschijnselen, die Bebel in zijn referaat toen met zijn gewone grondigheid en uit den onuitputtelijken rijkdom van zijn ondervinding blootlegde, in laatste instantie slechts een gevolg waren van het imperialisme, daarvan zal men in Bebel's rede op den partijdag te Jena I nauwelijks een spoor vinden. En evenzeer ontbreekt daar het diepe besef, dat Europa onvermijdelijk door de kapitalistische expansie een katastrophe tegemoet snelt, die alle bestaande verhoudingen belooft omver te werpen en het proletariaat eenklaps voor de noodzakelijkheid kan plaatsen de politieke macht in handen te nemen of heel de beschaving en zichzelf ten onder te zien gaan.
Vergelijken wij nu Jena II met Jena I dan zien wij meteen, door allen schijn en over alle persoonlijke wrijvingen en onbeteekende uiterlijkheden heen, den weg, dien de Duitsche partij wat betreft haar voorhoede vooral, in 6 jaar heeft afgelegd.
Die weg is niet meer of minder dan deze, dat het besef omtrent de beteekenis van het imperialisme, hetwelk in 1905 nog zoo goed als afwezig was, nu de debatten op dezen partijdag reeds volkomen beheerschte, niettenenstaande de voor een discussie ongunstige omstandigheden. De ongunstige omstandigheden bestonden natuurlijk vooral in het feit, dat deze partijdag aan de Rijksdagsverkiezingen voorafging — hetgeen sinds 1902 (München) niet meer het geval was geweest — en dus noodzakelijkerwijze in sterke mate onder den invloed van die verkiezingen stond. Dit beteekende, dat in breede kringen der partij, maar vooral bij de leidende corporaties, de wensch om de eenheid der partij met het oog op de verkiezingen te demonstreeren, al het andere moest overwegen. Bebel b.v. heeft zich uit dien hoofde met al de vurigheid van zijn temperament en heel den geweldigen moreelen invloed, waarover
8oo
hij natuurlijk in de Partij beschikt, tegen de kritiek op het P. B. gekeerd, een kritiek, waarvan hij zelf erkende, dat ze rechtvaardig was en dat hij ze scherper zou hebben kunnen uitoefenen, indien hij geen deel van de opperste leiding uitgemaakt had.
Maar ook in Bebel's redevoeringen — hij gaf weer als in zijn beste dagen aan dit congres om zoo te zeggen zijn cachet — waaruit als gewoonlijk de gemiddelde, overheerschende opvatting der Duitsche partij klaar te voorschijn trad — is er een belangrijke wijziging sinds Jena I te bespeuren. De revisionisten hebben op sommige oogenblikken Bebel toegejuicht, enkele malen zelfs genoot hij zoo goed als uitsluitend hnn applaus, maar wat bewijst dit anders dan dat hun politieke sluwheid van 't geringste allooi is ? Bebel immers begon met zoo scherp mogelijk alle illusies, waarop de reformistische politiek gebouwd is, omtrent de mogelijkheid eener vreedzame ontwikkeling in de richting der democratiseering van Duitschlands staatsinstellingen, te vernietigen 1 Hij zeide o. a. in zijn openingsrede :
De dagorde staat wat beteekenis betreft niet ten achter bij die van 1905. Door het verloop dat de Maroccocrisis genomen heeft, speciaal door Engeland's ingrijpen, heeft de geheele Europeesche situatie een geheel ander aangezicht gekregen. Met één slag is een heele reeks gedachten en plannen, die nog voor enkele maanden ook ons als partij in den Rijksdag bezig hielden, als 't ware weggeblazen. De kwestie der vermindering van de krijgstoerustingen en wat daarmee samenhangt, zal ons in 't vervolg niet meer scheiden. Die is op zij geschoven. Voortaan gaat het in Europa niet meer om vermindering der krijgstoerustingen, maar om vermeerdering te water en te land 1) en wij gaan een toestand tegemoet, die naar mijn overtuiging nog slechts met een groote katastrofe eindigen kan en moet (beweging).
Het antwoord op de gebeurtenissen in Engeland was de rede van den Keizer te Hamburg, waarin hij zeide, dat hij de Hamburgers één van gedachte gelooft, wat betreft den eisch, dat de Duitsche toerustingen ter zee verder doorgevoerd moesten worden. De Hamburgsche bourgeoisie was wel de allerlaatste in Duitschland, die voor het groote vlootplan in geestdrift geraakt is. Wie de stemming in de jaren '90 en in den aanvang nog van deze eeuw in Hamburg goed gadegeslagen heeft, kon daar toen niets van geestdrift merken, wijl de groote exporteurs en bankiers daar van meening zijn, wanneer het tot een botsing komt, hebben wij de eerste kosten te dragen (zeer juist).
Dat wij een nieuw vlootontwerp krijgen, staat voor mij ontwijfelbaar vast. Partijgenooten, herinnert u, dat ik in het voorjaar van 1899, nadat in den herfst van 1898 het eerste groote vlootontwerp aangenomen was, in den Rijksdag den staatssecretaris von Tirpitzstra
1) De kernachtige Duitsche zegswijze: nicht abrüstung, sondern aufrüstung, kunnen wij jammer genoeg niet in onze taal weergeven.
8oi
uitnoodigde te antwoorden, of het waar was, dat een nieuw groot vlootplan in uitzicht stond. Eindelijk werd hij in de begrootingscommissie door het Centrum gedwongen tot spreken en toen verklaarde hij, dat hij er in 't geheel niet aan dacht. En zeven maanden later was het plan er!
En toen bij de laatste algemeene verkiezingen het voor ieder, die denken kan, zeker was, dat den nieuwen Hottentotten-Rijksdag geweldige belastingvoorstellen gedaan zouden worden, was de officieuze Norddeutsche A. Z. drie dagen voor de verkiezing toen niemand haar meer antwoorden kon, zoo driest om te verklaren, dat de verbonden regeeringen in 't geheel niet aan een belastingontwerp dachten ! De officieuse bladen kunnen gemakkelijk iets loochenen; daar staat tegenover, dat zij ook juist over de belangrijkste aangelegenheden geen verheldering brengen. Ook nu zal men weder ontkennen, trots alle agitatie voor de vloot. En toch, zoo zeker als tweemaal vier is, komt het ontwerp. Tegelijkertijd echter krijgen wij weer nieuwe belas'tingontwerpen, Want ondanks de 450 millioen nieuwe belastingen, zijn de middelen weer niet voldoende, om de komende grootere kosten te dekken.
En Bebel liet hierop het beeld van den komenden hongersnood volgen en wees er op, dat de duurte ook een niet meer verdwijnend verschijnsel zal blijken.
Indien de reformisten deze opvattingen van Bebel toejuichen, dan veroordeelen zij daarmee niet alleen hun daden maar zelfs hun woorden, want deze opvatting der inwendige politieke ontwikkeling onder directen moreelen invloed van het imperialisme, kunnen zij nooit met genoeg minachting van de hand wijzen in hun officiëele en officieuse organen, de „Monatshefte" en de hun ten dienste staande reformistische dagbladpers. En de „Bremer Bürgerz." slaat den spijker op den kop, wanneer zij schrijft:
Bebel vernietigde de voor vele lieden zoo schoone illusie van de mogelijkheid der vermindering der krijgstoerustingen in het tijdvak van het imperialisme. Het militarisme van Pruisische afkomst is een begeleidingsverschijnsel van het kapitalisme: aan te nemen, dat dit op de meest vertwijfelde wijze zich zou kunnen inspannen voor zijn behoud en expansie, zonder tegelijkertijd het toerusten om 't hardst der groote naties ten gevolge te hebben, is even utopisch als het kortzichtig is niet in te zien dat eigenlijk dit toerusten om 't hardst alleen reeds elke gedachte aan den wereldvrede door scheidsgerechten geheel zou dienen te vernietigen. Het parlementarisme, welks beteekenis voor den bevrijdingsstrijd der arbeiders wij nooit ontkend hebben of ontkennen kunnen heeft namelijk ook zijn twee zijden. Het kan onzen strijd zeer nuttig zijn; er mag echter ook nooit vergeten worden, hoezeer en waardoor het ons ook schaden kan. Het bij den een meer bij den anderen minder diep gewortelde geloof aan de mogelijkheid eener geleidelijke ontwapening gedurende een stormachtige ontwikkelingsperiode van het kapitalisme, kunnen wij slechts opvatten als een zeer bedenkelijk uitvloeisel van het parle-
802
mentarisme. Toen de ruwe werkelijkheid door Bebel's mond de als een zeepbel in 't zonlicht glinsterende illusie weer eens vernielde, werden wederom die kringen in de partij in 't gelijk gesteld, die van den revisionistischen kant vlijtiglijk als een „klein groepje" krakeelzoekers aangeduid worden. Wij begrijpen volkomen de ergernis van degenen, die liever zouden zien, dat de „maden in 't spek", zooals een blad uit Leipzig de paar dozijn doctors en andere artikelschrijvers, die in het partijdagnummer der „Monatshefte" rumoer maakten, gelijk hadden gekregen. En zoo raakt 't ons ook heel weinig, wanneer wij in de revisionistische pers als anarcho-socialisten gedenonceerd worden.
Zooals Bebel's openingsrede, zoo stonden de debatten over het verslag van het P. B. geheel onder den directen invloed van de imperialistische ontwikkeling en men laat zich door den schijn en toevalligheden misleiden, wanneer men niet uit deze debatten opmerkt, dat de richting, die consequent de partijpolitiek aan den strijd tegen het imperialisme wil aanpassen, inderdaad reeds de overheerschende is.
Is hier nu in tegenspraak mee, dat de reformisten in den verderen loop der discussies — inzonderheid bij de stemming over de door Bebel voorgestelde resolutie in zake de Marocco-politiek een overwinninkje konden boekstaven? Bebel's referaat over de Marocco-crisis stond, natuurlijk mogen wij wel zeggen, niet op de hoogte van den toestand. Te kort pas begint men zich in de Duitsche Partij met kwesties van internationale politiek bezig te houden; te weinig zijn de geesten op dat gebied nog tot overeenstemming gekomen, te zeer ontbreekt in de breede kringen der partij de kennis, noodig voor een eenigszins zelfstandig oordeel, dan dat men verwachten kon, dat Bebel in zijn betrekkelijk kort referaat de jongste Marocco-crisis zou kunnen plaatsen in het kader der wereldpolitieke verhoudingen in 't algemeen en van de Duitsche imperialistische politiek der laatste twintig jaar vooral. Te ontkennen valt ook niet, dat Bebel's referaat op enkele plaatsen de revisionistische gedachte, dat de arbeidersklasse in zekeren zin geïnteresseerd zou zijn bij de vrije ontplooiing van Duitschland's handel en industrie in niet-kapitalistische landen — in dit geval Marocco — concessies schijnt te doen. En ten slotte was het wellicht niet zeer tactisch ten opzichte van de buitenlandsche arbeidersbewegingen om, naast de uitstekende schildering der gevolgen van een oorlog, zoo sterk den nadruk te leggen op de onmogelijkheid van een massastaking, wanneer de oorlog eenmaal uitgebroken zou zijn. Immers: het gaat hier meer om een woord dan om een werkelijkheid. Bebel toonde zelf aan, dat een oorlog een ontzaglijke staking, stagnatie van den arbeid ten gevolge zou hebben, honderdduizenden arbeiders op de straat zou werpen, wat inderdaad met de gevolgen van een massale werkstaking overeen zou komen. Erger echter was het, dat, door een toevallig verzuim, eenige amendementen op de onvolledige resolutie van
8o3
het P. B. ingediend door de linkerzijde, G. Hoch, R. Luxemburg en C. Zetkin, niet door de meerderheid werden aanvaard. De revisionisten verzetten zich, bij monde van David, tegen een debat over die amendementen; het P. B. achtte ze niet noodzakelijk, al erkende het, dat ze juist waren en zoo werden ze verworpen door een meerderheid, die uit radicalen en revisionisten beide bestond. De zucht om de eenstemmigheid tot eiken prijs in zake de Marocco-crisis en met het oog op de naderende Rijksdagsverkiezingen te demonstreeren, speelde hierbij een deel der radicalen evenzeer parten als hetzelfde gemis aan besef omtrent de noodzakelijkheid zoo principieel mogelijk tegen elke vorm van koloniale politiek op te treden, de Duitsche delegatie op het Internationaal Congres van 1907 reeds parten speelde. Zoo valt 't niet te ontkennen, dat de revisionisten hier een overwinning behaalden, dank zij hun slimme taktiek om het P. B. en Bebel door dik en dun te steunen tegen de linkerzijde. Een overwinninkje, voor hen des te waardevoller, daar juist de amendementen op besliste wijze eiken vorm van koloniale politiek en van imperialisme afwezen.
Hiertegenover staat echter weer dat de revisionisten in zake den Würtembergschen partijstrijd — waar, dank zij het terroristisch optreden der meerderheid van de Würtembergsche landelijke organisatie tegen de radicale minderheid, die echter de sterkste proletarische organisatie vormt, in Stuttgart, de partijverhoudingen tot brekens toe gespannen zijn — een beslissende nederlaag leden, evenzeer als met hun pogingen om tegenover de candidatuur van den bekenden linker-radicalen Haase een revisionistische te plaatsen voor tweeden voorzitter der partij.
Het verschijnsel dat de radicale meerderheid, die op het gebied der binnenlandsche politiek het revisionisme scherp terug wijst, op het gebied der buitenlandsche voor een groot deel nog bezig is zich te ontwikkelen, komt in deze beide schijnbaar tegenstrijdige stemmingen tot uiting.
Het feit, dat over Bebel's referaat betreffende de Rijksdagsverkiezingen geen discussie van beteekenis plaats vond, teekent meer dan iets anders de scherpte der klassetegenstellingen in het Duitsche Rijk, waardoor de vraag van de taktiek aan beteekenis verliest. Het voorstel om van burgerlijke candidaten als prijs voor den steun der Partij bij de herstemmingen waarborgen te eischen, dat zij niet te vinden zullen zijn voor zekere verslechteringen van de bestaande politieke rechten, vóór alles dus van het bestaande algemeene, zij 't ook nog zoo ongelijke kiesrecht voor den Rijksdag, stuitte op geen verzet omdat het 't eenig nog mogelijke is. Bebel wees er terecht op, dat een geweldige toeneming der sociaaldemocratische stemmen bij alle burgerlijke groepen en partijen den afkeer van het algemeene kiesrecht zal doen toenemen, zoodat 't een noodzakelijkheid is de burgerlijke candidaten door een
804
vaste belofte als 't ware te verzekeren tegen de reactionnaire zuiging onder de burgerlijke kiezers. Illusies omtrent de mogelijkheid belangrijke fracties der burgerlijke partijen nog voort te drijven op den weg naar democratische of sociale hervormingen kwamen officieel op den partijdag niet meer tot uiting. Ook al een revisionistische bescheidenheid, die wij niet mogen nalaten te onderstreepen.
Vermelden wij ten slotte nog, dat het door de kritiek en den aandrang der radicalen is geweest, dat een commissie tot herziening van de samenstelling der opperleiding van de partij is benoemd, nadat gebleken was, hoeveel de leiding in 't laatste jaar te wenschen had overgelaten, dan is daarmee de jongste partijdag der Duitsche sociaaldemocratie, meenen wij, genoegzaam gekarakteriseerd.
Meer dan een van zijn voorgangers stond hij onder den invloed van 't imperalisme en zelfs het feit, dat de Rijksdagsverkiezingen den hoofdschotel van de debatten hadden moeten vormen, kon niet verhinderen, dat 't inderdaad de internationale tegenstelling der kapitaalsmachten en het dreigende gevaar van een botsing tusschen die machten was, welke voor 't eerst het debat beheerschte.
Overzicht der tijdschriften.
In de Juli-aflevering van DER KAMPF wijdt Fried. Ausierlitz een beschouwing aan den afloop der laatste verkiezingen in Oostenrijk. Hij wijst er op, hoe, onder leiding van den minister-president v. Bienerth, de regeering zich ontpopte als absolute partijregeering, en zich niet ontzag het verkiezingsfonds van de anti-sociaaldemocratische Liga te spekken met regeeringsgelden Op verspreiders onzer geschriften werden gendarmen losgelaten. Gemeentelijke autoriteiten zonden den kiezers ingevulde stembiljetten toe. Tegen den ongepasten invloed van werkgevers, op hun kiesgerechtigde arbeiders, werd geen vinger uitgestoken. In het kort, alles wat de regeering doen kon, om onzen tegenstanders van dienst te zijn en onze actie te schaden, heeft zij rechtschapen gedaan. Zij heeft aldus de kieswet aan hare laars gelapt en niet geschroomd alle chauvinistische gevoelens bij de kiezers wakker te roepen tegen de „Internationale". Weliswaar gaf de uitslag te Weenen haar een streep door de rekening, maar overigens heeft zij „naar" het getal" succes gehad. De s. d critiek, die zich, onafhankelijk van getalsterkte in het parlement, toch zal doen hooren, kan zij echter niet onderdrukken, en het zal ook in Oostenrijk de taak onzer partij zijn, te zorgen voor de normale ontwikkeling van alle nationale krachten, waar zonder geen werkelijke vooruitgang denkbaar is.
Over de regeeringsnederlagen bij de verkiezingen te Weenen, schrijft Karl Renner. Hij noemt deze: het bankroet van het kleinburgerlijk socialisme. Inderdaad was hier sprake van een geweldige catastrophe in de eigenlijke Oostenrijksche-Habsburgsche staatspartij, die voor de arbeidersklasse van groote beteekenis is.
In breede lijnen schetst Renner de ontwikkeling van landbouw en industrie en toont daaruit aan, hoe deze, noodwendig, de val der verouderde idéologie: het christelijk socialisme, tot gevolg moest hebben.
Ook Josef Seliger pleit over de verkiezingen na. Hij komt tot de conclusie, dat de burgerlijke pers systematisch het werk der partijgenooten in het parlement heeft doodgezwegen, en met succes, omdat de verspreiding onzer eigen pers zeer veel te wenschen overliet. Hij geeft een aantal middelen ter overweging die in dit euvel verbetering kunnen brengen.
Otto Bauer, de auteur van het bekende boek over het nationaliteiten-vraagstuk, biedt ons een kijk op de jongste oneenigheden in de gelederen der Oostenrijksche sociaal-democratie, tot uitbarsting gekomen midden in den verkiezingstijd, te betreurenswaardiger, omdat daardoor koren op den molen der burgerlijke partijen werd gedragen.
15 Mei iqii had te Brünn de constitueerende vergadering plaats van de nieuwe tschechische S. D. A. P. De stichting dezer partij, bestaande uit afgescheidenen der tschechoslavische S. D. A. P., vond haar grond in den strijd in
8o6
de vakbeweging, tusschen Centralisten en Separatisten. Deze strijd werd voortgezet in de partij, totdat de partijleiding in de provincie Mahren overging tot het royement van de leiders der Centralisten en van gansche afdeelingen waarin de Centralisten de meerderheid vormden. Deze stichtten nieuwe organisaties, gesteund door de Centralisten uit de andere provincies, die in groot aantal tot de nieuwe partij toetraden, omdat zij de hoop opgegeven hadden, onder de nieuwe omstandigheden, nog rnet kans op succes te kunnen optreden tegen het separatisme der oude partij. Echter sloten niet alle Centralisten zich bij de nieuwe partij aan, zoodat de twist, tusschen de beide genoemde groepen, doorkruist werd door de oneenigheid tusschen de Centralisten onderling.
Behalve in Bohemen, waar zij zich te zwak achtte tot het stellen van candidaten, nam de nieuwe partij onmiddelijk overal aan de verkiezingen deel. Het heftigst werd de strijd tegen de oude partij gevoerd in Mahren en Silezië. De resultaten bleven echter ver beneden de verwachting der Centralisten. De oude partij wist haar aantal mandaten in Mahren te doen stijgen van 5 op 11, een succes, dat zij weliswaar dankte aan een compromis met de liberalen, doch waardoor de kansen op bijlegging der geschillen des te slechter zijn geworden.
In groote trekken is de toestand in de Oostenrijksche partij als volgt: vanaf het Hainfelder Congres in 1897, tot het jaar 1905, was er een federatief verband, gevormd door zes nationale partij-organisaties. Van deze eenheid is thans niets meer te bekennen. Wèl zijn er duitsche, tschechoslavische, tschechische, poolsche, rutheensche, zuidslavische en italiaansche s. d.-partijen, welker leden elkaar meermalen met bittere vijandschap bestrijden.
Toch acht Bauer de toestand niet hopeloos, indien aan de geschillen in de vakbeweging een eind kan worden gemaakt. Hij meent dat dit slechts kan geschieden, indien iedere natie een eigen territoir van propaganda worde aangewezen en de aldaar bestaande vakvereenigingen van andere nationaliteit worden opgeheven. Aldus zou men op den duur toch tot de vurig begeerde centralisatie geraken, en breken met de versnippering der vakvereenigingen in allerlei kleine, elkaar bestokende, groepjes, over het gansche land.
Zoolang echter de huidige twisten voortduren, mag de Internationale geen stelling kiezen tegen één der vele groepen sociaaldemocraten, die, ieder op eigen wijze, meenen het best den klassenstrijd te voeren. —
Dit standpunt is vooral merkwaardig, omdat Bauer, in zijn genoemd werk, zeer sterk heeft aangedrongen op een federatief partijverband, waarvan de beslissingen omtrent verkiezingen, demonstraties, enz., bindend zouden zijn voor de partijgenooten van iedere nationaliteit. —
Louis de Brouckere bespreekt de positie der clericalen in België, in verband met de economische macht der talrijke kloosters.
Bij de laatste groote verkiezingen in België werden uitgebracht door de Oppositie (socialisten, liberalen, enz.) . . . 1.240.830 stemmen
Regeeringsclericalen 1.194 620 „
Katholieke dissidenten 30.298 „
Kiezers zonder politieke beteekenis .... 9-747 „
Neemt men hierbij in aanmerking: ie. dat het aantal uitgebrachte stemmen, vooral in de katholieke plattelandsdistricten, tengevolge van het bestaande meervoudige stemrecht, grooter is dan het aantal kiezers; 2e. dat door de evenredige vertegenwoordiging de z.g. „overschotten" te beschouwen zijn als verloren stemmen, en het totaal dezer „overschotten" der regeeringsstemmen geringer is dan bij de andere partijen, omdat de clericalen als één gesloten massa strijden, — dan mag men op grond van verschillende berekeningen aannemen, dat de regeering niet meer de onbetwistbare meerderheid der kiezers
807
in het land achter zich heeft. Tot dusverre was dat anders, niet omdat het beDische volk meer kerksch was dan tegenwoordig, doch omdat de kerk handen spandiensten bewees aan de industriemagnaten, tegen het proletariaat, m ruil waarvoor zij, langen tijd, bij de verkiezingen gesteund werd door een deel der liberale bourgeoisie.
De kerk verzuimde echter niet, gebruik makend van hare politieke macht, de ontwikkeling der kloosters te bevorderen, en daardoor hare macht weder te consolideeren Zij maakte de kloosters tot bijna onbeperkte heerschers over de scholen en stak hen onbeschaamd de hand toe bij hun werk van arbeidersonderwerping - . , L,
Op tweeërlei wijze dragen de kloosters tot bevestiging der kerkelijke macht bij. Ten eerste verschaffen zij haar de geldmiddelen, en ten tweede stellen zij duizenden mannen en vrouwen tot haar beschikking, die van alle menschelijk eigenbelang afstand gedaan hebben. De regeering maakt het de kloosters dan ook zeer gemakkelijk zich te ontwikkelen. Zij legt hen geen controle-maatregelen in den weg en stelt ze in staat zich aan de successie- en andere belastingen te onttrekken. Zoo meldde onlangs een der dagbladen, dat een aantal gronden, sinds zij in het bezit waren gekomen van kloosterorden, in het Grondboek waren genoteerd voor slechts één derde van hun oorspronkelijk getaxeerde waarde. De regeering zorgde voorts voor sterke vraag naar clericale dienstpraestatie in de hospitalen; zij gaf ruime subsidies aan kerkelijke ambachts-, landbouw-, huishoudscholen, enz., en zorgde er voor, dat de arbeidsinspectie gewoonlijk voor de deuren der kloosterondernemingen rechtsomkeert maakte.
Begrijpelijkerwijze nam het aantal kloosters met den dag toe. In 1880 waren er 1559 met 4120 geestelijken en 21.242 nonnen. In 1900 waren er 2500 kloosters met 6237 geestelijken en 31.668 nonnen, welk aantal inmiddels gestegen is tot 3000 kloosters met 47000 „gewijden". Tegelijk steeg de rijkdom dezer orden ontzaglijk, door de wijze waarop zij anderen voor zich lieten werken. Hun systeem is n.1., weezen, ouden van dagen, zieken en schoolkinderen, producten te laten vervaardigen, waarvoor öf weinig óf heelemaal geen loon betaald wordt, waardoor den industriëelen een doodende concurrentie op de warenmarkt wordt aangedaan.
Daardoor ontstond het verzet bij de arbeiders zoowel als bij de industriëele bourgeoisie, en wordt, wat tot nog toe de macht was voor het clericahsme, thans haar zwakke plek, waarop, de in hun loon bedreigde arbeiders en de be-concurreerde industriëelen, hun scherpste pijlen richten.
De Augustus-aflevering van DER KA.MPF is wederom voor het grootste deel gewijd aan de gebeurtenissen in de rijen der Oostenrijksche sociaaldemocratie.
Kautsky meent dat het met de geschillen niet zoover zou zijn gekomen, indien de massa een orgaan had, waarin zij tot uiting kon komen, n.1. het congres. In ieder land begrijpen de s. d., dat tegenover de staatsmacht der bourgeoisie, het proletariaat al zijn kracht concentreeren moet, ongeacht moeielijkheden van taalverschil, zooals die zich in Oostenrijk voordoen. De bourgeoisie kan zich de weelde veroorloven van splitsing in allerlei ideologische groepjes. Hare economische levensbelangen, gebaseerd op de uitbuiting, worden toch goed door den staat gediend. Het proletariaat daarentegen, verliest door confessioneele of nationale versnippering de kracht, op te komen voor zijn primitiefste levensbelangen, omdat het telkens weder stuit op de gesloten staatsmacht.
Ofschoon dit bij uitstek geldt voor Oostenrijk, hebben de partijgenooten in
8o8
dat land de congressen afgeschaft, zonder over dit belangrijke feit veel te schrijven ter informatie van binnen- en buitenlandsche partijgenooten.
Kautsky dringt derhalve op klaarheid in deze aan, en bepleit met klem de wederinstelling der congressen, die, naar zijn meening, de eenheid in de Oostenrijksche partij zullen herstellen.
Voorts bestrijdt Kautsky de opvatting van Bauer, die, het separatisme als voldongen feit aanvaardend, het hiervoren besproken territoiren-voorstel deed. Dat is, meent Kautsky zich buigen voor het separatisme, dat men een verderfelijken kanker acht. Men mag daarmede evenmin vrede sluiten als met het anarchisme. Doch zelfs al zou men het willen, men zou het niet kunnen, omdat in de kapitalistische maatschappij elk sociaal organisme de neiging heeft door groei tot ontwikkeling te komen. De separatistische vakvereenigingen zullen steeds trachten, ten koste der centralistische, tot wasdom te komen, waarbij nieuwe en heftige strijd niet kan uitblijven. Daarom mag aan het separatisme geen nieuw voedsel worden gegeven, maar moeten krachtige pogingen worden aangewend om tot hoogere eenheid te komen, waar zonder de Oostenrijksche s. d. zou ontaarden in een onvruchtbaren en degradeerenden strijd tusschen proletariërs van verschillende nationaliteit.
Ook E. Burian, verdedigt, in een uitvoerig opstel, dezelfde meening als Kautsky toegedaan is.
Juhus Deutsch bestrijdt Bauers voorstel als strijdig met de Kopenhaagsche resolutie, die verklaarde: „dat de eenheid der vakorganisatie in eiken staat behouden moet blijven en een voorwaarde is tot een succesvollen strijd tegen uitbuiting en onderdrukking," en dat iedere poging tot versnippering van gecentraliseerde vakbonden in het nationaal-separatistische deeltjes, daar tegen in gaat.
Bovendien acht hij Bauers voorstel onpraktisch, omdat de spraakgebieden niet zoo streng territoriaal afgebakend kunnen worden als Bauer zich dat voorstelt.
Deutsch meent dat ieder Marxist vertrouwen dient te hebben in de economische ontwikkeling, die noodwendig de voorwaarden scheppen zal waaruit de eenheid zal ontstaan. —
Aan het voor de Oostenrijksche sociaaldemocraten zoo bij uitstek belangrijke vraagstuk, wijdt ook Friedrich Adler zijn aandacht. Hij poogt aan te toonen, dat de duitschers steeds getracht hebben alle zwakheden der tschechische kameraden te bedekken, om hen niet te kleineeren in de oogen der Internationale, en in het vertrouwen, dat zij op den duur toch wel tot betere inzichten zouden komen. Het mocht echter niet baten. In 1907 richtten de Tschechen in de Rijksdagfractie de Nationale Clubs op, die in de fractievergaderingen hun tevoren besproken clubvoorstellen ter tafel brachten. In het parlement traden zij naar eigen goeddunken op, tegen andere s. d.-afgevaardigden. Voeg daar bij de miskenning der Kopenhaagsche besluiten; den onwil tot beraadslagen in de moeilijke weken die aan de ontbinding van het parlement voorafgingen; de op eigen houtje gevoerde parlementaire obstructie; het stellen van separatistische candidaten tegen de duitsche partijgenooten... dan wordt het ieder duidelijk, dat alle hoop op verdere samenwerking den bodem was ingeslagen.
Hij zet dan verder uiteen waarom Bauers voorstel, in de gegeven omstandigheden, als het kleinste kwaad moet worden aanvaard, en verklaart dat hij het acht te zijn in het belang van het internationalisme. —
Midden in het practische vakvereenigingsleven staat een artikel van Adolf Braun over de wijze van „belegging" van vakvereenigingsgelden, dat vooral voor de duitsche vakvereenigingen, met hare groote vermogens, van belang is.
I. G. Keesing.
8o9
NEUE ZEIT, 8 September 'n:
Onmiddellijk voor den aanvang van den partijdag te Jena verschenen m de „Neue Zeit" een paar artikelen, die, ook nu de partijdag voorbij is, belangrijk genoeg blijven om er eenige hoofdzaken uit mede te deelen.
Het eerste artikel is van Kautsky, die vooropstelt dat, al kon op het partijkongres de kritiek op de leiding ditmaal niet zwijgen, toch de aanstaande verkiezingsstrijd en de strijd tegen het oorlogsgevaar de beide onderwerpen zijn, die den partijdag zullen beheerschen. In het wezen van de zaak denkt de partij over deze beide aangelegenheden eenstemmig; de meeningsverschillen die in de partijpers aan den dag traden, zijn op zijn hoogst verschillen in argumentatie en theoretische motiveering, die practisch echter van weinig beteekenis zijn. De partijdag moet dan ook de bewijzen geven van strijdvaardigheid en strijdlust tegenover den vijand. En niet de proletariërs van Frankrijk en Engeland zijn de vijand, maar het kapitaal en zijn dienaren in alle naties, in de eerste plaats daar waar wij hen het eerst ontmoeten en het best kunnen treffen: in Duitschland zelf.
Het geestdriftig voeren van den strijd heeft tot voorwaarde: vertrouwen inde leiding. Daaraan ontbreekt op 't oogenblik wel wat. Kautsky herinnert dan aan de geheime circulaire, waarin het partijbestuur de klachten van de „Generalkommission der Gewerkschaften" over de partijpers tot de zijne heeft gemaakt. De „goede toon" is niet door geheime circulaires te verkrijgen „En wie van ons is bevoegd den censor van den goeden toon te spelen 1 Welk lid van partij en vakbeweging heeft nog nooit een scherp woord gebruikt, dat dengene, dien het trof, pijn deed? Zeker, den slechten toon van zijn eigen woorden bemerkt men nooit, maar steeds alleen die van anderen."
Meer aanmerkingen kunnen gemaakt worden op wat het partijbestuur niet gedaan heeft. Het afgeloopen jaar bood verscheidene gelegenheden tot groote acties en agitaties, die ongebruikt zijn gelaten of waarvan onvoldoende of te laat partij getrokken is.
Voor een goed deel is dit hieraan toe te schrijven, dat de werkzaamheden van het partijbestuur zich verbazend hebben uitgebreid en dat tegelijkertijd door ziekte en dood eenige voorname krachten aan de partij leiding werden onttrokken. Kautsky meent dat het tijd is over te gaan tot het instellen van een nationalen raad der partij, een permanente vertegenwoordiging der afdeelingen, waarmee het partijbestuur geregeld voeling houdt. Van dezen partijdag verwacht hij evenwel zulke hervorming der partijorganisatie nog niet. Wel heeft deze partijdag de taak in het partijbestuur nieuwe en frissche krachten te brengen. Want opdat de sociaaldemokratie haar maximum van kracht zal kunnen ontwikkelen, is de vervulling van drie voorwaarden noodig. In de eerste plaats een massa, die goed voorgelicht wordt door een uitgebreide dagbladpers, een massa met geestdrift en toewijding. Verder een stramme en uitgebreide organisatie. Eindelijk een energieke leiding, wie het aan ruimte van blik evenmin ontbreekt als aan het vertrouwen der massa's. Slechts schijnbaar is dit vertrouwen in strijd met het wantrouwen, dat Bebel eens prees als een demokratische deugd- Het vertrouwen in de partijleiding moet verdiend worden, doordat het wantrouwen wordt beschaamd.
Uit de aanstaande verkiezingen zal in elk geval een verscherping van den klassenstrijd voortkomen. Niet in de eerste plaats, doordat onze aanstaande overwinning het burgerdom benauwd maakt- Maar vooral doordat de verkiezingen samenvallen met maatschappelijke gebeurtenissen, die alle sociale tegenstellingen tot het uiterste verscherpen, hetgeen in den verkiezingsstrijd zeiven aan den dag treden zal en dan door dezen weer zal worden versterkt.
8io
Voor weinige jaren nog werd de spot gedreven met de voorspelling, dat de kapitalistische wereld een periode van algemeene onrust intreden ging — thans is de rebellische geest in het proletariaat zoo ver verbreid en zoo tot het kookpunt gestegen, dat zelfs Engeland in opstand komt, het voorbeeld der vreedzame ontwikkeling, waar alle aanleidingen tot katastrophen voor altijd uit den weg geruimd schenen.
Het is de duurte, die de massa der arbeiders steeds meer opstandig maakt en tegelijkertijd de uitbuiters der arbeiders aldoor vijandiger jegens dezen macht. Want niet enkel de koopkracht van het loon daalt; voor de meeste uitbuiters dalen ook de winsten, gedeeltelijk door het duurder worden der grondstoffen, vooral echter door de vertraging van het circulatie-proces der waren, daar de groote economische opbloei nog steeds op zich wachten laat. De gevolgen zijn zichtbaar: partij en vakvereenigingen winnen groote aantallen leden en de organisaties vereenigen zich in reusachtige verbonden tot gemeenschappelijken strijd. Anderzijds groeit de haat tegen sociaaldemokratie en vakbeweging in alle kringen der bezitters. Maar tegelijkertijd neemt de verdeeldheid in de bezittende klasse toe, zoodat deze steeds minder bekwaam wordt tot een konsekwente en standvastige politiek. Wel heeft de oude tegenstelling tusschen grondbezit en industrieel kapitaal practisch hare beteekenis verloren, maar in haar plaats is een nieuwe scheiding gekomen. Aan den eenen kant staan nu de monopolisten van den landbouw vereenigd met die van de steenkool en van het ijzer, onder de hoede van het bankkapitaal: deze elementen trachten zich meer en meer meester te maken van het staatsgezag om hun uitbuitings-gebied in binnen- en buitenland te vergrooten. Dit zijn de lieden, die oorlogszuchtige politiek voeren naar buiten en naar binnen de arbeiders met uitzonderingswetten en kiesrechtroof bedreigen. Hiertegenover staat een groote en aangroeiende schaar van burgerlijke elementen: kleine fabrikanten, kleine bazen, handelslieden en boeren met den zoogenaamden nieuwen middenstand, voorzoover deze niet van proletarischen aard is. Dezen geraken steeds meer in oppositie tegenover de hooger geplaatsten, al mag men er niet op hopen dat zij uit vijandschap tegen de trusts het socialisme zullen gaan omhelzen.
Zeer bont van samenstelling, is deze burgerlijke combinatie alles behalve eendrachtig en strijdvaardig. Ook onderscheidt zij zich van de monopolisten alleen door haar middelen, en niet door haar doel. Zij wil ook het kapitalisme, maar zonder zijn konsekwenties. Zij wil imperialisme en koloniale politiek, maar zonder den oorlog. Zij wil ook voortzetting en versterking van de uitbuiting der arbeiders, echter niet door geweld, maar door korruptie. Zij wil ook een groote vloot en een sterk leger, maar geen nieuwe belastingen; enz. Onbekwaam als zij is tot een krachtige politiek, is dus van haar geen sterke oppositie te verwachten, maar evenmin een politiek van geweldmaatregelen. Zij is drijfzand, waarop men niet bouwen kan, waarmee men echter ook geen gebouw ingooien kan.
Beide groote deelen der bezittende klasse hebben invloed op de regeeringen. Het resultaat is onzekerheid en heen en weer slingeren, en ten slotte desorganisatie van de steunselen van het bestaande.
Hoe meer de klassetegenstellingen zich verscherpen, des te grooter wordt ook de verdeeldheid in de heerschende klassen. Hetzelfde verschijnsel deed zich voor in de jaren voorafgaande aan de groote fransche omwenteling.
Deze stand van zaken vergt van ons moeielijken strijd, maar belooft ons ook groote overwinningen. Hij stelt tevens hooge eischen aan de leiding.
Van groot gewicht is daarom thans voor het proletariaat de keuze zijner aanvoerders.
811
Rudolf Hilferding behandelt in het tweede artikel dat deze aflevering bevat, „De partijdag en de buitenlandsche politiek". Natuurlijk bespreekt hij hierin voornamelijk den gespannen toestand tusschen Duitschland en Frankrijk. De schrijver ziet hierin een ernstige vermaning aan het proletariaat, dat — hoe gewichtig het parlementarisme ook is — toch de beslissingen over het lot der volkeren niet alleen in de parlementen genomen worden. „De duitsche, fransche en engelsche parlementen zijn op reces en een klein aantal ministers houdt de beslissing over de levensvragen der naties in de ongekontroleerde handen. De volksvertegenwoordigingen wachten geduldig,, tot ze voor voldongen feiten geplaatst zullen worden."
De schrijver gaat de veranderingen na, die sedert den vorigen partijdag van Jena (1905) in Europa zijn gekomen. In 1905 was de russische revolutie op baar hoogtepunt. Die revolutie voltooide, wat de oorlog met Japan begonnen had: het verval van het russische rijk als europeeesche macht. Dit beteekende voor de Europeesche politiek een keerpunt.
De nieuwe periode van het imperialisme begint met den japansch-chineeschen en den spaansch-amerikaanschen oorlog. Beide oorlogen werden door de twee jongste kapitalistische mogendheden begonnen.
In een tweede periode drijft de imperialistische politiek de europeesche staten tot den aanval. Engeland voert den Boeren-oorlog. De europeesche groote mogendheden ondernemen vereenigd met Japan en Amerika den „Hunnen-veldtocht" tegen China. Rusland en Japan gaan elkaar vervolgens de bevoorrechte positie in Azië bestrijden. Rusland's nederlaag brengt Azië in revolutionaire beweging: de turksche en de perzische omwentelingen, de versterking van de Indische en egyptische onafhankelijkheids-bewegingen zijn de gevolgen.
Het dalen van Rusland's aanzien luidt de derde periode van het imperialisme in. Nu gaan de konflikten rijzen tusschen de europeesche mogendheden onderling, en wordt het gevaar voor oorlog in Europa dreigend.
Duitschland zoekt overal naar koloniën, maar stuit overal op den tegenstand der andere koloniale machten. Intusschen breidt het zijn vloot uit en wordt de tweede zeemacht van de wereld, die Engeland naar de kroon steekt.
Rusland's verval verlost Engeland van zijn gevaarlijksten tegenstander; Duitschland is de nieuwe tegenpartij. Tegenover het duitsche imperialisme sluiten de oude koloniale mogendheden, Frankrijk vooraan, zich bij Engeland aan. Rusland hoopt, in 't gevolg van Frankrijk, ervan te profiteeren in den Balkan.
In deze periode duikt tweemaal het Marokko-probleem op, waardoor de vrede gevaar loopt. Maar beide keeren wijkt Duitschland terug. Sedert de russische revolutie bezitten echter feitelijk Duitschland en Oostenrijk te zamen de militaire diktatuur over Europa. Tegenover deze beiden is het drievoudig verbond, als 't er op aankomt, machteloos. De gevolgen vertoonen zich weldra. Rusland kruipt Duitschland weer aan. Italië komt Duitschland nader. Spanje tracht zich van Frankrijk's leiding te emancipeeren- Turkije zoekt bij Duitschland bescherming tegen Frankrijk en Rusland.
In deze veranderde omstandigheden rijst het Marokko-probleem ten derden male. Maar nu wordt Duitschland niet teruggeduwd; nu opent Frankrijk dadelijk de onderhandelingen. Het zenden van een Duitsch oorlogsschip naar Marokko had evenwel de situatie dadelijk tot een gevaarvolle gemaakt. Engeland bereidde zich dadelijk op tegenstand voor. En de duitsche imperialisten, meenende dat nu werkelijk een stuk van Marokko zou worden bemeesterd, kwamen in wilden geestdrift. Hierdoor groeide het oorlogsgevaar.
Aan den anderen kant mag niet uit het oog verloren worden, dat ook voor Duitschland verscheidene motieven tegen den oorlog bestaan. In de eerste plaats
812
de onvoldoende sterkte der duitsche vloot. Vernietiging van die vloot zou het imperialisme voor langen tijd fnuiken, en de hoop, weldra ter zee Engeland de baas te worden, vernietigen. Vandaar ook dat de duitsche groothandel (Hamburg) tegen de Marokko-agitatie front maakte. In deze omstandigheden krijgt de proletarische aktie voor den vrede, waardoor een nationalistische roes voorkomen wordt, groote beteekenis en uitwerking.
Het Marokkokonflikt is kenmerkend voor de nieuwste buitenlandsche politiek. De jongere kapitalistische staten hebben zich door protectionisme trachten te ontworstelen aan de industriëele overmacht van Engeland. Zij hebben de wereld verdeeld in afzetgebieden. De hierdoor geschapen tegenstellingen tusschen de staten, worden verscherpt door het streven naar expansie, dat vooral van de kartellen en trusts uitgaat en van de hen kontroleerende banken. De koloniale politiek, noodzakelijk gevolg van het protectionisme, wordt op deze wijze de oorzaak van internationale verwikkelingen.
„Als dit zoo is," zoo gaat dan Hilferding voort, „dan is „socialistische koloniale politiek" een waandenkbeeld. Het denkbeeld kan ontstaan in een klein land als Holland, dat verre bleef van het wereld-beweeg, en oud, lang geleden verworven, koloniaal bezit heeft, en waar men den voor alle socialisten van zelf sprekenden strijd om vermindering en verzachting der uitbuiting in de koloniën „socialistisch" noemde, om de onoverbrugbare tegenstelling tusschen socialisme en kapitalisme ten minste in woorden te „temperen"." De Marokko-zaak toont de harde werkelijkheid. In de koloniale politiek gaat het niet om de bescherming van inlanders. Het gaat om het verwerven en verdeelen van koloniaal bezit. „Tegenover deze politiek, die uit het wezen van het kapitalisme voortkomt, kan "geen „socialistische" philantropische koloniale politiek gesteld worden, die z'ich van de echte kapitalistische slechts door haar inkonsekwentie en ondoorvoerbaarheid onderscheidt. Deze kapitalistische politiek kan alleen afgelost worden door de proletarische; niet door socialistische koloniale-politiek, maar door het socialisme."
Evenmin kan, volgens den schrijver, het proletariaat vertrouwen stellen in een internationale rechtspraak ter beslechting van konflikten.
Op de machteloosheid der parlementen terugkomende, noemt Hilferding deze een door de burgerlijke partijen grootendeels gewenschte machteloosheid.
De buitenlandsche verhoudingen worden aldoor gewichtiger voor de binnenlandsche. Immers de oppositie der sociaal-demokratie tegen den oorlog, maakt deze bij de heerschende klasse nog meer gehaat en dit verscherpt den politieken strijd. Tegelijkertijd leiden de kosten der buitenlandsche politiek tot belastingverhooging, die vooral in deze tijden van duurte verzet wekt.
Hilferding verwachtte van den partijdag te Jena, dat de Marokko zaak er behoorlijk zal worden in 't licht gesteld. Echter houdt hij een grondige bespreking van de imperialistische politiek op een volgenden partijdag voor noodzakelijk. Wellicht zal dit tengevolge hebben dat imperialisme en buitenlandsche politiek op de agenda worden gebracht voor het volgende internationaal kongres.
De partijdag werkt voor den vrede, als hij de verkiezingen voorbereidt. „De versterking van de partij, die met duidelijk begrip van de arbeidersbelangen protektie en koloniale politiek verwerpt, het militairisme bestrijdt, de internationale ontwapening eischt en aan het kapitalistische stelsel eiken man en elke cent weigert dit is vooreerst de gewichtigste daad die voor den vrede kan worden gedaan."
Oorlogsgevaar en duurte zijn de donkere teekenen, waaronder de vertegenwoordigers der sterkste partij van de wereld bijeenkomen. Ons verschrikken de°ze teekenen niet, maar der kapitalistische wereld kondigen zij haar noodlot aan."
8i 3
NEUE ZEIT, 22 September 'n :
De tweede partijdag van Jena' gaf Kautsky aanleiding tot een nabetrachting, die' aanvangt met de vaststelling, dat te Jena een eensgezindheid werd vertoond, zooals in langen tijd niet in de partij bestond. In de beide levensvraagstukken dat van den oorlog en dat van de verkiezingen, hebben zich geen ernstige meeningsverschillen voorgedaan. Zoo eendrachtig mogelijk trekt de partij in
^Difwas te voorzien; maar niet te voorzien was de groote heftigheid die bij de behandeling van sommige meer technische aangelegenheden aan den dag trad, en wel bij de bespreking van de vraag of het partijbestuur wel op het juiste oogenblik'tot de agitatie tegen het oorlogsgevaar het sein heelt gegeven. Bijzonder warm streed men over de vraag of het partijbestuur terecht of ten onrechte het bijeenkomen van het Internationaal Bureau in het midden van luli tegengewerkt heeft. ,. , , , • ,
Bij de bestrijding van het oorlogsgevaar zijn twee dingen wel te onderscheiden . n.1. de politieke aktie der partij tegen de handelingen der regeeringen en de agitatie tegen de oorlogs-stemming in het volk.
Op welke wijze de aktie legen de regeering gevoerd moet worden, hangt \ oor een groot deel van binnenlandsche omstandigheden af. Het Internationaal Bureau kan in dezen weinig of niets doen. . . ,
Maar met de bestrijding van de oorlogszuchtige stemming in het volk is het anders gesteld. Deze bestrijding is onder alle omstandigheden onze plicht en hoe eerder zij begint hoe beter. Dit is ook de meest doelireftende wijze om het oorlogsgevaar te keeren. Want geene regeering zal in den tegenwoordigen tijd een oorlog durven beginnen, wanneer zij met zeker is het volk achter zich
16Deflatie tegen de oorlogsstemming nu werkt het meeste uit, als zij gelijktijdig alom wordt ondernomen. Hier had het Internationaal Bureau nuttig werk kunnen doen, als het reeds midden Juli demonstratief de eenheid van alle pro.etarierb had geproclameerd en een machtige vredes beweging m alle bedreigde ianaen tegelijkertijd geopend had. , , ,
Dat over dit punt de discussie zoo hartstochtelijk werd, was het gevolg van de manier, waarop een deel der kritici hun kritiek op het partijbestuur m de , Leipziger Volkszeitung' uitgebracht hadden. _ arAOP\P„
Meeningsverschillen tusschen partijgenooten zijn in twee groepen te yerdeelen. De eersten zijn die, welke voortkomen uit verschil van standpunt, de principteeie. De andere zijn gelegenheids-verschillen, die tusschen personen van gelijke principes optreden, als zij voor samengestelde gevallen staan en ieder van henoeze met andere gegevens en andere middelen van geestelijke scholing, ook met ander temperament, beoordeelt. . , . ,
Het uitvechten van de eerstbedoelde verschillen leidt licht tot heftigheid en verbittering. Dezelfde tegenstanders ontmoeten elkaar telkens weer.
Maar met de meeningsverschillen van de tweede soort staat het anders. De tegenstanders van vandaag zijn de medestrijders van gisteren en van morgen. De behandeling van het verschilpunt kan dus een vriendschappelijke gedachtenwisseling zijn, een poging elkaar te overtuigen. Zoo geschiedde bnv. bij de discussie over de deelneming aan de pruissische landdag-verkiezingen.
Een deel van onze jongere marxisten, die zich m den tijd van den strijd tegen het revisionisme geestelijk gevormd hebben, schijnt vergeten te zijn, dat met alle meeningsverschillen tusschen ons hetzelfde karakter dragen. Daar wij m de laatste 10 jaren zoo veel met verschillen te doen hadden, die uit principieele tegenstellingen voortkwamen, schijnen ze te meenen dat elk verschil nu ook dit karakter moet dragen, en denken zij aan hun marxisme en aan hun wetenschappelijke ernst en degelijkheid verschuldigd te zijn, een diepe en pnncipieele tegenstelling er uit te destilleeren. .
De Leipziger Volkszeitung" en de „Bremer Bürgerzeitung waren in den loop van het jaar meermalen over het partijbestuur, over Mehnng, over mij, en eenmaal (bij de debatten over de ontwapening) ook over Ledebour hoogst ontevreden. Of zij hierin gelijk hadden, behoeft hier nu met te worden onderzocht Hier zij enkel erop gewezen, dat deze verschillen onmiddellijk werden teruggebracht tot theoretische onklaarheid, theoretische onmacht om de nieuwe dingen te begrijpen, bevangenheid in burgerlijke ideologieën.
„Kritiek van deze soort biedt den kriticus in 't begin stellig groote voordeelen
8i4
en plaatst hem in de stralen van het helderste licht. Maar zijn triomfen duren slechts kort. Zullen gelegenheids-verschillen den schijn van diepe principiëele kwesties krijgen, dan moeten kleinigheden opgeblazen, en op zichzelf staande uitingen verdraaid worden, tot zij een ander karakter krijgen."
Kautsky gaat dan na, wat van deze methode de gevolgen zijn. In plaats van overeenstemming wordt verbittering bereikt en menschen die bij elkaar behooren worden voor goed van elkaar verwijderd. Ten slotte isoleert de groep der kritici zichzelf De partijdag liet zien, hoever dit proces met de „Leipziger Volkszeitung" en haar vrienden reeds gevorderd is. Het ware te hopen, dat het vendeltje van Leipzig en Bremen de lessen van Jena wilde verstaan. Rosa Luxemburg constateerde, dat Bebel tegenover haar door de revisionisten toegejuicht werd. Maar het was de groote meerderheid van den partijdag, die Bebel toejuichte. De waarheid is, dat door Rosa Luxemburgs taktiek de uiterste linkervleugel uit de meerderheid der partij gedrongen is, zonder dat de partij een stap naar rechts heeft gedaan.
Dat de partij niet naar rechts gaat. bewees de verkiezing van een voorzitter. Haase's verkiezing is het bewijs, dat de partij de tot dusver gevolgde koers wil voortzetten.
Behalve bij de voorzitters-verkiezing stonden rechts en links geen enkelen keer tegenover elkaar. Bij de groote kwesties was de partijdag eensgezind^
„Oorlogsgevaar en oorlog zijn de zwaarste proef die een oppositiepartij te doorstaan kan krijgen. De oorlog van 1866 brak de pruissische „Fortschrittspartei". De oorlog van 1870 veroorzaakte in de duitsche sociaal-demokratie ja zelfs in de leidende Eisenacher richting, aanvankelijk ernstige tweedracht. Ditmaal zien wij niet Het geringste verschil in de opvatting over de richting, waarin wij te marcheeren hebben, hoogstens onderscheid in de opvatting aangaande het tempo, waarin de opmarsch moet geschieden.
„Zoo hebben wij de beste vooruitzichten om uit den tegenwoordigen toestand het voordeeligst voor onze zaak partij te trekken en opgewassen te zijn t?gen al de zware worstelingen, die ons wachten."
T. W. A.
UIT DE SYNDIKALISTISCHE TIJDSCHRIFTEN.
In de veertiendaagsche revue LA VIE OUVRIÈRE, in het nummer van 20 Juli j.1., komt een'vooral sinds de groote Engelsche spoorwegstaking, al werd het vóór dien geschreven, belangrijk artikel voor, over: Het Bankroet van de verplichte Arbitrage bij de Engelsche Spoorwegen, van de hand van Charles Watkins.
In 1906 en 1907 werd door de Amalgamated So:iely of Railway Servants (A. S. R S„ Algemeene Vereeniging van Spoorwegpersoneel) bij 308,000 georganiseerde, spoorwegmannen een onderzoek onTrent loon en arbeidstijd ingesteld. Het bleek dat
129500 of 42 pCt. 25 francs 1) of minder weekloon hadden. 104,000 „ 34 „ 2625 a 37 50 jrancs. 75,000 „ 24 ,, meer dan 37.50 francs. Verder toonde het onderzoek aan dat 7,2 pCt. 8 uur werkten. 67 ,i 10 „ „ 25,2 ,, 12 „ „ (dus één vierde deel). 0,6 „ zelfs mèèr dan 12 uur. Om deze toestand te verbeteren slaagde de A. S R. S. erin, in 1907 in het geheele land alle groepen in beweging te brengen. Ingeval de maatschappijen de geformuleerde eischen van verbetering niet met de vertegenwoordigers van het personeel wilden bespreken, zoo werd met overgroote meerderheid besloten, zou de staking uitbreken. De maatschappijen weigerden; handel en nijverheid drongen den Minister van Handel Lloyd George tot interventie. 6 November 1907 had een conferentie plaats tusschen de Minister en de afge-
1) Wc laten de loonen uitgedrukt in francs. De reeds door Watkins uit shillings ten naastenbij in francs overgebrachte cijfers zouden door overbrenging van francs in guldens in absolute juistheid zeker niet winnen. Hun relatieve beteekenis blijft We merken op dat een franc ongeveer 471/2 cent Nederlandsen is, en een shilling iets meer dan 1I/4 franc.
815
vaardigden van de maatschappijen en van het personeel. Het vooruit reeds aan de spoorwegkoningen getoonde cn dooi hen waarschijnlijk gewijzigde verzoeningsvoorstel van den Minister werd door dezen aanvaard, terwijl de afgevaardigden van het personeel tevergeefs beproefden het te wijzigen, en het ten slotte aannamen, zoodoende het spoorwegpersoneel voor zeven jaren aan een kontrakt bindend, waarvan het personeel het eerste woord niet had gezien en waarover het evenmin geraadpleegd was.
Dit voorstel van verzoening en arbitrage, zoo had Lloyd George, de „man van den vrede in de industrie,'"' de vertegenwoordigers van het personeel gedreigd, zou door hem in het Parlement tot wet worden gemaakt, indien zij het niet aanvaardden. Aldus verdedigden de afgevaardigden hun toestemming, toen deze door het personeel heftig werd aangevallen. — Het verzoeningsvoorstel stelde verzoeningsraden in en wel drieerlei: groepsraden voor gedeelten van spoorwegnetten, met beroep op centrale raden voor elke spoorwegmaatschappij èèn en ten, slotte op de Raad van Arbitrage, wiens beslissing definitief is. In alle raden zitten evenveel vertegenwoordigers van het personeel als van de maatschappijen. Voordat de eischen van het personeel evenwel ter behandeling bij de verzoeningsraden kunnen komen, moeten ze, zeide de overeenkomst, eerst de gewone weg gegaan zijn.
Zoo bemerkte het personeel te laat dat de overeenkomst hun agitatie letterlijk in stukken geslagen had. Alles werd uitgesteld tot het „de gewone weg" was gegaan, om daarna nog bij de verzoeningsraden te komen. De eerste overeenkomst hieruit voortvloeiend, ging eerst i December igc8 in. De meeste traden in 1909 in werking; een twaalftal eerst in iqio.
Maar wat de Maatschappijen direct deden is: personeel ontslaan. In het begin van 1908 werden 114 kondukteurs van de Midland Railway die de beste organisatie hadden, ontslagen. Voorwendsel: zuinigheid bij zwak verkeer. Maar tegelijkertijd hadden de meeste kondukteurs 8 of 9 „werkdagen" inplaats van 7 in een week. Onder de ontslagenen waren er met 30 dienstjaren. De becloelingen van de Mij. werden duidelijk, toen ze 75 pCt. der ontslagenen wilde terugnemen als ze toestemden dat bij staking of ziekte het loon werd ingehouden.
Na maanden werden eerst de verkiezingen voor de Raden gehouden. Eerst scheen er weinig animo bij het personeel. Maar de Mijen. stelden hun „trouwe dienaren" als kandidaten, en dit had tot gevolg dat de verkiezingen levendig werden. De M'jen leden een nederlaag.
Er werden 162 raden gesticht; 824 leden moesten door de arbeiders gekozen worden. Er werden 692 mannen van de A. S. R. S. gekozen, 68 van andere vakvereenigingen, en slechts 64 ongeorganiseerden.
In het geheel waren 344,802 stemmen uitgebracht; daarvan 236,271 op kandidaten van de A. S. R. S , 55,000 op die van andere vakvereenigingen, en slechts 53,000 op de ongeorganiseerden. Men ziet, de Mijen. liegen, als ze zeggen dat de A. S. R. S niet de massa van het personeel vertegenwoordigt.
De „vrucht" van deze verzoening is in de eerste plaats een rotte, en wel de groepsvertegenwoordiging, die men instelde en wil handhaven, verder de verdeeldheid. 39 M'j'-'11 sloten 53 overeenkomsten met verschillende groepen van hun personeel, die op 28 verschillende data van eind 1910 tot 15 April 1915 eindigen. Behalve 2 overeenkomsten die reeds in 1910 eindigden en èèn die in 1911 eindigt, eindigen er
9 in 1912 op 6 verschillende data. 29 „ 1913 „ 8 13 .. I9i4 » 9
3 « iQT5 „3
Dat is de groepsverdeeling op zijn ergst, tegen de A. S. R. S. die het heele personeel over het heele land in één aktie wil vereenigen.
Een voorbeeld aan de Midland Railway ontleend toont aan dat de maatschappijen zelfs probeerden door deze overeenkomst het loon te verlagen, in een tijd dat haar winsten met meer dan 10 millioen francs toenamen.
Maar tevens merke men op, dat de meeste overeenkomsten in 1913 afloopen, en het is zeer waarschijnlijk dat we dan in een periode van ekonomische depressie zijn, die de Mue" dan weer tegen de arbeiders zullen uitspelen
Het voornaamste voordeel dat de arbeiders uit de overeenkomsten trekken is de betaling van 25 pCt. extra voor overuren en Zondagsarbeid, hetgeen het overwerk zal belemmeren.
8i6
Kenmerkend voor het geheel is de „verzoening" bij de North Eastern Railway. Hier is het personeel het best georganiseerd en het meest strijdvaardig; ook was de vakvereeniging hier reeds erkend. Eerst weigerde het personeel hier de overeenkomst te aanvaarden, maar op raad van hun leiders accepteerden ze. Welnu, deze in de gunstigste omstandigheden verkeerende arbeiders wonnen voornamelijk slechts èèn uur schafttijd voor machinisten en stokers na een trajekt van 250 K.M. Daarentegen werden zelfs bij deze Mij. salarisverlagingen ingevoerd, tot 14 francs in de week toe. Tot twee keer toe, sinds de „verzoening' staakten bij deze Mij. het personeel van de goederentreinen, en telkens vonden ze dan ook de steun van de machinisten, die allèèn meer verloren brj de arbitrage dan de anderen er tezamen bij konden winnen _
Als de arbeiders staken zonder op de overeenkomsten te letten dan is de bourgeoisie verontwaardigd. Intusschen overtreden de patroons de overeenkomsten clandestien door de organisatie van het werk te wijzigen, door de produktie te versnellen, en door de arbeiders meer af te nemen dan ze hun geven. Zoo bedenken de M'ien nieuwe klassifikaties, nieuwe namen, en zetten minder betaald personeel aan beter betaald werk. Bij de North Eastern werden zes man die zonder bijbetaling weigerden dit werk te doen, ontslagen, maar na een sympathiestaking op het heele net weer aangenomen, zonder dat hun grieven door een verzoeningsraad waren onderzocht. Het is zeker, dat men bij deze overtredingen der overeenkomsten door de patroons de oorzaak van de groeiende ontevredenheid van het personeel heeft te zoeken. ,
De overtredingen worden vergemakkelijkt door de dubbelzinnigheid van de oordeelvellingen. De scheidsrechters, die natuurlijk uit de bevoorrechte klasse worden gekozen, spreken niet eenvoudig, maar drukken zich in zoo vage termen uit, dat elke interpretatie nog mogelijk is. Zoo regelen de uitspraken mets en men moet opnieuw adresseeren om te weten wat ze zeggen wilden. Een dergelijke uitspraak bracht bijna een staking bij de Great Northern Railway.
De kosten van de arbitrage waren alleen voor de A. S. R. S van eind 1907 tot Oktober 1910 ongeveer 625,000 francs. Dat is nog pas de helft, de Mi™ betalen de andere helft. Een goed deel gaat naar de scheidsrechters die ongeveer '3>T5 francs per dag krijgen. Lord Cromer kreeg voor 18 dagen 25000 francs Hij weigerde loonsverhooging" voor het personeel van de Midland, dat 23,75 francs per week krijgt. . . .
In de tijd van de arbitrage ging de vakvereeniging achteruit. De A. b. K. b. had einde 1906 70,130 leden. De beweging van 1907 bracht 27,431 leden, zoodat het totaal 97.651 werd. Einde 1908 waren het nog maar 80,321, einde 1909 73,571.
Voor de M'iM1 evenwel waren deze jaren van de hoogste dividenden. De Daily Mail schreef 21 Febr. 1911 dat de algemeene verbetering van de Spoorwegwaarden voor drie jaren met de nieuwe politiek van samenwerking en ver zoening inzetten. De President van de North Western Railway deelt 17 Febr. 1911 mee dat de inkomsten en de dividenden de hoogste waren sinds het bestaan van de Mij., en de onkosten nog nooit zoo laag waren geweest. Drie Moe" hadden in de laatste 1V2 jaar tot juni 1911 hun winst met meer dan 25 millioen francs vermeerderd. 23 Mo=" hadden van April-Juni 1909 bijna 24 millioen francs (?8 800 000) muider onkosten dan in dezelfde drie maanden van 1908. Negentien M*e° hadden vergeleken met 1909 van April-Juni 1910 wederom een vermeerdering van het bruto-inkomen met bijna 40 millioen francs (39.200 000), d. 1. een vermeerdering met 3.2 pCt. Het dividend steeg daardoor tot gemiddeld 6,14 pU. maar de onkosten der exploitatie, waaronder ook de loonen van het personeel, bleven ondanks verzoening en toename van het verkeer, dezelfde.
Alles wijst erop dat al was de arbitrage noodlottig voor het personeel ze uitstekend de belangen van de Mü"1 diende.
Wp.
Beurs en Bank
DOOR J. STIBBE.
We hebben in een vorig opstel i) uiteengezet hoe het emissie- en oprichtingsbedrijf der banken veronderstelt het bestaan van naamlooze vennootschappen als regel en hoe beiden vereischen dat zich eene markt ontwikkeld heeft waar de aandeelen ten allen tijde van de hand kunnen worden gezet. Over deze markt — de beurs —• en den invloed van de bank op haar willen we nu het een en ander mededeelen, ook hier echter zullen we niet in alle onderdeden afdalen maar evenals in 't vorig artikel ons bepalen bij wat tot goed begrip van dit onderwerp vereischt wordt. Ook hier weer volgen we voor een groot deel Hilferdings „das Finanzkapital" voegen echter ter verduidelijking sommige uiteenzettingen toe en laten eenige algemeene opmerkingen voorafgaan.
