Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zaterdag, 8 April 4876.

XXXIÏIste Jaargang. — Jfë 29.

DE

KKËR

WEEKBLAD YOOE OMEEW

SCHOOLWEZEN.

Dit blad verschijnt geregeld tweemaal per week en wel des Woensdags en Zaterdags. — Prijs per drie maanden ƒ1.75. — Prijs der advertentiën, van 1—6 regels: ƒ1.30; voor eiken regel daar boven 20 cents en voor een nummer der Courant 10 cents. De advertentie-regel wordt naar

plaatsruimte berekend.

Kannst du nicht Allen gefallen Mach es Wemgen recht, Vielen gefallen ist sehlimm.

schiller.

Een edel pogen uitgegaan van Noordbrabant, gevolgd door Groningen, en navolgenswaardig voor alle gewesten in Nederland.

Het is maar al te zeer hekend, hoe droevig het lot der meeste weduwen en nagelaten kinderen van Rijksambtenaren is. De lage jaarwedden aan het grootste aantal betrekkingen verbonden, maakt het bijna algemeen onmogelijk om wat te besparen voor de dagen , waarin gade en kroost den echtgenoot en den vader moeten missen.

Geen wonder waarlijk, dat er alweder dikwerf stemmen zijn opgegaan om in het lot van die weduwen en weezen te voorzien , door ook aan hen een pensioen toeteleggen.

Zijn de pogingen om daartoe te geraken totnogtoe vruchteloos geweest, dubbel goed is het, dat men zich daardoor niet laat afschikken of weerhouden om de zaak bij vernieuwing op touw te zetten en leven en belangstelling daarvoor te wekken. Eere daarvoor aan hen, die èn in Noordbrabant èn in Groningen dit weder begonnen zijn.

Een herhaald en krachtig beroep op het volksgeweten za! eindelijk wel verhooring vinden.

Maar het zijn nietalleen de eigenlijke Rijksambtenaren , wier weduwen en weezen in zulk een ongunstigen toestand verkeeren, ook het onderwijzerskroost der onderwijzersweduwen zien zich met den dood van vader

ot van man m de meeste gevallen van alles berooid. Menig doodbed wordt zeer hard, menige stervensure wordt zeer benauwd gemaakt, bij het bewustzijn van hem die heengaat dat zijn nabestaanden , met het uitblazen van zijn laatsten adem, letterlijk van elk middel van bestaan beroofd worden.

Hetzelfde, wat dus zoo zwaar weegt bij hen , die door den Staat bezoldigd worden, bestaat in gelijke mate bij de onderwijzers, al erlangen die hunne jaarwedden van de gemeenten. Met hun pensioen staan zij tevens in de nauwste betrekking tot het Rijk.

Hat de beweging om voor de weduwen en weezen van Rijksambtenaren pensioen te erlangen, zich over het gansche land moge uitbreiden, is hoogst wenschelijk. Maar dringend noodig is het ook dat ieder, wie kan, helpe medewerken dat er ook stemmen opgaan voor het lot der nagelaten betrekkingen van de onderwijzers der lagere scholen. Komt er eene gewenschte regeling, dat ook deze dan niet ver geten worden!

In de twee merkwaardige berichten, die ons rnededeelen, wat er in Noordbrabant en in Groningen geschied is, lazen wij in dat uit Groningen ook den naam van den geachten inspecteur voor het lager onderwijs in dat gewest. Wij misten echter bij beide commissiën één der lagere onderwijzers, 't Is immers geen teeken, dat aan dezen niet gedacht wordt ? Maar al was dit nog het geval, dan laat het zich echter denken dat de mannen, die zulk een schoon doel bejagen, ook gaarne de belangen van het lager onderwijs op dat punt zullen voorstaan. Het zou echter goed zijn, dat op de eene of andere wijze duidelijk bleek, dat ook het pensioen voor weduwen en kinderen van lagere onderwijzers in de bedoeling ligt. \\ ie kan, geve hierin licht.

Intusschen mogen de berichten een krachtige opwekking voor de onderwijzers zijn, om ook niet stil te zitten, maar de hand aan het werk te slaan.

Wat in Noordbrabant en in Groningen geschied is, wordt hieronder gevonden. Verblijdend is het, dat er doof de commissiën éénparig zal gehandeld worden.

