is toegevoegd aan je favorieten.

Limburg's jaarboek jrg 31, 1925, no 3

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 109 —

of te hooren was dan in de verte een andere scheper, of een voerkar, die naar Deurzen reed.

Hannes was een tijdje geleden uit zijn gewonen doen geraakt. De zoons van den boer hadden hem medegenomen naar de Oostrumsche kermis. Daar had hij de dansvreugde gezien, het optrekken van het gilde, het salvoschieten gehoord.

Oude kennissen had hij getroffen, en ook een van de Kleindorper buurmeisjes, met wie hij op school altijd gespeeld had en die, wat ouder dan hij, zich zijn lot steeds aangetrokken had. 't Was Marie de dochter van een keuter, die nu als meid bij den boer diende, hard moest werken en ook alleen in de wereld stond.

Zij monterde den verlegen Hannes op, lachte over de vroegere jeugd, zei dat hij dansen moest leeren en met de Rooysche kermis met haar uitmoestZij was tot een flinke jonge dochter opgegroeid, wat Hannes gauw gezien had, al zat hij ook altijd in de Peel achter 't Veulen.

Hij moest haar komen bezoeken en afhalen den derden dag van de Rooysche kermis, dan praatten ze verder.

Hij had er zelf schik in gehad, zooals zij praten kon en hoovaardig deed.

Toen hij later met de jongens van zijn baas weer op 't Veulen „aandee" was hij stiller dan gewoonlijk.

Meine Ruh ist hin Mein Herz ist schwer.

JEUGDHERINNERINGEN.

Daar zat hij nu op den heuvel en dacht aan den komenden dag, waarop hij zijn woord gestand moest doen. Wat zou de boer zeggen, als hij, de eenzame, naar de bedrijvige Rooysche kermis ging. Maar dat hinderde niet, hij zou het tijds genoeg vooruit vragen.

En hij kon niet dansen, wat zou dat geven, maar Marie had gezegd, dat ze 't hem wel leeren zou en hij maar wat met de beenen moest zwaaien en springen.

Krek als de anderen. Maar dat was gemakkelijker