Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

148

Het lsle groot concert, op Donderdag 27 Juni 's avonds ten 6£ uur in de groote zaal van het Kurhaus onder de uitstekende leiding van den Koninklijken beierschen hofmuziekdirecteur Bichard Strauss, werd ingeleid door een /■/Prolog», voorgedragen door de Kon. pruis. tooneelspeelster mej. Ida Eau; deze is geschreven door Friedr. Bodensteelt, waarmee, voor mij, deze opening eene zekere wijding verkreeg.

Het eerste gedeelte van deze uitvoering was eene hulde aan de nagedachtenis van prof. Carl Biedel, gedurende eene reeks van jaren President der vereeniging, verleden jaar, kort na het muziekfeest te Dessau, waar hij nog met buitengewoon succes dirigeerde, overleden te Leipzig op 3 Juni. Prof. Paul Simon wijdde aan hem een artikel in het feestnummer van het: «Neue Zeitschrift fiir Musik//. Het Requiem van Brahms, voor deze hulde bestemd , moest wegens ongesteldheid van den heer Wallenstein, die dirigeeren zou, worden vervangen door de symphonische Dichhtng: «Héroïde funèbren van Franz Liszt. Dit werk werd door het versterkt Z»--orkest uitmuntend voorgedragen, onder leiding van den jeugdigen, maar genialen Bichard Strauss. Het tweede deel van dit concert bestond uit «Des Heilands Kindheüv van Berlioz , waarin mej. Julia Uzielli uit Frankfort a/M. (sopr.), evenals de heeren Hoffmann uit Keulen (baryton) en Alwin Buffeni (bas), terecht groot succes behaalde; daarentegen maakte de heer Zeiler uit Munchen (tenor) een treurig figuur. Het weinige, dat het niet zeer talrijk koor (ik telde ongeveer 40 sopranen) te zingen had, werd zeer goed uitgevoerd en het orkest hield zich zeer dapper, zoodat de totaal-indruk gunstig was, hoewel b. v. een trio voor 2 fluiten met harp, hoe meesterlijk ook geschreven en uitgevoerd, mij te gerekt voorkomt.

Het 2de en 4de concert was aan werken voor kamermuziek gewijd. Men kreeg strijkkwartetten te hooren van Verdi, William Dayas, kwintetten met piano en strijkinstrumenten van Dvorak en Draseke, een sextet voor piano, fluit, hobo, klarinet, fagot en hoorn van Ludwig Thuille, eene sonate voor piano en viool van Brahms, en voorts een groot aantal liederen gecomponeerd door J. Zerlett (met begeleiding van piano en violoncel), Grieg, Kubinstein, Liszt en Lassen, voorgedragen door de dames Marianne Brandt, B. Olfenius en den heer H. Giessen. Als pianisten verleenden hunne medewerking mevr. M. Stern, mej. S. von Schéhafzofi', de heeren F. Busoni, L. Thuille en, wat de begeleiding betreft, E. Lassen en J. Zerlett.

Bizonderen indruk maakte eene ballade: «Ritter Olaf// van Draseke (door den barytonist H. Hoffmann voortreffebjk gezongen). Het strijkkwartet op het 2de concert bestond uit de heeren Heermann, Naret Koning, Welcker en Muller; op het 4de uit de heeren Halir, Freyberg, Nagel en Leopold Grützmacher. Hoewel men van Verdi's strijkkwartet geen groote verwachtingen koesterde, bleek 't dat deze beroemde opera-componist ook op zuiver instrumentaal gebied met eere mag genoemd worden ; het 3de gedeelte van zijn strijkkwartet werd zelfs gebisseerd.

Op het 3de concert, bestaande in orkestwerken en solo's met orkest, deed de heer Bichard Strauss, van wien reeds als dirigent in het eerste concert zooveel goeds is gezegd, zich ook als hoogst begaafd componist kennen en wel met zijne i/Ilalienische Fantaisie f iir Orchester//; vooral het eerste gedeelte verwierf uitbundigen bijval. Minder in den smaak vielen de nVariationen für Orchestem van Ernst Budorff en de //Scène oriëntale und Intermezzo// van Arthur Bird, welke laatsten meer onder

de rubriek ballet-muziek kunnen gerangschikt worden.

