is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; Weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 53, 1938, no 18, 06-05-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A. 180

De Ingenieur no. 18. Algemeen gedeelte 18

6-5-1938

niet altijd gemakkelijk in den omgang maar steeds streng respectabel. Hij had een groote werkkracht, was sterk van plichtsbesef en ging steeds recht af op zijn doel, wien hij daarbij ook tegenover zich mocht vinden. Hij was streng voor anderen, maar strenger voor zichzelf, was hulpvaardig voor wie hem noodig had, trouw in vriendschap.

Bekwaam en grondig als ingenieur en bovendien een onkreukbare persoonlijkheid, was hij zeer op zijn plaats als chef van een keuringsdienst. Toch waren het edeler vruchten, die zijn gaven vermochten af te werpen, toen zij in dienst werden gesteld van het onderwijs, en hij zijn beste krachten kon geven aan het technisch onderwijs, aan de vorming van aanstaande middelbare technici, en het behoeft dan ook niet te verwonderen, dat dit werd tot zijn levenswerk.

Het is hier minder de plaats om in bijzonderheden na te gaan, wat De Groot te Dordrecht heeft tot stand gebracht, te minder, omdat er ter gelegenheid van het 25jarig bestaan der M.T.S. aldaar een gedenkboek is uitgegeven, dat veel lezenswaardigs bevat over de wording, den groei, den bloei en de resultaten van deze school en dat duidelijk aantoont, welk een groot aandeel De Groot daarin heeft gehad.

Het is niet slechts de vele arbeid, die deze resultaten opleverde, niet alleen het werk, dat door De Groot en zijn medewerkers aan de school werd besteed, het was ook — en wellicht in veel hooger mate nog — de persoonlijkheid van den directeur en de groote bezieling, welke van hem uitstraalde zoowel op de andere leerkrachten en het verdere personeel als — en dit vooral ook — op de leerlingen, van wie de eene generatie na de andere die bezieling ondervond, in zich opnam voor het geheele leven en met zich meedroeg de wijde wereld in. Het is weinigen gegeven, zoo op leerlingen in te werken als De Groot het deed en als de onder zijn leiding en zijn voorbeeld gegroeide onderwijs-instelling in haar geheel het deed en nog doet.

Na een voortreffelijke organisatie der school en streng toezicht op de doorvoering ervan, na voortdurende verbetering aan de hand van nauwlettende studie der verkregen resultaten en na het stellen van strenge en hooge •eischen dient toch als kroon op dit werk te komen datgene, waarvan de hoogste opvoedende kracht uitgaat: het voorbeeld, het uitnemende persoonlijke voorbeeld van dengeen, die in alles voorgaat, nooit zichzelf zoekende, maar steeds het oog gericht houdende op het doel, steeds daaraan trouw.

En zulk een voorbeeld, wie kon het beter geven dan iemand van het karakter van den overledene, dan De Groot zelf? En dit heeft hij dan ook gegeven en daaraan vooral is het welslagen, is de groote paedagogische waarde van de M.T.S.-Dordt te danken.

Het is daaraan te danken, dat de verschillende einddiploma's der M.T.S.-Dordt in den loop der jaren de waardeering vonden, welke in technische en industrieele kringen hoe langer hoe meer van zich deed spreken, en dat de afgestudeerden steeds spoedig plaatsen vonden, hetzij in ons land, hetzij in ons Indië.

Welverdiend was dan ook de groote, hartelijke hulde, welke De Groot is ten deel gevallen bij zijn zilveren jubileum, dat hij gelukkig heeft mogen beleven, al noopte hem dan ook zijn gezondheidstoestand, zich zelf van de eigenlijke viering verre te houden.

Groot is de kring van oud-leerlingen, vervuld van dankbaarheid jegens De Groot en jegens de instelling, welke onder zijn leiding werd tot wat zij was en wat zij is, een instelling van groot belang voor geheel de Nederlandsche ingenieurswereld, reden om in dit tijdschrift daarop nog eens uitdrukkelijk de aandacht te vestigen en van den Nederlandschen ingenieur de erkentelijkheid jegens dezen verdienstelijken collega te vragen, welke hij aan de nagedachtenis van De Groot verschuldigd is.

