is toegevoegd aan je favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 6, 1891, no 42, 17-10-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

388

eene kleine bijdrage mocht desnoods aan de belanghebbenden worden opgelegd. In stede van de Berkel te verbeteren, make men een waterafvoerkanaal van de Pruisische grens tot de Avinksluis en van daar naar Deventer.

De heer Van der Borch had zeker beter gedaan maar liever te zwijgen ; zijne bekeering, die hij zoo hardnekkig ontkende, bleek maar al te zeer uit de »Handelingen" der Kamer zelf. De heer Borgesius had de bewijzen bij de hand. «Men zou inderdaad een onrecht plegen door een subsidie op te dringen aan eene streek, die zich zelve wil helpen.» Deze woorden sprak de heer Van der Borch kort voor de stemming over het bedoelde wetsontwerp.

Van meer belang dan de onstandvastige zienswijze van den heer Van der Borch, is die der Regeering.

De Minister van Waterstaat, H. en N. verklaarde doordrongen te zijn van het groote belang, dat ter sprake was gebracht; de schade in het oostelijk deel van ons land gedurende de laatste drie jaren door het water aangebracht, mag op een verlies van kapitaalswaarde van wellicht enkele millioenen worden geschat. Maar de bewering dat men dit niet had kunnen verwachten was onjuist. Reeds in 1842 werd in een boekje: De Berkelnooden, Handboek voor verdrinkenden en liefhebbers van varen (1), de allerbedroevenste toestand geschetst, en sedert is nagenoeg niets ter verbetering gedaan. Betreffende de eerste vraag van den heer Van der Borch, kon de Minister mededeelen, dat het onderzoek, waartoe in 1889 besloten werd, zich zou uitstrekken over de Westerwoldsche Aa, het Hoornsche diep, de Oostermoersche vaart. hetPeizerdiep, de Linde, de Oude Vaart, de Reest, de Vecht, de Regge, de Eem, de Aa, de Donge, de Mark, de Dintel, de Rozendaalsche vliet, de Steenbergsche vliet, de Oosterhoutsche haven en de Roer. De Berkel en de Schipbeek waren daaronder niet begrepen, omdat daarvoor reeds vroeger opmetingen hadden plaats gehad. De metingen zijn nog niet ten einde gebracht. Het onderzoek van de Eem en de Roer zal dit jaar afloopen, dat voor de andere rivieren zal niet vóór den zomer van 1892 gereed zijn.

Betreffende de tweede vraag, of de Regeering voornemens is van Rijkswege verbetering aan te brengen in den waterafvoer langs de kleine rivieren, die haren oorsprong in het buitenland hebben, liet de Minister zich voorzichtig uit. De quaestie of het Rijk verplicht is de kleine rivieren, die voorzoover bevaarbaar en vlotbaar, Staatseigendom zijn, te onderhouden, liet hij in 't midden, maar wees er op dat verplichting tot onderhoud nog niet in zich sloot verplichting tot verbetering, bepaaldelijk waar het belangen der afwatering geldt. Hij stemde toe dat in den afvoer van buitenlandsch water eene aanleiding kan gelegen zijn tot eene Rijksbijdrage voor de verbetering van kleine rivieren. Maar daaruit volgde z. i. logisch, dat de Rijksbijdrage, voorzoover die op dezen grondslag wordt verleend, afhankelijk zou moeten zijn van de hoeveelheid buitenlandsch water, die door elke kleine rivier wordt afgevoerd. Verbetering geheel van Rijkswege van alle kleine rivieren, die hun oorsprong in het buitenland hebben, zonder onderscheid wat de grootte, het belang dier verbetering en de hoeveelheid buitenlandsch water betreft, is van de. Regeering' niet te wachten. Intusschen verklaarde de Minister overtuigde te zijn dat de verbetering van eenige kleine rivieren, zoowel van buiten- als van binnenlandschen oorsprong, van zoo urgenten aard is, dat zoo spoedig mogelijk een regeling daarvan aan de Kamer zal worden onderworpen.

