Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M 416.

904

draineeren en het water zoo noodig te loozen op deGooische Vaart, die op i" 1 K.M. afstand is gelegen.

Uitvoering.

De omschreven werken zijn uitgevoerd in den zomer van 1913, tegelijk met de rioleering van het betreffende riooldistrict.

Wegens het grondwater moesten bijzondere maatregelen genomen worden voor de uitvoering van het bassin; de onderkant van de zandvangen ligt op 1.10 M. -f- A. P., dus ruim 1 M. onder het g?middelde grondwaterpeil. De aangewezen methode was hier verlaging van genoemd peil door middel van verticale drainage.

Deze werkwijze is reeds vroeger in De Ingenieur door anderen beschreven; ik meen daarom te kunnen volstaan met de mededeeling, dat rondom het werk, op onderlinge afstanden van 8 M., bronnen zijn geslagen tot ongeveer 5M. in het grondwater, en deze aan de boveneinden verbonden zijn door een ringleiding, die door 2 stoompompen bemalen werd. Het grondwaterpeil is op die wijze gedurende 10 weken 1.20 M. verlaagd geworden, voldoende om in den droge te kunnen werken.

Het bassin is uitgevoerd door de N. V. Nederlandsche Betonijzerbouw te Amsterdam. De fig. 3 en 4 geven twee momenten van de uitvoering; de bronnen der draineerinrichting zijn op beide te zien. De kosten bedroegen ruim f 17.000.

Het machinegebouw met kelder werd in eigen beheer gebouwd. De machine werd geleverd door de Machinefabriek Hoogenlande v/h. Pannevis & Zoon te Utrecht.

Van het geheele plan voor vloeivelden op de Loosdrechtsche heide is voorloopig alleen het kleine gedeelte aangelegd, dat op de situatie is aangegeven, ter oppervlakte van + IV2 H.A.

Voor het gerioleerde district, dat hierop afwatert, is die oppervlakte ruim voldoende.

Exploitatie.

Het bedrijf kon begin October 1913 in werking worden gesteld.

Eiken dag op hetzelfde uur wordt de goot afgepompt; bij droog weer duurt dit gewoonlijk maar 30 è, 40 minuten, bij regen wordt naar behoefte eenige malen per etmaal afgemalen. Eenmaal per week worden de bassins verwisseld. Het vrijkomende wordt schoongemaakt, door de modder, die zeer dun is, er uit te pompen met een diaphragmapomp en verder door goed nareinigen met bezems.

Voorloopig is deze modder geregeld begraven in greppels op het ruime reserveterrein rondom het bassin; verkoopen van de modder als meststof wordt overwogen, doch stuit voorloopig op enkele bezwaren af.

Van belang voor de verdere rioleering van Hilversum zijn de waarnemingen, die door middel van het bassin mogelijk waren omtrent hoeveelheden huiswater per etmaal en per uur. Op een peilschaal bij den uitloop kon bij elke afmaling de hoeveelheid afgepompt water worden afgelezen met behulp van een tabel, waarop de berekende inhoud van één goot voorkomt per c.M. vullingshoogte. Nadat alle huizen van het riooldistrict op 1 Mei 1914 waren aangesloten, waarvan het aantal bewoners vrij juist bekend is, kon dus nauwkeurig de hoeveelheid huiswater op droge dagen per etmaal en per inwoner worden vergeleken.

Deze hoeveelheid bleek af te wisselen tusschen + 30 en 45 liter. Het type bevolking is hier hoofdzakelijk arbeiders, kleine ambtenaren, enz.; de huizen hebben bijna alle waterleiding.

Verdere waarnemingen, gedurende een etmaal op regenlooze dagen voortgezet, hebben een vrij duidelijk beeld gegeven over de dagverdeeling van het huiswaterverbruik. Bijna zonder uitzondering was dit een maximum tusschen 2 en 5 uur n.m.; de hoeveelheid in die periode bedroeg enkele malen ruim 33 pCt. der daghoeveelheid. Tusschen 6 uur v.m. en 8 uur n.m. vloeit gemiddeld 82.5 pCt. der daghoeveelheid af; het maximum per uur was 11.5 pCt. Deze cijfers mogen een kleine bijdrage leveren voor de juiste berekening van rioleeringen en gemalen, het ware niettemin zeer gewenscht, dat in andere gemeenten gelijksoortige waarnemingen werden gedaan. Men is tot dusver nog te veel aangewezen op de gegevens van Duitsche handboeken, die voor ons niet altijd bruikbare cijfers geven.

