is toegevoegd aan je favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 13, 1898, no 19, 07-05-1898

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M 1».

•248

filtreerend vermogen van den bodem groot genoeg is om de bacillen uit de rivier tegen te houden en derhalve besmetting van het drinkwater door pathogene kiemen te voorkomen.

De meest geschikte terreinen voor een grondwatervoorziening zijn de ongecultiveerde, m. n. de duinen en heidevelden.

Binnen de waterscheidingen en boven de prise d'eau verbiede men zoo mogelijk elke bebouwing; door bebossching kan het terrein rentegevend gemaakt en tevens een gunstige invloed op den neerslag uitgeoefend worden.

Teneinde verontreiniging van het grondwater in de omgeving van het pompstation der stedelijke waterleiding te voorkomen, laat het gemeentebestuur van Fürth de hem toebehoorende weilanden, ter grootte van + 13 H.A. met kunstmest bemesten.

Bij welputten voor huiselijk gebruik en openbare pompen kan niet zoo exclusief worden te werk gegaan. Wel kunnen de reeds vroeger door mij besproken maatregelen genomen worden om het gevaar voor vervuiling te beperken, doch niet altijd kan men het geheel afwenden.

Het grondwater onder de bebouwde kommen is door het scheikundig onderzoek in een kwaden reuk gekomen.

Voor mij liggen o. a, 15 analyses van welwater uit een zelfde dorp. Van slechts één pomp werd hef water vrij bevonden van ammoniak en salpeterigzuur, terwijl in de overige monsters, zoo niet beide, dan toch éen dezer stoffen werden aangetroffen. Indien — gelijk hier het geval is — de zandlagen boven het grondwater slechts een geringe dikte bezitten, dan zal dit water naar alle waarschijnlijkheid ook bactereologisch slecht zijn en derhalve uit een hygiënisch oogpunt moeten afgekeurd worden.

Wanneer de wel ongeveer 4 meter beneden de oppervlakte ligt, is zij echter, evenals de bodem op die diepte, kiemvrij.

Op enkele punten werden reeds op 2 meter geen bacteriën meer aangetroffen, terwijl zij op andere plaatsen nog op 5 a 6 meter aanwezig waren.

Nabij de oppervlakte komen de bacteriën dikwijls in groote hoeveelheden voor, doch als de bodem uit fijnkorrelig materiaal bestaat, worden zij spoedig tegengehouden.

De hier oorspronkelijk wellicht aanwezige grootere scheuren | en poriën zijn — behoudens enkele uitzonderingen — door \ kleinere korrels en slib opgevuld. Het regenwater — en alleen met dit kunnen de micro-organismen in de diepte doordringen — wordt in deze lagen capillair vastgehouden en zakt alleen wanneer het door een volgenden neerslag omlaag gedrukt wordt. De regen zal dientengevolge veelal maanden en jaren noodig hebben om een grondwaterspiegel, welke 4 k 5 Meter beneden den beganen grond ligt, te bereiken.

Geraken dus pathogene kiemen op den bodem, dan blijven zij gewoonlijk in de bovenste lagen liggen. Mochten de komma- en typhus-bacillen echter dieper doordringen, dan zullen zij op dien langen weg te gronde gaan, in geen geval reeds op 3 Meter diepte meer leven kunnen.

Toont de bactereologische analyse aan dat een prise d'eau binnen de kiemvrije zone gelegen is, dan dient deze tegen besmetting uit lagen aan de oppervlakte gevrijwaard te worden. Ben gemetselde put moet men dus waterdicht optrekken van af de vereischte diepte van jh 4.5 Meter. Om te voorkomen dat vervuild water langs de wanden vloeit, wordt de put nog omringd door impermeabel of goed filtreerend materiaal als: beton, leem of fijn, scherp zand.

Een door minstens 4 Meter zand, goed gefiltreerd putwater is meestal helder, kleurloos, reukeloos en zonder bijsmaak.

Op grootere diepte, bijv. 6 Meter, is het tevens koel en van een gelijkmatige temperatuur.

Naar aanleiding van het boven besprokene, kunnen wij de verschillende watervoorzieningen rangschikken naar hare hygiënische waarde en verkrijgen dan de volgende dalende reeks: Grond- en ondergrondwater, kunstmatige reservoirs, meren, bronnen, rivieren en beken. Regenwater zal gewoonlijk slechts bij gebrek aan beter gedronken worden.

