Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2-6-1939

De Ingenieur no, 22. Algemeen gedeelte 22.

A. 215

Inpolderingen in vroegere eeuwen door Nederlanders in het buitenland.

Ten einde een deel der Nederlandsche geschiedenis, dat tot dusver betrekkelijk weinig bekendheid bij het publiek genoot, in het licht te stellen dat het verdient, werd nagegaan, welke werken op waterstaatsgebied en wel in het bijzonder tot droogmaking en inpoldering door Nederlanders in het buitenland zijn uitgevoerd. Deze werken zijn op bijgaande kaart schematisch aangeduid.

Op de „Water"tentoonstelling te Luik, welke 20 Mei is geopend, wordt zij vertoond in een deel van het groote glasraam, dat nagenoeg de geheele breedte en hoogte van een der gevels van het Nederlandsche paviljoen beslaat. Met aan- en uitgaande lichten worden de terreinen der Nederlandsche werkzaamheid aangeduid.

Bestaande beschrijvingen van deze waterbouwkundige werken, zooals o.a. die van Graaf de Dienne, Sir William Dugdale, Korthals Altes, Tutein Nolthenius, Baart de la Faille, Samtjel Smiles, waren hoewel grondig en dikwijls boeiend geschreven, misschien te technisch om algemeene bekendheid dezer belangrijke werken voldoende te bevorderen. Moge er iemand gevonden worden, die met toewijding en talent en niet dan nadat hij de verschillende streken persoonlijk heeft bezocht, zonder te veel technische details de historische beteekenis van dit „Werk des Vredes", waardoor Nederlanders zich de eeuwen door hebben onderscheiden en hun land een grooten naam hebben verschaft op het gebied der waterbouwkunde, in het bereik van velen kan brengen.

Volgens overleveringen deed onze droogmakersaard zich reeds in vóór-Romeinschen tijd gelden en zouden de Friezen toen Romney Marsh, een moeras van ongeveer 24.000 ha, iets ten westen van Folkestone, hebben drooggelegd. Nog in de 17e eeuw roemde men ook in de Nijldelta, en elders in het oosten, de werken, die Hollanders daar tijdens de kruistochten hadden tot stand gebracht.

Eenige zekerheid omtrent de feiten begint men pas te verkrijgen van het begin der 12e eeuw af, toen groote scharen Friezen en Hollanders naar het oosten trokken, naar de monden van Wezer en Elbe om daar gronden voor de cultuur geschikt te maken. In de 13e eeuw zette de trek zich verder oostwaarts voort naar Pruisen en Silezië en in latere eeuwen langs de Weichsel tot in het hart van Polen en Rusland.

Oost-Europa was in de middeleeuwen een land, vergelijkbaar met Amerika van later. Het „Westward ho" had een tegenhanger in het vroegere „naar Oostlandt willen wi varen". Dikwijls werd er een „bonte pijper" door een of ander vorst uit het oosten uitgezonden en lokte de op water- en landbouwkundig gebied zoo bekwame kinderen van het westen mee. Ook na de middeleeuwen ging de trek voort. Vooral de geloofsvervolgingen in de 16e eeuw waren een belangrijke oorzaak van de uitwijking. Vele emigranten waren Doopsgezinden, die in het nieuwe land, waar zij wegens hun kundigheid op waterbouw- en landbouwkundig gebied met open armen werden ontvangen, geloofsvrijheid vonden en verschillende rechten en gunsten verkregen, b.v. vrijstelling van het dragen van wapens.

Deze trek was nog na te gaan tot 1860. Vóór en tijdens den wereldoorlog trokken vele Doopsgezinden naar NoordAmerika, waar zij wederom kolonies stichtten.

De trek naar het oosten was tot ± 1550 naamloos en massaal.In de 16e en 17e eeuw komen meer in het bijzonder enkele namen naar voren, die bijdragen tot den glans dezer Gouden Eeuw. Niet alleen in het oosten, ook in West- en Zuid-Europa werden de diensten der Nederlandsche waterbouwkundigen gevraagd en namen als Leeghwater, Vermuijden, De Wit (Scapecaes), Van der Pellen, Meijer, Van den Houte, Rollwagen, Van Ens en Bradley (een Hollander van Engelsche afkomst) dwingen eerbied af voor den ondernemingsgeest en volharding der dragers, die soms op eigen risico in den vreemde groote werken ondernamen, waarvan eenige thans nog, met de moderne hulpmiddelen,

waagstukken zouden vormen. Soms ging het hun krachten ook te boven.

