Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

27-4-1934

De Ingenieur no. 17. Bouw- en Waterbouwkunde 6.

B. 73

Diepgang van schepen.

Bij het projecteeren van havens en haventoegangen is het van belang te weten tot welke diepte men deze moet aanleggen, wil men de haven zoo niet voor alle, dan toch voor de meest gangbare schepen bereikbaar maken.

Uit gegevens, verstrekt door de firma Dirkzwager te Maassluis, werd bijgaande grafiek opgesteld voor erts-,

olie-, graan-, hout- en steenkolenschepen, welke in bepaalde maanden van 1930 den Rotterdamschen Waterweg bevoeren.

Olie wordt dus in schepen vervoerd van ± 6 tot 10 % m (het grootste schip in 1933 was zelfs ruim 11 m), erts in schepen van ±4% tot 10 m, terwijl hout, steenkolen en graan in minder diepgaande schepen worden vervoerd (kustvaart).

De top der „waarschijnlijkheidskromme" ligt voor: olie bij ruim 8 m diepgang

erts „ ± 7i/2 „

hout „ ruim 6% „ „

steenkolen ,, „ 5%",, ,, graan ,, ,, 6% „ „

Voor schepen van alle categorieën tezamen ligt de top bij ruim 7 m.

Ben haven, voor schepen van 7 m diepgang, kan dus door ongeveer 40 % der genoemde categorieën vrachtschepen bereikt worden. Een havendiepte van 8 m verhoogt dit percentage tot 73.5 %, terwijl een haven van 9 m reeds 95.5 % der schepen zou kunnen dienen. Indien slechts hout-, steenkolen- en graanschepen worden verwacht, zal men met 8 m reeds een behoorlijke diepte hebben verkregen.

Voor havens als Antwerpen, Londen of Hamburg zullen mogelijk eenigszins andere cijfers gevonden worden.

Ir. J. van Veen.

KORTE TECHNISCHE BERICHTEN.

Geophysisch bodemonderzoek in de haven van Algiers.

In de Annales des Ponts et Chaussées, aflevering IV1933, is door den mijn-ingenieur-auteur der Schlumbergersche methode in samenwerking met den hoofdingenieur, directeur der havens, P. J. M. Renaud, een artikel gepubliceerd over het geophysisch bodemonderzoek in de haven van Algiers. De in uitzicht gestelde verlenging der havenhoofden vereischte het vaststellen van de ligging der fundeeringslaag. Met het oog op de te verwachten moeielijkheden met boorwerk in open zee besloot men langs electrischen weg de gegevens te verkrijgen en deze te toetsen aan de resultaten van een drietal proefboringen. De metingen hebben geheel aan de verwachtingen voldaan.

In de inleiding wordt gewezen op de voordeelen, die dit geophysisch onderzoek heeft ten opzichte van kostbare boringen. Hiervan is het belangrijkste, dat de electrische meting zich uitstrekt over de geheele omgeving van de plaats van waarneming. Bovendien zijn eventueel plaatselijke afwijkingen van de algemeene structuur gemakkelijk te localiseeren. Dit kan van groot nut zijn voor het uitzoeken van de plaats der proefboringen.

De bekende Schlumbergersche gelijkstroommethode wordt in het volgende hoofdstuk behandeld voor een drietal op elkaar liggende lagen, namelijk een waterlaag, een kleilaag

Fig. 1.

Sluiten