is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 14, 1885 (2e deel) [volgno 4]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

164

Deze beschouwing, zooals wij ons geschrift hebben genoemd, zullen wij verdoelen in drie deelen, die een geleidelijk overzicht over den actueelen toestand van die Rijken zullen geven, en hetgeen daarvan voor de toekomst is te wachten, namelijk:

1°. Het Vorstenhuis.

2°. Het huis van den onafhankelijken Prins. 3°. De Europeesche landhuurders.

Wij zullen hoofdzakelijk het rijk van Soerakarta behandelen, als zijnde het belangrijkste, terwijl buitendien op weinig verschil na, dat van Djocjokarta daaraan gelijk is.

Het Vorstenhuis.

Na aftrek van de 4000 djoengs grond, die volgens contract .met de Eegeering van Nederlandsch Indie aan den onafhankelijken Prins van het Mangkoe Negorosche huis, tot onderhoud van hem en zijn gezin en rijksgrooten, moesten worden afgestaan, heeft Z. H. den tegenwoordigen Keizer Pakoe Boewono IX de onbeperkte beschikking over alle andere gronden in zijn rijk.

Hij verdeelt die: R voor zich zelve, 2°. voor zijne familie en 30. voor rijksgrooten, familie en bedienden, die daaruit hun loon, hun onderhoud vinden.

Niemand buiten den Vorst, zijne familie en beambten heeft dus recht op eenig stukje grond, hoe klein ook.

Behalve de inkomsten van zijn land, en die van de kroon, heeft de Keizer van Soerakarta nog van het Nederlandsch Indische Gouvernement eene jaarlijksche toelage van ƒ600.000 voor het gemis der evengenoemde vier residentien, doch waarvan ongeveer V3 besteed wordt voor betaling van tractementen aan de voornaamste prinsen en dienstdoende officieren, bij de troepen van Zijne Hoogheid enz., die op het residentiebureau worden uitbetaald.

Hoewel der bevolking bij oude oorkonden en hanggars (wetten) zekere grenzen zijn verzekerd, waarbuiten de apanage-