is toegevoegd aan je favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 13, 1898, no 6, 05-02-1898

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M «•

Holland beproefden in 1730 het gebruik er van tegen den | paalworm, voor welk doel het ook in 1824 door Sm Humphry Davy in de Encyclopaedia britannica werd aanbevolen.

Het eerste patent van Kyan voor de behandeling van hout met sublimaat dateert van 1832 en de gunstige resultaten, die hij reeds spoedig verkreeg, hadden een zeer snelle verspreiding van dit procédé ten gevolge.

De Engelsche admiraliteit liet het beproeven voor de bereiding van scheepshout en moest ondervinden, wat een eeuw te voren de Hollandsche Ingenieurs reeds hadden ervaren, dat deze bereidingswijze voor door water bespoelde constructiën geen waarde heeft, wat trouwens van iedere bereiding met metaalzouten gezegd kan worden.

Voor de bereiding van dwarsliggers wordt het procédé Kyan tegenwoordig, zoover ons bekend, nog slechts gebezigd door vier spoorweg-directiën, met name de Badische, de Beijersche en de Hessische Staatsspoorwegen en de K. E. D. Frankfort der Pruisische Staatsspoorwegen.

Kopersulfaat werd reeds in 1767 aanbevolen door de Boissieu en Bordenave, terwijl Margary in 1837 een patent nam voor de behandeling van hout met kopersulfaat en koperacitaat. Voorde bereiding van telegraafpalen vindt het thans nog een vrij algemeen gebruik; voor de bereiding van dwarsliggers echter wordt het slechts sporadisch gebezigd ; zooverre wij konden nagaan, in Beijeren, Oostenrijk en Frankrijk. (1) 't Gebruik van chloorzink, in 1815 aanbevolen door Thomas Wade en in 1837 door Boucherie, werd in 1838 gepatenteerd door Sir William Burnett. Dit procédé is in den aanvang zeer vooruitgedreven door de Engelsche admiraliteit en heeft ook spoedig eene vrij groote verbreiding gevonden voor de bereiding van dwarsliggers, voornamelijk in Frankrijk en Duitschland; nog heden ten dage is het eene der meest gebruikelijke wijzen van bereiding voor dat doel.

De eerste vermelding van het gebruik van gasteer voor houtbereiding vindt men in een patent van Frans MoLLvan 1836; te voren had men voor dit doel slechts teeren van plantaardige afkomst gebruikt.

De bereidingswijze van Moll omvatte twee gescheiden behandelingen; de eerste had ten doel het hout te verzadigen met de dampen der lichtere teeroliën, terwijl het bij de tweede behandeling met de zwaardere oliën in verwarmden toestand doortrokken werd; de eerste behandeling diende als voorbereiding voor de tweede en beoogde het indringen voor de zwaardere oliën — het werkzame antisepticum — gemakkelijker te maken.

Dit procédé was omslachtig en onnoodig kostbaar; het effect der eerste behandeling werd — terecht — in twijfel getrokken. Het gaf echter den stoot aan de uitvinding van een werkelijk bruikbaar procédé, dat men verschuldigd is aan John Bethell; in het patent, gedateerd Juli 1838, worden aardwas en tal van teersoorten, oliën en mengsels genoemd,

rlip vnnr 't, doel ffescbikt ziin.

Het patent noemt den naam „creosoot" of „creosoteeren" niet; en toch wordt 't proces vrij algemeen, zij 't ook ten onrechte, met dezen naam bestempeld.

f)e reden hiervan is daarin te zoeken dat, ten tijde dat het

onderscheid der samenstelling van houtteer en steenkolenteer nog niet bekend was, het phenol (carbolzuur) een der bederfwerende bestanddeelen van steenkolenteer, verward werd met de in houtteer voorkomende creosoot, waarmede het niets als den scherpen geur gemeen beeft. Creosoot dat slechts eenige etherische derivaten van phenol bevat, komt als zoodanig in steenkolenteer niet voor.

Bethell beval in 't bijzonder een mengsel aan van uit teer gedistilleerde olie met ^3 tot de helft teer en zelfs noS in 1849 wordt in de licenscontracten van eene bijmenging van teer gesproken.

Merkwaardig is het te vernemen dat in dien tijd het gebruik van niet vermengde teerolie meermalen geweigerd werd. Weinig later moet men bemerkt hebben dat het gebruik van uit teer gedistilleerde olie alleen te verkiezen was boven 't mengsel en in bestekken dier dagen kan men meermalen de merkwaardige tegenstrijdigheid voorgeschreven vinden „dat

(1) De bereiding van Margary geschiedde, evenals die van Kyan, door indompeling. In 1841 nam Dr. Boucherie een patent op de bereiding met kopersulfaat door middel van hydrostatischen druk ; met kopersulfaat bereide telegraafpalen zijn uitsluitend volgens dit proces behandeld.

