Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

17

Jager". Vooral het nummer uit „Lakmó" werd door haar op prachtige wijze voorgedragen en mocht het gebruikelijke toegiftje natuurlijk niet ontbreken. Het orkest opende den avond met eene Symphonie van Borodine, wiens werk niet bijzonder boeiend is te noemen, daarentegen hoorde ik met veel genoegen het Voorspel van „Fervaal" van Vincent d'Indy. Het programma werd besloten met de Noorsche Rhapsodie no. 3 van Joh. Svendsen.

Voor de leden van het Concertgebouw was het optreden van den pianist Harold Bauer op het buitengewoon abonnements-concert van 5 Januari jl. geen noviteit; ongeveer een jaar geleden was het, dat hij aldaar voor de eerste maal optrad. Ik vond de keuze zijner stukken toenmaals beter dan nu. Als hoofdnummer vertolkte hij het Concert (op. 15 d kl. t.) van Brahms, dat voor den door hem bespeelden Erard-vleugel niet bijzonder geschikt was en daardoor ook niet geheel tot zijn recht kwam. Voor het overige werd dit werk door hem op meesterlijke wijze ten gehoore gebracht. Verder werden eenige kleinere stukken voorgedragen: a. Etude (op. 104 bes kl. t) van Mendelssohn, b. Prélude (op. 28 no. 17, As gr. t.) en c. Hongaarsche Rhapsodie no. 13 van Liszt; dit laatste vooral droeg hij met de grootste virtuositeit voor en ten slotte een extra-nummer, nl. Etude van Henselt: „Si oiseau j'étais". De orkestnummers waren: Ouverture „Die Pingalshöhle, Prélude (2de acte) van de opera „Gwendoline" van Chabrier en „Der Ritt der Walkuren" van Wagner.

De derde kamermuziek-soirée van Toonkunst had plaats op Zaterdag 7 Januari jl. Het programma bevatte : „Trio" voor piano, viool en violoncel van Smetana, Sonate (op. 45) van Grieg, voor viool en piano, en Kwartet (op. 26, A gr. t.) van Brahms. De uitvoerenden: de heeren Röntgen, Cramer, Hofmeester en Mossel, hadden veel succes.

ROTTERDAM.

De tweede kamermuziek-soirée had op 5 Januari plaats en bracht ons, behalve de Strijkkwartetten D-mo\ van Mozart en £>-mol (nagelaten werk) van Schubert, eene Sonate (n°. 2 op. 19, ^4-mol) van A. Rubinstein, voor piano en viool; aan het klavier had de heer Sikemeier plaats genomen, waarmede voor wie hem kennen genoeg gezegd is. Voor anderen zij dan nog geconstateerd dat hij het moeilijke .werk volle recht liet wedervaren, en wederom schitterde als talentvol pianist. Het kwartet behaalde weder een triomf, het was werkelijk héél mooi wat het deed, en riep de beste tijden dezer vereeniging bij de anderen in 't geheugen terug, en ook in Rubinstein's Sonate speelde de heer Wolff heerlijk; deze uitvoering van dit werk door Sikemeier en Wolff zal niet licht vergeten worden! Ten slotte het kwartet geëerd door het noemen der namen : L. Wolff, A. J. Schnitzler, M. Meerlo en Oscar Eberle.

ARNHEM.

Onze stad is rijk aan componisten en tot de ijverigste onder hen behoort ongetwijfeld de heer A. H. Amory. Deze talentvolle en hoogst bekwame kunstenaar heeft hier vooral door zijn Orkestsuites een geachten naam verworven. Van zijn overige werken is het een en ander ook elders uitgevoerd: een Gavotte werd indertijd door de Philharmonische kapel te Scheveningen gespeeld, een Cantate en een kleiner koorlied van zijne hand zong men op meer dan één plaats ter gelegenheid der inhul¬

digingsfeesten. Daarentegen bleef zelfs bij ons onbekend wat hij op het gebied der kamermuziek leverde, totdat hij onlangs door middel van een invitatie-concert aan een groot aantal stadgenooten een denkbeeld gaf van hetgeen hij in dit genre praesteert.