De beurs, hetzij effectenbeurs, hetzij warenbeurs, 2) is eene markt. Evenals op elke markt wordt er ge- en verkocht. Maar — en dit is het verschil met een gewone markt — de goederen die op de beurs verhandeld worden zijn zelve daar niet aanwezig. Natuurlijk kan dit alleen öf wanneer er verkocht wordt op monster, öf — en dit is grootendeels bij de moderne beurs het geval — wanneer het goederen zijn van een bepaald, overeengekomen type, waarvan het eene exemplaar gelijk is aan het andere, het eene dus vervangen kan worden door 't andere, en zoo is de moderne beurs dan ook de markt voor fungibele (vervangbare) zaken. Bij effecten, waaronder we verstaan staatsschuldbrieven en andere obligaties, loten, aandeelen enz. is dit eenvoudig genoeg. In 't algemeen is het eene aandeel in een bepaalde naaml. vennootschap, of ook het eene Brusselsch lot gelijk aan een ander. Bij waren is 't niet altijd zoo eenvoudig, men heeft er meestal verschillende qualiteiten in en zoolang dit het geval is behooren ze niet tot de beurs-
1) Zie „Het Geldkapitaal" in „de Nieuwe Tijd", blz. 501.
.2) Er worden ook wissels, vreemde munten en papiergeld aan de beurs verhandeld.
51
8i8
artikelen, alleen die waren welke van een bepaald type zijn zooals ijzer of tot een bepaald type kunnen gemaakt worden, zooals koffie door menging van verschillende soorten, kunnen op de warenbeurs verhandeld worden. Men koopt en verkoopt daar dus zooveel H.L. rogge die gezond, droog is en minstens zooveel gram per liter weegt, of spiritus van zooveel procent enz.
Het is duidelijk dat waar de artikelen eenmaal zoo'n bepaald type hebben, fungibel zijn geworden, het ook niet noodig is dat producent en consument elkander op de beurs ontmoeten, men kan evengoed opdracht tot koop of verkoop aan tusschenpersonen geven, vandaar dat een groot deel van het beurspubliek bestaat uit commissionairs, makelaars, kooplieden, minder uit producenten en consumenten zelve. Om dezelfde reden en ook door de uitstekende communicatiemiddelen kunnen opdrachten tot koop en verkoop gegeven worden uit andere plaatsen dan de beursstad zelve, vandaar dat op de beurs vraag en aanbod van een zeer groote uitgestrektheid samenkomen, deze beurzen nationale en zelfs internationale beteekenis krijgen en hare prijsnoteeringen toonaangevend zijn ook voor de koopen en verkoopen die buiten hare muren geschieden. Niet alleen echter dit, maar de affaires behoeven, waar 't toch gaat om vastgestelde typen, niet beperkt te blijven tot reeds bestaande goederen, men kan er ook toekomst-goederen verhandelen. Ruimte zoowel als tijd worden hier overbrugd.
Alhoewel bij uitzondering een enkele maal vroeger vóórkomend — b.v. de graanbeurs van Amsterdam in de iye eeuw — is de warenbeurs toch eerst vanaf de ige eeuw te dateeren. Langer bestaat de effectenbeurs. Ook hier is de Amsterdamsche van de iy~e eeuw, waar o. a. de aandeelen van de O. I. en W. I. Compagnie verhandeld werden de beroemdste; maar overigens is het meest voorkomend artikel op de fondsenbeurzen van vroeger de wissel. De effectenhandel komt ook eerst tot vollen bloei in de iQe eeuw; voor 't van beteekenis worden toch daarvan is 't noodig dat de verkeersmiddelen zich ontwikkeld hebben, waardoor de provincie gemakkelijk met de beursstad en de beurssteden onderling in verbinding kunnen treden, en verder dat een groot deel van het nationaal vermogen den effectenvorm heeft aangenomen, i)
Beschouwen we nu in de eerste plaats die effectenbeurs 2) en de zaken die daar gedaan worden, dan kunnen we de daar verhandeld wordende papieren verdeelen in: ie Credietpapieren die op de geldsommen luiden waarvoor ze zijn uitgegeven en waarvan de voornaamste
i) Mea berekent dat in Engeland 40 pCt. van het vermogen dien vorm heeft. In Berlijn werden op de effectenbeurs genoteerd in 1808 — 21, in 1848 — 44, in 1870 — 358, in I 894 — 1427 en in 1910 — 2661 verschillende fondsen.
Op de warenbeurs komen we in een volgend opstel terug.
819
de wissel is en 2« papieren die niet de geldsom zelve maar hare opbrenst representeeren. Deze laatste zijn onder 2 groepen te brengen a. papieren die een vaste rente geven zooals staats-, provinciale- en gemeentelijke obligaties, alsmede obligaties van naamlooze vennootschappen en b. dividendgevende papieren of aandeelen.
Over 't wissel verkeer aan de beurs kunnen we kort zijn. Voor zooverre het binnenlandsche wissels betreft wordt dit verkeer hoe langer hoe minder van beteekenis. De banken, die in steeds toenemende mate de betalingen hunner cliënten onderling regelen, vervangen de wissel door allerlei andere betalingsvormen (cheque en giro), maar bovendien concurreeren ze met de beurs doordat ze zelve talrijke wissels koopen, zoodat datgene, wat oorspronkelijk de voornaamste functie van de beurs was n.1. bemiddelaarster te zijn bij de regeling der betrekkingen tusschen industriëelen en kooplieden, haar meer en meer door de bank wordt afgenomen.
Van meer beteekenis is thans aan de beurs nog de handel in buitenlandsche wissels, maar ook hierbij treedt de bank door hare talrijke filialen in verschillende landen al meer en meer als concurrente op. De op de beurs verhandeld wordende wissels zijn dan ook voornamelijk die van groot-kapitalisten of van de banken zelve, die op deze wijze geld op korten termijn leenen of uitleenen, dus wissels koopen als kapitaalbelegging of eigen wissels verkoopen als ze voor korten tijd geld noodig hebben om aan de groote credietvraag hunner cliënten te kunnen voldoen. Zelfs hier ziet men 't verschijnsel dat de banken dit al meer en meer weten te doen zonder tusschenkomst van de beurs. Wat nu de papieren onder 2 genoemd betreft — waarover we meer te zeggen hebben — deze kan men evengoed bij de bank als op de beurs& koopen en doet dat dan ook. Menschen die hun kapitaal in effecten wenschen te beleggen, verschaffen zich die bij bank of beurs. Hier vervult dus de beurs geen bijzondere functie. Menschen die fondsen koopen met 't doel om als de koers mettertijd eens stijgt ze weer te verkoopen, eigelijk dus speculanten, maar die de fondsen zooals men dat noemt „thuis nemen", uit eigen middelen ze betalen en zich om de van dag-tot-dag-schommelingen niet bekommeren, kunnen ook evengoed bij de bank als op de beurs terecht. De eigenlijke taak van de beurs is de markt te zijn voor de speculanten, type „dagjes-menschen".
Voor deze speculatie zijn de 2a papieren minder geschikt dan die onder 2b genoemd. De prijs van opbrengst-gevende papieren hangt af van twee factoren, i*te van de opbrengst zelve, 2de van de bestaande rentestand. Geeft een zeker papier dat nominaal / 100 kost een jaarlijksche opbrengst van 5 pCt. en is de rentestand 4 pCt, dan zal de reëele prijs zijn 25 x/5 f=/l25, stijgt de opbrengst op 8 pCt. en blijft de rentestand gelijk of daalt de rentestand op 2% pCt. bij gelijk-
820
blijvende opbrengst, dan zal in beide gevallen de koers stijgen op 200 (n.1. 8 x 25 of 5 x 40).
Afgezien nu van toevallige omstandigheden is de rentestand in een bepaalden tijd van een bepaalde grootte. Het koersveranderende element moet dus meer gezocht worden in de andere factor: de opbrengst, die het stuk geeft, en hierin zit nu juist 't verschil tusschen de 2a en 2b papieren.
Staatsobligatiën — om nu hierbij maar te blijven — geven als opbrengst rente, welke rente natuurlijk samenhangt met den algemeenen rentestand. Hunne prijs hangt dus geheel van de in een zekeren tijd vrij vasten rentevoet af, zal dus vrij vast zijn behoudens vraag en aanbodschommelingen, die in normale omstandigheden binnen zeer enge grenzen zullen plaats vinden 1).
Daarentegen is de opbrengst bij dividendgevende papieren onzeker, de koers dus ook. Aandeelen zijn dus de speculatieobjecten bij uitnemendheid en we kunnen ons dus bij onze verdere uiteenzettingen voorloopig tot deze bepalen.
Speculatie is vooreerst koop en verkoop, hier niet van waren maar van dividend-titels. De productieve kapitalist kan zijne winst niet realiseeren zonder zijne waren te verkoopen hetzij direct aan den consument, hetzij aan den koopman voor wien hij dan een stuk van zijn winst moet laten vallen. De waren worden daarbij verplaatst van producent naar consument en eenmaal in diens handen zijn ze uit de circulatie verdwenen. Daartegenover vallen waardepapieren, speciaal die welke voor speculatie dienen nooit uit de circulatie weg, ze blijven op de beurs aldoor in beweging niet in eene rechtlijnige, maar in eene heen- en weergaande of kromlijnige. Terwijl voor de waren koop en verkoop — gegeven de kapitalistische maatschappij — noodwendig is, is dat voor de papierbeweging niet op dezelfde wijze 't geval. Verwisseling van eigenaar beroert noch de productie, noch de winst der eenmaal gevestigde onder-
1) In abnormale tijden echter kunnen ze zeer sterk varieerende koersen hebben, natuurlijk
sterker naarmate de hoeveelheid exemplaren aan de markt klein is.
Een typisch staaltje hiervan biedt de noteering van Nederlandsche Obligatiën aan de
Amsterdamsche beurs gedurende het jaar 1672. De koersschommelingen zijn als volgt:
Vóór 't uitbreken van den oorlog 100 pCt.
Na de bezetting van 4 provinciën door de Franschen in Mei 30 „
Bij 't gerucht, dat men van plan was Utrecht te verdedigen eind Juni 92-93 „
Wanneer 't blijkt dat dit gerucht onwaar is o „
Als 't Fransche leger optrekt om het keizerlijk leger te bevechten begin Sept. 60 „ Bij de opmarsen der geallieerden van Halberstad in de richting van
Coblenz, begin October 95 »
Plotseling afzwenken van dit leger naar 't Zuiden om de Franschen te
ontwijken, eind October 83 „ enz.
Te vinden in »Die Amsterdammer Börse vor Zweihundert Jahren" van Dr. J. Groszmann,
geciteerd bij R. Taubner „Die Börsen der Welt".
873
zij bergt in haar wezen. Zoo is er, wel beschouwd, tusschen de uitspraak van Marx en die van de Duitsche resolutie geen principieel verschil.
Er is in de Duitsche resolutie een ander element sterk op den voorgrond gebracht, dat de beslissing tusschen vrijhandel of bescherming doet beheerschen door de vraag hoe ver de ontwikkeling der nijverheid is gevorderd. Dat de „Duitsche nijverheid ver genoeg ontwikkeld is om de beschermende rechten te kunnen veroordeelen" stond in par. 3 van de door Kautsky opgestelde resolutie. „In het algemeen" heeft Bebel er verruimend tusschen gevoegd. Het is nog het standpunt dat bescherming der nijverheid aanvaardt, als middel om alle in het land levensvatbare nijverheden tot volle ontwikkeling te brengen. Het is het standpunt waarin Engels, op dit punt zeer sterk naderend tot List, feitelijk het dichtst bij stond. Hier is de meest bekende plaats waar Engels deze meening uitspreekt:
„Ongeveer vijftien jaar geleden reisde ik in een spoorwegcoupé met een intelligenten handelsman uit Glasgovv, die een bijzonder interesse had voor ijzer. Het gesprek kwam op Amerika en hij gaf de oude redeneeringen van de vrijhandelaars ten beste: „Is het niet onbegrijpelijk dat geslepen handelsmenschen, zooals de Amenkanen, aan hun landgenooten — mijneigenaars en ijzerfabrikanten — schatting betalen, terwijl zij n.b. hetzelfde artikel of nog beter, voor den halven prijs van hier uit zouden kunnen betrekken?" Daarop volgden voorbeelden, hoe 'n onzinnig hooge belasting de Amerikanen zich zelf opleggen, om een paar geldzuchtige bezitters van ijzermijnen en ijzerfabrieken rijker te maken. „Nu", zeide ik, „de zaak schijnt toch ook een andere kant te hebben, gij weet toch dat Amerika wat kolen, waterkracht, ijzer en andere ertsen, goedkoope voedingsmiddelen, inlandsch katoen en andere ruwe grondstoffen betreft, hulpbronnen en voordeelen bezit, waarin geen Europeesch land bij hem in de schaduw kan staan, en dat die hulpbronnen slechts dan tot volkomen ontwikkeling kunnen geraken, wanneer Amerika een industrieland wordt. Verder zult gij wel toegeven, dat, in den tegenwoordigen tijd, een groot volk, zooals de Amerikanen, niet alleen bij landbouw kan blijven, dat dit een veroordeeling tot eeuwige barbaarschheid en ondergeschiktheid zou zijn."
„Tegenwoordig kan een groot volk niet zonder eigen industrie bestaan. Welnu, wanneer Amerika een industrieland worden moet en wanneer het groote vooruitzichten heeft hierin zijne mededingers niet slechts in te halen, maar zelfs vooruit te komen, dan staan er twee wegen voor hem open: Of, met vrijhandel gedurende stel vijftig jaar een uitermate kostbaren concurrentiestrijd te voeren tegen de Engelsche industrie, die hem honderd jaar ongeveer voor is, öf, maar dan door protectionisme, de Engelsche concurrentie voor,'laat ons zeggen, vijf-en-twintig jaar, buiten te sluiten, met de absolute zekerheid dat aan het eind van die vijf-en-twintig jaar de Amerikaansche industrie haar plaats op de wereldmarkt zal handhaven. Welke van die twee wegen is de goedkoopste en kortste?
874
Daarom gaat het. Wanneer gij van Glasgovv naar Londen reist, kunt gij den wettelijk voorgeschreven boemeltrein (Parliamentary train) nemen; ge betaalt dan een stuiver per mijl en rijdt 12 mijlen in het uur ; maar dat zou niet in u opkomen, daartoe is uw tijd u te kostbaar. Gij reist sneltrein, betaalt twee stuivers per mijl en gij rijdt veertig mijlen per uur. Welnu, de Amerikanen geven er de voorkeur aan een billet voor een sneltrein te nemen om zooveel te sneller vooruit te komen. Mijn Schotsche voorstander van den vrijhandel kon geen woord meer hiertegen inbrengen".
De veronderstelling bij deze aanbeveling van beschermende rechten is, dat deze slechts een tijdelijke maatregel zijn. Dat zij worden opgeheven zoodra een gegeven nijverheid tot ontwikkeling is gekomen.
De Duitsche resolutie nu gaat van de opvatting uit, dat deze tijd van opheffing voor de Duitsche nijverheid is aangebroken.
Het standpunt van Engels, het standpunt op het Stuttgarter congres o. a. door Schippel verdedigd, aanvaardt feitelijk evenmin de beschermende wetgeving als blijvend, slechts als tijdelijke maatregel die verwacht wordt tot vrijhandel te leiden.
Er is echter nog een andere overweging die bij het bepalen van ons standpunt in het oog dient gehouden. De opheffing der concurrentie, die voor bedrijven welke aanwending van belangrijke hoeveelheid vast kapitaal vereischen de noodzakelijke uitkomst van de kapitalistische ontwikkeling is, heeft het karakter van beschermende wetgeving zooals het door List en Engels theoretisch werd gezien, volledig gewijzigd. Doch dezelfde economische ontwikkeling heeft ook de beteekenis van het begrip vrijhandel gewijzigd. Vrijhandel beteekent ook voor zijn voorstanders niet meer vrije concurrentie. Het beteekent alleen een ruilverkeer, dat niet door invoerrechten tusschen het eene land en het andere wordt bemoeilijkt of ingewikkeld gemaakt. Er zal, willen wij zeggen, bij een handelspolitiek van vrijhandel, voor zoover het in de macht van de samenwerkende ondernemers ligt, niet méér onderlinge concurrentie zijn dan bij een handelspolitiek van beschermende rechten. Het is volkomen juist, dat in groote landen als Duitschland en Amerika de beschermende wetgeving, de aaneensluiting der ondernemers bevordert, gemakkelijker maakt. Doch het is even juist, dat ook zonder beschermende rechten de kapitalistische ontwikkeling op zichzelve tot geheel gelijke aaneensluiting voert. Niet enkel de kartelvorming in Engeland en voor een deel die in Nederland en in andere driekwart of half vrijhandelslanden, zijn hiervan voorbeelden. Doch ook de aaneensluiting in de transportbedrijven en in een aantal nijverheden die niet behooren tot de door invoerrechten beschermde. Naarmate in de grootbedrijven de concurrentie verdwijnt, en dit is de thans wel onbestreden uitkomst der economische ontwikkeling, vervalt dit onderscheid tusschen
8/5
de twee stelsels van handelspolitiek, dat in het eene de concurrentie vrij zou zijn en in het andere niet. In „vrijhandel", en in „protectionisme", is niet méér vrije concurrentie, dan door de macht der aaneensluiting van ondernemers nog wordt aanvaard, of door hunne nog niet volgroeide macht nog moet worden gedoogd.
Zoo is er van de theoretische begrippen vrijhandel of bescherming, zooals wij ze in den aanvang tegenover elkander hebben gesteld, nog veel minder overgebleven dan aanvankelijk scheen. Hoe in dit licht gezien, voor de Nederlandsche arbeidersklasse de keuze zal staan tusschen de eene handelspolitiek of de andere, beschouwen wij in een volgend artikel.
Nasprokkelin g
DOOR
J. SAKS. II. (Slot).
... En de man, die achter gaat Ziet altijd des voorsten kwaad. Daarom, leer omzichtigheid; Hoor, wat ieder van u zeit.
VII.
Met vader Cats hopen wij ons in elk geval niet te blameeren... Wel bezitten wij zelf dichters genoeg om niet noodig te hebben bij anderen leentjebuur te spelen; wel hebben wij welbeschouwd niet alleen het recht maar ook den plicht onze poëtische benoodigdheden, motto's, Meiverzen, losse spreuken e. d. voor zoover de voorraad strekt, te ontleenen aan hen, maar — om het nog even over Bonger te hebben — op hem maken juist hunne getuigenissen waarschijnlijk niet bijster veel indruk. Wij zagen hoe hij, als een slag op de vuurpijl ter verlichting van de duisternissen onzer psychologie, het feit memoreerde: „dat de meest in 't oog vallende figuren der marxistische richting in Nederland, beroemde dichters zijn d. w. z. personen, die zich van de overige menschen vóór alles onderscheiden door een krachtig gevoelsleven." Nu geloof ik niet, dat deze definitie juist is, maar er is nog te veel stof tot oneenigheid dan dat het noodig zou zijn de psychologie van het dichterschap te analyseeren; bij alles wat wij ontleden kunnen wij althans onze poëeten wel heel laten. Hierover althans zullen wij het wel eens zijn dat van alle vaderlandsche dichters onze zegsman zeker wel mee van het minst als „rücksichtlose Draufganger" in aanmerking komt, dat hij als „practisch" man en als vertegenwoordiger mede van ons „volkskarakter" eenig vertrouwen niet onwaardig is. Plaats nu eens achter reformisten en radikalen beiden een man als hij, vol zwaarbezonken ervaring en overbezadigde wijsheid en hoor eens wat hij, na onze respectieve ruggen te hebben geïnspekteerd, denkt van ons beiden ten opzichte van de gebreken die Bonger enkel ontdekte bij anderen, — moderniseer hem desnoods tot welken hedendaagschen bourgeois ge wilt en het zal u duidelijk worden, dat hij als man „die achter gaat" in plaats van als „menschen" ons allereerst zal schatten als socialisten en minder onderscheid tusschen ons zal ontdekken dan onze psychologische „Draufganger" vermoedt, die voor zich en de zijnen aanspraak maakt op de nationale normaliteit. Zoo kan vader Cats niet alleen door zijn woorden, maar ook door zijn kalm-breede vaderlandsche figuur, hem allicht nopen ook ten opzichte van zich zeiven en zijn medestanders wat meer „Rücksicht" te beoefenen.
8/7
En niet het minst, dunkt me, verdient deze omzichtigheid aanbeveling ten opzichte van het dichterschap. Het loopt toch de spuigaten uit, dat den „radikalen" hun doodenkele poëten als verzwarende omstandigheid worden aangerekend, terwijl het in de tegenpartij ervan wemelt; terwijl de S. D. A. P. toen zij zoo jong was als de S. D. P., de partij der „advokaten, dominees en studenten" genoemd, nu wel de dichterspartij mocht heeten. Is daar niet — als overgangsvorm — onze dichter Bonn van wien mij soms zeer reformistisch proza ter oore is gekomen? En hoe kan Bonger, waar hij spreekt van beroemde, in 't oog vallende dichters, Adama van Scheltema vergeten, die de onze als heipalen voor zijn „Grondslagen" onder den grond heeft trachten te stoppen? Maar Scheltema trekt als reformist tot dusver voornamelijk de aandacht waar hij als jubileum-dichter optreedt, zal men zeggen. Het zij zoo; intusschen ook onder de „vooraanstaanden" van het gewone, door-de-weeksche anti-radikalisme ontbreekt het niet aan dichters; sterker nog: zonder uitzondering zijn „de meest in 't oog vallende figuren" ervan muzenzonen. Is het onze schuld dat Schaper, de meedoogenlooze pseudoniemenvervolger, als de dichter „Arago" minder in 't oog valt dan hij verdient? Heeft Troelstra niet de algemeene aandacht getrokken als dichter van „Rispinge" nadat hij in Deventer zijn oogst van proza had binnengehaald? En Vliegen: sla zijn verzamelde werken op en ge zult behalve door enkele goede schetsen, ongetwijfeld door zijn poëzie getroffen worden.
Mag meen'ge ruwe slag t'harte al verwonden,
Blijf mededoogenloos wat waar u schijnt verkonden.
Onder dit motto, eraan ontleend, werd in „Het Volk" zijn jubileum-uitgave aangekondigd. Op den vorm van deze verzen zal ik geen aanmerking maken; wanneer ik er zelf heb daargesteld waren ze ook leelijk. Maar let op hun inhoud en op den tijd hunner publiceering: het najaar van 1908, midden inde troebelen vóór Deventer, en ge zult toegeven, dat reformistische dichters niet tot de minst gevaarlijke behooren. — En na deze poëtische voormannen de bijna onoverzienbare reeks der versificerende volgelingen. Ik zal ze niet noemen daar hun gevleugelde naam om zoo te zeggen op ieders lippen zweeft en om het gevaar te vermijden misschien de beste helft ervan over te slaan. Waar, in welke partij ter wereld treft men zooveel dichterlijke gedachten aan, in vrijwillig gediciplineerd proza voorgedragen, als in de oude partij? Welk een armoedig figuur slaat daartegenover onze, althans tijdelijk, insolvente firma De Wolff & Ceton! Het zijn misschien niet allen „beroemde dichters" — en het causale verband door Bonger gelegd tusschen beroemd dichterschap en radikalisme heeft de strekking om in samenhang met taktische overwegingen zeer antipoëtisch en diensvolgens zeer antiglorieus te werken, — maar zij kunnen zich ook hier door het vliegensche motto een riem onder het dichterhart laten steken; en het zit hem ten slotte toch minder in den roem dan in het gevoel. Daarmede is het in orde en dat is de hoofdzaak maar. Neem om u te overtuigen bijv. „de Notenkraker." Uiterlijk is hij een radikaal, om niet te zeggen een tribunist: barsch, houterig „onverzettelijk", de phrygische muts op de revolutionaire lokken; maar innerlijk vol sentiment en, een der meest in 't oog vallend reformistische figuren, tevens een der overvloedigste poezieleveranciers. Het procédé is bekend: men neemt een stuk gevoelvol, geestig, dikwijls satyriek proza, zet hem dat tusschen het regelmatige en sterke gebit en het komt er geleidelijk als gepolijste, „glanzende" verzen met onberispelijke caesuur uit terug; n'en déplaise de redacteur Vliegen verandert aldus zelfs het dichten in automatischen, ongeschoolden arbeid Van poezij gesproken en van in 't oog vallende figuren 1 Wiens
878
naam verzweeg ik nog, ofschoon ik hem het eerst had moeten noemen; wien noem ik 't laatst alleen omdat hij niet de minste is ? Is het niet Louis Maximiliaan Hermans? In wien is de geweldigheid der poezij schrikwekkender belichaamd dan in hem, die met gelijke vroolijkheid Troelstra, Nieuwenhuis en Wijnkoop aan zijn dichtveder heeft geregen? Door wien de macht harer zoetheid beminnelijker geopenbaard dan door hem mede, die geen barricade heeft bestegen zonder dat zij — ,,o Poezij, hoe lieflijk is uw tred", — tot een geurigen zangberg ontbloesemde ?
Zoodat ik maar zeggen wil, amice: ook in zake poëzie zijn reformisten en radikalen aan elkaar gewaagd en is het grootste euvel zeker niet aan onzen kant. In de eene zoomin als in de andere fractie heeft men er zich van vrij weten te houden. Zong de Génestet niet reeds: Poëzie is overal, overal, mijn vrinden ... ?
VUL
Laten wij beiden, bevoorrecht door onze immuniteit in deze epidemie, ons nog eenige oogenblikken bezighouden in betrouwbaar, kalm en practisch proza. Het zou kunnen zijn, althans de tegenwerping zou kunnen worden gemaakt
— aldus overweegt Bonger — dat hoezeer en niettegenstaande de „radikalen" een onaangenaam type vertegenwoordigen, de aard hunner kritiek, het karakter hunner voorstellen min of meer toevallig van marxistisch kaliber waren; het zou op zich zelf beschouwd, niet onmogelijk zijn, dat deze „selektie" van fanatici en individualisten, ofschoon zwaar belast met anti intellektueelen aanleg voorzoover een pathologisch ontwikkeld gevoel het erkennen van de waarheid en het vinden van de juiste handelwijze in den weg staat, — het geval zou zich kunnen hebben voordoen, dat minder door dan ondanks hun psychologische voorbeschiktheid, deze „radikalen" bij verschillende gelegenheden de juiste taktiek hadden voorgesteld, den waren weg hadden aangewezen. Dit nu ontkent hij, en wel, zooals we dit gewoon zijn: „met de meeste beslistheid". Ten eerste hebben zij marxisme gezien waar het niet was, ten tweede is de tegenpartij waar in een doodenkel geval aan het marxisme was tekort gedaan voor de erkenning daarvan niet onvatbaar gebleken, ten derde namen en nemen de „radikalen"
— voor een gedeelte althans — in een andere zeer belangrijke kwestie een standpunt in, dat met het marxisme in flagrante tegenspraak is. Ten bewijze hiervan onderneemt de schrijver een kritisch overzicht van de in zijne — en voor langen tijd onze — partij opgekomen, opgeworpen, besproken en doorvochten kwesties. Wij zullen hem daarbij niet op den voet volgen en speciaal die „gevallen" ter zijde laten, die vallen buiten den tijd, waarin Bonger zijn stellingen omtrent de marxisten publiceerde en waarin tegelijkertijd met de scheiding tusschen dezen, het persoonlijk element in verschillende opvattingen zich zeer veel sterker heeft geaccenteerd dan te voren. Wij kunnen ons bepalen tot een dergelijke partieele behandeling, omdat het aantal min of meer kenmerkende „kwesties" met zijn voorbeelden ervan niet is uitgeput, noch vóór Deventer, noch daarna; „en die stroom rijst al meer en meer". Wij kunnen ons hiertoe temeer beperken omdat in deze bijzondere kwesties slechts zeer toevallig en zeer gedeeltelijk de groote strijdpunten tusschen marxisme eener- en revisionisme en reformisme anderzijds zijn belichaamd. Niet enkel wat er op bijzondere onvoorziene punten is gebakkeleid geeft een maatstaf van de tegenstelling tusschen beide richtingen, maar vooral wat er is gediscussieerd over hetgeen wederzijds is voorzien omtrent de algemeene economische en politieke ontwikkeling en wat er in verband daarmede wederzijds is voorbereid en als voorbereiding bestreden. Over deze kenschetsende groote verschilpunten wordt
879
in de artikelen van Bonger niet gerept en hiermede wordt het belangrijkste element tot begrip der tegenstellingen terzijde gelaten. — Om er een zeer kenschetsend voorbeeld van te geven tot welke zonderlinge gevolgen dit leidt bij wat hij wél bespreekt: uit de economischen en politieken toestand van ons land in hoofdzaak wil hij het bovendrijven van het reformisme ten onzent verklaren, (pag. 621). Wanneer, schrijft hij in aansluiting daarbij later (pag. 771) „wanneer werkelijk de regeerende klassen in Nederland „Pruisisch" zouden gaan spreken en handelen — een voorloopig hypothetisch geval — dan zou het algemeen karakter der S. D. A. P. (alleen iemand die door persoonlijke antipathien gedreven wordt kan hierover een andere meening hebben) ook gelijk worden aan dat der Duitsche partij' . Aldus de toekomstphantasie van Bonger. Maar er zijn er andere en voor de praktijk belangrijker. Toen Leeuwenburg vóór eenigen tijd met zijn plannen op de proppen kwam — de jonge Leeuwenberg, geprotegeerd door Troelstra, opgekweekt in de Schaper-Vliegenschool en een hunner beste leerlingen — toen Leeuwenburg de blokpolitiek en het ministerialisme van uit de dreigende sfeer der bespiegeling openlijk in het „werkelijke leven" wilde halen, toen werd hij teruggewezen. Niet definitief, niet principieel, maar van de zijde van „Het Volk" onder dit voorbehoud: dat zijn blokplannen alleen onder abnormale toestanden, bijv. wanneer Kuyper aan 't bewind zou zijn gebleven, levensvatbaar en aannemelijk waren Reformistische taktiek in zijn scherpste uiting werd dus aanvaard voor het geval onze politiek zich ontwikkelde of bestendigde... in de richting van de „Pruisische"; zoo één dan vertegenwoordigt de naam Kuyper de politiek der verscherpte tegenstellingen, aan niemand is de idee van geweldpolitiek nauwer verbonden dan aan den man van 1903; Bonger zelf neemt het sommigen der marxisten zeer kwalijk (pag. 765) dat zij in 1905 „vergeten waren dat Kuyper de man van 1903 was"; het kan hem dus zeker niet onwelkom zijn, dat wij het zoo goed hebben onthouden dat wij hem er in 1911 uit eigen beweging eraan kunnen herinneren. Dit idee werd verkondigd in het leidende politieke orgaan der S. D. A. P. door den officieelen woordvoerder dezer partij, door den leider voor 't minst harer „overgroote meerderheid". Het officiëele voornemen was dus, de S. D. A. P. in een geval dat deze partij volgens Bonger zich verder naar de door hem als meer „radikaal" voorgestelde Duitsche partij moest ontwikkelen, hiar juist den tegengestelden weg te doen inslaan en haar tot een uiterstr. formistische te maken. — Dit, ten eerste, wordt hierdoor duidelijk dat Bonger een zeer gebrekkig idee geeft van den reeëlen aard van het reformisme; dit, ten tweede, dat ver binnen den kring van het gemeenschappelijke „einddoel" of „ideaal" het toekomstelement een groote rol moet spelen en heeft gespeeld i zake reformisme-marxisme en een hoofelement van wrijving was en blijft; dit, ten slotte, dat de marxisten door hun moraliseerenden psycholoog op schitterende wijze worden gerehabiliteerd wat hun „toon" en hun „wijze van optreden" betreft, voorzoover volgens zijn eigen voorbeeld goede manieren tegen de reformisten zich blijkbaar verdragen met het toeschrijven hunner opines aan niets meer of minder dan „persoonlijke antipathien".
Wij beperken ons dus tot een korte bespreking van de enkele door Bonger gememoreerde twistpunten vallende vóór den tijd waarin hij zijn stellingen publiceerde; een discussie die naar zijn voorbeeld zich bepaalt tot een korte karakteriseering; wil Bonger uit hun behandeling van onzen kant er de marxisten door doen kennen, wij op onze beurt zullen ze voornamelijk gebruiken als bronnen tot de kennis van Bonger in zijn nieuwe funktie als marxisten-kriticus. Van deze punten sluiten wij bovendien nog de discussie over het arbeidscontract uit, om een reden van anderen maar niet minder geldigen aard dan de
88o
bovengenoemde. Wij zijn namelijk van deze kwestie niet goed op de hoogte. Maar wij hebben er, dit zij tot onze verontschuldiging aangevoerd, ook niets over beweerd. Hoe weinig „praktisch" van Bonger dat hij het zich niet even gemakkelijk heeft gemaakt.
De eerwaardige „agrarische" kwestie mag par droit de naissance voorop gaan. „Zij is, zegt Bonger, in „radikalen" zin opgelost en daarmee basta". Met dit radikale slotwoord beëindigt de schrijver intusschen niet de discussies erover, die nog steeds voortduren en die er blijk van geven, dat de „oplossing' ervan in den „radikalen" zin door Bonger bedoeld, door een deel der S. D. A. P. niet wordt aanvaard. In zooverre reeds is zij er niet eene, die met een bazig „basta" als definitief afgedaan buiten verdere beschouwing kan worden gesteld en behoort zij nog altijd tot de zeer belangrijke twistpunten tusschen de twee richtingen in de nederlandsche sociaaldemokratie. Maar bovendien: de „agrarische kwestie" is feitelijk slechts in zooverre opgelost „in radikalen zin" als de „radikalen" op het Haagsche Kongres in deze kwestie hun zin hebben gekregen; de agrarische kwestie is niet in radikalen zin opgelost voorzooverre bij hare oplossing opportunistische en niet principieele overwegingen den doorslag hebben gegeven. Zij heeft haar beslag gekregen ,,in radikalen zin" onder invloed van het feit, dat de agrarische toestanden in de noordelijke provinciën, in Friesland speciaal, zich sedert het laatst der vorige eeuw zoodanig hadden gewijzigd, dat er door een deel der agrarische kommissie aan de oude bepalingen voorshands en tijdelijk geen gewicht meer werd gehecht. Zij heeft een voorloopige „radikale" opschorting meer dan oplossing kunnen vinden omdat zij door een deel der kommissie, niet in radikalen, meer in opportunistischen zin werd opgelost. En ongerekend hun recht van kritiek is het ook in zooverre volkomen in den haak, dat de voorstanders der wijziging dezer „oplossing" met hun oppositie voortgaan: de radikale „oplossing" te wijten zijnde aan ten deele opportunistische overwegingen kan geacht worden op dezelfde opportunische gronden ten allen tijde voor een wijziging in niet radikalen zin in aanmerking te komen. Het is te betwijfelen of Bonger van deze zaak voldoende op de hoogte is.
Een ander door Bonger opgerakeld twistpunt betreft de actie voor den tienurendag. Men kan niet volhouden, zegt hij, dat deze actie in strijd is meteenig socialistisch principe. Wij zijn dit met hem eens; ik geloof zelfs dat wij allen het met hem eens zijn. Toch, zegt hij, heeft deze actie geen genade gevonden in de oogen van sommige critici. Ik geloof niet, dat de kwestie aldus op de juiste wijze is voorgesteld. Kritiek is gewekt door het losmaken der tienurenactie van den traditioneelen eisch van den achturendag; door het met bedoeling en bewustheid verzwijgen van het populaire socialistische programpunt; door het nadrukkelijke uitschakelen van het verband tusschen tien- en achturendag; door het verzet tegen de uitdrukkelijke voorstelling van den tienurendag „als eerste station" naar den door het internationale socialisme geeischten achturigen werkdag. En welke beteekenis daaraan te hechten was, niet alleen volgens „sommige critici" die spijkers op laag water zoeken, maar volgens niemand minder dan Mr. Troelstra die door Bonger zeker niet van „radikaal" gekritikaster zal worden verdacht, het bleek in de groote vergadering-zelve, waar de stemmen die opgingen om — naar Bongers bedoeling — den eisch van den tienurendag te verbinden aan de oude leuze, door den parlementairen leider op heftige wijze werden gesmoord met de tegenwerping, dat wat zij wilden, de oude, verkeerde taktiek beteekende. Ter wille van de aansluiting der Werk-
881
liedenbonders mede liet men het verband tusschen tien- en achtureneisch met voorbedachten rade achterwege - bang „zich aan koud water te branden" daar deze later verklaarden, dat men het om hen niet had behoeven te laten. Geheel afwijkend van Bongers voorstellingen beteekende de inzet van de tienurenaktie dus een verhulling van de traditioneele Meileuze en met alleen volgens sommige critici- maar volgens de officiëele toelichting stelde zij op dat terrein het begin eener nieuwe taktiek voor. „De actie voor den tienurendag, oordeelt Bonger zou alleen een verloochening zijn geweest van den principieelen achturendag wanneer men hem niet als eerste station doch als eindpunt gesteld had'' Men heeft hem oorspronkelijk noch als „eindpunt" noch als „eerste station" voorgesteld; men heeft hem in zooverre evenmin niet-verloochend als verloochend. Wij laten het gaarne aan den schrijver over deze manifestatie der na Utrecht gebleken „gevoelsnuanceering" te qualificeeren ; onzerzijds kunnen wij volstaan iiiet het zijne beschouwing te doen als het oordeel van iemand, die niet voldoende op de hoogte is.
In de werkloosheid-interpellatie van Troelstra ziet de schrijver een derde aangelegenheid |van belang tot staving van de ongegrondheid, of ten minste de onbillijkheid der critiek van de marxisten. De voorstelling die hij van dit geval «reeft overtreft in eigenaardigheid nog de beide besproken vergissingen. I roelstra heet het erkende op één punt niet competent te zijn, d.i. op het gebied der zuiver theoretische oeconomie in zake de verklaring der krisis, hij hel n.l. de vraao of Marx hier al dan niet gelijk had in het midden. Inde ira: verloochening van het Marxisme enz. enz. In plaats van deze groote woorden te gebruiken had" men beter gedaan...." En de schrijver telt hier niet minder dan vier gronden van verontschuldiging en vergoelijking voor Mr. Troelstra op, zoodat de kleine réprimande die deze volgens hem hoogstens misschien zou hebben verdiend hem wordt gegeven in de vorm van vier lessen aan zijn vroegere critici. Schrijver dezes fungeert bij deze gelegenheid als zoet Keesje die door zijn „gematigd oordeel aan de anderen ten voorbeeld wordt gehouden. Werkelijk ten onrechte: Reefje is ook stout geweest en hij zou er ongetwijfeld evenveel blaam voor hebben opgeloopen als hem er nu betreffel.jke lof voor is toegezwaaid, wanneer in plaats van tegen de „Tribune" de reformatische campagne tegen de „Nieuwe Tijd" had moeten worden geopend. De criticus geeft een voorstelling van den aeheelen gang van zaken die bijzonder onjuist is. Er is in de beoordeeling van Troelstra's interpellatie in tegenstelling tot wat zijn overijverige verdediger beweert niet den nadruk gelegd op diens verklaring zich in zake de speciale ■krisis-theorie niet kompetent te rekenen: noch door schrijver dezes, noch door den auteur van het „Tnbune' -artikel (van 14 Oct. 1908. ,De Afrekening') dat den reformisten dienstig is geweest zooveel stof op te werpen dat Bonger er zelfs nu nog door verblind blijkt. De nadruk is gelegd op veel algemeener en voor een leider, in 't bijzonder een fractieleider en bovenal een, zij het dan would-be. partijleider, veel ernstiger dingen. Wil de criticus zich blijven onthouden van de lectuur der „Tribune", waartegen hier zijn eigen „groote woorden aericht zijn, dat hij dan naast het eerste, het tweede artikel over het werkloosheid-debat van schrijver dezes leze, dat in de meeste belangrijke punten overeenstemt met de „Tribüne'-kritiek, dat in het wezen der zaak van dezelfde strekking en dat zelfs op den keper beschouwd veel scherper oordeel tegen Troelstra' inhoudt dan de critiek, die Bonger er met zooveel afkeuring tegenover stelt: veel scherper oordeel inhoudt zonder dit evenwel uit te spreken, gematigd" blijvend in den vorm en zoodoende blijkbaar voet gevend aan de misvatting dat de, overigens evenmin ongematigde kritiek in het gehaatte weekblaadje wel zeer overdreven moet zijn geweest. Men kan tegenover degenen
55
SS 2
die „groote woorden" gewoon zijn en niet ongewoon ze zelf te gebruiken, ook te kleine woorden voor groote zaken bezigen. Maar hoe het oordeel hierover moge uitvallen, gerechtvaardigd [schijnt mij dit andere te zijn, dat Bonger van, deze zaak zeer onvoldoende zich op de hoogte heeft gesteld.
Een afzonderlijke plaats neemt bij Bonger de karakteriseering van het standpunt der Marxisten in zake de schoolkwestie in; een afzonderlijke plaats ii> verband met de bijzondere beteekenis die hij er aan toekent: in deze belangrijke kwestie hebben de „radikalen" zich volgens hem gedragen recht tegen de eischen van de leer in, die zij in pacht meenen te hebben: het marxisme: en de „reformisten" — een ware verrassing voor hen — zijn met hun bereidwilligheid m het verleenen van subsidies voor kerkelijke doeleinden, de vertegenwoordigers van het „echt wetenschappelijke" standpunt. Wij meenen, dat Bonger ra dit deel van zijn artikel van „echt wetenschappelijke" opvatting niet minder ver verwijderd is dan in sommige die wij aanwezen en in andere die wij voorbijgaan; wij zullen ons evenwel ditmaal beperken tot een paar opmerkingen Bonger neemt het op voor „de ouderlijke macht" en „betoont met nadruk" dat het als ongeoorloofde „dwang" is aan te merken den ouders „het recht té ontnemen hun kinderen groot te brengen in de geestelijke atmosfeer die hun dierbaar is." Daarnaast intusschen verkondigt hij de stelling „dat de sociaaldemokratie natuurlijk is voor „inperking" (bijv. leerplicht) en zelfs voor „ontzetting" van dit recht (in geval van misbruik). De sociaaldemokratie — 'dat is: zijn „echt wetenschappelijke" — is dus, om het slechts bij het geval van leerplicht één uit honderde gevallen van toegepasten of voorgenomen „dwang" te laten! voor minder „dwang" dan de onmarxistische Internationale. En deze, die, voor zoover mij bekend is, evenals haar zeer bescheiden onderdeel, de S. D P. subsidies voor kerkelijke doeleinden unaniemelijk weigert toe te staan, wenscht daarmede, het „recht der ouders"'in zijn algemeenheid niet te vernietigen, maar n dit geval, waarin er, en met enkel van proletarisch standpunt, wel zeer nadrukkelijk van „misbruik" sprake is, te beperken en te regelen. — De schrijver herinnert aan de Jezuitenvervolging in Duitschland, die het Centrum groot heet gemaakt te hebben; tegen dézen „dwang" heeft de duitsche sociaaldemokratie zich verzet en nochtans wijst zij de kerkelijke school zoowel als hare subsidieering van de hand: een aanleiding misschien voor den schrijver omeens nader te overwegen of met vage algemeenheden en emotioneele voorstellingen als waarvan zijn „dwang"beweringen een typisch voorbeeld zijn in deze materie wel de „echt-wetenschappelijke" houding vast te stellen is. Wat voort* zijn beweringen omtrent het „historisch-materialisme" betreft — zij zijn voor mij althans, zoo vaag en onduidelijk, dat ik er en niet tot mijn spijt, van moet afzien erop in te gaan. De verklaring der godsdienst voor privaatzaak heet „m volkomen overeenstemming" er mee te zijn. Tot onze troost kunnen we dus konstateeren dat het weigeren van subsidies voor godsdienstige doeleinden voor kerkgenootschappen zoowel als voor het bijzonder onderwijs dat in hun dienst staat, niet strijdig is met dit historisch materialisme; even weinig als de programeisch van de verplichte, neutrale staatschool in het program der S D P mdruischt tegen deze leer of tegen een der internationale programma's die geen van alle, voor zoover mij bekend, het volksonderwijs tot privaatzaak' verklaren. De programstelling op zichzelf reeds dat „godsdienst als privaatzaak" moet behandeld worden en dus niet als openbare zaak, de eisch daarnaast van , .scheiding van Kerk en Staat" die lijnrecht ingaat tegen de verdere verbinding van beide in de vorm der subsidieering - zij zouden dunkt ons, voor ieder die
883
malin°' heeft aan de juristerij" de „groninger motie" onmogelijk maken. — Bonger vertelt van de S. D. P. (pag. 757) dat zij „hetzelfde program heeft als de oude partij — belangrijke verschilpunten zijn er dus niet — doch eischt dat hare leden dit program op een bepaalde manier opvatten"; of zooals hij het op dezelfde pagina noemt, dit program „opvatten in een bepaalde, van de gemiddelde menschen afwijkende sentiments-schakeering", zonder „binnen de grenzen" ervan „de individueele gevoelsschakeeringen vrij spel te laten." De „schoolkwestie" heeft hij hier waarschijnlijk buiten beschouwing gelaten daar zij op onmiskenbaar verschillende wijze in de beide programs wordt behandeld. Maar voorzoover omtrent de clausules die „godsdienst tot privaatzaak" verklaren en de scheiding van kerk en staat" eischen sentimentsschakeeringen mogelijk zijn, schijnt mij de opvatting der S. D- P. meer, zooal niet met die der gemiddelde ..menschen" dan toch met die der gemiddelde sociaaldemokraten overeen te komen dan de „individueele gevoelsnuanceering" der S. D. A. P. — Onze tegenpartij ziet in de weigering der S. D. P. tot subsidieering der „bijzondere school en in haar programeisch van de neutrale staatsschool, „een interessante psycho ■ logische bijdrage: „dezeltde menschen, die in een partij, waarvan zij in volle vrijheid VA waren geworden, een volstrekt onbeperkt recht van kritiek opeischten, zien er geen bezwaar in, een maatregel in de ^«^gemeenschap de staat, te vorderen" die met de vrijheid van overtuiging in volkomen strijd is." Niet minder interessant als psychologische bijdrage is zeker de gevoelsnuanceering en sentimentsschakeering, die iemand ertoe brengt, den afkeer van „dwang toe te schrijven als overwegend motief van politieke handeling aan een partij, waarin de discrediteering en vervolging van degenen schering en inslag is geweest, die hetzelfde recht van kritiek voor zich opeischten als waarvan zij zelf het voor, werp en het slachtoffer waren; en het interessantst van psychologische beteekenis is het deze „vrijheid van overtuiging" uit naam eener partij in bescherming te zien nemen tegenover hen die zich na en door hare eigenaardige toepassingen van dit kostbare principe, gedwongen of vrijwillig uit hare gelederen verwijderden.
IX.
De marxisten in de socialistische beweging op de door ons gerecenseerde wijze gedetermineerd hebbende als „fanatici" en in samenhang daarmede als individualisten", verklaart Bonger zich in staat rekenschap te geven van zijn „quahrïcafie der nieuwe partij" als „typische sekte." Wij twijfelen er met aan of, bekwaam gebleken over den hond te komen, zal hij ook komen over de staart. Feitelijk is de toer natuurlijk reeds volbracht voorzoover een groep van zulke individuen nauwelijks met een normale „partij" is gelijk te stellen: „sekte is m zulk een geval slechts een euphemisme voor „bende", „Sekte" blijkt intusschen als benaming voldoende te worden bevonden, maar ook noodig. „Het kenmerkende verschil", aldus leert ons Bonger, „tusschen een partij en een sekte is dat de eer=te binnen de grenzen van haar program de individueele gevoelsnuanceerin-en vrij spel laat, terwijl de tweede eischt, dat hare aanhangers niet alleen haar^program onderschrijven, maar dit ook op een bepaalde, van de gemiddelde menschen afwijkende, sentimentsschakeering opvatten" (pag 757)- Ue Hollandsche S D P- nu „beantwoordt Volkomen" aan deze laatste quahficatie.
Zij heeft hetzelfde program als de oude partij - belangrijke verschilpunten zijn er dus niet — doch eischt dat hare leden dit program op een bepaalde manier opvatten. Juister gezegd, dat hare leden van een bepaalde radicale gevoelsnuanceering zijn." Men zal moeten erkennen, dat een en ander voor „fanatici" nog al schappelijk is. Voor 't overige heeft men bitter weinig houvast aan
884
Bongers zelfgefabriceerde vage definitie. Waarom noemt hij niet eens voorbeelden, die de beoordeeling veroorloven of zij juist is? Sterker: die ons een eenigszins duidelijk begrip kunnen geven van zijn bedoeling? Een partij zou men zoo zeggen, waarvan het program gelegenheid biedt voor dergelijke uiteenloopende „opvattingen" heeft in zooverre géén program; en dit is dan het verschil tusschen haar en een „sekte" dat deze laatste er wel een heeft. Een dergelijke ..partij" waarin de eenwezige opvatting van het program als een sektaire abnormaliteit geldt is veeleer een janboel te noemen. Wel zelden, dunkt mij, is het opportunisme in krasser vorm tot principe verheven en is de politiek door Mr. Troelstra tegenover degenen die in haar niet enkel, maar mede een „wetenschap-' zagen, als „kunst" gedefinieerd, op nadrukkelijker wijze tot stemmingskunst verbasterd.
^ Maar er zijn secundaire kenmerken die aan de qualificatie van „sekte" op de S. D. P. toegepast, een nog breederen bewijsgrond verschaffen. Ook hierin vertoont zij „het klassieke beeld eener sekte" dat zij „voornamelijk strijdt voert tegen degenen met wie zij vroeger verbonden was." Hoogst karakteristiek inderdaad: om zich in de eerste plaats schrap te zetten tegen een zich sociaal-aW krattsch noemde partij, waarin de demokralische meeningsuiting kon worden vermoord, waar goede sociaaldemokraten zijn uitgesmeten en die in woord en daad de kennis van haar voornemen in u levendig houdt, u op de meest „radikale" wijze „dood te drukken": inderdaad, om zich tegen dergelijke uitingen van de „gevoelsnuanceering ' der „gemiddelde menschen" in de "eerste plaats teweer te stellen, daarvoor moet men speciaal een „sekte" zijn; om op zelfbehoud bedacht te zijn tegen een partij, waarin de „gemiddelde menschen" het klassieke beeld der ketterjagerij hebben vertoond, daarvan kan men alleen een „sekte' verdenken. Maar er is een nog steekhoudender reden waarom deze naam voor haar zoo bijzonder passend en welgekozen is; een reden samenhangend met het besproken hoofdkenmerk van het gebrek aan gastvrijheid voor „gevoelsnuanceermgen" en verklaard, „onmiddellijk" verklaard, zooals de schrijver zegt, door de befaamde wet van Quételet. Deze wet - wij zagen reeds hoeveel gelegenheid zij de „gevoelsnuanceering" van den schrijver biedt voor een linker toepassing - zij leert hoe „de afwijkingen tusschen de individuen steeds grooter worden naarmate zij verder van het gemiddelde afstaan." „Vandaar dat men reeds kon lezen van een „gematigde" - sit venia verbo — vleugel der S D P " Inderdaad, wat leest men al niet! „De wet van Quételet" die de schrijver van algemeene toepassing oordeelt, blijkt ook voor de S. D. P. op te gaan ; deze heeft twee „vleugels", waarvan, de eene ten opzichte van de andere natuurlijke als „gematigd' geldt; geen wonder dat dit de verwondering opwekt van den schrijver die in zijn éénvleugelige toepassing der wet van Ouételet den „gematigden vleugel der S. D. A. P. geheel uit het oog verliest. - „Als kenmerk voor het begrip „sekte" — aldaar gaat Bonger voort - vindt men herhaaldelijk, bijna uitsluitend opgegeven het adjectief: klein, waarmede alles schijnt gezegd te zijn. Een partij is evenwel niet een sekte, meent hij, omdat zij klein, m;Tar is klem omdat zij een sekte is in verband met en als gevolg van haar uitsluiting van „gevoelsnuanceermgen" en „sentimentsschakeeringen." De wet van Quételet brengt ook hier „onmiddellijk" het benoodigde licht: „de van het gemiddelde afwijkende menschen vormen steeds een kleine minderheid." „Tracht een sekte vóór alles groot te worden, dan is dit alleen mogelijk door het karakter van sekte af te leggen en ... een partij te worden door meer ruimte te laten aan
individueele afwijkingen"
De schrijver vergunne ons de toepassing van deze en verdere sekte stellingen eens te zoeken in andere richting dan waarheen zijn eigen „gevoelsnuanceering"
885
hem voortdurend drijft. De S. D. A. P. werd opgericht door „menschen" die een minderheid vormden in de menschheid, in het nederlandsche volk, en ook in den nog kleinen Ouden Bond. Zij vertegenwoordigden een groote verscheidenheid van meeningen, kwamen hierin evenwel met elkander overeen dat zij het gezamenlijk niet konden vinden met de „gevoelsnuance" van de meerderheid in hun socialistische partij. Zonder verbod van vrije meeningsuiting, zonder royement van medestanders trokken zij er uit en voldeden volkomen aan de eischen die Bonger stelt aan een „typische sekte." Deze sekte, de S. D. A. P., ontwikkelde zich nu zoodanig, dat zij op gelijken leeftijd als de Oude Bond en maar weinig grooter dan deze, evenzeer als deze een zeer groote verscheidenheid van opvattingen in zich borg: niet alleen dat zij „wel veertig soorten van marxisten" bevatte — „iets, zooals Bonger zegt, dat in een werkelijke partij, d.w.z. een groep waarin de gemiddelden de meerderheid vormen, niet zal voorkomen" — maar daarnaast herbergde zij een zeker nog grooter aantal revisionistische en reformistische „soorten". Als „sekte" voorbestemd „om klein te blijven, dreigde haar anderzijds het gevaar door splitsingen nog kleiner te worden" en (ander „typisch kenmerk" der Bongersche sekte) zeer onverdraagzaam ten opzichte van de marxistische „gevoelsnuanceering" ontkwam zij zoo weinig aan dit gevaar dat zij met een onverdraagzaamheid, als tot dusverre in het Nederlandsche socialisme nog niet was waargenomen, een nieuwe „sekte" van zich afstootte. Misschien voldoet de S. D. A. P. nu aan den eisch eener Bongersche „partij" voorzoover zij een kleiner hoeveelheid soorten van marxisme omvat, aan die van een Bongersche „sekte" beantwoordt zij nog altijd door haren rijkdom aan „reformistische" varianten.
Ofschoon dus de nadere uitwerking van het begrip „sekte" tegenover dat van „partij", ondernomen met de bedoeling om de S. D. P. met het eene te ontsieren, de S. D. A. P. met het andere te tooien, tot resultaat heeft dat de eene al meer op een kleine partij en de andere op een groote sekte gaat gelijken, — wij twijfelen er niet aan of „de overgroote meerderheid", die als spraakmakende gemeente fungeert, zal de odieus geachte benaming op de onbeminde S. D. P. uitsluitend toe blijven passen en de aanspraken die de S.D.A.P. blijkens Bonger's nadere karakteriseering op deze qualificatie kan doen gelden, minder achten dan hem onaangenaam kan zijn. Er is ook niets tegen dat men tot uiting zijner onvriendelijke stemming van dezen term gebruik blijft maken, die het voorrecht heeft van kort te zijn en van een onvriendelijk klankgehalte. Men moet tegen dergelijke emotioneele uitingen zoo tolerant mogelijk optreden en in casu den gewoonlijk als schimpnaam bedoelden „sekte"-titel aanvaarden met de verdraagzaamheid eener „partij". Zij schenken den gever blijkbaar genoegen en kunnen den ontvanger desnoods de voldoening geven dat zijn tegenpartij een dergelijke uiting zijner ongunstige „sentimentsschakeering" en „gevoelsnuanceering" noodig heeft. Het verwijt: gij zijt een sekte, van den kant dergenen die met dooddrukplannen rondloopen, kan men philosophisch beantwoorden met: ergo sum. En of Bonger die dit belangrijke sektevraagstuk op intellektueele wijze tracht op te lossen, met zijn opmerkingen daaromtrent gelijk heeft of ongelijk, dit behoeft niet meer dan de minste van onze zorgen te zijn. De hoofdzaak is hier dat hij geen schijn van bewijs levert voor zijne stelling dat de tribunisten „menschen zijn die van partijgenooten eischen dat zij het in alles eens zijn, ook in temperamentskwesties". Integendeel, voor zoover hij met zijn nieuwe beweringen iets bewijst, is dit het tegendeel. Hij, die verschil van inzicht met deze „temperamentskwesties" identificeert, legt nota bene den
886
nadruk op het betrekkelijk groote onderlinge verschil van meening en op het reeds bestaan van een „gematigden" vleugel in de S. D. P. ten bewijze dat zij een sekte is! Gij zijt typische sektariërs omdat gij in alles eensgezindheid als eisch van partijgenootschap stelt; gij zijt het als partijgenooten in alles onderling meer oneens dan anderen: dus zijt gij typische sektariërs. Zou Bonger als nadere „toelichting" zijner stelling deze „echt-wetenschappelijke" sluitrede misschien in de Neue Zeit willen publiceeren, met het bericht erbij dat de S. D. P., trotz alledem, nog niemand om zijn bijzondere „gevoelsnuanceering" heeft geroyeerd en nog altijd existeert... als sekte?
Een zonderling ding is het, zulk een „sekte" naar Bongers recept en het mag in ons te verontschuldigen zijn, dat wij andere dokters er eens over konsulteerenWij willen — en het is ons zeer welkom ook een paar geleerde getuigen in 't veld te kunnen voeren: tegenover onze beide collega's disputanten komen wij hierin op bedroevende wijze ten achter — wij willen op onze beurt uit de Fransche wetenschap een paar, o zeer bescheiden, grepen doen. Hoe definieert de Encyclopédie (van Diderot) het woord „secte"? Als „samenvattende term, toegepast wordend op hen, die de meeningen of de stellingen onderschrijven van een of anderen doctor of particulieren meester, hetzij theoloog of philosoof." E)r wordt o.a. aan toegevoegd dat het latijnsche woord secta dezelfde beteekenis heeft als het grieksche woord haeresis. De ketters worden gewoonlijk onder den naam van sektairen en de kettervereenigingen onder die van sekten aangeduid. Zoo spreekt men o. a. van de sekte van Luther, van Calvijn etc. en men gebruikt veelvuldiger den naam „school" wanneer men spreekt van godgeleerden der katholieke kerk, die onderling van gevoelen verschillen: aldus is het beter te spreken van ,,de school der Thomisten", dan van de sekte der Thomisten.... Welke zin wordt er meer dan een eeuw later aan het woord „sekte" gehecht? Volgens de nog heden toongevende Diclionnaire de la Langue Franfaise (van Littré), die het met een schat van voorbeelden staaft is de algemeene beteekenis ervan: „een verzameling van menschen die eenzelfde leer aanhangen"; daarnaast is de speciale opvatting van dit woord: „de gezamenlijkheid van hen die een meening aanhangen, als ketterij of als dwaling veroordeeld." Aldus oordeelen andere geleerden er tegenover Bonger over; andere geleerden dan die hij schijnt te hebben geraadpleegd vóór hij met de wet van Quételet aanrukte tot „complementair-psychologische" toepassing van de reeds uitgevoerde wet der Inquisitie. Wij vreezen geen tegenspraak waar wij beweren, dat degenen die voorliefde toonen voor de qualificatie der „radikalen" speciaal der S.D.P.-ers als „sektairen" dit woord niet in zijn algemeene, neutrale, maar in zijn bijzondere en ongunstige beteekenis willen gebruiken. Zooals ik reeds zeide: men moet dergelijke onderscheidingen niet afwijzen. Wil iemand er mede herinneren aan de ketterjacht door middel waarvan de „gemiddelde menschen" der S. D. A. P. de S. D. P. hebben in 't leven geroepen, waarom zou men zich kanten tegen een dergelijke, ditmaal zoo onschuldige uiting zijner individueele „gevoelsnuanceering"; waarom hem onvriendelijk of zelfs deventersch bejegenen voor dit blijk zijner speciale „sentimentsschakeering" ? Een „mea culpa" heeft in iederen, ook in dezen vorm, iets respectabels.
X.
De benaming van „sekte" aan de marxisten in 't algemeen toebedacht, in 't bijzonder toegepast op de S. D. P., wel verre van een reden tot beklag in te houden, beteekent dus een blaam voor degenen die hen sedert het congres van Utrecht in een uitzonderingspositie hebben gedrongen; zij brengt Deventer in herinnering en hiermede het feit dat door eenige honderden S. D. A. P.ers de
887
3. D. P. werd opgericht om redenen van zeer veel minder vrij willigen aard dan die een ongeveer gelijk getal Socialistenbonders vroeger hadden genoopt de S. D. A. P. te stichten. Onze bovenstaande opmerkingen kunnen Bonger leeren dat zijn bewering niet opgaat als zou als kenmerk van het begrip sekte „bijna uitsluitend" het adjectief „klein" worden genoemd en dat daarmede dan „alles gezegd zou zijn". Ook wij-zelf worden als bewijs hiervoor aangevoerd. „Saks b.v. zegt. dat iedere partij sekte is bij hare oprichting". Volgens Bonger „is dit niet juist" omdat „wel bijna alle sekten klein zijn bij hare oprichting, doch er .zijn ook kleine partijen die geen sekten zijn". Zonder veel verder in te gaan op dit interessante onderdeel der „psychologiewillen wij ten einde ons baantje schoon te vegen inzake deze sectoloaie enkel opmerken, dat Bonger ook in dit geval geen gelukkige hand heeft. Wij hebben terloops opgemerkt dat iedere partij „sekte" is bij hare oprichting en het is Bonger die dit op eigen houtje voor ons aanvult met de willekeurige toevoeging: omdat zij dan klein is. Wel zooals hij opmerkt is een partij gewoonlijk klein bij hare oprichting, maar nergens heb ik, terecht of ten onrechte, beweerd dat dit kenmerk uitsluitend haar tot een „sekte" stempelt. Dit is te duidelijker, omdat mijn opmerking wordt gemaakt in een verband, die dit „sekte"-zijn zeer nauw verbindt, in stede van aan een ■quantitatieve, aan een qualitatieve eigenaardigheid van jonge partijen: hun nieuwe indeeling van de bestaande partijen op grond van het bijzondere gewicht dat zij hechten aan de bijzondere richting, waarvan zij zich de vertegenwoordigster achten: een opmerking die wordt toegelicht door de overeenkomstige houding -van S. D. A. P. en S. D P. beide in hun jeugdjaren {N. T. 14de jrg. pag. 435). Niet wij zijn het dus die ten opzichte van dit begrip „sekte" zulk een overmatig gewicht hebben gehecht aan haar betrekkelijk gering ledental, Bonger zelf is het die dit doet. Hier en ook bij zijn verdere beschouwingen. „Tracht een sekte vóór alles groot te worden, dan is dit alleen mogelijk door haar karakter van sekte af te leggen en ... een partij te worden door meer ruimte te laten aan de individueele afwijkingen." Deze en overeenkomstige oordeelvellingen beteekenen bij den schrijver niet enkel een karakteriseering, maar tevens een apprecieenng. Een jonge organisatie moet trachten vóór alles groot te worden, volgens Bonger, en het middel daartoe is „ruimte te laten aan individueele afwijkingen". Men kan het gemakkelijk eens zijn met het middel: inderdaad men kan niet vergen dat alle „menschen" precies aan elkaar gelijk zijn in opvattingen; men kan het te gemakkelijker ermede eens zijn, omdat het in zijn vaagheid zoo bitter weinig zegt. Het oprichten der organisatie zelve beteekent dat de nadruk niet gelegd wordt op de toelaatbaarheid, maar op de ontoelaatbaarheid van individueele opvattingen: zij trekt een duidelijke grens tusschen haar eigen kenmerkende meeuingen en die van andere organisaties; geen enkele trekt deze grens zoo scherp, dat „individueele afwijkingen" in verschillende richtingen zijn buitengesloten en ■waar precies deze grens loopt hangt af van de voor alle organisaties verschillende omstandigheden waaruit zij ontstaan en waaronder zij bestaan. Zegt het middel dus in' zijn onbepaaldheid niets en is het in zijn vaagheid nauwelijks voor discussie vatbaar, het erlangt eenige nadere bepaaldheid door het doel waarvoor liet bij Bonger wordt aangewend; en het doel is: vóór alles groot te worden. Hier geeft de schrijver ons ten minste eenig houvast en kunnen wij hem evenzeer eenigszins scherper te woord staan. Inderdaad is groot worden voor organisaties van zeer veel belang en zoo aanbevelenswaardig, dat zij er alle naar streven. Maar niet: vóór alles groot worden; niet: de individueele afwijkingen zoo ruim nemen, dat de noodzakelijke eenheid van handelen verzwakt naarmate de organisatie door deze gastvrijheid uitgebreider belooft te worden. Want niet: vóór alles groot worden, maar: vóór alles sterk zijn
888
en invloed uitoefenen is de opgave van „sekten en van „partijen". En het zal Bonger geen moeite kosten in de geschiedenis der arbeidersbeweging de voorbeelden te vinden, dat organisaties die vóór alles „groot" waren geworden, meteen vóór alles de aandacht trokken door de onevenredigheid tusschen hun omvang en hun invloed. „Sekten" zijn wegens hun intolerantie voorbestemd om klein te blijven en door splitsingen nog kleiner te worden, beweert hij en de lijn van Quételet dient tot verduidelijking. Maar hij vergeet, dal deze handzame lijn nog beter kan illustreeren, hoe „partijen" die door hun tolerantie ..groot" werden, tevens door hun onsamenhangendheid en dubbelslachtigheid zich moesten splitsen alsof het bongersche „sekten" waren. „De afwijkingen tusschen de individuen van één soort zijn bij de gemiddelden zeer klem, doch worden steeds grooter naarmate de individuen verder van het gemiddelde afstaan" : — deze opmerking dient tot verklaring der verkleining van de cohaesie, dus van de versterking der splitsingstendenz in de richting der uitersten. Maar ten gevolge van zijn streng volgehouden gewoonte om van de lijn van Quételet slechts den linker uitlooper in 't oog te vatten, ziet de schrijver voorbij, dat het splitsingsgevaar, voor de „sekte" evenredig aan het afstandsverschil tusschen de individuen in ééne richting, voor de partij verband houdt met de onderlinge afwijking harer leden in tegengestelde richting; en dat, daar de uiterste deelen zijner lijn van Quételet elkanders tegenbeeld vormen, de afstand tusschen deze uitersten een veelvoud is van de afstand tusschen de leden van hetzelfde uiterste onderling. Volgens de eigen redeneertrant van Bonger en met behulp van de zoo „praktische" lijn van Quételet blijkt dus het gevaar van oneenigheid, innerlijken strijd en scheiding voor de „partij" te wassen naarmate zij uit zucht om „vóór alles groot te worden" onderling afwijkende „sentimentsschakeeringen" in zich opneemt en verzwakt haar kracht en samenhang met het versterken van haar tolerantie. De quantiteit slaat op zeker punt in qualiteit om, de tolerantie in intolerantie, en de „partij" in „sekte", die aan een kleine „sekte" het leven schenkt om haar, tolerantweg zoo spoedig mogelijk „dood te drukken". Ja, die lijn van Quételet weet wat!