Een reeks waarnemingen is gedaan voor de bepaling der

regenhoeveelheid per H.A. en den coëfficiënt van verdamping en opslorping in den bodem, hetgeen hier begunstigd werd door de onmiddellijke nabijheid van een regenmeter van het Kon. Meteorologisch Instituut. Het is echter nog niet gelukt betrouwbare cijfers te krijgen, wat te wijten is aan de zeer ongelijke dichtheid van bebouwing.

Algemeene Vergadering der Vereeniging van Delftsche Ingenieurs.

De gewone jaarlijksche vergadering der Vereeniging werd op den 7den November 1914 onder voorzitterschap van den heer A. Déking Duea c. i., te 's-Gravenhage gehouden.

De Voorzitter deelde mede dat, nadat in Juni en Juli alle voorbereidende maatregelen getroffen waren om de zomervergadering te Dordrecht te houden, deze samenkomst wegens de sedert voorgevallen gebeurtenissen moest uitgesteld worden. Het Bestuur besloot vervolgens de jaarvergadering thans in Den Haag te houden en daarbij alle feestelijkheden achterwege te Jaten.

Eerstdaags zal aan de leden worden toegezonden het Verslag der Commissie in zake handelsonderwijs met het praeadvies van het Bestuur daarop, terwijl ook bij het Bestuur is ingekomen het Verslag der Commissie voor het hooger technisch onderwijs. Ter behandeling van beide onderwerpen zal het Bestuur een buitengewone algemeene vergadering beleggen.

Het jaarverslag 1913—1914 en de rekening en verantwoording der geldmiddelen over dat vereenigingsjaar (1 Mei 1913—30 April 1914) werden goedgekeurd.

Tot nieuwe bestuursleden, ter vervanging van de heeren B. M. Geatama c. i. en H. Wortman c. L, werden gekozen de heeren J. L. 'Huysinga c. i. en A. R. van Loon c. i.

Het voorstel van het Bestuur om overeenkomstig de voorstellen der Commissie van advies, bestaande uit de heeren H. ter Meülen t., P. J. van Voorst Vader c. i. en H. A. van IJsselsteyn c. i., over te gaan tot de instelling van een bureau voor de plaatsing van ingenieurs in het binnenland, werd zonder beraadslaging aangenomen.

Deze voorstellen houden 0. m. in, dat het Bestuur zal benoemen een beheerder van dit bureau, die tevens den secretaris en den penningmeester bij de vervulling hunner taak zal bijstaan, en dat voor een en ander aan het Bestuur de noodige credieten verleend worden.

Vervolgens werd het advies van het Bestuur omtrent de doelmatigste aanduiding van ingenieurs met Delftsch diploma aan de orde gesteld. Dit advies hield in een aanbeveling om voort te gaan op den ingeslagen weg, n.1. om achter de namen te voegen de letters: c. i., b. i., w. i., m. L, s. i., e. i. en t. i. (technologisch-ingenieur); dit laatste in plaats van t. (technoloog); om aan verschillende autoriteiten te verzoeken in van hen uitgaande stukken deze titulatuur geregeld te gebruiken en om — ten einde dit te bevorderen — aan die autoriteiten de Naamlijst van gediplomeerden voortaan toe te zenden.

Van verschillende zijden werden tegen dit advies bezwaren aangevoerd.

De heer H. A. van IJsselsteyn c. i. verzette zich vooral tegen den titel technologisch-ingenieur ter vervanging van technoloog en achtte het ondenkbaar, dat de talrijke onderscheidingen in de titulatuur der Delftsche ingenieurs bij het publiek ingang zouden vinden.

De heer S. Mulder c. i., die met ingenomenheid deze belangrijke kwestie door het Bestuur aan de orde zag stellen, was van meening dat de bedoelde aanduiding het best zou geschieden door ir. (ingenieur) vóór den naam te schrijven.

Evenals de heer H. Wortmah c. i., die de voorkeur gaf aan de letters D. i. (Delftsch ingenieur) achter den naam, oordeelde de heer Mulder het bestuursvoorstel voor algemeene toepassing te gecompliceerd.

Deze bezwaren werden feitelijk door niemand ontkend. Doch de heer R. A. van Sandick c. i. verdedigde de thans sedert vele jaren aangenomen schrijiwijze, die langzamerhand meer algemeen in toepassing' is gekomen en die, als alle Delftsche ingenieurs ze steunen, zeker aanbeveling verdient, zoolang een betere aanduiding ontbreekt.

De heer P. J. van Voorst Vader c. i. wees er op, dat de Vereeniging zich reeds vele malen met deze kwestie bezighield. Herhaaldelijk is door haar bij de Regeering aangedrongen op wettelijke bescherming van de Delftsche titels,

Sluiten