is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; Weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 53, 1938, no 18, 06-05-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A. 182

De Ingenieur no. 18. Algemeen gedeelte 18.

6-5-1938

Profie^pnomerTjp ;4io rnjtitj/enjrirscfien mal.

at

Reeds onmiddellijk had men doorbraken in het gemaakte rijswerk te dichten, doch in Augustus 1872 kon men toch al spreken van een doorgaanden lagen dam tusschen Ameland en den vasten wal. In 1873 moest nogmaals een schade worden hersteld. De aangewende bouwstoffen bedroegen toen 1.082.900 kg basalt, 132.213 bos Hollandsen rijshout, 11.486 Walcherensche palen, 15.119 bos tuinlatten en 407.514 bos berkenrijs.

De dam bezat daarmede echter, zooals gezegd, nog niet het beoogde profiel. Zelfs ontbrak daar nog zeer veel aan. Verwacht werd, dat men door eenvoudige opslibbingswerken van lieverlede het breede profiel van 34 m kruinsbreedte zou kunnen verkrijgen, doch hier bleek een teleurstelling. Een proef werd toen genomen met een goedkoopen dam van veel geringer breedte.

Naar aanleiding dezer proef werd bij K. B. van 29 December 1874 goedgevonden, dat het volgende profiel zou worden gemaakt: kruinshoogte % m beneden H. W., kruinsbreedte 0,60 m (N.B.!) en glooiingen van 3:1. Desgewenscht mocht de concessionaris den dam ook hooger optrekken.

In 1875 was deze veel te magere dam voor ruim 2/3 deel voltooid, niet voor October 1878 kwam hij geheel gereed met een minste kruinshoogte van 0,50 m beneden H. W.

Zekere opzichter Hayward meldt reeds in 1877, „dat de toestand van den dam thans gunstig is, terwijl ik erbij kan voegen, dat het zich laat aanzien, dat de dam, eenmaal afgewerkt zijnde, betrekkelijk weinig onderhoud zal vorderen, als het werk zich met slib en schelpen blijft bevestigen, op de wijze zooals thans plaats heeft". In 1878 adviseert hij tot uitkeering van de subsidie, „dewijl de maatschappij naar mijn gevoelen aan de gestelde eischen heeft voldaan".

In hetzelfde schrijven deelt hij echter mede, dat „aan de Oostzijde van den dam zich onmiddellijk langs den voet geulen hebben gevormd, die evenwel nog geen gevaar opleveren".

Deze geulen beteekenden echter het zekere einde van den dam. Van nu af volgt de ondergang.

In 1881 werd door den storm van 14/15 October op 3450 m afstand van Ameland een doorbraak van 50 m lengte en 1,80 m — L. W. diepte gevormd. In 1882 volgden op 29/30 April nog twee doorbraken, lang 45 en 62 m en gemiddeld diep 2,30 en 4,50 m — L. W. Hoewel deze. laatste in Mei en Juni gedicht werden, stak tijdens herstel van den doorbraak van October 1881 opnieuw storm op.

zoodat het gat weder grooter werd. Tevens brak daarbij de dam nog op twee andere plaatsen door. Met de herstelling der meest bedreigde gedeelten werd weder onmiddellijk aangevangen.

Onder deze benarde omstandigheden werd den hoofdingenieur J. van der Vegt opgedragen, verslag uit te brengen omtrent den staat der werken. Deze legde onmiddellijk den vinger op de wond: „de schade ontstaat vooral aan de Oostzijde des dams, dat is dus door overstorting van water. Het blijkt, dat bij westelijke winden het water aan de Westzijde des dams veel vroeger rijst dan aan de oostzijde, waar dan zelfs, als gevolg van afwaaiing, de vloed minder spoedig opkomt, dan in gewone omstandigheden. Zoo heeft het geval zich voorgedaan, dat het water aan de Westzijde reeds tot kruinshoogte was gestegen, terwijl aan de Oostzijde het

wad nog droog lag. Onder zulke omstandigheden heeft de dam ontzettend veel te verduren" (zie figuren 2 en 3).

Hij ried aan een berm van zinkstukken aan de Oostzijde van den dam te maken ter breedte van 6 m. Zijn meening wordt echter beter weergegeven in de volgende woorden: „De eerste ontwerpers van Peyma en van Diggelen beoogden het leggen van een hoogen watervrijen dam en ook de inspecteurs Conrad en Fijnje gaven aan een dam, tegen overvloeien beveiligd, de voorkeur. Werkelijk kan men op deze plaats alleen van een hoogen dam eenig heil verwachten".

Ook Conrad uit zich (1882): „Ik heb de meening, dat de oorzaak van de herhaalde doorbraken van den dam is te wijten aan het gemis van een met steen verdedigden piasberm langs den teen van het oostelijk beloop".

De hoofdingenieur Waldorp dringt aan tot het maken van een stormvloedvrijen dam. Hij wijst er in Januari 1883 op, dat er nog steeds geen eenheid van inzicht is. Er zijn er, die den dam laag wenschen te houden, d. i. hoogstens halvervloed of daaromtrent, anderen die den dam hoog willen maken. Zekerheid is volgens hem alleen te verkrijgen, „door de» dam te maken tot een permanent werk, dat is door hem insubmersibel te maken".

Door Conrad wordt echter in 1884, bij een onderzoek tot overname der werken door het Rijk, voorgesteld een piasberm te maken ter breedte van 5 m. De kruinshoogte werd bepaald op 0,25 m + H. W„ de kruinsbreedte op 0,75 m, de beloopen aan de Westzijde 3 : 1, aan de Oostzijde 4 : 1.

In de Memorie van Toelichting op de begrooting van 1886/7 wordt aan deze plannen aandacht geschonken en medegedeeld, dat een verhooging van den dam in verband met den toestand van 's lands financiën niet kan plaats hebben, doch dat bij aanleg van een berm volgens de gevoelens der ambtenaren van den Waterstaat en van andere deskundigen „menschelijkerwijze gesproken geen nieuwe gaten zullen worden geslagen".

Waarschijnlijk heeft de Tweede Kamer gemeend, zulks te moeten betwijfelen. Uit de verslagen der Openbare Werken blijkt althans, dat na 1883 aan herstel der gaten niets meer werd gedaan.

Wel voerde de heer Teding van Berkhout nog langen tijd een actie tot herstel der werken, doch in 1903 werd ook het zuidelijk deel van den dam, waarvan de kruin nog als looppad diende, beschadigd. Door het ingebreke blijven der Maatschappij tot landaanwinning, inzake herstel van dit