Dat de heer Van der Borch niet voldaan zou zijn met deze verklaring, was te verwachten. Ook de heer G. Van Dedem drong sterk aan op verbetering van Rijkswege. Erkennende dat de wijze van hulpverleening geheel moest afhangen van de omstandigheden, wees hij op den grooter wordenden waterafvoer en de toenemende hooge waterstanden, o. a. op de Vecht, en op de onmogelijkheid om door een betrekkelijk klein waterschap den waterlast te laten dragen van een groot daarbuiten gelegen gebied. Ook stelde hij in het licht, dat de kosten van rivierverbeteringen steeds vooraf moeielijk juist te begrooten zijn, en daardoor de op een vast plan gebaseerde subsidie te groot of te klein kan uitvallen.

Deze opmerking is niet ongegrond en de gevolgen der onzekerheid of de gewenschte verbetering voor de geraamde som te maken is en inderdaad doeltreffend zal zijn, mogen niet later zwaar gaan wegen op de meestal reeds zeer beproefde landstreek. Ook is de grootte van het stroomgebied binnen- en buitenslands noch de hoeveelheid afgevoerd water een goede maatstaf voor eene redelijke verdeeling der kosten. Dat ook het algemeen belang in hooge mate is betrokken bij de welvaart van de landstreken langs de kleine rivieren is onbetwistbaar en mede op dien grond is Rijkshulp, waar particuliere krachten te kort schieten, wenschelijk en billijk — niet alleen, omdat de kleine rivieren als bevaar- of vlotbaar Rijkseigendom zijn.

Het meest doeltreffend ware het wellicht, de bijdragen der direct betrokkenen onafhankelijk van de totale kosten te regelen in verband met de waarde en de opbrengst der gronden en naar de vermoedelijk te bereiken waardevergrooting en vermeerdering in opbrengst, tengevolge der verbetering, en overigens alle verdere kosten te brengen voor rekening van den Staat.

Ongetwijfeld is eene goede regeling moeilijk en eene gelijkvormige regeling waarschijnlijk niet mogelijk. Te hopen is het, dat beginselquaestiën, de vraag, wie in 't algemeen verplicht is de verbetering van alle kleine rivieren uit te voeren, het Rijk met bijdragen der betrokken streek, of de streek (Provincie of Waterschap) met subsidie van het Rijk, en de niet minder gewichtige vragen betreffende het onderhoud en latere noodig wordende verbeteringen, geen aanleiding zullen geven

(1) Door een destijds anonym schrijver, de heer W. C. A. Staring. | Men zie verder „De Ingenieur" 1891, No. 1.

tot lang uitstel; de urgentie der verbetering van enkele riviertjes eischt dit. Men helpe daar waar men gereed is en handele naar omstandigheden.

De Regeering schijnt voornemens in dien geest te werken. Adressanten uit Winterswijk, enz. kregen toch bericht, dat eene regeling in voorbereiding is, waardoor de verbetering van eenige kleine rivieren op voldoende wijze zal worden verzekerd.

***

In dezelfde zitting volbracht de Tweede Kamer een daad der rechtvaardigheid. Bij den bouw der Missigit te Atjeh had de aannemer, de [uitenant der Chineezen te Oleh-leh Lie A Sie op aanraden van den toezicht hebbenden bouwkundige de voorgeschreven gietijzerwerken van zwaardere afmetingen laten maken dan in het bestek was voorgeschreven, en wel omdat de voorgeschreven stukken, die van elders moesten worden aangevoerd, bij de bepaalde afmetingen dat vervoer niet konden weerstaan. Voor die meerdere levering vroeg hij vergoeding, eene aanvraag, die door de autoriteiten bij de Indische Regeering werd ondersteund. Bij besluit van den Gouverneur-Generaal van 26 April 1883 werd echter de aanvraag afgewezen, omdat de wijzigingen niet waren voorgeschreven. De luitenant der Chineezen richtte zich hierop tot de Tweede Kamer en na de inlichtingen door den Minister van Koloniën hierop verstrekt, nam deze zonder hoofdelijke stemming de conclusie der Commissie aan, luidende dat eene beslissing in den geest der autoriteiten, die bet verzoek bij de Indische Regeering ondersteund hebben, haar billijk toeschijnt en geenszins in strijd is met het bij het besluit van den Gouverneur-Generaal uitgesproken juiste beginsel.