XI.
Zoo zijn wij dan aangeland en pays de connaissance ; en tevens in de omgeving waarvoor Bonger zijn algemeene en daardoor zoo vage gedragslijn heeft getrokken. In deze nadere belijning van zijn taktiekopvatting wint de kwestie opnieuw aan bepaaldheid en aan actualiteit tevens en kunnen wij middel en doel: „vóór alles groot trachten te worden" door het respekteeren van ..afwijkende sentimentsschakeeringen" en van „individueele gevoelsnuanceermgen" nog iets meer van naderbij beschouwen. De S. D. A. P. wordt hierin als voorbeeld gesteld aan de S. D. P. en aan de „sekte" wordt in dezen vorm voorgehouden hoe men een „partij" wordt. Aan de S. 1). A. P. kunnen wij — om ons allereerst in anderen vorm tot de bespreking van het middel der tolerantie te bepalen — in 't bijzonder demonstreeren, hoe in werkelijkheid deze gastvrijheid slechts in één richting wordt toegepast, en dat zij enkel is toegepast aan de zijde, die aan Bongers aandacht is ontgaan, de rechtsche. Door mevrouw Holst is reeds de afdoende opmerking gemaakt hoe „steil" de S D A. P. tegenover allerlei linker opvattingen zich stelt, terwijl zij in zachte en geleidelijke glooiing haar rechtsche flank in de richting van vrijzinnige demokratie, Werkliedenverbond, moderne predikanten en verdere met het reformistische „volkskarakter" harmonieerende elementen uitstrekt. De S. D. A. P. is in overeenstemming met naar eigen ontstaanswijze en met de voorwaarden van haar aanvankelijke ontwikkeling in dit opzicht het tegenbeeld van den Socialistenbond
889
waarvan zij zich vrijwillig afscheidde, nadat deze kort te voren door het afsnijden van de „practische'.' richting door de Friesche Volkspartij in 't bijzonder vertegenwoordigd, haar tolerantie in de richting der linker elementen had vergroot en haar steilen kant gekeerd tegen de rechter elementen in de arbeidersbeweging en de ,,demokratisch"-gezinden in 't algemeen. De eenzijdige „tolerantie'' der S. D- A. P, haar door de aanvankelijke omstandigheden opgelegd, haar opgedrongen, wilde zij — ik zeg niet: vóór alles groot worden — maar zóó groot worden althans, dat zij als vertegenwoordigster van het parlementaire socialisme praktisch kon optreden, — deze naar de rechterzijde uitgeoefende gastvrijheid, sterk aangemoedigd door de politieke ontwikkelingsvoorwaarden door de Wet van Houten geschapen, werd van een door de bijzondere tijdsomstandigheden gevergde, tijdelijk-noodzakelijke gedragslijn meer en meer een vaste, en een algemeene taktiek. Zij werd dit onder invloed allereerst van het milieu waarin zij haar succesvolle toepassing had gevonden : de noordelijke provinciën, waar het zwaartepunt der parlementaire partijbelangen kwam te liggen. Zij werd dit mede, doordat met het verval der radikale partij haar toepassing zoowel het behalen van nieuwe successen scheen te beloven als de handhaving van de reeds verkregene. Zij werd dit bovendien omdat de ontbinding van het antiparlementaire socialisme haar versterkte in het geloof van de vruchtdragendheid harer speciale tolerantie, haar ontsloeg van elke socialistische kritiek en haar nieuwe terreinen vrij maakte voor de toepassing harer beproefde en geslaagde taktiek.
De eerste helft van het bestaan der S. D. A. P. — van Deventer tot Deventer — is de tijd der algemeene intern-onbestreden, althans niet bewust en principieel gekritiseerde, taktiek der tolerantie-naar-rechts; er is van „marxisme'' geen sprake als bijzondere parlementaire of algemeene taktiek; marxisme is parlementarisme tout court, het is het marxisme tegenover de „anarchie''. Latere marxisten aanvaarden zonder een kik van afkeuring het befaamde, voor de noordelijke plattelandstoestanden pasklaar gemaakte agrarische program; uit onwetendheid ten deele, maar voorzoover misschien enkelen, bekend met Engels' kritiek op het overeenkomstige fransche program, de beteekenis ervan doorgronden, met een gelatenheid en een betrekkelijke onverschilligheid, voor een tegenwoordigen tribunnist wellicht tot op zekere hoogte begrijpelijk wanneer hij zich eens goed zou willen doordringen van het besef, dat de „sekte" der S. D. A- P. geboren werd door omstandigheden precies tegengesteld aan die waaronder de S. D. P. ontstond; dat men in stede van met de „gevaren" van het rechtsche opportunisme, met die van het linksche impossibilisme had kennis gemaakt; dat men nauwelijks was ontkomen aan de „dooddrukkerij" van den „radikalen" kant; dat men door het syndikalisme der, dank zij vooral de propaganda van Cornelissen, zich ontwikkelende vakbeweging voor zijn leven en bestaan als partij bijna uitsluitend op zijn kansen als parlementaire partij was aangewezen en dat deze kansen vooralsnog schenen te staan of te vallen met hare ontwikkeling in die noordelijke landbouwprovincien juist, waar zij door de propaganda van Troelstra en van Schaper vasten voet had gekregen. De S.D.A.P. kon zich in de eerste jaren nauwelijks ontwikkelen, dan in den geest van de rechter flank der arbeidersbeweging en der „demokratische" de klein burgers en boeren omvattende stroomingen, die in het begin der negentiger jaren door den Socialistenbond waren teruggewezen of afgesneden. Het gold voor de S. A. D. P. in den allereersten tijd: te zijn als socialistische, maar vooral „demokratische" (friesche) volkspartij of niet te zijn, althans niet te zijn dan als een kwijnende en op het in Nederland destijds geheel braakliggende terrein der parlementair-politieke socialistische actie, machtelooze sekte; een organisatie, die
890
iaat staan eenigen invloed naar buiten uit te oefenen, nauwelijks in staat was te voldoen aan de materieele eischen van als organisatie-zonder-meer zich in stand te houden. Het gold, zoolang de sociaal-demokratisehe beweging in het overige deel des lands nog nauwelijks vasten voet kreeg, de bijzondere eischen die haar historisch-noodzakelijke eenzijdige ontwikkeling stelde, te respekteeren althans voorzooverre zij de alzijdige sociaaldemokratische ontwikkeling niet verhinderde of belemmerde. Of dit dan bijv. met het agrarisch program niet het geval was? Zonder twijfel was het dit, aangenomen vooral dat het in plaats van de voorbijgaande maatregel, die het is geweest, een definitieve taktiek zou hebben beteekend. Niet eerst van het officiëele begin der partijkrakeelen trouwens dagteekenen de wijzigingen tusschen de eischen van de parlementair friesdie en groningsche en die van de algemeen socialistische ontwikkeling der S. D. A. P. en de soms verstoorde goede verstandhouding tusschen Troelstra en de afd. -Amsterdam, de kritiek, die er van uit de hoofdstad niet zelden werd gehoord, mogen als de, hoezeer met elementen van persoonlijken aard vermengde, symptomen daarover gelden. Maar in 't algemeen was de ontwikkeling, zooals zij was, een onvermijdelijke, en de tolerantie die naar rechts werd beoefend een historische noodzakelijke en het aanvankelijke frieschgrOningsche overwicht de voorwaarde voor de integrale partij-ontwikkeling-zelve. De groote, onverwachte verkiezings-successen van '97, in het Noorden behaald, vernietigden den „anarchistischen" tegenstand, voorzoover zij niet in de „ecomische aktie" was belichaamd, en bereidde de algemeene, veelzijdige en -ongelijk snellere ontwikkeling voor der sociaaldemokratie in 't algemeen. De baan voor de sociaaldemokratie in Nederland moest worden vrijgemaakt ook voor de groote steden, door het demokratische platteland. Zij werd het en zonder de overwinning in Tietsjerksteradeel, ware succes in Amsterdam IX en welhaast de overwinning in Amsterdam III onmogelijk geweest.
Maar was de baan vrij gemaakt door de te algemeener goedgekeurde tolerantie naar rechts naarmate zij minder bewust, vooral aangaande haar consequenties, werd uitgeoefend, met het succes en door het succes was welhaast het hek geheel van den dam. In de eerste jaren na 97 volgt de groote toevloed der nieuwe leden van zeer diverse plumage: men kan zeggen, dat in deze jaren, waarin de oude kleine kern der partij zich oplost in haar overvloedige nieuwe elementen, de S. D. A. P. zooals men haar later gekend heeft, ontstaat, en dat zij bij het begin van de tweede helft van haar leeftijd een geheel nieuwe periode intreedt, een krisis-periode van onvermijdelijk heftige natuur daar de in- en uitwendige omstandigheden, waaronder zij is opgegroeid, zich in sterke mate wijzigen. Allereerst en allermeest door de overwinning der kerkelijke partijen in 1901, aan den leider van de parlementsfractie der S.D.A P. den zetel kostende, dien hij ten deele dankte aan anti-revolutionaire stemmen. De tolerantie naar rechts had zich namelijk ver genoeg uitgestrekt om ook deze, althans in het sociaaldemokratische kiezers verband, op te nemen. Het is een blijk uit meerdere — men denke bijv. aan de bijzondere wijze waarop Hugenholtz en ter Laan werden gekozen — hoe wrak om niet te zeggen abnormaal de eerste verkiezingssuccessen der S. D. A. P. waren, hoe allerlei onsocialistische faktoren. hoe speciaal het provincialisme er een nauwelijks klandestiene rol in speelden; v. d. Goes kon later, met een term reeds door Huet gebezigd, spreken van „komieke" socialistische kiesdistrikten. — Tegelijkertijd ongeveer breken in het buitenland de groote debatten tusschen „revionisme" en „marxisme" uit, geflankeerd en versterkt door die van het „millerandisme" contra de „radikale" taktiek. Aanvankelijk is het voornamelijk de theoretische strijd, die naar hier overslaat, in verband met het betrekkelijk sterke aantal theoretische krachten,
891
dat zien omstreeks dezen tijd bij de partij had aangesloten; wie herinnert zich niet dezen ten minste uiterlijken, glorietijd der „theorie", den bloeitijd van S. L., de theoretische debatavonden tegen Prof. Treub c. s ! De „theorie" was tot dusver de zeer gewaardeerde bondgenoot der „praktijk" en de artikelen van Van der Goes vooral plachten den arbeid der in de politiek en in de propaganda betrokkenen voor te bereiden en te ondersteunen. En zij op hare beurt verheugde zich waar zij tot dusver zich rechtstreeks aanpaste aan en bepaalde tot de algemeenste behoeften van de praktijk, in de algemeene sympathie en zoo noodig in de moreele steun der „practici". Aanvallen op de theorie, vooralsnog enkel ondernomen door de „anarchisten" en de anti-socialistische radikalen van die dagen werden nog gevoeld en bejegend als aanvallen op de sociaaldemokratie-zelve. Het is uit dien tijd, dat de voor latere citeering zoo bruikbare terechtwijzingen van Troelstra stammen aan het adres van Hugenholtz c.s., die met allerlei theoretische scrupules de partij binnentreden. Helaas, die eerste tijd der jonge liefde heeft niet lang geduurd. De theoretische geschillen bleken weldra nauw verband te houden met den praktischen strijd, de bernsteinerij met het millerandisme: en het scherpere inzicht in het verband tusschen „theorie" en „praktijk" ging gepaard en was alleen mogelijk door de nadere beschouwing van de theorie en van de praktijk beide. Het verdiepte theoretische inzicht nu, zag zich ten onzent gesteld tegenover een praktijk, die door de wrakheid-zelve van haar aanvankelijke successen, door de abnormaliteit van sommige harer hier terloops reeds aangeduide bijzonderheden, door hare aanvankelijke historisch-noodzakelijke eenzijdigheid in het algemeen, even onvermijdelijk kritiek uit moest lokken en die de „theoretici", aanvankelijk bijna uitsluitend werkzaam in de algemeene schriftelijke of mondelinge propaganda, meer en meer tot „practici" moest maken. Tot onwelkome practici natuurlijk. Want ook voor de „practici" was deze inwendige krisistijd er eene van bewustwording; van bewustwording omtrent de algemeene beteekenis der „theorie" allereerst, die, dienstmaagd der „praktijk" tot dusverre, aanstalten maakte hare meesteres te worden. Zooals de theoretici hunne praktijk vreesden onvruchtbaar te zien gemaakt en de algemeene praktijk meteen, door de opportunistisch-electorale ' taktiek der politici, zoo leerden deze op hunne beurt alras den invloed duchten eener „theorie" die hoe stichtelijk ook waar zij zich tot algemeenheden bleef bepalen, in hare konsequenties voor verschillende deelen der reeds beoefende of der voorgestelde praktijk een rem en een hindernis dreigde te worden; het is bekend, dat reeds vóór Utrecht de afgevaardigde van Appingedam geen sprekers van links duldt in zijn district. Maar tevens gold deze bewustwording de beteekenis en de praktische strekking van de eischen der taktiek door henzelven, buiten invloed der nu met groote zelfstandigheid optredende theoretici voorheen gesteld of aanvaard. Meent men bijv. dat de oude programeisch der „scheiding van kerk en staat" aanvankelijk door de latere opportunisten met grooter nauwkeurigheid in zijn politieke gevolgen is nagegaan, dan de clausules van het agrarische program door de latere principieelen? De onvoorziene victorie der kerkelijke coalitie in 1901 stelde met de subsidie-eischen voor kerkelijk onderwijs die zij op den voorgrond bracht, de aldus ontwikkelde nederlandsche sociaaldemokratie plotseling voor de opgave haar platonischen progameisch nadrukkelijker dan tot dusverre in werkelijkheid om te zetten, om koers te kiezen in een meer linksche richting dan waarin tot dusver sommige successen waren gevonden. Zij stelt dien eisch bij monde van de enkelen die als voorspel voor den zich hieruit ontwikkelenden strijd, in het vraagstuk der verhouding tot de vakvereenigingen en in zake het agrarisch program waren aangevangen een „richting" te vormen voor zoo ver zij dit konsekwenter koers nemen naar links
892
als 'de algemeene laktiek gingen propageeren. De bewustwording voltrekt zich wederzijds als een ontwaking uit een gevaarlijken sluimer; of liever : onze bewustwording is onder den algemeenen invloed der buitenlandsche in den vorm van reformisme en revisionisme en onder den scherpen prikkel van plotseling sterk gewijzigde politieke omstandigheden, de beginnende scheurvorming-zelve in de partij. Zij voltrekt zich in 't bijzonder in de schoolkwestie en is wederzijds van onvermijdelijk emotioneel karakter: men herinnere zich de beide Nieuwe Tijdartikelen uit het Maartnummer van 1903 1), die voor Troelstra gelden als aanleiding of oorzaak zijner ontslagaanvrage als hoofdredacteur van Het Vcik: men herinnere zich als gewichtig voorteeken en als typisch kenmerk van den zich in 't vervolg sterk vergrootenden ,.Appingedamschen" invloed, het dreigement van Schaper, hierin gevolgd door Troelstra alweder, de partij te zullen \ erlaten — en zeker niet zonder zijn „naasten aanhang" — wanneer de oppositie het in dezen strijd mocht winnen: de kabinetskwestie in Deventer beslist, werd reeds vóór Groningen gesteld. De gebeurtenissen van 1903 bepaalden definitief den aard harer oplossing. Voortaan is de tolerantie naar rechts bewust verscherpt tot een intolerantie naar links; is de drang tot groot worden verbasterd tot een zucht vóór alles groot te worden, vóór alles in elk geval wat naar de bewering der oppositie de sociaaldemokratie in 't bijzonder kondoen groeien niet zoozeer in dikte misschien als wel in sterkte. Onder invloed van alierlei persoonlijke en zakelijke faktoren stelt het peil der partij zich meer en meer naar het appingedamsche, een beweging niet zonder onderbreking en tegenbewegingen zich voortzettend en minder in de daden tot uiting komend dan uit den geest — of het gebrek aan geest — der partij blijkend, die in haar „practisch" karakter voor de „politieke politiek" van het eigenlijk gezegde, in het ministerialisme uitmondende reformisme, een steeds gunstiger bodem biedt; onder invloed dezer omstandigheden mede, wordt het in de Kamerfraktie zoo invloedrijke Appingedaromer Kamerlid ten slotte de sterkste persoonlijkheid in het parlementaire socialisme. De pressie van Groningen verzwaart zich tot den dwang van Utrecht om te eindigen in den gewelddaad van Deventer. Naarmate de rechtergiooiing der partij zich zachter welft, wordt haar linkerflank steiler. De Tribunisten, die door hun eerste kleine successen, na Arnhem onder victoriegekraai zich op weg wanen naar het Kapitool vinden er hunne Tarpejische rots.
De intolerantie naar links door de S. D. A. P. betoond, houdt nauw verband met de vroegere intolerantie door haar van links ondervonden. „C'est un principe, zegt Montesquieu, que toute religion qui est réprimée devient elle-mème réprimante; car sitót que, par queique hasard, elle peut sortir de 1'oppression, elle attaque la religion qui 1'a réprimée, non pas comme un religion, maïs comme une tyrannie" 2). De S. D. A. P. wreekt aan de „radikalen" en aan de sekte der
1) Waarin o. a. aan de hand der historische ontwikkeling van de sociaaldemokraiie in Nederland den. kritieken toestand wordt ontleed (pag. 224—22S) en waarin met voldoend duidelijke woorden wordt gewezen op liet niet onwaarschijnlijke eindresultaat der zich liervattende troebelen: ...Juist dezer dagen werd als een leerzame herinnering het begin der splitsing tusschen den Ouden Bond en de S. D. A. P. in ons blad herdacht. Xu als toen. na een vierjarige parlementaire ondervinding staan wij, wat velen een wijziging in onze taktiek schijnt. Nu als toen, begint het te kriselen in de partij, onder omstandigheden veelszins overeenkomstig aan de toenmalige en in een milieu, dat in deze tien jaren geen zoo ingrijpende wijzigingen heeft ondergaan om de vrees geheel te onderdrukken dat overeenkomstige oorzaken gevolgen zullen hebben van niet geheel verschillenden aard (pag. 225).
2) „Esprit des bois". Livre XXV. Cliap. IX.
893
S. D. P. wat zij als sekte zelve van andere „radikalen" heeft moeten verduren. Dit is slechts een bijzondere uiting van het feit dat met de eerste scheiding, het eerste niet onvermijdelijke breken der eenheid, in sterke mate reeds de voorwaarden voor de vermijdbare tweede gegeven zijn. — Het gemis aan scherpte der klassetegenstellingen wreekt zich onder medewerking van persoonlijke tekortkomingen in de periodieke verscherping der tegenstellingen in de arbeidersbeweging.
De „sekte" der S. D.P. nu is klein. Bonger beschouwt dit als een verzwarende omstandigheid in zijn pleidooi tegen de richting, volgens hem de gevoelsrichting die zij vertegenwoordigt. Zij moet zich maar zoeken te troosten met de onmiskenbare waarheid, dat het leeuwendeel der schuld van haren geringen omvang ligt bij degenen die geen lid van haar worden: les absents ont tort. En bovendien met het feit, dat klein van omvang nog niet klein van kracht en gering van invloed beteekent.... Wij komen hier op een terrein waar anderen haar gaarne de bescheidenheid zien betrachten en ook schrijver dezes vindt opgeblazenheid een zeer onaesthetische ondeugd. Maar wij meenen geen reden tot aanstoot te geven wanneer wij beweren, dat de kracht die de S. D. P. direkt en indirekt uitoefent en door de onvermoeidheid van haar optreden én door de bijzondere positie die zij inneemt in de arbeidersbeweging, zich niet af laat meten aan haar betrekkelijk gering ledental. Een kleine quantiteit gist brengt leven in een grooten brouwketel en kleine horzels zijn even lastig als groote. De invloed die van een dergelijke „sekte" uitgaat hangt minder af van haar werkelijken omvang dan van haar kansen aan omvang te winnen; haar kracht laat zich niet afmeten aan haar grootte maar aan de noodzakelijkheid voor minder kleinen te verhinderen dat zij grooter wordt. Slaagt men er niet in haar klein te krijgen dan is men gedrongen haar klein te houden door de verhooging van eigen krachtsontwikkeling in hare bijzondere richting.... Wij hebben te minder reden dit nader uit te werken en te staven, daar de beschouwingen die wij bij hare oprichting aan deze kwestie hebben gewijd in 't algemeen juist zijn gebleken en in de schijnbare afwijking van het wedervaren aan Mevr. Holst ten deel gevallen, in het wezen der zaak een stevige bevestiging gevonden hebben De S. D. A. P. zal door het optreden van de S. D. P. mede genoopt worden de „marxistische" taktiek — die door de internationale ontwikkeling-zelve meer en meer als de juiste zich opdringt — zij het dan onder vallen en opstaan en tegen heug en meug. te aanvaarden en toe te passen. Haar eerste belangrijke poging in die richting — het volkspetitionnement en de kiesrechtmanifestatie •- waarvan het slagen onze eigen pessimistische verwachting tot een aangename vergissing heeft gemaakt — is in werkelijkheid na jaren van teleurstelling haar eerste soliede succes. „Zoo zal het verder gaan;" om een reformistische formule van averechtsche profetie tot de onze te maken. Zoo zal het verder moeten gaan, door den invloed mede van de tribunisten. Het kan en het zal misschien zijn ten koste van marxisten maar het marxisme zal daadwerkelijk zoo niet openlijk, meer en meer als de juiste ziens- en strijdwijze worden gevolgd. Wilt ge een nader en tevens een symbolisch bewijs? Let op Appingedam dat in dit geval als in zooveel andere de sleutel bevat tot begrip en inzicht in den gang der partijzaken. Jarenlang beteekende het voor het socialisme een braakliggend gebied; en zijn afgevaardigde sloofde zich tevergeefs af om zijn „Krahwinkler Landsturm" in de sociaaldemokratische gelederen te brengen. „Men kan geen ijzer met handen breken" zuchtte op 't kongres van Rotterdam hij, wiens handen toch in het breken zoo sterk waren gebleken. De S. D. P. ontstaat en zie, eensklaps is
894
de betoovering gebroken en een federatie van S. D. A. P.-afdeelingen slaat het beleg voor de geweldige S. D. P.-vesting van Westerembden!
XII.
Wij eindigen hier onze beschouwingen over Bongers „toelichting" zijner stellingen; wij hadden het reeds eerder kunnen doen, ware het niet dat de beleefdheid had gevergd, dat wij onzen invité op de hoofdpunten althans van zijn onvriendelijken aanval met eenige onhartelijkheden antwoordden. Bij alle kleine nadeelen, die deze polemiek misschien na zich sleept is, dit althans het grootere voordeel, op rekening van zijn initiatief te stellen, dat voortaan meer dan tot dusver bij de verklaring onzer kleine partij-revolutie op het persoonlijk element zal worden gelet, ook van de „radikale" zijde. „Monsieur, vous connaissez mieux les principes, moi je connais mieux les hommes" zeide tijdens een grootere. de „opportunist" Mirabeau tot Canaille Desmoulins, de man der beginselen. Voor het begrip hunner handelingen de „menschen" te kennen is te noodzakelijker waar de „principes" een geringer, althans direkten invloed op hen uitoefenen en in zooverre ware het onderzoek van Bonger mits met grooter objectiviteit gevoerd, wellicht loonender geweest, wanneer hij „de psychologie" in een andere richting had toegepast. In 't bijzonder zouden de kansen op een belangrijk resultaat gestegen zijn wanneer hij een scherper en consequenter volgehouden onderscheid had gemaakt tusschen de „leiders" en de „massa", welke laatste wij „reformistisch" hebben betiteld omdat zij „leiders" volgt, die reformistisch zijn of wier oogenblikkelijke en naastbijliggende plannen met die van het bespiegelend reformisme samenvallen wegens hun „practischen" aard. Terecht en nadrukkelijk heeft Bebel het vorige jaar de „leiders" in 't algemeen, deze in getal en beteekenis stijgende groep met haar bijzondere positie, haar eigen belangen en haar daarmee verbandhoudende specifieke psychologie, in de aandacht der „volgelingen" aanbevolen. Dat de tegenstellingen ontstaan zijn en zich hebben verscherpt is zeker voornamelijk toe te schrijven aan maatschappelijke faktoren, waarvan wij ons beijverd hebben er eenige, in het onvermijdelijke historische beloop besloten, op te sporen en aan te wijzen; dat zij de bekende scherpe oplossing hebben gevonden is zooals de gebeurtenissen rondom het Deventer congres ten duidelijkste bewijzen voornamelijk aan de leiders te wijten; en daarbij zijnde tribunistische zeker niet van schuld vrij te pleiten. Wij zouden niet willen beweren, dat de geheele observatie van Bonger op misverstand en vergissing berust: evenmin als wij alle desbetreffende meeningen van Mevrouw Holst onderschrijven, evenmin kunnen wij al de zijne verwerpen; te minder omdat er onder zijn, die zich volkomen dekken met opmerkingen door ons zeiven bij vroegere gelegenheden gemaakt. Maar treffender voorbeeld van wat hij o. a. aan de radikalen verwijt: geen nuances te zien, kleine onderscheiden tot groote verschillen op te blazen, zal hij bij dezen niet kunnen aantoonen, dan hij zelf van deze „emotioneele" eigenaardigheid in zijn anti-emotioneele toelichting heeft gegeven, waarin enkele juist maar eenzijdig geobserveerde feiten tot een even omvattende als onjuiste theorie worden aangelengd. Om kort te gaan : het sterkst emotioneele mensch dat wij in deze artikelen ontdekken is de schrijver zelf. „Geobjecteerde gevoelens hebben nu eenmaal geen objectieve beteekenis" zegt hij terecht en even terecht beweert hij dat een verliefd mensch zich ten opzichte van het voorwerp zijner vriendelijke gevoelens zeer sterk kan vergissen. Nou en of! Niets, letterlijk niets heeft Titania-Bonger gemerkt van de ezelsooren van het reformisme: indien al niet alles aanbiddelijk eraan was, niets bleek hem abnormaal of abnormaal genoeg om het te memoreeren als factor ter verklaring van de onzettende abnormaliteit der tegenpartij. Verliefdheid mag zelden
895
objectief oordeelen, maar anti-verliefdheid merken wij, is al niet wetenschappelijker. Willen wij nu beweren dat Bonger kan gelden als een. „emotioneel type'? We zullen er ons wel voor wachten en de groote vrijheid van persoonlijke beoordeeling die hij tegenover de „radikalen" heeft genomen, tegenover hemzelven liever niet navolgen. Wij beweren enkel dat onze vriend de hoedanigheden van den statisticus Bonger verliest wanneer hij tegenover de „radikalen", inzonderheid wanneer hij tegenover de radikalen van de S. D. P. wordt geplaatst en dat men hem hier ontsierd vindt door alle eigenaardigheden die hij aan het ,emotioneele type" heeft toegeschreven; eigenaardigheden die wij achtereenvolgens in onze kritiek op zijn artikelen meenen te hebben blootgelegd en die afgezien van hun inhoud reeds zijn op te merken aan den vorm-alleen, waarin onder een uiterlijk van statistische bedachtzaamheid een innerlijk van sterke geëmotioneerdheid zich soms in geheele, sterk gekleurde passages verraadt, en voortdurend zich in krasse en absoluut gestelde oordeelen lucht geeft en bloot geeft. — Zoo keeren wij de spits om, vooralsnog minder boetvaardig dan wij in onzen boetprediker wenschelijk rekenen; en ten opzichte van het „mea culpa" althans, zeer spoedig aan 't eind van ons latijn.
Maar ik zou gaarne van Bonger afscheid nemen met een vriendelijker dan ai de gure en zure herinneringen, die ik ter afwering zijner felle aanvallen op heb moeten rakelen. Weet ge nog van onze talrijke complotvergaderingen na het Utrechtsche kongres, waarin wij onze grieven uitstalden, een kop thee dronken om vervolgens, niet weinig opgelucht, naar onze radikale haardsteden terug te keeren? Het was van den beginne af duidelijk dat gij op deze even gezellige als revolutionaire five o'clocks, wat „de principes" betreft, een buitenbeentje waart; ge hebt het, dunkt mij, in uwe voordurende kritiek — waarbij ik u niet zelden secondeerde — overvloediglijk doen blijken. Heeft men u niet even geduldig aangehoord als vriendelijk beantwoord, van de eerste tot de laatste dezer bijeenkomsten, waartoe men bleef doorgaan u te inviteeren ? Is het ook op deze vergaderingen van intolerante individualisten en extatische fanatici geweest, dat uwe „scherpe" oplettendheid de talrijke symptomen van het „emotioneele type" heeft ontdekt, waardoor de „radikalen" zich zoo ongunstig van de reformisten heeten te onderscheiden? Denk u eens een onder gelijke omstandigheden verkeerenden kring van deze reformisten, waarin een radikaal uit en ter na in de contramine zou zijn — zijt ge er wel zeker van, dat in dézen leeuwenkuil een andere Daniël even kameraadschappelijk zou zijn bejegend? ... En herinnert ge u ook nog, dat in die dagen van knusse beproeving en gezellige vervolging een brochure van v. Ravesteijn verscheen, waarin wij, tegen, ik herinner mij niet meer welke aantijgingen werden verdedigd. Wat stonden wij daar prachtig in, niet waar, als allerverdienstelijkste marxisten, allemaal voorzien van toepasselijke bijschriften, onze groote daden vermeldend. Op dit familieportret prijkt ook gij, ondankbare, en de „emotioneele" hartelijkheid van den auteur heeft u zonder eenige restrictie van een even grooten ruiker voorzien als waarmee wij anderen mooi waren. En nu zóó!.. - Begrijpt ge dan niet, dat wij te moeilijker op uwe aanbeveling een „mea culpa" kunnen stamelen, daar wij — „gevoelsmenschen" die wij zijn — u zeiven betreuren, zoo niet als onzen Verloren Zoon, dan toch als onzen Verdwaalden Neef?
Het Tripolitaansch Avontuur
door
W. VAN RAVESTEIJN Jr.
Meer dan twee maanden zijn verloopen sinds wij in dit tijdschrift, over de Maroccaansche crisis schrijvende, de meening uitspraken, dat ook bij deze, de jongste Marocco-crisis, 't weldra blijken zou, hoezeer de werkelijke strijd om andere objecten dan om Marocco alleen of zelfs in hoofdzaak werd gevoerd. Inmiddels is de Marocco-crisis zelf tot een oplossing geraakt. Scheen het eerst, alsof reeds in den aanvang van Augustus een basis voor een nieuwe overeenkomst betreffende den toekomstigen staat van het Maroccaansche gebied tusschen de beide regeeringen was getroffen, spoedig bleek het, dat dit zoo snel niet in zijn werk kon gaan. Met tusschenpoozen bleef men de Europeesche publieke opinie nog gedurende de heele Augustusmaand in spanning houden, en 't werd September, ja de tweede helft van de maand eer men aan beide zijden, te Parijs en te Berlijn, toegaf, dat niet alleen in zeer algemeene trekken, maar ook in bizonderheden de basis voor de overeenkomst betreffende Marocco getroffen was en er zich geen verdere moeielijkheden of onverwachte storingen in de onderhandelingen meer zouden voordoen. Nog eenige dagen later kwam daarop de tijding dat de overeenkomst betreffende Marocco door de wederzijdsche gevolmachtigden „geparafeerd" was, d.w.z. van de initialen der onderteekenaars voorzien. Maar middelerwijl was de andere zijde van de onderhandelingen hoe langer hoe meer op den voorgrond geschoven: de vraag namelijk der „compensatie", die Duitschland, zooals al lang erkend was, erlangen zal in ruil voor zijn erkenning van het Fransche protectoraat over Marocco, of liever voor zijn toestemming aan de Fransche regeering om geheel Marocco — met uitzondering van de deelen. die aan Spanje als invloedsfeer zijn toegekend — onder zijn invloed te brengen. Die compensatie of schadeloosstelling voor Duitschland zou, was reeds spoedig bekend, bestaan in, hetzij een gebiedsruil of afstand van gebied door Frankrijk, hetzij beide in Centraal-Afrika, daar waar de Duitsche Kameroen-invloedssfeer en het rond 1,760,000 K.M2. groote Fransche Kongo-territoir aan elkaar grenzen. Op dit oogenblik
897
nog verkeert de publieke opinie van Europa in tamelijke onzekerheid omtrent den aard en de beteekenis van die Centraal-Afrikaansche gebiedswisseling. Ook is het zeker, dat de onderhandelingen tusschen de regeeringen over dit deel van de Marocco-kwestie — ziet men reeds hieruit, hoe weinig hier de naam de werkelijkheid dekt? — nog eenigen tijd zullen duren, in ieder geval tot de bijeenkomst der Fransche Kamer, welke nu reeds verschoven is tot 7 November. ') Want ook over deze zijde der kwestie moet een regeling in hoofdtrekken vastgesteld zijn, vóór ze althans aan het Fransche Parlement kan worden onder, worpen. Immers: terwijl de Duitsche regeering in den Rijksdag, die eerder bijeen zal komen 2) dan de Fransche Kamer, tegenover de grootkapitalistische en nationalistische elementen zich wat betreft haar „afstand doen" van alle gebiedsverovering in Marocco, in ieder geval zal kunnen verdedigen door een verwijzing naar de brokken nieuw gebied, die zij elders, in Centraal-Afrika, binnen zal sleepen, waarbij komt, dat de leider der buitenlandsche politiek in Duitschland zoo goed als de geheele regeering niet afhankelijk is van een parlementair votum, maar van den wil des keizers, zijn de verhoudingen in Frankrijk anders. Het zou uiterst interessant zijn — en wij hopen daartoe een volgenden keer nog in de gelegenheid te zijn — na te gaan hoe de tegenwoordige Fransche regeering van den aan de haute finance bizonder nauw verknochten heer Caillaux inzake de Centraal-Afrikaansche aangelegenheden gemanoeuvreerd heeft om de Marocco-affaire in engeren zin, waarachter het machtige Marocco-syndicaat staat, zoo spoedig mogelijk tot een oplossing te brengen. Maar vast staat, dat, hoe ook de loop der onderhandelingen betreffende den Franschen Kongo zal zijn, een aantal politiekers nu reeds gereed staan om dezen opvolger van Briand — na 't korte intermezzo van het zoogenaamd weer meer „democratische" ministerie Monis — uit de Kongo-onderhandelingen een strop te draaien en hem zoo mogelijk te doen buitelen. De regeeringspartij bij uitnemendheid, de radio-socialistische partij, heeft op haar pas gehouden congres reeds een in dezen zin veel zeggende motie aangenomen, waarin zij zich tegen eiken afstand van grondgebied in Centraal-Afrika verklaart. En hoezeer de radicale partij nu ook in ontbinding moge verkeeren, hoezeer vooral haar votum's steeds meer pia vota „vrome wenschen" worden — Briand heeft ervaren, hoe aan deze in ontbinding verkeerende politieke massa toch nog de noodige negatieve kracht eigen is. Geen minister-president m.a.w. kan nog in Frankrijk de regeering
1) Sedert dit geschreven werd is ook de onderhandeling over de Congo-compensatie tot een eind gekomen.
2) De Rijksdag is den I7en October bijeengekomen, bij de opening werd een brief van den Rijkskanselier voorgelezen, waarin medegedeeld werd, dat de beantwoording der interpellaties betreffende de buitenlandsche politiek zou moeten worden uitgesteld tot na afloop der onderhandelingen.
56
898
houden indien hij op een beIangrijk punt dg massa Qf ^ maar ^ groot deel der radicalen tegen zich heeft. Sembat heeft dus in de „Humanité volkomen terecht gezegd, dat zoo zeker als de Kamer m ieder geval elk ontwerp-tractaat inzake de „Marocco-affaire" - in den wijdsten zin _ zal ratificeeren, bijna even zeker de val is van den minister die het indient, wanneer daarin al te duidelijk een
het T™* Vemea ^ebieden * bepaald. Zoo komt
het, dat Ca.llaux alle reden heeft om de bijeenkomst der Kamer te vreezen, nu het hem niet gelukt is, het tweede deel van de Maroccoaffaire - dat betreffende de Kongo-zaken - tegelijk met 't eerste als t ware in een teug, door de natie te doen verzwelgen
Indien de sociaaldemocratische fractie in de Fransche Kamer den mede door Sembat gegeven verkeerden raad opvolgde om, terwille van den vrede voor het door Caillaux in te dienen Marocco-tractaat te stemmen zou daardoor s mans positie natuurlijk eerder nog zwakker worden. Hoe het ook loopen moge - en men vergeve deze excursie op 't terrein der Fransche binnenlandsche politiek - de regeling der volledige Marocco-affaire kan dus nog eenigen tijd op zich laten wachten, maar inmzddels 1S t verband tusschen deze zaak en de geheele Oostersche kwestie ook den meest verblinde ongetwijfeld duidelijk geworden door wat wij sinds de laatste week van September beleven, het Tripolitaansche avontuur der Italiaansche regeering.
Wel zelden is de cynische brutaliteit van het moderne imperialisme zoo duidelijk, een korten tijd zelfs voor heel de wereld, aan 't licht getreden als bij dezen volkomen ongemotiveerden, dus niet door frasen bedekten roofaanslag in vollen vrede, door de Italiaansche regeerinoten opzichte van een op één punt zeer veel zwakkeren staat gepleegd"
Indien wij het moderne imperialisme met woorden van verontwaardiging en zedelijken afkeer wilden brandmerken, we zouden kunnen volstaan met aanhalingen uit groote bladen van alle mogelijke richtinoin de meest verschillende staten, bladen, die met de sociaaldemocratie zoo min iets gemeen hebben als met de waarheid en de gerechtigheid ten opzichte van de in hun eigen land zich voltrekkende gebeurtenfssen, herinneren wy ons slechts, dat in Duitschland organen als de „Germania". het hoofdorgaan van het Centrum, en het hoofdorgaan der agrarische conservatieven, dat in Engeland organen als de „Times", vaak in de scherpste bewoordingen Italië's optreden kort voor en onmiddellijk na de oorlogsverklaring hebben gelaakt, dan weten wij in dat opzicht genoeg. Voor ons sociaaldemocraten is het meer noodig vast te stellen hoe uit dit optreden van Italië opnieuw blijkt, wat de werkelijkheid der moderne kapitalistische politiek is, hoezeer degenen ongelijk hebben die zich bij tijd en wijlen door de frasen en den schijn omtrent die
899
werkelijkheid laten misleiden, èn na te gaan, waaruit die verontwaardiging en woede van een zoo groot deel der Europeesche groote pers te verklaren is.
Wat het eerste betreft, kunnen wij, niet beter doen dan de woorden te onderstrepen, die Kautsky in de „Neue Zeit" van 6 October in zijn artikel: Banditenpolitik gebruikte:
Hoe is het mogelijk geworden, dat heden in het tijdvak der democratie, in een constitutioneel land een regeering gelooft die huichelarij niet meer noodig te hebben, welke zelfs absolute vorsten als Lodewijk XIV en Frederik II noodig achtten? Ook de absolute Tsaar Alexander II voelde zich bij den laatsten grooten oorlog tegen Turkije nog genoodzaakt, zijn veroveringslusten onder het voorwendsel te verbergen, de Slavische volken en het Christendom tegen geweldmaatregelen te beschutten. En er hadden toen ook feitelijk in Bulgarije vreesehjke moorden op Slavische Christenen door Mohammedanen
plaats gevonden. , ... .. , .
Nu een menschenleeftijd van democratische ontwikkeling later, overvalt Italië Turkije zonder 't geringste voorwendsel. Welk een vooruitgang! Doch 't is waar: die menschenleeftijd is er een van opvoedtng onzer staatslieden door de koloniale politiek.
Wij toonen ons tegenwoordig verontwaardigd over de barbaarschheid der middeleeuwen en het tijdvak der ontdekkingsreizen en der Hervorming, welke trouw en geloofwaardigheid slechts eischten voor het verkeer met tot dezelfde religie behoorende menschen, maar in werkelijkheid handelen wij volgens overeenkomstige principes. Het volkenrecht geldt alleen maar in 't verkeer der moderne staten met elkaar: wat buiten dien kring staat, wordt als volkomen rechteloos aangezien, is aan elke willekeur prijsgegeven.
Waarbij wij echter zouden willen opmerken, dat het hier een aanval op een Staat betreft, die volstrekt niet zonder meer als een nietmoderne staat kan worden aangemerkt, doch die volgens de opvatting ook in kapitalistische kringen sinds 1908, zij 't dan ook met allerlei belemmeringen, zich op den weg der ontwikkeling naar een modern staatswezen bevindt. Beschikt Turkije niet over een Parlement, heeft het niet een geregelde begrooting? En Kautsky's woorden zouden dus beter nog uitgebreid kunnen worden in dezen zin, dat onder den invloed van de moderne koloniale poliek, van het imperialisme, veroorzaakt door den invloed, dien het onpersoonlijke financieele en grootindustrieele kapitaal meer en meer in den democratischen staat verwerft, het recht van den sterkste de verhoudingen der staten nu ongebreidelder beheerscht dan in een minder vergevorderd stadium der kapitalistische ontwikkeling het geval was. Dat m. a. w. de moraal, die in de tijden van 't ruwe geweld, den tijd der godsdienstoorlogen, der middeleeuwen en vroeger de verhoudingen tusschen de groote door een gemeenschappelijke religie saamgebonden cultuurgebieden beheerschte, d. w. z. die van den sterkere bij goddelijk recht, nu de moraal is geworden
56*
Q-oo
geldend voor de verhoudingen der kapitalistische staten onderling en ten opzichte van de nog niet geheel onder den invloed van het kapitalisme geraakte staten. Want niemand zal toch gelooven, dat, indien de omstandigheden het veroorloofden, het imperialisme terug zou deinzen voor een aanslag op een volkomen „modern" staatswezen? Dit, niet zoozeer aan de groote massa's der kleine en gemiddelde burgerijen, maar aan de arbeiders van heel de wereld weer te hebben geleerd met niet te overtreffen helderheid, dat is Italië's verdienste.
En ook in andere opzichten nog is het Italiaansche avontuur wat de Duitschers gaarne een „schoolvoorbeeld" noemen van de krachten, die achter het huidige imperialisme werkzaam zijn en de werkingen, die dit bij een democratische natie uitoefent, indien de tegenkracht,' die het normalerwijze moet wekken, door bizondere omstandigheden abnormaal verzwakt is. Wij bedoelen natuurlijk den tegenstand van de moderne arbeidersklasse, van de sociaaldemocratie, die in Italië tengevolge van het sinds jaren doorwoekerende reformisme in een desolaten toestand verkeert.
Italië, wij konden er een paar jaar geleden reeds op wijzen, is een der moderne Europeesche staten, die èn direct èn indirect de gevolgen van de imperialistische en koloniale politiek reeds op de meest afschrikwekkende wijze heeft ondervonden, i) Door zijn begeerte naar Tunis werd het in de armen van het Duitsch-Oostenrijksche verbond gestort waardoor het jonge, nog onder den druk van het ellendig verleden zuchtende, koninkrijk eerst een verlichting van militaire inspanning meende te verkrijgen, doch op den duur die lasten verzwaard zag, terwijl het er in een tarieven-oorlog met Frankrijk door geraakte, die het economisch zware wonden sloeg. Dezelfde Bismarck-naaper, die zijn land deze verderfelijke staatkunde had opgedrongen stortte het vervolgens in het Abessynische avontuur, dat uitliep op een katastrofe in de koloniale zoowel als in de binnenlandsche politiek. Sinds dien is Italië economisch ontegenzeggelijk hard vooruitgegaan. P. Rohrbach noemt daarvoor in zijn toen door ons besproken boek reeds de kenmerkende cijfers, en de laatste jaren zijn voor het Italiaansche kapitalisme ongetwijfeld een nieuwe periode van opleving geweest. Het „Alg. Nederl. Exportbl.", den handelsomzet van Italië in de beide decenniën 1890— 99 en 1900—1909 vergelijkende, constateert sinds 1900 eene toeneming van het tonnenaantal der in- en uitgeladen goederen van 16898 (in duizenden) tot 26560, d. w. z. van 57 pCt., terwijl die toeneming in het voorafgaande decennium slechts 13 pCt. bedroeg. Doch desniettemin gelden voor Italië de binnenlandsche redenen, die het elke verovering en elk buitenlandsch avontuur behoorden te doen schuwen als de pest,
1) Zie het artikel: Koloniale Propaganda, Nieuwe Tijd 1909 p. 878 wig.
QOI
nog in even sterke, misschien in sterkere mate dan voorheen. De verwaarloozing, de verarming en de dientengevolge plaatsgrijpende emigratie uit het Zuiden zijn nog even erg als twintig jaar geleden. Ja, zij nemen een steeds noodlottiger karakter aan. Over de toestanden in dat ongelukkige land, dat, zooals ieder weet een van de rijkste en gezegendste landen der aarde kon zijn en geweest is, terwijl het nu een van de armzaligste en achterlijkste is, zijn door werkelijk patriottische Italianen in de laatste jaren talrijke publicaties verschenen, met al de zorg en den waren wetenschappelijken zin, die het intellect van dit nobele volk kenmerkt. Enkele staaltjes ontleend aan besprekingen ervan zullen voldoende zijn om te doen zien, hoe in dat opzicht geen verbetering maar eerder een nog grootere achteruitgang te bespeuren is.
In een bespreking van een werk van Ferrari over de Italianen in Amerika heet het b.v. i)
Het tweede boek reeds, dat een professor der Universiteit te Rome over de troostelooze economische en maatschappelijke verhoudingen van Zuid-Italië openbaar maakt en dat ook als een vreeselijke aanklacht tegen regeering en parlement is te karakteriseeren. . . . Wat de schrijver (op een reis naar de Vereenigde Staten) heeft leeren kennen, schildert hij met de overweldigende diepe woede van den vriend van zijn volk en vaderland, wien de geheele achterlijkheid, bizonder van Zuid-Italië, met haar schrikwekkende gevolgen voor oogen getreden is en waartegen de regeeringen en het Parlement in de bijna 50 jaar verloopen sinds de oprichting van het Koninkrijk niets gedaan bebben. Ja, zooals hij zich uitdrukt, de toenemende verarming der zuidelijke landschappen is tengevolge van de hand over hand om zich grijpende ontvolking door beide machten bevorderd.
Den wortel van alle kwaad ziet de schrijver in 't analphabetisme
Italië heeft 21 (eigenlijk bijna 40) universiteiten en 18 millioen analphabeten ... de troostelooze toestand van de volksschoolonderwijzers wordt geschilderd en met dien in de Vereenigde Staten vergeleken, de bevrijding der vrouw uit de boeien van onwetendheid en der geestelijkheid geeischt... de kwestie der emigratie (S/4 millioen per jaar!) naar alle kanten belicht. Het zijn vreeselijk ernstige doch slechts al te gegronde vermaningen. Mochten zij eindelijk gehoor vinden!
En in de bespreking 2) eveneens door den bekenden MiddellandscheZee-geograaf Fischer, van een uiterst grondig onderzoek naar de agrarische toestanden en de emigratie in Calabria door drie jonge Florentijnsche geleerden onder medewerking van den beroemden historicus P. Villari, lezen wij:
Het werk behoort tot de meest waardevolle, die de machtig aangroeiende Italiaansche literatuur over de emigratie heeft voortgebracht
1) „Peterm. Mitt. Lit. Ber." 1909 p. 231: wij waren niet in staat de bedoelde werken zelf tijdig genoeg in handen te krijgen.
2) Ibidem.
Q02
en verdient de meest opmerkzame aandacht van alle Italiaansche vaderlandsvrienden vóór alles van alle politici en parlementariërs, maar ook buiten Italië van alle koloniale politici en staatslieden. In 't bizonder echter is 't de bij voorkeur in Noord-Italië wonende schreeuwers naar Triente en Triest aan te bevelen. Voor hun heete vaderlandsliefde opent zich hier een wijd veld voor verovering. .. .
De wijze van bouwen van huizen, meestal 't erbarmelijkste wat men zich denken kan en de beste verklaring van de vreesehjke verwoestingen door de aardbevingen wordt uitvoerig geschilderd. Het bestuur der gemeenten ligt overal in de handen van weinige rijken, zoodat dicht naast voor den uiterlijken glans ingerichte straten en pleinen met prachtige muziekpavillon's zich van vuil en onraad verstikkende stegen bevinden met geruineerde huizen, waarvan de woningen zonder licht en lucht, holen gelijken, welke de menschen met kippen, geiten en zwijnen deelen. Geen scholen, geen wegen, geen waterleidingen, geen kanalisatie, geen slachthuizen enz., maar wel duizenden, die jaarlijks aan vuurwerk bij de vele heiligenfeesten in de lucht gaan. . . .
Reeds in 1901 ontbrak, daar meestal slechts de mannen in hun beste jaren emigreeren, in 29,1 pCt. der huisgezinnen de vader. Nu (1907—08) schat men het aantal jonge vrouwen zonder mannen op 50,000. ... De emigratie, die in 1905 gestegen was tot 62,290 — op een bevolking van 1,422000 in 1908 (v. R.) — 4,44 pCt. is voor 95 pCt. een blijvende. Zij vertraagt bereids de toeneming der bevolking ja bewerkt plaatselijk reeds een afneming. De nadeelen der groote emigratie overwegen verre eventueele goede zijden ervan alsmede die van den geringen terugkeer. Het analphabetisme wordt ook hier als de wortel van alle kwaad aangeklaagd.
Ziehier enkele citaten uit vele, de toestanden in een groot deel van Italië zelf verlichtend, van de hand der meest competente en Italië gunstig gezinde schrijvers.
Het lijdt dan ook geen twijfel of elke vorm van koloniale expansie druischt rechtstreeks in tegen de belangen van de groote massa's van het Italiaansche volk, dat, als geheel beschouwd, nog voor alles groote kapitalen noodig heeft om toestanden te scheppen, waardoor levensmogelijkheid voor de bevolking zelf eigenlijk eerst dragelijk geschapen zou worden. Maar bovendien: het concrete koloniale avontuur, nu door de regeering-Giolitti begonnen, benadeelt niet alleen de belangen van het Italiaansche volk als geheel, maar is ook van groot nadeel voor handel en industrie. Het Turksche Rijk is een van de natuurlijke afzetgebieden van Italië, de betrekkelijk nog jonge Italiaansche textielindustrie van het Noorden, die ten opzichte van andere textielindustrieën het nadeel heeft haar kolenbehoefte uit Engeland te moeten voldoen — Italië bezit zoo goed als geen kolen — kan desniettemin, zooals ook Parvus aantoont 1), in Turkije met voordeel concurreeren en exporteert er voor ongeveer 20 millioen francs per jaar heen. De
1) Vorwarts, 17 Oct. '11.
9°3
oorlog met Turkije zal dien uitvoer sterk benadeelen, want de boycot der Italiaansche waren wordt, met of zonder medewerking der regeering, doorgezet evengoed als die der Oostenrijksche waren in 1908—09, na de annexatie van Bosnië-Herzegowina. In hetzelfde artikel toont Parvus aan, dat ook de uitvoer van meel, meelproducten en rijst naar Turkije zeer belangrijk is en met vervangen kan worden door een uitvoer naar elders. De Italiaansche handelsvloot, die nog jong is — zij telt in 't geheel 589 stoomers met 526000 ton 1) op een geheele handelsvloot van 5463 met 995000 ton — vaart voor een zeer belangrijk deel op Turksche havens, welke vaart onderbroken moet worden, evenals die op de Zwarte Zeehavens. Het is duidelijk, dat concurrenten zullen beproeven de plaats in te nemen, die deze vrachtvaarders nu moeten openlaten. Wij rekenen hierbij nog niet eens- de nadeden, die talrijke in het Turksche Rijk woonachtige of werkzame Italianen reeds nu lijden, terwijl de gevolgen van een uitbarsting van het fanatisme in geval de oorlog definitief een ongunstigen keer voor Turkije zou nemen, niet te overzien zijn. Hiertegenover staat, dat de handelsbelangen van Italië in Tripolitanië onbeduidend zijn, al overtreffen ze die van alle andere staten behalve Engeland. De invoer van Italië in de haven van Tripoli bedroeg in 1905 slechts een waarde van 2,235,000 frs., 2) terwijl de geheele invoer in dat jaar in die haven, feitelijk de eenige van het eigenlijke Tripolitanië, 11 millioen fr. waarde vertegenwoordigde, waartegenover een uitvoer van 9,435>°oo fr- stond, waarvan naar Italië slechts voor 304,000 fr. ging. Die uitvoer bestaat voor verreweg 't grootste deel uit halfagras, sponsen, huiden en vee, voor een waarde resp. van 2,033 000, 1,172,000, 1,108,000 en 807,000 fr., waarvan zoo goed als niets naar Italië gaat. Tripolitanië heeft sinds verschillende jaren zoo goed als geen beteekenis meer voor den karavaanhandel uit den Soedan, die, terwijl hij in 1890 b.v. nog voor een bedrag van 5 millioen Mark aan struisvederen omvatte, in 1905 totaal onbeteekenend geworden was evenals de doorvoerhandel van Tripoli naar den Soedan, die in 1894 nog een waarde van 12,15 mill. mark vertegenwoordigde en in 1906 gedaald was tot 1,4 millioen. 3)
Deze enkele cijfers, die een beeld kunnen geven van de relatieve onbeteekenendheid van het huidige Tripolitanië als handelsgebied, geven natuurlijk nog geen uitsluitsel omtrent de ontwikkelingsmogelijkheden van dit land, dat in zijn geheel uit de volgende deelen bestaat, door den bovengenoemden geograaf, den besten kenner, omschreven als
1) v. Juraschek Geographisch-Statistische Tabellen 1910; de opgave van Parvus in bovengenoemd artikel, 44S stoomers, is te klein.
2) E. Banse, Das Nord-Afrikanische Tripolis und seine Mnschïa, Pet. Mitt. 1908, p. «5.
3) E. Banse, Der Arabische Oriënt, II p. 40, met bovengenoemde studie wel 't beste wat er van nieuwere onderzoekingen over dit deel van Afrika verschenen is.
Q04
volgt: Tripolitanië, een steppenland, ter grootte van 335,000 KM» met hoogstens 350,000 inwoners, welks sterker bewoonde deelen slechts 15,000 K.M.- omsluiten, waarop ± 200,000 inwoners leven, waarvan 11,000 Joden en 4000 Christenen, 2e Kyrenaïka, ten oosten geleden ten deele met prachtige wouden bedekt, ten deele steppenland, 79,000 KM2' groot met een bevolking van ± I2S,ooo menschen, waarvan 12,000 in de hoofdplaats Benrazi en 6000 in de havenplaats Berna; 3e Fezaan een echt-Saharische oasenarchipel, 394,000 K.M*. groot met een bevolking van even 40,000, waarvan de helft nomaden, 4« de oasen Radames Rat en Kauar, die den sleutel vormen tot de Midden-Sahara, met tezamen misschien een kleine 20,000 menschen. Inderdaad laat die ontwikkelingsmogelijkheid volgens bevoegde beoordeelaars zich niet loochenen ■ heel Tripolitanië is gedurende de heerschappij van den Islam en niet het minst gedurende die der Turken, die, uitgezonderd een intermezzo van 1714-1835, het land sinds 1551 in bezit hebben, constant achteruitgegaan en verarmd. Vooral geldt dit voor de kunstmatige besproeiing die hier, gelijk in alle subtropische landen, het eenige noodige maar dan ook onontbeerlijke middel is om het land tot een vruchtbaren tuin te herscheppen en het voortschrijden der steppe en der duinvorming tegen te gaan. In de Oudheid waren Kyrenaika en Tripolitanië welvarende dichtbevolkte landen en ze kunnen 't weer worden. Doch 't is waarlijk wel aan de Italianen, die in hun eigen land staan voor een toenemende verarming van groote gebieden en die daar toestanden dulden, zooals ze in Tripolitanië niet zijn aan te treffen, om van die eeuwenlange verwaarloozing den huldigen Turken, die in ieder geval oprecht de verheffing van het Rijk nastreven, een verwijt te maken 1 En voor de «revolgen der verovering van Noord-Afrika door Europeesche machten, behoeven wij slechts naar Algerië en Tunis te verwijzen! In Tunisië schreit het uitbuitingssysteem door de Franschen toegepast ten hemel 1) en omtrent Algerië, dat veelal als een model van den zegenrijken invloed der kolonisatie geprezen wordt, hebben werkelijk onpartijdige onderzoekers als Macquart en vooral J. Hess 2), beschrijvingen gegeven, die dit rooskleurige beeld evenzeer uitvlakken als het boek van onzen partijgenoot Rothstein dat omtrent Egypte heeft gedaan. Algerië heeft aan Frankrijk 300000 mannen in de kracht van het leven, 20000 millioen francs gekost en kost nog jaarlijks 240 millioen francs; aan den wijnbouw alleen gaan jaarlijks 15—23 millioen verloren. In Tunisië persen plm. 800 groote Fransche kolonisten de bevolking het bloed uit. Tripolitanië zou, indien het veroverd werd, onder het beheer der Italiaansche regeering, die blindelings de bevelen van een syndicaat ge-
1) Deze uitbuiting is b.v. uitvoerig beschreven in Le Protectorat Tunisien, door J Bahar (Peterm Mat. Lit. Ber. 1905 No. 170 en M. Hartmann, Der Islamische Oriënt, Band II p 106)
2) Zie de bespreking in Peterm. Mitt. Lit. Ber. 1909 p. 177.
905
volgd heeft, dat bij de bezetting van het land alleen belang had i), zeker geen schooner, eerder een nog afschuwelijker voorbeeld van „koloniale" politiek leveren, terwijl met tamelijke zekerheid van de Jong-Turksche heerschappij verwacht mocht worden, dat zij het land uit zijn stagnatie, die ten minste geen rampspoedig karakter aangenomen heeft als de ontvolking in Zuid-Italië, zou opheffen. En wel had Bérard gelijk 2), wanneer hij voor 10 jaar zeide, dat de verovering van Tripolitanië den Italianen in de verte niet zooveel moeielijkheden in den weg zou leggen als die van Algerië den Franschen gekost heeft en die van Marocco hun nog kosten zal — een vergelijking van de bevolkingen en de geographische gesteldheid is voldoende om dit in te zien — doch even zeker is het, dat de Italiaansche regeering de moeielijkheden eener verovering van Tripolitanië ongetwijfeld heeft onderschat, ondanks de talrijke onderzoekingstochten, die zij direct en indirect sinds jaren naar die streken heeft gericht 3), ondanks het feit mede, dat de Jong-Turksche regeering, telkens struikelende over de moeielijkheden, waarmee zij te worstelen heeft, aan de versterking van Tripolitanië blijkbaar nog niet die zorg heeft kunnen besteden, die zij met 't oog op de dreigende gebeurtenissen verplicht was geweest, daar en daar vooral aan te wenden. Immers een zoo van alle overschatting van de beteekenis van het Panislamisme en zoozeer van de „schuld" van den Islam, waar het betreft zijn onwil om zijn aanhangers tot bruikbare kapitalistische uitbuitingsobjecten voor de Europeanen op te voeden, overtuigde geleerde als E. Banse merkte toch nog enkele jaren geleden op (in de bovengeciteerde studie):
Met de verdeeling van Tripolitanië onder de mogendheden zal het echter nog wel een poos aanloopen, want de Turken schijnen niet van plan te zijn het Wilajet zonder meer over te geven: dat bewijst hun sterke troepenmacht, dat bewijzen hun zij 't ook nog zoo bescheiden verbeteringen, als straatplaveisel en petroleumverlichting 's nachts, dingen, die voor Turkije reeds iets beteekenen. — (Men bedenke,' dat dit geschreven werd na een bezoek in 1905 en dus nog tijdens het Hamid-regiem v. R.).
Van 't'standpunt der zuivere menschelijkheid is een bezetting door een Christelijken Staat ook in 't geheel niet te wenschen. Want op 't oogenblik, dat Europeesche troepen landen, zou de geheele mohammedaansche bevolking in oproer ontvlammen. De Dsjhad, de heilige
1) Het feit dat een Italiaansch Tripolis-syndicaat tot de expeditie heeft aangezet is algemeen toegegeven ook van burgerlijke zijde. De clericale Banco di Roma is 't vooral geweest, die het anti-clericale kabinet Giolitti, dat gesteund wordt door de socialisten, daarbij aangespoord heeft. De interessante bizonderheden b.v. in den Vorwarts van 19 Oct., correspondentie uit lome: Het Vaticaan en de Trip. expeditie.
2) E. Bérard Questions extérieures (1902) La Tripolitaine p. 116.
3) In de laatste jaren vooral hebben tal van Italiaansche onderzoekers zich met Tripolitanië bezig gehouden. Wij noemen slechts L. Cufino, A. Blesisch, G. de Martino.
go6
oorlog tegen de ongeloovigen zou dan ontbranden, tegenover welken de opstand van den Mahdi nog maar een kinderspel zou zijn Tripolitanië is toch de burg van den Islam in Noord-Afrika, op welks tinnen nog de roode vlag met de Halve maan wappert; in dit land is de zetel van het Christendom 't meest vijandig de orde der Snüssi welker zendboden het land overal doortrekken en welker saüiias (gebedehuizen) op slechts weinige plaatsen ontbreken.
De eenvoudigste weg tot verheffing des lands schijnt in ieder geval zyn economische beheersching door een of meer Christelijke machten te zyn, welker kapitaal dan voldoende garantie van de Ottomaansche regeering verzekerd moest worden. De Msslmln verkeeren dan bovendien in het zelfbedrog, door geloofsgenooten beheerscht te worden, terwijl hun geld in de zakken der Christenen vloeit, waar 't de laatsten toch wel alleen om te doen is. Zou echter toch een Europeesche staat van 't land bezit nemen, dan zal zijn heerschappij slechts dan duurzaam verzekerd zijn, wanneer de Islam geheel uitgeroeid is en de Arabieren vernietigd (uitgeroeid) zijn, waarmee toch nooit iets te beginnen is. De Berbers i) schikken zich dan reeds gemakkelijker in hun lot.
