Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lste Jaargang.

3ST0 11.

13 Maart 1879.

DE MAASGOUW

Weekblad voor Limburgsdie Geschiedenis, Taal- en Letterkunde.

Prijs per jaargang :

Voor Nederland. . . 3 gulden " België .... 65 franken

Brieven en mededeelingen te bestellen bij den uitgever E1EITJEB.-MYPEJLS, te Maastricht.

De nadruk van artikels, buiten toestemming der schrijvers,, is verboden.

Abonnementen worden ontvangen bij den uitgever, alsmede bij alle postkantoren en boekhandelaren. Advertentien : 10 cents per regel.

BIJDRAGE TOT DE GESCIIIEDE\IS DER HEKSENPROCESSEN.

Wanneer men de vervolgingen en veroordeelingen leest, die in vroegere dagen tegen denkbeeldige daden plaats hadden, zooals tooverij, hekserij, waarzeggerij, wichelarij, omgang met den duivel en dergelijke, alleen uit bijgeloof en dwaling voortkomende, dan kan men zich moeijelijk verklaren hoe zooveel onzins bij vervolgers en vervolgden, bij regters en lijders bestaan kon; het zal ons onverklaarbaar blijken, hoe regtsgeleerden en magistraten, menschen uit den aanzienlijken stand der maatschappij en van eene wetenschappelijke opvoeding gelooven konden dat de mensch een verbond met den duivel kon sluiten, en ten gevolge daarvan in staat was allerlei bovennatuurlijke zaken te verrigten, zoo als het vliegen door de lucht op eenen bezemstok, het zich veranderen in het een of ander dier, het verwekken van storm door in het heksenpotje te roeren en dergelijke zaken meer; het zal onze verwondering ten hoogste gaande maken wanneer wij zien hoe vele personen zich schuldig gekend hebben aan die misdaden, die zij toch bij geene mogelijkheid hebben kunnen bedrijven en hierop met onderwerping de wreedste doodstraf hebben ondergaan, als of zij overtuigd waren die straf te hebben verdiend.

Dit alles wordt ons echter verklaarbaar wanneer wij bedenken dat de onkunde, de moeder van het bijgeloof, zoo groot was dat men alles, wat de bekrompene geest der mannen van die tijden niet begreep, als bovennatuurlijk beschouwde: van daar de zoo menigvuldige toevlucht tot ' die bovennatuurlijke middelen, tot de verschillende soorten van tooverkunst en andere helsche verrigtingen. Duizenden gewaande heksen werden, na do grootste folteringen te hebben doorgestaan, in dit tijdvak van onwetenheid en barbaarschheid, ten gevolge eener wetgeving, die tijden waardig, levend verbrand.

Ook in Roermond hebben er heksenprocessen op verschillende tijdstippen plaats gehad en het stedelijk archief stelt ons in staat het een en ander daaromtrent mede te deelen.

Het eerste proces, dat ons is voorgekomen, had plaats in het jaar 1522; zekere Trijn van der Moeien (zoo luidt de aanklagt) was reeds langen tijd onder de verdenking van te kunnen tooveren ; op zekeren tijd zich te Vlodrop bevindende, ontmoette zij een man, die een paard leidde, en vroeg hem een poos daarop te mogen rijden ; daar deze ln haar verzoek niet wilde toestemmen, nam zij een brok aarde, wierp dien uit aller duivelen naam vóór het paard, dat toen struikelde en voor de woning van den man neder^el. Toen deze haar daarop sloeg, dreigde zij hem den

volgenden dag bij het geregt aan te klagen, maar vertrok naar Aken, alwaar zij een geruiinen tijd vertoefde.

Inmiddels was deze zaak in Roermond, waar zij met der woon gevestigd was, ruchtbaar geworden, en bij hare terugkomst werd zij door den scholtis in hare woning aangehouden, waarin zij zich verborgen hield. Voor de schepenbank gebragt, bekende zij dat zij zich aan den duivel had overgegeven, die haar bedrogen en geld gegeven had zonder waarde, aangezien het slechts leecke pennonghen waren; voorts beleed zij door het ingeven en den raad van den duivel menschen en beesten te hebben betooverd. Zij werd dientengevolge door de schepenbank veroordeeld, die het volgende vonnis tegen haar uitsprak :

Die bose wercken verwijsen hair datt men sij brengen sall an 't gericht und bynden sij ain eynen staeck und verborren hoer lycham tot asschen, dat Gott yhre zeele gnedich sij, niet me moitt borren in 't vuyr der helle.

In het jaar 1525 werden andermaal twee vrouwen voor den schepenstoel gebragt,die insgelijks beschuldigd waren, vele personen, zoo als ook paarden, koeijen en schapen, betooverd te hebben, ten gevolge waarvan zij ongesteld geworden en gestorven waren; ook deze twee vrouwen bekenden het haar te last gelegde te hebben bedreven en werden veroordeeld; het vonnis luidde als volgt: Want sij dan stonden loiss, ongehalden ind ongebonden,ind bekantten sy sulcke boise wercken schegen Gott ind naturs yedaen hadden, soe verwijsen huyn toereken huijn, und dat sy den heer sall laten voeren aint gericht und bynden sey an eynen stock ind verborren hoer lycham tot polver ind asschen, tot eyn exernpell allen minschen opdat sij alsulcke bose wercken myen sullen.

Een derde vervolging werd in 1581 ingesteld tegen zeker vrouwspersoon te Roermond wonende, Kael Merrie genaamd; zij was door de vrouw van eenen Italiaanschen sergeant, die in hare buurt woonde, van tooverij aangeklaagd geworden; haar kind, op straat spelende, was door Kael Merrie opgenomen en geliefkoosd geworden, ten gevolge waarvan dit ongesteld werd en in eenen kwijnenden toestand raakte, die van dag tot dag verergerde.

In deze zaak werden eenige buren als getuigen opgeroepen, die allen verklaarden dat genoemde Merrie reeds sedert vele jaren van tooverij verdacht gehouden en des wegens door ieder geschuwd was geworden. Zoo verklaarde de eerste getuige dat zijn varken, in den tuin van de beschuldigde rond geloopen hebbende, door haar daaruit gejaagd was geworden, en dat dit varken daarna eene verlamming aan de achterste pooten bekomen had; een tweede had eens een klein biervat van haar geleend en was korten tiid daarna kranck, onqefellich und ganlz lam

gewoirden ; eene vrouwspersoon die, een jaar geleden,

naast Merrie was komen wonen, klaagde dat de melk van

Sluiten