is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; Orgaan van het Kon. Instituut van Ingenieurs- van de vereeniging van Delftsche Ingenieurs jrg 44, 1929, no 15, 13-04-1929

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A. 146

Algemeen gedeelte 15.

No. 15 — 1929

T IJ V ESSCH I L.

a. in regelmatig rivierbed, oneindig ver doorloopend.

b. in dezelfde rivier, op 30 km van den mond afgesloten.

Fig. 1.

die der Eemlagen, doch naar sprekers meening jonger. Spr. is van oordeel, dat deze stroomgeulen niet ouder kunnen zijn dan het latere gedeelte van den laagterrastijd (zie fig. 1 in sprekers Duinstudie XI, T. A. G., bl. 1-15). Het estuarium in den holoceenen tijd is derhalve voorafgegaan door een overeenkomstigen toestand in het laatste gedeelte van den bovenplistoceenen tijd en spr. komt tot het besluit, dat te dezer plaatse een uitmonding van het rivierwater steeds bestaan heeft sinds minstens 20.000 jaren.

Ir. TH. HEYBLOM. Kunstmatige invloeden in de benedenloopen van rivieren.

Kunstmatige beïnvloeding van den benedenloop eener rivier heeft plaats door verbeteringswerken, door onderhoudswerken en door werken die niet worden ondernomen met het doel om een bepaalden invloed op de rivier uit te oefenen.

Verbetering beteekent voor een rivier als den Rotterdamschen Waterweg: verbetering in het scheepvaartbelang; naarmate de verbetering in een verder gevorderd stadium is gekomen, worden wijzigingen in de breedte en in het beloop van de rivier zeldzamer en wordt beïnvloeding alleen van de diepte overwegend.

Baggerwerk tot vergrooting en tot onderhoud van de diepte wordt op den Rotterdamschen Waterweg in beteekenende hoeveelheden uitgevoerd: in de jaren 1911— 1920 werd gemiddeld ll/3 millioen m3 per jaar, in de jaren 1921—1928 gemiddeld 1 % millioen m3 per jaar tot dit doel gebaggerd. Behalve door dit baggerwerk wordt de doorgaande diepte in de rivier ook — direct dan wel indirect — beïnvloed door baggerwerk, ondernomen met het doel om zand te winnen voor ophoogingsdoeleinden, enz.; dergelijk baggerwerk werd beneden Krimpen aan de Lek sinds 1911 uitgevoerd tot een hoeveelheid van gemiddeld 1 millioen m3 per jaar. Voorts heeft nog invloed op den dieptetoestand van den Waterweg het baggerwerk op Lek, Nederrijn en Pannerdensch kanaal, aangezien daardoor de aanvoer van vaste stoffen, van boven af, beperkt wordt, terwijl ook als gevolg van de vergrooting der doorgaande diepte versterking van de getijbeweging op de geheele benedenrivier plaats heeft, hetgeen ook weer ten goede komt aan de gemakkelijke diephouding van den Waterweg; voor zandwinning werd boven Krimpen in de jaren 1911—1920 gemiddeld 600.000 m3 per jaar, in de jaren 1921—1928 gemiddeld 550.000 m3 per jaar, gebaggerd.

Voorzoover ook nu nog blijvende werken worden gemaakt ter verbetering van den dieptetoestand, dienen deze vrijwel uitsluitend om te bereiken, dat over de geheele lengte van den Waterweg met baggerwerken van redelijken omvang de verlangde diepte kan worden verkregen en in stand gehouden.

Ir. J. TH. THYSSE. Getijden en stormvloeden in den Maasmond.

Het getij in de riviermonden uit zich als een golf, die uit zee komende zich rivieropwaarts voortplant. Hoe die voortplanting geschiedt hangt van een groot aantal factoren af.

De belangrijkste van die factoren is de vorm van het rivierbed; verder speelt de afvoer en het verhang van de bovenrivier een rol. Ook de hoogte van de getijgolf zelf heeft invloed: een sterke golf, dus bijvoorbeeld springtij, veroorzaakt groote stroomsnelheden en dus een beteekenende wrijving, waardoor de golf in sterkere mate wordt gedempt, dan de zooveel zwakkere bij doodtij. Nog een invloed op het gedrag van de golf is het aanwezig zijn van zijdelingsche aftakkingen.

Wat de vorm van het rivierbed aangaat, men kan zich het geval denken, dat dit overal dezelfde doorsnede heeft. Het getij vormt dan een enkele voortschrijdende golf. door de wrijving gedempt, zoodat het tij verschil afneemt, naarmate men verder landwaarts ingaat; eerst snel, later minder (Fig. l,a).

Een ander geval, tevens een ander uiterste vertegenwoordigend, ontstaat wanneer het regelmatige rivierbed op eenigen afstand van den mond is afgesloten: de golf wordt bij de afsluiting teruggekaatst en, wanneer de wrijving niet als spelbreker optrad zou er een staande golf komen. De werkelijke toestand lijkt daar, ondanks de wrijving, toch veel op, zoo is ook het getij het sterkste aan het landwaartsche einde (Fig. l,b).

In ons gebied vindt men dit geval op de Hollandsche IJsel: het tijverschil van 175 cm bij Gouda is bijna 15 procent grooter dan bij de Nieuwe Maas.

In den Rotterdamschen Waterweg, waarvan de Lek de landwaartsche verlenging vormt, is een tusschenvorm tusschen beide uitersten aanwezig. De rivier wordt nauwer hoe verder men van zee af gaat en deze vernauwing is op sommige gedeelten veel meer geprononceerd dan elders.

Op dergelijke riviervakken wordt de getijgolf voor een deel teruggekaatst en op de rivier ontstaat dus een stelsel van zeewaarts en landwaarts gaande golven, die met elkander interfereeren. Deze interferentie veroorzaakt op de vakken, waar de gedeeltelijke terugkaatsing het sterkst is, een groot tijverschil.

Een lijn die het tijverschil als functie van den afstand uit zee voorstelt, en die dus bij een regelmatig rivierbed vrij regelmatig daalt tot de nul waarde, vertoont in een „conisch" riviervak een bult.

In die lijn van Waterweg—Lek heeft, zooals uit fig. 2 blijkt, die bult altijd gezeten en wel in de buurt van Rotterdam en Krimpen. Daar vernauwt de rivier zich dan ook vrij sterk.

In de tijden vóór de doorgraving van den Hoek van Holland was het met die vernauwing nog niet zoo erg gesteld en de bult bleef van een zeer bescheiden omvang. De doorgraving zelf bracht nog niet veel verandering, maar het krachtige baggeren, dat in het laatst van de zeventiger jaren begon, had dadelijk een versterking van het getij tengevolge. De bult groeide steeds, zoodat omstreeks 1910 een maximum van het tijverschil tusschen Rotterdam en Krimpen ontstond. Vanuit zee neemt het getij tot bij Vlaardingen af, daarna weer toe, om dan na Krimpen op de Lek sterk te worden gedempt.

In de latere jaren is het verschijnsel steeds duidelijker geworden en sinds kort is het tijverschil bij Krimpen grooter dan in zee. Het minimum ligt thans bij Maassluis. Daar is de toeneming van de getijsterkte maar weinig geweest, maar verderop veel meer, zooals blijkt uit de volgende tabel: (zie pag. A. 147)

De cijfers zijn niet op een centimeter nauwkeurig, zij gelden voor gemiddelde gevallen, dat wil zeggen een gemiddelde getijsterkte in zee en een normalen afvoer van de bovenrivier.

De genoemde plaatsen liggen op onderlinge afstanden van ongeveer tien kilometer.