Voor strijkkwartet bleek de heer Amory, behalve een reeks „Bagatellen", waaruit wij een aardig, zeer levendig Scherzino hoorden, drie cyclische werken te hebben geschreven. Van deze laatste werd alleen het derde gedeelte ten gehoore gebracht. Het is grootendeels in polyphonen stijl gecomponeerd en eindigt met een uitvoerige fuga, waarin niet zonder een opmerkelijke virtuositeit allerlei contrapunctische kunstgrepen, als „Engführung" en combinaties der omkeering en vergrooting van het flinke thema met zijn oorspronkelijken vorm, zijn toegepast. Melodie in den zin van het gewone spraakgebruik brengt alleen het Andante, een zeer welluidend stuk met twee eenvoudige, zeer expressieve wijzen, die door sierlijke arabesken worden omrankt. In het eerste Allegro, waar door het contrast der beide thema's (het eene is energisch en heeft dalende beweging, het andere stijgt licht en bevallig omhoog), door de interessante motiefontwikkeling en de levendige polyrhythmiek der zeer zelfstandig behandelde stemmen de aandacht voldoende wordt geboeid, is het ontbrekende der cantilene niet hinderlijk; wel in het meer homophone Scherzo. Hetzelfde nam ook do componist bij de uitvoering waar en hij besloot aan het laatstgenoemde gedeelte een melodieus tweede trio toe te voegen, wat hij waarschijnlijk reeds gedaan heeft.

Van het eerste Kwartet werd het Adagio gespeeld, een eenvoudige uiting van vredige stemming; van het tweede de beide middelste deelen, een zeer expressief Andante en een gracieus, opgewekt Scherzo.

Verder hoorden wij van den concertgever een Ballade voor piano en viool, evenals de reeds genoemde werken nog in manuscript, en twee mannenkoortjes a cappella, I die bij den uitgever van Mastrigt alhier in druk zijn verschenen. De Ballade heeft wel wat te zeer het karakter eener improvisatie, maar interesseert door een mooi thema en bevat ook overigens veel belangwekkends. De mannenkwartetten zijn goed geschreven, maar maakten natuurlijk naast de strijkkwartetten een tamelijk zonderlingen indruk. Bovendien kan men niet zeggen, dat zij ons aangaande ; het talent van den auteur iets nieuws leerden.

Van de overige werken mag dat wel worden getuigd. | Dat de heer A.mory zich op het terrein der kamermuziek van zijn beste zijde zou doen kennen, was te voorzien. | Hij is namelijk als scheppend musicus meer teekenaar dan schilder : het contrapunct behandelt hij met veel talent, maar zelden of nooit bekoort hij door het rjjke, ■ warme, schitterende coloriet der hedendaagsche harmonie en instrumentatie. Voor zulk een individualiteit is natuurlijk het kamer-ensemble gunstiger dan het orkest. Maar ook zij, die dit overwogen hadden, zagen hunne verwachtingen overtroffen. De gedachte van den heer Amory zijn in den regel min of meer ascetisch; zijne schrijfwijze heeft een zekere stroefheid. En nu is het opmerkelijk, hoezeer zijn Strijkkwartetten zich van zijn andere composities onderscheiden door een meer ongedwongen vloeienden stijl en ook meermalen door grootere melodische charme.

De concertgever had niet den geheelen avond aan zijn eigen werken gewijd; na de pauze maakten wij kennis met een Strijkkwintet voor twee violen, twee alten en cello van onzen stadgenoot Arnold Wagenaar. ; Deze compositie heeft den vorm der klassieke modellen, maar de inhoud is door en door modern, zoowel door J de omstandigheid, dat het eerste Allegro en het finale

Sluiten