Gelijk men ziet had deze geleerde van de moeielijkheden die het Mohammedaansche fanatisme in Tripolitanië eiken Europeeschen veroveraar in den weg dreigde te leggen, een ietwat grooter idee dan de journalisten en schrijvers, die, al of niet om eenigszins beteekenende redenen, het weerstandsvermogen van den Islam in 't algemeen en van de orde der Snoessi, die zijn hoofdkwartier heeft in de Saharische oazen ten zuiden van Tripolitanië als zeer gering voorstellen. Wij zullen ons wel wachten over die vraag een oordeel te wagen, doch moeten wel op een ander, absoluut zeker verschijnsel wijzen, waaruit in ieder geval blijkt, dat de Ottomaansche regeering juist in de laatste jaren, dus sinds het Jong-Turksche regime, bezig was haar macht in de landen ten zuiden van Tripolitanië uit te breiden, waardoor zij bewees, hoe groote waarde zij terecht aan 't bezit van dit laatste overblijfsel van het eens ontzaglijke Turksche Rijk in Afrika hechtte. 2)
Bérard heeft er eenige jaren geleden, bij de bespreking der toen weer zeer acute Cretenzer kwestie reeds op gewezen, hoezeer èn politieke èn sentimenteele redenen voor de Jong-Turken het'bezit en de bevestiging van Tripolitanië waardevol en onontbeerlijk maakten. 3)
1) De Berbers vormen, evenals in Algerië en Marocco ook in Tripolitanië de groote massa der bevolking, min of meer vermengd met Arabisch en Afrikaansch bloed, doch inderdaad nog vrij zuiver hun Europeesch, in ieder geval blond type vertoonend. Zij ook zijn de sedentaire, landbouwende bevolking, die sinds de oudheid alle economische, politieke en religieuze veranderingen heeft overleefd,
2) Egypte is, weet men, nog altijd nomineel een deel van het Turksche Rijk, het staat zoogenaamd onder Turksche suzereiniteit, maar juist de jongste gebeurtenissen hebben geleerd, hoe weinig dit schijngezag nog verschilt van een volkomen verlies van Egypte, het Egyptische achterland niet eens meegerekend, dat ook nomineel Engelsch territoir is.
3) Zie ook de Nieuwe Tijd van 1909: De Cretenzer kwestie (Juli—Augustus, p. 505).
9o7
De sentimenteele redenen bestonden hierin, dat voor zoovelen hunner de desolate steppen en de verre oasen van Fezan een verbanningsoord waren geweest, toen zij nog onder de tyrannie van den bloedigen Hamid zuchtten. De politieke, oneindig gewichtiger, waren gelegen in de overweging, dat i° het verlies van Tripolitanië onvermijdelijk het verlies van Creta mee zou brengen, waardoor de politieke en maritieme positie van het Rijk in Europa een niet te overkomen slag zou worden toegebracht, 2° dat dit verlies het verlies zou beteekenen van den laatsten directen verbindingsweg met den Soedan, met het centrum van het groote zwarte Continent, waar de Islam niet alleen de heerschende godsdienst is, maar waar hij zich ook nog het snelst, naar het Zuiden uitbreidt. Militaire, politieke, religieuze redenen te veel om op te sommen, betoogden alle de noodzakelijkheid van het behoud tot eiken prijs van Tripolitanië, vooral voor het jonge, het vernieuwde, of althans op den weg der vernieuwing zich bevindende Rijk.
En de Turksche regeering heeft dan ook in de laatste jaren, maar vooral in den jongsten tijd stappen gedaan om het Turksche gezag, dat tot nog toe niet veel verder dan Fezan in 't Zuiden erkend werd, uit te breiden tot in streken, waar directe voeling met Centraal-Afrika mogelijk is
Van twee zijden zijn pas in den allerlaatsten tijd eenigszins zekere berichten gekomen, die Europa inlichtten omtrent de staatkundige veranderingen die zich in het achterland van Tripolitanië aan gene zijde dus van de woestijnen die ten zuiden van Fezan liggen hebben voltrokken. Het eene was afkomstig van een Oostenrijkschen onderzoeker, die ter voorbereiding van een expeditie naar dit achterland zich in dit jaar in Tripolitanië heeft opgehouden — de expeditie is mislukt ten gevolge van naar 't schijnt persoonlijke geschillen. Het luidde: 1)
Naar alle waarschijnlijkheid is de Turksche heerschappij over Tibesti over de eerste stadiën eener schijnheerschappij werkelijk heen en 't lijkt geloof te verdienen, dat zij er voortdurend vooruitgaat. De 't eerst door den Britschen resident in Bornoe, Dr. H. Vischer gedurende zijn reis door de Sahara ervaren instelling van een Turkschen kaimakam in Bardai (Peterm. Mitt. Oct. 1910 p. 255) werd mij in Tripolis van verschillende kanten bevestigd en ik zou zelfs de opgave, dat onlangs een Turksche militaire arts als kaimakam benoemd zou zijn niet als onbetrouwbaar willen beschouwen.
Tibesti nu, „een naakt bergland, zwart en wild, doortrokken van rotsreeksen en steengroepen" (Banse), ongeveer 105,000 K.M2. groot en met een bevolking van misschien 12,000 inwoners, Tedda's of Toeboe's,
I) Peterm. Mitt. 1911, Augustus, p. 82.
qo8
de armste der arme Sahara-bewoners, ontleent zijn eenige maar dan ook vrij groote beteekenis aan het feit, dat het op een van de groote wegen ligt, die van de Middellandsche Zee naar het Tsjaadmeer leiden De verbinding van dit land met Fezaan, de Turksche provincie, is verreweg de gemakkelijkste, en zoodra de Turken deze provincie inderdaad eenigszins wilden- opheffen, waren zij verplicht Tibesti te bezetten, welks roofzuchtige bewoners gewoon zijn tot in Zuid-Fezaan te plunderen. Aan gene zijde van Tibesti begint de invloed van Midden-Afrika en den Soedan zich reeds te doen gevoelen en leidt de natuurlijke weg naar het Tsjaadmeer over Wadaï. Noemt men Wadaï, dan noemt men tevens een gebied, dat de Franschen sinds eenige jaren met meer en minder succes bezig zijn tot een der bolwerken van hun reusachtig Centraal-Afrikaansch en West-Soedaneesch Rijk te maken. In Juni 1909 maakten zij, wier militair Tsjaad-territorium voortdurend bloot stond aan de plunderingen van den Sultan van Wadaï, zich meester van de hoofdstad Abésjé, die evenals Saint-Louis, Tomboectoe, Zinder, Koeka en El Fasjer als 't ware een van de natuurlijke aanlegplaatsen, pieren, vormt van het bebouwde en bevloeibare Soedaneesche land ten opzichte van de Sahara-zee. 1) Doch 4 Jan. 1910 werd een Fransche kolonne, die de bezetting volvoerd had, door den gevluchten Sultan in een hinderlaag gelokt en vernietigd. Sinds dat oogenblik werd de noodzakelijkheid voor de Franschen, die met betrekkelijk zeer geringe troepenkolonnes hier ontzaglijke streken in bedwang houden, — welke troepen alleen in staat zijn om de sedentaire en landbouwende bevolking het bestaan mogelijk te maken door hen te beschermen tegen de roof- en slaventochten der woestijnpiraten, — nog grooter, Wadaï niet alleen definitief te bezetten maar ook den aanval op dit land uit de omringende woestijngebieden onmogelijk te maken. Dit is voor 't Fransche. gezag in die streken niet meer of minder dan een levenskwestie. Reeds in 1906—07 waren door Fransche officieren pogingen aangewend om de wegen van Wadaï naar 't Noorden te onderbinden; in 1908 drong een Fransche „raid", kleine vliegende kolonne van meharisten of kameelruiters, door tot Aïn-Galakka in Borkoe, een aan Tibesti grenzend landschap van circa 32500 K.M2. met 10-12000 bewoners, van wie reeds de helft sedentair is, een gevolg van het feit, dat dit land reeds vrij goed landbouw toelaat en groote bosschen bezit, daar het reeds genoegzaam water ontvangt. De plaats werd evenwel niet definitief bezet. En terwijl de groote koloniale pers in Frankrijk, waarvan de „Temps" zoowel de best ingelichte als de meest-invloedrijke is, nog niet lang geleden had aangedrongen op een versterking der troepen in Wadaï, kwam in diezelfde maand het bericht, dat Aïn-Galaka, de hoofdstad van Borkoe
1) L'occupation du Ouadaï, par Lt.-Cl. Largeau, Revue de Paris 1910, Jan. p. 23,
QOQ
door Turksche troepen was bezet! i) En het groote orgaan der kolonialen, welks woord, zooals men weet, meer gewicht in de schaal legt dan dat van de wisselende ministers, begeleidde reeds onmiddellijk deze tijdingen met de volgende opmerking:
De eenige ernstige kwestie is op 't oogenblik die van de bepaling der Turksche grenzen. In dat opzicht is het niet twijfelachtig of, wanneer deze afbakening geschied is, wij Borkoe en Tibesti slechts zullen kunnen bezetten, indien wij aan kolonel Largeau nieuwe compagnieën meharisten zenden.
Gelijk men ziet, wordt hier als een vanzelf sprekend iets aangenomen, dat Borkoe en Tibesti bij het Fransche gebied ingelijfd behooren te worden. Eenige dagen van te voren (den i$<™ Aug.) had de „Temps" dan ook reeds aan de Turksche regeering een in den meest dreigenden en trotschen toon gesteld hoofdartikel gericht, waarin deze regeering gesommeerd werd haar optreden in de Zuid-Sahara te doen eindigen en zich binnen de grenzen terug te trekken, die de Fransch-Engelsche overeenkomst van 21 Maart 1899 en de Fransch-Italiaansche afspraken haar hadden gesteld. En die Fransch-Engelsche overeenkomst — elke schoolatlas kan het doen zien — begrenst het Turksche gebied tot Fezan, sluit het ten zuiden af naar de woestijn en snijdt het van zijn natuurlijke achterland en een, zij 't dan ook slechts smalle basis in het land der Zwarten en der tropische zomerregens af!
Den 2 5en Augustus bevatte de „Temps" een bericht van haar correspondent te Constantinopel, inhoudende, dat volgens een telegram van den Gouverneur van Benrazi een Fransche kolonne groote verliezen zou hebben geleden in een gevecht met de Wadaïers onder bevel van Sultan Mehmed Salih, gesteund door Snoessi-sjeiks. De „Temps" zelf voegde hieraan toe, dat deze berichten, afkomstig van karavanen, die maanden noodig hebben om het traject door de Sahara af te leggen, zeer weinig vertrouwen verdienen. Als staaltje echter van de manier, waarop de groote koloniale pers van het oogenblik af, dat de zekerheid bestond omtrent Turkije's voortdringen naar het Zuiden in het achterland van Tripolitanië, de politiek der Fransche regeering gericht wenschte te zien, is het berichtje zeer teekenend. Inderdaad zal uit het voorgaande dit duidelijk zijn geworden, dat het Jong-Turksche regiment zich in Frankrijk, d. w. z. in de machtige en overheerschende kringen der Afrikaansche koloniale politici, dezelfden, die de militaire verovering van Marocco hebben doorgezet, ondanks waarschuwingen in eigen land, ondanks de nadeelen ook, die daaruit voor Frankrijk's
1) „Temps" van 13 Aug.; „Temps" 17 Aug.: De bezetting van Aïn-Galaka door de Turken wordt ongelukkigerwijze bevestigd. . ., terwijl in hetzelfde bericht vermeld wordt dat de bevelhebber kolonel Largeau nu over genoegzaam troepen beschikt om Wadaï zelf in bedwang te houden.
QIO
machtspositie elders voorvloeiden, door zijn optreden in Tripolitanië van een onbetrouwbaren en tot geen enkele daad willigen goeden vriend een beslisten vijand heeft gemaakt. Wie aan het Noord-Afrikaansche Rijk dezer heeren raakt, treft hun hartader. Wat is natuurlijker, dan dat het verder voortdringen der Turken naar 't Zuiden dus de stoot is geworden, die den aanval van Italië op de provincie, welke het reeds lang begeerde, in de gegeven internationale verhoudingen mogelijk heeft gemaakt ? Aan Italië, wij zeiden het reeds, had Frankrijk omtrent Tripolitanië beloften moeten doen. Reeds in 1899 is er een tot stand gekomen, toen de overeenkomst tusschen Frankrijk en Engeland betreffende den Sahara en zijn achterland Italië ongerust had gemaakt. Later zijn die afspraken bekrachtigd en uitgebreid. De nieuwe Marocco-crisis, samenvallend met 't vooruitdringen der Turken in het achterland gaf Italië gelegenheid de Fransche toestemming niet alleen te verkrijgen voor een daad, maar, wanneer wij de politiek van de Fransche kolonialen met hun orgaan den „Temps" goed doorzien en de woorden en den toon opmerken, die zij in Augustus tegen Turkije aansloegen, lijdt het voor ons geen twijfel of de Fransche regeering heeft Italië tot het Tripolitaansche avontuur aangespoord.
Ons rest nog na te gaan, welke houding de andere mogendheden, voornamelijk Engeland, naar allen schijn tegenover Italië's plannen heeft ingenomen. Want het is duidelijk, dat het Britsche Rijk ook zijn toestemming tot die plannen moet hebben verleend. Verder moet worden nagegaan, welken invloed het avontuur naar alle waarschijnlijkheid zal uitoefenen op de politieke verhoudingen der groote mogendheden onderling en ten opzichte van Turkije, alsmede op het Turksche Rijk zelf. Hoogstwaarschijnlijk zal trouwens over eenige weken daaromtrent meer zekerheid reeds bestaan dan nu, evengoed als het duidelijker dan nu reeds blijken zal, hoezeer de Italiaansche imperialisten zich misrekend hebben, indien zij meenden, dat de bezetting van Tripolis en zelfs van alle havens der meer dan 1800 K.M. groote kust tevens de verovering van heel het reusachtige gebied beteekende.
Het Tripolitaansche avontuur is in zijn gevolgen en verschijnselen zoo belangrijk, dat het zeker de moeite loont het eenigszins van alle zijden te bezien.
Overzicht der Tijdschriften.
UIT DE SYNDIKALISTISCHE TIJDSCHRIFTEN.
LA VIE OÜVRIÈRE geeft in zijn nummers 45, 46 en 47, van 5 Augustus en 5 September j.1., een bespreking van de Internationale Staal Konferentie op 6 Juli te Brussel gehouden, van de hand van den sekretaris der Fransche syndikalistische vakvereeniging van Metaalbewerkers, A. Merrheim.
Vertegenwoordigd waren Amerika, Engeland, Oostenrijk-Hongarije, België, Kanada, Spanje, Frankrijk, Italië en Rusland. Hun werkplaatsen produceeren jaarlijks 30 millioen ton. Ze kwamen de Internationale der Staalproducenten vestigen, om „de moeilijkheden te verzachten die door de uitbreiding der machinale productie ontstaan en die een onzinnige overproductie te voorschijn roepen" en om „een maatstaf vast te stellen die aan elk land zijn aandeel in de produktie voor de export toewijst."
In tien jaar is de produktie van gietijzer van de 5 voornaamste metaalbewerkende landen met tweederde toegenomen.
1900 1910 Toename
Duitschland .... 8,520,540 ton 14,793,325 ton 6,272,785 ton
Engeland 9.568,871 » 10,216,745 * 647,874 »
België 1,018,561 » 1,803,500 • 784.939 »
Vereenigde Staten. . 14,005,030 » 27,298,545 » I3>29&5i5 »
Frankrijk 2,714,298 » 4,032,450 » 1,318.152 >
Totaal der 5 landen: 35,827,300 ton 58,144,565 ton 22,317,265 ton
De wereldproduktie was in 1910: 65,607,788 ton, waarvan Zweden, Rusland, Oostenrijk-Hongarije, Kanada, Spanje, Italië, Indië, Japan, China, Mexiko, New South Wales dus de rest produceerden, zijnde 7,463,223 ton.
Zoo is de toestand. En de toekomst? Vooral Rusland en Italië breiden hun productie uit. Duitschland kan in 1914 wel 20 millioen ton produceeren. De Ver. Staten kunnen nu reeds 40 millioen produceeren, maar van de 421 hoogovens waren er op 26 Februari j.1, maar 226 in werking, en 195 gedoofd, en op 31 Mei j.1. 206 in werking, en 215 gedoofd.
Den isten Januari 1910 waren in Frankrijk van de 157 hoogovens 106 in werking, 1 Januari 1911: 114, en 1 Juli 1911: ug, terwijl de dagelijksche produktie van die hoogovens is gestegen van 12 op 12V2 duizend ton. In het Fransche Caen gaan de Duitsche Thyssens 4 hoogovens openen. En met de andere nieuwe zullen er jaarlijks i'/a a 2 millioen ton meer geproduceerd worden.
Zoo kunnen de 5 voornaamste metaalbewerkende landen alleen 25 millioen ton mèèr produceeren boven hun tegenwoordige produktie van bijna 60 millioen.
De export dezer producten is min of meer gereglementeerd door de syndikaten:
912
de Staaltrust in Amerika, het Staalsyndikaat in België en in Duitschland, het Exportkantoor van metallurgische produkten in Frankrijk. Alleen Engeland heeft tot dusver geen (nationale) overeenkomsten, geen kantoor, geen syndikaten. Maar de bestaande organisaties hebben het aanzijn gegeven aan het Internationale Exportkantoor, met twee branches: i°. dat voor rails, in Engeland gevestigd, en waarbij de 5 landen zijn aangesloten; 2°. dat voor stalen „balken" en in Duitschland gevestigd en waarbij Duitschland, België en Frankrijk zijn aangesloten. Een derde internationale overeenkomst tusschen deze drie landen omtrent halfprodukten, gevestigd te Charleroi, is juist door de Franschen opgezegd, en onmiddellijk vielen de prijzen te Antwerpen met 2 fr. 50 en 3 fr. 75 op 100 en 98 fr. per ton. Men ziet uit dit eene voorbeeld reeds welke invloed de overeenkomsten op de prijzen hebben.
Merrheim geeft vervolgens overzichten van de wording van het Duitsche Staalsyndikaat en de Amerikaansche Staaltrust, om dan te konkludeeren dat behalve Frankrijk alle (4) landen van de overproduktie lijden. Toch wil geen dezer landen de produktie vrijwillig verminderen. Duitschland niet, omdat met het oog op de vernieuwing van het Syndikaat, dat 30 Juni 1912 eindigt, alle deelnemers, Kirdorf-Cselsenkirchen en Thyssen vooral, hun produktie forceeren om bij de vernieuwing grootere hoeveelheden toegewezen te krijgen. België en Engeland ondervinden de nadeelige gevolgen dier geforceerde producties. En de Staaltrust moest in zijn strijd met de nog onafhankelijke metaalproducenten, die 15 fr. 69 per ton voor stalen staven liet vallen, noodgedwongen zijn prijzen en zijn produktie verminderen.
Zoo was de situatie toen einde 1910 de rails-producenten der 5 landen in de Ver.-Staten tezamen kwamen, om hun wereldovereenkomst te vernieuwen. Van de 17,612,000 ton rails die over de wereld geëxporteerd worden kontroleert het wereldsyndikaat 1,408,000, ton. Dit wereldkantoor voor rails werd in November 1910 voor 3 jaren hernieuwd. Van de produktie krijgt: Engeland 37,36 pCt; Ver.-Staten 25,70 pCt.; Duitschland 20,13 pCt.; België 13,34 pCt.; Frankrijk 4,47 PCt.
Bij het einde van de overeenkomst noodigde Csary, de voorzitter van het Amerikaansche Ijzer- en Staalinstituut de aanwezigen uit tot de Brusselsche Internationale Staal-Konferentie. De Frankfurter Zeitung vond het een fantastisch idee. Toch had de konferentie plaats.
Op deze bijeenkomst bleken Amerika, België, Duitschland eenerzijds te staan met hun kommercieele vermetelheid, anderzijds Engeland en Frankrijk met hun konservatieve routine, die de verandering van het werktuig en de daarmee samengaande ontwikkeling van de produktie tegenhoudt. De vergaderingen geschiedden met gesloten deuren. Toch verscheen een „stenografisch verslag" te Londen. Of dat betrouwbaar zou zijn? De ton op 180 fr. gerekend, waren er bijna 5'/a milliard francs vertegenwoordigd. Csary, de voorzitter dezer konferentie van producenten van pantsers en kanonus, geweren en andere moordwerktuigen sprak... tegen den oorlog. En allen verklaren zich voor een overeenkomst, zelfs de staalkoning Schwab, die een tegenstander der overeenkomst was. Eenstemmig wordt aangenomen een komitee te benoemen om de regels voor de nieuwe organisatie te ontwerpen. 6 Juli 1911 was het Wereldsyndikaat voor 1 Jzer en Staal gesticht, om de produktie te beperken en vooral de prijzen te reglementeeren.
Maar de vrede tusschen deze internationale producenten van oorlogsgereedschap wil niet zeggen vrede tusschen de landen. Het wil zelfs niet zeggen vrede tusschen de konkurrenten. Er zal gevochten worden om het hoogere „aandeel" in de produktie. De kleine geschillen zijn de wereld uit. Voor de groote staat men nu van aangezicht tot aangezicht tegenover elkaar. En bij kolosale belangen
9J3
zal het kanon spreken. Tezamen staat men tegenover de verbruikers en de arbeiders. Achter elke partieele strijd der arbeiders kan men in het vervolg de internationale tegenstand van de ondernemers verwachten.
Toch, meent Merrheim, dat de werkelijkheid Marx niet gelijk geeft als hij reeds in het Kommunistisch Manifest een snelle en onafwendbare industriëele koncentratie voorziet. De naamlooze vennootschappen mogen de koncentratie der produktiemiddelen bespoedigen, ze begunstigen zeer de verbreiding van het bezit Aandeelen en obligaties gaan immers door de banken naar duizenden en duizenden, die verdedigers van het bezit worden. En de kleine handwerksman wordt door de „fee" der elektriciteit opnieuw op de been geholpen?
Maar de arbeiders kunnen verheugd zijn, want de omverhaling van de konkurrentie voert het kapitalisme naar het ekonomisch internationalisme. De arbeidersklasse verzet zich niet en schrikt niet van die vooruitgang. Ze heeft slechts één plicht: zich te organiseeren om alle haar tegenstrevende krachten te beheerschen. Wp.
In de SOZIALISTISCHE MONATSHEFTE van 12 October gaat Joh. Timm, aan de hand van het partijverslag na, wat de partij in het afgeloopen jaar voor arbeid heeft verricht, en met welk resultaat, en stelt vast, dat het succes der partij, naar binnen en naar buiten, bij ieder den indruk moest wekken, dat de komende Rijksdagverkiezingen de nederlagen van 1907 volkomen zullen uitwisschen. Hij betreurt het, dat ondanks dien indruk, een aantal partijgenooten toch nog voorzienigheidje wilden spelen, zonder daarbij den goeden toon in acht te nemen. De oorzaken voor dien „Toon" door Kautsky aangewezen (zie overzicht van de Neue Zeit van 22 Sept. in het vorige nummer van dit tijdschrift), noemt hij „kunstmatig geconstrueerd", en hij geeft alle partijgenooten in overweging zich te spiegelen aan de vertegenwoordigers der vakbonden, die, op hunne congressen, ondanks elk meeningsverschil, vriendschappelijk weten te debatteeren.
In Jena hoorden wij echter een nagalm van de discussies in de ■paxlï)pers, waarbij vooral de strijd om personen op den voorgrond stond. De groote massa der partijgenooten vindt het evenwel onbegrijpelijk, waarom partijgenooten, die in de onmiddellijke nabijheid van het P. B. wonen, zich, bij zekere meeningsverschillen, niet op partijgenootschappelijke wijze met het P. B. zoeken te verstaan.
Timm verklaart zich ingenomen met de besluiten in zake het Marokkovraagstuk, de verkiezingen, en het Rijksverzekeringsontwerp. Het besluit omtrent de verplichting tot storting van een dag loon, opgelegd aan allen in dienst van de partij of van de vakvereenigingen, ten behoeve der slachtoffers van de Meiviering, kan, naar hij meent, wellicht tot onaangenaamheden leiden, die aan het Meifeest afbreuk kunnen doen.
Eduard Bernstein bespreekt het besluit van het Jenaër Congres, tot instelling van een commissie, welke tot taak heeft te onderzoeken, of het noodig is de partijleiding te reorganiseeren. Hij wijst er op, dat dit denkbeeld, thans van radicale zijde komend, reeds jaren geleden door de reformisten Vollmar, David, e. a. aan de orde was gesteld, zij het ook uit andere overwegingen dan de huidige.
De oplossing van dit vraagstuk moet z.i. niet bij uitstek gezocht worden in uitbreiding van het aantal bestuurders. De geschiedenis van alle groote organisaties leert, dat groote bestuurscolleges op bureaucratische wijze functioneeren.
De organisatorische ontwikkeling der Partij heeft geleid tot federatieve verbonden, die, in menig opzicht, het P. B. werk uit handen genomen hebben.
9H
Méér en méér is het P. B. vooral geworden, het bindende element in de partij. Kent men nu, zooals de radicaal Dittmann wil, elk P. B.-lid de zorg toe voor een bepaald ressort, dan kan dit leiden tot een districtsgeest, waaruit allerlei nadeel kan ontspruiten voor een gewenschte samenwerking.
Men kan zich afvragen, of de tegenwoordige verkiezing van partijbestuurders, door het congres, moet gehandhaafd blijven. Denkbaar en doorvoerbaar is b.v. het systeem van verkiezing op den grondslag van territoiren of federatieve vertegenwoordiging. De federaties spelen thans een groote rol in het partijleven. De toestand is tegenwoordig zóó: dat de plaatselijke organisaties zich vereenigen volgens de rijkskiesdistricten, en deze weder in provinciale of landelijke bonden. Deze laatsten hebben hun eigen besturen, houden hun eigen congressen, en hebben veel vrijheid van handelen in verband met de bijzondere politieke toestanden in elk land. Het P. B. zou kunnen worden samengesteld uit gedelegeerden van die landelijke bonden. Dat heeft echter dit nadeel, dat, bij de bepaling van het aantal mandaten, het ledental dezer bonden niet buiten beschouwing kan blijven. Er zou dan een groot aantal bestuurders komen, die niet het gansche jaar in Berlijn kunnen wonen, en derhalve genoodzaakt zou zijn een D. B. te kiezen, dat wederom veel gelijkenis zou hebben met het huidige P. B.
Daarom acht Bernstein dit principe niet geschikt voor de samenstelling van het P. B., waarvoor z. i- de tegenwoordige wijze van verkiezing moet worden gehandhaafd. Voor contact met de leidende organen in de landelijke bonden ter bespreking van belangrijke kwesties, kunnen dan speciale instituten worden geschapen.
Hermann Mattutat toont uit de duitsche ongevallenstatistiek aan, dat de ongevallen, in landbouw en industrie, van jaar tot jaar toenemen. Hij bestrijdt de bewering, als zou dit voornamelijk het gevolg zijn van toenemende bekendheid met de wettelijke bepalingen omtrent de schadeloosstelling, of van onverschilligheid voor gevaren in het vooruitzicht van geldelijken bijstand. De werkelijke oorzaken zijn elders te zoeken. Zoo blijkt uit de statistieken dat de arbeidsinspectie onvoldoende is. Verder staat vast, dat het aantal ongevallen stijgt in tijden van economischen bloei, omdat dan meer onbedreven arbeiders in de fabrieken te werk worden gesteld. In het algemeen zijn deze arbeiders onbekend met de gevaren, aan het behandelen van machines en materialen verbonden, tengevolge waarvan, zoowel het Rijk als de vakvereenigingen, grootere sommen gelds, tot ondersteuning van door ongevallen getroffenen, moeten uitgeven. Het wcrdt hoe langer hoe meer zaak de technische gevaren aan de kapitalistische productiewijze verbonden, bloot te leggen. Reeds gaat de metaalbewerkersbond daarin voor. Deze heeft n.l. een beambte aangesteld, die tot taak heeft voordrachten met lichtbeelden te houden over het moderne grootbedrijf en wat daarmede technisch in verband staat. Aldus wordt de weg geopend voor een geheel nieuwe agitatie-methode.
De September-afievering van DER KA.MPF vangt aan met een artikel van Viktor Adler over „de" kwestie in de Oostenrijksche partijs.
Ter informatie van de gansche Internationale beantwoordt Adler uitvoerig Kautsky's vraag: Waarom trachten de Oostenrijksche partijgenooten niet op een speciaal congres de verbroken eenheid te herstellen?
Adler betoogt dat de eerste voorwaarde voor het welslagen: de wil tot samenwerking, bij de tschechen totaal ontbreekt. Een congres, dat ten slotte niets anders doen kan dan dit feit constateeren, is niet slechts overbodig, doch zelfs
9iS
schadelijk. Wij zijn geen stap verder, als wij laten vaststellen, dat de duitsche, poolsche, italiaansche en Slavische sociaaldemocraten, benevens een deel der tschechische op politiek en vooral op vakvereenigingsgebied willen samenwerken, doch dat de groote meerderheid der tschechische S.-D. die samenwerking opvat als een rem voor hunne ontwikkeling en als een partijverraad. Een congres zou een vruchtelooze krachtproef zijn.
Men stelle zich den toestand (zooals wij die in het October-nummer reeds schetsten) goed voor. Het zou reine dwaasheid zijn, indien men van een congres dat opnieuw eenheid moet brengen, tevoren reeds zou uitsluiten de pas opgerichte centralistische tschechische partij, de minderheid dus der tschechen, die, door haar optreden volgens de door de Internationale gestelde regelen, het slachtoffer dier gewilde eenheid is geworden. Bij de huidige psychologische verhoudingen is het echter volslagen onmogelijk beide tschechische groepen samen te brengen.
Denken wij ons een oogenblik het geval, dat toch een congres wordt gehouden, doch dat dan de tschechen niet verschijnen. Moeten wij hen dan met hoon beladen en afvallig verklaren ? En indien zij wèl komen, doch weigeren zich te voegen naar de meerderheids-wenschen, hebben zij zich daardoor zelf van de Internationale afgescheiden! Zouden wij daarmede echter één stap verder zijn gekomen? Wij zouden op die wijze immers nog niet de voorwaarden hebben geschapen tot beteugeling van den separatistischen hoog vloed in het tschechische proletariaat. Dat kan trouwens niet van buitenaf geschieden. Het separatisme moet zich zelf vermoorden. En daarmede is het hard bezig. Zijn doel was de tschechische partij te versterken, en het liep uit op scheiding; de tschechische vakvereenigingen hebben thans minder leden dan drie jaren geleden; en, in stede van hare positie bij de Internationale te versterken, heeft zij zich van haar geïsoleerd. Bovendien heeft het separatisme de werkzaamheid van het overige proletariaat en van het gezamenlijk partijverbond verlamd, de vakvereenigingen systematisch uiteengerukt, en haar gedwongen hare aandacht te wijden aan hare eigen verdediging, inplaats van aan de willekeur van het ondernemersdom.
Adler werpt ten slotte de beschuldiging van zich dat verzuimd zou zijn vroeger tijdig in te grijpen en wacht met volle gerustheid het oordeel daarover af van het a. s. Innsbrücker partijcongres.
Eén van de voornaamste grieven der separatisten is : dat de buitenlandsche partijgenooten, door de eenzijdige inlichtingen der duitschers, slecht zijn geïnformeerd omtrent de ware motieven van de houding der tschecho-slavische partij.
Om dit verwijt te niet te doen, heeft Viktor Adler een viertal artikelen uit het blad „Pravo Lidu", het orgaan der separatisten, vertaald en doen afdrukken in „der Kampf".
In de drie eerste artikelen is schering en inslag: wij, tschechen, laten ons niet bevelen en onderdrukken door de duitschers; wij danken er voor hen schatplichtig te zijn en ons bovendien als numerieke minderheid „op genade en ongenade aan hen uit te leveren."
Het vierde artikel behelst een „antwoord" aan de schrijvers, wier denkbeelden tot oplossing der geschillen, wij in het vorige nummer, releveerden
De redactie van „Prdvo Lidu" betreurt het dat Kautsky zich aan de zijde der duitschers schaart, en de sociaal-democratie uitsluitend beoordeelt van het standpunt, in hoeverre de tschechoslaven zich willen onderwerpen aan de duitsche partijgenooten. Daarom haalt de redactie voor Kautsky's plan de schouders op. Adler wordt beschuldigd onwaarheden te hebben gedebiteerd, en den artikelen der andere schrijvers wordt alle beteekenis ontzegd.
Ten slotte wordt betoogd: „De duitsche partijgenooten geven een onjuiste
gi6
verklaring van de grondstellingen van het socialisme, indien zij daaruit voor zichzelf afleiden, over de overige naties te moeten heerschen, en zelfs de tschechische arbeiders willen dwingen op de bres te gaan staan voor de duitsche politieke belangen, die absoluut tegenovergesteld zijn aan de belangen van het tschechische proletariaat. Een volk, dat door een ander volk economisch uitgebuit, en politiek zoowel als geestelijk onderdrukt wordt, en dat den strijd voert ter verovering zijner zelfbeschikking en zelfstandigheid, kan immers nooit een zelfde politiek voeren als het bevoorrechte volk der uitbuiters en onderdrukkers. Het voortdurende betoog der duitsche partijgenooten, dat het proletariaat in de eerste plaats moet denken aan zijn eigen klassebelangen, zooals b.v. loonsverhoogingen, verkorting van arbeidstijd, sociale wetten enz, is zinledig gezwets, in een tijdperk waarin wij op parlementairen bodem staan. Behalve voor onze zuiver proletarische eischen, strijden wij daar toch voor de verovering der politieke macht, opdat wij ons zullen kunnen doen gelden. Of moeten wij slechts strijden om de opperheerschappij der duitschers in de industrie, de vertegenwoordigende lichamen, in 't kort in den ganschen staat, overeind te helpen houden en mede te werken aan de belemmering der ontwikkeling van de tschechische natie r"
Toch eindigt het artikel met de opmerking, dat eens de tijd komen moet, waarin de thans bestaande klove zal moeten worden overbrugd.
I. G. K.
De waarde van kollektieve arbeidsovereenkomsten.
Naar aanleiding van het geschil in het Berlijnse krantenbedrijf. DOOR
J. F. G. v. B. WICHERS.
Gedurende de laatste paar jaren, vooral sedert de invoering der wet op het arbeidskontrakt op i Februarie 1909, is de vakbeweging ten onzent er meer en meer naar gaan streven de arbeidsvoorwaarden in kollektieve kontrakten vastte leggen. Heel groot is het succes nog niet geweest, maar toch zijn speciaal de op heTstandpunt van het N. V. V. staande vakbonden er hier en daar in geslaagd kontrakten af te sluiten, die aanzienlike verbeteringen voor de betrokken arbeiders ten gevolge hadden. Afgezien van de diamant-industrie waar zo ongeveer alles kollektief geregeld is, kunnen met name de Alg. Ned. Bond van Handelsen Kantoorbedienden, de Alg. Ned. Metaalbewerkersbond en de Ned. Bond van mannelike en vrouwelike arbeiders in de K leding-industrie met gerechtvaardigde trots wijzen op hetgeen door hen in dit opzicht reeds is tot stand gebracht. Laatstgenoemde bond slaagde er zelfs dit jaar in, een kontrakt aan te gaan met de Bond van verenigde patroons in de Kleding-industrie te Amsterdam, aldus een begin makend met een eenvormige regeling voor alle Amsterdamse confectie-werkers. In zekere zin — wij komen nog nader op de kwestie terug — is hiermee door genoemde bond een hogere trap van ontwikkeling op het gebied der kollektieve kontrakten bereikt dan door de andere bonden, die, indien wij ons niet bedriegen, tot nu toe slechts kontrakteerden met patroons individueel.
Waar aldus het begrip voor hetgeen met kollektieve overeenkomsten te bereiken is de laatste tijd in ons land zo zeer is toegenomen, geloven wij geen nutteloos werk te doen het geschil in het Berlijnse krantenbedrijf, dat bij vooren tegenstanders van dit instituut groot opzien heeft gewekt, hier in zijn aanleiding, toedracht en gevolgen wat breder te schetsen dan ons dagblad vermocht te doen. 1) Wij zullen gelegenheid vinden hier en daar een woord van kritiek te laten horen en enkele beschouwingen van meer algemene aard laten volgen.
Zaterdag 17 Junie werden i1/* millioen lezers van ochtendbladen, wij veronderstellen onaangenaam verrast door in plaats van hun gewone krant een bulletin' te ontvangen met het bericht dat tengevolge van éen staking van 37
1) Als bronnen gebruikten wij berichten in de Soziale Praxis XX kol. 1186, 1208, 1276, 1337 en artiekels van Tarnow, Karski en Salomon in Die Neue Zeit XXIX Band 2, blz. 443, 473, 585. Zie het overzicht der tijdschriften in De Nieuwe Tijd 1911. blz. 711.
57
Ql8
chefs aan de rotatiepersen bij de firma August Scherl alle door deze firma uitgegeven dagbladen, benevens die der firma's Rudolf Mosse en Ullstein voorlopig niet zouden verschijnen. Dit waren drie der grootste Berlijnse kranten, de Berliner Lokal- Anzeiger; de Berliner Morgenzeitung en de Morgenpost en verder nog enige kleinere bladen. Algemene verontwaardiging was natuurlik het gevolg. Niet alleen hierom dat nog geen veertig mannen het in hun hand hadden heel het zaken doende Berlijn op de ergste wijze te ontrieven en tijdelik de geregelde gang van handel en bedrijf in de war te sturen — welk een uitwerking zou niet een algemene staking van alle krantendrukkers met politieke doeleinden hebben 1 — maar ook omdat deze staking ongetwijfeld was een kontraktbreuk. Bij de beoordeling van het geschil mogen we dit niet uit het oog verliezen. De handelwijze der 37 chefs is en blijft kontraktbreuk en valt niet goed te praten. Maar indien wij de voorgeschiedenis van dit geval nagaan dan zullen wij tevens zien dat de verantwoordelikheid voor deze verkeerde daad niet alleen bij de stakers is te zoeken.
In de kollektieve arbeidsovereenkomst voor het Duitse drukkersbedrijf, een omvangrijk kontrakt waarin de meeste aangelegenheden met grote nauwkeurigheid zijn geregeld, zijn eerst sinds 1906 bepalingen opgenomen omtrent chefs der rotatiepersen. De ontwikkeling van de druk-techniek maakte dit toen eerst nodig. Deze arbeiders zijn min of meer geprivilegieerd boven de andere typografen. Want hoewel hun funktie vnl. kennis van machine-techniek vereist en met het typografenvak in zijn oude vormen weinig gemeen heeft, is in het kontrakt bepaald dat alleen volleerde boekdrukkers de belangrijke machines mogen bedienen. Het is duidelik dat hierdoor de drukkerspatroons in de vrije keuze dier chefs min of meer beperkt zijn. En wanneer wij daarbij nu nog weten dat men in 1906 er bij de eerste maal niet dadelik in geslaagd is de positie dier chefs te regelen op een wijze die misverstaan onmogelik maakt, dan zien wij dat er alle aanleiding bestaat tot voortdurend geharrewar tussen ondernemers en arbeiders. Dit was dan ook inderdaad het geval. Bij andere patroons echter slaagde men er tot nu toe in openlike strijd te voorkomen. Niet aldus bij de firma Scherl.
Reeds vanaf Desember 1910 bestond met deze firma onenigheid over de arbeidsduur. Men was het wel eens over de maximum-arbeidsduur per week, echter niet over de verdeling dier uren over de afzonderlike dagen. De gemiddelde arbeidsduur per dag bedraagt volgens het kontrakt 9 uur. Bij de firma Scherl werd dit echter aldus verdeeld dat de ene dag 14, de andere 4 uur moest gewerkt worden. Men moet zich ten zeerste verwonderen dat zulke dingen bij de zo sterk georganiseerde typografen mogelik zijn, nog meer verwonderlik is dat het zo hoog geroemde en veel geprezen kontrakt zulk een opvatting van de 9-uren-dag niet uitsluit. Niet genoeg dat dergelijke onzinnige werktijden bestonden, na die 14 uur moesten vaak nog overuren gewerkt worden ook! Een bezwaar hiertegen van de chefs der rotatiepersen werd in twee instanties behandeld en 23 Desember door het Tarifamt als juist erkend, waarna de firma Scherl zich naar deze beslissing schikte.
Het eerste twistpunt was dus opgelost. Maanden lang werd nu onderhandeld over een betere verdeling van de „gewone" arbeidstijd. Zonder resultaat evenwel. Weer moest het Tarifamt een beslissing geven, wat de 28ste April geschiedde. In plaats van 2 verschillende werktijden, werden nu 4 verschillende vastgesteld met de bepaling dat deze 8 Mei zouden worden ingevoerd. Fraai was deze regeling, al had men er een maand of vijf aan gewerkt, niet, tenminste de betrokken arbeiders waren er zo weinig mee ingenomen, dat zij de voorkeur gaven aan de oude regeling, beurtelings op de ene dag 14, de andere 4 uur te werken. Zij eisten 2 dagen te voren dat de firma hun dat zou toestaan, zich daarbij beroepend op een vroeger met de firma Scherl afzonderlik gesloten kontrakt.
919
Dit werd geweigerd, waarop de arbeid 8 Mei werd neergelegd. De avond editie van de Berliner Lokal Anzeiger kon eerst enige uren later verschijnen. De firma gaf hierna toe om verdere verwikkelingen te voorkomen, doch bracht de zaak voor het scheidsgerecht met een klacht over verbreking van het individuele arbeidskontrakt én inbreuk op het kollektief kontrakt. Wat het eerste punt betreft kreeg de firma eenstemmig gelijk, wat de inbreuk op het kollektief kontrakt aangaat — en hierop kwam het vooral aan — werd uitgemaakt, met de stemmen der patroons-arbiters tegen, dat dit niet had plaats gehad, daar volgens de mening der arbeiders-arbiters de beklaagden met hun beroep op het vroegere kontrakt met de firma Scherl bona fide {— te goeder trouw, zonder arglist) gehandeld hadden. De firma liet het hier niet bij zitten doch ging in hoger beroep bij het Tarifamt. 9 Junie gaf dit zijne beslissing in dezer voege:
1. De aangeklaagde chefs der rotatiepersen hebben zich aan grove inbreuk op het kollektief arbeidskontrakt schuldig gemaakt, door opzettelik de beslissing van het Tarifamt van 28 April 1911 niet na te komen De beklaagden hebben hun trouw aan het kollektieve kontrakt geschonden (ihre Tariftreue verwirkt). Van de uitsluiting der beklaagden buiten de werking van het kontrakt wordt afgezien. Aan de beklaagden wordt een scherpe terechtwijzing gegeven met de toevoeging dat in geval van herhaling beslist uitsluiting buiten de werking van het kontrakt volgen moet en volgen zal.
2. De door het Tarifamt op 28 April in tegenwoordigheid der procederende partijen vastgestelde arbeidstijd treedt nu vast en zeker Maandag 12 Junie in werking.
3. De vertrouwensmannen Huf en Wallnig worden schuldig verklaard de op 8 Mei door de beklaagden begane verbreking van het individuele arbeidskontrakt en inbreuk op het kollektief kontrakt niet verhinderd te hebben. Het Tarifamt moet zelfs de beide vertrouwensmannen verantwoordelik stellen voor de inbreuk op het kollektief kontrakt door het personeel begaan en gelooft dat hun langer blijven in het bedrijf van de aanklagende firma aan een ongestoorde verhouding tussen patroon en arbeiders in de weg staat. Ook acht het Tarifamt de beklaagden Huf en Wallnig niet geschikt de funktie van vertrouwensman te bekleden.
Tegen de beide eerste punten van dit vonnis valt redelikerwijs geen bezwaar te maken. De 37 chefs, die herhaaldelik een beslissing van het Tarifamt hadden uitgelokt en ten dele ook in het gelijk waren gesteld, zoals in de kwestie omtrent de overuren, hadden zich neer moeten leggen bij de beslissing van 28 April in zake de verdeling der gewone werktijden, óók toen deze regeling hun niet naar de zin was. Te meer waar harerzijds de firma Scherl, toen zij in het ongelijk werd gesteld, zich overeenkomstig de beslissing gedragen had. Eerste en voornaamste plicht toch voor partijen bij een kollektief kontrakt is dat loyaal na te leven en de beslissingen van de zelf gekozen scheidsgerechten onvoorwaardelik op te volgen. Gebeurt dit niet, dan verliezen deze kontrakten zowel voor patroons als arbeiders alle waarde. Trouwens de rechtvaardigheid van deze beide punten wordt door iedereen erkend. Daartegen richtte zich de verontwaardiging in de Duitse arbeiderskringen over dit vonnis niet. Het ging alleen om punt 3.
Doch hervatten wij, voor we dit laatste punt nader beschouwen, eerst de draad van ons verhaal der feiten. De firma Scherl volgde de wenk haar in het derde punt van het vonnis gegeven op en ontsloeg de beide vertrouwensmannen Huf en Wallnig. De overige chefs verklaarden zich met hun kameraden solidair, eisten intrekking van het ontslag en dreigden, voor het geval hieraan niet werd voldaan, met staking. Het bestuur der vakvereniging beproefde nog tot een vergelijk te komen, doch dit mocht niet meer baten. De staking werd doorgezet tegen de zin van de vertrouwensmannen van alle andere arbeiders der firma in.
Q20
i6 Junie werd 's middags de arbeid stop gezet De stakers werden krachtens punt i van het vonnis van 9 Junie onmiddellik door hun vakvereniging beschouwd als uitgesloten buiten de werking van het kollektief kontrakt. Terecht. Doch de vakvereniging deed meer. Zij billikte een overeenkomst tussen de firma's Mosse, Ullstein en Scherl waarin deze ondernemers zich wederkerig bereid verklaarden eikaars bladen te drukken voor het geval een storing in een der bedrijven plaats zou vinden. De leiders der vakvereniging stelden zich op het standpunt — het zuivere ondernemersstandpunt — dat de chefs der rotatiepersen bij de firma's Mosse en Ullstein de arbeid van hun stakende kameraden moesten overnemen, dat zij zodoende geen onderkruiperswerk verrichtten en dat, indien zij weigerden, de firma's het recht hadden hen te ontslaan. De arbeiders hadden een helderder inzicht in wat hun plicht hen gebood dan de verburgerlikte leiders en weigerden eenparig het onderkruiperswerk te verrichten De firma's Mosse en Ullstein achtten zich daarna verplicht ook hun bladen niet te laten verschijnen om geen voordeel te trekken uit de nood-toestand van een konkurrerende firma.
Men zou zeer verkeerd doen de handelwijze van de firma's Mosse en Ullstein als een uiting van een hoog moraliteits-gevoel voor te stellen, zoals dat in de burgerlike pers geschiedde. Patroons-solidariteit heeft gewoonlik een minder idealistiese basis. Wij zeiden reeds dat de drie betrokken ondernemers zich onderling kontraktueel verbonden hadden één lijn te trekken. Dit geeft een scherpe kijk erop hoe deze ondernemers, die elkaar steeds op het heftigst konkurrentie aandoen waar het betreft uitbreiding van hun lezerskring, alle onderlinge verschillen op zij zetten, zodra het tegen de arbeiders gaat, om zo de overwinning aan een hunner te verzekeren.
Behalve de daadwerkelike steun door de beide genoemde firma's aan de firma Scherl geboden, vaardigden 19 Berlijnse kranten — slechts 2 burgerlike bladen en natuurlik ook de Vorwarts deden hieraan niet mee — een solidariteits-proklamatie voor hare drie door de staking getroffen konkurrenten uit. Het schijnt echter dat het uitspreken van deze solidariteit alleen beschouwd mag worden als een sympathie-betuiging, zonder dat bedoeld werd eventueel nog feitelike hulp te verlenen. Zo ver hoefde het trouwens ook niet te komen, want lang duurde de staking niet. Reeds Maandag 19 Junie, 's avonds, nadat dus het krantenbedrijf 3 dagen had stilgestaan, kwam aan het geschil een einde. Van de 37 chefs der rotatiepersen zouden 30 weder op hun oude plaatsen worden teruggenomen. De plaatsen der overige 7 arbeiders zouden door andere worden ingenomen. De arbeiders zelf zouden van het zevental dat uit de dienst werd verwijderd er drie mogen aanwijzen, de firma de overige vier- De firma harerzijds zag af van haar vordering tot het bekomen van 10000 mark schadevergoeding, daar de vakvereniging zich bereid verklaarde de boete te betalen, die het scheidsgerecht aan de 37 stakers zou opleggen wegens inbreuk op het kollektief arbeidskontrakt.
Tot hiertoe de feiten. Wat is nu het ergerlike in dit gehele geval ? Wij merkten hierboven reeds op dat de verantwoordelikheid voor deze tweede staking van 16 tot 19 Junie niet alleen op de betrokken arbeiders rust. Ook het Tarifamt heeft schuld, en wel door het oordeel in punt 3 van het vonnis van 9 Junie over de beide vertrouwensmannen uitgesproken. Dit oordeel getuigt van een zo verregaand wanbegrip van de taak van een scheidsgerecht, dat de kontraktbreuk der arbeiders daardoor in een geheel ander licht verschijnt. Immers hierdoor wordt de positie van de vertrouwensmannen, die door de Duitse vakverenigingen na jarenlange strijd tot een onschendbare was gemaakt, ten zeerste geschokt. Het Tarifamt, nog wel een kollege met een even aantal leden, voor de ene helft
921
arbeiders, voor de andere ondernemers, spreekt over Huf en Wallnig met de ban uit om wat zij persoonlik gedaan hebben, maar om wat door hen m hun kwaliteit van vertrouwensman gedaan is. En dat valt buiten de bevoegdheid van een scheidsgerecht. Want vertrouwensmannen zijn niet organen door de kollektieve arbeidsovereenkomst ingesteld om te waken voor de getrouwe nakoming van de uit het kontrakt voortvloeiende verplichtingen. Daartoe dienen de Krei-amter, de Tarifausschusz, de verschillende scheidsgerechten en het Tarifamt Maar wel is de taak van de vertrouwensmannen om voor de belangen van hun kollega's op te komen. Duidelik blijkt dit uit de Kommentaar op het Kontrakt, een boekje dat een officiële verklaring en uitlegging van de kollektieve arbeidsovereenkomst geeft. Daarin wordt hun taak aldus beschreven: „De vertrouwensman der arbeiders is geen kontroleur van de overeenkomst (ist kein Tariffunktionar), maar alleen een vertegenwoordiger van zijn kollega s tegenover de patroon in zaken die betrekking hebben op de kollektieve arbeidsovereenkomst " Wanneer de arbeiders dus wensen hebben, dan zijn het de vertrouwensmannen die deze aan de patroon kenbaar maken. Zij treden op namens de arbeiders om hunne belangen voor te dragen. En wanneer een zaak voor een scheidsgerecht wordt gebracht dan zijn zij het weer die als advokaat de zaak van hun kollega's verdedigen. Het is duidelik dat zij deze taak alleen dan naar behoren kunnen vervullen als zij er zeker van zijn dat de patroon hen niet lastig zal vallen om hun optreden. Zij moeten ertegen gewaarborgd zijn dat een aan de ondernemer onwelgevallige handeling hen schaadt in hun broodwinning. In hun kwaliteit van vertrouwensmannen moeten zij onschendbaar zijn. En wat doet nu het Tarifamt? Het geeft aan de patroon de wenk Huf en Wallnig, die niets anders dan overeenkomstig de wens en de opdracht van hun kollega s gehandeld hadden, te ontslaan! Met volslagen miskenning van taak en roeping van vertrouwensmannen speelt het, door niet vast te houden aan hun onschendbaarheid, in de kaart van de Scharfmacher.
Elke zin van punt 3 van het vonnis legt er getuigenis van af, hoever het Tarifamt beneden zijn taak gebleven is. Eerst worden Huf en Wallnig schuldig verklaard de inbreuk op het kollektieve kontrakt niet verhinderd te hebben. Deze wartaal zou bezwaarlik door een beroepsrechter zijn uitgesproken. Want hoe kan iemand ooit schuldig zijn aan het blote feit er niet in geslaagd te zijn een ander van zijn voornemen af te brengen? Men kan eraan schuldig staan geen of geen voldoende pogingen daartoe te hebben aangewend. Men kan zelfs, door wetsduiding of kontraktueel, aansprakelik of verantwoordelik zijn voor de daad van een ander. Maar zonder meer schuldig zijn aan het niet beletten van eens anders daad, kan nooit. ;J Vervolgens stelt het Tarifamt „de vertrouwensmannen zelfs verantwoordelik voor de onrechtmatige daden van het personeel. Wat het woord: „zelfs" hier betekenen kan is volslagen raadselachtig; logies redeneren schijnt met de sterkste kant van het Tarifamt! En wat nu dat verantwoordelik stellen betreft, dat is juist de ergste misgreep door het Tarifamt in deze hele zaak begaan. Wij wezen er reeds op dat voor de goede uitvoering van hun taak de vertrouwensmannen niet tot zondebok gemaakt mogen worden voor de handelingen van de door hen vertegenwoordigde arbeiders Het vonnis ondermijnt hun positie op de allergevaarhkste wijze door hen persoonlik te treffen voor wat door hen in hun kwaliteit werd gedaan- En hoe motiveert het vonnis die verantwoordelikheid dan nog! Wij lezen daaromtrent in het vonnis: „Het Tarifamt is ervan overtuigd dat de beide vertrouwensmannen Huf en Wallnig niet, zoals zij beweren, op behoorlike wijze voor de nakoming van de beslissing (van 28 April) zijn opgekomen, maar dat zij het daaraan minstens hebben laten ontbreken, indien zij
922
al niet het gedrag hunner kollega's begunstigd of zelfs teweeggebracht hebben." Een fraai staaltje van een Jezuieten-redenering! Hoewel het Tarifamt het geval natuurlik zeer nauwgezet heeft uitgeplozen, heeft het niet kunnen aantonen dat de vertrouwensmannen aanleiding hebben gegeven tot de kontraktbreuk. Maar toch wordt dit in het vonnis geinsinueerd om het bewijs der verantwoordelikheid sterker te maken. Zulk een handelwijze is in hoge mate onoorbaar.
Ten slotte maakt in de laatste zin van punt 3 het Tarifamt zich schuldig aan overschrijding van rechtsmacht door te vonnissen dat Hun en Wallnig niet geschikt zijn om een funktie als vertrouwensman te bekleden. De beslissing hierover staat alleen aan de arbeiders die hen kozen en aan de vakvereniging. Het is geheel en al een zaak waar het Tarifamt, dat immers gedeeltelik uit ondernemers bestaat, zich buiten te houden heeft. Het is zonder twijfel van belang dat een vertrouwensman der arbeiders ook het vertrouwen geniet van de ondernemer, maar het is niet toelaatbaar dat iemand buiten de arbeiders of de vakvereniging bepaalde personen van de verkiesbaarheid tot die funktie uitsluit.
Men ziet dat wij niet te veel zeiden toen wij het Tarifamt mede verantwoordelik stelden voor de kontraktbreuk van 16 Junie. Wij moeten bekennen het niet voor mogelik te hebben gehouden dat ooit door een scheidsgerecht zulk een vonnis geveld zou worden. Een kollege van beroepsrechters zou het moeilik erger hebben gemaakt! De solidariteit van de arbeiders aan de rotatiepersen met hun vertrouwensmannen is na deze uitspraak volmaakt verklaarbaar, en al keuren wij het verbreken der discipline en de kontraktbreuk der stakers niet goed, wij achten toch de uitbarsting van verontwaardiging over hun handelwijze volmaakt misplaatst.
Er is door dit geval grote schade toegebracht aan een gezonde verdere ontwikkeling van de kollektieve arbeidsovereenkomsten. Dat deel der Duitse ondernemers, vnl. die in de groot industrie, welke tot nog toe weigerachtig gebleven zijn zulke overeenkomsten met de vakverenigingen aan te gaan, hebben deze kontraktbreuk natuurlik dadelik uitgebuit om de juistheid hunner zienswijze aan te demonstreren. De burgerlike pers heeft ach en wee geroepen dat de arbeiders door in staking te gaan tot deze triomf van de Scharfmacher aanleiding hebben gegeven. De Soziale Praxis — het Duitse Sociaal Weekblad — gaat zelfs nog verder 1) en ziet het spookbeeld van uitzonderingswetten tegen de vakverenigingen naderen. Het doet een beroep op de arbeiders de „Duitse trouw aan gesloten kontrakten" hoog te houden. Deze nationalistiese fraseologie maakt op de arbeidersklasse natuurlik niet de minste indruk. De Scharfmacher echter zullen deze bondgenoot gaarne aanvaarden. Oerigens ontkennen wij niet dat dit geval die werkgevers die toch al niet geneigd waren kollektieve kontrakten te sluiten, in hun verzet een weinig zal hebben gestijfd. Echter moeten wij vooral niet vergeten dat de voortreffelike wijze waarop het Tarifamt en het hoofdbestuur van de Typografenbond de belangen der ondernemers hebben gediend, wel in staat is die ondernemerskringen welke de kollektieve arbeidsovereenkomst als een goed instituut beschouwen, volmaakt te bevredigen en het aanvankelik door de staking wellicht een weinig geschokte vertrouwen te herstellen. Dit bleek dan ook zeer duidelik op een 21 Junie gehouden algemene vergadering van de vereniging van Duitse krantenuitgevers, waar de spoedige opheffing der staking gevierd werd en het verloop der zaak beschouwd werd als een overwinning voor het instituut der kollektieve kontrakten.
1) Soziale Praxis XX. kol. 121 r.
923
Neen, wanneer wij de mening onderschrijven dat deze zaak schade heeft toegebracht aan het streven steeds meerdere kontrakten af te sluiten, dan bedoelen wij niet dat deze schade is aangericht in de kringen der ondernemers, maar in die van de arbeiders. Zij zijn het die door het vonnis van 9 Junie zijn opgeschrikt, omdat zij zich daardoor bedreigd weten in hun belangen. Wanneer het standpunt van het Tarifamt mocht blijken ook door scheidsgerechten in andere bedrijven te worden gedeeld, zou het vertrouwen door de vakverenigingen in kollektieve kontrakten gesteld, spoedig geheel verdwijnen. Een aanslag op hun vertrouwensmannen kan door de organisaties niet worden geduld. De hogere vorm van de strijd tussen kapitaal en arbeid, welke wij in de kollektieve arbeidsovereenkomst en de daarvoor gevoerde aktie menen te zien, zou dan weer verloren gaan om plaats te maken voor de meer primitieve, want meer ongeregelde, vroegere wijze van strijdvoeren.
Aldus is het ook begrepen in de op 21 Junie door meer dan 6000 leden bezochte vergadering van de afdeling van de Typografenbond in Berlijn. Daar werden de beide uitgebannen vertrouwensmannen, hoewel de vergadering geenszins blind was voor hun kontraktbreuk, luide toegejubeld. De solidariteit ging boven de discipline. En daartegen valt niet veel in te brengen. Ten slotte werd de volgende motie aangenomen:
De vergadering erkent uitdrukkelik de onvoorwaardelike plicht der bondsleden de beslissingen van het Tarifamt na te komen zowel als de voorschriften van het hoofd- en afdelingsbestuur te respekteren en betreurt derhalve ten zeerste de in strijd met de bevelen van het bestuur uitgebroken staking van de chefs aan de rotatiepersen. De vergadering ziet in de ongepaste behandeling van het personeel, van de zijde van de bedrijfsleiders der firma Scherl sedert geruime tijd in praktijk gebracht, de grondoorzaak van de door de staking tot uiting gekomen opwinding; het vonnis van het Tarifamt, respektievelik punt 3 daarvan, evenwel beschouwt zij als de onmiddellike aanleiding tot de handelwijze der chefs aan de rotatiepersen.
De in het vonnis van het Tarifamt uitgesproken vergaande verantwoordelikheid van de vertrouwensmannen, in het biezonder hun ontslag wegens handelingen van al hun kollega's, beschouwt de vergadering als niet steunend op de bepalingen der kollektieve arbeidsovereenkomst en in hare konsekwenties als buitengewoon gevaarlik niet alleen voor het verder bestaan van het instituut der vertrouwensmannen, maar ook voor de gehele vakaktie van de bond, welke toch in de eerste plaats op de solidariteit berust.
Daarom eist de vergadering met nadruk van de daartoe bevoegde organen een revisie van punt 3 van het vonnis te bewerken, alsmede het daarheen te leiden dat dergelijke onhoudbare beslissingen voor het vervolg achterwege blijven.
Na al het voorgaande is het duidelik dat wij deze motie ten volle onderschrijven. De vergadering plaatste zich hiermee op het enig houdbare, maar dan ook zeer sterke standpunt, naast een afkeuring van de inbreuk op het kollektief kontrakt, zich alleen te richten tegen het laatste punt van het beruchte vonnis. Oorspronkelik in gematigder vorm door het afdelingsbestuur voorgesteld, werd de motie door de vergadering verscherpt en ongetwijfeld zou dit nog in meerdere mate geschied zijn, indien men toen had kunnen vermoeden op welk een wijze door het vakblad der typografen, Der Korrespondent, en door de bestuurders tegenover het vonnis stelling zou worden genomen.
Der Korrespondent wees elke kritiek op het vonnis terug en vond zelfs dat de vertrouwensmannen er nog genadig af waren gekomen. Het Tarifamt had hen immers wegens hun gedrag buiten de werking van het kollektief kontrakt kunnen uitsluiten. Zeker, dat had het Tarifamt kunnen doen- Het had hen ook tot gevangenisstraf kunnen veroordelen, en dat met evenveel recht, hetgeen in
924
dit geval zeggen wil: zonder enig recht. Het Tarifamt mocht de vertrouwensmannen niet verantwoordelik stellen en daarmee vervalt elk recht, welke straf dan ook over hen uit te spreken.
Mocht men aanvankelik menen dat deze zienswijze de persoonlike mening van de redakteur van het vakblad was, al spoedig zou het tegendeel blijken. Het hoofdbestuur van de Typografenbond riep tegen 3 Julie een vergadering bijeen te Berlijn van alle afdelingsbestuurders. Twee dagen werd onder de leiding van het hoofdbestuur over de zaak beraadslaagd en het resultaat was dat de volgende resolutie eenstemmig werd goedgekeurd:
De vergadering der afdelingsbestuurders geeft na een uitvoerige bespreking van de kontraktbreuk der chefs aan de rotatiepersen bij de firma Scherl en van de daarmee samenhangende gebeurtenissen eenstemmig als haar mening te kennen, dat het besluit van het Tarifamt ten opzichte der vertrouwensmannen bij genoemde firma, na gehouden verhoor van partijen, als volmaakt begrijpelik beschouwd moet worden en zijn motivering vindt inde herhaaldelike vergrijpen tegen de kollektieve overeenkomst.
Verder veroordeelt de vergadering ten sterkste de herhaalde inbreuken op het kollektief kontrakt en op de discipline in Berlijn, die niet alleen er toe leiden de onderlinge kontraktuele verhouding, maar ook de organisatie als partij bij het kontrakt ten zeerste te schaden, en de verdere ontwikkeling op dit gebied in gevaar moeten brengen. De vergadering spoort derhalve alle leden aan, zich, in het belang van de eenheid der organisatie, op de nauwgezetste wijze aan de bepalingen der statuten en de besluiten der algemene vergaderingen te houden en draagt het hoofdbestuur op met de in de statuten gegeven middelen krachtig tegen inbreuken op de discipline op te treden.
De solidariteitsverklaring van de vertrouwensmannen en de personelen met de zich aan kontraktbreuk schuldig makende chefs aan de persen kan de vergadering alleen kwalificeren als een volmaakt miskennen der feitelike verhoudingen, benevens der trouw aan het kontrakt en der vakverenigingsdiscipline
De afdelingsbestuurders geven als hun vaste wil te kennen aan de beproefde beginselen der organisatie en der kollektieve arbeidsovereenkomst vast te houden, zelfs dan. wanneer de op het ogenblik in Berlijn bestaande stroming deze grondslagen verlaten zou.
De het aanzien der organisatie ten zeerste schadende gebeurtenissen in de Berlijnse afdelingsvergadering van 21 Junie 191 r, benevens het betrekken van kringen van buitenstaanders in interne vakverenigingsaangelegenheden veroordeelt de vergadering op de meest besliste wijze en gaat met de maatregelen van het hoofdbestuur evenals met de houding van Der Korrespondent akkoord.
De vergadering ziet in de ongepaste wijze, waarop enige sociaal-demokratiese partijbladen het vonnis van het Tarifamt en de door het hoofdbestuur aangenomen houding aan kritiek hebben onderworpen, een nieuw bewijs voor de ongunstige beoordelingswijze, waarin de typografen sedert jaren zich bij hun handelingen van die zijde te „verheugen7' hebben; zij geeft als haar mening te kennen dat een dergelijke inmenging in interne organisatie-kwesties niet in het belang der arbeiders is en derhalve ook door de typografen moet worden afgewezen.