Ir. J. L. Th. Groneman.

De mislukte aanhechting van Ameland aan den Frieschen wal omstreeks 1875—1883.

Ziet, aanwas is een ding, dat zonder ons gevoelen Komt stijgen uit de zee, en aan den oever spoelen. Al schijnt het eerst maar zand, en niet dan enkel bliek, Het neemt gedurig toe en wordt ten leste slick, En daarna wast er gras, een honderdtal van schapen Die kan er naderhand heur noodig voedsel rapen, Totdat het op het lest verandert zijnen naam En even met den tijd tot dijken is bekwaam.

J. Cats.

Gedrukt in „De Landaanwinning op de Friesche Wadden", door jhr. Teding v. Berkhout (1867).

Met het oog op landaanwinning voor akkerbouw en veeteelt bestaan reeds vele jaren ver-uitgewerkte plannen tot indijking van Dollard en Lauwerszee. In den laatsten tijd verneemt men ook van projekten, waarbij Schiermonnikoog met den vasten wal zou worden verbonden. Soortgelijke werken werden reeds eenige jaren geleden in Duitschland uitgevoerd (dammen naar Sylt en andere Sleeswijksche waddeneilanden), terwijl aldaar, doch meer nabij, plannen bestaan tot verbinding van Norderney met de Oostfriesche Kust.

De poging tot aanhechting van Ameland aan Friesland's vasten wal is een mislukking geweest. De vraag, waarom men dezen dam, die omstreeks 1880 werd geacht, niet heeft kunnen houden, scheen mij met het oog op de genoemde plannen de moeite van een onderzoek waard. Zoover kon worden nagegaan, werd hieromtrent tot nog toe slechts weinig gepubliceerd. Ik putte dan ook voornamelijk uit oude Waterstaatsdossiers.

In de Gids van 1869 behandelt de bekende ingenieur T. J. Stieltjes de voorgeschiedenis van het ontwerp. De landbouwer W. van Peyma te Ternaard had reeds in het begin der negentiende eeuw de aandacht gevestigd op de voordeelen eener aanhechting van Ameland aan den vasten wal. Zijn opvattingen werden door hem in 1846 op schrift gesteld. Gelijktijdig werd ook een rapport geschreven over dit onderwerp door den wegens zijn bedijkingsplannen der Zuiderzee bekend geworden Waterstaatsingenieur van Diggelen.

De begrooting van van Peyma bedroeg 20 ton, die van van Diggelen 26 ton gouds. De dam zou voor beide projecten ongeveer ter plaatse van het wantij worden gelegd.

Uit de Waterstaatsdossiers blijkt, dat in 1849 de inspecteurs van der Kun en Ferrand deze plannen in het algemeen gunstig beoordeelden. De ingenieur van den Toorn, die in 1861 een werkje schreef over schorren en kwelders, dat nog steeds lezenswaard is, achtte den aanleg van den dam naar Ameland „ten hoogste raadzaam als een rijke bron van landsaanwinst en tevens gunstig voor de beveiliging van het met een doorscheuring bedreigde Ameland". Ook eenige anderen lieten zich in gunstigen zin over deze plannen uit.

In een rapport aan den Minister merkt de inspecteur Conrad dan ook in 1865 op: „Men ziet, dat alle deskundigen, die de zaak behandeld hebben, hoe verschillend ook over de uitvoering denkende, de aanhechting van Ameland aan den vasten wal als een nuttige en wenschelijke zaak beschouwen. Ik aarzel niet mij bij die opinie te voegen".

De verschillende denkbeelden betreffende de uitvoerring, waarvan Conrad sprak, zijn:

1°. geheel watervrije afdamming (1,80 m -f- volzee); van Peyma, 20 ton (1846)

2°. geheel watervrije afdamming; van Diggelen, 26 ton (1846)

3°. bijna watervrije afdamming; van Diggelen, 18 ton (1847)

4°. dam tot y2 m — volzee (H W); Kros, ± 2 a 3 ton (1848)

5°. dam tot % m + volzee; Teding van Berkhout,

9 ton, (± 1865) 6°. dam tot y2 m + volzee, in lagen uitgevoerd; Bolten,

18 ton (±~ 1865)