Hieronder volgt een uiterst beknopt overzicht van wat zij in verschillende landen hebben verricht.

Noor d-Duits chl and.

Nadat, waarschijnlijk reeds in zeer vroege tijden, (7e eeuw?) de Friezen het westelijk deel van Sleeswijk-Holstein hadden gekoloniseerd, dat sindsdien Noord-Friesland heet, trokken steeds vele Nederlandsche emigranten naar de kuststreken der Duitsche Bocht. Uitgezonderd de Elbemonden — waar het landschap op enkele plaatsen zelfs thans nog een zuiver Friesch beeld vertoont — en Nordstrand, heeft geen streek zooveel Nederlandsche kolonisten opgenomen als Eiderstedt; met name in Tönning vestigden zich velen.

1100—1200:

In 1106 gaf Aartsbisschop Frederik aan Nederlanders uit de buurt van Utrecht, die daarom verzocht hadden, ongebruikt moerassig land aan de Wezer ter vruchtbaarmaking tegen een jaarlijksche pachtsom.

Opgewekt door bisschop Vicelinus, riep Graaf Adolf II van Schauenburg Friesche kolonisten naar het juist van de Slaven bevrijde Oost-Holstein, welke daar in de buurt van Kiel een kolonie stichtten.

In de 2e helft der 12e eeuw ontstonden noordelijk van de Elbe, in de Bishorster-, Haseldorfer- en Wilstermarsch groote Hollandsche kolonistendorpen en werd een gebied tusschen Wezer en Elbe bij Ochtum aan Nederlanders verpacht.

1200—1400:

In de 13e eeuw (1230—1290) liet graaf Adolf IV van Schauenburg, tezamen met meerdere ridders en het Hamburgsche Domkapittel, de tegenwoordige Kremper Marsch bebouwen, welker zuidelijk deel vrijwel één gesloten Hollandsch gebied is. Vele namen herinneren hier aan de herkomst der bewoners, evenals eigenaardige belasting- en rechtsregels. In oorkonden wordt het „Hollander"- of „hollische Recht" genoemd. In 1470 verloren de bevoorrechte gemeenten der Elbmarschen dit „hollisches Recht" doch in dijkszaken behielden de marschdorpen steeds hun zelfbestuur.

Moerasgebieden van Weser en Elbe en tusschenliggende stroompjes tot in de Vierlande bij Hamburg werden tegen pachtsom aan Nederlanders afgestaan. Gelijktijdig vestigden zij zich meer oost- en zuidwaarts, in de Altmark, in Fleming, Thüringen, Saksen en Silezië. In een oorkonde is sprake van Hollandsche kolonisten in de Ballumer Marsch tusschen Tondern en Ripen.

1500—1600:

In 1553/54 werd de eerste Wiedausluis voor Tondern gebouwd door Arent Cornelis. Overal werd de bedijking met behulp van Hollanders voortgezet, in Dithmarschen, Stapelholm en Eiderstedt.

Uit de 2e helft der 16e eeuw dateeren ook de eerste, vergeefsche pogingen tot overdijking (afdamming) van het Bottschlotterdiep (Butsloot). In 1583 werd begonnen met het maken van een dam, doch 2 jaar later werd het werk weer opgegeven.

1600—1700:

In 1610 werden nieuwe pogingen ondernomen met andere Hollandsche dijk-ingenieurs en hollandsch kapitaal, welke evenmin succes hadden.

Tusschen 1610 en 1640 valt de periode van werkzaamheid van Johann Clausen Koth, bijgenaamd Rollwagen (omdat hij het eerst de kruiwagen bij den dijksbouw heeft ingevoerd) en diens zoon, waarschijnlijk Hollandsche Men-

Sluiten