is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; Orgaan van het Kon. Instituut van Ingenieurs- van de vereeniging van Delftsche Ingenieurs jrg 45, 1930, no 6, 07-02-1930

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

45e Jaargang

7 Februari 1930

Nummer 6

DE INGENIEUR

WEEKBLAD GEWIJD AAN DE TECHNIEK EN DE OECONOMIE VAN OPENBARE WERKEN EN NIJVERHEID Orgaan van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs en van de Vereeniging van Delftsche Ingenieurs

»wu. v. meemeurs en ae ver. v. Uelttsche Ing. stellen zich niet verantwoordelijk voor de denkbeelden in de onderscheiden bijdragen ontwikkeld ,

I en toegehofat.

Commissie van Toezicht: prof. ir. J. C. DIJXHOORN. hoogleeraar in de Werktuigbouwkunde aan de Technische Hoogeschool te Delft voorzitter • dr.ir.G. W.VAN HEUKELOM, hoofding, chef var den dienst van Weg en' Werken bij de Ned. Spoorw. te Utrecht,secrjjhr.ir. CE. W.VAN PANHUYS, directeur van het Rijksbureau voor de ontwatering te 's Gravenhage.

Redactie:

Verantwoordelijk hoofdredacteur: ir. R. A. VAN SANDICK; Plaatsvervangend hoofdredacteur: ir. H. SANGSTER. Vaste medewerker in Nederlandsch Indië: prof.ir. H.VAN BREEN te Bandoeng. Redactie-Adres: Prinsessegraeht 23, 'S-GRAVENHAGE, Tel. 1369a

Pr„S per ,aarg franco per post: Voor Nederland en West-Indië ƒ 20.-. voor Ned. Oost-Indië en he, Bui.enl. ƒ 22.50. Men abonneert zich voor een jaarg (Uan 31 Dec )

Voor ad .AfZ°nd"h,ke °Umn":rs: Binnenland ƒ0.50, Buitenland ƒ0.55. - Adverten.lën per regel ƒ0.50, boven 500 regels reductie volgens spectalftarief

Voor administratie, abonnementen en advertenties: N.V. A. OOSTHOEK'S Uitgevers Maa.ij, Domstraat 1-3. UTRECHT. Teletoon 10860 Giro No 35973

A. ALGEMEEN GEDEELTE 6.

INHOUD: Agenda van vergaderingen. — De strijd tegen Nederlands erfviian

.— ^.^„.„„s.a,,,^. — liuuiuuuuiuussie voor ae rMormansatie in JNederland

Ingezonden stukken: Het verslag over het wapen der Genie, uitgebracht door JJooden, met naschrift van ir. H. Sangster. — Nieuwsberichten: De 50.000e Afdeeling der Electrotechniek van de Technische Hoogeschool. — Personalia. Naamlijst. — Kon. Instituut van Ingenieurs: Contributie 1930. Afdeeling voor

"<=<• ja*" iwz». — upen DetreKKingen. — Gezochte

d, rede van ir. J. W. Thierry. —

. — Untspanmngsronds „Kootwijk . — de Legercommissie, door C. W. van

octrooi-aanvrage. Prijsvragen van de - Vereeniging van Delftsche Ingenieurs:

Verkeer- en Verkeerstechniek, verslas

betrekkingen.

AGENDA VAN VERGADERINGEN.

27 Februari 1930. Vergadering van de Afdeeling voor 1 Maart 1930. Vergadering van de Afdeeling voor ■Bouw- en Waterbouwkunde te 's-Gravenhage. Technische Economie te 's-Gravenhage.

De strijd tegen Nederlands erfvijand.

Rede, uitgesproken door ir. J. W. Thierry, bij de aanvaarding van het ambt van Hoogleeraar in de Waterbouwkunde aan de Technische Hoogeschool te Delft, op Donderdag 16 Januari 1930.

