is toegevoegd aan je favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1820 (Mengelstukken), no 10

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN ÖE FORMULIEREN VAN EBNÏGHEÏD. 443

aanmerking gemaakt, dat zij aan de beide laatfte hétzelfde gezag fcheen toe te kennen, hetwelk gegeven moet worden en ook alleen toekomt aan het Woord van God, — en heeft zij niet die afgevaardigden verpligt te verklaren, dat zij eenig en alleen de waarheid dier leer zouden beoordeelen naar het Woord van God, als den eenigen geloofsregel? Men vindt dit alles omftandig verhaald in de HandeL van da Dort. Synode, de derde zitting. Men hoore al verder den Hoogleeraar ant. thysius, die in zijne Voorrede vpor het door hem uitgegevene Corpus Doctrinae, zich dus laat hooren: „ Wel is waar, dat deze fchriften, het

rigtfnoer, de mate, en de regel der waarheid en „ oprechtigheid des geloofs ende Godsdienst niet zyn, „ C't welk nogtans, alsof bet van ons gehouden wier-

des fommigen ons t' onrecht nageven,) maar Gods Woord alken, als wy zeer krachtelijk zelf in deze

fchriften, tegen de Papisten bewezen hebben: zyn 9, niet te min dezelve, naar het gevoelen onzer ker„ ken, inderdaad fchriftmatig, ende gegrondet in de

H. S., by dewelke de Reformatie begonnen, de „ koken tot nog toe vergadert, gegroeit en gebloeit ,, hebben; die ook publyke Auctoriteit in dezelvïge

hebben verworven: in voegen, dar niemand in 't

„byzonder,- Lidmaat van deze kerk zynde, magt „ daarover heeft, of dk mag verwerpen, zonder in„ breuk der eenigheid, en fcheuringe van de gemeen„ fchap derzelve, en van onze Voorvaders: behoude-

lijk nogtans dat dezelve na beter berichtinge uit „ Gods Woord, ook nader verklaring, ja zelfs ver-

betering, daarover en daarin mag doen." — Niet anders fprafc de Hoogleeraar spanheim , Eknchus Controverfiar. Opp. Tom. 3. Coh 858, 879, 880, alwaar hij met zoo veie woorden verklaart, dat de formulieren niet anders iemand verpiigten, dan om de overeenftemming van derzelver leer met de Hi S. Meer nog kan men vinden bij den Hj&ogleeraar voetius, die in zijne Polltia Eccles. Pari. 3. Lib. 1. Traciai. i, Pag. 1— 74. Tom. 4; Cap. 4. Quaest. 8. Pag. 25. en vooral op de laatfte plaats, uitvoerig handelt over de onderteekening der formulieren. Zouden al deze en zoo vele andere doorkundige en beroemde Godgeleerden, die allen tot een toe geleerd hehben, dat de onderteekening der formulieren gefchiedde, omdat zij met het Woord van \ God