Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B. 90

De Ingenieur no. 20. Bouw- en Waterbouwkunde 6.

19-5-1939

De nauwkeurigheid der tegenwoordige getij berekening.

In de laatste jaren is het mogelijk geworden de getijberekeningen met steeds toenemende nauwkeurigheid uit te voeren. Moest men zich eenige jaren geleden nog behelpen met een benadering met sinusoïden, waarbij dan dikwijls van veronderstellingen moest worden uitgegaan, die soms eenige decimeters in hoogte en een uur of meer in den tijd fout waren, thans is het meest ingewikkelde getij geen hindernis meer en is het punt bereikt, dat de nauwkeurigheid der berekening die der waarneming evenaardt en zelfs af en toe overtreft.

Bijgaande figuren geven bijvoorbeeld aan welke groote overeenkomst met de natuurlijke getijlijnen gevonden wordt voor het geval een getij een bovenrivier (in dit geval de Lek) oploopt en daar langzaam uitsterft. De voor de verschillende peilschaalstations berekende getijlijnen volgen de werkelijke nagenoeg geheel en al tot in details. Het onderlinge snijpunt der getijlijnen bij H. W. verdient daarbij bijzondere aandacht. De getijlijnen gaan door dat punt zoolang zij een motorisch oppervlak voor den vloed bezitten.

Voorts verdient opmerking, dat de plaatsen, waar de omhullende der afvoerkrommen deze raken, de tijden van hoogwater aangeven (zie de punten AA) *). Hetzelfde moest zoo zijn voor de punten BB . ., die de tijden van laagwater voorstellen, doch hieraan ontbreekt een weinig, waarschijnlijk ten gevolge van een minder zuiveren stand der peilschaal.

De mogelijkheid, dat deze groote nauwkeurigheid bereikt kan worden, is te danken aan de zorg, waarmede dit onderdeel van den Waterstaat behandeld is.

Reeds van den aanvang af, toen het plan rijpte te kunnen beschikken over een soort universeele berekeningsmethode, waarmede alle getijproblemen zouden kunnen worden opgelost, was het duidelijk, dat men zeer nauwgezet zou moeten werken, indien men wilde komen tot betrouwbare voorspellingen aangaande stormvloedstanden en dijksverhoogingen. Eenige centimeters meer bij een stormvloed kunnen reeds aanleiding geven tot aanzienlijke kosten en moeiten en onnauwkeurigheden van meer dan 5 cm zouden feitelijk niet voor mogen komen.

Gemeend werd daarbij, dat men niet zou mogen uitgaan van de theorie alleen, maar dat men zich moest baseeren op metingen. Begonnen werd dus (in 1930) met een serie

Zie stelling n°. 10, behoorende bij het proefschrift van dr. J. J. Dronkf.rs: Stratifieerbare congruenties, 1939.

waarnemingen betreffende de afvoeren dezer getijrivieren, welke zouden moeten dienen ter bereiking van het beoogde doel. Hiervan moest niet alleen een groot aantal aanwezig zijn om er een behoorlijke theorie op te kunnen bouwen, doch de waarnemingen zelf moesten ook met de meeste nauwkeurigheid worden verkregen en uitgewerkt. In het geheel werden in 122 gevallen de afvoeren, elk van ongeveer 15 uren, bepaald. Jarenlang hebben de rekenmachines dag in dag uit moeten ratelen om de vele millioenen cijfers te verwerken en een woord van dank moet worden uitgesproken voor degenen, die met zooveel zorg en doorzettingsvermogen dit niet bepaald aangename werk hebben gedaan. Soms wees de controle uit, dat een berekening onbetrouwbaar was en dan moest opnieuw worden begonnen.

Een punt, waaraan groote aandacht besteed werd, was de juiste tijdregistratie. Een fout van 1 minuut in de tijdschaal werd niet meer toegelaten. Tijdens de metingen werden alle beschikbare peilschalen zuiver op tijd afgelezen, terwijl alle horloges, die bij de metingen werden gebruikt, precies op tijd moesten loopen, en driemaal per dag gecontroleerd werden. Vroeger kwam het wel voor, dat fouten van 5 minuten, soms wel 10 minuten, tot de regelmatige afwijkingen behoorden. Dit zou elke poging, om tot een zuivere berekeningsmethode te komen, reeds van te voren tot volkomen steriliteit gedoemd hebben.

Behalve de voornoemde afvoermetingen, werden nog ongeveer 30 metingen van 16 dagen (dag en nacht door) verricht, ten einde op de hoogte te komen van de invloeden der wisselende omstandigheden op het getij. Zoodoende kon de invloed van meer of minder opperwater worden nagegaan, alsook die van springtij en doodtij en niet te vergeten van den wind.

De publicatie der meetgegevens is nog slechts gedeeltelijk geschied. In 1936 verscneen een verslag der afvoermetingen op de benedenrivieren (1930—1934) bij de Landsdrukkerij, doch de overige resultaten zagen tot nog toe niet het licht, omdat de uitwerking daarvan nog steeds niet geheel is voltooid.

Uitgaande van de elders verzamelde gegevens, konden praktisch bruikbare formules worden afgeleid uit de theorie der hydraulische wiskunde.

Het vraagpunt, of men al dan niet met sinusoidale benaderingen zou werken, kwam feitelijk niet ter sprake, daar het als vanzelfsprekend werd beschouwd, dat men met sinusoiden de getijkrommen, noch wat het verticaal, noch wat het horizontaal getij betreft, behoorlijk zou kunnen benaderen.

Fig. 1. Getijlijnen Lek 25 Maart 1936.

Sluiten