Veel bijval vond mevr. Stern met de voordracht van het Piano-concert in Bes van Brahms en mej. Marianne Brandt met de dramatische scène voor alt: «Johanna d''Are vor dem Scheiterhaufen/i van Franz Liszt.

Als composities waaruit veel talent sprak , moeten genoemd worden: iiSiihikan, scène voor sopraan (mej. Denis) en orkest van Bernhard Stavenhagen (uit Berlijn) en een Concert voor de violoncel van Ed. Lalo (de heer A. Schröder). Eene fraaie compositie bleek ook te zijn het //Terzett für Sopran, Tenor rond Bass aus der Oper:// Gunlödv, van wijlen P. Cornelius (manuscript).

(Slot volgt.)

Herinnering aan Karei Emile Wagner.

Op den 8slen Augustus jl. overleed op den huize //Jachtlust// nabij de Bildt een onzer meestgeachte, van vrienden en talrijke leerlingen beminde toonkunstenaars, de heer K. E. Wagner. Met dezen man ging niet alleen een edel mensch en uitstekend toonkunstenaar tengrave, maar ook een dier steeds zeldzamer wordende karakters, die , voor hun persoon uitermate bescheiden, als het ware hun levensdoel er van maken om anderen in hun streven bij te staan en te ondersteunen.

Schrijver dezes heeft met W. gedurende eene kwart eeuw in onafgebroken nauwe vriendschapsbetrekking gestaan en had ten volle gelegenheid zijn schoon karakter van nabij te leeren kennen. W. was, alhoewel een groot kunstenaar, toch hoogst eenvoudig, wij zouden bijnazeggen, te bescheiden. Als eene te geringe meening van eigen kracht en waarde eene fout kan zijn, dan bezat W. deze fout in hooge mate. Ware hij ietwat meer egoïst geweest, voorzeker zoude hij eene schitterende carrière gemaakt hebben; hij miste deze eigenschap echter en ging daarin zelfs zoo ver, dat hij om eenig artistiek doel te bereiken, elke, zelfs de geringste hulp standvastig weigerde; gold het echter den eenen of anderen kunstbroeder voort te helpen, dan vonden zij in hem een trouwen oprechten vriend, die met onvermoeide volhardinghunne belangen bevorderde: — een waar toonbeeld van zelfverloochening.

Karei Emile Wagner werd den 14den April 1825 te 's-Gravenhage geboren, alwaar hij ook zijne studiën begon en deze als jongeling aan de Koninklijke Muziekschool , onder leiding van wijlen de heeren Lubeck (theorie) en van der Does (klavierspel), voltooide.

Door tusschenkomst van eenige voorname vrienden werd W. met Liszt in aanraking gebracht, om onder diens leiding verder te studeeren. W. verhaalde aan schrijver dezes meermalen deze episode uit zijne leerjaren, en zoo zijn wij in staat ter wille van hare eigenaardigheid, zijne kennismaking met Liszt hier in het kort mede te deelen.

Het was bij gelegenheid der onthulling van het Beethoven-monument te Bonn in het jaar 1845. De stad was gevuld met nagenoeg de geheele //Kunstlerschaft" uit de Bijnlanden en het overige Duitschland, ongerekend de honderdtallen belangstellenden uit de andere standen der maatschappij. Het middelpunt van dit gewoel was de destijds algemeen vergoode Liszt; rondom hem verdrong zich voornaam en gering. De belangrijke dag, waarop W. aan Liszt zou voorgesteld worden, brak eindelijk aan en met eenige huivering begaf onze W. zich naarLiszt's hotel, waar hij in eene voorzaal, ter audiëntie, moest

Sluiten