is toegevoegd aan je favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1819 (Mengelstukken), no 7

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

■«■1

TE GELIJK MET DE INVOERING DES CBRISTENDOMS? QQl

Het Christendom verwarmde ook het hart des kunftenaars met liefde en bewondering voor Hem , die zich ter zijner behoudenis den dood had prijs gegeven. Christus , ais jongeling, als leeraar, als ftervend, als verheerlijkt ten hemel varend, van engelen, jongelingen, vol hemelfche majefteit omgeven, gaf den kunftenaren ftof tot de heerlijkfte voorftellingen; maar deze waren niet talrijk en hadden altoos iets gelijkvormigs. Den aanbiddenden, den troostenden engel j Was toch overal dezelfde uitdrukking gemeen,-en nimmer vertoonde zich eenige hevige hartstogt. Het beeld van den zachtmoedigen aan hér kruis ltervendcn trof, maar er behoorde ook een hart toe, betvvslk na met den hemel verwant was, om die bovenraenfcheiijke zachtmoedigheid in de trekken van den ftervend en uit le drukken, die zelfs zijnen vijanden vergaf, of die zachte lijdzaamheid des martelaars in liefde en verwach. ting evenwel vol uitdrukking te fchilderen. Naast hunBen Heer en Meester werden diegenen, die zich oni zijne leer allerlei martelingen en den dood zelfs getroosteden, voorwerpen der voorftelling; maar niet alleen de hoogfte fchoonheid, maar juist dé gelaatstrekken dezer geliefde perfonen, moest de kunftenaar bijbehouden. Hoe fchrikkelijker de martelingen waren, des te booger fteeg de bewondering van dengenen, die desniettegenftaande aan zijne overtuiging getrouw bleef,en zoo werd er reeds een kunftenaar gevorderd, met eene boven zijnen tijd verhevene ftemming, om niet alleen deze fmart, maar ook het voorgevoel des hemels in de trekken van den ftervenden uit te drukken. Spoedig ontftonden er monniken en nonnen ; en wie zou liet eener goede zachtgevoelende ziel ten kwade duiden , Welke, om zich aan het algemeen verderf te onttrekken , de mentenen ontweek. Maar niet deze zachte Zwaarmoedigheid, niet de teedere bezorgdheid, om het geluk der eeuwigheid voor de vreugde dezer wereld te verruilen, waren in ftaat, den kunftenaar in geestdrift le brengen, en even zoo min aan zijn werk eene me. Öigvuldige eigendommelijke uitdrukking te verleenen.

Maar weldra vermengden zich onder deze iwoestijn. bewoners en ijveraren ook dweepers en huichelaars.' Hun geestelijke hoogmoed wilde niets met den geWonen mensen gemeen hebben, en juist eene geheel Misvormde kleeding, zonder eenigen fmaak, lebeen T s feuQ