Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

154

schoonste uit zijne Quartetten , om de hoogromantische stemming, die het geheel bezielt, heeft wel is waar even als de beide andere stukken, slechts een hoofd- en nevenrnanuaal, maar wie het als origineel gehoord heeft, zal ligt de behoorlijke registratuur vinden , als hij ten minste eenigzins fijn georganiseerd is voor toonschakeringen.

Poesien für die Orgel zum Sludium und Concertvortrag , Op. 25. Erfurt , Körner.

Zoo heeft de schrijver vier voorspelen met Choralen genoemd. De titel is volkomen geregtvaardigd , als men weet dat in het voorspel de geest van het Choraal dichlerlijk is gereproduceerd. Het zijn de Choralen : » Ach, was soll ich Siinder machen ," »Valet will ich dir geben," nWer uur den lieben Gott lasst walten" (A moli), en »O Latnm Got/es, tinschuldig." De doorvoering in het voorspel is vrij ; de gewone drooge manier is er niet in te vinden, het zijn geene ijdele figuren, maar een degelijke inhoud, omkleed door een met het moderne standpunt overeenkomstigen vorm. Zeer werkzaam en belangrijk is inzonderheid N°. 2 : » Falet will ich dir geben." De volgende Choralen zijn rhythmisch in 4/2 maat. N°. 4 is voor Orgel en vier Solostemmen geschreven. Na een zeer zinrijk uitgevoerd voorspel begint de eerste strophe voor Tenor, de tweede neemt de Alt, Sopraan en Bas zingen de derde en vierde unisono en de laatste alle vier stemmen te zamen — eene zeer werkzame verdecling. Ten slotte zingen dan de vier slemmen in 4/2 maat rhythmisch en vierstemmig de beide andere verzen — eene bewerking, die bij geschikte gelegenheid heerlijk zal werken.

NECROLOOG.

ANDRIES TEN CATE.

A. ten C a t e Jan Albertuszoon is te Amsterdam in 1796 geboren en den 27. Julij jl. aldaar overleden. Hij werd voor den handelstand opgeleid en is reeds -vroeg daarin werkzaam geweest. Toen in 1810—11 ons vaderland in Frankrijk werd ingelijfd en daardoor de tiitzigten voor den handel hoe langer zoo ongunstiger werden, lag ten Ca te zich met de borst op de Toonkunst toe, terwijl hij de Letterkunde met ijver beoefende. Theoretisch en praktisch beoefende hij het als vak en componeerde tot oefening iu 1812 en 1813 reeds kleine stukken. Bij de blijde herstelling onzer onafhankelijkheid, in 1814, zag men den handelstand wederom herleven. Hij werd weder zijne hoofdbezigheid en ten Ca te was gemeenschappelijk met zijnen vader in het vak van assurantie werkzaam, bleef van toen af aan de Toonkunst als uitspanning en studie, voor zoo veel de tijd hem zulks gedoogde, beoefenen. De vruchten daarvan bleven niet achterwege, want in het jaar 1821 componeerde hij verscheidene Quartetten en Quintetten voor strijkinstrumenten en Concerten voor instrumenten: als Hobo, Clarinet, Fagot, Cantaten voor Koor en Orchest, Zaugscènen voor Sopraan. Van dieu tijd tot in 1828 componeerde hij slechts kleine stukken. Hem troffen vele rampen door het verlies van dierbare nabestaanden, terwijl het beheer van handelzaken, door den dood zijns vaders en zijne voorafgaande langdurige ziekelijkheid, geheel op hem alleen rusleden. Er was dus geen lijd tot het scheppen van grootere toonstukken. In het najaar 1829 werd hij door het bestuur van den Stadsschouwburg te Amsterdam aangezocht eene Hoilandsche Opera in 3 of 4 bedrijven te componeren, welke dan het

