Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het Museum,

HET RIJKSMUSEUM G. M. KAM TE NIJMEGEN

DOOR LOUIS SCIARONE - FOTO'S VAN GRIJPINK.

Van alle plaatsen in ons land, waar de Romeinen hun kunst en cultuur hebben achtergelaten, heeft de oude keizerstad Nijmegen wel het voornaamste erfdeel ontvangen. Dit erfdeel ligt als een kostbare schat besloten in het museum Kam dat als 't ware zwijgend de nakomelingschap doceert over héél het Romeinsche leven in het oude Noviomagum. Dit museum te gaan zien is wel zeer de moeite waard, al was het reeds om het gebouw zelf, dat reeds bij den eersten aanblik imponeert door zijn torens op beide hoeken, gekroond door een corona muralis en boven de poort in het front, door den Romeinschen wolf en het Senatus Populusque Romanus.

Men voelt hier bij het opgaan der trappen, dat men de oudheid binnentreedt. Het bedriegt ons niet, want komen wij door een klein gewelfd vestibulum degrootemuseumhal binnen, dan blijven wij even verrast staan en worden getroffen door een daar heerschende rust en gewijde stilte. En geen wonder. Daar staan aan beide zijden, hoog op hun voetstuk geplaatst als bewakers van het museum, links een Romeinsch soldaat, rechts een Frankisch krijger in volle uitrusting. Zeer karakteristiek is deze idee, want men voelt bijna gedurig hun aanwezigheid, als stonden ze daar om tegenover de nakomelingschap nog eeuwen later hun harde wetten en tucht te handhaven. Hun strenge houding is in overeenstemming met de stijlopgaande trap van strenge lijnen, die midden in de hal oogenblikkelijk opvalt, evenals het hooge wanddecoratief voorstellende het Forum Romanum, geschilderd door Huib Luns. Daaronder op het trapbordes staat de

beeltenis van den stichter G. M. Kam, waaromheen als waardige emblemata zijn vier eerst verworven urnen staan, een schoon gedachte versiering voor de verder naar links en rechts opgaande trappen naar de gaanderijen. We zijn van onze eerste verrassing bekomen en nemen verder de hal in oogenschouw. Zoo zien we dat deze als één groot vierkant is gedacht en aan beide zijden een soort Porticus heeft, welke verdeeld is in 3 vakken. Alles draagt bij tot de schoone compositie van den bouwmeester, Oscar Leeuw, die hier door hoofdvorm en detailleering een samenhangend geheel wist te scheppen. Bekijken we nu eerst de vakken links, dan ziet men in het le vak gladwandig vaatwerk en het zoogenaamde Terra sigillata, beide in chronologische volgorde. Het 2e vak geeft de beschilderde techniek te zien in dof en geverniste waar, van welke laatste de jachtbekers te memoreeren zijn, terwijl het 3e vak vaatwerk toont met goudglans, dat aan metaaltechniek doet denken en verder ruwwandig aardewerk, waartoe behooren de grafurnen.

Aan de andere zijde der hal komen we bij een heel merkwaardige verzameling in vak 4, namelijk het Terra nigra en het Terra rubra (zwart en rood aardewerk), de zoogenaamde Belgische Waar. Speciale keramische vormen vinden we in het 5e vak, waaronder honigvaten van verschillende grootte, en zeer apart zijn hier wel de z.g. Gezichtsurnen en de Rauchgefasse. Zoo komen we aan het laatste vak en hier is het Germaansch, Merovingische en Karolingische genre ondergebracht, waaruit men direkt de mooie en forsche kogelpotten herkent. Alles in deze hal geeft een

overzicht naar de technieken van de verschillende Romeinsche perioden van ceramiek, in en om Nijmegen opgegraven en dateerend van de le tot en met de 4e eeuw na onze jaartelling. Dit alles is hier niet alleen wetenschappelijk, doch tevens smaakvol bijeengezet door den directeur van het museum, den heer Dr. Evelein, en zij in 't kort vermeld dat zulks geen alledaagsch werk is, daar vorm en kleur van oude kleikunst nu niet direkt medewerken om veel varieering aan te brengen. Rekent men nu nog de volgorde naar techniek en chronologie, waarop alles geplaatst is, dan kan men zeker hier van een wetenschappelijke èn artistieke rangschikking spreken.

Rondom de hal liggen de zalen, waar de vondsten naar de grafvelden in chronologische volgorde zijn geplaatst. Zoo loopt men tijdkundig als 't ware de grafvelden van het Romeinsche Nijmegen door, eerst de oudste, le helft le eeuw, verderdie van de 2e en volgende eeuwen. Deze zalen zijn met doorgangen verbonden, waarboven zeer gelukkig gedacht de namen prijken van bekende pottenbakkers, waarvan werk in de verzameling aanwezig, zooals Aquitanus, Bassus en anderen. In de middelste van die zalen zijn bovendien tentoongesteld munten als verdere getuigen der dooden, te midden wier grafvelden zij staan. Vanuit de grafvelden komen wij weder in de hal en begeven ons trapopwaarts tusschen twee reuzenamphoren, welke een grootschen indruk maken en komen op de gaanderijen. Daar zien wij aan beider eind als afsluiting in fraaie rangschikking een verzameling wapens op de muur aangebracht. En de gaanderijen zelf? Hier staan

-

Sluiten