„het hout volgens Bethell's patent bereid moest worden en „de creosoot geen steenkolenteer mocht bevatten".

Alvorens na deze geschiedkundige aanteekeningen in nadere beschouwing te treden van de beide laatste en meest belangrijke der genoemde wijzen van houtbereiding, is het noodig het rottingsproces te beschouwen van het thans daaromtrent aangenomen standpunt.

Een deel der sapbestanddeelen van het hout bezit de eigenschap bij temperaturen tusschen 0° en 70° C. onder toetreding van lucht en vocht aan ontleding onderhevig te zijn.

Al naarmate de verhouding waarin vocht en lucht samenwerken heeft het proces meer of minder vlug plaats en neemt het voor 't ongewapend oog een anderen vorm aan; zoo spreekt men — ofschoon in het wezen der zaak geen scherp onderscheid is te maken — van verstikking, vermolming en rotting. .

Voor de vernieling der spoorwegdwarsliggers is voornamelijk; de laatst bedoelde vorm van beteekenis.

De houtvezels zelve, die uit 51.92 pCt. koolstof, 42.31 pCt. zuurstof en 5.77 pCt. waterstof bestaan, . zijn, wijl zij geen stikstof bevatten, niet onmiddellijk aan ontleding door rotting blootgesteld; evenmin staan daaraan in de eerste plaats bloot de in het hout voorkomende stikstofvrije stoffen als suiker, gummi, dextrine, zetmeel — de z. g. n. koolhydraten — verbindingen van koolstof, waterstof en zuurstof, welke hun naam daaraan ontleenen dat de molecuulverhouding van de waterstof en zuurstof daarin dezelfde is als bij het water (C„. Hl,n Om.)

De looistoffen en harsen werken de ontleding van het hout chemisch en mechanisch tegen; de in groote hoeveelheden voorkomende stikstofrijke bestanddeelen der houtsappen daarentegen als planten] ij in, plantenslijm en eiwit zijn in hooge mate daarvoor vatbaar. Liebig was de eerste die een wetenschappelijke theorie omtrent het rottingsproces verkondigde. Hij meende dat de moleculair beweging van een zich ontledende stof — de oorzaak van het ontledingsproces — op een andere daarmede in aanraking zijnde stof kon overge¬

dragen worden zonder medewerking van micro-organismen. Het eiwit, zoo van het bloed als van het plantensap, zou, zoodra het leven had opgehouden, ontleed worden en de ontleding op de andere stoffen overdragen; het rottingsproces zou kunnen worden tegengegaan door het eiwit in vasten onoplosbaren vorm te brengen.

Volgens deze theorie moet men de werking der bederfwerende stoffen dus daaraan toeschrijven dat zij het eiwit doen stollen, coaguleeren.

Hoe weinig echter het stollen van het eiwit de ontleding tegenhoudt blijkt reeds daaruit, dat een hard gekookt ei in de buitenlucht zeer spoedig een rottende massa wordt. _

Verschillende proeven hebben bewezen dat, als eiwit gecoaguleerd is geworden door krachtige in water oplosbare of vluchtige bederfwerende stoffen, het ontledingsproces niet duurzaam tegen gehouden kan worden.

In albuminaten, door oplossingen van chloorzink, koper sulfaat en sublimaat gevormd, die, na herhaald gewasschen te zijn, aan de lucht werden blootgesteld, begon de ontleding na 2-45 dagen, terwijl deze na 6—60 dagen geheel verrot waren.

Deze resultaten toonen voldoende de onjuistheid aan van de Liebigsche theorie, volgens welke het coaguleeren van het eiwit alléén voldoenden waarborg tegen de ontleding zou geboden hebben, ook nadat de bederfwerende stoffen door lucht en water daaruit verwijderd waren; de bederfwerende werking dezer stoffen moet dus op anderen grond berusten.

Een beter licht werd op deze zaak geworpen door Pasteur, die aangetoond heeft dat de organische ontleding de aanwezigheid vereischt van levende kiemen (micro-organismen), die de eigenlijke dragers van het ontledingsproces zijn.

Deze micro-organismen vinden in de stikstof houdende bestanddeelen van het houtsap-rijke voeding en een milden bodem om zich te vermenigvuldigen. Het rottingsproces houdt nu met hun bestaan in zooverre verband, dat de micro organismen stofwisselingsproducten afscheiden, z. g. n. fermenten, welke de houtvezels aantasten, waarschijnlijk zonder zelve in 't chemisch proces mede inbegrepen te worden, m. a. w. zonder wijziging van eigen chemische samenstelling.

Worden dus de micro-organismen vernietigd, dan is het hout tegen ontleding beschermd tot zich nieuwe kiemen ontwikkelen. De lucht en het vocht brengen deze nieuwe kiemen