eerste oorspronkelijke van dien omvang zoude zijn, — door van Bree was vroeger eene Operette in één bedrijf ten tooneele gevoerd. Het getuigt van moed zulk een besluit te nemen , daar vooroordeelen te bestrijden waren zoowel van hen die hardnekkig het zangbare van onze taal ontkenden en niet minder van dezulken , die het misdaad zouden vinden , den naam eens deftigcn beursmans op een Schouwburg-affiche te zien prijken. Nogtans nam hij de taak op zich , met het doel, anderen door zijn voorbeeld aan te sporen, de Zang en Poézij aan te moedigen en door eene meer wetenschappelijk historische bekendheid met de Kunst , ze bij ons eene meer waardige plaats aan te wijzen, altijd in de hoop dat zijn werk zoude slagen. De eerste mogt hij evenwel niet zijn. Het Kon. Nederlands Instituut van K. W. had van dit plan vernomen , en ten gevolge daarvan stelde een der leden een Zangspel te zamen ; Numa Pompilius trad in een Amsterdamsch burgerlijk pak ten tooneele — en vond geen bijval. Gelukkiger mogt hij in zijne Compositie van Seid en Palmire, Opera in drie bedrijven , en Ballet van den Dichter Gravé slagen , welke in Februari) 1831 voor het eerst werd opgevoerd en 12 achtereenvolgende voorstellingen genoot. In April van hetzelfde jaar werd ze op verlangen en in tegenwoordigheid van de Koninklijke familie met bijval gegeven , en het was toen dat Koning Willem I twee Toonkunst-beoefenaren , waarvan Ten Ca te er een was, met de Leeuwen-orde wilde vereeren , doch , doordien van zekere toen invloedrijke cotterie er vele voordragten werden bijgevoegd, de Koning zijn plan liet varen. Ook het toen beroemde en voornaam Muzijkgenoolschap Blaas- en Strijklust vroeg in datzelfde jaar de opvoering van Seid en Palmire en nam al de loges en balcons voor hare rekening. Later in het Duitsch vertaald, werd het insgelijks met veel succes in den Hoogduitschen Schouwburg uitgevoerd en den Componist na den afloop voorgeroepen. Ten Cate's oogmerk was bereikt, er kwam leven en beweging in de Kunst; van Bree met zijne Zangspelen Saffo en le Bandit, W. Smits met zijn Zangspel de Gelofte, traden achtervolgens op en ook in andere vakken van Compositie ontwikkelden zich jeugdige Kunstenaren. Het is dus ontegenzeggelijk dat ten Ca te daarioe de impulsie heeft gegeven en de ontwikkeling der Kunst in ons land veel aan hem verschuldigd is. In 1834 componeerde hij verscheidene Cantates voor gemengd Koor en vol Orchest, in 1835 zijne tweede Opera Constantia , welke tevens met bijval werd ter uilvoering gebragt, alsmede eene Cantate voor Tenor (voor V r u g l) met mannenstemmen. De volgende jaren lieten hem zijne menigvuldige beroepsbezigheden weinig tijds en hij bepaalde zich toen tot Compositiën van kleinere vormen , als Liederen , Quartetten en Quinletten. Van af 1843 begon zijn gezigt van lieverlede te verzwakken en kon hij daardoor slechts weinig werken. Evenwel ruslte hij niet voor de belangen der Kunst werkzaam le zijn. De Maatschappij tot bevordering der Toonkunst, waarvan hij Lid van Verdiensten was , riep hem van af hare oprigting beurtelings in haar Afdeelingsof Hoofdbestuur, van welk laatste hij geruimen tijd het Voorzilterschap bekleedde.

Bij de oprigting der Voikszangschool van het Nut van 't Algemeen in 1842, werd hij tot Voorzitter der Commissie van het Bestuur benoemd, zooals ook in 1844 van de Burgerzangschool en later in 1847 van de VolksZangvereeniging en Patronaat, waaraan Z. M. Willem II en vele aanzienlijken zich als beschermers aansloten. In 1850 werd hij door den stedelijken raad als lid der Commissie, voor de stedelijke Muzijkschool te Amsterdam

Sluiten