is toegevoegd aan uw favorieten.

Caecilia; algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland jrg 69, 1912 [volgno 7]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1

de „bronader van Rotterdam", beschouwde de feestgenooten ook als hare gasten, evenals de Officieren-sociëteit in het Park, die o. m. een „verlichting" gaf, waarvan een „Gallico-Hollander" verklaarde, dat hij het in Parijs nooit schooner gezien had. Dan was er 12 Juli 's avonds een allerschitterendst Venetiaansch feest op de Maas, vuurwerk, serenades, enz enz. Dit alles moge van minder muzikaal belang zijn, doch ik releveer het maar even om aan te toonen, hoe zeer Rotterdam zich beijverde, om van dit feest een feest in alle opzichten te maken, en hoe men algemeen was doordrongen van de groote beteekenis der gebeurtenis. Het was dan ook een evenement dat zelfs nu zeer belangrijk mocht worden genoemd — hoeveel te meer dan niet in dien tijd! En dat pas 25 jaar nadat de toonkunst sedert eeuwen weer als een soort koorddanserij werd beschouwd. Een heerlijke voldoening voor den scherpzienden Vermeulen, aan wiens initiatief dit in de eerste plaats toch was te danken!

(Slot in Tiet volgend nummer.)

NATIONAAL-NEDERL. VOLKSLIEDKUNST door dr. herman f. wirth.

In het jaar 1905 werd door de voormalige Vereeniging voor Noord-Nederlands Muziekgeschiedenis een prijsvraag uitgeschreven over de kwestie, of er ooit een Nederlandsch volkslied bestaan had, of men dus van een nationaal-Nederlandsche liedkunst kon spreken. Deze vraag bleef onbeantwoord. En toen aan 't, begin van 't vorige jaar mijn boek „Der Untergang des niederlandischen Volkslied" verscheen, herinnerde Enschedé in zijne aankondiging ') van het werk aan deze vraag, waarop geen antwoord was gekomen. Alvorens de kwestie zelf te kunnen benaderen, acht ik 't noodzakelijk de a-prioristische vraag te stellen: Wat is Nederlandsch? Dekt het begrip „Nederlandsch" de enkele staatkundige verhouding; is iemand Nederlander, omdat hij binnen zekere willekeurige en toevallige politieke grenzen geboren is? Is iets Nederlandsch omdat 't toevallig binnen die grenzen ontstaan is? Of vooronderstelt deze benaming nog geheel andere, diepere en meer eigenlijke kenmerken? Een dergelijke benaming zou eerst dan toegepast kunnen worden, als het in aanmerking komende voorwerp de bepaalde kenteekenen eener geographische, ethnologische, enz. constellatie draagt, waaruit dit begrip eerst wordt afgeleid. Men dient dus b.v. wel een onderscheid te maken tusschen de geschiedenis der muziek in Nederland of Nederlands muziekgeschiedenis en de geschiedenis der Nederlandsche muziek. Het eerste bevat ook de uitheemsche invloeden, de internationale kunstvormen, waarbij van een mode-richting en niet meer van een eigen nationale kunst sprake is. Het tweede zou dan alleen het typisch-Nederlandsche, het karistiek-volksaardige, het nationale onzer toonkunst bevatten. Er wordt b.v. nu veel in Nederland door Nederlanders gecomponeerd, wat even goed ergens anders in een groote wereldstad zou kunnen gemaakt zijn: een dergelijke internationale mode-richting is 't huidige (dis)-harmonische impressionisme, het secessionisme in de toonkunst, dat zich van melodie en rhythme (de karakteristieke kenmerken van den nationalen volksmelos) geëmancipeerd heeft, en evenzeer de „ewige Melodie" cultiveert, als weleer zijn voorgangers, de contrapuntisten der 16de eeuw, met hun imiteerenden a-capella vocaalstijl, een

') Tijdschrift der Vereeniging voor Nederlandsche Muziekgeschiedenis. Deel IX. 3e stuk, blz. 179.

175