Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEZWAREN TEGEN DEN GEEST DER EEUW OP TAALGEBIED

DOOR

H. W. HEUVEL.

In mijn kinderjaren en nog lang daarna, toen ik al onderwijzer was, kenden wij ons Nederlandsch in drie vormen, het Geldersch dialect, dat we thuis spraken, het Hollandsch der boeken, en eindelijk, wat men nu „het algemeen beschaafd" pleegt te noemen en dat door dominee, meester en enkele andere notabelen bij zekere gelegenheden werd gebruikt. Het laatste leek goed op het boeken-Hollandsch, maar miste enkele woorden en uitdrukkingen, die wat te stijf en deftig leken voor den omgang en was ook eenvoudiger van zinsbouw. Ook de boerenmenschen spraken soms een andere taal dan hun dialect. Wanneer het gesprek de dingen van het dagelijksch leven verliet, om zich te richten naar hooger gebied, om op te stijgen naar de sferen van wereldbeschouwing en religie, dan hadden onze diepzinnige landbouwers niet meer genoeg aan hun Geldersch, dat voor de hoogere begrippen geen woorden heeft. Dan begonnen ze in 't Hollandsch te spreken, zooals ze dat uit den Bijbel en andere boeken hadden geleerd. Het klonk wat deftig en preekerig, want het lossere, meer afgeronde „algemeen beschaafd" hadden ze zelden of nooit gehoord.

Deze toestand van drievoudig Nederlandsch vonden wij geheel normaal. Maar langzamerhand brak een nieuwe beschouwing zich baan en veroverde het gansche terrein, 't Was aanvankelijk slechts een wolkje als een mans hand. „Je moet lezen, alsof je praat", zei onze meester al, een veertig jaar geleden. En we deden ons best, om niet te galmen of zangerig te lezen, maar gewoon, o zoo gewoon. Toen we echter in Stofgoud aan Conscience's schoone beschrijving van een zomermorgen op de heide kwamen, was de meester en waren wij ook den regel vergeten. En dan moesten het verzen zijn:

„Ver in 't Zuiden ligt mijn Spanje, Spanjen is mijn vaderland".

Sluiten