is toegevoegd aan je favorieten.

Vragen van den dag; Maandschrift voor Nederland en koloniën, staathuishoudkunde, staatsleven en godsdienst, natuurwetenschappen, uitvindingen en ontdekkingen, aardrijkskunde, geschiedenis en volkenkunde, koloniën, handel en nijverheid enz. jrg 38, 1923 [volgno 6]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ACHTERHOEKSCHE MENSCHEN IN AMERIKA.

383

en godenbeelden, haar forum en arena, waar Hollandsche monniken de reizigers als gidsen vergezelden.

„Hier heb ik een bloempje, dat ik geplukt heb aan den Appiaanschen weg, den beroemden weg naar Rome, die Paulus ging op zijn laatste reis. Daar ziet men ook de mooie ruïne van het gedenkteeken van Cecilia Metella, dat heel lang geleden een voornaam Romein liet oprichten voor zijn gestorven echtgenoote, die hij zoo innig liefhad. Toen dacht ik aan een ander graf over den oceaan.

Dit brokje kalksteen heb ik meegebracht uit de Catacomben of onderaardsche gangen bij het oude Rome; men zegt, dat het verlaten steengroeven zijn. Hier namen de eerste Christenen de wijk in dagen van vervolging. Daar hielden ze hun liefdemaaltijden ; daar zijn velen gestorven en men ziet er nog de lijkkisten en doodshoofden." Zoo vertelde hij verder van den dom van Milaan, dien heerlijken tempel van wit marmer met de tallooze torentjes; van Zwitserland met zijn blinkende sneeuwbergen en blauwe meren ; van Duitschlands liefelijke landschappen en donkere wouden. „Op een avond kwamen we in Worms en zagen in de schemering het Luther-monument. Toen zeiden we alle drie: Hier moeten we overnachten, dit moeten we zien bij helderen dag.

Weldra volgde de aankomst in 't Vaderland. Je kunt niet gelooven, hoe heerlijk dat is. We hadden zooveel moois gezien op onze reis, maar toch, dat betreden van onzen ouden Achterhoekschen grond overtrof alles. Tweemaal heb ik datzelfde gevoel eerder gehad, toen ik van uit zee Hollands duinen zag oprijzen. En nu dat heerlijke thuis zijn!" Daar zat zijn oude vader, die zoo innig blij was, dat hij zijn Antonie nog eenmaal weer mocht zien en het den grijzen Simeon nazei: „Nu laat Gij, Heer, uw dienstknecht heengaan in vrede . . .." Zijn zuster en haar man omringen hem met vriendelijke attenties en hartelijke zorg. Haast eiken dag komen er familie en kennissen. Jammer, dat hij nog al eens uit moet. Voor veertien dagen is hij naar Zeeland geweest, waar bloedverwanten zijner overleden vrouw wonen in Borsele, Heinkenszand e. a. plaatsen. Hij liet in zijn album de „anzichten" kijken van Zeeuwsche landschappen, stadsgezichten en Zuid-Bevelandsche schoonen. Op de terugreis heeft hij een paar dagen in 's-Hertogenbosch vertoefd bij de ouders en zuster van een Roomsen-Katholieken geestelijke, met wien hij ginds in Grand Rapids innig bevriend is, wat zijn verwanten hier eigenlijk wel wat vreemd vinden.

Met innig genot leeft hij zich nu weer in het Achterhoeksche leven in, een leven, waarvan men ginder geen voorstelling heeft. Hij voelt zich weer kind in den schoot van het ouderlijk huis, alsof al die jaren tusschen nu en toen zijn weggevallen. Hij hanteert nog eens den dorschvlegel op een „bedde" nieuwe rogge en het lustig geklipklap op de leemen deel klinkt hem als muziek in de ooren.