Te 's Bosch heeft eene vergadering van Rijksambtenaren plaats gehad, waarin een dertigtal personen, inspecteurs en ontvangers der registratie, provinciale inspecteurs, controleurs en ontvangers der directe belastingen, directeurs en leeraren van hoogere burgerscholen, enz., tegenwoordig waren.

De heer Smits, inspecteur der registratie en domeinen, leidde de vergadering.

Nadat de voorzitter doel en strekking der bijeenkomst duidelijk in het licht had gesteld, onderwierp hij de navolgende twee stellingen aan het oordeel der vergadering.

lste stelling. Een staatsambtenaar moet zóóveel verdienen als noodig is, om, met zijn huisgezin, bestaande uit echtgenoot en minstens drie kinderen, overeenkomstig zijn inaatschappelijken stand te kunnen leven, en tevens een bedrag te kunnen afzonderen voldoende om, bij overlijden, weduwe en kinderen een — zij het ook matig — toch voldoend bestaan te bezorgen.

2de stelling. De staatsambtenaar kan bij de bestaande bezoldiging, na de (te hooge) korting voor eigen pensioenfonds, laatsbedoeld bedrag onmogelijk missen.

De wettelijke korting, waarvan hij vaak öf niet óf slechts zeer kortstondig eenige vruchten plukt, werkt er dus toe mede, om hem de zorg voor de toekomst zijner nabestaanden onmogelijk te maken.

Beide stellingen, door tal van treffende voorbeelden, ontleend aan het werkelijke leven, toegelicht, werden aangenomen,

De voorzitter stelde alsnu de vraag, welken weg, naar het oordeel der aanwezigen met de beste hoop op welslagen en voortdurende goede resultaten in de toe komst, zou kunnen ingeslagen worden.

Naar zijne meening staan voornamelijk drie wegen open, en wel:

a. het vragen van verhooging van bezoldiging.

b. het verzoek van afschaffing der verplichte kortingen voor eigen pensioen ;

c. het vragen om uitbreiding van het bestaande Rijkspensioenfonds (wet 1846) tot des ambtenaars weduwe en kinderen.

De vergadering besliste, dat de wegen a en b geene aanbeveling verdienen, maar dat het behandelen van weg c, 't meest raadzaam zou zijn.

Aan het einde der vergadering werd, op voorstel van een der aanwezigen, ter uitvoering der genoemde besluiten eene commissie benoemd, bestaande uit drie personen (één, ressorteerende onder het Departement van Financiën, één onder het Departement van Justitie en één onder het Departement van Binnenlandsche Zaken), aan welke commissie de bevoegdheid werd verleend, zich het noodig getal medeleden, zooveel mogelijk te kiezen uit de verschillende dienstvakken, toetevoegen.

Tot leden dier commissie werden benoemd de heeren: A. de Ceva, Provinciaal Inspecteur der Directe Belastingen, In- en Uitgaande Rechten en Accijnsen in Noord-Brabant, te Eindhoven, (Financiën) ; Mr. M. van den Acker, Raadsheer in het Gerechtshof voor de Provinciën Noord-Brabant en Limburg., te 's Bosch, (Justitie) en Armand Sassen Leeraar in de Staatswetenschappen aan 's Rijks Hoogere Burgerschool te Tilburg enz., wonende te Breda, (Binnenlandsche Zaken).

Groningen, 28 Maart. — Gisteren vergaderden te dezer stede eenige ambtenaren, behoorende tot verschillende departementen van algemeen bestuur, met het doel de beweging, van Noordbrabant uitgaande, om de wet van 184ö, regelende de pensioenen der burgerlijke ambtenaren, ook uittebreiden tot hunne weduwen en weezen, te ondersteunen. — Tegenwoordig waren de heeren: professor W. M. H. Sanger, reotormagnificus; S. Blaupot ten Cate, provinciaal inspecteur van het lager onderwijs; dr. L. Ali Cohen, inspecteur van het geneeskundig toezicht; jhr. T. J. Kraijenhoff, provinciaal inspecteur van 's Rijks belastingen ; mr. S. Tjaden Busman, presid.en mr. H G. A.Thieme, officier van justitie bij de arrondissement-regtbank; P.Tetrode, directeur van het postkantoor; J. F. van Dunné, inspecteur der registratie; dr. F. G. Groneman, directeur der rijks hoogere burgerschool en K. W. Verschoof!, controleur van 's rijks belastingen. Na bespreking werd met algemeene stemmen besloten, met kracht tot de bereiking van het doel medetewerken en vormde zich uit de genoemde heeren reeds dadelijk een comité, bestaande uit de heeren: mr. Thieme (Justitie); dr. Groneman (Birmenl. Zaken) en Tetrode (Financien) en den controleur Verschoof als Secretaris. Deze commissie, die later met andere leden kan worden versterkt, zal zich in verbinding stellen met die van Noordbrabant.

