Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I42

HARRY VAN TUSSENBROEK'S

SIERPOPPEN.

Het is niet dan met zekeren schroom dat ik tot de zelfoverwinning geraak om het een en ander neer te schrijven bij afbeeldingen van werk van mijn ouderen en eenigen broeder. Maar wie, beter dan ik, is in staat zijn wezen en werk te doorvoelen en te ontleden en ik wil dit ook liever niet aan anderen overlaten nu hij, op mijn aandringen, er in toegestemd heeft zijn wonderlijke sierpoppen voor de eerste maal ten toon te stellen in de stad zijner inwoning, het oude en grijze Dordt. Er is in de laatste jaren een zekere mode ontstaan voor phantastische poppen en dit

heeft geleid tot velerlei dingen, die op het eerste gezicht soms

wel aardig waren, doch bij nadere beschouwing al heel weinig aan innerlijke waarde bezaten.

Namen als Kathe Kruse, Erna Pinner, Lotte Pritzel en later ook Lipschitz, de ultramoderne, zijn in dit genre naar voren getreden en algemeen bekend en zelfs tot een zekere wereldvermaardheid gestegen. De interesse voor de marionet is om meer

„De Vlinder," „de Booze Geest" en „de Vlam."

dan één reden een teeken des tijds, de met veel succes in het museum van Kunstnijverheid gehouden tentoonstelling van Zwitsersche marionetten en het optreden van Brann's gezelschap in ons land onder auspiciën van dit museum hebben ook hier leven gewekt in dit opzicht, want van verschillende zijden bereikt mij het bericht dat kunstenaren zich het ontwerpen van mariO' aan netten hebben gezet,

waarvan wi) stellig later meer zullen hooren. Het wasvoor mijn broeder een prikkel, een aanleiding.

Hij is de geboren aestheet, zijn omgeving is tot in het uiterste verfijnd, zijn liefde gaat uit naar de Japansche en vooral de Chineesche kunst; hij is de verzamelaar van mooie dingen en weet de dingen om zich mooi te schikken. Hij mint de schoonheid in velerlei verschijning, in het Delftsch blauw, in het Engelsche of Fransche aardewerk, het rag-fijne blanc de Chine porcelein evenzeer als in de primitieve, ruw doch liefdevol gekneede aarden potten der wilden. Hij kent de karaktereigenschappen dezer dingen door en door en weet nu hier, dan daar vondsten te doen, waar anderen voorbijloopen. Hij heeft de aangeboren „flair" van den verzamelaar. En in het groote huis aan het Kerkplein,

waar de prachtige kathedraal als stille waker over de oude stad met den breeden, stompen toren opgroeit te midden van nauwe straten en stegen en binnenhavens, is menig ding te vinden dat de trots is van hem die het voor „a song" hier of daar te midden van den rommel bij den een of anderen uitdrager heeft weten te verschalken. Mijn vader had prachtig porcelein, mijn moeders weelde was de zilverkast en beiden hadden pleizier in het koopen van schilderijen, wellicht ligt hierin de kern van mijn broeder's kunstzinnige neiging, zoowel als inde voorliefde welke ook schrijver

dezer regelen vanaf zijn prilste jeugd voor mooie dingen heeft gehad. Doch ook hadden wij als kind veel phantasie. Wij hielden heele vertooningen en speelden komedie in oude kleedingstukken, die wij op zolder in groote koffers vonden en die naar kamfer geurden. Was er een huiselijk feest, dan kon men er zeker van zijn dat een of ander dramatisch tafereel aan ons jeugdig brein ontsproten, den dag zou besluiten. Meer dan ik, zoo herinner

„Koning Salomo.''

„Danjuro," Japansch Tooneebpeler.

Sluiten