Meer dan een algemeene beteekenis mag aan deze indeeling niet gehecht worden; men zou veel te ver gaan door haar voor elk bijzonder geval te willen volgen. Daarenboven is de keus veelal beperkt en meermalen moet men zijn toevlucht nemen tot een inferieure watersoort, daar een goede niet in voldoende hoeveelheid voorhanden is.

Onderzoek naar de theorie der Beton- en cement-ijzer constructiën

DOOR

L. A. SANDERS,

technisch ambtenaar bij de Amsterdamsche Fabriek van Cement-ijzer werken,

Systeem „Monier".

(Slot; Vervolg van bladz. 236.)

HOOFDSTUK IX. Regels afgeleid uit de betrekkelijk algemeene theorie.

1°. De constructeur heeft het in zijn macht de ligging van de neutrale laag —, voor een voorzien belastingstadium of uitwendig moment —, te bepalen.

Hij doet dit door rekening te houden met de meestentijds verschillende waarden van E,d en E}t bij ongeveer 2/3 van de denkbeeldig aangenomen rand spanningen St en Sd.

Naar die aangenomen waarden bepaalt hij de ligging van de neutrale laag door er voor te zorgen dat op een bepaalden afstand e, uit den onderkant van de constructie, de noodige doorsnede ƒ van het ijzer wordt aangebracht.

2°. Uit de formules blijkt dat men, door het inbrengen van een ijzerschicht in een betonbalk, de neutrale laag verplaatst. De laatste verplaatst zich naar de richting waar het meeste ijzer wordt aangebracht.

3°. Men ziet dat, bij zuiver op buiging belast wordende cement-ijzer constructiën, de neutrale laag ligt ter hoogte van het zwaartepunt van eene, in verband met de verschillende elasticiteitscoëfficienten, uit de doorsnede afgeleide figuur.

Het bewijs hiervoor vindt men door uit de eerste betrekkelijk algemeene evenwichtsvoorwaarde of uit de in verband met de verschillende elasticiteitscoëfficienten uit de doorsnede afgeleide figuur de vergelijkingen voor z op te lossen.

In beide gevallen krijgt men steeds daarvoor dezelfde waarde.

4°. Het traagheidsmoment, betrokken op de neutrale laag van een zuiver op buiging belast wordende cement-ijzerconstructie, is gelijk aan dat van de reeds genoemde afgeleide figuur.

5°. De ligging van de neutrale laag kan —, bij platen of balken met enkel of dubbel ongelijk netwerk —, bij vergrooting of verkleining van het uitwendig moment, onmogelijk constant zijn. . _ ,

De reden hiervan is dat de waarde der elasticiteitscoëfficienten voor trek èn druk van de cement-beton niet en die van het ijzer of metaal, binnen zekere grenzen wel constant zijn.

Zelfs al nemen Exd en E{t gelijkmatig toe of af, dan kan in vorengenoemde gevallen de ligging van de neutrale laag onmogelijk constant blijven.

Deze zal zich als volgt verplaatsen:

a. wanneer Exd en Ett afnemen [het moment wordt dus grooter] (en ƒ groot genoeg is) :

le. bij platen met enkel netwerk naar de richting van de ligging van dat netwerk;

2e. bij platen met dubbel ongelijk netwerk, op gelijke afstanden uit onder- of bovenkant, naar de richting van de ligging van het zwaarste netwerk;

b. wanneer Exd en Ett afnemen [het moment wordt dus kleiner] heeft het omgekeerde plaats.

Wanneer dubbel gelijk netwerk is ingebracht, op gelijke afstanden uit den 'onder- en bovenkant van de plaat, zal de neutrale laag bij gelijkmatige toe- of afname van Etd en Ett constant zijn, en dit is zelfs nog het geval wanneer

van den aanvang af grooter of kleiner is dan 1.

ïs dubbel gelijk netwerk ingebracht, op ongelijke afstanden uit den onder- en bovenkant van de plaat, dan zal de neutrale laag zich, bij gelijkmatige toe- of afname van Etd en Ett, verplaatsen, en wel:

1". bij afname van Exd en Ext naar de zijde van den

kleinsten afstand e, en 2e. bij toename van Exd en Ett naar de zijde van den

grootsten afstand e.