is toegevoegd aan je favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 6, 1891, no 22, 30-05-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

194

•waarde, daar met een tropischen bodem van misschien niet het vijfde van die waarde te doen hebben, moest dit noodzakelijk zoo zijn.

De geschiedenis van den Indischen waterstaat leert ons dus ook op irrigatiegebied geheel iets anders dan b.v. die van BovenItalie zou kunnen doen, wordt meer en meer van zooveel belang, dat de heer S. zeer terecht thans den tijd aangebroken acht haar aan den aanstaanden Indischen ingenieur te doen onderwijzen.

Een hoogleeraar voor die vakken van speciaal Indischen waterstaat te vinden, zal wel geen bezwaar hebben. Het liefst zag ik daarvoor geen verlofganger aangewezen, doch iemand, die voor eenigen duur aan de inrichting te Delft verbonden kon worden.

Dat geeft meer vastheid aan het onderwijs.

Het spreekt wel van zelf, dat de persoon in kwestie een oud Indisch ingenieur moet zijn, van veeljarige ervaring, die daarbij de gave van mededeeling bezit en de lust tot mededeelen nog niet verloren heeft.

Zijn stof zal hij voor een goed deel uit eigen ondervinding en vroegere aanschouwing dienen te putten, daar er tot nog toe weinig Indische waterstaatswerken beschreven werden.

Heel natuurlijk trouwens, want de Indische ingenieur blijft veelal na de voltooiing van een werk niet lang genoeg ter plaatse om zich een beredeneerd oordeel te kunnen vormen, of het gebouwde volkomen aan de verwachting beantwoordt, terwijl hij tijdens de uitvoering dikwijls zoo ingespannen is, dat tijd en lust tot het maken der noodige aanteekeningen ontbreken. Bij het geringe beschikbare personeel, acht men zich dikwijls reeds gelukkig, wanneer zonder grooten tegenspoed het einde gehaald wordt, en komt er niet in van het zenden van beschrijvingen aan de afd. Ned.-Indië van het K. I. v. Ingrs.

Van daar dat men in dat tijdschrift zoo weinig Indische werken beschreven ziet, hoewel die er thans in massa beginnen te komen.

Gelukkig dat afdeeling VII Bevloeiingen van het eerste deel van het bekende Nederlandsche waterbouwkundig handboek, bewerkt door J. E. de Meijier, in zake bevloeiingswerken in deze leemte voorziet door ons het belangrijkste te geven, wat Java op dat gebied bezit.

Thans naderen wij tot het tweede deel onzer stelling, en raken daarmede de practische vorming van den Indischen ingenieur.

Dat geen enkele school die vorming kan geven, dus ook niet de Pol. School te Delft, voor den Indischen ingenieur evenmin als voor zijn Nederlandschen collega, behoeft geen betoog. De practijk leert men slechts in de practijk.

Het komt er nu maar op aan, of de bewering van velen juist is, dat de studie aan de Pol. School zelfs een beletsel zou zijn ooit tot der gelijke vorming te geraken.

Met den heer S. ben ik het volkomen eens, dat dit niet het geval is, en zie met hem geen reden om voor den civiel-ingenieur de practische vorming aan de theoretische te laten voorafgaan.

Dat er onder de in Delft gevormde civ.-ingenieurs zijn, die veel tijd noodig hebben, vóór ze zich in de practijk thuis gevoelen, bewijst niets, en kan volgender wij ze worden verklaard.

Lust en geschiktheid om zich later gemakkelijk in de practijk in te werken, blijken reeds bij de oefeningen in het ontwerpen, in het uitwerken van de verschillende vraagstukken op het gebied der eigenlijke bouwvakken, die in de teekenuren door de hoogleeraren aan ieder student worden gesteld.

Hij, die daarbij niet louter copieert, doch zelf zoekt en zich al zoekende aangenaam bezig houdt, zal na het verlaten der Pol. School slechts zeer weinig practische vorming behoeven en reeds spoedig een bruikbaar ingenieur zijn. Projectwerk van welken aard ook, zal hem niet in verlegenheid brengen.

Hij, die dit verzuimde uit gebrek aan tijd en zucht naar vermaak, maar toch door de mazen van het examen glipt, zal later zijn schade hebben in te halen, d. i. meer tijd behoeven om practisch bruikbaar te worden.

Hij, die dit naliet uit gebrek aan lust, heeft weinig kans ooit een bruikbaar ingenieur te worden, had beter gedaan halverwege te keeren en met zijn studies een andere richting in te slaan.

In hoeverre de dosis wiskunde, die de Pol. School te Delft aan de leergierige schare verstrekt, zou kunnen worden besnoeid, wensch ik in het midden te laten, slechts aanstippende, dat, zoo ergens, hier overmaat niet schaadt.

Wilde ik een enkele opmerking wagen, dan zou het deze zijn, dat naar mijn herinnering van dertien jaren geleden, destijds de hoogleeraren in de zuiver wiskunstige vakken wat heel weinig

toepassingen op de practijk gaven, de samenhang van hun cursus met die van de hoogleeraren voor de bouwvakken beter kon zijn.

