is toegevoegd aan uw favorieten.

Vragen van den dag; Maandschrift voor Nederland en koloniën, staathuishoudkunde, staatsleven en godsdienst, natuurwetenschappen, uitvindingen en ontdekkingen, aardrijkskunde, geschiedenis en volkenkunde, koloniën, handel en nijverheid enz. jrg 38, 1923 [volgno 6]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

382

ACHTERHOEKSCHE MENSCHEN IN AMERIKA.

Nu is dat alles voorbij. Ruim een jaar geleden stierf ze. Antonie kon het niet te boven komen. Weken lang is hij ziek geweest. En toen hij weer beter was, wou de rechte lust in het leven toch niet terugkomen. Om zich wat te verzetten, heeft hij op raad van den dokter een groote reis ondernomen met een jongen dominee, die nog uit de verte verwant en al lang huisvriend bij hen was. Die had door 't beantwoorden eener godgeleerde prijsvraag een aardig sommetje verdiend en wou dat geld nu besteden voor een reis naar de Oude Wereld, waar hij ook een semester aan de universiteit te Berlijn wilde wijden aan zijn lievelingsstudie, het Oude Testament. Zijn jonge vrouw vergezelde hem en zoo waren de reizigers met hun drieën. Het Heilige Land, het eerste en voornaamste doel hunner pelgrimage, moest helaas van het programma geschrapt worden wegens het heerschen eener kwaadaardige ziekte in Palestina. Daarom stapten ze in Napels aan wal, zwierven door Italië, Zwitserland en Duitschland, om ten slotte in het lieve vaderland en aan den ouderlijken haard uit te rusten. De jonge dominee en zijn eega vertrokken weldra naar Berlijn, maar Antonie zou enkele maanden in den familiekring doorbrengen. Dat had mij de oude vader met innige blijdschap verteld. „Nog éénmaal in mijn leven zal ik onzen Antonie weerzien. Daar heb ik altijd zoo naar verlangd. Als hij er is, moet je eens komen praten." Zoo sprak hij en ik beloofde het gaarne. Zoo ging ik op een Zaterdagmiddag in den hooitijd naar het bekende huis. De oude man was in de boonenbedden aan 't schoffelen. „Jan-oom, hoe gaat het u f" vroeg ik. „Zoo jonge, was ie daor? Da's good. Och jonge, 't is neet volle meer. Van Mei dacht ik neet, da 'k onze Antonie zol weerzien."

We gingen samen naar huis. Aan de deur kwam Antonie ons tegen en heette mij welkom. Een knappe vijftiger was hij, eenvoudig in zijn kleeding en heel eenvoudig in al zijn doen. Zijn oudste zuster, die in 't Ruurlosche getrouwd was, zou juist weer vertrekken en gebruikte ten afscheid nog een kopje koffie met een sneetje wittebrood. Bij 't weggaan zei ze nog eens : „Nou, wie verwacht oe dan aovermorgen, wie hebt de stokvisch al eklopt."

Na de koffie gingen we buiten zitten onder den breeden lindeboom. Vooraan was het bloemhofje, waar randjes van palmhaag de kleurige bedden met viooltjes, leliën, stokrozen en andere ouderwetsche bloemen omzoomden. Verder stond de leemen oven, door een berkenhaag als een scherm tegen de vonken omgeven en daarachter was de boomgaard, die een milden herfst beloofde. Een donker bosch van hooge dennen vormde den achtergrond.

In deze vriendelijke omgeving zat ik te luisteren naar den man, die vele landen en volken gezien had en veel verder geweest was in de wereld dan de meeste anderen.

Hij vertelde van Pompeji, die oude Romeinsche stad, opgedolven van onder de lava na een slaap van zeventien eeuwen; van haar mooie huizen met binnenplaatsen en fonteinen, haar tempels