is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; Orgaan van het Kon. Instituut van Ingenieurs- van de vereeniging van Delftsche Ingenieurs jrg 45, 1930, no 6, 07-02-1930

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A. 48

Algemeen gedeelte 6.

No. 6 — 1930

het karakter van dit gebied vrijwel overeenstemt met dat van onze noordelijke kuststrook, zal zijn beschrijving ook wel hierop van toepassing zijn geweest.

„Wij hebben nu", deelt hij mede, „in het noorden volksstammen der Chauken gezien, die Klein- en Groot-Chauken genoemd worden. Daar stort de Oceaan zich met twee tussehenpoozen des daags en des nachts door een geweldigen stroom over een onmetelijk land uit, zoodat men bij dezen eeuwigen strijd in den gang der natuur er aan twijfelt, of de bodem tot de aarde of de zee behoort. Daar bewoont een armzalig volk hooge heuvels of door hen met de handen opgeworpen hoogten tot op het uit ervaring bekende peil van den hoogsten vloed, en daarop hebben zij hun hutten gebouwd. Zij gelijken op zeevarenden als het water de omgeving bedekt; echter op schipbreukelingen als de wateren teruggeweken zijn . . ."

Vermoedelijk zijn in dezen ongelijken strijd veel terpen verloren gegaan, en een aantal bewoners daarbij omgekomen.

De bevolking der meer binnenwaarts gelegen terpen bleef dezen gestadigen achteruitgang echter niet lijdelijk aanzien. Hetzij dat de bevolking der achtergelegen hoogere diluviale geestgronden geen terugtrekken gedoogde, hetzij dat de terpbewoners te zeer gehecht waren aan hun vruchtbare kleigronden, en meer vertrouwen in eigen kunnen begonnen te krijgen, in elk geval moet al betrekkelijk spoedig, met het aanleggen van de eerste dijken, een nieuw tijdperk in den strijd aangevangen zijn.

De eerste d ij ken.

Tegenover de vroeger gangbare veronderstelling, dat de dijkbouw eerst in de 11e eeuw is begonnen, kan thans wel met voldoende steekhoudende argumenten worden volgehouden, dat zulks reeds verscheidene honderden jaren vroeger moet zijn geweest, en wel in den vorm van tal van gedeeltelijke indijkingen. Van een eenigszins aaneengesloten bedijking kon eerst sprake zijn, nadat de kleine indijkingen zoowel de uitvoerbaarheid als de wenschelijkheid van den grooteren opzet hadden bewezen.

Tot het inzicht omtrent de wenschelijkheid van den aanleg van eene algemeene bedijking zal ook wel hebben medegewerkt de ondervinding van den katastrophalen stormvloed van November 839 na Christus, welke vele menschenlevens kostte en, vermoedelijk als eerste maatregel, voerde tot het aanbrengen van eene groote verhooging — de laatste — op de toenmaals nog bestaande terpen. Blijkbaar zag men toen in, dat het zóó niet kon doorgaan.

Overigens zij er op gewezen, dat de terpen nog vele jaren als toevluchtheuvels bij doorbraak van nieuwe dijken zullen hebben dienst gedaan, en dat de bevolking haar terpwoningen niet dadelijk zal hebben verlaten, toen zulks door de bedijking mogelijk was geworden.

Het is vroeger een twistpunt geweest, en eigenlijk tot den huidigen dag gebleven, of de eerste dijkaanleg geschied is met de bedoeling om bestaand land te beschermen tegen de hooger stijgende stormvloeden, dan wel om nieuw land aan te winnen; m. a. w. of die dijkbouw oorspronkelijk een verdedigend, dan wel een aanvallend, veroverend karakter droeg. Deze vraag zal niet gemakkelijk met zekerheid te beantwoorden zijn. Beide opvattingen worden verdedigd, en vinden steun naar gelang van de gekozen voorbeelden van bedijkingen. Sommigen achten het vooropgezette doel van den eersten dijkaanleg: noodig geworden gebiedsuitbreiding. Anderen geven dit in hoofdzaak toe voor later gebouwde dijken, doch juist niet voor de oudste zeeweringen, welke althans in verschillende gevallen blijkbaar rondom en dus ter verdediging van toen reeds bewoond land zijn gelegd.

Persoonlijk zou ik mij liever bij de laatsten willen scharen; ik acht het trouwens meer natuurlijk, dat men het eerst op verdediging van bestaand land bedacht is geweest. Bovendien komt het mij voor, dat zulks meer overeenstemt met den gedachtengang welken men in de oude Friesche landwetten vindt, waar de verdediging

tegen de zee in één adem genoemd wordt met de verdediging tegen andere vijanden.