In deze geharnaste, van superlatieven aan elkaar hangende, resolutie wordt dus een diepe buiging gemaakt voor het in onfeilbaarheid tronende Tarifamt, de discipline verheerlikt als een op zichzelf waardevol ding, de solidariteit in een hoek getrapt, een eng vak-standpunt ingenomen, de sociaal-demokratie als een kwajongen en een bemoeial getypeerd! En dan niet te vergeten, dat deze vergadering, nog wel bestaande uit de leidende mannen van een der belangrijkste „moderne" vakbonden, toonde niet in te zien de grote slag aan het instituut der vertrouwensmannen toegebracht, ja deze instelling op haar beurt een nog zwaardere toebracht door zich uitdrukkelik homogeen (van gelijke zienswijze) te verklaren met het Tarifamt.
Men behoeft wel niet te vragen wie zich over deze resolutie, en speciaal over
925
de stellingname tegen de sociaal-demokratie het meest verheugen! Het ligt voor de hand dat de Berlijnse typografen zich hierbij niet zonder meer neerlegden. Een vergadering van 7 Julie onderwierp de resolutie der bestuurders aan een scherpe kritiek. Ook de typografen in Hamburg en Leipzig, die met de Berlijners ongeveer Va van het ledental van de Typografenbond uitmaken, gaven hun afkeuring te kennen over het Tarifamt en de houding van het bestuur. En het is wel te voorzien dat de in het najaar te voeren onderhandelingen omtrent de vernieuwing van het kontrakt in het drukkersbedrijf in het teken van het geval Scherl zullen staan. 1)
Het spreekt van zelf dat de Duitse vak- en politieke pers zich uitvoerig met de kwestie heeft beziggehouden. 2) Verschillende vakbladen hebben hun mening erover uitgesproken, een groot aantal waarvan het in dit opstel ontwikkelde standpunt bleek te delen. Echter niet het orgaan van de Duitse vakverenigingscentrale, het bekende Correspondenzblatt der Generalkommission der Gewerkschaften Deutschlands, onder redaktie van P. Umbreit. In een blijkbaar redaktionele beschouwing 3) wordt het standpunt van het Tarifamt en der bestuurders van de Typografenbond goedgepraat. De argumentatie is nogal zwak. De voorstelling wordt gewekt als ware de kollektieve overeenkomst der typografen in wezen iets geheel anders als die der andere vakbonden. Alleen hier zouden de vertrouwensmannen tegelijk zijn kontroleurs van de overeenkomst en dus voor hun ambtsdaden ter verantwoording kunnen worden geroepen door het Tarifamt. Om deze uitzonderingstoestand aannemelik ie maken wordt de volgende formidabele onzin neergeschreven: „De kollektieve arbeidsovereenkomst in het typografen-bedrijf is een op zich zeil staand ding 'Gebilde) met eigen rechtspraak,
1) Inderdaad is dit geschie 1. De inleiding werd gegeven in het jaarverslag van het Tarifamt. Hieruit blijkt dat de rechtvaardigheid van het vonnis van 9 Junie uitdrukkelik wordt staande gehouden. Tevens wordt een ernstig beroep op de arbeiders gedaan het vooribestaan der kollektieve arbeidsovereenkomst niet in gevaar te brengen. (Soziale Praxis XX. kol. 1492). Xadat aldus officieel een zekere stemming was gewekt, begonnen de onderhandelingen, die 14 dagtri duurden en 7 Oktober eindigden met het afsluiten voor vijfjaar van een gewijzigd kontrakt. Erkend moet worden dat het resultaat tamelik gunstig is te noemen. Ous interesseert hier alleen hoe de nieuwe bepalingen omtrent de vertrouwensmannen luiden. {Soziale Praxis XXI. kol. Ito: Correspondenzblatt XXI. blz. 669). De werkgevers eisten dat zij zelf deze benoemen zouden uit een voordracht der arbeiders. Dit was natuurlik al te gek. Het liep uit op een kompromis, nl. beperking der verkiesbaarheid. De arbeiders mogen voortaan alleen uit het 't langst in dienst zijnde derde deel van het personeel hun vertrouwensmannen kiezen. Op zich zelf is dit zo erg niet te achten, maar het beginsel dat alléén de arbeiders en hun organisatie het recht hebben invloed uit te oefenen op deze keuze is hiermee opgeofferd. En de betekenis daarvan mag niet onderschat worden. Nu het principe gevallen is, kunnen de werkgevers bij een vo'gende herziening méér eisen. De vakbond heeft dan geen krachtige wapenen dat te beletten.
2) De kritiek werd niet steeds op de zachtzinnigste wijze uitgeoefend. De Generalkommission wilde naar aanleiding van die felle polemieken een scherp protest doen horen. Het Duitse partijbestuur wist het daarvan te weerhouden en zond een geheime circulaire aan de partijpers met een dringende aanmaning om in polemieken onder kameraden een behoorlike toon te bewaren. Deze circulaire viel in handen van een burgerlike dagblad-redaktie, die natuurlik tot publikatie overghig. Gevolg: vinnige opmerkingen aan het adres van het partijbestuur. Wij kunnen deze geheimdoenerij ook allerminst bewonderen, vooral daar de giftigste stukjes niet in onze partijpers, maar in de vakbladen, juist tegen de partijpers, voorkwamen.
3) Correspondenzblatt XXI. blz. 428. Zie het overzicht der tijdschriften in De Nieuwe Tijd 1911. blz. 710
926
waarbij wel de organisaties der arbeiders en werkgevers op den achtergrond staan, evenwel zonder direkt kontrakterende partijen te zijn." Men denke zich een ogenblik in wat hier wordt beweerd. Twee partijen, de beide organisaties, zijn gebonden door een „kontrakt" zonder dat zij dit gesloten hebben. Ook is het niet door anderen gesloten. We zouden dus hier een voorbeeld hebben van een „kontrakt" zonder kontrakterende partijen 1 Dit nu is iets wat zelfs voor een jurist onbestaanbaar is. Een regeling waardoor twee partijen gebonden zijn zonder dat zij daaromtrent gekontrakteerd hebben, is zonder twijfel denkbaar. Maar dan is juist het eigenaardige dat het geen kontrakt is, maar een regeling van publiekrechtelike aard, zoals wij daarvan een voorbeeld vinden in de minimum lonen, vastgesteld door de Engelse bedrijfsraden. Zo iets bestaat echter in Duitsland niet, waar de kollektieve arbeidsovereenkomsten geheel zijn overgelaten aan de vrije wil van partijen. Een andere dan kontraktuele verhouding is daar kortweg onmogelik. De opvatting van het Correspondenzblatt, waarbij een bindende regeling uit de lucht komt vallen, is zuivere mystiek.
Niet veel beter maakt het de voorzitter van de Typografenbond E. Döblin in een artiekel i), door de redaktie van het Correspondenzblatt met blijkbare instemming opgenomen. Hij heeft slechts twee argumenten Eerst beroept hij zich op een vroeger vonnis van het Tarifamt, waarin dezelfde verkeerde opvatting omtrent het instituut der vertrouwensmannen tot uiting komt als in dat van 9 Junie. Deze beslissing is onopgemerkt voorbijgegaan, waarschijnlik omdat er niet zulke, de algemene aandacht trekkende gebeurtenissen op gevolgd zijn als in het geval bij de firma Scherl. Maar hoe dit ook zij, wij hebben nog nimmer bemerkt dat tweemaal dezelfde fout begaan, die daad in eens tot een goede stempelt. Vermoedelik heeft Döblin dit ook nog nooit opgemerkt, maar dan is het ook misleidend zich van zulk een, laten we maar zeggen onlogiese, redenering te bedienen.
Zijn tweede argument is een beroep op een besluit van de algemene vergadering van de Typografenbond gehouden te Hannover 14 tot 20 Mei 1911. Daartoe gebracht door de eerste, zeer kortstondige, staking bij de firma Scherl op 8 Mei, werd een resolutie 2) aangenomen waarin kontraktbreuken en de weigering zich bij een beslissing van het Tarifamt neer te leggen scherp werden afgekeurd. „Tegen leden — luidt het dan verder — die zich aan zulke vergrijpen schuldig maken, moet het hoofdbestuur overeenkomstig de bepalingen der statuten optreden". Wij kursiveerden het woord waarop het hier aankomt. Zeer juist wordt in deze resolutie het hoofdbestuur aangewezen om maatregelen te nemen tegen leden, die zich om de discipline niet bekommeren, en geenszins het Tarifamt. Döblin's beroep hierop faalt dus ten enenmale. 3)
Het spreekt van zelf dat het punt waar het eigenlik om gaat, n.l. in hoeverre het Tarifamt bevoegd is de vertrouwensmannen verantwoordelik te stellen voor hun ambtshalve verrichte daden, door de verdedigers van het Tarifamt niet geheel onbesproken kon worden gelaten. Döblin bepaalt zich er toe de betreffende passage uit het oude vonnis af te drukken waarin die verantwoordelikheid eenvoudig wordt aangenomen. Het vakblad der typografen, Der Korrespondent,
1) Correspondenzblatt XXI. blz. 428. Zie het overzicht der tijdschriften in De Nieuwe Tijd 1911. blz. 709.
2) Correspondenzblatt XXI. blz. 336.
3) In een artiekel in de Sozialistische Monatshefte (1911. Band 2, blz. 1069) over deze staking stelt Döblin zich geheel op het ondernemersstandpunt, zonder nieuwe argumenten aan te voeren.
927
het Correspondenzblatt i) en de Soziale Praxis 2) trachten tenminste hun mening te bewijzen met een beroep op besluiten van de Tarifausschusz en het Tarifamt van 17 Januarie 1905 en 12 Maart 1907 en op een zinsnede in de kommentaar op het kontrakt. Wij lezen in deze drie uitlatingen echter niet wat door hen, die de tegenovergestelde opvatting huldigen, er zo gaarne in gevonden zou worden. Er wordt daarin gesproken van een speciale bescherming der vertrouwensmannen tegen willekeurig ontslag; hun wordt uitdrukkelik voorgehouden dat zij met takt hebben op te treden ; dat zij niet-gerechtvaardigde eisen hunner kollega's hebben af te wijzen, enz. Kernachtig drukt het Tarifamt dit aldus uit: „De taak der vertrouwensmannen moet niet zijn geschillen op te werpen, maar bestaande of ontstaande te slechten". Het geldt hier dus morele verplichtingen van de vertrouwensmannen, die ook wij uitdrukkelik erkenden, toen wij schreven dat het van groot belang is dat een vertrouwensman der arbeiders ook het vertrouwen geniet van de ondernemer. Maar deze morele verplichting is nog geen rechtsplicht. Het kollektief kontrakt vestigt deze laatste nergens. En alleen door in deze en dergelijke uitingen een zin te leggen die er niet in ligt, is het mogelik het Tarifamt te verdedigen. Bij al deze pogingen van een twijfelachtige wetenschappelike waarde blijft men blind voor één voornaam ding dat onomstotelik vast staat en waarop wij hierboven reeds wezen. Namelik hiervoor, dat de vertrouwensman geen kon trolerend orgaan van de kollektieve arbeidsovereenkomst, geen Tariffunktionixr, is, en dat dus het Tarifamt over hem als zodanig niets te vertellen heeft.
Wij zijn langer bij de argumenten van hen die het voor het Tarifamt opnemen, blijven stilstaan dan het gehalte daarvan strikt noodzakelik maakte. Wij hebben dat alleen hierom gedaan om duidelik te doen uitkomen hoe zwak de door ons aangevallen mening is en hoe onverantwoordelik daardoor tegenover de organisatie en de belangen der arbeiders gehandeld wordt.
Merkwaardigerwijs heeft de zoo herhaaldelik en krachtig zich uitende kritiek zich haast uitsluitend bepaald tot het vonnis van het Tarifamt en de verdediging die het in de arbeiders-pers en van de zijde der bestuurders van de Typografenbond is ten deel gevallen. Daarbij is enigszins op de achtergrond geraakt een andere gebeurtenis tijdens dit betreurenswaardige geval, waarop het wel de moeite loont nog eens nader de aandacht te vestigen. Wij bedoelen het feit dat het bestuur der vakvereniging de arbeiders bij de firma's Mosse en Ullstein opdroeg het werk van hun bij de firma Scherl stakende makkers te verrichten. Dit is al een zeer ernstig feit, als wij het alleen beschouwen van uit het oogpunt dat hier vakverenigingsleiders openlik aansporen tot onderkruipen, nog veel bedenkeliker wordt het wanneer wij de konsekwenties nagaan die dit optreden heeft ten opzichte van de rechts- en machtspositie van de beide partijen bij een kollektief kontrakt. Want deze hulp door de bestuurders der vakvereniging aan de ondernemers geboden, is niet een op zich zelf staand geval, maar een symptoom (kentekenend verschijnsel), hoe het streven van de werkgeversbonden om de arbeiders-organisaties dienstbaar te maken aan hun, door middel van kollektieve kontrakten te verwezenliken belangen, maar al te zeer met goede uitslag wordt bekroond.
1) Correspondenzblatt XXI. blz. 442 in een polemiek met de Vorwarts, die ook op het door ons ingenomen standpunt staat.
2) Soziale Praxis XX. kol. I2IO.
928
Dit ter beschikking stellen van onderkruipers door de ^vereniging »> een der openlik door de ondernemers nagestreefde doe einden. Zo schreef de werkgeversbond voor Elzas-Lotharingen aan het hoofdbestuur der timmerlieto, 28 Tulie 1910, het als de plicht der vakbond te beschouwen naar Metz en Mulhausen onderkruipers te sturen om de tegenstand der niet al te gewillige leden van de bond in die plaatsen te breken. En de werkgeversbond voor Rijnland en Westfalen schreef aan hetzelfde hoofdbestuur, 5 Augustus 1910. Voor alles is het uw plicht in deze plaatsen (Dortmund, Duisburg, Essen waar herhaaldelik stakingen voorkwamen W.) er voor te zorgen en uw invloed aan te wenden, dat die plaatsen waar afdelingen van uw bond bestaan door werkwilligen (zoals bekend is dit de burgerlike term voor onderkruipers W. overstroomd worden, opdat wij ons overtuigen kunnen dat tenminste brj het hoofdbestuur de goede wil bestaat, de door de afdelingen m het leven geroepen moeilikheden uit de weg te ruimen". 1)
De Berlijnse typografenbestuurders hebben zich in dit opzicht al van biezonder goeden wille getoond en zonder aarzeling deze wens der patroons ingewilligd. Van verdedigers der arbeidersbelangen, wat zij krachtens hun ambt toch ongetwijfeld behoorden te zijn, zijn zij, dank zij de eigenaardige psychulogiese uitwerking, die kollektieve kontrakten speciaal op bestuurders schijnen te hebben, geworden tot zeer gewaardeerde verdedigers van de belangen der patroons. Belangen die in dit geval voor de firma Scherl bestonden in het bhjven verschijnen van de door haar uitgegeven bladen, wat behalve een vermijden van direkt nadeel, doordat de bladverkoop ongestoord zou kunnen doorgaan, tevens meebracht dat konkurrerende bladen niet van de noodtoestand zouden gebruik kunnen maken om abonnés en vooral vaste adverteerders af te troggelen. Ware de bedrijfsstoring van techniese aard geweest, b.v. door een ernstig defekt aan de persen, dan zou er geen bezwaar tegen geweest zijn indien de bestuurders het kontrakt tussen de drie firma's om eikaars bladen te drukken hadden gebilhkt. Immers in zo'n geval waren er geen arbeidersbelangen in het spel geweest. Maar het getuigt van een merkwaardig gebrek aan onderscheidingsvermogen in dit geval, waar staking de oorzaak der storing was, evenzo te beslissen. Aldus werden de arbeiders d'oor hun eigen leiders in de rug aangevallen. Gelukkig hebben hun kameraden bij de beide andere ondernemingen daar een stokje voor gestoken en hun plicht van solidariteit begrepen. Maar met dat al had de reuk van heiligheid waarin kollektieve kontrakten staan, de bestuurders zozeer van de wijs gebracht dat zij verplichtingen voor de arbeiders vestigden, die volstrekt niet uit het kollektief kontrakt voortvloeiden. En dat is juist in gelijke mate gevaarlik voor de arbeidersklasse als het verheugend is voor de ondernemers. 2)
1) W. Kremser, Die Neue Zeit XXIX. Band 2, blz. 19. Zie het overzicht der tijdschriften in De Nieuwe Tijd I9IÏ. blz. 707 .
2) Dit artiekel was reeds geschreven toen wij kennis namen van een dergelijk geval in de bontindustrie te Hamburg. De patroonsvereniging maakte er het hoofdbestuur van de vakbond een verwijt van dat zij de arbeiders bij een firma te Gustrow tot kontraktbreuk had verleid door het verrichten van onderkruiperswerk in de fabriek te Güstrow voor Hamburgse ondernemers te verbieden. Het hoofdbestuur antwoordde de patroonsorganisatie o.a.: „Het zou ons gehele kollektief arbeidskontrakt dadelik vernietigen, indien UW organisatie als principe zou gaan huldigen dat de arbeiders door het kontrakt gedwongen zouden worden hun in staking zijnde kollega's in andere steden dadelik in de rug aan te vallen. Daarvan kan dus geen sprake zijn". Volkomen juist. Ook de redaktie van het Correspondenzblatt ziet dit in. Maar waarom dan anders geredeneerd waar het de typografen geldt? [Correspondenzblatt XXI. blz. 457)-
929
Wij noemden deze averechtse handelwijze der vakverenigsleiders een symptoom van de verkeerde richting waarin zich het instituut der kollektieve arbeidsovereenkomsten op dit ogenblik, vooral in Duitsland, ontwikkelt. Want, inderdaad, die ontwikkeling is wel in staat enige ongerustheid te wekken.
Men weet dat een vijftiental jaren geleden de vakverenigingen die op ons standpunt staan, in Duitsland nog voor een groot deel tegenstanders waren van het afsluiten van zulke overeenkomsten. Men vreesde daardoor al te zeer aan bewegingsvrijheid te verliezen, en was beducht dat de arbeiders bevangen zouden worden door de waan dat vrede tussen kapitaal en arbeid tot de mogelikheden behoorde en daardoor hun strijdlust en klassegevoel zouden inboeten. Nog in 1896 nam het vakverenigings-congres te Leipzig een motie aan waarin het sluiten van kollektieve kontrakten werd afgekeurd. Drie jaren later, in 1899, echter werd door de vakverenigingscentrale, in congres bijeen te Frankfort, dit standpunt prijsgegeven. 1) Van dat jaar af ontwikkelen de moderne vakverenigingen in Duitsland een brede aktie om kollektieve kontrakten af te sluiten. Aanvankelik werden daar grote voordelen mee bereikt, waartegenover slechts geringe nadelen stonden. In de latere jaren evenwel zien wij dat enigszins veranderen. (>ok de patroons, die eerst niet dan noodgedwongen zulke kontrakten wilden aangaan, begonnen meer en meer in te zien dat er met dit instituut wel een en ander te bereiken viel. Werden in den beginne de kontrakten steeds door de vakvereniging aangeboden, nu ging meermalen de eerste stap van de patroons uit. En niet steeds hebben de vakverenigingen daarbij voor ogen gehad dat men zijn vijanden vrezen moet, juist als zij geschenken aanbieden. Werd het eerst als iets van zelf sprekends beschouwd dat de in de overeenkomst bepaalde lonen minimum-lonen waren onder de invloed der ondernemers begon dit te veranderen. De theorie der kollektieve kontrakten maakte deze zwenking mee, en meer en meer begint in de litteratuur de mening op te komen dat de kontraktuele lonen als de normale moeten beschouwd worden, ja zelfs als de maximum-lonen. Deze listige beschouwingswijze is weliswaar gemakkelik teniet te doen door uitdrukkelik in het kontrakt het tegendeel op te nemen, doch daartoe is voor alles een sterke vakvereniging nodig.
Ook veranderde de vroegere gewoonte om bij voorkeur kontrakten met één firma te sluiten t>f altans kontrakten waarvan de werking zich niet verder uitstrekte dan één gemeente, in een streven steeds grotere gebieden te omvatten, gehele provincies en staten, ja ten slotte het gehele Duitse Rijk. De vakverenigingsleiders deden hieraan dapper mee, in de mening dat dit de positie hunner organisaties niet anders dan zou kunnen versterken. Maar al spoedig kwam de ontnuchtering. De patroons, die zich vooral gedurende de laatste jaren in sterke bonden met grote weerstandskassen georganiseerd hebben, gaven nu niet zo gemakkelik meer toe aan de eisen der arbeiders. Hunnerzijds begonnen zij voorwaarden te stellen, die vaak schadelik bleken. Een strijd over de ganse linie wordt echter uit hoofde van de steeds twijfelachtige uitslag door de vakbonden liefst vermeden en zo moest soms in kontrakten bewilligd worden die met één enkele ondernemer nooit zouden zijn aangegaan.
De grote uitsluiting in de Duitse bouwbedrijven in 1910 is door de werkgeversbond dan ook alleen geproklameerd om öf te komen tot een voor het hele rijk geldend kontrakt óf de vakorganisatie voor jaren lam te slaan, zo niet te vernietigen. Men zal zich herinneren dat dit doel, vooral daar de solidariteit in de patroonskringen niet al te sterk bleek te zijn, is mislukt. Maar het gevaar is volstrekt niet geweken. Bij deze eerste poging de vakverenigingen te binden
1) Mr. H. M. Merkelbach. Het collectieve arbeidscontract. 1910. blz. 14.
93Q
zal het niet blijven. En men is zich daar in de Duitse vakverenigingskringen ook volkomen van bewust geworden.
Een ander middel van de ondernemersklasse om de vakbonden in een grote strijd uit te putten, is weliswaar de kontrakten lokaal af te sluiten, doch zoveel mogelik de termijn van afloop over het gehele rijk op een en dezelfde datum te doen vallen, waarmee natuurlik ongeveer hetzelfde bereikt wordt als met een kontrakt voor het gehele rijk geldend. Het vakblad van de timmerlieden kon ten bewijze hiervan een geheime circulaire van de werkgeversbond voor de bouwbedrijven in Rijnland en Westfalen openbaar maken waarin uitdrukkelik werd gezegd: „Indien het noodzakelik is kollektieve kontrakten af te sluiten, dan echter ook alleen kontrakten van grote stijl op gelijke grondslag. Van betekenis kan verder zijn te konstateren dat een gelijke termijn van afloop ook voor de toekomst een bepaalde noodzakelikheid is. Door deze gelijke termijn van afloop krijgt het kontrakt zijn zeer biezondere kracht, die in verloop van tijd nog daardoor geweldig zal toenemen, dat de overige takken der bouwbedrijven hun termijnen van afloop doen overeenstemmen met die van de Duitse werkgeversbond voor de bouwbedrijven", i) De toeleg is duidelik genoeg!
Vooral de Duitse vakbond der houtbewerkers heeft met deze truc ernstig te kampen. Veel overleg was nodig om de patroonsorganisatie in deze poging te dwarsbomen, 't Is dan ook begrijpelik dat Becker, die in Die Neue Zeit een uitvoerige beschrijving geeft van de onderhandelingen in de houtbedrijven gevoerd, tot de konklusie komt, dat „de ondernemers de kontrakten slechts als middel tot kneveling der arbeiders willen gebruiken en de vakverenigingen tot hun dienaar willen vernederen, die de arbeiders tot een gewillig werktuig voor de ondernemers moet opvoeden". 2) Naar aanleiding van de uitsluiting in de bouwbedrijven kwamen zelfs burgerlike bladen tot dezelfde slotsom, toen zij schreven dat de houding der werkgevers duidelik aantoonde dat het hen er om te doen was „de arbeiders met behulp der kollektieve kontrakten te knevelen en zich dezelfde despotiese macht krachtens kontrakt te verzekeren, die vroeger de enkele ondernemer door zijn ekonomiese overmacht over de enkele arbeider had". 3)
De Duitse ondernemers hebben nog verder reikende bedoelingen. Het is hun niet genoeg alle kontrakten in een bedrijfsgroep op één datum te laten aflopen, neen er wordt naar gestreefd overal in het rijk, in alle takken van bedrijf, dezelfde termijn van afloop te bedingen. Een der beide centrales van ondernemersorganisaties, de Vereniging van Duitse Werkgeversbonden, waarbij vooral die bonden zijn aangesloten die bereid zijn kollektieve kontrakten met de vakverenigingen te sluiten, en die daardoor — volmaakt ten onrechte — wel eens als arbeiterfreundlich wordt beschouwd, nam 19 April 1910 het besluit dat de leden er voor moeten zorgen „dat alle kollektieve kontrakten in de Vereniging van Duitse Werkgeversbonden op dezelfde dag aflopen." 4) Het wordt er dus door de ondernemers op toegelegd in Duitsland een dergelijke massa-staking en -uitsluiting te bewerken als die in Zweden gedurende de zomer van 1909. Welnu, daar is op zichzelf geen bezwaar tegen, maar het tijdstip van die reuzenstrijd, mag aan de vakverenigingen niet gedikteerd worden door de ondernemers. Beter geen kollektieve kontrakten dan zulke die de gehele Duitse arbeidersbeweging in een strijd betrekken voor en aleer zij zelf daartoe het ogenblik gekomen acht. Want
1) A. Bringmann, Die Neue Zeit XXVIII. Band 1, blz. 816.
2) G. Becker, Die Neue Zeit XXVIII. Band 1, blz. 404.
3) Geciteerd bij A. Bringmann, Die Neue Zeit XXVIII. Band 2, blz. 135.
4) A. Bringmann. Die Neue Zeit XXVIII. Band 2, blz. 590.
931
zulk een algemene staking wordt er noodwendig tevens een met politieke doeleinden. De ondernemers spelen dus een gevaarlik spel, waarbij wij niet anders dan kunnen hopen dat de verantwoordelike leiders van politieke partij en vakbeweging met bezonnenheid zullen handelen, en eerst dan zulk een strijd aanvaarden, wanneer zij weten dat het Duitse proletariaat bereid is hen in grote meerderheid te volgen. Daartoe moet het revolutionair verzet en de strijdlust uit het proletariaat zelf opkomen. De rol der leiders zal zich dan beperken tot het geven van het sein op het juiste ogenblik.
In stee van de ondernemersklasse meer en meer vredelievend te maken en ze steeds meer er toe te brengen de arbeiders en hun organisaties tegemoetkomend te behandelen, zoals dat, vooral door burgerlike schrijvers, van kollektieve kontrakten is verwacht, zien wij dus juist het tegendeel gebeuren. Steeds feller en feller komen de twee strijdende klassen tegenover elkaar te staan. Wel hebben deze kontrakten tot gevolg dat het aantal stakingen en uitsluitingen vermindert, maar in omvang nemen zij toe. Een periode van grote en ernstige arbeidskonflikten, die het geregelde ekonomiese leven op de ernstigste wijze schokken, staat voor de deur.
Wij zien deze toekomst als een nabije voor Duitsland. Als een verderaf liggende voor ons land, waar immers de klasseverhoudingen nog minder scherp zijn. Maar dit verschiet mag ons niet uil het oog doen verliezen waar de ontwikkeling der kollektieve kontrakten heen leidt. De lessen die de Duitse vakbeweging, geleerd door de ondernemerstaktiek, ons op dit ogenblik geeft door terug te komen op het aanvankelik streven naar kollektieve kontrak ten welke een zo groot mogelik geldingsgebied omvatten, moge de Nederlandse vakbeweging zich ten nutte maken voor het te laat is. i) Juist deze ervaring in Duitsland met zulke kontrakten opgedaan, deed ons in het begin van dit opstel met enige aarzeling neerschrijven dat het kontrakt met de Bond van confectiepatroons te Amsterdam een hogere graad van ontwikkeling vertoont. Ook in de bouwvakken zijn er tekenen dat voorzichtigheid geboden is. De Nederlandse Aannemersbond legt de laatste jaren een grote voorliefde voor kollektieve kontrakten aan den dag. Verschillende afdelingen hebben reeds zulk een kontrakt gesloten, meerdere zullen spoedig volgen. Want op de laatste vergadering van deze bond, 12 en 13 Julie van dit jaar te Apeldoorn gehouden, is, nadat reeds enige jaren de beslissing was voorbereid, het besluit genomen het sluiten van kollektieve arbeidsovereenkomsten te bevorderen. 2) Zonder hoofdelike stemming werden een aantal stellingen, verplichtingen voor de afdelingen inhoudend, aangenomen. De eerste ziet er heel mooi uit:
De verplichting om, zoveel mogelik, den werklieden medezeggingschap te verlenen bij het vaststellen der arbeidsvoorwaarden.
Wij hopen dit in de praktijk te zien gebeuren. De tweede is voor ons van meer belang en luidt aldus:
De verplichting van de tussen patroons en werklieden overeen te komen regeling zoveel mogelik vast te leggen in een kollektief arbeidskontrakt of, waar dit met mogelik zou blijken, in individuele arbeidsovereenkomsten.
1) In dit verband is zeer merkwaardig een bericht in het orgaan van de Alg. Ned. Bond van arbeiders in het Bakkers- Chocolade- en Suikerbewerkingsbedrijf, dat genoemde bond het kollektief arbeidskontrakt gesloten met de broodbakkerspatroonsvereniging Eensgezindheid te Amsterdam niet zal vernieuwen, doch overeenkomsten met de werkgevers individueel zal aangaan. {De Bode, 14 Oktober 1911).
2) De Vakbeweging V. No. 16. blz. 130.
932
De afdelingen hebben echter niet de vrije hand bij het sluiten van deze overeenkomstenWant op dezelfde vergadering werd een resolutie aangenomen dat door alTe afdelingen van de Bond bij de regeling der -berdsverhoudmg n ussen patroons en arbeiders in acht drenen te worden genomen de ^nselen in (een) rapport (van het hoofdbestuur) neergelegd en toegelicht. Aan het hooid besS werd tevens opgedragen op de grondslag van dat rapport een definitieve S ng te ontwerpen Hier komt al voor den dag het streven naar een eenvorm ge reaelin* der arbeidsvoorwaarden. Wij zijn zeer benieuwd hoe die Jefinmev^regehng" er uit zal zien. Heel veel moois verwachten w, nietwaarm het met i Februarie i9o9 in werking getreden kontrakt van de afdeling Den Haag van de Aannemersbond de artt. 1638c en d B. W. zijn_ uitgeschakeld. 1]l Nog erger maakt het de afdeling Enschedé, die behalve natuurlik de buiten van de genoemde artiekelen in een 1 Junie igro in werking getreden ^ereenkomst 2) bovendien nog heeft weten te bedingen dat door de leden der kontrakterende vakverenigingen onderkruiperswerk zal worden verricht „indien door een werk nedenorsanisatie of één of meer werklieden, niet behorende tot een der door het kon rakt gebonden) vakverenigingen, tijdens de duur van dit kontrakt aan één of meer leden der afd. Enschedé van de Nederl. Aannemersbond eisen worden gesteld afwijkende van dit kontrakt en welke men om die reden van :erkgeveÏÏZijde, niet wenst in te willigen". Het is voor de Duitse ondernemers om van te watertanden dat hun Nederlandse kollega's er m geslaagd zijn het door hen zo vurig gewenste in een kollektief kontrakt te doen opnemen De voorliefde van de Nederl. Aannemersbond voor kollektieve kontrakten verschijnt aldus in een eigenaardig licht. En zo'n koelie-kontrakt ,s nota bene ondertekend door de afd. Enschedé van de Centrale Bond van Bouwvakarbeiders 1 De scherpe kritiek door Van den Tempel 3) op dit kontrakt uitgeoefend zal, hopen wij, niet zonder uitwerking blijven. , ,
In ieder geval vertrouwen wij dat de bij het N. V. V. aangesloten vakbonden voor de bouwvakken de definitieve regeling van het hoofdbestuur ™ de Aan^mersbond eerst eens ter dege zullen bekijken om dan desnoods de afdelingen e adv seren Sr géén dan zulk een kontrakt af te sluiten. Want de opvatting, die bli Saar bij de afdeling Enschedé van de Bouwvakarbeidersbond voorzat toen zi het kontrakt mede afsloot, dat alleen het sluiten van zulk een overeenkomst al winst betekent, is door en door foutief. Het aangaan van een slecht kontrakt is juist schadelik, daar het de vakvereniging belet in tijden van bloei e^ ooruitgang van het bedrijf een aktie tot verbetering van arbeidsvoorwaarden te beginnen. Volkomen juist is de opvatting van Braun, die m zijn m ons land te weinig gekend boekje over kollektieve kontrakten, schrijft „De vorm is niet het beslissende, maar de inhoud". 4) De Nederlandse vakbeweging dient zich er voor te. hoeden, dat onder een schone vorm de inhoud der kollektieve arbeidsovereenkomsten deze maakt tot een wapen in de hand der ondenemers tegen de arbeidersklasse. Alleen als dit voorkomen wordt heeft dit instituut wfarde voor het proletariaat. Op het gevaar van het tegendeel gewezen te hebben, was mede het doel van dit opstel. Augustus 1911.
1) De Collectieve Arbeidsovereenkomst I. blz. 33.
2) De Collectieve Arbeidsovereenkomst I. blz. 35.
3j Een onaannemelijke bepaling. De Vakbeweging IV. blz. 98.
4) Aciolf Braun. Die Tarifvertrage und die deutschen Gewerkschaften. Kleine Bibhothek No. I. Stuttgart 1908. blz. 55.
Eenheid van Aktie
DOOR D. J. WIJNKOOP.
Het zal den lezers van dit tijdschrift, waarvan sommige Redakteuren in de gebeurtenissen der laatste jaren, naar onze meening soms tot in het onmogelijke toe, pogingen hebben aangewend om een zekere eenheid van politieke organisatie in de Ned. arbeidersbeweging te bewaren, niet onbekend zijn en indien onbekend de moeite van het leeren kennen zeker waard, dat er in den jongsten tijd in het verdeelde Ned. proletariaat wederom vooralsnog niet geslaagde pogingen zijn gedaan, om een zekere eenheid van aktie van de Ned. arbeidersklasse te verkrijgen.
De verdeeldheid — dit dienen wij voorop te stellen — is in de arbeidersbeweging in Nederland grooter dan ze menigeen schijnt. De verdeeldheid — en ook dit dienen we vooral niet uit het oog te verliezen, als we de vooruitgang in de opmarsen der Ned. arbeiders willen beoordeelen — bestond ook reeds, zoo niet mèèr dan thans, dan toch minstens evenzèèr, toen de Sociaaldemokratische Partij en de Arbeiders Partij, met welke historische naam wij de S.D.Arb.Partij aanduiden, nog èène organisatie vormden. Er zijn vele soorten van verdeeldheid en enkele daarvan zullen blijven bestaan zoolang het kapitalisme zelve bestaat. Immers het kapitalisme berust op de verdeeldheid der arbeidersklasse in een vooralsnog over-, overgroote massa die aan den leiband van het kapitaal loopt, en een in alle geval veel kleiner gedeelte dat zich in van het kapitalisme onafhankelijke organisaties heeft vereenigd. Maar over deze verdeeldheid willen ■wij het nu niet hebben. Ze moge in beteekenis afnemen, naarmate de eenheid onder het strijdende deel zelve toeneemt, in het kapitalisme blij ft ze nu eenmaal bestaan. Als we dus over eenheid en verdeeldheid spreken onder het Ned. proletariaat, dan laten we de kerkelijke en liberale en zelfs de onverschillige arbeiders een oogenblik buiten bespreking, en hebben het alleen over de eenheid en de verdeeldheid onder het — juist of niet juist, ook dat laten we op het moment daar, maar — strijdende en dus eenigszins georganiseerde of althans onder den invloed van de georganiseerden verkeerende deel der Ned. arbeiders.
Als we dit strijdende deel van onze arbeidersbeweging beschouwen, dan durven we beweren dat de zucht naar eenheid toeneemt, sinds .de beweging zich van de ergste slagen van 1903 heeft hersteld, voor
58
934
een deel zelfs door de harde slagen haar toenmaals toegebracht en de lessen die ze daardoor voor den strijd heeft geleerd. De toestand lijkt ons zóó, dat in een groot deel van wat we in navolging van andere landen ook in ons land de syndikalistische beweging kunnen noemen, een sterk streven naar eenheid der strijdende en thans nog verdeelde groepen aanwezig is. Een streven dat zich natuurlijkerwijs, voor wie zien wil en kan, dat wil zeggen voor den historisch-materialist die in de veranderingen het wezenlijke ziet, op tal van wijzen uit. Voordat we echter die tal van wijzen even aangeven, moeten we erop opmerkzaam maken dat in een land als het onze, klein van omvang en achterlijk in ontwikkeling, klein van industrie en klein van arbeidersbeweging, noodzakelijkerwijs ook de symptomen der beweging klein moeten zijn. Wie ze niet ziet of ze niet acht, toont daardoor zijn overschatting van het stukje of stuk beweging, waarin hij zelf zit, maar dat waarlijk niet grooter wordt omdat de er midden in levenden niet of slecht over de perken van hun kring kunnen zien. Wij willen maar zeggen, dat wij de waarde der verschijnselen die we uitdrukkelijk naar voren wenschen te brengen, niet overschatten, maar dat we vooral tegen de geringschatting van het nog noodzakelijk kleine opkomen.
In de syndikalistische beweging heerscht een streven naar eenheid der werkelijk strijdende arbeidersgroepen in Nederland. Door dit streven zelf onttrekt deze beweging zich, hoe ze ook praten mag (maar voor een deel erkent ze het zelve) en hoe anderen haar ook noemen mogen, aan de anarchistische, d. i. naar de marxistische zienswijze, aan de verdeeldheid-houdende strevingen in het proletariaat. Zich door de beweging zelve in de werkelijkheid aan het anarchisme onttrekkende, ruimt het syndikalisme van zelve een groote belemmering op om tot samenstrijden met het andere strijdende deel van het proletariaat te komen. Het spreekt vanzelf, dat het van de grootste beteekenis voor het Ned. proletariaat is, dat de syndikalisten niet alleen zooveel mogelijk met de anarchistische organisatie, maar bovenal met de anarchistische praat ophouden. Daardoor eerst zouden ze een veel grooter kracht wijl bewustheid toonen dan waarover ze thans beschikken. Maar geen verstandig strijder zal toch als eerste of eenige mogelijkheid tot samenwerking met syndikalisten stellen dat ze min of meer gelijk spreken of denken als de andere strijders, maar alleen dat ze min of meer gelijk strijden. Daar komt het op aan. En in dien zin toonen de feiten van de organisatie van het Arbeidssekretariaat, evengoed als die van sommige erbij aangesloten organisaties als de Metselaars e.a., toont voorts de strijdwijze zooals die in den laatsten tijd bleek in de bouwvakken en in het transport, dat de organisatie en de daden van de syndikalisten zich in de richting van de voor den sterken strijd tegen het kapitalisme eenig mogelijke wijze voltrekken.
935
Of het woord eenheid uitgesproken wordt of niet, door de afkeering van het Anarchisme — al moge het nog geen afkeer geworden zijn -■begint de eenheidsstreving als een feit zich in het proletariaat te openbaren. Met dat feit hebben de werkelijke politici van het proletariaat rekening te houden. Naar de beteekenis van dit feit hebben ze zich te gedragen, en vooral moeten ze de beweging die er uit spreekt zien te versterken. Men trachte het zich eens voor te stellen; de Nederlandsche arbeidersbeweging die zich in 1894 begon los te maken van het politieke anarchisme, begint thans terug te loopen van haar liefde voor de vakvereenigings-anarchie I Ze toont het, behalve door wat wij reeds zeiden, ook door zich van tijd tot tijd te weer te stellen tegen de leiders der anarchie, Domela Nieuwenhuis of Rijnders. In de daad laat ze die reeds geheel los in de vakbeweging, al laat men sommige — volstrekt niet alle — oude persoonlijkheden nog het eerbewijs van ten minste hun geschrijf en gepraat te dulden, schoon men ze niet meer volgt.
Vroeger was voor vele groepen van Nederlandsche vakarbeiders — en vooral in de negentiger jaren en tot kort na 1903 toe — de vakstrijd alleen iets waard, omdat en voorzoover hij naar hun meening leidde tot het hoogste voor hen : het Anarchisme. Tegenwoordig staat de vakstrijd voor die groote groepen van arbeiders in waarde reeds verre boven het anarchisme, en — ook zij nemen het naar hun meening goede waar ze het zien — ze gebruiken het anarchisme alleen nog als ze er woorden en wapens vinden, die naar hun schatting in hun strijd nog dienstig zijn. Maar wanneer ze naar hun meening geschikte wapens elders vinden, gebruiken zij ze óók, wat ze vroeger niet deden, en ze laten zich niet meer gelijk vroeger door een anarchistische theorie of door anarchistische leiders daarin hinderen. Ja zelfs, zooals ze de felle wapenen vroeger alleen hanteerden tegen de sociaaldemokraten, die hun te na kwamen, zóó hanteeren ze die wapens thans tegen elk anarchist, die hun met zijn leeringen of daden in hun vakstrijd of hun vakvereeniging belemmert. Het is niet de kunst, zelfs nu en waarschijnlijk vele jaren lang nog, uit de geschriften en de daden dier vakvereenigings-menschen met bundels van zinnen en reeksen van daden te komen aandragen, die van hun vroeger verkeerde en nog niet juiste strijdwijze en beschouwingswijze getuigenis afleggen. Dat zal elk tegenstander van het Syndikalisme nog lang kunnen en moeten doen. Onze kunst zal het voortaan bovenal moeten zijn, nu men eenmaal door de feiten het tegengestelde streven aanwezig ziet, dat te versterken en het te vereenen met het strijdensstreven dat elders aanwezig is. Het zal om kort te gaan onze kunst moeten zijn, nu zij de vakstrijd van het anarchisme beginnen los te maken en het anarchisme in waarde beginnen achter te stellen, hun met daden te toonen dat de vakstrijd voor het proletariaat als klasse alleen waarde heeft in vereeniging met het Socialisme. De eenheidsstreving, die in
93°
hun veranderde werkelijkheid opgesloten ligt, moet door het Nederlandsche Socialisme versterkt worden, doordat het zelf zijn tendenz, zijn richting verandert. Die richting ging, althans van de Arb. Partij — het is o. a. door Saks reeds zoo vele malen en nog in de vorige aflevering van De Nieuwe lijd aangetoond — naar rechts. Ze moet gaan, om aan de tegenwoordige werkelijkheid van het kapitalisme grooter tegenstand te kunnen bieden en om aan de daarmee samengaande veranderende werkelijkheid der arbeidersbeweging te kunnen tegemoet komen, naar links, dat wil zeggen naar een grootere eenheid met de reeds strijdende arbeidersgroepen.
Op tal van wijzen, zeiden wij, toont zich het streven naar eenheid bij de syndikalisten. Wij noemden reeds: afwending van de anarchistische theorie, afwending nog méér van de anarchistische daden in organisatie en strijd als het eenig navolgbare, afwending van de anarchistische persoonlijkheden als die in bepaalde gevallen belemmerend mochten werken voor den vakstrijd. Maar dit zijn zóó geformuleerd slechts negatieve dingen, waarvan evenwel de positieve zijden evengoed in -de syndikalistische vakbeweging dezer dagen in Nederland naar voren komen. Die zijn oor te luisteren legt naar de woorden gesproken door de kundigste sprekers der syndikalisten, en wie met aandacht de artikelen hunner bekwaamste schrijvers der laatste jaren volgt, die hoort het en ziet het, hoe evenals in de schoone aanvangjaren der politieke beweging in Nederland in het eind der vorige eeuw, zoo thans bij de syndikalistische oftewel revolutionaire vakbeweging het algemeenst begrip van het Marxisme ingang begint te vinden. Wij zeggen met opzet Marxisme en niet Sociaaldemokratie, niet omdat wij werkelijk een tegenstelling zouden zien tusschen die twee, waarvan het eene de leer en het andere de beweging is eener zelfde zaak, maar omdat de werkelijkheid niet zóó is, dat in Nederland het Arbeidssekretariaat en de haar verwante groepen van de vroeger eenige socialistische partij in dit land, de Arbeiders Partij, deze theorie geleerd zouden hebben. Het is, behalve de algemeene en sterke verscherping der tegenstellingen in het tegenwoordig kapitalisme, eenerzijds door Frankrijk heen de aanraking met de Internationale Sociaaldemokratie, anderzijds de uitwerping juist van de Marxistische praktijk uit de Arbeiders Partij in Nederland te Deventer, die de aandacht daarop bij de op de — in Nederland tot dusverre gangbare — Sociaaldemokratie fel gebetene syndikalisten vestigden. Het is dus, en dit is een goed verschijnsel, het Internationale socialisme, dat in zijn algemeenste gedachten in de daden en de woorden der syndikalisten in Nederland grooter invloed begint te krijgen dan het anarchisme. Hier en daar erkennen ze ook reeds gaarne uitdrukkelijk van de Internationale Sociaaldemokratie te leeren, maar ook buiten die bewuste erkenning staat het feit,
937
dat de theorie van het Marxisme aanvangt de syndikalisten het wezen van het kapitalisme te doen zien, vast. Wij achten het niet noodig nogmaals te konstateeren, dat öök de daden — niet allèèn de leeringen — van de Internationale Sociaaldemokratie op vakbewegingsgebied, nl. de beter toegeruste, meer gecentraliseerde, en de beter voorbereide, meer gedisciplineerde organisatie en strijd bij de Nederlandsche syndikalisten veld winnen, zoomin als het ons noodig schijnt aan te toonen — wijl van minder belang — dat ook dé personen der Marxisten tegenwoordig het oor kunnen hebben van de syndikalisten, althans als hun daden in de bizondere gevallen met hun woorden in overeenstemming zijn. Wat het eerste aangaat, de positieve vooruitgang der syndikalisten naar wat wij onder centralisatie en discipline verstaan, kunnen alleen zij ontkennen, die in die woorden door henzelf uitgedachte absolute dogma's en systemen verstaan, in plaats van door plaats en tijd, door historie en omstandigheden bepaalde strevingen.
Naast de afwending van het anarchistische werkt dus sinds eenige jaren in het Nederlandsche syndikalisme de aanwending van het socialistische als objektief motief naar de eenheid. Maar dit objektieve zet zich ook in subjektieve, door de leiders en de volgelingen zeiven gewilde en aangewende pogingen tot eenheid van handelen om. Ondanks de felle en ook'principiëele haat tegen het Vakverbond, wijst men het niet van zich, wendt men integendeel van N. A. S.-zijde voortdurend pogingen aan, om bij groote gelegenheden met het Vakverbond samen te werken. En' ondanks &de scherpe afkeer van politiek en Arb. Partij (bij velen enkel van: de politiek der Arbeiders Partij) is men niet meer ongeneigd met de politieke partijen der arbeiders samen te werken. Wanneer men hieromtrent zou willen beweren, dat in deze dingen het Arbeidssekretariaat minder het principieel goede tot een noodzakelijkheid verheft, dan wel van de nood een deugd maakt, dan is dit volstrekt niet kleineerend voor het Sekretariaat, en spreekt men daarmede met andere woorden slechts uit, dat het Arbeidssekretariaat, hoe onzeker zijn gang nog moge zijn, door de bittere nood van het kapitalisme gedwongen wordt de beste strijdmiddelen er tegen niet ongebruikt te baten, de eenheid nl. van de strijders hoe ze ook oogenblikkelijk denken mogen, en de algemeenheid van den strijd, d. i. de politiek.
Het is, hopen wij, overbodig te zeggen, dat voor den sociaaldemokraat, degenen die in hun organisatie principieel de politiek en de moderne strijdmiddelen der arbeidersklasse voorstaan, gelijk bijv. bij hunne kleinere of grootere gebreken, de Duitsche, de Oostenrijksche en ook de Nederlandsche Verbonden van Vakvereenigingen doen, den juisteren weg volgen. Maar daarom mogen wij toch niet blind zijn voor de feiten, eerstens dat al degenen die de socialistische politiek en de moderne strijdmiddelen in den mond voeren, volstrekt niet immer of zelfs altijd
938
hoofdzakelijk socialistisch handelen, en vooral ten tweede dat bij groote groepen het in socialistischen geest handelen ten slotte toch nog aan het socialistisch denken, d. w. z. de aktie aan den vorm voorafgaat. Als het tegen het kapitalisme gekeerde revolutionaire verzet opkomt, heeft de sociaaldemokratie het door bewustmaking te versterken niet alleen, maar tevens het door versterking bewust te maken, en het zoodoende ook in den sterksten vorm te leiden.
Dezen zomer, tijdens de groote transportstaking te Amsterdam en Rotterdam, die zelf een deel van een internationalen, immers in Engeland geboren strijd, weer internationaal den strijd deed losbarsten, bijv. in Rusland en zelfs in Australië, kwamen van alle kanten de pogingen om in dit land door de grootere aktie een grooter eenheid te krijgen. Het spreekt vanzelf, dat de afdeelingen der Soc. Dem. Partij hierin, o. a. te Rotterdam, voorgingen, omdat geen partij meer dan deze in de arbeidersbeweging alleen van toenemend socialistisch inzicht en eenheid kan bestaan. Zij is immers voorloopig alleen aangewezen op de zeker nog niet groote groepen van arbeiders die in internationalen zin socialistisch hebben leeren denken en doen. Dat het Arbeidssekretariaat het als een noodzakelijkheid voelde om landelijk tot eenheid in de steunbeweging en plaatselijk tot eenheid in de protestbeweging te komen, spreekt eveneens vanzelf, wijl het vaststaat dat zeker tegen de reeders alleen een landelijk verbonden en algemeen door de medewerking der strijdende arbeiders gedragen groep van arbeiders den strijd kan volhouden. Dat men in de Weekblad-kringen der Arbeiders-Partij eveneens voor dit ééne geval naar eenheid van handelen trachtte, bewijst het voorstel-Wibaut dienaangaande. Hierbij dienen o. i. evenwel twee feiten gekonstateerd te worden: eerstens dat een voorstel als Wibaut deed noodig had meer openlijke, dadelijke en ook duidelijke steun uit zijn eigen partij om ook maar kans te hebben werkelijk aanvaard te worden, m. a. w.: dat de publieke opinie der Arbeiders-Partij zoo goed als niets ten gunste van het voorstel liet hooren, waardoor het eigenlijk werd la mort sans phrase (de dood zonder dat er behoorlijk over gepraat werd); ten tweede dat vele teekenen er op wezen, dat er wel hier en daar een opinie ten gunste van het voorstel was, die zich evenwel om redenen van verschillenden aard niet direkt en duidelijk wilde of kon laten hooren. Dat de ArbeidersPartij en vooral haar orgaan Het Volk, zooals Sneevliet in het vorig nummer van De Nieuwe Tijd aantoonde, vooral na de staking met de oude heftigheid over de „revolutionairen" van het N. A. S. heenviel, bewijst niet dat er tijdens de staking niet bij menigen leider en volgeling iets ten gunste van een gezamenlijk handelen leefde. Integendeel wijzen uitspraken van leiders als Vliegen en Troelstra er op, dat ze uit sentimenteele of politieke overwegingen wel gaarne de steun en hiermee de gezamenlijke aktie zouden hebben gezien. Maar men mocht er natuurlijk
939
niets bij verliezen. En men stond toch bij openlijk optreden voor en met de Amsterdamsche stakers iets te verliezen, n.l. de traditioneele band met het Vakverbond. Het Vakverbond immers was het eenige lichaam, dat officieel niets wilde weten van steun of samengaan met de strijders van het Arbeidssekretariaat. Wat niet wegneemt, dat het elkeen bekend is, dat betrekkelijk velen in de rijen van het Vakverbond toch steunden en een samengaan wenschten, en eerst omkeerden ■—■ althans sommigen dier velen — toen de zaak der zeelieden reeds verloren scheen.
Niet alleen de Hollandsche ontwikkeling, maar de ontwikkeling van het kapitalisme in het algemeen brengt telkens en bij korter tusschenpoozen en meer algemeen de behoefte onder het proletariaat aan gezamenlijke aktie. Gezamenlijke aktie niet alleen van de tot dusver met elkaar overhoop liggende vakcentrales of van de partijen, maar evenzeer van hen allen tezamen. Met die eenheid van optreden kan niet gewacht worden tot de ontwikkeling ook de stijf koppigsten en eenzijdigsten zal hebben doen inzien de noodzakelijkheid van alle richtingen van strijd tegen het kapitalisme in een ééne vakbeweging en een ééne partij te vereenigen, kan ook niet gewacht worden tot de bestaande organisaties door hun daden en hun ontwikkeling gedrongen zich zullen hebben vereenigd of zich tot zoodanige algemeene organisaties hebben ontwikkeld. Integendeel zal de samenwerking van heden, waartoe die organisaties door het kapitalisme wel gedwongen worden, eerst de hoogere organisatorische eenheid den weg banen. Men kan niet vooruit zeggen, hoe de feitelijke organisatorische eenheid in Holland ten slotte tot stand zal komen. Wel kan men zeggen dat men alles wal de kapitalistische ontwikkeling aangeeft, moet aangrijpen. Het gaat hier niet om kunstig uitgedachte plannetjes om tot een vormelijke eenheid te geraken; het gaat er nog minder om, om de eene organisatie door de andere te doen dooddrukken, iets wat trouwens niet door het getal maar door het beginsel beslist wordt. Het gaat erom, om tegen de algemeene verschijnselen van het kapitalisme, die noch met het parlement noch met de vakbeweging alléén kunnen worden bestreden, de meest mogelijk gekoncentreerde macht van het strijdende proletariaat, zooals het op het oogenblik is, te zetten. Het is daarom dat de Soc. Dem. Partij in Okt. 11. besloot de ArbeidersPartij, het Vakverbond en het Arbeidssekretariaat uit te noodigen tot een voorbereidende vergadering om te pogen een ééne aktie van het strijdende proletariaat in Nederland tegen de duurte te organiseeren.
Wij behoeven hier niet de redenen van weigering door Arbeiders-Partij en Vakverbond te kritiseeren. Onze kritiek te dien opzichte is bekend. Het Arbeidssekretariaat evenwel nam zooals bekend is en in den geest van zijn hier aangewezen innerlijke ontwikkeling, de uitnoodiging aan. Hier moet gezegd worden, dat de weigering door Arbeiders-Partij en Vakverbond op den langen duur niets beteekent, omdat het toch tot die eenheid van
94Q
handelen bij groote akties tegen het kapitalisme moet komen. Hier moet in den geest van het Marxisme, dat in dit tijdschrift steeds verdedigd werd, voor die eenheid van handelen natuurlijk niet met groote woorden maar op grond van de ijzeren noodzake lijkheid der historie worden gepropageerd.
En dan dient gezegd te worden dat een dergelijk samenwerken als thans voorgesteld en beoogd wordt, in elk geval zeer verschilt van de in de haast en onder pressie van het oogenblik in 1903 plotseling tot stand gekomen eenheid van optreden. Toen gold het samenwerking van de sociaaldemokratie en de nog maar weinig georganiseerde moderne vakbeweging met de meest grillige soorten van de het socialisme hoe langer hoe meer hatende en zelf uit elkaar vallende anarchisten. Thans geldt de samenwerking een naar het socialisme toe zich bewegende groep van nog niet „modern" georganiseerde vakarbeiders eenerzijds, anderzijds de veel sterker dan toen georganiseerde moderne vakorganisatie geflankeerd door de Sociaaldemokratie, die sinds dien in twee partijen uiteenviel. Eenerzijds, we toonden het aan, begint men de afkeer te overwinnen. Zou anderzijds allèèn de Soc. Dem. Partij de historische noodzakelijkheid aanvaarden ? Dat is op den duur niet mogelijk. De heele arbeidersbeweging moet dien weg op, en het Marxisme dient erin voor te blijven gaan.
Het zal er dan ook toe moeten komen, dat al degenen die misschien niet gaarne maar dan toch noodgedwongen reeds in de Transportarbeidersaktie hun bereidwilligheid toonden van samenwerking met alle groepen van strijdende arbeiders, die bereidwilligheid ook thans toonen. Het is niet genoeg de daden of nalatigheden van de leiders later te kritiseeren. Het mag ook niet voorkomen dat voorstellen in dien zin buiten den direkten steun blijven van de latere kritici. Als men voorkomen wil, dat anderen zullen moeten getuigen, dat latere kritiek of vroegere voorstellen maar frasen zijn pour le besoin de la cause (omdat men nu eenmaal niet anders meer kon), dan zullen de kritici vooral, elk in zijn eigen Partij en Vakvereeniging, zelf de voorstellen moeten doen, of bestaande voorstellen moeten ondersteunen.
We zullen moeten afwachten, wat, nu de leiders in Vakverbond en Arbeiders-Partij hun afwijzend woord hebben gesproken, de leden zullen probeeren te doen. Maar dit kunnen wij wel verklaren, al schaarde Wibaut zich in het Dagelijksch Bestuur zijner Partij aan de zijde van de afwijzers der dringende eenheidsaktie inzake de duurte, de Marxistische strijders zullen niet nalaten hun pogingen in dezen geest voort te zetten, en daar de kapitalistische ontwikkeling zelfs in Holland hun behulpzaam is, zullen we zoo niet nu dan toch later tot de eenhHd van aktie der uit elkaar gevallen deelen van het Ned. proletariaat dwingen. Hopen we slechts dat die tijd niet ver zij. Want eerst daarover loopt de weg naar de ééne organisatie.
Geloof en ongeloof in Nederland.
Eene statistische studie. DOOR
Mr. W. A. BONGER.
Reeds sinds de eerste volkstelling van I Januari 1830 wordt in Nederland geregistreerd tot welke kerkelijke gezindte de bevolking behoort. De beide eerste volkstellingen gaven alleen de cijfers voor alle Protestantsche kerkgenootschappen te zamen, de Katholieken (R. Ken Oud-Roomschen), en de Israëlieten (Nederlandsche en Portugeesche), terwijl voor de overigen d.w.z. zij, die tot een ander of geen kerkgenootschap behoorden, of wier gezindte onbekend was, slechts een totaalcijfer werd vermeld. Bij de derde telling in 1849 gaf men voor het eerst de onderverdeeling der groote groepen, doch liet de samenvatting „ander, geen, onbekend" bestaan. Vanaf 1879 echter vindt men ook de specialisatie hiervan. Ten slotte nog de vermelding dat in 1899 deze statistiek wederom een zeer belangrijke verbetering heeft ondergaan — doch hierover later 1).
Nu de derde band der laatste telling (1909) verschenen is, bestaat de mogelijkheid de veranderingen, die zich op dit gebied hebben voorgedaan, over een niet onbelangrijk aantal jaren na te gaan. In het volgende vindt men de voornaamste feiten hieromtrent medege-
1) De Nederlandsche statistiek der kerkelijke gezindten is dus voortdurend uitgebreider en interessanter geworden — volgens mijn weten behoort zij tot de beste. In één opzicht is zij echter, na 1879 minder waardevol geworden: zij geeft sinds dien alleen de absolute cijfers, en laat ieder verhoudingsgetal weg. Om een denkbeeld te geven op welke wijze zoodoende het gebruik dezer statistiek bemoeielijkt wordt, een enkel cijfer. Ongerekend de talrijke optellingen, die voor de samenstelling van dit artikel noodig waren, moesten 1500 a. 1600 deelingen verricht worden, waarvan de deeler gewoonlijk uit vier of meer cijfers, en het deeltal uit acht of meer bestond.
De redenen, waarom sinds 1879 de relatief-cijfers ontbreken, zullen wel niet bij de bewerkers liggen, die steeds hun best doen de statistiek zoo interessant mogelijk te maken, doch wel in de schrielheid der regeering, die geen voldoende middelen beschikbaar stelt. Het is te hopen, dat men bij de volgende telling daarin verandering brengt, en zoodoende de bruikbaarheid der statistiek belangrijk verhoogt.
942
deeld; de conclusies, die getrokken worden, zijn uitsluitend op de cijfers gebaseerd, andere sociologische beschouwingen over „geloof en ongeloof" zijn in deze studie niet te vinden.
Vooraf eenige opmerkingen over de beteekenis van deze statistiek. Onlangs was in de godsdienst-rubriek van een der groote liberale kranten de opmerking te vinden, dat de statistiek der kerkelijke gezindten, feitelijk van nul en geener waarde was, omdat zij omtrent de qualiteit der godsdienstigheid niets mededeelt; cijfers zouden te grof zijn om een innerlijke zaak als het geloof weer te geven: de ongeloovigen bijv. kunnen in aantal toenemen, terwijl het geloof bij de overigen in intensiteit kan winnen. Inderdaad zegt de betreffende statistiek niets omtrent de qualiteit van het geloof. Wanneer het aantal geloovigen relatief of zelfs ook absoluut afneemt, zoo kan het godsdienstige leven desniettegenstaande bij hen die geloovig zijn gebleven, in intensiteit toegenomen zijn — ook het omgekeerde is echter, zoo leert veler ervaring, niet geheel en al uitgesloten. Men moet echter wel een ultrasektarier zijn, wanneer men om deze reden aan de godsdienststatistiek iedere waarde ontzegt 1 Laten we voor een oogenblik aannemen dat de godsdienstige zin van de leden der Nederduitsch Hervormde gemeente (de z.g. Groote kerk) in den loop der laatste 30 jaar voortdurend is toegenomen, zou het dan daarom van geen beteekenis zijn dat het aantal harer leden in dezelfde periode van ongeveer 54 op 44 pCt. der bevolking daalde? Het is verspilling om dergelijke boutades te gaan bestrijden, zij weerleggen zich zelf.
Een andere opmerking snijdt meer hout. Ook wat de quantiteit betreft, — zegt men — zou de statistiek niet geheel juist zijn. Niet in den zin, dat bijv. een Roomsch Katholiek zich voor Remonstrant, of een Doopsgezinde zich voor Portugeesch Israëliet zou opgeven — vergissingen van dezen aard zullen wel zeer zeldzaam zijn — doch dat onder de verschillende kerkgenootschappen zich een aantal volstrekt ongeloovigen bevindt die uit sleur, om oeconomische of andere redenen zich toch er nog toe rekenen. Deze opmerking is natuurlijk volkomen juist: het aantal „niet tot een kerkgenootschap behoorende" is het minimum der ongeloovigen 1), en moet in werkelijkheid met zeer velen — vooral stadsbewoners — vermeerderd worden. Hoe groot dit aantal is, valt natuurlijk niet zelfs ook maar eenigzins nauwkeurig te schatten. Wie zich aan deze schatting wil wagen, moet niet vergeten dat er tusschen onverschilligheid voor godsdienst — zooals toch de
1) Onder degenen, die niet tot een kerkgenootschap behooren, zijn zeker eenige geloovigen, maar dit aantal is toch onbeduidend klein, Dergelijke personen vormen dan wel een kerkgenootschap, al is het dan ook maar met enkele geestverwanten, zoo leert tenminste de lange lijst der „andere" kerkgenootschappen.
943
meerderheid der grootestads-arbeiders vertoont — en principieel ongeloof, zooals dat het geval is bij degenen, die openlijk verklaren niet tot een kerkgenootschap te behooren, nog een vrij groot onderscheid bestaat.
I. Algemeene gegevens.
Wij beginnen met de volledige tabel te geven, vanaf i 830, voor de groote groepen van gezindten.
TABEL I.
Op 100 der bevolking.
Tijdstip der volkstelling. Andere ge-
Protestan- Katho- zindte, geen „,
ten. 1) lieken. I Israëlieten. gezindte en Totaal.
onbekend.
1 Januari . . 1830 59-H 38-99 1.78 0.12 100.00
1 Januari . . 1840 59-58 38.47 1.83 0.12 100.00
ig November. 1849 59-69 38.34 1.92 0.05 100 00
31 December . 1859 60.65 37.30 1.93 0.12 100 00
1 December . 1869 61.27 36.68 1.90 0.15 100.00
31 December . 1879 61.52 36.02 2.04 0.42 100.00
31 December . 1889 60.47 35 56 2.15 1.82 100.00
31 December . 1899 60 11 35.24 2.04 2.61 100.00
31 December . 1909 56.92 35 22 1.81 6.05 100.00
Beschouwen wij eerst de periode 1830-1869 — op de latere cijfers komen wij terug, wanneer wij de uitvoeriger gegevens over 1879—1909 bespreken — dan blijkt een niet groote, doch ononderbroken toename bij de Protestanten en bij de Israëlieten (in 1869 een kleine afname), terwijl de Roomschen het niet geheel onbelangrijke verlies te dragen hebben. De verklaring van deze veranderingen is waarschijnlijk te vinden in de zeer verschillende sterftecijfers der gezindten. Sinds eenige jaren publiceert de statistische dienst de betreffende gegevens, die iederen twijfel daaromtrent uitsluiten.
1) De percentage der Protestanten is voor de jaren na 1879 iets te laag, daar onder de rubriek „andere kerkgenootschappen" een zeker aantal Protestanten begrepen zijn.
De statistiek onderscheidt 12 gezindten, allen van een zekere beteekenis, en vat de overigen, in één groep „andere gezindten" te zamen. Dit geschiedt volkómen terecht, daar deze gezindten in het algemeen in getal volkomen onbelangrijk zijn; nieuwe groepen met bijv. meer dan 16.000 leden, zooals er één in de laatst verschenen band voorkomt, dienen echter m. i. in de hoofdtabel opgenomen te worden.