Dat de wensch naar dergelijke uitbreiding niet onbillijk is, kan door elk worden begrepen, die weet, dat liet pensioenfonds op het oogenblikeen schat heeft van f 18.000.000, die jaariijk enorm toeneemt.

Het hoog belang der zaak wekke tot spoedige navolging van deze goede voorbeelden!

Te Veendam, Ommelanderwijk en Zuidwending, Wildervank en Stadskanaal, Oude en Nieuwe Pekela, Muntendam, Zuid- en Noordbroek circuleeren bij de ingezetenen adressen aan de Tweede Kamer, waarin ingenomenheid wordt betuigd met het wetsontwerp van den heer Moens tot wijziging der schoolwet, en de Kamer wordt uitgenoodigd, zoo spoedig mogelijk hare goedkeuring aan dat ontwerp te verleenen.

Vanwege de afdeeling Goes van „Volksonderwijs" zal aan de Tweede Kamer een adres worden ingezonden ten gunste van het voorstel van den heer Moens. Dit adres zal aan alle ingezetenen van Goes ter teekening worden aangeboden.

Ook de afdeeling Gouda en omstreken van „Volksonderwijs" zal zich binnen weinige dagen met een adres in gelijken zin, tot de Tweede Kamer richten.

'tls goed, dat de voorstanders van het ontwerp-Moens zich spoedig, krachtig en eenstemmig, in het openbaar daarvoor verklaren.

BOEKBESCHOUWING ENZ.

Algemeene Geschiedenis des Vaderlands voor School en Huisgezin door R. K. Kuipers, Hoofdonderwijzer te St. Jacobi-Parochie. — Eerste stuk.'— Zwolle, W. E. J. Tjeenk Willink. — Prijs f 0,60.

„In de meeste boeken, die men voor de Vaderlandsche Geschiedenis gebruikt ,''' zoo lezen we in 't voorbericht, „wordt zij vaak onafhankelijk van die der andere volken behandeld. Het is alsof slechts één volk op het wereldtooneel zijn rol speelt; de andere natiën komen niet in aanmerking. Hierdoor wordt de waarde var. menig historisch feit veranderlijk, en komen sommige personen in een verkeerd daglicht. Deze wijze van beschouwing heeft misschien ook aanleiding gegeven tot nationale ijdelheid, bekrompenheid en eenzijdigheid, en licht schiep zij ons den God van Nederland."

Met 't standpunt, wiarop de schrijvèr zich heeft geplaatst, om namelijk ook in zooverre de geschiedenis der andere volken te behandelen, als noodig is om een juist begrip te geven van die van ons eigen land, kunnen we ons zeer goed vereenigen. Vooral kan een werkje, in dien geest geschreven , goede diensten bewijzen op die lagere scholen, waarop wegens gebrek aan tijd geen afzonderlijk onderwijs in algemeene geschiedenis kan worden gegeven. De schrijver heeft zich, over 't geheel genomen, flink van zijn taak gekweten. De inhoud van 't eerste stuk , dat ons ter beoordeeling is toegezonden, bewijst niet alleen dat hij een goed begrip heeft van 'tgeen van Vaderlandsche geschiedenis op de lagere school moet worden onderwezen , maar tevens dat hij de stof, die hij behandelt, meester is. Aan den beschavingstoestand is , 't bestek van 't werkje in aanmerking genomen , een behoorlijke ruimte gewijd. De stijl is over 't geheel levendig, zoodat 't boekje zich prettig laat lezen

Of we dan in 't geheel geen aanmerkingen hebben? Tot ons leedwezen moeten we die vraag bevestigend beantwoorden.

In de eerste plaats dan zijn we bij 't doorlezen gestuit op eenige stijl- en op vele taalfouten. We bevelen den schrijver zeer aan bij een lateren herdruk , dien we zijn werkje van harte toewenschen, daarop nauwkeuriger te letten. Wellicht heeft hij nog gelegenheid, wat 't tweede stukje betreft, van den gegeven wenk gebruik te maken.

