is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 16, 1887 (1e deel) [volgno 3]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«5

meni heeft de buitenposten ingetrokken en de geconcentreerde stelling voltooid, zonder dat ons prestige er onder geleden heeft, zonder dat de vijand eenig voordeel heeft kunnen behalen. Integendeel, moeten zijne even kwaadaardige als machtelooze pogingen om nu en dan nog van zijn bestaan te laten hooren als zoovele bewijzen aangemerkt worden van zijn besef, dat wij eigenlijk onze positie door de concentratie niet verzwakt, maar versterkt hebben en dat het voor hem meer en meer eene hopelooze zaak wordt ons uit zijne dreven te willen verdrijven. Vergeleken bij onze sterke stelling rondom den Kraton, is inderdaad alles wat thans de Atjehers nog tegen ons kunnen, slechts kinderspel en zijn hunne ondernemingen veelal daden van diefstal en sluipmoord dan krijgsbedrijven dien naam waardig.

Ter eere van onze oorlogspartij zij gezegd, dat zij, althans op dit oogenblik, in het terugkeeren tot de geconcentreerde stelling berusten. In zooverre geeft zij bewijs van logica dat nu het Indische leger niet spoedig met een buitengewoon contingent geoefende soldaten uit het moederland kan worden versterkt, zij begrijpt dat er van groote offensieve bewegingen onzerzijds geen kwestie kan zijn. De ziekten, die de bezetting van Atjeh teisteren, hebben haar tot bedachtzaamheid gestemd. Liefde voor het leger, waartoe zij behoorden of nog behooren, heeft hier uitgewerkt hetgeen de beste argumenten der tegenstanders niet vermocht.

Treffend is het, dat op het oogenblik, dat de voorstanders van den oorlog a outrance ophielden ons op te zwepen tot steeds krachtiger optreden in Atjeh, een achtenswaardig oud lid der regeering van Nederlandsch Indie ons is komen verrassen met een diametraal tegenovergesteld denkbeeld, het denkbeeld namelijk van een semi volledige ontruiming van Atjeh. Vergissen wij ons niet, dan hebben wij dit denkbeeld reeds eenigen tijd in enkele Indische bladen zien opwerpen ; maar tot dus verre is nog niemand daarmede in het openbaar, met overtuiging en methodisch zooiils de heer Nederbtirgh, opgetreden.