Het is echter mogelijk, dat tijdsgebrek, die toepassingen komen grootendeels tegen het einde van den cursus, hiervan de oorzaak was.

Hoever het wiskundig progamma van buitenlandsche technische hoogescholen gaat, is mij niet bekend. Waar dit echter mocht neerkomen op weinig meer dan een gebruiksaanwijzing bij de formules van een vademecum, acht ik het geheel onvoldoende. Evenmin noem ik den ingenieur verantwoord, wanneer hij een of ander ontwerp moetende maken, zich tevreden stelt met het volgen van een dergelijk reeds uitgevoerd werk, dat gelukkiger wijze in de buurt voorhanden is, tenzij hij zich volkomen rekenschap weet te geven, waarom dat werk op die wijze werd daargesteld.

Het is natuurlijk nog onvergeeflijker van dergelijke reeds uitgevoerde werken geen notitie te nemen, voor den besten raadgever, de practijk, de ooren te sluiten. Doch met minder dan een beredeneerd gebruik harer lessen kan de ingenieur het niet stellen. Zooveel moet de technische hoogeschool hem ten minste bijbrengen.

Heeft nu het maken van ontwerpen voor hem, die na volbrachte studie de Pol. School te Delft als civ.-ingenieur verlaat, weinig bezwaar, de uitvoering zelfs van eenvoudige werken zal hem zonder verdere voorbereiding moeilijker vallen.

Blijft hij in Nederland, d. i. gedurende vele jaren ondergeschikt, dan heeft hij van zelf ruimschoots gelegenheid door omgang en afzien van bekwame aannemers en opzichters, langzamerhand ook met de uitvoering van werken gemeenzaam te worden.

Voor den indischen ingenieur bestaat die gelegenheid niet in die mate. Van hem moet bij aankomst te Batavia veelal terstond nut getrokken worden, voor hem is gewoonlijk reeds een open plaats bestemd. Niet onmogelijk wacht hem daar dadelijk reeds uitvoering, zij het ook van kleine werken, dikwijls zonder opzichter of met een opzichter, wien eveneens alle practijk vreemd is.

Geen aangename toestand voorwaar, doch voor dengeen, die sterk en gezond is, en zich niet door den minsten tegenspoed uit het veld laat slaan, niet onoverkomelijk. Men slaagt toch, al is het niet altijd langs den kortsten weg en op de beste wijze, en heeft, voor dat men het weet, de voorbereiding tot de practijk achter den rug.

Natuurlijk is het veel beter, zooals de heer S. wil, den aanstaanden indischen ingenieur bij het verlaten der Pol. School in staat te stellen gedurende eenigen tijd bij de uitvoering van verschillende werken in Nederland tegenwoordig te zijn.

Waarom juist in Nederland, zal men vragen, en niet in Indië, het land, waar hij later werkzaam moet zijn ?

Ten eerste, omdat men in Indië, bij het kleine aanwezige personeel, al licht geneigd zou zijn den studietijd van onzen adspirant zooveel mogelijk te bekorten; ten tweede, omdat daardoor gebrek aan velerlei hulpmiddelen bij de uitvoering van tal van werken een zeker behelpen sterk op den voorgrond treedt, en het beter is het meer volkomene te leeren, dat men later altijd naar de omstandigheden kan wijzigen; ten derde omdat zaakkundige aannemers in Indië bijna geheel ontbreken, en een goed deel der opzichters niet behoorlijk practisch ontwikkeld is, het dus ontbreekt aan die personen, bij wie men voor de détails der uitvoering ter school moet gaan.

Over hoeveel jaren de practische voorbereiding in Nederland moet loopen, is moeilijk uit te maken. De heer S. eischt 3 jaren, waaronder een half jaar voor een studiereis in het buitenland ; vroegere machthebbenden, met name het Dept. v. Koloniën in 1878, achtten, zooals men zien zal, één jaar voldoende.

Destijds stelde dit departement meer prijs op het gehalte van de voor zijn dienst bestemde staatsingenieurs, dan thans het geval schijnt, en trok volgenderwijze de beste in Delft aanwezige krachten tot zich.

Jaarlijks werden, ik meen van af 1874, jongelui, die een goed afgelegd examen B achter den rug hadden, opgeroepen zich voor den Indischen staatsdienst te verbinden, op voorwaarde van f 800 toelage gedurende beide laatste studiejaren, en na afgelegd eind-examen f 100 wachtgeld voor elke maand verblijf in Nederland en f 2500 voor uitrusting bij vertrek naar Indië.

Uit de velen, die zich bij hem aanmeldden, koos de directeur der Pol. School naar de ranglijst van het examen de eersten, en verzekerde zoo aan het Indisch ingenieurkorps een gezonde aanvulling.

Van 1874 tot 1877 zond men, om aan de dringende eischen van meer personeel uit Indië te voldoen, de jonge staats-inge-