Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

- 72 -

veertiende regel. Een voorbeeld hiervan in navolgend rondeel, dat ik wijdde aan de schilderes, mevr. De Nerée tot Babberich (C van Houten), daar zij hetzelfde duinlandschap in dezelfde kleuren zag en weergaf in enige tintelende, frisse schilderijen:

Zomer's Kleuren. Goud en paars en roze en wit, Blauw en zilver zijn de kleuren Van 't gebloemte, dat en dit, Veel satijnen kussens fleuren.

Zij, waarin de zonne zit, Vlieg en bij en hommel neuren. Goud en paars en roze en wit, Blauw en zilver zijn de kleuren.

Halmen glinstren in gelid, Trilgras laat zich bevend speuren, Bonte vlinders in de hit Zwijmlen in de zoete geuren: Goud en paars en roze en wit.

De laatste regel slaat hier, door de interpunctie, op de vlinders.

Men merke op, dat al de in deze vorm aangehaalde rondelen m viervoetige verzen zijn geschreven, die zich in het algemeen het best voor deze zoete vooizen lenen. Alleen het laatste is in trocheïese maat. Het Orléan srondeel herinner ik mij niet in trocheïese maat te zijn tegengekomen, maar ik oordeel dat de feeërieke lichtheid van deze rondeel-soort met de trochee dikwels nog zeer bevorderd wordt, weshalve ik die maat er meermalen voor gebruikte Ik geef u, om de uitwerking ervan te leren kennen, nog twee voorbeelden:

Rondeel der Roze. In het jaargetij der rozen Voor mijn eigen roos een zang, Voor mijn witte en rode roze Deze dauwdrup van verlang.

Vogelkwinken kussen, kozen Bloemen in heur zoet gehang, In het jaargetij der rozen Voor mijn eigen roos een zang.

Struiken en pnëelen blozen Doorderhefdemacht'gen drang, Maar mijn lippen willen pozen Op een maged, zacht van wang: In het jaargetij der rozen.

Aurora's Morgenbad. In het zachte zeegeschater Staat Aurora moedernaakt,

Morgenwind en morgenwater, Wat haar even huivrig maakt.

Aarzlend toeft zij, waar t geklater Nog haar rozen kuit niet raakt; In het zachte zeegeschater Staat Aurora moedernaakt.

Dan, zij buigt zich, sproeit en later: — Wijl de branding blinkt en blaakt — Dieper gaat ze er, waadt er, baadt er, Van het stille strand bewaakt, In het zachte zeegeschater.

Indien een dichter in ons land het ongeluk heeft vaak geïnspireerd te worden, en arbeidzaam genoeg is zoveel mogelik zijn inspiraties te verwerken, en wel met zóveel zorg, dat de moeite van het verwerken niet meer zichtbaar is, daar de verzen hun natuurlike gesteldheid hebben gekregen, menen andere mensen, die niet vaak geïnspireerd worden en niet gewoon zijn dag en nacht aan hun kunst te werken, dat de dichter een eerzuchtige is, die al de flauwste grillen, niet zijne verbeelding, maar zijne /nbeelding, met de grootste graagheid en gauwheid op het geduldig papier gooit en bijgevolg met dan oppervlakkig werk kan geleverd hebben. Dit wordt dan een axioma in hun hoofd. Maar indien zij het geringste besef er van hadden, wat voor arbeid juist is verricht om dit schijnbaar gemakkelike, voortspruitende uit de natuurlike zang van het vers, voort te brengen, zouden zij anders oordelen.

Ik herinner mijzelf uit mijn begintijd, hoe ontzaglik langzaam ik werkte, omdat ik geen vodden wou voortbrengen ; maar dat ik, na een bijkans twintigjarige techniek, in de meeste gevallen zó buitengewoon langzaam niet meer schrijf, laat zich begrijpen. Toch is er veel arbeid nodig, vóór het vers goed-gegoten uit de vorm komt. Ofschoon ik al mijn kladden altijd zorgvuldig vernietig, al zou menig criticus er een kijk door krijgen in de werkwijze van een dichter, kan ik uit mijn geheugen dit, met het laatste rondeel als voorbeeld, wel demonstreren.

Het vers werd mij geïnspireerd door een allerliefste plaat, waarop een jong ontloken maagd badend stond afgebeeld. Enig riet aan de linkerzijde, het spiegelgladde water, bergen op den achtergrond, duidden aan, dat een bergmeer de stille badplaats was van het meisje, die met haar jong bloeiend lijfje nog niet diep in het water had durven gaan, hetwelk niet eens tot haar kuiten staat. Zij huivert een weinig van de koelte en voelt zich toch behagelik, zij buigt zich ietwat naar voren over in die huivering, haar tere boezem met een hand tegen de koelte schuttend.

Evenwel, voor mijn vers moest ik de omgeving veranderen : niet alleen het wijde zeegezicht trok mij als

Sluiten