Een enkele maal is hij ook onzes inziens minder keurig in 't gebruik van zijn woorden. Zoo lezen we op bl. 97 „dat de vlammen lekten aan de lichamen der vroomste Protestanten", — op bl. 98 „om den Prins te treiteren, — op bl. 152 „zij orherden liever de stekelige distels der luiheid, dan de zoete vruchten enz."

Wat den historiscben inhoud betreft , willen we eenige opmerkingen, die we onder 't lezen hebben opgeteekend , aan 'foordeel van den schrijver onderwerpen. Uit die opmerkingen kan hij zien dat we zijn werkje met zorg en belangstelling hebben nagegaan."

Op bl. 33 staat dat Tyrus de laatste stad was, die aan de Christenen werd ontrukt. Moet dat niet zijn Acre? — Als straffen, die toegepast werden op hen die afweken van de heerschende kerkleer, worden op bl. 34 genoemd ban, interdict en inquisitie. We zouden er nog willen bijvoegen kruistochten, zooals o. a. plaats hadden tegen de ketters die door schrijver op genoemde bl. worden genoemd. Wanneer we spreken van den laatsten strijd, gevoerd door Karei den Stoute, dan mogen ook wel de Zwitsers genoemd worden vbl. 45;. Op bl. 49 lezen we dat Maximiliaan den oorlog met Frankrijk goed ten einde bracht. Dat Lodewijk XI Bourgondië niet teruggaf, had wel vermeld mogen worden. Op dezelfde bl. wordt als oorzaak voor de verplaatsing van den handel van Brugge naar Antwerpen opgegeven de oneenigheid tusschen eerstgenoemde stad en Maximiliaan Is de hoofdoorzaak van die verplaatsing niet dat in den loop der 14e en 15e eeuw de haven van Brugge langzamerhand verzandde? Antwerpen telde ten tijde van Karei V geen 100,000 inw., zooals op bl. 68 is opgegeven, maar nagenoeg tweemaal zooveel. Is 't juist, zooals op bl. 81 wordt vermeld, dat de Prins van Oranje de bekende afspraak tusschen Filips II en Hendrik II om de ketterij uit te roeien, uit den mond van Hendrik II zelf vernam?

En hiermede nemen we voorloopig afscheid van den schrijver en zijn werkje. Met belangstelling zien we uit naar 't tweede en laatste gedeelte van zijn arbeid, waarmee we met genoegen kennis gemaakt hebben.

L. Y.

Brieven en Stukken franco aan den heer G. B. Lalleman, te Moordrecht. Boeken en Advertentiën aan het adres van de Uitgevers, 2de Wagenstr. 100, te 'sGravenhage; Dinsdags en Vrijdags vóór 12 ure. — Agenten voor Duitschland, Haasenstein en Vogler, te Hamburg.

De Landbouwschool; wat men er leert en tcat men er doel. Schoolboek voor nieuwsgierige jongens en meisjes door H. Baarschers, Oud-Hoofdonderwijzer te Hardenberg. — A. Ophorst, Wageningen.

Eenigen tijd geleden , — ik durf niet zeggen, hoe lang reeds, — werd mij het werkje, welks titel hierboven staat, door den uitgever toegezonden, met het verzoek mijn oordeel daarover in een of ander weekblad voor het lager onderwijs uit te brengen.

Dergelijke verzoeken komen wel meer tot mij; maar aangezien het niet in mijn smaak valt voor het publiek te schrijven, en ook omdat mij meestal de tijd daartoe ontbreekt, heb ik daaraan nog maar zelden gehoor gegeven. Eerst meende ik dan ook het verzoek van den heer Ophorst af te wijzen; maar daar dit werkje een vak van onderwijs betreft, dat bij mij hoog staat aangeschreven , en de vrees mij bekroop, dat het öf' in het geheel niet, óf door een onbevoegde zou beoordeeld worden, kwam ik daarvan terug en besloot ik mijne gedachten daarover kenbaar te maken. Velerlei omstandigheden beletten mij echter tot nu toe mijn voornemen ten uitvoer te brengen, zoodat ik sedert reeds lang vreesde, neen wenschte, dat een ander der broeders mij het gras voor de voeten zou komen wegmaaien. Mijn wensch werd echter niet vervuld, althans voor zoover mij bekend is , heeft zich nog niemand over deze lettervrucht van den heer Baarschers ontfermd. En toch geloof ik, dat zij verdient dat de aandacht van HU. Landbouwonderwijzers er op gevestigd wordt.