De „lage lande bi der see", zooals een anonyme middeleeuwsche kroniekschrijver onze landstreek noemde, zijn van den oudsten tijd, waaruit ons berichten overgeleverd zijn, het tooneel geweest van strijd tusschen de zee en de kustbewoners. Een strijd, die tot den huidigen dag met groote hardnekkigheid is gevoerd, en langen tijd met Wisselende kansen.

Ik moge U uitnoodigen, Uwe aandacht eenige oogenblikken te bepalen bij verschillende phasen van dien strijd tusschen den mensch en de zee als zijn erfvijand.

Ter pen.

In zijn algemeene hoofdtrekken is die strijd overal, Waar rondom de Noordzee lage landen te vinden zijn, tusschen Duinkerken en Jutland, en in Engeland langs den Theemsmond en de kusten van de Wash, dezelfde geweest. In zijn uit waterbouwkundig oogpunt belangwekkende details echter blijken groote verschillen.

Twee- tot drieduizend jaren geleden lag de kustlijn van ons land een goed eind westwaarts van het tegenwoordige strand. Het land werd begrensd door een strandbal — eerst zandbank, toen duinrij —welke zich uitstrekte van Noord-Frankrijk tot in Denemarken en slechts enkele onderbrekingen vertoonde bij de uitmonding van rivieren, als die van Schelde, Rijn, Vlie, Eems, Weser, enz. Achter de duinen lag een veen- en kleigebied, waarvan althans het kleigebied in het Noorden van ons land bewoond en in cultuur geweest moet zijn eenige honderden jaren vóór het begin onzer jaartelling. De getijbeweging in de Noordzee moet in die tijden eene wijziging ondergaan hebben en sterker geworden zijn. Dit verschijnsel trof samen met eene algemeene geleidelijke daling van den bodem ten opzichte van het zee-oppervlak. Het gevolg was, dat de kust door sterkeren aanval achteruit is gegaan, en dat de

tot dat tijdstip vermoedelijk nauwe zeegaten zich aanzienlijk verwijd hebben.

Dit beteekende het einde van het haftijdperk en het begin van de waddenzeevorming. De door de oude schrijvers vermelde Cymbrische vloed, in dien tijd voorgekomen, zal den gang van dit proces onderstreept hebben.

De bewoners der achter den afnemenden strandwal gelegen kleigronden begonnen, toen waarschijnlijk voor het eerst, overlast van het water te ondervinden, en waren genoopt, zich daartegen te weer te stellen: dat is het begin van den strijd geweest.

Het is begrijpelijk, dat eene weinig talrijke bevolking, familiegewijze over het wijde land gevestigd, in dien tijd te weinig saamhoorigheid en dientengevolge te weinig begrip van organisatie bezat, om den nieuwen vijand gemeenschappelijk te bestrijden. Men zorgde voor zichzelf, en bouwde terpen. De archeologische vondsten in de terpen dateeren hun ontstaan dienovereenkomstig op enkele honderden jaren vóór Christus.

Het karakter van dezen vorm van tegenweer, welke meer lijkt op eene vlucht dan op eene verdediging, komt sterker tot uitdrukking naarmate de verovering van het land door de zee voortschrijdt. De strandwal slaat steeds meer weg; de kleilanden slijten af, en de met moeite in stand gehouden, en van tijd tot tijd verder opgehoogde terpen zijn niet meer hoogten, waar men veilig voor de nu en dan voorkomende stormvloeden woont, en van waar uit men nog het landbouw- en weidebedrijf op de omliggende gronden uitoefent. Zij ontaarden in allerlaatste wijkplaatsen, waar eene verarmde bevolking zich nog moeizaam tracht te handhaven in een dagelijks door den vloed overstroomd wadgebied. Zóó vond Plinius, van wien het oudste, zooeven bedoelde bericht afkomstig is, het kustgebied waar de Chauken woonden tusschen Eems en Elbe, dus het tegenwoordige Oostfriesland. En aangezien