944
TABEL II.
Sterfte per iooo levenden in 1907/1908.
Kerkelijke Gezindten. j
Mannen. j Vrouwen.
Protestant 3-o6 2.87
Roomsch-Katholiek 3-5* 3-2ö
Israëliet 2-7D 2.34
Geheele bevolking 3 07 2-89 l)
Vermoedelijk zal in de periode 1830 —1869 de sterfte onder de Katholieken ook wel het grootst zijn geweest, terwijl toen de geboorte geen, of zeker geen zoo groote verschillen als in de laatste tientallen jaren bij de onderscheiden gezindten vertoonde. Immers eerst in de zeventiger jaren is de relatieve teruggang der geboorte in de meeste Europeesche staten, en daaronder ook in Nederland, begonnen. De beperking der geboorte is in die periode bij de Protestanten en Israëlieten belangrijk veel grooter geweest dan bij de Katholieken 2), zoodat op dit oogenblik beduidende verschillen zijn waar te nemen. De statistiek der geboorten — sinds 1906 wordt de combinatie geboortegezindte vermeld — toont het volgende.
TABEL III.
Aantal geborenen naar de kerkelijke gezindte der moeder per 1000 vrouwen.
Kerkelijke Gezindten. ,
1906. 1907, ! 1908. 1909.
|
Protestant 60.87 60.31 59-59 58.27
Roomsch-Katholiek 64.79 64-3i 64.35 64.00
Israëliet 4492 42-77 1 40-53 37-83
Geheele bevolking 60.06 59.47 58.82 57-71 3)
1) Evenals tabel XIV berekend volgens de „Statistiek van de sterfte over het jaar 1908" en de volkstellingen van 1899 en 1909. Betrouwbare cijfers over de sterfte onder hen, die tot geen gezindte behooren, zijn niet te verschaffen,
2) De soms gehoorde meening dat beperking van geboorte onder de Katholieken niet zou toenemen, is zeker onjuist. De cijfers van tabel III wijzen daar reeds op, doch loopen over een te gering aantal jaren om zekerheid te geven. Iedere twijfel daaromtrent wordt echter weggenomen door de statistiek der geboorte in de groote steden tegenover die der andere gemeenten te plaatsen; bijv. per 1000 Katholieke vrouwen in gemeenten van 100.000 en meer komen in 1909: 57.23 geborenen, in gemeenten van 5001—20.000 inwoners daarentegen 69.06!
3) Berekend volgens de „Statistiek van den loop der bevolking in Nederland" 1906 v. v. en de volkstellingen van 1899 en 1909.
945
De veranderingen in de periode 1830—1869 zijn met behulp van deze feiten verklaarbaar; wij gaan nu over tot meer gedetailleerde gegevens over 1879—1909.
TABEL IV.
1879. 1889. 1899. 1909.
Kerkelijke gezindten.
Absoluut. % Absoluut. % Absoluut. % Absoluut. %
====== |
Nederd. Hervormd . 2.186.869 54 50 2.194.649 48 65 2.471 021 48-412.588.261 4418 Waalsch Hervormd. 9-730 0.24! 10.299 °-23 9-857 o.ig 9.660 0.16 Remonstrant . . 9.678 0.24 14.889 0.33 20.807 0.41 27.450 0.47 Christ. Gereformeerd 139.903 3-49 189.251 4.20 54.629 1.07 55-72° °-95 Doopsgezind 1) . . 50.705 1.26 53-572 1-19 57 789 I-I3 64.245 1.10 Evang. Luthersch . 61.825 1-54 63.703 i-4i| 70-246 1.38 81.833 1.40 Hersteld Luthersch. 9.990 0.25 20.176 0.45 22.651 0.44 15-867 0.27 Gereform. kerken — — 181.017 4 01 361.129 7-08 49M51 8-39 Roomsch Katholiek. 1.439.137 35.861.596.482 35-391.790.161 35-07 2.053.021 35.05 Oud-Roomsch. . . 6.251 0.16 7.687 0.17, 8.754 °-I7 10.082 0.17 Nederl. Israëlitisch . 78.075 1.95 92-254 2.04 98-343f 1-93 99-785 1-70 Portug. Israëlitisch . 3.618 0.09 5.070 o.nj 5-6451 0.11 6.624 011 Andere kerkelijke gezindten .... 4.078 0.10 10.807 0.24' 17-815 035 63.008 1.08 Geen kerkelijke gezindte 12.253 0.31 66.085: 1.46 115-179 2.26 290.960 4.97
Onbekend .... 581 0.01 5-474 0.12' 111 0.00 208 0.00
Totaal . . . 4.012.693 100.00 4.511.415 100.00 5.104.137 100.00 5.858.175 100.00
Het treffendste in deze tabel, waarvan de belangrijkste relatief-cijfers vet gedrukt zijn, is de reusachtige toename dergenen die niet lot een kerkgenootschap behooren. Eene stijging in 30 jaar van ruim 12.000 tot ruim 290.000, of in relatief-cijfers van 0.31 tot 4.97, d.w.z, meer dan 1500 pCt. I
Het tweede zeer in het oog vallende feit is de buitengewoon groote toename van de leden der andere kerkelijke gezindten d.w.z. de kleine groepen van ruim 4.000 tot 63.000 of van 0.10 tot 1.08, een toename dus van bijna 1000 pCt.! Niet alleen het aantal leden is sterk aangezwollen, van het aantal groepen zelf geldt dit eveneens. In 1879 telde de statistiek slechts 16 dergelijke gezindten met gemiddeld 255 leden, in 1889 eveneens 16 met gemiddeld 675 leden, in 1899 78 met gemiddeld 228 leden, en in 1909 127 met gemiddeld
1) De statistiek vertaalt merkwaardigerwijze „Doopsgezinden" door „Anabaptistes'' (moet zijn Mennonites). Hoe beleedigd zou het overgroote deel der Doopsgezinden zijn, wanneer men hen met den naam van de oude revolutionnaire sekte der Wederdoopers aanduidde!
946
496 leden. De statistiek moge ten deze bij de laatste volkstellingen nauwkeuriger geregistreerd hebben dan bij de eerste, er moge ook enkele namen ten onrechte op voorkomen — o.a. de vereeniging „de Dageraad" — toch blijft de toename zeer groot. Naast de afname staat de verbrokkeling van het geloof. Wie de lijst dezer gezindten doorleest — alleen de vermelding van hare namen zou 2 a 3 pagina's druks beslaan — en waarop men broederlijk naast elkander vindt oude sekten als die der Kwakers en Waldenzen en moderne „gelooven" als Spiritisme en Theosophie, zal wel overtuigd zijn dat Nederland een land is, waar de sekte bij uitnemendheid bloeit.
De Israëlieten vertoonen ook van 1879—1889 nog eene niet onbelangrijke stijging (ruim 5 pCt), dan zet eene ongeveer even groote daling in, die in de laatste tienjarige periode door een nog grootere daling (11 pCt.) gevolgd wordt. Op te merken valt nog dat deze daling alleen de Nederlandsche Israëlieten betreft, de Portugeesche handhaafden zich.
Bij de Katholieken zet de constante daling zich voort — de OudRoomschen blijven op hetzelfde cijfer staan — doch wordt deze daling voortdurend geringer, om ten slotte van 1899 tot 1909 onbeduidend te worden. De verklaring hiervan moet in hoofdzaak liggen in het feit, dat bij de Roomschen de geboortebeperking veel minder plaats vindt dan bij de overigen. De groote sterfte heeft tot nu toe verhinderd, dat het groot aantal geboorten eene verhooging der percentage onder de geheele bevolking tengevolge had.
De Protestanten als geheel genomen, zijn vanaf 1879 constant afgenomen, van 1899 tot 1909 was deze daling vrij belangrijk (ruim 5 pCt.) Deze relatieve teruggang wordt evenals bij de Israëlieten voor een groot deel verklaard door de betrekkelijke daling der geboorten.
De vraag of onder de Protestanten de cij ter-verhouding tusschen orthodoxen en modernen zich gewijzigd heeft, is met de ter beschikking staande cijfers niet uit te maken, daar verschillende gezindten — dit geldt vooral voor de Nederduitsch hervormde gemeente — beide groepen omvat. De afzonderlijk georganiseerde orthodoxen zijn belangrijk toegenomen, n.l. de leden der „Gereformeerde kerken", de z.g. Doleerenden, en wel met meer dan 100 pCt. in 20 jaar, terwijl de andere groep „de Christelijk Gereformeerden", na een vrij belangrijke stijging in de periode 1879—1889 (met 20 pCt.) zeer sterk afgenomen is (78 pCt. in 20 jaar). Ongeveer hetzelfde verloop van zaken is te constateeren bij de orthodoxe groep „Hersteld Luthersch", alleen treedt daar de belangrijke daling eerst in de periode 1899—1909 in (39 pCt.)
Wat de moderne, of in groote meerderheid moderne gezindten betreft, vertoonen Walen en Doopsgezinden in genoemde dertigjarige periode een constanten teruggang (resp. van 33 en 13 pCt), terwijl de kleine
947
groep der Remonstranten, waarbij zich een aantal modernen hebben aangesloten, die in verschillende gemeenten der Nederduitsch Hervormde kerk de minderheid vormden, een sterken groei vertoont (bijna IOO pCt.)
Van de gezindten, waarvan zoowel orthodoxen als modernen lid zijn, heeft die der „Evangelisch Lutherschen" zich in de laatste twintig jaar ongeveer gehandhaafd (van 1879 —1889 eene daling van 8 pCt.), terwijl de z.g. „Groote kerk" belangrijk achteruit is gegaan (ongeveer 19 pCt. in 30 jaar). Deze laatste heeft zóówel aan de orthodoxen als aan de modernen een deel van haar leden verloren.
Tot nu toe hebben we alleen de gezindten in hun verband tot de totale bevolking besproken; daarna doet zich de vraag voor, welke is de verhouding der kerkgenootschappen tot de groep „geen kerkgenootschap", in den zin van : hoe groot is het tribuut dat ieder kerkgenootschap aan het ongeloof heeft moeten betalen. Weliswaar bestaat de groep „geen kerkgenootschap" reeds voor een groot deel uit hen, die door hun ouders als zoodanig worden gequalificeerd, doch voor de meerderheid uit hen, die vroeger tot een kerkgenootschap hebben behoord. Deze vraag is met behulp der statistiek, zelfs niet voor de laatste tienjarige periode volledig op te lossen, en wel in de eerste en voornaamste plaats omdat de statistiek der geboorte in verband met kerkgenootschap eerst van 1906 en die der sterfte van 1905 dateert, in de tweede plaats omdat in de cijfers der emigratie en immigratie niets omtrent de kerkelijke gezindten te vinden is. Voor de jaren 1907/1908 is echter eene berekening te maken 1), het zoo gevonden jaarlijksch gemiddelde kan dan vergeleken worden met het jaarlijksch gemiddelde volgens de volkstellingen.
TABEL V.
1307-1908. ■
' uem. jaarl. toeKerkelijke name volgens de Verschil tus-
Toenarae. volkstellingen schen kolom
Gezindten. Geboorte. Sterfte. 1 'm de periode 4 en 5.
.. , Gemiddeld 1890 — 1900.
Absolunt. per jaar_ yy y »
= 1 2 3 I 4 5 6
Protestant 196.791 97.482 99-307 49-653 26.636 —23.017
Katholiek 130.684 68.180 62.504 31.252 26.419 — 4.833
Israëliet . 4.530 2.599 1.931 966 242 — 724
Geen . . 9.594 1.425 8.169 4 084 17.578 + 13.494
Ovengen. 1.768 600 1.168 584 4.529 + 3.945
Totaal . 343.367 170.286 173.079 86.539 75-404 — 11.135
1) De statistiek der sterfte geeft de betreffende cijfers van twee jaren gecombineerd, zoodat de sterfte over het jaar 1906 niet afzonderlijk te berekenen valt. De statistiek der sterfte over 1909/1910 is op dit oogenblik nog niet verschenen.
948
Het verschil tusschen de eind-cijfers van kolom 4 en 5 wordt ten deele 1) aldus verklaard. i°. doordat wij gedwongen waren sterfte- en geboortecijfers alleen over de jaren 1907/1908 en niet over de geheele periode 1899 —1909 te nemen; het jaarlijksch gemiddelde over deze periode van het saldo van geboorte en sterfte bedroeg nl 83.904 en niet 86.539. 2°. doordat de emigratie de immigratie met een jaarlijksche gemiddelde van 4343 overtrof 2). Nauwkeurig is bovenstaande tabel dus niet; toch geeft zij een indruk van het proces, dat zich in de werkelijkheid afspeelt: het zeer belangrijke verlies der Israëlieten, eveneens belangrijk bij de Protestanten en verre van onbelangrijk bij de Katholieken.
Vóór wij onze beschouwingen over de algemeene gegevens eindigen, een enkel woord over de gemengde huwelijken, eenerzijds een gevolg van de sterk veranderde meeningen op het gebied van den godsdienst, anderzijds op hun beurt oorzaak van veranderingen in de getalsterkte der verschillende kerkgenootschappen. De rijksstatistiek licht ons omtrent deze kwestie niet in, de eenige Nederlandsche gegevens zijn volgens mijn weten die der Amsterdamsche statistiek.
TABEL VI. Amsterdam.
Van iedere 100 personen, die in het huwelijk treden, huwden
met niet-geloofsgeuooten bij de Op 100 huwe-
^ lijken waren
Protestanten. Katholieken. Israëlieten. gemeng .
1899 12.8 35-3 3-8 17-2
1900 14-4 36.3 4-2 19-3
1901 12.4 34-4 5-3 I7-i
1902 14-4 37-2 6-3 *9-5
1903 15-2 38.4 9-i 21.1
1904 14-8 394 5-6 20.0 i?05 *4-7 38.i 4.i Hl 1906 17-1 4io 4-o 22.4
w 3§-5 a m
1908 17-8 39-1 5-4 23-1
1909 180 38.9 4-8 234
1910 18.8 38.3 5-4 23.83)
De gemengde huwelijken in het algemeen nemen dus, met kleine schommelingen, constant toe. De toename is bij de Protestanten het grootst, bij de Israëlieten het geringst en bovendien sterk schommelend.
1-) Het verschil van U.135 wordt slechts ten deele verklaard; ik ben er niet in geslaagd het resteerende verschil van 4i57 te verklaren. Misschien kan een der officiëele statistici hier ter zijner tijd eene explicatie van geven.
2) p XXXV Stat. v. d. loop d. bevolking over 1909.
3j Berekend volgens „Statistisch Jaarboek der Gemeente Amsterdam" 1909 v.v.
949
De Katholieken vertoonen ook eene vrij constante toename; hun percentage is zeer groot: bijna 40 pCt. van hen huwen met nietgeloofsgenooten. Zooals gezegd zijn de cijfers voor het geheele rijk niet bekend; zij zullen waarschijnlijk belangrijk geringer verhoudingsgetallen opleveren dan die voor Amsterdam, waar de bevolking wat den godsdienst betreft zeer gemengd is.
In abstracto heeft ieder kerkgenootschap bij de gemengde huwelijken evenveel kans leden te winnen als te verliezen, en zou dus over het geheel genomen de getalsterkte der kerkgenootschappen erdoor niet beïnvloed worden. De volgende cijfers — berekend volgens de rijksstatistiek — doen zien dat dit volstrekt niet het geval is.
TABEL VII.
Op iedere 100 geborenen uit gemengde huwelijken werden als niet tot de gezindte van de moeder resp. vader behoorende ingeschreven
Jaar- Protestant. R. Katholiek. Israëliet. 1 Geen gezindte. Overige gez.
Moeder. Vader. Moeder. Vader. | Moeder. Vader. Moeder. Vader. jMoederj Vader.
1906 51,2 59,8 47,7 60,9 82,9 93,2 61,4 42,0 40,4 70,9
1907 47,6 61,9 45,0 63,5 78,4 79-5 61,8 45.9 53,5 75,4
1908 51,1 61,8 46,0 61,4 84,4 94,9 55,7 46,2 46,2 59,1
1909 49,8 60,4 49,2 62,2 82,1 93,1 51,5 43,7 72,5 74,1
Bij de gemengde huwelijken, waarbij een der partijen Protestant is, is dus verlies te constateeren; is de moeder Protestant dan wordt ongeveer de helft der kinderen, is de vader Protestant, dan wordt nog geen 40 pCt. der kinderen als zoodanig ingeschreven.
Bij de gemengde huwelijken, waarbij een der partijen R. Katholiekis, gaat het ongeveer evenzoo. Is de moeder R- Katholiek, dan wordt plm. 53 pCt. der kinderen ook R. Katholiek; indien de vader echter R. Katholiek is, verliest het Katholicisme plm. 12 pCt. meer dan op grond van de kansrekening te verwachten was.
Zooals wij in tabel VI zagen, zijn de gemengde huwelijken onder de Israëlieten zeldzaam; wanneer ze voorkomen, dan zijn de kinderen, zooals uit tabel VII blijkt, voor het overgroote deel voor het Joodsche geloof verloren.
De kinderen uit gemengde huwelijken, waarbij een der partijen tot „geen gezindte" behoort, worden voor meer dan de helft bij een kerkgenootschap ingeschreven, wanneer de moeder niet tot een gezindte behoort, en het omgekeerde vindt plaats, wanneer de vader ongeloovig is.
Merkwaardig is het dat ook bij die gemengde huwelijken, waarbij beide partijen tot een gezindte behooren, toch een niet onbelangrijk, en voortdurend stijgend percentage der kinderen tot „geen gezindte"
59
95°
wordt gerekend; deze percentage is voor de jaren 1906—1909 resp.: 8.4, 9.1, 11.2 en 11.4.
Ook bij de niet-gemengde huwelijken doet zich hetzelfde verschijnsel voor, doch dan in veel geringer mate en wel in eenigzins beduidende mate alleen bij de Protestanten. In de jaren 1906—1909 was de per-
T A B E VU1
Noord- f.u„i,nj Zuid- Noord- 1 7eeian(i 1
Brabant. Gelderland. Holland. Rolland. ^eeland-
Kerkelijke Gezindten. : -, r—
1899 1909 1899 1909 1899 1909 1899 1909 1899 1909 18
1111
— 1
Nederduitsch Hervormd 9.14 8.19 55.5oj 53.14 59.74 53.88 45.90 39 94 58.78 54.13 5: Waalsch Hervormd . . 0.04 0.03 0.10 0.10 0.34 0.26 0.43 0.39 0.05 o.o? c
Remonstrant 0.04 0.05 0.321 0.36 0.82 089 0.51 0.61 0.03 0.04 c
Christ. Gereformeerd . 0.17 0.19 0.63 0.69 1.26 1.41 0 66 0.86 2.68 101. c Doopsgezind .... 0.05 005 0.30 0.38 0.34 0.40 2.74 2.67 0.30 0.32 c Evangelisch Luthersch . 0.10 0.12 0.55 0.69 1.43 1.55 4.31 3.95 °4l °45 1 Hersteld Luthersch . . 0.04 0.01 017 0.05 033 007 1.58 1.22, oo8| ooi c Gereformeerde kerken . 1.98 2.17 482 5.88 7.77 949 4 52 5-85 9-84 "-4g \ Roomsch Katholiek . . 87.90 88.53 35.64 35.35 24 24 24.02 27.51 27.73 25.18 25.36 3; Oud Roomsch .... 0.00 0.00 0.06 0.06 0.17 0.16 0.47 0.49 0.01 o.oi c Ned. Israëliet .... 0.38 0.26 0.90 0.78 1.48 1.31 5 88 5.35 0 20 0.16 c Port. Israëliet .... 0.00 0.03 0.01 0.03 0.04 0.04 0.52 047 0.00 o.oi c Andere kerk. gezindten 0.01 0.06 0.10 0.65 0.33 1.25 0.46 129 1.25 4.7/ c
Geen kerkelijke gezindte 0.15 0.31 0.90 1.84 1.71 527 4.51 9,18 1.19 2.20 c
§-
Totaal .... 100.00 100.00 100.00 100.00 100 00,100.00 100.00 100.00100 00 100 of'oc
I I I I
951
centage der kinderen, die niet tot een gezindte werden gerekend, doch wier ouders beide Protestant waren, resp. i.i, 1.3, 1.3 en 1.2.
II. De Provincies.
In de volgende tabel (VIII) vindt men de verhoudingscijfers voor de verschillende provincies.
1 E IÉDI.
nd. Utrecht. Friesland. Overijssel. Groningen. Drenthe. Limburg. Het Rijk.
1909189911909 1899 j 1909 1899! 1909 1899 j' 1909 1899 1909 1899 1909 1899 1909
54.13 53.64 51.19 6o.22 53.59 58.95 55.56 66.44 60.25 75.54! 72iIQ I-23 I-I7 4g4I 44 l8
o.o? 0.24 018 0.01 0.01 0.04 0.03 0.02 0.03 0.02 0.01 0.03 0.02 0.19 0.16
0.04 0.47 0.62 0.07 0.07 0.08 o 11 0.57 0.58 0.67 0.60 0.01 0.02 0.41 0.47
IOlj O.93 O.88 2 28 I.36 I.67 1.21 I.82 O.98 I.65 I.73 0.02 0.09 I.07 O.95
o-32 0 43 °SS 4-39 4-r3 ^04 1.00 1.52 1.36 0.43 0.47 003 0.02 1.13 1.10
0 45] 1.14 I28 023 0.21 0.40 0.44 0.71 0.81 0.16 0.26 0.14 0.33 1.38 1.40
001 0.24 0.08 o.11 0.05 0.23 012 0.12 0.02 0.05 0.01 0.02 0.01 0.44 0.27
II.48 7.56 8.97 17.49 20.22 788 9-21 15.34 J8.22 12.23 I3.IO 0.00 O.I3 7.08 8.39
25-36 33-09 32.05 7-3° 7-03 26.95 26.68 6.55 6.19 6.23 6.15 9806 97.64 35.07 35.05
o.oi 0.69 0.67 0.00 0.00 0.00 0.00 0.01 0.01 0.00 0.02 0.00 0.00 o 17 0.17
0.16 0.56 0.47 0.45 0.35 1.34 1.13 2.00 1.70 1.54 1.24 0.37 0.20 1.93 1.70
0.01 0.01 0.01 0.01 0.00 0.01 0.02 0.01 0.04 0.00 0.02 0.02 0.08 O II O.II
4.71 0.24 0.70 058 1.14 0.33 1.14 0.72 1.16 0.24 0.62 0.02 0.14 0.35 1.08
2.20 0.76 2.35 6.86 11.84 1.08 3.35 4.17 8.65 1.24 3.58 0.05 0.15 2.26 497
i !
I I I
:ooodoo.oo 10000 100.00 100.00 10000 100.00 100.00 ioc.00 100.00 100.00 100.00 100.00 100.00 100.00
I lil
952
Beschouwen wij eerst zeer in het kort de toestand in 1909, dan blijkt het volgende.
Protestanten. De z.g. „Groote kerk" vormt in alle provincies, met uitzondering van N. Brabant, Limburg en N. Holland, de absolute meerderheid der bevolking, in Drenthe en Groningen zelfs meer dan resp. 70 en 60 pCt. De kleinere moderne of in hoofdzaak moderne protestantsche kerkgenootschappen zijn meestal in enkele provincies geconcentreerd: de Walen en de Evangelisch Lutherschen in Z. en N. Holland en Utrecht; van de Remonstranten geldt hetzelfde, doch komen deze ook in Groningen en Drenthe in meer beduidende mate voor; de Doopsgezinden hebben hun aanhang vooral in de twee noordelijke provincies en in N. Holland. Van de orthodoxe gezindten valt het volgende op te merken: de Hersteld Lutherschen zijn bijna geheel in N. Holland geconcentreerd, de Christelijk Gereformeerden in Zeeland, Z. Holland en de noordelijke provincies, terwijl de leden der Gereformeerde kerken in alle provincies — met uitzondering van N. Brabant en Limburg natuurlijk — vrij sterk vertegenwoordigd zijn. De grootste aanhang der Doleerenden wordt in de drie Noordelijke provincies, in Zeeland en Z. Holland gevonden.
R. Katholieken. In de Zuidelijke provincies vormen deze de overgroote meerderheid, in Limburg zelfs bijna de geheele bevolking. Met uitzondering van de drie Noordelijke provincies, maken zij in alle overige provincies een zeer belangrijke minderheid uit. De OudRoomschen komen bijna uitsluitend in N. Holland en Utrecht voor.
Israëlieten. Deze wonen vooral in N. Holland — de Portugeesch Israëlieten zelfs bijna uitsluitend —, doch ook in Z. Holland, Groningen, Drenthe en Overijssel zijn de betreffende getallen niet geheel onbelangrijk.
Andere kerkelijke gezindten. Deze komen vooral in Zeeland, Z en N. Holland voor.
Geen kerkelijke gezindte. Verreweg bovenaan staat Friesland met bijna 12 pCt. — merkwaardig is het te zien dat Friesland ook bovenaan staat bij de Orthodox-Protestanten — gevolgd door N. Holland met ruim 9, Groningen met meer dan 8 en Z. Holland met ruim 5 pCt.
Belangrijker dan de toestand in 1909 (statica) zijn de veranderingen, die in de betreffende tienjarige periode (dynamica) plaats hebben gevonden. Doet zich eene toename of afname van eene gezindte in alle provincies voor, — eventueele onbeduidende uitzonderingen ter zijde gelaten — dan is dit eene belangrijke aanwijzing, dat men met een algemeene oorzaak te doen heeft.
Protestanten. De teruggang bij de Nederd. Hervormden vertoont zich in alle provincies, in sommige, zooals Friesland, Groningen, N. en
953
Z. Holland in zeer bijzondere mate. Hetzelfde geldt van de Walen, en de Hersteld Lutherschen. Bij de Remonstranten, de Evangel. Lutherschen en de Gereformeerden is omgekeerd de toename vrijwel in alle provincies waar te nemen. Bij de Doopsgezinden vindt men nu eens toename dan weer afname met het gevolg dat het totaal eene geringe afname vertoont; bij de Christelijk Gereformeerden vindt men in het algemeen eene stijging, doch in enkele provincies — Zeeland, Friesland en Groningen — eene zeer scherpe daling, waarschijnlijk dus een massa-uittreden.
R. Katholieken. De afname over het geheele rijk is uitermate gering, doch wordt veroorzaakt eenerzijds door eene in vergelijking daarmede veel grootere daling in acht der provincies, en anderzijds door eene stijging in N. Holland, Zeeland en N. Brabant.
Bij de Ned. Israëlieten is overal eene afname te constateeren; van de toename bij de andere kerkelijke gezindten en bij geen kerkelijke gezindte geldt dit eveneens. De toename dezer laatste groep is in Z. Holland, Utrecht, Overijssel, Drenthe en Limburg bijzonder groot geweest.
III. De gemeenten.
Sinds 1899 vermeldt de statistiek ook de kerkelijke gezindten, gesplitst naar de grootte der gemeenten — daarvóór alleen in twee groepen, n.l. die van boven of beneden 20.000 inwoners. In de volgende tabel worden de relatieve cijfers hieromtrent medegedeeld.
954
TABEL1*
Op ioo inwoner^31
i f~
■ Kerkelijke gezindten. iooo en minder looi—2000 2001 — 5000 s '.
inwoners. inwoners. inwoners.
1899 1909 1899 ! 1909 1899 1909
Nederduitsch Hervormd .... 46.58 44.83 44.66 42.68 48.20 46.43I 4
Waalsch Hervormd 0.01 0.02 0.01 0.01 0.03 0.03
Remonstrant 0.03 0.04 0.05 0.06 0.16 0.15
Christelijk Gereformeerd .... 1.16 0.77 1.14 0.44 1.28 0,73
Doopsgezind 0.54 0.64 0.53 0.56 0.88 0.77
Evangelisch Luthersch 0.09 0.12 0.12 0.1a 0 20 0.24
Hersteld Luthersch 0.03 0.02 0 04 0.02 0.09 0.03
Gereformeerde Kerken j 7.25 8.13 . 617 6.74 8.16 9.42
Roomsch Katholiek 43-44 43 04 46.46 47.42 39.13 39.16 3
Oud Roomsch. ....... 0.01 0.00 0.02 0.02 0.18 0.17
Ned. Israëliet j 0.03 0.02 0.18 0.12 0.45 0.27
Port. Israëliet 0.00 0.00 0.00 0.02 0.00 0.02
Andere kerkelijke gezindten . . . 0.45 1.52 0.17 0.91 0 23 0.89
Geen kerkelijke gezindte .... 0.38 0.85 0.45 0.86 1.01 1.69
Totaal. . . . 100.00 100.00 100.00 100.00 100.00 100.00 lo
955
BEliX.
iwoner^ai> gemeenten met
oo 5°01—10.000 10.ooi—20.000 20.001—50.000 50.001 —100.000 meer dan 100.000
rs_ inwoners. inwoners. inwoners. inwoners. inwoners. R'jk-
1909 ^ '899 1909 '899 1909 1899 | 1909 1899 1909 1899 | 1909 1899 | 1909
,6.43| 48.04 43-75 55-34 48-37 41-01 45-3o! 52.09 34-45 48.99 42-93 48.41 44-i8
0.03 0.04 0.05 0.07 0.07 0.17 0.13, 0.41 0.28 0.60 0.47 0.19 0.16
0.1.5 °-°8 °-I5 o-33 0.27 0.43 o.59! 0.88 1.30 0.89 0.97 0.41 0.47
0.73 i-34 0.94 1.31 1,32 0.84 1.14 1.62 0.79 0.61 1.10 1.07 0.95
0.77 i-29 i-27| i-55 i-38 1.13 129 2.34 1.75 1.10 1.06 r.13 1.10
0.24 0.45 0.53 057 0.59 1.12 1.34 2.29 1.98 4.31 3.84 1.38 1.40
0.03 0.12 0.07, 0.27 0.13 0.48 0.21 0.52 0.09 1.33 0.87 0.44 0.27
9.42 9-55; IO-83; 10.68 11.50 4.15 6.84 439 5.89 4.27 5.98 7.08 8.39
19.16 35-9°| 37-5&J 25.15 28.60 46.04 34-51 28.82 43.55 26.73 26.27 35-07 35-05
0.17 0 °5 0 05^ 0.25 0.18 0.22 0.32 0.09 0.07 0.30 0 29 0.17 0.17
0.27 0.64 o 51' 1.08 0.76 1.24 1.09 2.07 1.49 6.09 5.32 1.93 1.70
| 1 1
O 02 0.01 O.O5! 0.01 0.03 0 01 0.02 O.O3 0.O4 0.47 0.38 O.II O.II
0.89 0.39 0.93 0.45 0.96 0.27 1.24 0.41 1.10 0.46 1.33 0.35 1.08
I.69 2.10 3.31 2.94 5.84 2 29 5.98 4.04 7.22 3.85 9.19 2.26 4.97
,jv i ,
0.00 Woo 100.00 100.00 100.00 100.00 100.00 ioo.oojioo.oo 100.00 100.00 ioo.oolioo.oo
i 1 I
956
Wat de toestand in 1909 betreft, de volgende korte opmerkingen.
Protestanten. De Waalsch Hervormden, de Remonstranten en de beide Luthersche gezindten vertoonen een onafgebroken stijgende reeks van af de kleinste tot de grootste gemeenten, zijn dus in hoofdzaak groote-stads-kerkgenootschappen. Bij de Nederduitsch Hervormden is van niet veel regelmaat sprake; de Gereformeerden treft men het meeste aan in de groepen der gemeenten met 2001—20.000 inwoners ; de Doopsgezinden zijn relatief het sterkst vertegenwoordigd in de kleinere en de middel-steden.
De R. Katholieken zijn het sterkst vertegenwoordigd in de zeer kleine gemeenten en in die met 20.001—50.000 inwoners; terwijl de andere gezindten vooral in de zeer kleine gemeenten en de groote steden voorkomen. De Israëlieten en zij die tot geen gezindte behooren, zijn in hoofdzaak groote-stadsbewoners.
Wanneer men de dynamica gedurende 1899—1909 nagaat, moet in het oog gehouden worden, dat verschillende gemeenten door hun toename in een andere groep zijn moeten worden ingedeeld, waardoor de basis der vergelijking is veranderd; hierin ligt de verklaring bijv. van de groote verschuivingen in de groepen 20.001—50.000 en 50.001 —100.000 bij de R. Katholieken en de Nederd. Hervormden.
Protestanten. De afname bij de Nederduitsch Hervormden en de Hersteld Lutherschen doet zich in alle groepen van gemeenten voor, bij de eersten vooral in de groote steden; bij de Walen alleen in de grootste gemeenten. De Remonstranten en de Gereformeerden vertoonen overal eene toename; de Evangelisch Lutherschen eveneens, doch deze doen eene daling in de grootste gemeenten zien. Bij de Christelijk Gereformeerden en de Doopsgezinden is van regelmaat weinig te bespeuren.
R. Katholieken. Bij deze vindt men, merkwaardigerwijze, eene afname bij de zeer kleine èn de zeer groote gemeenten, bij de daar tusschen liggende groepen eene toename.
Bij de Ned. Israëlieten treft men overal teruggang aan, bij de andere gezindten en geen gezindte overal een sterke toename. Bij de laatsten is de stijging in de groote gemeenten bijzonder groot geweest.
957
IV. Sexe.
In de nu volgende tabel (X) geven wij de relatief-cijfers van tabel IV, gesplitst naar de sexen.
TABEL X.
Mannen. Vrouwen.
Kerkelijke
Gezindten. j i j i
1879 j 1889 I 1899 1909 1879 j 1889 | 1899 1909
============ 1 ' . r 1 1
Nederd. Herv. . 54.31 48.45 48.29 43.98 54.68. 48.84 48.53 44.38
Waalsch Herv. . 0.24 0.22 0.17! 0.15 0.25! 0.24 0.21 0.18
Remonstrant . . 0.22 0.30 0.36; 0.40 0.26I 0.36 0.46 0.54
Christ. Gereform. 3.49 4.15 1.06 0.92 3.48 4.24 1.09 0.98
Doopsgezind . . 1.27 1.18 1.10; 1.03 1.26 1 20 1.17 1.16
Evangel. Luth. . 1.54 1.41 1.35! 1 34 1.54 1.41 1 40 1.45
Hersteld Luth. . 0.24 0.41 0.41 0.25 0.26 0.48 0.47 0.29
Gereform. kerken — 4.01 7 05! 8.30 — 4.01 7.10 8.47
Roomsch Kath. . 36.06 35.58 35.18; 35.06 35.67 35.20 34.97 35.03
Oud Roomsch. . 0.16 0.17 0.17 0.18 0.15 0.17 o 17 0.17
Ned. Israëliet. . 1.93 2.02 1.88] 1.65 1.97 2.06 1.97 1.76
Port. Israëliet. . 0.09 0.11 0.11 0.11 0.09 0.12 0.12 0.12
Andere kerk. gez. 0.09 0.22 0.32 1 03 0.11 0.26 0.37 1.12
Geen kerk gez. . 0.34 1.65 2.55 5.60 0 27 1 29 1.97 4.35
Onbekend. . 0.02 0.12 0.00 0.00 0.01 0.12 0.00 0.00
Totaal . . 100.00 ioo.oO|ioo.oo ioo.oo 100 00 100.00 100.00 100.00
Beschouwt men den toestand in 1909, dan blijkt dus dat voor alle gezindten — met geringe uitzonderingen voor de Katholieken — de percentages bij de vrouwen hooger zijn dan bij de mannen, voor sommigen zelfs veel hooger, terwijl daar tegenover natuurlijk de percentage van de mannen bij de groep „geen gezindte" belangrijk hooger is dan van de vrouwen.
Beschouwt men de veranderingen die zich in deze dertig-jarige periode hebben voorgedaan, dan is er bij beide sexen in het algemeen hetzelfde verloop te constateeren: neemt de relatieve beteekenis van eene gezindte in het algemeen af, dan geldt dit voor mannen èn vrouwen, de afname bij de vrouwen is dan echter steeds geringer dan bij de mannen. Neemt eene gezindte toe, dan is de toename bij de vrouwen grooter dan bij de mannen. Eene, niet onbelangrijke uitzondering is bij de Katholieken op te merken. Zooais uit tabel IV bleek, bedroeg hun relatieve teruggang in het algemeen slechts 2°/000 voor de periode 1899—1909, uit tabel X wordt duidelijk dat bij de mannen deze teruggang 6 maal zoo
958
groot was, doch dat deze voor een groot deel weer geneutraliseerd werd door een betrekkelijken vooruitgang bij de vrouwen.
De toename bij hen die tot „geen gezindte" behooren is bij beide sexen zeer groot, doch bij de mannen in 30 jaar ruim 30 pCt. grooter dan bij de vrouwen, in de laatste 10 jaar echter is de stijging bij de vrouwen iets grooter geweest dan bij de mannen.
In bovenstaande tabel werden de relatief-cijfers voor de sexen afzonderlijk vermeld, het is echter ook mogelijk ze met elkander in verband te brengen. Men krijgt dan de volgende, interessante cijfers.
TABEL XI.
1879 1889 1899 1909
Kerkelijke Gezindten.
Aantal vrouwen op 1000 mannen.
1
Remonstrant 1169 1240 1301 1368
Waalsch Hervormd 1087 1149 1255 !303
Hersteld Luthersch 1136 1212 1167 1185
Port. Israëliet 1124 1098 1148 1151
Doopsgezind 1010 1045 1086 1150
Evangel. Luthersch 1018 1025 1065 1107
„Andere kerk. gezindten" . . 1183 1188 1183 1102
Christelijk Gereformeerd . . . 1020 1044 1052 1091
Ned. Israëliet 1044 1047 1071 1089
Gereformeerde kerken. ... — 1023 1031 1041
Nederd. Hervormd 1030 1032 1030 1029
Totale bevolking 1023 1024 1024 1020
Roomsch Katholiek .... 1012 1013 1018 1019
Oud Roomsch 1009 1017 1050 995
Geen kerkelijke gezindte. . . 791 798 794 791
Duidelijk blijkt uit deze tabel dat bijna bij alle kerkelijke gezindten de vrouwen meer betrokken zijn — bij de kleinen zelfs veel meer — dan de mannen, en dit verschil wordt bijna zonder onderscheid steeds grooter. De groote groepen, n.l. de Nederduitsch Hervormden en de Katholieken hebben ongeveer dezelfde verhoudingsgetallen als de totale bevolking. De groep, „geen kerkelijke gezindte," staat alleen ver beneden het rijksgemiddelde.
V. Leeftijd.
Sinds 1899 geeft de statistiek ook de combinatie kerkelijke gezindte en leeftijd en heeft zij daardoor hare beteekenis zeer belangrijk ver-
959
hoogd. Uit deze cijfers kan men zien welke kerkgenootschappen voornamelijk steunen op de ouden van dagen, waar of de krachtigste leeftijden (20—60) het sterkst vertegenwoordigd zijn, en welke de beste kansen hebben voor de toekomst (o—20).
Tabellen XII en XIII geven de verhoudingsgetallen voor mannen en vrouwen afzonderlijk.
960
961
TABEL XII.
M A N N E N.
Op IOO van iedere leeftijdsgroep.
Kerkelijke Gezindten. j ; ri ,
o.—9 10-19 20—29 30—39 40—4g 50—60—69 70—79 80 en ouder. Totaal.
j ! J
I899 1909 l899 I9O9 I899 I9O9 I 1899 I9O9 jggg jgoj Xggg J QQQ xgqQ iqOQ 1899 19O9 1899 I 9O9 I899 19O9
Nederd. Hervormd. . . I 48.11 42.35 48.46 44.44 48-29| 43-7T-1 48-56| 43 57 48.53 44.93 47.73 45.69 47.93 45.51 48.60 46.76 49-74 4841 48.29 43.98
Waalsch Hervormd. . . j 0.08 0.07 0.15 0.11 0.17 0.i5| 0.19 0.17 0.25 0.19 0.28 0.26 0.26 0.26 0.26 0.23 o 32 0.17 0.17 0.15
Remonstrant j 0.23 0.27 0.35 0.36 0-47j 0.461 0.46! 0.48 i 0-3g 0.55 0.3Q 0.45 0.37 0.44 0.31 0.39 0.32 0.34 0.36 0.40
Christ. Gereformeerd . . 1.15 i 00 1.08 1.06 1.00, 0.83 1.00 0.79 0.g9! 0.86 1.02 0.89: 0.98 0.80 1.01 0.84 1.05 0.86 1.06 0.92
Doopsgezind 0.88 0.79 1.11 1.00 1.19 X.08 1.17 1.10 I _ Xg XIy I2^ ^3 r.19 1.27 1.15 1.25 1.54 1.33 1.10 1.03
Evangel. Luthersch . . 1.21 1.09 1-34 I-33 i-34. I-37| Mz| 1 45! 1.54 1.51 1.51 1.61 1.31 1.50 1.43 1.30 1.32 1.39 1.35 1.34
Hersteld Luthersch. . . 0.41 0.21 0.44 0.27 0.39 0.26 0.42 0.23 0 43 0 28 0.41 0.29 0.41 0.26 0.40 0.25 0.34 0.27 0.41 0.25
Gereformeerde kerken. . 7.68 8.91 7.30 8.70 6.72 8 08. 6.61 7.79 5.79 7.76 6.67 7.86 6.67 7.89 6.35 7.75 6.51 7.95 7.05 8.30
Roomsch Katholiek. . . 34.81 36.46 34.57 34-75 35-01 34-°9 34-8i 34-33 35.17 34.34 36.69 34.64 37.41 36.04 37.08 36.22 35.23 34.31 35.18 35.06
Oud Roomsch . . . .' 0.17 0.17 0.18 0.20 0.16 0.17! 0.17; 0.15 0._8 0.17 0.15 0.17 0.15 0.15 0.18 0.20 0.16 0.16 0.17 0.18
Ned. Israëlitisch. . . . 1.68 1.31 2.01 1.59 2.01 i.8o| 1.90; 1.85 ___8 1.77 1.94 1.84 1.78 1.89 2.01 1.71 2.15 2.15 1.88 1.65
Port. Israëlitisch. . . . 0.10 0.08 0.11 0.11 0.11 O.n 0.10 0.11 0-II 0.12 0.10 0.13 0.10! 0.11 0.10 0.15 0.13 0.13 0.11 0.11
Andere kerk. gez. . . . 0 32 1.04 0.33 1.05 0.30 0.99 0.34 103 0.35 1.12 0.33 1.00 0.29 1.01 0.28 0.93 0.30 0.88 0.32 1.03
Geen kerk. gez 3.17 6.25 2.57 5.03 2.84 6.90! 2.86 6.96 2 2I 5 23 1.54 3.94 1.15 2.87 0.84^! 2.02 0.89 1.65 2.55 5.60
Totaal 100.00^100.00 100.00 100.00 100.00 100.00 100.ooi 100.00 100.00I100.00 100.00 100.00 100.00 100.00 ioo.oojioo.oo 100.00 100.00 100.00 100.00
962
963
tabelUii.
VROU jwEN. Op 100 van iedere leeftijdsgroep.
Kerkelijke Gezindte. * 1
o—9 10—19 20—29 30—39 40—49 50—59 60—69 ! 70—79 80 en daarboven. Totaal.
1899 1909 1899 1909 1899 1909 1899 f909 | 1899 1 '909 '899 1909 1899 1909 j 1899 I9°9 ^99 i I9°9 '^99 1909
] —L- ■ | ! :
Nederduitsch Hervormd . 47.94 42.26 48.47 44.43 48.60 44.40 48.71 44.42 48.87 45.40 48.45 45.98) 48.86 46.24! 50.08 47.74 51.50 49.33 48.53 44.38
I
Waalsch Hervormd. . . 0.08 0.07 0.16 0.11 0.23 0.20 0.27 0.21 0.35 0.27: 0.34 0.36 0.29 0.33 0.29 0.31 0.36 0.35 0.21 0.18
Remonstrant 0.22 0.27 0.38 0.37 0.69 0.69 0.65 0.75 0.56 o.8ij 0.50 ,0.69 0.47 0.59 0.32 0.55 0.44 0.37 0.46 0.54
Christ. Gereformeerd . . 1.14 1.01 1.12 1.07 1.11 0.93 1.07 0.93 | 1.05 i.oij 0.97 o.g5j 1.00 0.90 0.90 0.91 0.96 0.89 1.09 0.98
Doopsgezind 0.84 0.78 1.11 1.01 1.36 1.33! 1.34 1.40 I-35I r-44| i-3 1.381 1.22 1.31 1.22 1.29! 1.36 1.40 1.17 1.16
Evangel. Luthersch. . . 1.19 1.10 1.33 1.33 1.45 1.54 *-49 I-63 I i-6a 1.68 1.55 1.78 1.48 1.67 1.66 1.69 1.66 1.97 1.40 1.45
Hersteld Luthersch. . . 0.41 0.21 0.46 0.28 0.46 0.32 0.52 0.30 0.52 0.33 0.50 0.36 0.52 0.34 0.53 0.36 0.58 0.41 0.47 0.29
Gereformeerde Kerken . 7.58 8.81 7.32 8.63 6.88 8.50 6.92 8.36 7.09 8.24 6.74 8.25 6.63 7.85 6.12 7.91 5.49 7.59 7.10 8.47
Roomsch Katholiek. . . 35-19 36.87 34.55 35.00 34.50 33.88 34.63 34.28 34-63 34-20 36.08 34.37 36.36 35.52 35.67 34-62 34-14 32-75 34-97 35-03
Oud Roomsch .... 0.18 0.16 0.16 0.19 0.17 0.16 0.16 0.16 0.19 0.16 0.17 0.19 0.17 0.18 0.20 0.16 0.17 0.21 0.17 0.17
Nederl. Israëliet. . . . 1.66 1.29 2.06 1.61 2.13 1.98 2.08 2.01 ! 2.08 2 00 2.01 2.02 1.89 1.97 2.04 2.02 2.50 2.37 1.97 1.76
Portug. Israëliet. . . . 0.10 0.08 0.12 0.12 0.12 0.13 0.12 0.1410.12! 0.15 0.13 0.13 0.12 0.15 0.15 0.16 0.19 0.24 0.12 0.12
Andere kerk. gez. . . . 0.34 1.06 0.34 1.13 0.40 1.16 0.43 1.19 0.44 1.18 0.41 1.08 0.34 1.06 0.33 0.96 0.24 0.89 0.37 1.12
Geen kerk. gez. . . . 3*3 6.03 2.42 4.72 1.90 4.78^ 1.61 4.22 1 1.13! 3-13 0.85 2.46^ 0.65 1.89 0.49 1.32 0.41 1.23 1.97 4.35
Totaal. . . . 100.00 100.00 100.00 100.00 100.00 100.00 100.00 100.00 ^öo.oojioo.oojioo.00 100.00 100.00 100.00J100.00 100.oojioo.oo|ioo.00 100.00 100.00
964
Wanneer wij in het kort de belangrijkste feiten nagaan — wie zich voor de details interesseert, kan deze in de tabellen zelf vinden — blijkt het volgende.
De kerkgenootschappen, die in het algemeen eene daling vertoonen (zie tabel IV en X), zijn in de hoogere leeftijdsgroepen (60 en daarboven) vooral sterk vertegenwoordigd, bijzonder sprekend is dit bij de Ned. Israëlieten en bij de Nederl. Hervormden, wier percentages in deze leeftijdsgroepen de algemeene percentages verre overtreffen. Daarentegen zijn de groepen, waarvan gebleken is, dat zij werfkracht bezitten, vooral bij de middenleeftijd (20-60) sterk bezet, zoo bijv. de Remonstranten en vooral degenen die tot geen kerkgenootschap behooren. Deze laatsten zijn ook bij de eerste groep (kinderen beneden 10 jaar) zeer sterk vertegenwoord, waarvan de reden wel niet zal liggen in groote fertiliteit per individu, maar wel in de sterke bezetting der middelbare leeftijdsgroepen. Anders is het bij de twee gezindten, die eveneens bij de kinderen beneden 10 jaar hooge percentages vertoonen, nl. de Christelijk Gereformeerden en de Roomsch-Katholieken; deze zijn in de middelbare leeftijdsgroepen niet bijzonder sterk vertegenwoordigd, en hebben dus eene groote vruchtbaarheid.
Vergelijkt men den toestand, zooals deze was in 1899 met dien van 1909, dan vertoont zich bij de Nederduitsch Hervormden en bij de Ned. Israëlieten op alle leeftijdsgroepen — een enkele uitzondering daargelaten — eene daling, meestal een belangrijke, vooral bij de middelbare leeftijdsgroepen. Het complement van dit feit is te vinden bij de niet tot een kerkgenootschap behoorenden, die overal zeer sterk toenemen; bij de leeftijden tusschen 20—60 is deze toename buitengewoon groot. Zoo steeg bijv. bij de mannen de percentage van de groep 30—39 van 2.86 op 6.96, een toename dus van 4.10 of ruim 140 pCt. in 10 jaar.
Bij de R. Katholieken is een zeer merkwaardig verloop te constateeren: met uitzondering voor de jeugdige leeftijd, is daar overal een teruggang, meerdere malen zelfs een niet onbelangrijke, te constateeren. De &eenige reden, waardoor de R. Katholieken zich in de afgeloopen periode bijna gehandhaafd hebben, is dus gelegen in hun sterke fertiliteit.
De verschuivingen, die in den loop der jaren bij de verschillende gezindten in de leeftijdsgroepen plaats vinden, worden eensdeels veroorzaakt door hun wederkeerige winsten, resp. verliezen, doch ook door de sterfte. Uit tabel II zagen wij reeds, hoezeer de sterfte in het algemeen bij de verschillende kerkgenootschappen uiteenloopt. Beschouwt men de sterfte bij de onderscheiden leeftijdsgroepen, dan ziet men ook daar zeer verschillende cijfers.
1) De zeer geringe percentages der Doopsgezinden bij de groep O 9 jaar> ügl voor een groot deel aan het feit, dat bij deze gezindte een aantal kinderen niet ertoe gerekend worden, omdat zij nog niet gedoopt zijn.
965
TABEL XIV.
AaDtal overledenen in 1907/1908 p. 100 levenden
(31 Dec. 1907) in iedere leeftijdsgroep.
Leeftijdsgroepen.
Protestanten. Katholieken. Israëlieten. Totaal.
, .lm. 2.70 3.61 1.62 2.89
Beneden 20 jaar j y ^ ^ ^ ^
\ m. ... 0.97 0.89 0.69 0.88
20—29 | v _ _ _ Ö.86 0.84 0.43 0.81
j m. ... 1.03 1.00 0.82 0.95
30—39 /V. ... I.II 122 0.82 1.10
\ m. ... 1.67 1.55 1-58 I-5&
40 49 f v. ... 1.47 i-54 l-ïö 1-45
lm. ... 7.02 7.44 6.95 6.99
50—79 | v_ ... 6.46 7.01 5.85 6.51
80 en daarboven ^ m" 42 38 4547 42'78
80 en daarboven { y ^ ^ ^ ^ 05 ^ ^
T , lm. ... 306 3.51 2.57 3-07
10taal / v 2.87 3.26 2.34 2.89 1)
De Israëlieten hebben dus op één onbeduidende uitzondering na op alle leeftijden de geringste sterfte 2), gewoonlijk zijn de verschillen beduidend; de Katholieken vertoonen, op enkele kleine excepties na, de grootste sterfte. Dit is dus een belangrijke reden, waarom de Katholieken, ondanks hun grootere geboorte, zich niet hebben kunnen handhaven op hun algemeene percentage.
1) Bovenstaande cijfers verschillen niet onbelangrijk van die der „Statistiek van de sterfte over het jaar 1908" (p. XXXIX); hetzelfde geldt van tabel II en III. Zij zijn nauwkeuriger dan de officiëele cijfers, daar ik gebruik heb kunnen maken van de inmiddels verschenen resultaten der volkstelling — 1909. De wijze van schatting zooals in de ,,Stat. v. d. sterfte" geschiedt, is zeker niet juist. Men neemt daarbij nl. aan, dat de percentage der verschillende gezindten zich in den loop der tijden handhaaft, en dit is geheel met de feiten in strijd. Beter zou hel zijn op grond der continuïteit van verschijnselen als in kwestie, de veranderingen die opgemerkt zijn bij de laatste twee volkstellingen, ook voor de volgende jaren te veronderstellen. Het allerbeste is echter wel dergelijke schattingen weg te laten en bij het verschijnen van de resultaten der volgende volkstelling de juiste berekeningen te geven.
2) Prof. C. A. Verrijn Stuart geeft in zijn „Inleiding tot de beoefening der Statistiek" (P- 339) als zV)n nieening te kennen dat „de groote vitaliteit van het Joodsche ras, wellicht een gevolg is van de krachtige selectie, waaraan het eeuwenlang is bloot gesteld geweest". Daargelaten, dat die krachtige selectie nog nader bewijs zou behoeven — het door dezen auteur zelf genoemde feit, dat reeds in de middeleeuwen de Joden een geringe sterfte hadden, wijst daar nu niet bepaald op, — zijn er m. i. eenige redenen aan te voeren, die meer voor de hand liggen, en een beroep op de groote onbekende : „het ras" overbodig maken. 1°. Is vooral de kindersterfte der Joden buitengewoon gering, op de latere leeftijden zijn de verschillen bij lang zoo groot niet. De verklaring hiervan moet voor een groot deel liegen in de zeer geringe nataliteit, waardoor de geboren individuen sterker zijn en beter verzorgd worden (deze reden wordt door prof. V. S. ook genoemd; verder is de beroeps-
60
966
VI. Burgerlijke staat.
De laatste uitbreiding der statistiek van de kerkelijke gezindten betreft den burgerlijken staat, i) A priori zou men niet verwachten dat ook op dit gebied de verschillen bij de diverse gezindten eenigzins belangrijk uiteen zouden loopen; de feiten doen zien dat dit wel het geval is.
TABEL XV.
Op iedere 100 personen van 20 jaar en ouder 2).
Kerkelijke Gezindten. Mannen. Vrouwen.
Gehuwd, j Gehuwd On- J Gehuwd. Gehuwd j OnI geweest, gehuwd. | geweest. | gehuwd.
Roomsch Katholiek. . 57.1 6.4(9) 36.5(15)55-1(7) 11.0(5) 33-9(")
Totale bevolking . . 62.0 6.3(8) 31.7(12)59.0(9) 11.5(8) 29.5(6)
Nederl Israëliet. . 62.9 5.0(2) 32.1(14)534(4) «.1(6) 35-5(13)
Waalsch Hervormd. . 63.0 6.8(13) 30.2(9) 39.0(1) 15.3(15)45.7(15)
Doopsgezind . , . . 63.2 6.8(13) 30.0(8) 55.8(8) 11.6(9) 32.6(10)
Remonstrant .... 63.2 5.0(2) 31.8(13)47.2(2) 10.9(4) 4*-9(i4)
Port. Israëliet . . . 63.8 5.2(4) 31.0(10)52.4(3) 12.5(11)35.1(12)
Nederd. Hervormd. . 64.3 6.6(11) 29.1(7) 61.6(12)12.2(10)26.2(2)
Oud Roomsch . . . 64.4 6.8(13) '28.8(5) 6o.9(ii)|i2.8(i2) 26.3(3)
Geen kerk. gezindte . 64.9 3.6(1) 31.5(11)64.9(15) 7.3(1) 127.8(5)
Hersteld Luthersch. . 65.0 6.6(11) 28.4(4) 54.5(6) 14.8(14)30.7(8)
Evangel. Luthersch . 65.0 6.0(6) ,29.0(6) 54.2(5) I3.6(i3)!32.2(9)
Geref. Kerken . . . 66.5 6.0(6) 27.5(3) 62.8(13)10.6(2) 26.6(4)
Christel. Geref. . . . 67.8 6.4(9) 25.8(2) 63.9(14)11.1(6) 25.0(1)
Andere kerk. gezindten 69.3 5.4(5) 25.3(1) 59-7(i°) 10.6(2) 29.7(7)
arbeid der gehuwde vrouw bij de Israëlieten zeer gering, 2°. Hierdoor wordt ook ten deele reeds verklaard — het is geloof ik geen medische ketterij dit te zeggen — waarom de individuen op later leeftijd meer weerstandsvermogen hebben. 30. Zijn onder de Joden de welgestelden belangrijk veel talrijker dan onder de overige bevolking — wie er niet van overtuigd is, raadplege de Duitsche gegevens. 4°. De andere beroepssamenstelling der Israëlieten, en een o. a. daarmee samenhangend gering alcoholisme.
Hoewel het bijna overbodig is, nog meerdere bewijzen aan te voeren dat de zuiver deductieve stelling van sommige rashygïenisten over de gunstige gevolgen van groote kindersterfte, onjuist is — men vergelijke bv. Roland Holst's artikel „Burgerlijke en proletarische wetenschap" (p. 200 N. T. XVI) en prof. G. Scheltema's „Kinderverzorging als eisch van zelfbescherming der maatschappij" (Rede gehouden voor de Nel. Bond t. Bescherming van zuigelingen op 4 Nov. 1911) — wijs ik op tabel XIV. Bij de Katholieken wordt onge°veer tweemaal meer „gewied" — zoo luidt de beminnelijke terminologie, der rashygïenisten — dan bij de Joden. Desniettegenstaande op alle verdere leeftijden bij de Katholieken grooter en bij de Israëlieten geringer sterfte dan bij de bevolking in het algemeen !
1) Het is te hopen dat het bij deze laatste uitbreiding niet blijft, en dat bij de volgende publicatie over de telling van 1919 ook de hoogst belangrijke combinatie kerkelijke gezindte — beroep wordt gegeven.
2) Als leeftijdsgrens hebben wij 20 jaar moeten nemen; het aantal personen van 18 resp. 16 jaar en ouder is uit de statistiek niet te berekenen.
967
Bij de mannen is de sterkste tegenstelling te vinden bij de Katholieken eenerzijds en de Orthodox-Protestanten anderzijds; de groep „andere kerkgenootschappen" is te heterogeen, om daaruit eenige conclusie te trekken. De zeer groote percentage van ongehuwden bij de Katholieken wordt ten deele verklaard door het celibaat der priesters en kloosterlingen; hoofdzakelijk moet de verklaring elders liggen, daar de R.K. priesters volgens de volkstelling van 1899 ruim 2600, in 1909 dus 3.000 d.w.z. slechts + 1.5 pCt. der ongehuwde Katholieken, in aantal waren. Vermoedelijk ligt de reden in het feit dat bij de Katholieken een grooter percentage dan bij de overige bevolking in zoo geringen welstand verkeert, dat het sluiten van een huwelijk niet mogelijk is. Het groot getal celibatairen onder de Katholieke mannen verklaart ook ten deele het veelvuldig voorkomen van gemengde huwelijken bij de Roomschen (zie tabel VI), waarbij in de meeste gevallen de man wel de niet-Katholiek zal zijn; hierop wijst ook het feit dat de percentage der gehuwde Katholieke vrouwen niet zooveel verschilt van die der overige als bij de mannen.
Merkwaardig zijn de zeer geringe percentages der groep „gehuwd geweest" bij hen, die tot geen gezindte behooren en bij de Israëlieten. De verklaring van het eerste cijfer moet grootendeels liggen aan het gering aantal oudere personen, die deze groep telt (zie tabel XII en XIII), waardoor het sterftecijfer laag blijft; misschien is het ook een aanwijzing dat zich onder „de niet tot een gezindte behoorende" een grooter aantal betrekkelijk welgestelden bevindt dan onder de overigen. Bij de Israëlieten ligt de verklaring uitsluitend aan de geringe sterfte op alle leeftijden (zie tabel XIV).
Wat de vrouwen betreft, slechts de volgende opmerking. De scherpste tegenstelling bestaat bij hen tusschen de modern-Protestantsche groepen „Waalsch Hervormd" en Remonstrant eenerzijds en „de niet tot een gezindte behoorenden" anderzijds. De verklaring ligt misschien hierin dat bij de twee eerste groepen een toestrooming plaatst vindt van ongehuwde vrouwen, die echter deze gezindte weer verlaten bij huwelijk met iemand, die tot een andere gezindte behoort, bij de ongeloovigen zou dan het omgekeerde geschieden.
VII. Prognose.
Ten slotte een enkel woord over de vraag : welke de ontwikkeling van de verschijnselen op het gebied van den godsdienst in de naaste toekomst zal zijn. Op grond van de algemeene sociologische ervaring is men gerechtigd, wanneer een bepaalde ontwikkeling gedurende een reeks van jaren zich op dezelfde wijze heeft vertoond, het vermoeden uit te spreken, dat in de volgende periode deze ontwikkeling ongeveer op dezelfde wijze zich zal voortzetten. Vandaar kan men verwachten
968
— ook zonder ook maar één der oorzaken te kennen die een dergelijke verandering in het leven roepen — dat in de 10 jaren volgende op de laatste volkstelling het Protestantisme in zijn geheel vrij belangrijk zal afnemen, en binnen dezen kleiner wordenden kring de afzonderlijk georganiseerde modernen en orthodoxen zullen toenemen; dat de Ned. Israëlieten belangrijk zullen afnemen; dat de Katholieken zich vrijwel zullen handhaven (kleine toename niet uitgesloten). Daarentegen zullen de kleinere groepen („andere kerkelijke gezindten") en de groep der ongeloovigen sterk toenemen. De percentage vrouwen onder de geloovigen zal stijgende zijn.
Bovengeschetste ontwikkeling berust op twee factoren. i°. Veranderingen die optreden bij personen van ongeveer 20 jaar en ouder. Dit zijn dus de gevallen, waarbij iemand in de een of andere godsdienstige gezindte is opgevoed, doch op rijper leeftijd van inzicht verandert. De kracht van de factoren, die deze wijziging van inzicht veroorzaken — het is de taak der sociologie deze factoren aan te wijzen — is uit de tabellen XII en XIII vrij duidelijk op te maken, mits men rekening houdt met de sterfte verhoudingen (zie tabel XIV); men vergelijke bijv. dan de 10—19 jarigen in 1899 met de 20—29 jarigen in 1909, als zijnde dezelfde individuen. 2°. Veranderingen bij de jeugdige personen, d. w. z. degenen die de opvattingen hunner ouders zonder meer volgen. Tot voor betrekkelijk korten tijd was de traditie een maatschappelijke kracht, die alleen het geloof ten goede kwam, uit de eerste twee kolommen van tabel XII en XIII kan men zien, dat ook op dit gebied het blad gekeerd wordt: er begint zich ook een belangrijke traditie van ongeloof te vormen, het aantal kinderen beneden 10 jaar, die tot geen kerkelijke gezindte behooren, vormen onder hun leeftijdgenooten reeds een hooger percentage dan alle ongeloovigen onder de geheele bevolking I Wie zich voor de toekomst van den godsdienst bijzonder interesseert, kan de nauwkeurige bestudeering van genoemde kolommen worden aanbevolen, zij zijn bijzonder interessant. Daaruit valt te zien hoe bijzonder slecht, alleen uit het oogpunt der traditie de prognose is voor de Israëlieten, voor het Protestantisme in zijn geheel en voor zijn meeste onderdeden; hoe gunstig de toekomst is voor de kleinere groepen („andere kerkelijke gezindten") en voor de ongeloovigen; hoe er voor de Katholieken een kleine kans is zich door hun groote geboorte weer tot eene verhooging der algemeene percentage op te werken.
Wij beperkten ons in het bovenstaande tot de statistische- en lieten de sociologische zijde van het vraagstuk buiten bespreking; de kwestie heeft echter ook een biologische zijde, waarover in verband met de toekomst van den godsdienst een enkel woord. De aanleg voor godsdienstigheid voor een oogenblik als ongecompliceerd aangenomen — hij is dat in werkelijk-
969
heid niet, doch dat doet er voor de vraag die ons bezig houdt, niets toe — moet deze aanleg bij de verschillende individuen varieeren volgens de wet-Quetelet 1). Het is de beroemde bioloog prof. Hugo de Vries, die voor eenige jaren hierop in zijn ,,Afstammings- en mutatieleer" de aandacht gevestigd heeft, Na de ontzaggelijke beteekenis van Quetelet's ontdekking ook voor de maatschappelijke wetenschappen geschetst te hebben gaat hij als volgt voort: „Neemt men aan, dat de behoefte aan godsdienst een aangeboren eigenschap is, die als zoodanig de wet van Quételet volgt, dan doen zich de dweepers als het eene en de ongeloovigen als het andere uiterste van de variabiliteitslijn voor, en gehoorzamen zij, in hun frequentie, aan dezelfde formule als de extreem groote en de extreem kleine lotelingen. Het is dan duidelijk waarom deze beide groote afwijkingen van het gemiddelde door alle eeuwen zijn voorgekomen, en waarom geen opvoeding en geen beschaving, geen prediken en geen inquisitie hun aantal op den duur verminderen kan", (p. 36).