Ik durf niet beweren, dat mij alle schoolboekjes voor het Landbouwonderwijs bekend zijn, maar is dit zoo, dan staat het bij mij vast, dat dit met al zijne gebreken het beste is van al wat op dit gebied in het licht verscheen. Waarom? Vooreerst omdat er een methode in doorschemert, en ten andere omdat het, misschien wel tegen de bedoeling van den schrijver, geen lees-leerboekje is. Geen jongen, hoe flink hij wezen moge, zal, al leert hij het ook geheel van buiten, door dit boekje een goed denkbeeld van den Landbouw verkrijgen. Hoe zou dit ook kunnen? In 144 bladzijden toch wordt, volgens den Schrijver, alles behandeld, wat op een Landbouwschool geleerd en gedaan wordt. Vader Wester zou er van gezegd hebben: Vele zaken in een kort bestek," en ik zeg hem dat na en voeg er nog bij: het werkje is er mij te liever om, want juist dit zal den weetgierigen — niet nieuwsgierigen — knaap dwingen te vragen en weer te vragen: „hoe is dit en hoe is dat." En als dan zulk een weetgierige knaap het geluk heeft een onderwijzer te hebben, die goed op de hoogte is, dan zal deze het niet kunnen nalaten, om veel, zeer veel te spreken, niet alleen over hetgeen in dit boekje voorkomt, maar ook over het vele dat daarin volgens den titel moest gevonden worden, maar met stilzwijgen is voorbij gegaan.

Ook als leesboek voor de hoogste klasse verdient de Landbouwschool aanbeveling. Wij hebben vole leesboekjes, die alleen gebruikt worden, omdat zij bevorderlijk kunnen zijn aan het verkrijgen van een goeden leestoon, maar die, op den keper beschouwd , al zeer weinig voedsel voor verstand en hart opleveren ; zoodat een werkje als dit, dat bij een goeden, en al wordt er veel in gemist, toch altijd nog rijken inhoud, zoo geschreven is, dat •de kinderen het met genoegen zullen lezen , wel mag aanbevolen worden; alleen maar moet ik er alweer op wijzen, dat er veel, zeer veel bij gesproken moet worden. Dit kan echter geen bezwaar opleveren; want wie er over denken durft, om op zijne school aan het reeds zoo groot getal van vakken nog een nieuw en wel een van zoo'n wijden omvang toe te voegen, zal wel over geen gebrek aan hulppersoneel behoeven te klagen.

Ik zeide: „met al zijne gebreken, houd ik dit voor het beste schoolboekje, dat naar mijn weten over den Landbouw geschreven is." Hierin ligt opgesloten dat er aanmerkingen, ja zelfs vele aanmerkingen op zijn; en het zou niet eerlijk zijn,die achter te houden, of althans in eenige trekken aan te geven van welken aard die zijn.

Bij bet lezen en herlezen van het werkje, kwam bij mij bij herhaling de vraag op: Is de heer Baarschers wel Landbouwer d.w.z. Landbouwonderwrj^er? Soms toch komt hij zoo vreemd voor den dag, dat men onwillekeurig denkt aan het spreekwoord :„ liij heelt de klok hooren luiden, maar weet niet recht, waar de klepel hangt." Zoo althans dacht ik bij het lezen van de beschrijving, die gegeven wordt van de modelboerderij en aanhoorigheden. Mij dunkt, bij een Hollandse ben, Zeeuwschen, Groningschen of Frieschen boerenjongen moet, als hij dit leest, d& wensch opkomen: Och kocht Vader mij zoo'n spulletje op de kermis. En dan dia houten bakken in de greppel, of, zooals wij Hollanders zouden zeggen, in de groep aebter de koeien, die er door een paard uitgetrokken wordt, wil mij ook niet bevallen, en zoo die al ergens gevonden wordt, in stallen van meer dan 2 a 3 koeien zou ik hem voor een zeer lastig, neen, een geheel onbruikbaar werktuig houden, tenzij de heer Baarschers mij aan het verstand weet

Sluiten