Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

662

DE HOLLANDSCHE REVUE.

ELSEVIER'S MAANDSCHRIFT.

Een verrassing in „Elsevier" van September: Haverman werkt er aan mee! Hij teekende een portret van Amsterdam's nieuwen burgemeester, Mr. Van Leeuwen. Maar het is, jammer genoeg, niet een „mooie" Haverman. Of 't komt door de wijze van behandeling van dit portret, om het Indische teint op den kop van Mr. van Leeuwen weer te geven — we weten 't niet, maar we vinden 't geen knap specimen van Haverman's kunnen.

De schilder-van-de-maand is F. Hart Nibbrig, die ook een „Zomer" lithografeerde voor onze „Revue" — de knappe artiest der zomerweelde in ons landschap. Mr. J. Cohen teekende zijn beeltenis voor dit artikel, waarvan P. H. Moerkerken den tekst leverde.

„Ferdinand Hart Nibbrig werd den 5en April 1866 geboren. Hoe hij zijne jeugd doorbracht, is voor ons doel nu van minder belang; men zij tevreden met te weten, dat hij eerst voor architect zou worden opgeleid. Op zijn 17e jaar kwam hij aan de Atnsterdamsche schilderacademie en verliet deze, na met het materiaal van teekenen schilderkunst te hebben leeren omgaan, op zijn 22e. Hij vertoefde nu omtrent een jaar te Parijs, waar hij vooral aan de leiding van Cormont veel te danken had. Aldaar verkeerde hij ook met Theo van Gogh, leerde het werk van diens broeder Vincent kennen en bewonderen, en zag nu ook voor het eerst den arbeid der Fransche licht-schilders Monet, Pissaro, etc. In de studies, uit dien tijd overgebleven, is evenwel van eenigen directén invloed dier mannen nog niets te bespeuren; zij zijn in het gewone, vrij tam-impressionnistisch 'procédé geschilderd, en geven vooral blijken van bizondere technische vaardigheid. In Holland terug gekomen, vestigde Nibbrig zich op de Rozengracht, en vond daar onder de oude Jordaners de prachtige volkstypen, die hij schilderde met een niet te miskennen streven naar wat men „rembrandtieke" belichting pleegt te noemen. Nog is er uit dien tijd een zelf-portret, dat al die vrijwel uiterlijke eigenschappen van rake vlugheid en jeugdige schilders-bravoure bezit.

Eerst hierna is hij naar buiten gegaan, medegelokt door zijn vriend Moulijn naar het bloemrijke Gooi. In het oude Laren, toen nog niet als nii ten onder- of ten op-gang spoedend door den invloed van Amerikaansche schilderessen-troepen en veelsoortige kluizenaars, schilderde Nibbrig binnenhuisjes en boerentypen naar den trant van Valkenburg en Neuhuijs, maar op verre na niet in de teedere frischheid en rijpheid, die het werk van den laatste meestal heeft.

Toen gebeurde het op een voorjaar, dat hij naaide tulpenvelden bij Bennebroek ging. Hier zag hij zelf voor het eerst de lichtende schoonheid van kleuren vóór zich, wier verrukkende macht hij reeds te Parijs in anderer werk bewonderd had. Maar nog bleef dof en lichtloos wat hij van deze stralende velden op het doek bracht ; de kleuren waren forsch en flink aangezet, doch de zon doorstroomde hen nog niet met haar fonke lend leven.

Daarna zag hij Laren weer, en nu zijn oog voor de zonnetinteling van den bloeienden zomer geopend was, begreep hij ook de heerlijkheid deirijpende rogge- en der blanke boekweit-velden. Het lieflijk Gooi,

„Daer eick bij eick zoo vrolijck groeit, Het velt vol zoele boeckweit bloeit," gelijk Vondel zong in een zijner liederen aan de Hinlopens, het Gooi ging nu voor hem open in al zijn zomersche levensblijheid. Het was voor Nibbrig de tijd van overgang tot zijn latere periode van lichtende schildering.

Behalve een ballade van Hélène LapidothSwarth en het vervolg van Eigenhuis' novelle „Een huis niet met handen gemaakt", is de litterarische tekst van niet veel beteekenis. Wat Geertruida Carelsen over de Oostzee-steden enz. schrijft, en wat Johan vertelt over „Onze oude havenmeester" is métier-werk.

Mr. Schölvinck schrijft nog enkele regels over den Amsterdamschen burgemeester; de heer J. A. Wormser deelt dan het een en ander mee over het internationale uitgeverskongres in Juni te Leipzig gehouden (een vreemde bijdrage voor „Elsevier"); en de heer Max Rooses zet eindelijk zijn beschrijving van de Hollandsche Meesters in de Ermitage te St. Petersburg voort.

STEMMEN VOOR WAARHEID EN VREDE.

De heer J. R. Slotemaker de Bruine bespreekt en behandelt in een soort van theologische „essay" de gelijkenis van den onrechtvaardigeii rentmeester (Luc. 16 : 1—8a), terwijl van Popta de „Predikanten in de nieuwere letterkunde" tot onderwerp van een beschouwing heeft gekozen, d.w.z. de wijze waarop die predikanten in de moderne litteratuur geteekend worden. Dit doet hij naar aanleiding van een nieuw boek van Oscar Kohlsmidt, predikant te Maagdenburg, over „Der Evangelische Pfarrer in moderner Dicbtung."

In een volgend nummer dezer „Stemmen" zal hij er eenige schetsen vertaald uit overnemen.

'De heer Mr. C. Bake bespreekt vervolgens de „Godsdienstige liederen van den Ned. Protestantenbond," waarin hij vooral door één ding getroffen werd, nml.: den opgewekten toon dezer liederen.

Zij zijn bestemd, zegt hij, om gezongen te worden in een sneller tempo, dan gewoonlijk bij ons kerkgezang in acht wordt genomen. En dat strookt met hun inhoud. Die inhoud is meest blijmoedig. Maar hij is er niet minder vroom om!

Ten slotte willen we nu nog even laten zien hoe Ds. Bronsveld dan in zijn „Kroniek" met Ds. de Visser afhandelt. Dit zegt hij:

Dr. De Visser heeft naar aanleiding van hetgeen wij over hem opmerkten in de vorige Kroniek, een artikel geschreven, dat velen met mij verbaasd en gegriefd heeft. Er was iets in, dat deed denken aan de wijze van strijdvoeren van Dr.

Sluiten