Geen historicus en geen socioloog zal zich met de bovenstaande formuleering van de sociale zijde van dit biologische probleem geheel kunnen vereenigen. Deze voorstelling verwekt den schijn alsof op het gebied van den godsdienst in den loop der tijden geen groote veranderingen zijn voorgevallen, en dit is met de feiten in flagranten strijd. Wie er niet van overtuigd is, raadplege de bovenstaande cijfers, die over de luttele laatste 30 jaren loopen, en die kolossale veranderingen vertoonen ; wie liever de historie ter hulp wil roepen, vergelijke de middeleeuwen, waarin de religieuse zin zoo diep ging dat zelfs de weinig godsdienstig-aangelegde mensch toch niet ongeloovig kon genoemd worden, met den tegenwoordigen tijd, waarin in sommige kringen der bevolking de godsdienst zulk een „überwundener Standpunkt" is, dat er nooit meer over gesproken wordt 1
Leest men dus de passage ongeveer op de volgende wijze: de aanleg voor godsdienst (of ongodsdienstigheid) gehoorzaamt aan de wet-Quetelet; geen omstandigheden in den ruimsten zin van het woord kunnen verhinderen dat deze aanleg steeds weer in dezelfde quantitatieve verhoudingen terugkeert, dat er dus steeds dweepend-aangelegden en sceptisch-aangelegden, beide in gering aantal, zullen geboren worden, en dat de groote massa een gemiddelden aanleg ten dien opzichte heeft, en voegt men er dan onmiddelijk bij, dat het van het milieu afhangt, of deze aanleg, in welke richting dan ook, tot ontplooing komt
1) De wet van Quételet leert dat de quantatieve verschillen der individuen van één soort ten opzichte van welke eigenschap ook, steeds van denzelfden aard zijn, en wel in dien zin dat de lijn die deze verschillen in beeld brengt, in den aanvang snel stijgt, daarna steeds meer horizontaal wordt, om ten slotte weer even snel te stijgen. M. a. w. het gemiddelde overweegt in aantal verreweg, de uitersten naar beide zijden vormen slechts uitzonderingen.
97©
of niet; dan heeft men niet alleen een m. i. sociologisch onaanvechtbare stelling, doch heeft men met behulp der biologie de sociologie van den godsdienst een groot eind vooruitgebracht.
Wij zagen uit tabel IV dat de percentage van hen, die verklaren tot geen gezindte te behooren en dus voor het overgroote deel overtuigdongeloovig zijn, in 1909 ongeveer 5 bedroeg. Het is m. i. geen gewaagde voorspelling om deze percentage voor 1919 op ongeveer 10 te stellen. Laten we een oogenblik aannemen, dat dit werkelijk het geval zal zijn, en dat eveneens de maatschappelijke factoren, die het ongeloof veroorzaken, op dezelfde wijze blijven voortwerken als zij in de laatste 30 jaren hebben gedaan. Dan openen zich, op grond van de wet-Quetelet, geheel andere perspectieven. Zoolang het aantal ongeloovigen de 5 of 10 pCt. niet overschreidt, heeft men — afgescheiden van de gevallen, waarin iemand ongeloovig is, doordat hij in een dergelijke omgeving is opgegroeid — met een, biologisch gesproken, selectie-materiaal te doen, d. w. z. alleen met degenen, die met geringen aanleg voor godsdienstigheid ter wereld zijn gekomen. Is men eenmaal ongeveer 10 pCt. gepasseerd, dan komt de gemiddelde mensch, de massa aan de beurt. „Het zijn moeielijke tijden voor het geloof," hoort men vaak zeggen. Zelfs v/anneer de maatschappelijke factoren, die in de richting van het ongeloof werken, niet sterker worden dan zij reeds zijn, noodzaakt toch reeds de wet-Quetelet tot het inzicht, dat deze tijden nog veel moeielijker zullen worden.
De Stakingen in het Transportbedrijf
door
H. SNEEVLIET.
(Slot.)
VII.
Engeland.
„Het is de bijzondere ironie der geschiedenis, dat de nieuwe periode van de massabewegingen voor West-Europa in dit jaar door Engeland werd ingeleid, het land dat men door proletarische organisatie en demokratische rechten meer dan elk ander voor zulke bewegingen gevrijwaard meende en dat in dit opzicht door alle vereerders eener vreedzame ontwikkeling als toonbeeld werd geprezen." (Kautsky, Neue Zeit, N°. 4, blz. 115).
A. De staking der zeelieden, havenwerkers enz.
Nog vóór de zeeliedenbond de staking proclameerde brak er te Southampton een conflict u:t onder de bemanning van het nieuwe stoomschip der White Star Company, „de Olympic" waarbij zich de kolendragers aansloten. Bezwaren tegen onvoldoende bemanning en te zware stokersdiensten waren aanleiding, dat zeeheden en stokers weigerden op de tot dusver geldende voorwaarden te monsteren. Om de uitvaart op den vastgestelden datum te verzekeren werden loonsverhoogingen met 1 p. st. toegestaan, waardoor het dekpersoneel op 5.10 p. st. en de stokers en tremmers op 6 10 p. st. kwamen. Deze tegemoetkoming van de White Star Line vond afkeuring bij andere reederijen, hetwelk een uitbreiding ■ der staking tengevolge had.
De reedersfederatie had geen acht geslagen op het verzoek van den zeeliedenbond tot instelling van een verzoeningsraad, waarvoor de klachten der zeelieden konden worden behandeld. Op den i4en Juni werden verschillende vergaderingen in Londen, Liverpool, Manchester, Newcastle, Cardiff, Bristol, Southampton Huil enz gehouden, waar tot de algemeene zeeliedenstaking besloten werd. „War is now declared; Seamen, strike hard and strike for Liberty." (De oorlog is verklaard: zeelieden ten strijd, staakt dapper voor de vrijheid). Een strooibiljet werd op den i5en Juni verspreid, waarin werd meegedeeld, dat nu van den kant der patroons iedere onderhandeling was geweigerd, de zeelieden alleen zouden monsteren wanneer een loon van 5.10 p. st per maand voor alle matrozen en stokers op de handelsbooten zou gelden; voor passagiersschepen, met uitzondering van postschepen, moest 10 sh. loonsverhooging worden geëischt; op postschepen, waar tot dusver 5.T0 p. st. aan de stokers betaald werd, moest voortaan 6 p.st. worden gegeven. De werktijd zoodanig worden vastgesteld, dat alle overwerk,
972
tusschen 6 uur 's avonds en 12 uur 's nachts, met 9 pence per uur moest worden betaald en van 12 uur 's nachts tot 's morgens met 1 sh. per uur. Het laagste loon op booten met weekloonen zou 35 shilling wezen.
In I.iverpool weigerden den i4en Juni 350 man van de White Star aan te monsteren, waarbij zich 300 man van de „Empress of Ireland" aansloten Te Southampton staakten de zeelieden van een heele reeks passagiersbooten, weike voor de vlootrevue te Spithead bestemd waren. De reederijen trachtten het daarheen te leiden, dat per boot een overeenkomst werd getroffen om eerst later over een algemeene regeling te onderhandelen, wat door het stakingscomité afgeslagen werd
Gedurende de eerste dagen was er absoluut geen eenheid van optreden der stakers. Er werd plaatselijk gewerkt en plaatselijk onderhandeld, veelal buiten de organisatie om, waarvan wel loonsverhoogingen het resultaat waren, welke natuurlijk weer groot gevaar zouden loopen na terugkeer van de betrokken booten en bij hernieuwde aanmonstering. In de eerste drie dagen van den strijd was op deze wijze loonsvermeerdering verkregen reeds op een 25otal schepen. Voornamelijk de kustvaartondernemingen en de mailbooten poogden door het toekennen van loonsverhooging een geregelden gang van zaken in het bedrijf te herstellen. De verdeeldheid onder de reeders en toegeeflijkheid van de niet bij de Shipping Federation aangesloten werkgevers, werkten natuurlijk aanvurend op de zeelieden en deed het aantal stakers groeien.
Den igen Juni voegde Huil zich bij de staking. Den 24en Juni werden ook de zeelieden van bij de werkgeversorganisatie aangesloten patroons in Liverpool tot de staking opgeroepen.
In dit eerste stadium van den strijd gold algemeen de regel, dat hij weer werd afgebroken, waar gedeeltelijke concessies met name van geldeiijken aard werden bereikt. Toen op 25 Juni de zeelieden te Glasgow den strijd konden beëindigen met een verhooging van 10 shilling en zij dat weigerden, dreigde Wilson hen per manifest de leiding te zullen neerleggen, als zij niet tot hervatting van den arbeid besloten.
De Shipping Federation was nog steeds weigerachtig om tot onderhandeling met den zeeliedenbond over te gaan. Met Chineesche werkkrachten poogde zij haar booten te bemannen. Nog den 28sten Juni maakte de heer Cuthbert Laws, een der bestuursleden van de patroonsorganisatie door de ,.Daily Telegraph"' bekend, dat er van toegeven geen sprake was, bemanning voldoende te krijgen; en den 29Sten zou een spoedvergadering van reeders plaats hebben, waar over een vergoeding voor stilliggende schepen zou worden beraadslaagd. Uit het aan de pers verstrekte bericht bleken op die vergadering vertegenwoordigers van alle havens van het Vereenigd Koninkrijk aanwezig. Besloten werd in de gegeven omstandigheden tot matige loonsverhooging over te gaan in bepaalde havens, hoewel in de voorafgaande periode van depressie de loonen op peil waren gehouden. Van een erkenning der vakvereeniging kon echter geen sprake wezen en bij het ministerie werd aangedrongen op maatregelen tegen het „vreedzaam posten", daar intimidatie van de werkwilligen plaats vond. Ten slotte werd de wenschelijkheid uitgesproken van een standaardloon bij de aangesloten ondernemingen. Hoewel op deze conferentie nog hooghartig het contact met de vakvereeniging werd afgewezen, toch blijkt uit de gepubliceerde besluiten, dat de heeren patroons niet als vóór de staking onwillig waren eenige verbetering in te voeren. Vóór den strijd heette het, dat internationale overeenkomsten wijziging in de loonvoorwaarden onmogelijk maakten. Twee weken na den aanvang wordt tot de vaststelling van een standaardloon en toekenning van bepaalde verhoogingen besloten. Het toegeven van de niet aangesloten patroons (waaronder in Liverpool de lijnen van de Atlantic Combine), het uitbreiden der staking.. - en de sympathieverklaringen van de dokwerkers te Goole en Huil in welke laatste plaats zij op 20 Juni in staking gingen, zijn zeker op deze verandering van houding niet zonder invloed geweest. In Huil nam de strijd snel in omvang en hevigheid toe. De schepen lagen in de dokken beladen met koren en vruchten en konden niet worden gelost. In het geheele district begon gebrek aan levensmiddelen te heerschen; 17,000 ton kolen lagen opgehoopt, die op inscheping wachtten. In het zuiden van Yorkshire moesten 12,000 mijnwerkers ophouden te arbeiden, omdat de productie ingekrompen werd De prijzen van aardappelen gingen snel de hoogte in. Had tot dusver de regeering zich bepaald tot het zenden van politie uit de hoofdstad voor de handhaving der orde (hetzelfde was ook in Cardiff geschied), op aandrang van de handelskamers en vereenigingen van
973
handelaren in Huil, besloot zij tusschenbeide te komen en vaardigde het ministerie den onderhandelaar Askwith naar Huil af. (Het bij stagnatie in het transportbedrijf onmiddellijk ontstaand gebrek aan levensmiddelen in de dichtbevolkte industriegebieden van Engeland was een factor, welke de positie der stakers zeer ten goede kwam) Botsingen tusschen de politie en de in opwinding verkeerende massa bleven niet uit. Na uitgebreide onderhandelingen wist de heer Askwith een overeenkomst tot stand te brengen tusschen in strijd zijnde partijen, welke de volgende bepalingen inhield :
i°. In de toekomst wordt geenerlei betaling van de ticket der Shipping Federation geëischt. Ieder is vrij zich al dan niet van een ticket te voorzien. De georganiseerde arbeiders verklaren in goede harmonie met de niet vereenigden samen te werken. Deze bepalingen gelden zoowel voor de arbeiders aan boord als op de kaden.
2°. De arbeiders hebben 't recht bij de keuring ook voor eigen rekening een eigen dokter te betrekken. Den arbeiders moet vooraf kennis worden gegeven van een geneeskundig onderzoek; tusschen deze kennisgeving en de keuring moet een behoorlijke tusschenpauze aanwezig zijn.
3°. De weekloonen voor de zeelieden tusschen Huil en Hoole bedragen 32 sh. 6 d. (tot dusver 30 sh ), de maandloonen 4 10 p. st, voor stokers 4.15 p st. Een halven rustdag per week. De dokarbeiders, of zij uur- dan wel dagloon ontvangen, krijgen een vrijen Zaterdagmiddag,
4°. De loonen van sjouwerlui, lossers, kaaiwerkers enz, bij de vaste lijnen worden met een halven penny per uur verhoogd.
5°. De loonen der arbeiders niet vallende onder 3° en 40 worden geregeld, zoodra door hen looneischen worden gesteld.
6°. Zoo geschillen ontstaan over de uitlegging van een der overeengekomen punten, zal niet tot staking worden overgegaan, maar zal het ministerie van handel beslissen.
In een groote vergadering van meer dan 12,000 personen werd deze overeenkomst voorgelegd en trachtte J. R. Bell van de zeeliedenorganisatie aanneming te bepleiten. Vergeefs, de massa wees de eischen van de hand. Tot den 3en Juli duurde het eer zij den arbeid hervatte op de voorwaarden in deze overeenkomst vervat.
De strijd in Manchester had een zelfde verloop en liep met een soortgelijke overeenkomst af.
Terzelfdertijd eindigde te Brislol de staking met een inwilliging van de eischen der kolensjouwers en dokkers
Hoe was het inmiddels in Liverpool gegaan? Op den 27sten Juni verklaarden zich de bij de Shipping Federation aangesloten reeders bereid tot onderhandeling en nam deze organisatie het besluit haar leden vrij te laten in zake de loonregeling. Nog denzelfden dag willigden 15 firma's de eischen hunner bemanningen in, zonder dat daardoor een eind aan den strijd werd gemaakt, wijl nu dt dokwerkers, die de sympathiestaking waren begonnen en hun eigen eischen hadden gesteld, met sucres de hulp der zeelieden vroegen om ook hun doel te bereiken. Bij de dokkers voegden zich de voerlieden en zoo algemeen was de deelneming aan den strijd, dat 29 Juni alle verbindingen tusschen Liverpool en Dublin verbroken waren. De leiders hadden vergeefs gepoogd na het gedeeltelijk succes der zeelieden de havenwerkers tot hervatting van den arbeid te bewegen. Op den 28sten Juni waren de schepen der Cunard, White Star, Allan, C. P. R. American, Dominion, Moss en Ellerman-maatschappijen door hun bemanningen verlaten. De levensmiddelen hoopten zich ook hier in de opslagplaatsen op. Honderden passagiers voor Amerika vulden de hotels en konden niet vertrekken. Het getal stakers liep tot 20,000 op. Op den 3_den Juli gaven Pacific Steam Navigation Company, en de Lamport, Holts and Gulf Transportmaatschappijen ook op het punt van erkenning der vakorganisatie toe. Men lette op het doorzetten van steeds belangrijker eischen naarmate de staking langer duurde en verder en verder om zich greep. Kan de hier in groote lijnen geschetste loop der staking in Juni in Southampton, Huil, Manchester, Liverpool, de toegeeflijkheid van de den 29sten Juni te Londen vergaderende havenkoningen verklaren? En daarnaast ook het toenemend zelfvertrouwen onder de arbeiders, wier landelijke organisatie: de Transportworkers Federation op denzelfden dag in Londen het besluit nam, dat zoo de reeders in de verschillende havens niet op 1 Juli zouden hebben toegegeven, dan op 3 Juli het besluit zou vallen, welke scherpere maatregelen
974
zouden getroffen worden om alle firma's, die een afwijzende houding bleven aannemen tot rede te brengen.
Naast de hierbovengenoemde plaatsen waren de meeste andere havensteden van Engeland bij den strijd betrokken. Zoowel te Cardiff in het kolengebied van Wales, als te Grimsby in de nabijheid van Huil gaf de staking aanleiding tot scherpe conflicten. In laatstgenoemde plaats legden de havenwerkers zonder eenig overleg met hun leiders den arbeid neder en pogingen om hen van hun besluit terug te brengen bleven zonder uitwerking. Eerst na afloop van den strijd in Huil gaan ook de havenarbeiders te Grimsby aan den arbeid na een loonsverhooging van i penny per uur en inkrimping van den werktijd met i uur te hebben bereikt. Te Sunderland zetten de havenwerkers een loonsverhooging van een halve penny en uitbetaling der schafttijden (i*A uur) door.
In de eerste helft van Juli zijn het vooral de stakingen in Cardiff, Penatth, Newport en Barry die de aandacht gespannen houden. Vooral te Cardiff gistte het. De hardnekkige strijd der 12,000 kolenwerkers uit het Rhondadal, die tegen den zin van de leiding van den mijnwerkersbond in, al meer dan 9 maanden duurde, heeft onder de arbeidersbevolking van Zuid-Wales een geest van verzet l doen opleven. De zeelieden- en havenwerkersstaking groeide er tot een algemeene staking uit. Veelvuldige botsingen met de politie waren voorgekomen. Den igen werd de algemeene staking geproclameerd, waartoe vele spoorwegarbeiders, brouwerijarbeiders en anderen overgingen.
Den 23sten Juli kwam het te Cardiff tot onderhandelingen onder voorzitterschap van den burgemeester der stad. Het duurde tot 28 Juli eer een vergelijk tot stand kwam, waarin erkenning der vakvereeniging was opgenomen.
Op dezen zelfden dag eindigde te Glasgow (Schotland) de strijd der havenwerkers met erkenning van de vakvereeniging, onder voorwaarde dat door de (leden geen pressie zou worden uitgeoefend op de niet aangeslotenen. \ Het zal den lezer zijn opgevallen, dat het zoowel in Liverpool, als te Cardiff : en Glasgow tot erkenning der vakvereenigingen kwam. De Shipping Federation had op den 2isten Juli in dit opzicht toegegeven. Meer dan een maand na het proolameeren van den strijd werd, voornamelijk tengevolge van de solidariteitsstakingen der dokkers doorgezet, dat de National Sailors' and Firemen's Union officieel zou worden erkend, wanneer deze zich verplichtte tot registratie. Met het stellen dezer voorwaarde werd slechts de schijn gered. Wilson had vroeger meermalen aangeboden tegenover de beschuldigingen der reeders uit de boeken het bewijs te willen leveren, dat zijn organisatie een ernstig te nemen vakvereeniging was.
Erkenning van den vakbond, niet verplichtend stellen van de ticket der Shipping-Féderation en daarnaast een loonsverhooging, welke volgens opgave der reeders totaal 138,000 zeelieden omvat en varieert van 2.10 £ tot 5 £ per jaar (tot een bedrag van £ 522,307) ziedaar het resultaat van de actie voor zoover het deze groep van arbeiders betreft.
Tot dusver stond Londen geheel buiten den strijd. Het door het Engelsche parlement ingestelde havenbestuur (Port of London Authority) had zich in den aanvang der beweging bereid verklaard met de Transport-Workers-Federation in onderhandeling te treden over de arbeidsvoorwaarden der betrokken arbeiders. Langer dan een maand duurden de beraadslagingen, tot dat 24 Juli een commissie werd benoemd voor de helft uit vertegenwoordigers der ondernemers, voor de andere helft uit vertegenwoordigers der T. W. F., waaraan toegevoegd de president en vice-president van het havenbestuur, alsmede Lord Devonport en Harry Gosling, de voorzitter der T. W F. (lid van het havenbestuur). De overeenkomst welke 26 Juli gesloten werd, bracht voor de arbeiders van de Londensche dokken: Verhooging van dagloon van 6 op 7 dice per uur; voor overwerk van 8 op 9 dice; scheeps- en kaaiwerkers, die tot dusver 7 d. per uur kregen, komen op 8. Vóór dit laatste besluit wordt uitgevoerd zal er een scheidsrechter over beslissen. De arbeider zal 's morgens om 7 uur beginnen in plaats van 6 uur en overwerk worden berekend van 6 uur 's avonds tot 6 uur 's morgens. Arbeid op Zon- en Feestdagen wordt dubbel betaald. Een uur schafttijd wordt toegestaan zonder betaling. De belooning mag per dag (per nacht) niet minder dan 4 uur bedragen. Het aannemen van arbeiders geschiedt op 4 daarvoor bepaalde tijdstippen van den dag.
Al werd niet alles bereikt, wat de belanghebbenden verlangden (o.a. uitbetaling schafttijd en minstens r shilling voor overwerk per uur) de 5 vertegenwoordigers der T. W. F. hadden zich accoord verklaard met deze bepalingen. In een groote
975
vergadering op 28 Juli namen de havenwerkers het voorstel aan, al verklaarde zich een beduidende minderheid tegen.
Maandag 31 Juli zou de nieuwe regeling ingaan, doch op dien dag weigerden eenige honderden arbeiders het werk op te nemen, daar hun patroons eerst de beslissing van den scheidsrechter wilden afwachten. Bij deze arbeiders sloten zich spoedig anderen aan, die bh' het Lendensche havenbestuur werkten en dus onmiddellijke verhooging hadden bekomen. Op den isten Augustus was het aantal stakers in de Victoria and Albert Docks reeds 5000 en werd een stakingscomité uit alle groepen van arbeiders gekozen. De leiders van de T. W/F. verklaarden zich bereid mede de verantwoordelijkheid voor de stakingsbeweging te aanvaarden. Het Handelsministerie poogde alsnog een uitbreiding der beweging te keeren en bespoedigde daarom de scheidsrechterlijke uitspraak over loonsverhooging, welke ten gunste van de arbeiders uitviel. Het was vergeefs. Onweerstaanbaar en snel greep de staking om zich heen. In 4 dagen waren er reeds 30.000 man bij betrokken. Kolendragers en voerlieden voegden zich bij hen. Vooral het meedoen van de laatsten bracht een onmiddellijke stijging van prijzen in verschillende deelen der stad te weeg. 5 Augustus werd de staking voor alle dokwerkers, kolendragers, schuitenvoerders, voerlieden en sjouwers geproclameerd. Bij de schuitenvoerders ging het om den 10 uren dag; bij de voerlieden om 2 shilling opslag per week en een arbeidsweek van 60 uren.
Duizenden vulden den 6cn Augustus Trafalgar Square, waar een meeting van stakers werd gehouden. „Geen man aan het werk zonder verlof van het Transportarbeiders federatiebestuur" — deze gedachte bezielde allen. Al zouden de de eischen eener bepaalde groep worden ingewilligd, van werkhervatting zou geen sprake zijn, alvorens allen het doel hadden bereikt. Op de meeting werd kennisgegeven van een telegram der I. T. F. te Berlijn, meldende dat de Centrale Raad het n ogehjke zou doen om in de Hollandsche en Belgische havens en te Havre de hulp der bootwerkers te bekomen. 1) En terwijl dag aan dag onderhandeld werd met bemiddeling van het ministerie van handel groeide het aantal stakers steeds aan en werd de toestand van de reuzenstad al kritieker. De motorbusdiensten werden ingekrompen bij gebrek aan benzine. Groote voorraden vleesch, graan en vruchten lagen opgestapeld in de opslagplaatsen en moesten na den strijd op last der gezondheidscommissie goeddeels worden vernietigd. Vele fabrieken werden gesloten door gebrek aan grondstoffen, waardoor o. a. duizenden handschoenmakers, jamkokers en lederbewerkers zonder werk kwamen.
Ook de vrachtrijders der spoorwegmaatschappijen leggen het werk neer. Behalve eenig vervoer onder politieescorte werden alleen met vergunning van het stakingscomité ijs voor de hospitalen, petroleum en veevoeder ten behoeve van den postdienst aan de bestemde adressen bezorgd. Verder waakt het stakingcomité voor afvoer van vuilnis De soldaten, in Aldershot gereed gehouden om naar Londen te vertrekken, waarmee de vriend van spoordirecties en reeders, minister Churchill in het parlement op 10 Augustus dreigde, zouden alleen wanorde hebben kunnen stichten, die er nu niet was. Dagen lang stonden die duizenden van ongeorganiseerde arbeiders in strijd, zonder dat belangrijke botsingen met de politie voorkwamen. Dat wekte zelfs de bewondering van felle tegenstanders der stakingsbeweging. Deze massa hield haar doel voor oogen, bleef vasthouden aan het gegeven parool. Ook al werden achtereenvolgens voor kolendragers, voerlieden en schuitenvoerders overeenkomsten verkregen. •.. Zij gingen niet aan het werk, voordat de leiding daartoe order gaf. Dit verschijnsel doet o. a. de conservatieve Times in wanhoop uitvallen tegen de leiders. Het blad acht het onduldbaar, dat een kleine groep van personen in het Oosten van Londen den geheelen handel kon verlammen. (De Evening News sprak van het „Nieuwe Parlement" op Tower Hill) Natuurlijk week ook voor dergelijke uitingen van machtelooze woede het stakingscomité niet. Den uen Augustus 'savonds werd voor allen tegelijk de strijd opgeheven. Den i2en kon de arbeid worden hervat. Het is ondoenlijk om volledig de afgesloten overeenkomsten, opgenomen in het Augustus en September nummer van „The Board of Trade Labour Gazette (blz. 282, e. v., 325 e. v.) weer te geven. Alleen de hoofdpunten zijn te vermelden:
1) Later volgrle het bericht van den Centralen Raad, dat Londensche schepen door de havenwerkers te Hamburg zonden worden vastgelegd. Den iaën Augustus meldden de bladen, dat de Hamburger havenarbeiders het besluit hadden genomen strenge solidariteit tegenover de Engelsche kameraden te betrachten en geen werk te verrichten op van Engeland komende en daarheen vertrekkende schepen.
976
Voerlieden verkregen een arbeidstijd van 72 uur per week, gerekend op 6 dagen, (vroeger 80 a 100 uur) Erkenning van den vakbond en 20 pCt. loonsverhooging.
Schuitenvoerders een inkrimping van den werktijd met 2 uur per werkdag loonsvermeerderine: met 20 pCt. en een uniforme loonregeling-
Dokwerkers 25 pCt, loonsverhooging; verdubbeling en uitbetaling van den schafttijd: vastgesteld werden 4 vaste tijdstippen per dag voor aanneming van werk, hetwelk belangrijke tijdsbesparing beteekent. Erkenning vakbond.
Kólenwerkers werden naar de verschillende kolensoorten in 9 loonklassen ingedeeld. Bepalingen voor wachttijd en overgeld werden vastgesteld.
Wij willen dit beknopte overzicht der Londensche staking besluiten met enkele aanhalingen uit het artikel van den secretaris van het stakingscomité, Ben Tillett, in ,Justice" van 19 Augustus:
,,üe staking is voorbij; de overwinning wel verdiend en een tijdperk gemaakt. Maanden en jaren van agitatie leidden tot een revolutionaire week — een week zoo vruchtbaar aan mogelijkheden, dat de zenuwen van sommigen onzer oude strijders geschokt waren. Zonder het enthousiasme en de ervaring van den veteraan, zouden wij het houvast verloren hebben op de grootste massa ooit samengebracht in een enkele plaats. Dat de mannen de discipline handhaafden strekt hun tot eer; dat wij in staat waren de leiding te kunnen blijven behouden was hun tot heil."
„Een van de meest karakteristieke eigenschappen van dit conflict is de rol gespeeld door de socialisten in het algemeen en de S. D. P. in het bijzonder. Hoe meer revolutionair de propaganda, hoe grooter de uitwerking.... Ik ben zeer trotsch te hebben gestreden met mijn makkers van de S. D. P.
Het duurde na den i2en Augustus nog wel een week eer de haven te Londen weer haar gewone voorkomen had gekregen. In den aanvang regende hel klachten van arbeiders over het niet nakomen der overeenkomst door de patroons. Op den i4en Augustus hadden al een 20 duizend havenwerkers den arbeid neergelegd. Langs den weg van onderhandeling werden deze moeilijkheden overwonnen.
Terwijl deze gebeurtenissen plaatsgrepen in het transportbedrijf, kwamen ook in verschillende andere steden van Engeland arbeiders in beroering. Zoo staakten de trammannen van Leeds; 20,000 bankwerkers van Manchester (voor een minimum loon van f 12 per week); 14,000 fabrieksarbeiders in Bermondsey (Londen); de electrische trams te Glasgow; de negerzeelui in Cardiff; spoorwegarbeiders te Liverpool, Swansea, Huil, Manchester, Grimsby en Bristol. De beroering onder de spoorwegmannen was reeds een voorbode van de algemeene spoorstaking, waarmee deze massale beweging afgesloten werd.
In Liverpool nam de strijd in den loop van Augustus een in verhouding even grooten omvang en een nog scherper karakter dan te Londen aan. Het vereenigd optreden van zeelieden en havenwerkers voerde tot onderhandelingen met de patroons, die haar beslag kregen tegen het einde van Juli. Op den ien Augustus bleken bij de invoering van de nieuwe loonschaal een 700 dokwerkers geen stijging van inkomsten te hebben verkregen, terwijl ook aan de grieven van de kólenwerkers in het noordelijk deel der stad niet was tegemoetgekomen. Een 150 tal hunner ging opnieuw in staking. De spoorwegmannen van de Great Northwestern en de Lancashire en Yorkshire maatschappijen uit den goederendienst, alsmede de bestellers weigerden het vervoer van goederen voor de dokken bestemd en stelden hun eigen eischen van loonsverhooging op. Omgekeerd weigerden de havenwerkers arbeid te verrichten gewoonlijk door dit spoorwegpersoneel gedaan. Op den 9en Augustus was de goederendienst reeds geheel tot stilstand gebracht en waren ook de voornaamste personenstations afgesloten. De burgemeester van de stad stelde zich met de regeering in verbinding en onmiddellijk volgde de toezending van 400 soldaten van het VVarwickshire regiment. Bovendien werd de politie van uit Birmingham en Manchester versterkt. Er was toen nog niet de minste onregelmatigheid voorgekomen. Nadat eenmial zooveel militairen in Liverpool waren, duurde het niet lang, eer zij gelegenheid hadden zich verdienstelijk te maken. In den avond van 10 Augustus had de
977
eerste knuppelaanval der Birminghamsche politie op de menigte plaats, waarbij velen gewond werden. Onder zwaar politie geleide kon nog een gedeeltelijk vervoer van goederen gehandhaafd worden. Zoo waren een 30-tal wagenladingen van het Brunswickstation en een 200 tal van Edge Hill en het N. W. Spoorwegstation door troepen Scots Greys en van het Warwickshire regiment begeleid, de geweren met kogels geladen. De ontevredenheid onder de bevolking tengevolge van deze maatregelen nam hand over hand toe.
Vrijdagavond 11 Augustus kwam een ultimatum der scheepseigenaren uit, waarbij met algemeene uitsluiting werd gedreigd, zoo niet Maandags het werk werd hervat en allen arbeid zou worden verricht, die zou worden geeischt (dus spoorweggoederen niet besmet werden verklaard). Tom Mann adviseerde de dokkers gedurende de onderhandelingen het werk weer op te nemen, doch de groote meerderheid weigerde dien raad uit te voeren.
Zondag 13 Augustus had een reeds voor het begin der locale spoorstaking vastgestelde meeting van dokkers en zeelieden plaats, bezocht door 40,000 arbeiders.
Op deze meeting deelde Tom Mann mede, dat het stakingscomité tot een hernieuwde algemeene beweging van de transportwerkers had besloten als de spoorwegmaatschappijen niet toegaven aan de eischen van het personeel. Langaanhoudende ,,cheers" weerklonken door de lucht.
,,Als gij zijt voor deze actie, indien wij geen gunstig antwoord van de spoorwegmaatschappijen verkrijgen, steekt dan uw handen op."
Ten minste 20,000 man, zoo lezen we in het nieuwe maandschrift door Tom Mann geredigeerd „The Transport Worker" staken de handen in de lucht. Een tinteling van geestdrift doorgloeide hen.
Deze meeting-Zondag zou de Red Sunday (de roode Zondag) van Liverpool worden. Zonder eenige aanleiding begon de politie met haar knuppels op de menigte in te houwen, een ware paniek aanrichtende. De massa beschikte over geen wapens. De politierekels hadden makkelijk spel. Tot in burgerlijke organen wordt de volle verantwoordelijkheid van de schandelijke tooneelen op de schouders der politie geschoven.
Deze politiewandaden verwekten onlusten tot diep in den nacht. De ,,Riot Act" werd ter waarschuwing tweemaal voorgelezen. Militairen doorkruisten de straten. Tot middernacht bleef het bevel te vuren achterwege.
Maandags proclameerden de patroons de uitsluiting waarop het stakingscomité tot de algemeene staking opriep, waaraan een 40,000 man gevolg gaven. De kantoren der Shipping Federation werden verbrand, nieuwe botsingen met de militairen hadden plaats, waarbij een man werd gedood en verschillenden werden gekwetst. Vele onlusten waren het gevolg van conflicten tusschen katholieken en protestanten in de achterbuurten, en hadden niets met de staking uitstaande. Nieuwe troepen uit Aldershot en eenige oorlogschepen werden naar Liverpool gezonden. Dinsdags was het getal stakers tot 75 000 gestegen. Een algeheele stilstand in het bedrijfsleven. De winkels gesloten. De electrictteitscentrale door het stakingscomité stop gezet. Hongersnood dreigende. Het vleesch verdubbeld in prijs. Groenten zeldzaam. (Aardappels kostten in plaats van .£2.10 nu £ 7 per ton.) Ook het tramwegpersoneel sloot zich gedeeltelijk bij de staking aan. Het personeel van de reiniging legde den arbeid eveneens neer. Het sterftecijfer was 24 5 per 1000 tegen in de overeenkomstige maand van het vorige jaar slechts 13.3 per 1000 „Liverpool is dead" (Liverpool is een doode stad) laldus de „Daily Chrocicle."
Tengevolge van de staking verergerde ook de toestand in de omgeving, wijl de fabrieken den arbeid niet konden voortzetten.
Het was te Liverpool, dat de 4 vereenigde spoorwegorganisaties, het besluit tot een algemeene spoorstaking namen, welke den i7en Augustus uitbrak. Reeds was deze landelijke beweging beëindigd, toen in Liverpool nog de staking onverzwakt voortduurde. Eerst op 24 Augustus kon Tom Mann verklaren: „Dat de strijd nu was afgeloopen " Behalve de spoorwegarbeiders verkregen alle aan de beweging deelnemende groepen belangrijke voordeelen. Voor de zeelieden en stokers loonsverhooging en afschaffing van de ticket der Shipping Federation. Voor de dokwerkers volledige erkenning van den vakbond naast materieele voordeelen. De laatste week was een uiterst moeilijke. De hoofdbesturen der spoorwegbonden hadden den eisch losgelaten, dat de spoorstaking nietafloopen
978
zou, alvorens de Liverpoolsche uitsluiting zou zijn opgeheven i) De koppigheid van de gemeentelijke tramwegdirectie hield het afsluiten van een overeenkomst nog van Maandag tot Donderdagavond tegen. Het scheen alsof de vereenigde patroons de hoop koesterden, dat een te lang rekken van den strijd ten behoeve der uitgesloten wagenvoerders en conducteurs, hun de gelegenheid zou geven de aangegane overeenkomsten te verbreken. In overeenstemming met hen zou dan de voorzitter van het tramwegbestuur bij zijn afwijzende houding blijven Terwijl de gemeentelijke straatreinigers en de beambten van het havenbestuur waren teruggenomen, bleven de gemeentelijke trambeambten op straat In die omstandigheden moest de staking gerekt worden en reisden Tom Mann met 2 leden van het comité naar Londen af om bij de spoorwegorganisaties en de Transport-Workers-Federation op een landelijke beweging aan të dringen.
Dit heeft blijkbaar geholpen. De regeering ging zich met de aangelegenheid bemoeien, de bemiddelaar Askwith werd naar Liverpool gezonden en zette door dat de uitgesloten trammannen weer in dienst werden genomen. Met de wederopneming van den arbeid in deze stad was aan de stakingsbeweging in het Engelsche transportbedrijf een eind gekomen.
B. De spoorstaking.
Het was geen wonder, dat in verschillende plaatsen de beweging der transportwerkers de spoorwegarbeiders medetrok. Bepaalde eischen hadden zij niet gesteld. Dit is weer een der kenmerken van de merkwaardige beweging, onbepaaldheid van de eischen. De arbeiders van den goederendienst welke o.a. te Liverpool, Birmingham, Manchester in den strijd waren gegaan, behoorden meestal niet tot de organisatie. De vele grieven welke ook onder het spoorwegpersoneel bestonden, deden hen de gelegenheid benutten hun broodheeren te toonen, dat zij dringend lotsverbetering behoefden. Waar aanvankelijk een van de hoofdeischen der zeelieden (wier vakorganisatie voor den strijd niet veel beteekende) was de instelling van verzoeningsraden ter beslechting van geschillen, was de groote grief onder de georganiseerde spoorwegarbeiders juist het bestaan en de werkwijze van die verzoeningsraden, waarmee zij in 1907 door den minister Lloyd George waren afgescheept. Toen de hoofdbesturen der samenwerkende bonden tot ds staking besloten, eischten zij dan ook de directe erkenning van de organisatie waardoor dergelijke „verzoenings'raden overbodig zouden zijn. _ Dat was wel een magere oogst geweest van dè mooie „all grade movement" in 1906 door den Algemeenen Spoorbond ingesteld. Na een enquête van de arbeidsverhoudingen onder het personeel door deze organisatie gehouden, werd tot een algemeene actie besloten.
Op grond van dit onderzoek werden 18 Januari 1907 aan alle spoorwegmaatschappijen de volgende eischen gesteld: ie. Normale diensttijd van 8 uur per dag voor machinepersoneel, conducteurs, seinwachters en rangeerders; 2e. maximum diensttijd van 10 uur voor het overige personeel; 3e. voor allen minstens 9 uur rust tusschen 2 diensttijden; 4e. 25 percent voor overwerk en 50 percent voor Zondagswerk; 5e. ƒ1.20 verhooging van weekloon voor wie geen 8 uur dienst kregen; 6e /r.8o verhooging per week voor personeel te Londen; 7e. het recht voor gesalarieerden der vakvereeniging om deel uit te maken van deputaties van het personeel voor onderhandelingen'met de directies. Deze wezen de eischen af, wilden over bijkomstige punten met het personeel zelf onderhandelen, doch in geen geval van de vakvereeniging weten. De actie sloee in. De Amalgamated Society of Railway Servants voerde haar ledental tot 97.651
1) Uit de „Railway Review" van 25 Augustus blijkt, dat het spoorwegstakingscomité op het Ministerie van handel had vernomen, dat de Liverpoolsche uitsluiting beëindigd was. „Deze inlichting was een belangrijke factor bij het afsluiten van de overeenkomst. Het nader bericht aan het stakingscomitee wordt nu besproken en tenzij een voldoende overeenkomst vvordt verkregen bestaat er kans, dat de geheele beweging opnieuw begint. (The whole situation is re-opened.)"
De beëindiging der spoorstaking dus afhankelijk van het opheffen der uitsluiting door de Liverpoolsche reeders ! Dat is nog wat anders dan de afwijzing van het aanbod der Oceaan door den zeeliedenbond, als niet de bootwerkers lotsverbetering bekwamen. Toch bestaat de leiding van de spoorwegorganisaties niet uit syndicalisten. De lezer zal uit dit overzicht wel meerdere teekenen van overeenkomst met de beweging in Amsterdam hebben opgemerkt.
979
op. De drie andere organisaties van personeel (categorische vereenigingen van machinepersoneel, wissel- en seinwachters en de General Railway VVorkers Union bestaande uit gewone spoorwegarbeiders) bleven afzijdig staan. Onder aandrang van de leden werd een referendum uitgeschreven, dat met 76 925 tegen 8773 stemmen zich voor een staking uitsprak. De toenmalige minister van handel Lloyd George greep nu in, onderhandelde met directies en vakvereenigingsbestuur zonder dat deze onderling in contact kwamen, de verzoenintraden werden uitgevonden en door den liberalen heer Bell, secretaris van den Spoorbond (de man is thans staatsinspecteur van toezicht op de rijksarbeidsbeurzen) alsmede door 42 spoorwegmaatschappijen aanvaard. De grootste maatschappij' r>lorth Eastern Company, welke de vakvereeniging al sedert lang erkende, benevens de Londensche ondergrondbanen, bleven buiten de overeenkomst' Het sociaaldemocratische orgaan .Justice", de verzoeningsraden 16 November 1907 besprekende, meende, dat de sluwe advocaat Mr. Lloyd George de spoorwegarbeiders handig „en met succes had bedrogen." Ook 'de Londensche correspondent van het „Correspondenzblatt" van het Duitsche Vakverbond schreef 29 Augustus jl. (blz. 572):
„Het was zeker een groote fout, dat men het stelsel in zijn tegenwoordigen vorm aannam, ten minste had men zich niet voor 7 volle jaren aan handen en voeten mogen laten binden."
Met de verzoeningsraden toch was het spoorwegpersoneel zeven jaar opgescheept. Een staaltje van hyper-bedachtzame Engelsche vakvereenigingstaktiek L>e vruchten zijn met uitgebleven. Het vertrouwen in den vakbond verzwakte
j api lnj2 Jaar tot 73.75o leden terug. Voor de verzoeningsraden moesten aan de kas der vakvereeniging groote bedragen worden onttrokken. Hare beslissingen kwamen duur.
Er werden drie soorten van raden gevormd: 1. groepsverzoeningsraden; 2. Len centrale raad per maatschappij ; 3. een algemeene Raad van Arbitrage. Door het op verschillende tijdstippen vervallen van de beslissingen ten behoeve van verschillende groepen van personeel, gaat de eenheid van optreden totaal verloren. Het stelsel is nog verderfelijker dan de groepsvertegenwoordigingen m Holland, ook al hebben die verzoeningsraden dan grooter bevoegdheden ^misschien kon juister worden gezegd: omdat die verzoeningsraden grooter bevoegdheid hebben).
Bovendien beschikken de maatschappijen over handige tekstuitleggers, die uit de beslissingen van de raden voor de directies halen, wat maar mogelijk is Waar bijv. voor de wisselwachters van de Midlandspoor de arbeidstijd werd vastgesteld op 8 uur, behield de maatschappij den arbeidsdag van 10 uur — doch noemde die wissel wachters voortaan „treininhalers". Een voorbeeld uit velen. Bij het verhoor van de leiders der verschillende vakvereenigingen na afloop van den strijd blijkt afdoende tot welke chicanes tegenover het personeel dit stelsel van verzoeningsraden de maatschappij in staat stelde 1)
Waar beslissingen moesten worden uitgevoerd, die geld kostten, daar konden de maatschappijen door de verbeterde techniek, de verzwaring der machines tot een belangrijke inkrimping van het personeel komen, den arbeid verdichtende, de arbeidsinspanning vergrootende, de condities dus van het in dienstzijnde personeel verslechterende. Terwijl in 1907 in dienst der spoorwegondernemingen waren 621 311 beambten, was dat aantal in igro gedaald met 12,501 tot 608,750.
.stelsel van bezuiniging kan het sterke verzet onder de beter betaalde locomotiefbeambten volkomen verklaren. Een van de deelnemers aan de stakin^ schrijft daarover in „Justice" van 9 September :
„De Lancashire en Yorkshire Spoorwegmaatschappij is pionier geweest in het toepassen van moderne wetenschappelijke methoden voor het intensief maken van transportarbeid in dit land. Monster locomotieven werden gebouwd ; onder het tonnemaatstelsel (tonnage system) zijn de treinladingen verdubbeld, neen verdrievoudigd. Door de overeenkomsten tusschen de verschillende maatschappijen is een massa beambten overcompleet geworden en het lot der blijvenden moeilijker."
?ie .vom; het werken van dit stelsel van arbitrage het excerpt uit een artikel van Charles Watkins in „La vie Ouvrière" („Nieuwe Tijd" October 1911, blz. 814 e. v.).
980
Mede door de voordeeliger exploitatie ging het der maatschappijen uitstekend. Terwijl de arbeidsloonen ongeveer 27 percent van de ontvangsten der maatschappijen uitmaken, gaan de aandeelhouders met 37 percent strijken. Over 1907 werd in totaal een loonsom uitbetaald van 14.557,586 p. st ; 2 jaar later was dit bedrag gedaald tot 14,470,250.
Nog een paar andere looncijfers, van het Ministerie van Handel afkomstig: 23 maatschappijen betaalden aan loon:
over 1901 aan 440,557 personen : 26,313,497 p.st.; per man en per week 1.3.i'A p.st. „ 1907 ,, 478,690 „ : 29,085,468 ,, ; „ „ ,, ,, „ 1.3 2'/2 „ „ 1910 „ 463,019 „ : 29,252,822 ,, •, ., „ „ „ „ 14-3— .1 Na 3 jaar werken van de verzoeningsraden, bij uitsparing van personeel, een
winst 'van ruim een 1 shilling, volstrekt niet opwegende tegen de stijging van
de kosten van levensonderhoud. Van 1901 — 1910 een loonsverhooging van 1 sh.
i'/a dice
Onder het spoorwegpersoneel viel toenemende strijdstemming te constateeren. Al in September 1910 werd het besluit gepubliceerd, dat „ernstig zou worden overwogen de overeenkomst van 1907 te verloochenen, indien zoowel de geest als de letter daarvan niet beter werd toegepast " In een atmosfeer van eenheid, van sterke klassesolidariteit kwamen op 15 Augustus de hoofdbesturen van de 4 bonden, die tot dusver elkander hadden bestreden, nog voor kort van geen samensmelting wilden weten, te zamen, om over den toestand te beraadslagen. Groepsbelangen zwegen, het klassebelang verbond ook deze tegenstanders tot een eenheid, met elkander vormden zij een macht; een kleine 120,000 man van de ruim 600,000 In dat opzicht stonden zij er vrij wat beter voor dan de zeelieden en havenwerkers. Na lange beraadslagingen viel het besluit; binnen 24 uur staken, te rekenen van den ióen 's morgens, indien de maatschappijen geen onderhandelingen wilden.
Den volgenden dag vertrokken de vereenigde besturen naar Londen, waar ook de vertegenwoordigers der spoorwegmaatschappijen bijeengekomen zijn om hun houding vast te stellen. Door eerstgenoemden werd nog de eisch gesteld, dat behalve de erkenning van de vakvereeniging, opheffing van de uitsluiting door de Liverpoolsche reeders toegepast, moest worden verkregen.
Voor het proclameeren dezer staking verkrijgt deze zuiver economische beweging reeds haar politiek karakter, zooals het niet anders denkbaar is in het spoorwegbedrijf. De zitting van het Lagerhuis wordt verlengd Aan de fraze van de onpartijdigheid paart de democratische regeering haar aan de arbeidersbeweging vijandige daden. Duidelijker dan tot dusver in de stakingsbeweging bekent zij haar kapitalistische kleur. In het Lagerhuis legde de heer Churchill, openhartiger in dit opzicht dan bijv. zijn collega Lloyd George, de verklaring af, dat de regeering er niet voor zou terugschrikken de noodige maatregelen te nemen om volledige bescherming te verzekeren aan de menschen, die belast zijn met de exploitatie. In 't kamp te Aldershot worden de troepen geconsigneerd voor den dienst op den spoorweg. De gemoedsgesteldheid, waarin de regeering verkeert, maakt de spoorwegdirecties vaster in haar optreden. Beslist afwijzend stellen zij zich tegenover den eisch van erkenning der vakbonden, en geven zij een communiqué aan de pers van den volgenden inhoud:
„Waar de regeering voldoende bescherming aan de maatschappijen heeft toegezegd om die in staat te stellen den dienst voort te zetten, zijn de maatschappijen er op voorbereid ook in geval van een algemeene spoorstaking... een zij het dan ook beperkten dienst te verzekeren."
Zoowel de minister van Handel Buxton, die de beslissing 24 uur had weten te verschuiven, als de minister president Asquith, bespraken met de vereenigde besturen den toestand. Laatstgenoemde deed het voorstel tot instelling eener koninklijke commissie voor onderzoek, waarvoor de directies natuurlijk te vinden waren en poogde de leiders te intimideeren door de verklaring, dat een algeheel stopzetten van het spoorwegvervoer niet zou worden geduld.
De vakvereenigingsbesturen lieten zich echter geen vrees aanjagen. Tijdens hun beraadslagingen vroegen zij alsnog aan den heer Asquith, of hij zijn invloed wilde aanwenden op de directies om erkenning der organisaties te verkrijgen. Dit werd door hem bruusk geweigerd Nu besloten de hoofdbesturen geen genoegen te nemen met de voorgestelde commissie en gingen zij er toe over de staking te proclameeren, na zich van den steun der Arbeiderspartij en dien van het Parlementaire Comitee van het vakvereenigingscongres te hebben verzekerd.
981
Nog dienzelfden avond poogde in het Lagerhuis Minister Lloyd George den storm te bezweren door de verklaring af te leggen, dat zijn collega Asquith niet een koninklijke commissie had bedoeld op de gewone wijze samengesteld en werkende, maar een kleine commissie, welke met grooten spoed haar taak vervullen zou. De uitlatingen van minister Asquith hadden tot een misverstand aanleiding gegeven, en ook de leider van de Arbeiderspartij, Macdonald, haastte zich te verklaren, dat inderdaad er een groot misverstand in het spel is geweest.
De oproep der besturen was verzonden en had groote uitwerking, vooral in het Noorden, Midden en Westen, van het land. In Schotland staakte alleen het personeel te Glasgow, doch ook hier groeide het getal stakers voortdurend aan. Het Iersche spoorwegpersoneel besloot zich eveneens bij de beweging aan te sluiten. Op de Londensche stations Maryelebone, St. Pancras, Paddington en Victoria is de storing in het verkeer belangrijk, hetzelfde geldt voor de ondergrondsche banen. Te Manchester, Leeds, Birmingham, Bradford, Sheffields, York, Stockfort, en in Wales is de toestand ernstig. Het kruispunt Crewe werd den i8den gepasseerd door slechts 100 van de 300 treinen.
Overal worden militairen langs de lijnen verspreid. In Londen waren reeds den i7den 3000 soldaten met 12 kanonnen uit Aldershot aangekomen. Het hoofd der politie wiert vrijwilligers voor politie-diensten aan. Een onderzoek heeft plaats onder de geniesoldaten naar geschikte personen ter vervanging van de stakende machinisten. Het totaal aantal soldaten met de bewaking der spoorwegen belast, beliep 50000. Natuurlijk kwam het tot botsingen, o. a te Bradford, Sheffield, Trothenham, Bristol en Llanelly, in welke laatste plaats 7 dooden vielen. Wordt het getal spoorwegstakers door de regeering op 140,000 geraamd, de leiders schatten het, op grond der binnenkomende berichten, op 200,000, eer meer dan minder. Om de stagnatie te kunnen beoordeelen, bedenke men, dat van de ruim 6 honderdduizend man personeel er eigenlijk slechts 450,000 bij de staking betrokken konden worden, wijl de overigen (bureaupersoneel, hooge ambtenaren stationschefs, loopjongens en spoorwegpolitie) buiten beschouwing bleven. Bovendien nam het aantal stakers voortdurend toe en bleek bij de mijnwerkers van Zuid-Schotland en bij de machinebouwers groote neiging aanwezig om tot een solidariteitstrijd over te gaan.
Zoo geweldig was dan ook de invloed, dat in verschillende deelen van het land de prijzen der levensmiddelen snel omhoog gingen; de vacantie-gasten overal hun verblijf in de badplaatsen en elders afbraken of wel reeds besproken logies afseinden... en dat de regeering opeens overredingskracht genoeg kreeg om den iqden de heeren spoorwegdirecteuren tot een conferentie met het stakingscomitee te bewegen, waarvan de afsluiting eener overeenkomst het gevolg was, die aan de staking een einde maakte. Dit is naast de verkregen eenheid van elkander tot dusver bestrijdende groepen het feit van beteekenis, dat de vertegenwoordigers der directie een onderhoud moesten toestaan. De gesloten overeenkomst had den volgenden inhoud:
i°. De staking worde onmiddellijk beëindigd; de arbeidersleiders zullen het mogelijke doen om de stakers tot onmiddellijke hervatting van den arbeid te bewegen.
2°. Alle arbeiders, die door staking of uitsluiting in het tegenwoordige conflict zijn betrokken en zich binnen een bepaalden tijd weer voor het werk aanmelden, moeten door de maatschappijen zoo spoedig mogelijk in dienst worden genomen. Niemand mag wegens contractbreuk gerechtelijk worden bemoeilijkt of op andere wijze worden gestraft
3°. De verzoeningsraden worden onmiddellijk bijeengeroepen om — zoover zij daartoe in staat zijn — de thans bestaande geschilpunten te behandelen, waarbij wordt aangenomen, dat deze geschilpunten binnen 14 dagen worden meegedeeld. Wanneer de groepsverzoeningsraden geen bevredigende oplossing bereiken, dan treedt de centrale verzoeningsraad op. Beslissingen zijn van terugwerkende kracht tot den dag van deze overeenkomst.
4°. Onmiddellijk worden stappen gedaan om de kwesties te regelen tusschen de maatschappijen en die categorien van beambten, die niet onder de overeenkomst van 1907 vallen, zulks door conferenties van vertegenwoordigers van het personeel, die in dienst der betrokken maatschappij moeten zijn (totdat de in te stellen koninklijke commissie van onderzoek rapport zal hebben uitgebracht).
61
982
5°. Beide partijen verkenen bijstand aan de door de regeering aan te stellen commissie.
6°. Ieder geschil over deze overeenkomst wordt door het ministerie van handel beslist.
De door de regeering benoemde commissie van onderzoek naar de werking van de verzoeningsraden en scheidsgerechten en naar de gewenschte veranderingen wordt uit s leden saamgesteld, waarvan twee als vertegenwoordigers der werkgevers en twee als die der arbeiders zijn te beschouwen.
Nog wordt de voor de spoorwegmaatschappijen gunstige clausule toegevoegd dat stijging van de loonen tengevolge zal hebben, een wetsvoorstel om dienovereenkomstig de tarieven te verhoogen.
Bij de onderhandelingen waren ook de parlementsleden Ramsay Macdonald en Henderson tegenwoordig.
De telegrammen waarmee de staking opgeheven werd, spraken van een overwinning der vakorganisatie. Ook „Railway Review" van i September spreekt van een „groote overwinning", niettegenstaande op dat tijdstip dit van alle kanten reeds, ook uit de kringen der Independent Labour Partij, sterk in twijfel werd getrokken. Daags na de opheffing van den strijd keurden de Londensche spoorwegarbeiders in een groote meeting de overeenkomst goed. In de provincie was er echter tegenstand. De hervatting van de werkzaamheden ging alleen op de North Eastern met ernstige moeilijkheden gepaard. Deze maatschappij was bij de afgesloten overeenkomst met betrokken en het personeel staakte door De directie nam onmiddellijk maatregelen om de plaatsen der stakers door anderen te bezetten en verklaarde, dat voor haar de beslissing der koninklijke commissie bindend zou zijn. Dat kon, waar tot dusver erkenning van den vakbond bestond, een achteruitgang beteekenen. Na een conferentie met de hoofdbesturen werd de beslissing gewijzigd en verklaarde de maatschappij zich de volle vrijheid voor te behouden ten opzichte van het commissierapport, en alsnog bereid te zijn de stakers weer in dienst te nemen. Ook bij deze onderneming kwam daardoor een einde aan het conflict. Terwijl het spoorwegparlementslid Thomas verklaarde: „Het is een overwinning van het vakvereenigingswezen. Het personeel zal in de commissie vertegenwoordigd worden door Parlementsleden der arbeiderpartij," en de hoofdbesturen in een na de staking verschenen strooibiljet constateerden:
„Wat wij voor de commissie zullen getuigen, geeft ons het recht te zeggen, dat wij eerlang het charter zullen gewonnen hebben, dat elke andere stand in de maatschappij allang heeft bezeten" (erkenning der organisaties),
ontkennen de conservatieve bladen beslist, dat van een overwinning der stakers moet worden gesproken en belooft de samenstelling der Regeerinascommissie welke op 22 Augustus bekend wordt al weinig goeds. Als „onpartijdige" voorzitter was aangewezen de vroegere onderstaatssecretaris van Ierland Sir D. Harrel (uit de dagen der Ieren vervolgingen berucht); a's vertegenwoordigers der werkgevers C. B. Beale, advocaat van de Midlandspoorwegmaatschappij en de secretaris van het verbond der mijnindustrieelen Sir. T. Ratcliffe Elhs • als die van het personeel het parlementslid der arbeiderspartij A. Henderson en de gewezen secretaris van het machinebouwersverbond J. Burnett, (thans ambtenaar bij het ministerie van handel) de beide laatste typen uit'de Engelsche arbeidersbeweging van het oude, overwonnen karakter. Wel een advocaat der spoorwegmaatschappijen, doch natuurlijk was niet gevraagd een der leiders van het personeel. Het protest, dat de hoofdbesturen aanteekenden tegen de benoeming van den heer Beale, wijl zij daardoor het onpartijdig karakter der commissie in gevaar gebracht meenden, bleef zonder uitwerking. Tegenover de boven aangehaalde gunstige meeningen van den afloop van het conflict, waarbij zich ook die van de Engelsche correspondenten van de „Leipziger Volkszeitung" zoowel als van het „Correspondenzblatt" van het Duitsche vakverbond voegen staan sterk afwijkende opvattingen van leden der L L. P. en van de Justice' Het laatste orgaan spreekt van een „opnieuw verkocht." Het parlementslid Snowdcn keurt in het Lagerhuis de overeenkomst af; Barnes noemt de schikking een misleiding. In de „Labour Leader" laat J. Bruce Glasier, de hoofdredacteur zich scherp afkeurend uit. De uitspraak van de koninklijke commissie heeft hun gelijk gegeven, die
9§3
ongunstig oordeelden. Merkwaardig genoeg is de beslissing, die in de afdeelingen der spoorwegorganisaties algemeen ongunstig is ontvangen, onderteekend door alle leden der commissie, ook de arbeidersvertegenwoordigers Henderson en Burnett. Een laatste stoot heeft dat rapport gegeven aan het vertrouwen, dat het Engelsche spoorwegpersoneel in arbitrage stelde.
Omtrent de arbeidsvoorwaarden geen andere meening, dan dat alle bestaande overeenkomsten en beslissingen tot Juli 1912 gehandhaafd blijven. De erkenning van de vakorganisatie is niet verkregen. Het rapport verklaart, dat de commissie daaromtrent uit het getuigenverhoor geen vast omlijnd begrip heeft opgedaan. Men wist niet wat erkenning der organisatie beteekende 1 De vertegenwoordigers der directie, welke werden verhoord, en zich bijna algemeen daartegen verklaarden, verkeerden dienaangaande minder in het onzekere dan het parlementslid der arbeiderspartij Henderson, en de gewezen vakvereenigingssecretaris Burnett. 1)
De verzoeningsraden bleven. Mochten ook al de getuigen van den algemeenen vakbond in ieder geval hebben aangedrongen op afschaffing van de groeps (categorische) verzoeningsraden, deze werden in het rapport behouden, maar afgeschaft juist — en dit is een belangrijke verslechtering — de centrale raad, die bij elke maatschappij bestond. Hoogstens 8 van die groepsraden mogen er per maatschappij bestaan. Niét als onder de regeling van 1907 zi)n er thans nog groepen van personeel uitgeschakeld. Over meeningsverschillen inzake de indeeling van bepaalde groepen bij de groepsraden, beslist het ministerie van handel. Als voorheen moeten de vertegenwoordigers van het personeel in de verzoeningsraden worden gekozen uit actief dienende beambten van de betrokken groep. De beslissingen kunnen zich verder uitstrekken dan onder de regeling van 1907. Alle kwesties loon, diensttijden en arbeidsvoorwaarden rakend — behalve aangelegenheden verband houdend met aanstelling of discipline — kunnen voor de verzoeningsraden worden gebracht. Zoo tusschen partijen geen overeenstemming wordt gekregen beslist de door het ministerie voor eiken groepsraad aangewezen voorzitter als arbiter. Elke 6 maanden komen de raden bijeen. Tusschentijdsche vergaderingen kunnen door een der partijen worden uitgeschreven. Directies en personeel wijzen voor iederen groepsraad een secretaris aan, die gezamentlijk de agenda voor de periodieke bijeenkomsten vaststellen. De secretaris van het personeel behoeft niet in dienst der maatschappij te zijn en kan ook een ambtenaar van den vakbond zijn (De redactie van de „Railway Review" adviseert bij elke maatschappij eenzelfden secretaris voor alte groepsraden te kiezen).
Een andere verslechtering is dat verzoeken om voor behandeling in aanmerking te komen, de handteekeningen moeten bevatten van 25 pCt (vroeger 10 pCt.) der betrokken beambten en dat hetzelfde geldt voor bezwaren tegen verslechteringen. Een termijn van 28 dagen is vastgesteld voor bekendmaking van deze wenschen en bezwaren.
De totale negatie van de wenschen der spoormannen verwekt onder hen een storm van verontwaardiging. Scherpe afkeuringen over het rapport, over het optreden van Mr Henderson regent het. Aangedrongen wordt op verwerping en op het vaststellen van een nationaal program van eischen voor de verschillende groepen van personeel, in te dienen bij de maatschappijen en desnoods door staking te verwezenlijken. Het lijkt allerminst op de „industriëele vrede in het spoorbedrijf," die nu volgens Henderson verzekerd zou zijn. Trouwens ook de leiders staan niet anders dan afwijzend tegenover het rapport. De secretaris van den Algemeenen Bond, Williams, vindt't slechter naarmate hij er langer over denkt. Het parlementslid Thomas: „Het rapport is bitter teleurstellend. Het handhaaft de slechte onderdeden van het schema van 1907 en geeft met de eene hand, wat het met de andere neemt. Die bladen, welke ver klaren, dat er geen kwestie is van erkenning der organisatie oordeelen juist." Ook de secretaris van het Engelsche vakverbond Appleton veroordeelt de gevallen uitspraak, maar zegt er bij, niet anders te hebben verwacht. Henderson zelf zich uitlatende tegen een verslaggever van de „Morning Leader," verklaart dat er zijns inziens wel degelijk zijdehngsche erkenning verkregen is en eindigt met de opmerking:
1) Het moet een fout worden geacht, dat tusschen de gehoorde leiders uit het spoorwegpersoneel niet vooraf voldoende overleg was gepleegd.
9§4
^ „Of het schema den prijs waard is, door de nationale staking betaald, kan k niet zeggen."
Het doet aan een kwaad geweten denken.
De beroering onder het personeel slaat in. De burgerbladen komen van alle kanten verklaren, dat er van een nieuwen strijd geen sprake kan zijn. daar immers beide partijen zich volgens de bekendmaking van het ministerie van Handel verbonden hebben de beslissing der koninklijke commissie te aanvaarden. Wat zouden anders dergelijke commissies beteekenen ? Uit de kringen der vakvereeniging — o. a. in de „Railway Revieuw' van 27 October, door den redacteur Wardle — wordt beslist ontkend, dat een dergelijke verbintenis zou zijn aangegaan. De besturen besloten opnieuw bijeen te komen om te bespreken welke maatregelen genomen moesten worden ten opzichte van het rapport. Bij de Great Western wordt tot een loonsverhooging voor een gezamentlijk bedrag van 50,000 p.st. stijgende tot 78,000 p. st.) overgegaan bij de London and North Western, Midland en Great Central worden eveneens stappen voor een loonsverhooging gedaan. Daarmee hoopt men 't gevaar te bezweren. Straks zal het publiek door tariefverhooting de kosten betalen.
Op 2 November kwamen de gecombineerde besturen te Londen bijeen, waarvan het resultaat was, dat besloten is een referendum te houden over het uitgebrachte rapport, waarbij de verwerpers tevens moeten aangeven, of zij een algemeene staking begeeren. Voor 5 December moet dit referendum afgeloopen zijn. Uit een mededeeling aan de pers blijkt dat de regeering weigerachtig was gebleven om tot een nieuwe samenkomst van onderteekenaren van het vergelijk van 10. Augustus te geraken, om op die wijze een nieuwe beide partijen bevredigende overeenkomst vast te stellen. Daarmee is dus de staking binnen 24 uur, als door vele afdeelingen gevraagd, verworpen, hetwelk in vele plaatsen aanleiding geeft tot scherpe afkeuringen tegen de Hoofdbesturen.