De Rüstringer Rechtsregels zijn vermoedelijk in de eerste helft der 12e eeuw opgesteld, en moeten derhalve — gezien de ervaring, dat codificatie van recht eerst lang na het ontstaan van dat recht pleegt te geschieden — toen al sedert vele jaren in Friesland als wet hebben gegolden. Ten aanzien van de landsverdediging verklaren zij:

„Dit is ook landrecht: dat wij Friezen hebben eene zeeburg te stichten en te beheeren, een gouden band die om geheel Friesland ligt, waarin elke dijksroede gelijk is aan de andere, en waar de zoute zee beide des daags en des nachts tegen aanzwelt; deswege zullen zoowel de buitenst als de binnenst wonenden plichtig zijn des winters en des zomers langs de wegen te trekken met slede en wagen, opdat de een den ander daar (op den dijk) moge ontmoeten.

Ook zullen wij Friezen ons land houden met drieërlei tuig: met de spade en met de burrie en met de vork; ook zullen we ons land weren met zwaard en met speer en met het bruine schild, tegen den hoogen helm en tegen het roode schild en tegen de onrechtmatige heerschappij. Alzoo zullen wij Friezen houden ons land van boven tot buiten, indien God ons wil helpen en Sint Petrus."

Deze eenvoudige omschrijving, die in haar ruige, zelfvertrouwende fierheid alles overtreft, wat wij uit latere tijden aan onafhankelijkheids-verklaringen hebben vernomen (daaronder zelfs begrepen het moedige Statenbesluit tot afzwering van koning Filips II), stelt in enkele tientallen woorden x) vast het doel en den omvang der toen althans zeker voor een deel reeds bestaande bedijking, den dijkplicht en de onderhoudswerkmijze die klaarblijkelijk, zooals men trouwens kon verwachten, gewone aarden dijken impliceert.

In de XVII algemeene Keuren, omstreeks 1150, dus iets later vastgesteld, heet het:

„De 10e willekeur is, dat de Friezen ter heervaart niet verder behoeven te reizen dan oostwaarts tot de Weser en westwaarts tot het Vlie, en in het zuiden zoo ver, dat zij des avonds weder thuis kunnen komen, opdat zij hun land kunnen verdedigen en houden tegen de wilde zee en tegen der heidenen heir" (d. i. de Noormannen).

De voortgang van de bodemdaling, en de daarmede samenhangende of althans samenvallende verruiming der zeegaten en versterking van de getijbeweging in het waddengebied, waren dus oorzaak dat de oude kleigronden, aanvankelijk alleen bij uitzondering door hooge vloeden overstroomd, meer en meer last van telkens onderloopen begonnen te krijgen. De vraag, welke steeds bij het ontwerpen van indijkingen moet worden overwogen, n.1. of de bedijking meer door de grootte van het in te dijken gebied, dan wel door de risico's van den dijkaanleg moet worden beheerscht, kon in die tijden bezwaarlijk anders dan ten gunste van den risico-factor worden beslist. Immers, de nog gebrekkig georganiseerde weinig talrijke bevolking, met haar primitieve hulpmiddelen en gemis aan technische ervaring, kon den dijk alleen bouwen op een veiligen grondslag, hoog genoeg gelegen om den moeizaam en traag vorderenden arbeid niet telkens door hoog water te moeten onderbreken. De hooge grondslag gedoogde tevens een lichter dwarsprofiel; de eerste zeedijken zullen • dan ook meer het type van zomerkaden hebben vertoond. Een ander voordeel van den hoogen grondslag was, dat de waterdiepte bij stormvloeden niet groot was, en dientengevolge wegens den geringen golfaanval met eenvoudige aarden dijken zonder kunstmatig verdedigde beloopen kon worden volstaan, die opgebouwd werden met het gereedschap vermeld in de Rüstringer Rechtregels: de spade, de burrie tot het dragen van den ontgraven grond van stek naar stort (men kende toen den kruiwagen nog niet), en de vork tot het fijnscherven der aardkluiten.

Aanvankelijk zijn betrekkelijk kleine gebieden ingedijkt, onderling veelal door kreken gescheiden, welke gebieden dan bij stormvloed eilanden vormden, die later naar gelang

1) Een beschamend voorbeeld voor hedendaagsche wettenmakers!