De heer Kielstra, die eerstaanwezend genie-officier te Atjeh was, toen de Missigit werd gebouwd, had vooraf verklaard, dat de billijkheid en de goede trouw de aanneming van de conclusie der Commissie volstrekt eischten, en de billijkheid tevens meebracht den adressant schadeloosstelling te geven voor het geleden renteverlies. Deze meening vond steun bij den voorzitter der Commissie, den heer Keuchenius, die er bij den Minister op aandrong om in plaats van de door de Indische autoriteiten voorgestelde som van f 29,976, aan den luitenant-Chinees het door hem zelf gevraagde bedrag van f 34,283.55 uit te betalen.

Tot rapporteurs over Hoofdstuk IX der Staatsbegrooting en over de begrooting voor den aanleg van Staatsspoorwegen voor 1892 zijn benoemd de heeren Schepel (voorzitter), Zijp, Conrad, van Gijn en Dijckmeester. Ss.

Weerkundige waarnemingen te Utrecht, 8 uur voormiddag.

Barometer- j w nfl ' Windkracht, I Tempera- | Gevallen

DATUM. stand in JÏmw volgens de tuur, graden | regen in

mM. ricjung. lna sch Celsius j mM.

9 Oct. 1891. 759.6 Z. 1 12 0

10 „ „ 761.1 Z.Z.W. 0 14 0

H * * — — ~ ~

; < 748.3 Z.Z.O. 1 16 0

13 „ „ 752.9 Z.Z.O. 0 10 5

14 „ „ 749.7 Z.Z.W. 4 14 4

15 „ „ 758.0 Z.Z.O. 2 11 0

Rivierberichten

Waterhoogten, in Meters -4- A.P. 8 uur voormiddag.

Keulen. xtiimt, Arn. IWester- Maas-

1891. 7 uur Lobith. kern Toort' trioht Venl°' GraTe

•sm. g jjzelft.pl. (brug).

10 Oct. 37.78 10.42 8.00 8.43 8.94 41.94 9.26 5.17

11 _ 37.75 10.37 7.94 8.42 8.89 42.12 9.26 5.17

12 37 72 10.33 7.91 8.37 8.85 41.93 9.40 5.16

13 „ 37.76 10.30 7.87 8.33 8.83 41.92 9.28 5.20

14 37 72 10.32 7.87 8.35 8.86 41.96 9.23 5.18

15 „ 37 68 10.30 7.88 8.33 8.85 41.99 9.27 5.15

16 37.64 10.27 7.84 8.31 8.82 41.98 9.32 5.18

m . * MaasKeul. Lob. Nijm. Arnh. ^Xug ÖioM Tenlo Grave I p.s. 1 brug' |

Nul der oude schaal. 35.85 13.91 6.22 6.95 — 7.37 42.20 — 4.85

Laagste stand bij open water te Keulen en te Maastricht, met daarmede overeenkomende standen.... 36.85 9.37 6.87 7.51 8.02 7.87 41.70 8.85 4.85

Standen overeenkomende met 1.50 M.

+ peil te Keulen . . 37.35 9.79 7.60 7.88 8.38 8.21 — — —

Gem. zomerst. (1 Mei nm

tot 1 Nov.) 1881—90. 38.66 11.25 8.72 9.00 9.53 9.38 42.87 10.13 6.04

Merk III. (Verbod

van stoomvaart) . . . 43.65 15.70 12.62 12.71 — — — — —

open water ^ . ^ 45.36 16.68 13.50 13.28 13.92 13.57 46.95 18.33 11.26

open water

„De