Zoo heeft het groote elan, bij de staking op 18 en 19 Augustus den Engelschen spoormannen niet anders gebracht dan de noodzakelijkheid van een nieuwen strijd om erkenning der organisatie, welke in veel ongunstiger omstandigheden zal moeten worden uitgevochten, als het referendum in dien geest beslist. Sterker georganiseerd dan dokwerkers en zeelieden, komen zij veel minder gunstig uit den strijd. Het arbitragesysteem heeft hun deze groote teleurstelling gebracht. Zoo ae in dagen van strijd verkregen eenheid (categoriezin overwinnend) een blijvende vrucht van de actie is en de politieke actie der vakvereeniging weet te onderscheiden tusfchen klassepolitiek die weerbaar maakt, en burgerlijk democratisch gezinde zg. arbeiderspolitiek, die de macht der arbeidersklasse verlamt, dan zal de teleurstelling zeker duurzaam voordeel brengen.
C. De Regeering, de Arbeiderspartij en de Staking.
„Uit het politiewapen spreekt de waardeschatting van het volk in de oogen der heerschende klasse. Hier is het de gevreesde vijand, die als zoodanig bestreden en met sabels en Brownings aangegrepen wordt; daar is het het verachte kanaille, dat eenvoudig als een dolle hond wordt neergeknuppeld" schrijft Pannekoek in zijn artikel „Die Klassenkampfe in England" („Leipziger Volkszeitung" 2 September).
De democratische firma Asquith—Lloyd George - Churchill heeft de gelegenheid gehad haar waren aard te toonen. Dat kan moeilijk in dagen van verkfezingen worden verwacht. Dan zijn de stemmen der arbeiders den „vooruitstrevende" menige schoone belofte en radicaal klinkende fraze waard. Maar wanneer de klassenstrijd zich in zijn scherpe vormen gaat vertoonen, dan wordt — 'natuurlijk in het algemeen belang — een politiek van onderdrukking toegepast ten bate van de bezittende klasse. Het is daarom belangrijk genoeg de houding van de Engelsche regeermg tijdens de jongste konflicten te belichten, wijl kan worden verwacht, dat zij aan de ontwikkeling van het klassenbewustzijn der Engelsche arbeiders een machtigen stoot zal geven, terwijl het ook voor de arbeidersbeweging 111 de andere landen zijn nut kan hebben de praktijk van de demokratie, wanneer de klassenoorlog woedt, goed te leeren kennen.
Zoowel de heer Asquith als de heer Churchill hebben in dit opzicht een verleden. Het was onder een liberaal ministerie, waarin eerstgenoemde binnenlandsche zaken bestuurde, dat bij een conflict mijnwerkers werden doodgeschoten te Featherstone; en onder de tegenwoordige leiding van hetzelfde departemen
935
is Churchill verantwoordelijk te stellen voor het doodknuppelen van minstens een man bij de stakingsonlusten in Tonypandy. Bij deze slachtoffers moeten er thans twee van Liverpool en 7 van Llanelly, naast talrijke gewonden in de verschillende steden van Groot-Brittanje worden gevoegd.
De houding der regeering tijdens het zeelieden- en havenwerkersconflikt zij in het kort als volgt weergegeven: Vóór den strijd verklaarde zich de minister van Handel Buxton onbevoegd om gevolg te geven aan een verzoek van Wilson verzoeningsraden in te stellen in het zeeliedenbedrijf, omdat de Shipping Federation zulks niet wenschte. Nauwelijks brak de staking uit, of er waren direct overvloedige politietroepen om de arbeidswilligen bescherming te verleentm. Vanaf het oogenblik dat de sympathieslaking van de dokwerkers de positie der reeders zeer verongunstigde, waren plotseling de ambtenaren van het ministerie van Handel bereid om te beginnen te Huil bemiddelend op te treden, zonder dat zij — de machtsontvouwing der arbeiders was daarvoor nog niet groot genoeg geweest — van hun kant bij heeren werkgevers erkenning van de vakorganisatie als eisch stelden. Wanneer bladen als de „Westminster Gazette" het optreden van het Bureau van Arbeid op het Handelsministerie loven en o. a. de Londensche correspontent van het „Correspondenzblatt" der Duitsche vakvereenigingen 14 Augustus schrijft: „In alle stakingen van den laatsten tijd heeft het arbeidsbureau van het ministerie van Handel niet slechts een verdienstelijke, maar zelfs een voorbeeldige houding aangenomen", dan moet er daartegenover op worden gewezen, dat het ,,verzoenende" optreden van het ministerie pas kwam, zoodra de arbeiders kracht genoeg hadden getoond om den werkgevers tot rede te brengen. Naar Liverpool kwarn het regiment soldaten op last van Churchill zonder dat de burgemeester er om had verzocht. En behalve deze troepen werden oorlogschepen naar de haven gezonden om de positie der reeders te versterken. Tijdens de groote stakingsbeweging in Londen, de eerste week van Augustus, legde Churchill in het Lagerhuis de verklaring af, dat hij maatregelen zou nemen om een voldoende vervoer van levensmiddelen te verzekeren en commandeerde hij 10,000 man troepen uit Aldershot zich gereed te houden voor vertrek naar de Metropolis. Bovendien vaardigde hij een circulaire aan alle politiecommissarissen uit, waarin op de plicht der politie werd gewezen de orde te handhaven en de werkwilligen tegen iedere bemoeilijking te beschermen. „Iedere handeling die... den vorm van bemoeilijking aanneemt (is) te onderdrukken." Een aanmoediging voor de knuppelhelden, welke haar uitwerking niet heeft gemist.
Wanneer de spoorwegorganisaties bij het ministerie klaagden over de werking van de verzoeningsraden, deze schoone vinding van Excellentie Lloyd George, dan was het antwoord steeds, dat de regeering onbevoegd was er iets aan te veranderen. Maar nauwelijks was het ultimatumbesluit op 15 Augustus bekend, of het ministerie ging zich voor de zaak der spoormannen interesseeren. Zoo werd 16 Augustus een bijeenkomst van voorzitters van werkgeversbonden en liefst regeeringsgezinde leiders van groote vakvereenigingen gehouden onder leiding van den minister, om de situatie te bespreken, en is daar blijkbaar het plan uitgebroed van de instelling van een industriëelen verzoeningsraad, waarop wij nog terugkomen.
Wat de regeering inzake de spoorstaking misdeed, is zoo goed gezegd door de burgerlijke krant „Daily News", dat we haar aan 't woord laten :
„Op Donderdag (17 Augustus) sloeg de regeering, zoowel aan de maatschappijen als aan de arbeiders, een koninklijke commissie voor. De maatschappijen waren verrukt. De moeilijke vraag van erkenning der organisatie scheen haar uit den weg geruimd. Wanneer de arbeiders de koninklijke commissie afwijzen, dan zouden zij koppig schijnen. Daarenboven ging de regeering zoo ver, de maatschappijen nog voor het begin der onderhandelingen een schriftelijke volmacht te geven om de troepen naar believen te gebruiken. Het was dit merkwaardige dokument, waarschijnlijk zonder voor beeld, dat de maatschappijen aanleiding gaf een absolute waarborg voor een voldoenden, zij het dan ook beperkten dienst te geven. Het bewustzijn, dat de troepen met kogels en blanke bajonetten feitelijk ter beschikking van de maatschappijen zouden staan, waar de posters werkzaam waren, schiep onmiddellijk een nog nooit aanwezig zijnde situatie. Zij beteekende, dat de Briandpolitiek begonnen was, een politiek aan welke het wel is waar gelukte de Fransche spoorstaking te onderdrukken, maar die voor de Briand-regeering noodlottig is geworden.
986
Dat was Donderdag. De arbeidersvertegenwoordigers waren in Londen verlangend met de directeuren te onderhandelen..., maar de regeering sloeg een anderen weg in. De minister president sprak tot de besturen, deelde hun in met volledig bekend geworden uitdrukkingen mede, dat het eenige voorstel der regeering een koninklijke commissie was, en waarschuwde hen dat de afwijzing van dit voorstel de arbeiders duidelijk in het ongelijk zou' 'stellen. De rede veroorzaakte een zoo diepe teleurstelling en verrassing, dat de arbeiders vertegenwoordigers tot een zeer ongunstige conclussie betreffende de onpartijdigheid der regeering kwamen. De staking werd geproclameerd en toonde zich dadelijk beduidend ernstiger dan de regeering na de optimistische verzekeringen der Directies had verwacht. En 'toch bleven de maatschappijen ook in dat stadium nog bij hun weigering met de arbeiders te onderhandelen en de regeering stelde zich daar niet tegenover...
Op Donderdagavond verlangde de arbeiderspartij van de regeering een datum om een votum van vertrouwen in te dienen. In dit debat zou de geheele geschiedenis van de behandeling der hoofdbesturen publiek worden gemaakt. Het resultaat van het verlangen der arbeidetspartij was de verzoeningsgezinde rede van Lloyd George en — wat veel belangrijker was — het wederopenen der onderhandelingen. Misschien legde ook de ernstige houding van het Lagerhuis gewicht in de schaal bij de ministers. Het gebruik van troepen door de regeering had blijkbaar de grondslagen der parlementaire vrijheid aangetast...
Op Zaterdagmorgen bereikte de krisis haar toppunt... Het ministerie van binnenlandsche zaken publiceerde een manifest dat door de spoormannen met groote ergernis werd opgenomen Het kreeg onmiddellijk het antwoord van de arbeiders: zij weigerden te onderhandelen, wanneer zij de directeuren met van aangezicht tot aangezicht konden ontmoeten.
Zaterdagmorgen weiden der regeering de vreeselijke en onberekenbare gevolgen van de onderdrukkingspolitiek duidelijk. Ieder soldaat stond op post ot had bevel het te doen. Zoodra nog meer onlusten voorkwamen, moesten de reserves worden gemobiliseerd. De regeering begon te vermoeden dat wanneer ook de staking op Maandag of Dinsdag in bloed zou worden gesmoord, de arbeiders nog andere maatregelen konden toepassen.
De machinebouwers, 100,000 in getal, waren gereed zich bij de spoormannen aan te sluiten. De Zuidschotsche bergwerkers bereidden zich eveneens ernstig voor ... Nog meer, het geheele kolengebied van Zuid-Wales, waarvan de vloot afhangt, wachtte slechts op het parool
Uit een politiek oogpunt was het uit de houding der arbeiderspartij duidelijk dat de regeering in de herfstzitting zou vallen, wanneer de politiek van knuppels, bajonetten en kogels tot aan de nieuwe week zou worden voortgezet, en dat, let wel, slechts, omdat de regeering de directeuren niet dwong met de arbeiders te onderhandelen
Met een kort besluit werd de geheele positie van hen, die in naam van het ministerie handelden, opgegeven. Een bevel werd aan de maatschappijen gezonden, waarin haar werd gezegd, dat zij dadelijk en onvoorwaardelijk een directe conferentie hadden te accepteeren."
Voegt bij dit alles de samenstelling van de Koninklijke Commissie, nadat de staking was opgeheven, het met ingaan op het protest der hoofdbesturen tegen de benoeming van den advocaat der Midland, Beale; het opnieuw beschikbaar stellen van militairen tijdens de sympathie-spoorstaking in Ierland en het afwijken van het verzoek der hoofdbesturen begin November, om een hernieuwde conferentie met de directies naar aanleiding van het rapport der Koninklijke Commissie en men zal begrijpen, dat zelfs de Engelsche arbeiders met hun sterk vertrouwen m de burgerlijke democratie, in staat zijn lessen te trekken uit het gebeurde, die de arbeidersbeweging ook politiek totaal van karakter zullen doen veranderen.
In de Augustus-vergadenng van den Londenschen Trades Council werd een scherpe motie tegen de regeering aangenomen, die aan het Ministerie van .Binnenlandsche Zaken werd opgezonden. Toen dit departement zich schriftelijk poogde te verweren tef,en de beschuldiging, dat het de zaak der kapitalisten had gediend met het beschikbaar stellen van troepen, wees het Bestuur in zijn antwoord op een ontvangen circulaire, door de firma P. Keevil, Sons Ltd te Londen verspreid, waarin o.a. stond: „Wij hebben de voortdurende hulp gehad van meer dan 100 politie agenten bij het opslaan en afleveren van onze goe-
987
deren " Onder de leiding van de S. D. P. en het stakingscomitee der transportwerkersfederatie werd een groote vergadering op 26 Augustus te Londen gehouden, toegesproken door Lansbury, Tillett, Cone en Quelch, waarin eveneens een resolutie tegen de regeering en de toepassing van de krijgswet werd aangenomen.
Het vakvereenigingscongres, dat kort na de staking te New Castle bijeenkwam, nam daarna een — zij het zeer slappe — motie tegen het ministerie aan, Duidelijker dan dit congres sprak zich het spoorwegpersoneel uit. In zijn verschillende vergaderingen, na de staking gehouden, werd het optreden van het ministerie aan scherpe kritiek onderworpen.
De uitspraak van de jaarvergadering der spoormannen te Carlisle is nog veel duidelijker. Ingediend werd een motie van afkeuring, bij de discussie waarover kritiek op de r seering niet werd gespaard; verschillende afgevaardigden spraken hun afkeuring uit over de houding der liberalen en een enkele ook over het slap optreden der arbeiderspartij. De motie werd met algemeene stemmen aangenomen. Toen een telegram aankwam van Hudson uit Ierland, waar juist de staking plaats had vermeldende dat een passagierstrein door geniesoldaten werd bediend, gaf dit aanleiding tot een scherpe motie, met de algemeene staking in geheel Engeland dreigend, zoo de troepen niet werden teruggeroepen. Zij werd met luiden bijval uit het congres begroet. Er kwam nog een verscherping, waarin werd gevraagd binnen 24 uur tot de staking over te gaan, als de Regeering niet toegaf, doch dit werd door den voorzitter en bondssecretaris afgewezen, waarna de resolutie aangenomen werd met algemeene stemmen. Het spoorwegvereenigingcongres heeft het bewijs geleverd, dat onder de spoorarbeiders het vertrouwen in de liberale regeering verdwenen is.
De arbeiderspartij heeft den omkeer in de geesten der Engelsche transportwerkeis niet kunnen meemaken. Zij moge een stuk „werkelijke arbeidersorganisatie" wezen, het is haar niet gelukt in het parlement uiting te geven aan het sterke verzet, onder de Engelsche arbeiders opgeleefd, hun eenheid en solidariteit, hun optreden als klasse, die niet langer den klasseoorlog poogt te keeren door langjarige vredesverdragen met het patronaat. Slechts enkele van haar parlementsleden van de 42 man sterke fractie kwamen tijdens en na de spoorstaking tegen het zeer partijdige optreden der regeering op. Het was een te zware taak voor de heeren, die gewend waren als trouwe hulptroepen van het kabinet dienst te doen. Voor het uitbreken van de spoorstaking' werd heelemaal niets bemerkt van het bestaan der fractie. Deze onmacht moest wel koren dragen op de molen van de propagandisten van het syndicalisme. Dat een arbeiderspartij, die niet bewust sociaaldemocratisch en revolutionair optreedt, de belangen der arbeidersklasse eer na- dan voordeel brengt, is door de Engelsche Labour Party opnieuw bewezen. Op het spoorwegcongres te Carlisle werd terecht critiek geoefend op de aanwezigheid van slechts 16 der 42 Parlementsleden dier partij, toen de houding der regeering moest worden besproken. Behalve Keir Hardie, Lansburry en Barnes was er van geen krachtige oppositie uit de arbeiderpartij sprake- En met name de houding van den leider Ramsay Macdonald kan moeilijk anders dan ais dubbelzinnig worden gebrandmerkt.
„Het kapitaal en 't kapitalisme hebben geen waardevoller agent in het Lagerhuis op dit oogenblik dan de Voorzitter der Arbeiderspartij."
,Det is twijfelachtig of er een man is in onzen tijd, zelfs Mr. Lloyd George niet uitgezonderd, die meer gedaan heeft om de arbeidersklasse te bedriegen en te verraden dan Mr. Ramsay Macdonald."
Zoo oordeelt de redactie van „Justice" in het nummer van 28 October. En het moet worden gezegd, de houding van dezen arbeidersafgevaardigde tijdens de spoorstaking geeft reden hem te veroordeelen ondanks de resolutie in de vergadering van Hyde Park na de opheffing der staking door de spoormannen ten zijnen gunste aangenomen.
De politiek van de Arbeiderspartij moest wel groot wantrouwen onder de arbeiders verwekken. Naast haar slappe houding tijdens het conflict, het dubbelzinnig optreden van haar leider, komt de houding van den heer Henderson als lid der Koninklijke Commissie en een voorstel van 5 der parlementsleden om aan het stakingsrecht practisch een einde te maken.
Behalve het bankroet van de oude gildeachtige vakbeweging bracht de strijd van deze zomer het bankroet van haar onklare, halfslachtige politiek.
988
VIII.
Engeland na de staking.
A. Sociale dokters.
Het heeft tijdens en na de staking niet ontbroken aan raadgevingen om herhaling in de toekomst te voorkomen. Schrikkelijke verhalen van terrorisme en intimidatie deden door de kapitalistische pers de ronde. En vele Kamers van Koophandel drongen op wettelijke maatregelen aan. Volgens de „Daily Graphic" zouden de vakorganisaties bij voorkeur argumenteeren met een stuk ijzeren gaspijp of een aan een stuk touw bevestigde moer. Herziening van de in 1906 aangenomen wet op de arbeidsgeschillen (Disputes Act) wordt dringend noodig geacht. Het „vreedzaam posten", daarin toegelaten, moet worden verboden. Daarnaast eischte het Parlementslid Austin Chamberlain gewapende bescherming van onderkruipers. (Alsof dat al niet voldoende gebeurde.)
Dat speciaal voor het transportbedrijf op een definitief stakingsverbod wordt aangedrongen, zal geen verwondering wekken. Reeds in vele landen zijn de transportwerkers, en met name de spoorwegarbeiders, onder uitzonderingswetten gesteld. De ervaring echter, dat juist het sterk gereglementeerde spoorwegbedrijf zich uitstekend leent voor toepassing van lijdelijk verzet, waartegen geen stakingswetten helpen, en dat het gevolg van dergelijke uitzonderingswetten moet zijn het sterk verpolitieken der vakorganisaties in dat bedrijf en daardoor het onder hoogdruk toevoeren van nieuwe groepen van arbeiders aan de sociaaldemocratie, doet voor een al te gretig toepassen van dergelijke middelen terugschrikken.
Het gevaarlijkste voorstel, in deze richting gedaan, is afkomstig van ... de Arbeiderspartij! Het Parlementslid Crooks is er de ontwerper van. Zijn collega's Henderson, Barnes, Edwards behooren tot de medeonderteekenaren. Het toepassen van staking en uitsluiting wordt daarin strafbaar verklaard, wanneer niet eerst het eerezen geschil voor een verzoeningsraad wordt gebracht, door het Ministerie van Handel te benoemen. Lukt het dien verzoeningsraad niet het geschil bij te leggen, dan mag tot staking of uitsluiting worden overgegaan en hebben de werkgevers den tijd gehad de noodige maatregelen van afweer te treffen. Werkgevers, die uitsluiten, beloopen een boete van 20 tot 200 pd. st.; arbeiders, die staken, een van 2 tot 10 pd. st, wanneer niet aan de bepalingen van dit ontwerp is voldaan. Om het nog schooner te maken, wordt met een boete van 10 tot 200 pd. st. bedreigd de vakvereenigingsbestuurder, die aanmoedigt tot een dergelijke onwettige staking.
Dat was zelfs het Trade-Union-Congres te bar, waar uit den aard der zaak nog veelal vakvereenigingsmannen van den ouden stijl bijeen waren. Het ontwerp werd afgekeurd.
De Regeering zoekt vooralsnog haar heil in arbitrage. Het resultaat van de besprekingen met leiders van patroons- en vakbonden is geweest de instelling van een raad, gelijkelijk saamgesteld uit vertegenwoordigers van patroons en arbeiders, met de bevoegdheid onderzoek in te stellen naar de voor dit lichaam gebrachte industriëele geschillen en een bevredigende oplossing tot stand te brengen, hetzij vóór of na het uit-
989
breken van den strijd. Het lichaam krijgt geen bindende bevoegdheid. In dit opzicht geldt zeer zeker, dat wat nog niet is komen kan. 13 leden van beide partijen werden aangewezen, waarbij het arbeiderselement uit voorzitters en secretarissen van vakbonden is gekozen, tot de gematigde elementen behoorende.
Zoo de arbeiders-afgevaardigden Clynes, Henderson en Wilkes, en de vakvereenigingsmannen Burt en Ashton, van de mijnwerkers, Gosling, van de transportwerkers, Williams, van de spoorweg-organisatie (welke laatste om zijn zitting nemen in den Raad in de afdeeling Swansea van zijn organisatie een scherpe afkeuring ontving). De secretaris van het Engelsche Vakverbond Appleton en de voorzitter van het parlementaire comité W. Thorne wezen de benoeming af. Eerstgenoemde lichtte zijn afwijzing toe met de mededeeling, dat hij de vrijheid van actie der vakvereenigingen gehandhaafd wilde zien. Will Thorne liet zich in denzelfden geest uit en voegde er aan toe, dat het merkwaardig was dat men nu juist met zulke voorstellen kwam, waar de macht der vakbonden den patroons was getoond.
Tot slot nog de maatregel van afweer, die in de kringen der Shipping Federation al tijdens de staking besproken werd: het uit de vaart lichten van schepen. Daarmee zou het dubbele doel worden bereikt van verhooging der vrachten en sterker staan tegen de eischen der arbeiders, door overbodig maken van werkkrachten. Een vaste schaal van uitkeeringen voor vaartuigen minstens 30 dagen aan de vaart onttrokken werd bepaald. Ditzelfde was tijdens de crisis-periode 1907—1908 een voorstel van Engeland van internationalen aard, doch stuitte toen op groote bezwaren. „De Hansa", het Duitsche reedersorgaan, wacht met belangstelling af in hoever dit een goed wapen zou zijn, dat door de Internationale Shipping Federation tegen de Internationale Transportarbeiders-organisatie zou kunnen worden benut.
Zonder een veel verder doorgevoerde bedrijfs-concentratie en opheffing van onderlinge concurrentie zal echter dit afweermiddel practisch weinig beteekenis hebben. In het Augustus-nummer van hetzelfde orgaan (blz. 583) wordt gewezen op het toepassen van uitsluiting in het reedersbedrijf. Tot dusver kwam het zoo ver niet, aldus de schrijver van het artikel: „Wenn die Reedereien streiken?" Doch indien alleen de Engelsche werkgevers in dit bedrijf tot de toepassing overgingen, het zou de totale „starvation" (uithongering) van de Engelsche bevolking beteekenen.
„Wanneer men den inhoud van een open brief, die dezer dagen in
de Engelsche pers de rondte deed, als stemmingsbeeld van de Engelsche
reederijen mag beschouwen, dan zal men niet langer in het onzekere
erover zijn, dat van de gedachte tot de volbrengende daad nog slechts
een kleine schrede voert.''
Offers aan 't algemeen belang willen de heeren brengen, maar dan ook van regeeringswege voldoende maatregelen ter bescherming van de vrijheid van arbeid. Blijft de bestaande toestand gehandhaafd, „dan wijzen alle tegenwoordige teekenen onmiskenbaar die richtinguit. Aan dit „mene tekel" van een Engelschen reeder zal men niet voorbijgaan zonder er acht op te geven."
Toen dit geschreven werd was de reedersfederatie in Engeland reeds tot toegeven gedwongen. Zij zal zeker niet berusten in wat geworden is. Door nationale en internationale versterking van hun werkgevers-
990
organisatie zullen de patroons zeker pogen, een komende periode van ongunstige conjunctuur ten hunnen bate uit te buiten. Zal eenerzijds tegen dergelijke Scharfmacher-maatregelen zich de politieke actie der arbeidersklasse in elk land afzonderlijk moeten richten (nationaliseering der middelen van transport), anderzijds is meer dan ooit waarde te hechten aan versterking der internationale betrekkingen tusschen de vakbonden van bepaalde bedrijven, en gelijktijdige actie der organisaties in de verschillende landen. De nauwe samenhang van politieken en economischen strijd moet ook hierdoor den arbeiders klaar worden.
B. De vakbeweging na den strijd.
Het woord van partijgenoote R. Luxemburg, dat de organisatie niet slechts de troepen levert voor den strijd, maar omgekeerd de strijd in nog grootere mate de recruteertroepen voor de organisatie, het is tijdens en na de Engelsche stakingen opnieuw bewaarheid. De ongeorganiseerde massa sloot zich bij duizenden aan. Een van de mooiste vruchten der beweging. Het „Wochenbericht" No. 55 der Internationale Federatie geeft een stijging op voor: den Algemeenen Spoorbond van 75,000 tot 120,000 leden; voor de zeeliedenorganisatie van 10 op 40 duizend; voor de voerlieden in Londen van 6 op 22 duizend; voor de schuitenvoerders van 3500 op 6000; voor de dokkers van 18 op 40 duizend; voor de sjouwers in Londen van 4 op 7 duizend. De havenwerkersorganisatie in Liverpool groeide met 20,000 leden. En voor vele andere vakbonden geldt precies hetzelfde. Latere berichten meldden een aanwas voor den dokkersbond (Ben Tillett) 60,000 betalende leden. Ander verblijdend verschijnsel daarnaast: de sterke onderlinge samenwerking die ten deele tot federatie (transportarbeiders), anderdeels tot samensmelting leidt. Ook buiten het transportbedrijf is het tempo van den ontwikkelingsgang in die richting versterkt. De versnippering van krachten, die de propaganda ernstig belemmert en den ongeorganiseerden argumenten geeft voor hun houding wordt daarmee weggenomen. Een der kenmerkende verschillen tusschen Duitsche en Engelsche vakorganisatie vervalt daarmee. (Aan de sterke sociaaldemocratische propaganda onder de Duitsche arbeiders is voor geen gering deel toe te schrijven, dat men bij onze Oostelijke naburen deze klippen vermeed).
Als men bedenkt, dat vele der hierbovengenoemde bonden administratief zeer onvoldoende waren ingericht, dat de vakpers behoudens een enkele uitzondering alles te wenschen overliet (bij de beste der genoemde organisaties, den Algemeenen Spoorbond, staat het vakblad los van den bond en werd het slechts door 45,000 van de 75,000 leden gelezen), dan beselt men voor welke groote moeilijkheden van technisch-organisatorischen aard de besturen met dien snellen aanwas van leden komen te staan. Uitbreiding van geschikte leidende krachten, afdoende verzorging van de vakpers, zijn nu dringend noodig. De ongeorganiseerde massa die in den strijd tot organisatie kwam, moet worden geschoold, moet het juiste inzicht in den strijd krijgen.
Van niet minder belang is het na te gaan welke stroomingen zich in de verjongde beweging afteekenen. De traditie van het oude is er sterk. Zij beheerschte nog het te New Castle gehouden vakvereenigingscongres. De besprekingen gaven absoluut niet wat mocht worden
99i
verwacht. Noch de voorzitter in zijn openingsspeech, noch het rapport van het parlementaire comitee maakten ook maar met een enkel woord melding van de groote stakingsbeweging. Een motie der spoorwegmachinisten om de gedelegeerden der regeering te weren, viel met 262 tegen 70 stemmen. De gewone plechtigheden — de optocht, de begroeting door den burgemeester, de preek — ontbraken niet. Het protest tegen het gebruik van troepen bij stakingen, voorgesteld door de Zuid-Schotsche mijnwerkers, ■ werd aanvaard, doch de daarover gevoerde discussies waren uiterst slap.
Toch ontbrak er niet heelemaal het nieuwe geluid: het schoone anti-stakings voorstel van het parlementslid Crooks vond algemeene afkeuring. Een resolutie aandringende op samensmelting der bestaande organisaties in eenzelfde beroep, werd geaccepteerd. Bij acclamatie werd nog aangenomen een voorstel van J. CTGraby, luidende:
„dat geen poging zou worden nagelaten, door de georganiseerde krachten van den arbeid, om te ondersteunen en gaande te houden de ontevredenheid der onvoldoend betaalde werkers en hen te helpen bij hun besluit om alle middelen te gebruiken ten einde salarissen te verkrijgen hun veroorlovende te bestaan."
Het was bij de bespreking hierover, dat de verschillende gedelegeerden veroordeelden de groepsgewijze stakingen die de ongeschoolde werkers veelal alleen laten staan ... als slachtoffers van den slag.
Naast de traditie van het oude is opmerkelijk een syndicalistische strooming, waarvan Tom Mann als leider optreedt. ,,De ontwikkeling schijnt niet in de richting der Duitsche sociaaldemocratie te gaan, maar naar het Fransche syndicalisme," zoo oordeelt een Engelsche briefschrijver van de „Frankfurter Zeitung". Zeker zal de stakingsbeweging — die geweldige reactie op het werken der conservatieve harmonie apostelen uit de Engelsche vakbeweging — die juist daar de beste resultaten afwierp, waar de strijd louter met economische middelen werd gevoerd (de geringste successen voor de spoormannen, waar dat niet het geval was), bovendien gekenmerkt door het toepassen der solidariteitsstaking, deze strooming versterken. Er is een andere gunstige omstandigheid die de syndicalistische propaganda ten goede komt, n.l. de ultrareformatische politiek van bijna alle arbeidersafgevaardigden. In verband hiermede willen wij wijzen op de uitgave van het syndicalistische maandblad „The Transport Worker", door Tom Mann, en van het syndicalistische spoorwegorgaan „The Railway Syndicalist", van Charles Watkins. Het „syndicalisme" van Tom Mann belet hem echter niet in zijn October-nummer stelling te nemen in zake de komende raadsverkiezingen en zijn lezers te adviseeren met de aftredende reactionairen uit het Liverpoolsche stadsbestuur af te rekenen. 1) Het lijkt ons een eenigszins zonderling syndicalisme te wezen, ook waar Mann in zijn inleidend artikel voor het nieuwe spoorwegblad schrijft: „De nieuwe krant, zooals ik het versta, zal niet een scheidende maar een bindende kracht wezen. Zij bedoelt geen onnoodzakelijke tegenstellingen te
1) Hij stelt daarbij een serie van eischen, waaraan een goed stadsbestuurder moet voldoen. Zoo sterk sprak de eenheid van economische en politieke macht der patroons, dat de „syndicalist" Tom Man tot het voeren van parlementaire politieke actie zijn toevlucht moest nemen.
992
scheppen." Overschatting van de economische actie is natuurlijk bij deze strooming aanwezig, doch blijkbaar schakelt zij den parlementair politieken strijd niet uit. Daarom is het geen Fransch syndicalisme, al voelen haar woordvoerders zich daaraan verwant. Wij meenen, dat de Engelsche vakbeweging moeilijk meer tot een Fransch syndicalisme afdalen kan. Daarvoor is het land te sterk industrieel ontwikkeld, het besef der noodzakelijkheid van vaste, gecentraliseerde massale organisatie te diep geworteld. De algemeene stakingen in het transport bedrijf, het spoorwegverkeer, de nu dreigende algemeene mijnwerkerstaking, zij hebben met de algemeene staking, die de syndicalist als het heilmiddel propageert in tegenstelling tot de parlementaire politiek slechts den naam gemeen. Van deze geweldige economische conflicten, welke in het teeken der lotsverbetering, niet in dat der „Sociale Revolutie" staan, geldt de uitspraak -van Parvus (de Vakbeweging, Holl. vertaling, blz. 13): „Van een strijd tusschen een hoopje arbeiders en enkele ondernemers, die door niemand ter wereld bemerkt, verloopen kon, wordt de staking tot een sociale gebeurtenis, die de productie en de maatschappelijke samenleving in haar grondslagen doet schudden."
Maar ook, door de inmenging van de Staatsmacht (blz. 19): „Stakingen worden politieke handelingen", die de dringende noodzakelijkheid openbaren van politieke actie, door de vakvereenigingen te voeren naast haar economische, in samenwerking met de sociaaldemocratie.
In de algemeene vergaderingen van twee belangrijke organisaties, zagen wij de nieuwe inzichten in de vakbeweging duidelijk naar voren komen. In de mijnwerkersfederatie was nog op de jaarlijksche conferentie van 13 Juni j.1. de gedachte van een landelijke staking verworpen en werd tegelijkertijd de tegen het advies der leiding begonnen en voortgezette strijd in Zuid Wales veroordeeld. Thans zijn de opstandelingen tegen de verouderde begrippen, welke in de federatie overheerschte, in het Hoofdbestuur gekozen en werd in principe voor een landelijken strijd beslist, indien de eigenaren niet tot concessies bereid waren. Op het congres der spoorwegmannen in Carlisle, viel allereerst het scherpe verzet tegen de regeering op te merken en daarnaast de verbinding van politieke en economische actie in de aangenomen resolutie voor een bij de wet vastgestelde 8-uren dag en naasting der spoorwegen van wege den Staat, welke laatste eisch na de staking in Engeland sterk naar voren is gekomen.
De geest, die de vakbonden verjongen moet, is die van de sociaaldemocratie, de organisatie van het proletariaat als klasse, langs politieken en economischen weg nastrevend de opheffing van alle uitbuiting. Een mooie tijd voor sociaaldemocratische propaganda is thans in Engeland aangebroken. Vele duizenden zijn dezen zomer tot nieuwmenschzijn gewekt. Zij hebben de geweldige kracht aanschouwd, die in hun eenheid en hun gedisciplineerd optreden was besloten. Klassenbewustzijn is in hen opgeleefd, doch niet is in hen de „kennis van knechtschapsgrond", die den weg ter ontkoming wijst. „Hoop en moed zijn gekomen", anders zien zij de wereld aan. Dorst is er nu naar weten. En die dorst moet door de sociaaldemocratische propaganda worden gelescht. De sociaaldemocratie is meer dan een verkiezingspartij, welke naar de macht dingt als ieder andere. Zij heeft grooter werk te verrichten dan op het parlementair politieke toernooiveld, nu eens in samenwerking
993
met deze, dan weer met die groep uit het vijandige kamp der bezittende klasse, hervormingen te verkrijgen.
Zij organiseert het proletariaat om voor de menschheid te verwezenlijken die hooge idealen, die door de eeuwen van loonslavernij heen slechts mooie utopiën geleken. Alleen het sociaaldemocratische weten maakt vaste betrouwbare strijders, in staat te onderkennen vriend en vijand, manmoedig nederlagen dragend en met doorzicht overwinningen dienstbaar makend aan het klassebelang van het proletariaat.
Een gunstige omstandigheid maakt den Engelschen sociaaldemocraten het werk gemakkelijker. De mannen der S. D. P. hebben in de maanden die achter ons liggen niet alleen de groote voldoening kunnen smaken (tijdens de staking, waarin zij met alle kracht de zaak der stakers dienden), dat hun jaren van werken welbesteed zijn geweest, zij hebben daarnaaast met succes gearbeid in de richting van socialistische eenheid en uit vele versplinterde groepen een landelijke partij gevormd, de British Socialist Party, welke nu direct het braakliggend terrein bewerken kan. Het sociaaldemocratisch dagblad, dat nu binnen kort uit zal komen, kan daarbij uitnemende diensten bewijzen. Die groote vakbonden moeten van socialistischen geest doortrokken worden. Formeel maakten zij thans al (door de Labour Partij) deel van de Internationale uit, doch een wereldbeschouwing scheidde de Trade Unionleden van de sociaaldemocratie. Die vakbonden zelf worden daardoor tot nieuwe machtsontvouwing in staat gesteld. En de Internationale wint aan wezenlijke kracht. Aan haar spits zal in de toekomst naast het Duitsche proletariaat het Engelsche marcheeren.
De concurrentie van het Duitsche kapitalisme verdrong Engeland uit zijn gunstige uitzonderingspositie. De felle concurrentiestrijd van het kapitaal in beide landen brengt thans de nieuwe samenwerking op sociaaldemocratischen grondslag van het proletariaat voort, welke voor de vernietiging van de heerschappij van het kapitalisme zulke groote dingen belooft.
IX
Slot.
In de Duitsche richting leidt de ontwikkelingsgang der Engelsche vakbeweging. Waar de groote organisaties voorhanden zijn, streeft zij spoedig de Duitsche beweging ter zijde. Tegelijkertijd brengt zij echter in de moderne vakbeweging, zooals onze Oostelijke naburen die verstaan, sterk naar voren het element, dat zij aan de syndicalistische methode ontleende: solidariteitsstaking (al dan niet met het stellen van eigen eischen gepaard). In dat teeken bevocht zij haar groote overwinningen. In dat teeken hernieuwde zij zich. Maar solidariteitsstaking, die niet, als vaak bij de Fransche beweging, uiting is van zwakte, van achterlijkheid, doch die het bewijs is van hooge opofferingsgezindheid, vergevorderd inzicht en groote kracht. Geen andere middelen dan dit neemt zij van het syndicalisme over en brengt zij over op den Duitschen vakbewegingsstrijd. Natuurlijk niet een middel, hetwelk bij alle mogelijke gelegenheden zijn toepassing vindt. Doch zeker geen middel, waarvoor de leiders der vakbeweging afkeer bij hun leden hebben aan te kweeken, daar in toenemende mate de maatschappelijke ontwikkeling zijn toepassing
994
zal vragen, zoowel landelijk tusschen arbeiders van verschillende bedrijven, als internationaal in een bepaald beroep.
Geen frases over revolutie-romantiek zullen dat kunnen voorkomen. Het kapitalisme nivelleert de verschillen in de vakbewegingsmethode. Het zal de Fransche organisatie nopen tot centralisatie, vorming van kassen, toepassen van parlementaire klassepolitiek. Het zal in den Duitschen vakvereenigingsstrijd het element brengen, dat terecht in een zwakke beweging verderfelijk moet worden geacht en voor het eene bedrijf grooter nut zal afwerpen dan voor het andere.
De tegenstelling, die partijgenoote H. Roland Holst in haar boek over algemeene werkstaking maakt tusschen beide vormen van solidariteitsstrijd (blz. 12 en volgende, Duitsche uitgave), wordt overwonnen. Zoowel de internationale beroepsstaking als lokale veralgemeende staking hebben voor hun welslagen, naast sterk sprekend klassegevoel, als voorwaarden: sterke organisatie, hoog-ontwikkelde discipline en groote scholing. Ook de sterke organisaties zullen tegenover het patronaat " vaker een beroep moeten doen op de solidariteit der makkers in andere \ bedrijven, van die in hetzelfde beroep in een ander land.
Zoowel de lokale en landelijke algemeene stakingen, als de internationale beroepsstrijd maken het noodzakelijk, dat het verband tusschen vakbeweging en sociaal-democratie wordt vernauwd. De groote conflicten, die zij te voorschijn roepen, zullen tegelijkertijd een politiek karakter hebben. Niet alleen het economisch, maar ook politiek georganiseerd patronaat zal de vakbeweging als tegenstander op het : oorlogsterrein vinden. En zooals de vakorganisatie in een tijd van geleidelijke ontwikkeling, mogelijk door voortdurend uitzettingsvermogen van het kapitalisme, in de sociaal-democratische politiek een sterk element van vervlakking en van opportunisme brengt, zoo zal zij in een situatie als de tegenwoordige, de politiek der sociaal-democratie tot een scherp-afgebakende klassepolitiek maken, zich richtend tegen de geheele bourgeoisie, niet lettend voornamelijk op het resultaat van morgen, maar bovenal in het oog houdende de revolutioneering der geesten van de arbeiders, opdat dezen opgewassen zijn tegen de zware inspanning, die van hen wordt gevraagd.
Voor geen verwarrende opvattingen over een eigen vakbewegingstheorie, een eigen vakbewegings klassenstrijd, die moet gestreden met bijzondere, van de sociaal-democratie afwijkende of deze ontmannende middelen, is er plaats. Socialistisch inzicht, socialistisch idealisme is sterker noodig dan ooit.
In den strijd voor de algeheele bevrijding der arbeidersklasse, voor de dictatuur van het proletariaat, die de socialiseering der productiemiddelen verwezenlijken moet, wordt de vakbeweging, haar massale organisatie, haar speciale wapens, een beslissende factor. Tendenzen kunnen in haar leven van berusting in en aanpassing bij het huidige voortbrengingsstelsel. Het vakvereenigingsprogram richt zich niet op de omwenteling van zijn grondslagen. Maar de werkelijkheid van den al scherper wordenden strijd brengt die tendenzen tot zwijgen. „Zij maakt haar onvermijdelijk tot een orgaan der sociale revolutie." *)
*) Pannekoek: „Taktische Differenzen", blz. 92.
Internationale Verhoudingen.
DE TURKSCH-ITALIAANSCHE OORLOG EN ZIJN GEVOLGEN DOOR
W. VAN RAVESTEYN Jr.
Het is, terwijl wij dit schrijven, juist een maand geleden, dat men uit Tripoli aan de „Vossische Zeiting", te Berlijn seinde :
Hier heeft men den indruk, dat de krijgsverrichtingen der Italianen spoedig geëindigd zullen zijn. De Turken, die eenige kilometers van de stad verwijderd staan, tellen met inbegrip van de ongeregelde troepen ten hoogste 10,000 man. Indien er nog tegenstand zal worden geboden, dan zal er waarschijnlijk eerst in het gebergte mede worden begonnen. Het leven in de stad Tripoli neemt langzamerhand weer een normaal karakter aan. . . . De Italianen hebben tot nog toe in 't geheel 18,000 man aan land gezet en bezetten reeds de geheele Tripoli-oase.
Denzelfden dag, den I7en October, seinde men uit Tripoli aan het „Berliner Tageblatt", dat wegens de voortdurende aanvallen der Turken, „die ten hoogste 10,000 man tellen", op de Italiaansche voorposten, spoedig een oprukken van de Italianen verwacht mocht worden en dat men vermoedde, dat de Turken zich spoedig naar het gebergte zouden terugtrekken. En terzelfdertijd bevatte de „Neue Freie Presse" te Weenen het bericht, dat „de Italiaansche vloot waarschijnlijk dezer dagen naar de Aegeïsche Zee zal vertrekken."
Wij zijn nu een maand verder; de oorlog heeft ongeveer 6 weken geduurd en het ziet er voor de Italiaansche regeering, die dit avontuur op touw heeft gezet, eenigszins anders uit, dan zij blijkbaar einde September verwachtte. De militaire tegenslag, den 2Óen October begonnen, heeft op het hoofdterrein, of althans het meest in 't oog vallende terrein van den strijd, een achterwaartsche, inplaats van een voorwaartsche beweging tengevolge gehad. De „goede verstandhouding" met de bevolking is gruwzaam verstoord door den •„opstand" van denzelfden datum, welke tot een barbaarsche slachting van „schuldigen" en onschuldigen geleid heeft, levendig aan de beestachtigheden der
996
Versaillanen in Parijs of van de internationale troepen der mogendheden te Peking in 1900 herinnerend. De hoop op een samenwerking met de „Arabieren", d. w. z. met de authochthone bevolking tegen de Turksche „overheerschers", die èn de Italiaansche regeerders èn de Italiaansche pers blijkbaar voedden, is dientengevolge voor goed vervlogen. De oorlog, die in den beginne het karakter van een voor de Italiaansche troepen aangename demonstratie scheen te hebben, is bloedige, vreeselijke ernst gebleken, al kennen wij over de verliezen aan beide zijden geleden nog geen betrouwbare berichten. Van de overige zeeplaatsen door de Italiaansche troepen bezet is het nieuws zoo schaarsch, dat vermoedens gewekt moeten worden als zou het daar eerder nog slechter dan beter met de Italianen gesteld zijn. De cholera, het gebrek aan levensmiddelen, het nu ingevallen herfstweer met zijn voor een „woestijn" — zooals de Europeesche man van de straat dit gebied nog altijd schijnt te beschouwen — ontzettende regenvlagen, maken het leven in de eng omsloten hoofdplaats tot een hel voor de troepen, die slechts door de kanonnen der vloot beschut zijn voor een onherstelbare katastrofe. En daarbij ziet iedereen in, dat, indien de ring door de Turksche troepen nu nog om Tripoli gesloten, verbroken mocht worden en deze laatste zich dieper in 't land terugtrokken — waarop berichten uit Constantinopel reeds schijnen te duiden — de moeielijkheden voor een verovering van 't land zelf eerst recht zouden beginnen. 1)
Slechts een snel oprukken van de Italianen onmiddellijk na de landing met een verpletterende overmacht zou hen misschien in staat hebben gesteld, in het binnenland strategische punten te bezetten, waardoor het Turksche verzet, in den aanvang blijkbaar nog niet behoorlijk georganiseerd, zoo goed als onmogelijk zou zijn geworden, aangezien het dan niet had kunnen steunen op het gebied, dat in staat is om den verdediger de krachten voor de verdediging te leveren. Nu echter ontbreken voor dat oprukken meer dan ooit de voorwaarden. De lastdieren, die alleen van waarde zijn voor het doortrekken van de duinenzone, die de oase van Tripoli onmiddellijk begrenst en afsluit van het trappenland, kameelen dus, zijn in het land zelf niet meer te krijgen en 't zal de grootste moeielijkheden kosten die dieren in genoegzamen getale van elders te laten komen. Tot nog toe ontbreekt in Tripoli zelf en in de naaste omgeving der stad alles, wat op een spoorweg lijkt. Geen wonder, dat de Italianen dezer dagen blijkbaar begonnen zijn een smalspoor tenminste te gaan aanleggen voor verbinding van hun voorposten onderling en met de stad. Maar een spoorweg naar het binnenland aan te leggen, terwijl men niet beschikt over genoegzame cavalerie,
1) Uitvoerig toont dit o. a. de grondige kenner van het gebied E. Banse aan in de jongste (Nov.)-aflevering van „Peterm. Mitth."
997
buiten het bereik van het scheepsgeschut en vooral tegenover een vijand, die niet als de Algerijnsche stammen vroeger of de Maroccanen nu, de Europeesche.militaire school niet heeft doorloopen, doch tegenover een vijand, die althans ten deele uit geregelde, onder Europeeschgeschoolde officieren staande, troepen is samengesteld, zou zeker een strategisch kunststuk zijn, waartoe zelfs de Italianen allicht niet bij machte zullen blijken. Temeer niet, daar de Turksche officieren nu 't in den oorlog onschatbare voordeel hebben, dat zij 't moreel hunner troepen, en vooral van de inboorlingen, door alles wat er gebeurd is, zeker evenveel hebben zien stijgen en in hun voordeel veranderen als de teleurstellingen en de nederlagen door de Italianen tot nog toe ondervonden, gepaard met 't demoraliseerende van een afschuwelijke slachting als zij aangericht hebben, dezen zoo gewichtigen factor bij de invallers hebben verzwakt. Bedenkt men daarbij nog, dat in Italië zelf een ontnuchtering, ook onder de bourgeoisie, clie zich in haar geheel heeft laten meesleepen, niet kan uitblijven, dat reeds nu de economische gevolgen van den oorlog zich vooral in Noord-Italië sterk doen gevoelen, dat ten slotte het optreden der vloot in de Aegeïsche Zee nu weliswaar misschien zal plaats hebben, maar tot allerlei complicaties leiden kan, dan kan men niet anders zeggen dan dat het Tripolitaansche avontuur van de Banco-di-Roma-politiekers voor 't Italiaansche volk reeds nu een ramp is gebleken, i) erger en verschrikkelijker, dan iemand zich had kunnen denken, van grooter gevolgen dan zelfs een aantal kortzichtige socialisten op 't congres der Italiaansche Partij te Modena ook maar bleken te vermoeden.
Belangrijker evenwel dan die gevolgen voor 't Italiaansche volk, gevolgen die wel eens konden gaan gelijken op die van 't Abessynische avontuur in 1895 — 96, is de uitwerking, welke de Italiaansch-Turksche botsing reeds gehad heeft en blijkbaar nog hebben zal op de internationale verhoudingen in wijderen zin.
Het staat nu wel al zoo goed als vast, dat de diplomatie der groote mogendheden er voorloopig nog weer eens in geslaagd is, den brand op den Balkan te voorkomen. De Bulgaren hebben van een gebruikmaken van de Turksche moeielijkheden blijkbaar afgezien, nadat Turkije daarvoor een behoorlijken prijs had betaald 2); de mobilisatie
1) Zeer kenmerkend is in dat opzicht, wat de „Frankfurter Z." van 5 Nov. '11 (ie Morgenbl.) vermeldt, namelijk ten eerste de groote bezorgdheid in de kringen der Italiaansche regeering; ten tweede, dat de regeering reeds tot 't inzicht is gekomen, hoezeer zij door de Banco-diRomadeiders misleid is en hoe zij derhalve de betrekkingen met dit instituut belangrijk heeft gewijigd.
2) „Kölnische Z." X°. 1190: Der Preis der bulgarischen Zuriickhaltung, waarin aangetoond word', dat Bulgarije van een vijandelijk optreden tegen Turkije en een gebruikmaken van de toenmalige moeilijkheden der Porte — het was in den aanvang van den oorlog — is teruggekomen na een bezoek van den nieuw-bakken Czaar aller Bulgaren, die drie voor-
62
998
van Turkije zal allicht 't een en ander tot die terughouding hebben bijgedragen. In den aanvang van den oorlog liepen er voortdurend geruchten als zou het binnenrukken der Turksche troepen in Griekenland — Thessalië — onmiddellijk voor de deur staan en de jongste Grieksche nederlaag herhaald worden. Sinds het betrekkelijk succes der Ottomaansche wapenen in Tripolitanië zijn die geruchten minder geworden en daarvoor andere opgedoken, die een regeling van de Cretenzer kwestie als aanstaande vermelden. Een regeling dan natuurlijk, clie èn voor Griekenland maar vooral ook voor het Turksche regiment bevredigend zou zijn en die de suzereiniteit des Sultans over het eiland definitief zou regelen. Zeker is het, dat, zoolang de militaire kracht der Turken aan de Grieksche grenzen zoo overwegend is als nu, een regeling van de Cretenzer kwestie in voor Griekenland gunstigen zin — d. w. z. de door de Cretenzers geëischte opneming van het eiland in het koninkrijk der Hellenen — ondenkbaar is. De diplomatie der groote mogendheden, maar voor alles die van dfen lieven bondgenoot van Italië, de Donaumonarchie, heeft de blijkbaar wel een oogenblik gekoesterde voornemensvan Italië om op de Albaansche kust een militairen druk uit te oefenen in de kiem gesmoord. Inderdaad: de ontevredenheid in de Donau-monarchie over Italië's plannen in clie streken is toch reeds zoo groot, dat het voor de beide regeeringen gewenscht was in dit opzicht den boog niet te strak te spannen. De Albaneesche stammen zijn na de concessies hun in den zomer door de Turksche regeering gedaan, tot nog toe blijkbaar rustig gebleven i). De schapendieven der Zwarte bergen met hun insgelijks nieuwbakken koning, den schoonpapa van den edelen vorst uit het huis der Savoyers, zouden waarschijnlijk gaarne van de gelegenheid gebruik willen maken, maar kunnen ondanks de Italiaansche duiten alleen niets anders doen dan van tijd tot tijd een Turkschen soldaat of gendarme te sluipmoorden. Eindelijk mogen wij niet vergeten, dat sinds de teruggave van Oud-Servië — in de kranten vaak Novipazar genoemd — door de Habsburgsche monarchie na de annexatie van Bosnië en Herzegowina, de positie van de Turken ongetwijfeld versterkt is in clie streken, omdat zij nu in de landen tusschen Servië en de noordpunt van Albanië weer meester zijn. De politiek der Porte in dat stamland van de Servische natie is gericht eenerzijds op een versterking van het Islamitische element, waartoe vooral de Albaansche immigratie bijdraagt,
deelen voor zijn rijk en dynastie heeft «eten te behalen": i°. de regeling van de verhouding van den Exarch, het hoofd der Bulgaarsche orthodoxe kerk: 2°. de verbinding der Bulgaarsche met de Turksche spoorwegen van Kiistendil naar Kumauowo met de lijn Sibestsche-Usküb, welke verbinding vooral tegen de Servische nationaliteits-expansie gericht is: 30. afsluiting van een handelsverdrag.
.1) Wat niet wegneemt, dat de Italiaansche invloed onder een deel dier stammen, dtt Katholieke, nog steeds kunstmatig wordt aangekweekt, waartoe de aarzeling der Turksche regeering om haar beloften op nationaal gebied gedaan, te vervullen, veel bijdraagt.
999
anderzijds op een goede verstandhouding met de Serven en indien zij er in slaagt die twee volken tegen elkaar in evenwicht te doen blijven kan het terugwinnen van dit ethnografisch en strategisch zoo ontzaglijk belangrijke gebied voor haar positie in den Balkan veel belangrijker blijken dan het verlies der suzereiniteit over de vooruitgeschoven bolwerken van den Islam, Bosnië en Herzegowina i). Roemenië eindelijk heeft geen directe en dwingende belangen, die het nopen zouden om in Constantinopel met eischen te komen aanzetten: zijn tegenstelling tot Bulgarije en de Hellenen is voorshands sterker dan de krachten, die het tot een anti-Turksche politiek zouden kunnen drijven.
Is dus 't gevaar van een onmiddellijke botsing der elkaar kruisende nationale, dynastieke en groot-kapitalistische (imperialistische) tegenstrijdige belangen op het Balkanschiereiland voor 't oogenblik naar allen schijn weer afgewend, waartoe de demonstraties der jonge sociaaldemocratische partijen, die nu zelfs in Saloniki reeds meer arbeiders op een meeting weten te vereenigen dan in ons landje mogelijk is, ongetwijfeld een deel, zij 't ook natuurlijk nog slechts een zeer klein deel, hebben bijgedragen, de gevolgen van den oorlog op ander terrein worden daardoor niet minder gewichtig.
In de eerste plaats komt daarbij wel in aanmerking, de versterking van de gevoelens van zelfbewustzijn en kracht onder de aanhangers van den Islam, welke nu al reeds wel niet meer te loochenen valt. Het is hierbij merkwaardig even na te gaan wat een toch zoo uitnemende kenner van den Islam als Prof. M. Hartmann nog den 30ste Oct. j.1. in het „Berliner Tagebl." kon schrijven:
De Islam als politiek-religieuze macht is in Afrika dood. . . . Men heeft de groote kinders, die de zwarten zijn, doen gelooven dat Turkije een belangrijke factor in de wereldpolitiek vormde, heeft tegelijk de wereld van den Islam en in 't bizonder de Osmanli wijsgemaakt, dat de Islam in Afrika ontzaglijke moreele veroveringen zou maken en dat de Khalief in Stamboel slechts de vaan van den Heiligen Oorlog behoefde te ontrollen om ongetelde millioenen tegen de ongeloovigen te kunnen voeren. Deze blanke en zwarte schurken, die het beter weten, willen namelijk den schijn zoo lang ophouden als 't eenigszins mogelijk is, om voor hun onbekwaamheid en nietswaardigheid een korte poos van uitstel nog te behalen. Nu, de volken van Noord-Afrika's kustland, van de Sahara en den Soedan zijn onder de heerschappij der Franschen, Italianen en Britten gebracht en zij zullen tot hun eigen heil zoolang er onder blijven, tot ze zoover opgevoed zijn dat ze zichzelf regeeren kunnen. De bescherming die zulke groepen als de Snoessi — die de heer H. eenvoudig qualificeert als roovers v. R. — door de vooraanstaande macht van den Islam, Turkije, tot dusverre vonden, vervalt nu, sinds zij uitgeschakeld is.
1) Vooral de uitmuntende studie van G. Gravier, La vieille Serbie et les Albanais in de „Revue de Paris" van 1 Nov. j.1. is in dat opzicht leerzaam.
62*
IOOO
Eh dezelfde geleerde beweert aan het slot van dit opstel: tegen de opwekking van het fanatisme van den Islam en de versterking van het religieuze gevoel van den Islam door de heerschappij der vreemden is er één middel:
De veroveraars moeten zelf de hoogste religieusheid aankweeken, die in het respect voor de rechten van anderen en in de beheersching der hartstochten bestaat 1
Een wijze les, die de Italianen den 2Östen October dan ook blijkbaar ter harte hebben genomen, toen zij als dronken beesten mannen, vrouwen en kinderen neerschoten en -sloegen en zich verlustigden in het fotografeeren van de laatste stuiptrekkingen hunner slachtoffers.
Men heeft tegenover die opvattingen van den toch zoo grondigen geleerde slechts de feiten te plaatsen om ze in haar tegendeel te zien verkeeren. Wij spreken nu niet over de beteekenis en den waren aard der zoo veel gesmade groote orde, welke volgens de berichten nu de bondgenoot der Turken schijnt te zijn geworden na eerst hun vijand te zijn geweest i). Maar is het niet teekenend, dat èn in Tunisië, en in Egypte 2) uitbarstingen van vreemdenhaat en, zooal geen fanatisme, dan toch zeker een steeds sterker wordend gevoel van saamhoorigheid, dat meer en wijder is dan het nationalisme, de onmiddellijke gevolgen zijn geweest van Italië's rooftocht en het Turksche roemvolle verzet?
Het ware karakter van de gebeurtenissen in Tunis zal waarschijnlijk pas na eenigen tijd bekend worden. Ze aan te duiden als een Italiaansche vesper, zooals een Nederlandsche groote krant deed, d. w. z. dus als een uitsluitend tegen de Italianen gerichte beweging is wel is waar de meest voor de hand liggende, maar hoogstwaarschijnlijk niet de opvatting, welke aan 't geheele, aan 't diepere karakter dier bewegingen recht doet. 3) Het is trouwens een feit, dat de ontevredenheid onder de inboorlingen in geheel Fransch Noord-Afrika, ook en vooral in Algerië, 'volgens het oordeel zelfs der conservatieven toenemend is. Zeer karakteristiek in dat opzicht is het feit, dat de Algerijnsche regeering de emigratie van ontevreden Moslmin naar Turksche landen met geweld heeft moeten tegenhouden en dat men op 't oogenblik ernstig overweegt, hoe 't mogelijk is aan de klimmende ontevredenheid een einde te maken, waarvan ook de conservatieven zeer goed 't groote gevaar
1) Zie voor dit laatste o.a. bewijzen in de studie van Comm'. E. Ferry: La France en Afrique, A. Colin 1905.
2) Terwijl de uitbarstingen van haat der bevolking tegen de Italianen in Tunis ook door onze groote pers tamelijk uitvoerig vermeld zijn, is dat, voor zoover ik weet, niet 't geval geweest met de belangrijke bewegingen in Egypte, in Alexandrië vooral, waarover o. a. uitvoerig: „Kölnische Z." N°. 1237.
3) De opvatting van den correspondent der „Köln. Z." b.v. (No. 1269, 18 Nov.) is anders: hij ziet in dié beweging wel degelijk een anti-Europeesch verzet en wat de ,,Temps" er over schrijft (nummer van 20 Nov. b.v.) is niet geschikt om die opvatting afbreuk te doen.
IOOI
voor Frankrijk's bezit in die streken inzien, i) Want ook den conservatief is 't wel duidelijk dat Frankrijk op den duur zijn Noord-Afrikaansche wingewesten slechts regeeren kan, indien de ontevredenheid der groote massa van de Islamitiesche bevolking zich bij zijn gezag neerlegt.
Wat Egypte betreft, hebben de kranten overvloedig berichten gebracht over den weerslag, dien de Italiaansche rooftocht daar niet alleen bij de groote massa's maar ook bij de leidende elementen der inlandsche bevolking tengevolge heeft gehad. Niet alleen de straatgevechten in Alexandrië, maar ook de daadwerkelijke hulp door de Egyptische patriotten aan de Turksche verdedigers verleend in den vorm van wapenen, geld, ambulance-materieel, ja waarschijnlijk zelfs vrijwilligers zijn de uiterlijke kenmerken van die werking. Maar ongetwijfeld gaat zij inderdaad nog dieper dan op 't eerste gezicht schijnt. Het Engelsche gezag in Egypte wordt, dank zij de politiek der Engelschen, nu door 't geheele Egyptische „volk" als een ondraaglijk juk ondervonden. De hoogleeraar Le Chatelier, chef van de Fransche Islam-kenners en redacteur van de „Revue du monde musuiman" zegt daarvan: 2)
»Zonder de buitengewone onhandigheid van de Engelsche politiek, welke, de Egyptische »natives" verachtend, niets nagelaten heeftom ■ hen te verbitteren, zou er geen Egyptisch nationalisme zijn. Lord Cromer heeft door de hangerij van Dessjawaï meer dan alle redevoeringen en alle congressen gedaan voor het ontstaan van het „nationale gevoel".
En deze geleerde, die den politieken samenhang van de wereld van den Islam evengoed ontkent als zijn collega Hartmann, moet tot dezelfde conclusie komen als onze partijgenoot Rothstein in zijn uitstekende studie over den economischen ondergang van Egypte tengevolge van de Engelsche occupatie. 3) Inderdaad: de koloniale politiek der Europeesche mogendheden — en dit is ook de internationale waarde van den Italiaanschen inval in Tripoli — smelt met geweld als 't ware zelfs die volken en bevolkingen, welke tot nog toe slechts door den zeer lossen band van den gemeenschappelijken godsdienst waren verbonden, samen tot nationale eenheden, ondanks diepgaande verschillen van ras, oorsprong, kuituur, economische en finantiëele krachten, tot een gevoel van saamhoorigheid, waartoe zij anders wellicht in eeuwen nog niet rijp zouden zijn geworden. Immers, al moge de Islam zoomin een politieken band meer om zijn belijders slaan als de hedendaagsche Chris-
1) In den jongsten tijd heeft b.v. de „Temps" zich veel met de kwestie beziggehouden en uitvoerig aangetoond, wat de oorzaken zijn van de diepgaande ontevredenheid der inboorlingen (o. a. „Temps" van 19, 20, 27 en 31 Oct. j.1.)
2) Politique Musulmane („Revue du Monde Musuiman", Sept. 1910, p. 126).
3) jiEgypfs Ruin", Londen 1910, A. C. Fifield, waarvan de kortere samenvatting is: Die Englander in Egypten, Erganzungshefte zur „Neuen Zeit" No. 11 (14 Juli 19x1).
1002
telijke wereld een politieke eenheid is, de eenheid van de verschillende wijd-verspreide volken die tot den Islam behooren, is toch meer dan louter een zeer oppervlakkige en bovendien in vele opzichten diep verdeelde religieuse eenheid. Zij is mede vóór alles een cultuur-eenheid, een cultuur-eenheid, die hoe langer hoe meer op weg is tot een economische te worden, uitvloeisel van deze en op haar beurt de eerste weer bevorderend. Het kapitalisme met zijn hulpmiddelen, wel verre van den Islam te verzwakken, heeft hem integendeel in dat opzicht nieuwe krachten, nieuwe hulp- en propaganda-middelen, nieuwe wapenen in handen gesteld:
Reeds vormt de pers gemeenschappelijke gedachten tusschen den Musuiman van Mindanao en dien van het land Adamawa, tusschen den Chineeschen Ahong en den Peul van het land Foetah. De Afrikaansche zawija (gebedshuis) van Bïr Alali in het land Kanem ontving een dagblad uit den Irak Arabi. De „Mouayyad" van Cairo circuleert van Fez tot Peking, i)
En de gevolgen van dien nauweren economischen en cultureelen
samenhang ?
In de nieuwe verhoudingen van de wereld der naaste toekomst, zullen de Marocanen, de Tartaren, de Soedaneezen, de Maleiers, naar mate zij zich nauwer in contact gaan bevinden met elkaar, zich beter met elkaar verstaan dan met de Portugeezen, de Canadeezen of de Beieren. Voor hen zal hetzelfde gaan gelden wat reeds geldt voor den Algerijn en Tunisiër ten opzichte van den Franschman, voor den Egyptenaar en den Syriër tegenover den Engelschman, van den Iraniër en den Tartaar ten opzichte van den Rus. Onder den invloed van de overleveringen van den cultus en van de geschiedenis, evenals door de overeenkomst in zeden en instellingen, zullen de natuurlijke sympathieën hun voornaamste praktische uitwerking hebben in de zaken-relaties. Men kan er niet aan twijfelen, wanneer men de zoo sterk beschermende en bijgevolg anti-Europeesche bestrevingen nagaat van de economische beweging in alle Musulmaansche landen. 2)
Het behoeft geen betoog, hoe deze beweging in de richting eener economisch-cultureele samen- en weldra afsluiting in het ontzaglijk geheel, dat de Islam reeds vormt met zijn meer dan 200 millioen aanhangers, die van den Atlantischen Oceaan tot den Pacifischen en Indischen reiken, — een beweging die parallel gaat met die in de wereld van de Chineesche kuituur en weldra ook in die van de Hindoe-kuituur, — afgezien van haar onvermijdelijke politieke gevolgen, op het Europeesche kapitalisme economisch een geweldigen invloed moet gaan uitoefenen, een invloed, die des te sneller werkzaam zal zijn, naarmate het Europeesche
1) Le Chatelier a. w. p. 54.
2) Ibidem p. 63.